26-04-09

Belevenissen in het UZ, het tiende deel

 

Nog iets van toen ik in het revalidatiecentrum verbleef. Op zeker moment kreeg ik een nieuwe kamergenoot. Een toffe manspersoon, met vriendelijke ogen, wild krullend haar en een enigszins woeste baard. Een figuur met het uiterlijk van een kabouter dus, maar veel groter dan deze bosbewoners.

Toen we reeds zowat een week de kamer deelden liet die man bij enkele medebewoners ontvallen: "Die kamergenoot van mij is toch een rare. Gewoonlijk groet hij me, en maken we een praatje, maar als ik 's avonds, als we reeds in ons bed liggen, een gesprek met hem wil starten, negeert hij me meestal gewoonweg." Men verzekerde de man dat ik, naar hun ervaring,  best sociaal van aard ben en dat men die houding van me dus niet begreep. Dit moest om een misverstand gaan. Niemand kwam blijkbaat op de idee om mij gewoonweg om een verklaring te vragen.

Op een avond, ik lag reeds in mijn bed, aan de vensterkant, keek ik op zeker moment links van me omdat ik dacht een geluid te hebben waargenomen. Ik zag mijn buurman zijn lippen bewegen. Dus ik zei: "Ik hoop dat je niet tegen mij aan het praten bent, want ik hoor niet al te best." Waarop hij antwoordde: "Toch wel verdorie!" en hij barste glimlachend los en vertelde mij over zijn onbegrip ten overstaan van mijn manier van doen. En ik informeerde hem wat gedetailleerder over mijn gehoorproblemen. Wat hebben we toen gelachen met dit misverstand! En nu nog komt, telkens we elkaar weerzien, het voorval opnieuw ter sprake.

Tijdens dat anderhalf jaar verblijf in het hospitaal heb ik kennis gemaakt met creaturen van diverse pluimage. Zo was er bijvoorbeeld Lorenzo. Deze jongeman was een typisch product van een medische blunder. Ongetwijfeld werd bij de geboorte de baby abusievelijk bij het medisch afval gedeponeerd, terwijl de nageboorte weerhouden werd en van een naam voorzien. Triest hoor, om met zo een gezicht door het leven te moeten gaan. Normaal lach ik niet met het uiterlijk van een ander, maar in dit geval maak ik graag een uitzondering. We hadden bij deze kerel immers ook te maken met absolute leeghoofdigheid en de totale onwil van de persoon (?) in kwestie om daar iets aan te doen. Later heb ik gehoord dat die jongen een tijdje verkering heeft gehad met een meisje dat een hersenletsel had opgelopen, dat ze zelfs aan trouwen dachten, maar dat die relatie alsnog op een sisser is uitgelopen.

Dit even terzijde. Soms kwam ik in de kliniek ook wel eens in een benarde situatie terecht. Bangelijk en vervelend op dat moment, maar achteraf beschouwd twee keer niks en veelal lachwekkend.

Zoals die eerste keer dat ik met mij lamme lichaam alleen op het toilet zat, om stoelgang te maken. Ik werd op de pot gezet, met een touwtje in mijn buurt om te bellen wanneer de grote boodschap afgerond was. Mijn voeten stonden op de grond. Links was er een steun, rechts van me stond mijn rolstoel. Dus zijwaarts vallen kon ik niet. Voor mij, maar op enige afstand, was er ook een steun, en daar hield ik me met mijn enige, beperkt functionele hand, zo stevig als mogelijk, aan vast. Onder die steun stond een vuilnisbakje, met ledige flesjes olie, gebruikte latex handschoenen, gebruikt toiletpapier, gevulde tamponzakjes en zo meer.

Het wou maar niet lukken. Dus liet ik mijn bovenlichaam iets meer naar voren overhellen om de druk op mijn darmen te vergroten. Oeps, mijn hand gleed uit van de steun en mijn bovenlichaam viel voorover. Mijn hoofd verdween in die vuilbak. Wat moest ik nu aanvangen? Het was niet makkelijk helder na te denken met mijn kop in de troep. Zachtjes riep ik om hulp. Ik hoorde voeten voorbij schuifelen, riep iets luider "Hallo!" maar niemand reageerde. Het was weer stil. Even later een opengaande deur. Zo hard ik kon riep ik: "Help!" Eindelijk een stem: "Heb je hulp nodig?" Met schorre stem zei ik: "Ja, alsjeblieft. En snel graag!" Vrij spoedig waren daar twee verpleegkundigen die me terug rechtop hielpen.

Naar toilet gaan bleef eigenlijk altijd een verschrikking voor me. We hadden er geen in onze eigen kamer, dus moest het steeds gebeuren in de, voor iedereen, dus ook voor bezoekers, toegankelijke toiletten op de gang. Zelf de deur op bezet draaien kon ik niet, zodat er geregeld  een totaal vreemde persoon, onbeleefd, wegens niet eerst even op de deur te hebben geklopt, zodat ik "bezet" had kunnen roepen, bij me in het hokje stond. Waar ik, met de broek op mijn enkels, met blote bips, op de pot zat.

Ru(sh)di(e), 10 mei 2004 (revisie op 23 april 2009)

Commentaren

goeie morgen Rudi je mag niet lachen met iemands benarde toestand maar kon er toch niks aan doen toen ik het las van je vuilnisbak bezoek :-)
dat doe ik steeds zie, altijd eerst op de deur kloppen als ik naar het toilet ga ergens anders, je weet maar nooit

fijne zondag Rudi
groetjes

Gepost door: Borriquito | 26-04-09

Ik kan me 't gehoorprobleem zo voorstellen, je zou voor minder lachen achteraf. En tja ik ben ik dus ik schrijf (jammer genoeg) steeds wat ik denk en wat ik meen, ook als het over mezelf gaat. Maak er alvast een héél prettige dag van.

Gepost door: Chris, Laika en Chesko | 26-04-09

De commentaren zijn gesloten.