03-05-09

De avonturen van Rudi & Co - alweer een deel

 

Sinds zowat driekwart jaar oefen ik, met de hulp van een logopediste, mijn adembeheersing en spreekkwaliteit. Door die verlamming bedraagt mijn longcapaciteit immers slechts de helft van wat het voor een persoon van mijn leeftijd en gestalte zou moeten zijn, en nu tracht ik daar door oefenen en het gebruik van spreektechnieken, het maximale uit te halen.

Tijdens die stemoefeningen bleek dat ik een spraakgebrek heb. Ik was me daar totaal niet van bewust. Niemand heeft het me ooit gezegd en zelf had ik er blijkbaar nooit op gelet. Sommige letters spreek ik soms verkeerd uit: 'S' in plaats van 'Z', 'F' waar het 'V' moet zijn, en zo meer. En blijkbaar ben ik niet de enige die zulks doet.

Gisteren woonde ik, samen met mijn zoons, de eucharistieviering bij in de kerk, gelegen in het centrum van onze woonplaats. De celebrant had het er in zijn homilie over dat het tijd wordt dat gelovigen terug durven uit te komen voor hun overtuiging. Dat ze het Woord van Jezus Christus uitdragen, en dat, en hij herhaalde het een aantal keer: in naam van de 'Geilige Geest'!

Woensdag jongstleden was ik in het voetbalstadion van 'Sporting Lokeren'. Ik volgde de wedstrijd van de thuisploeg tegen Sint-Truiden in de 1/8 finale voor de 'Beker van België'. De kinderen had ik thuis gelaten, want op een schooldag horen die in bed te liggen op het uur dat de match aanving, zijnde acht uur 's avonds. Lokeren won de wedstrijd, met nogal wat geluk, en stoot als gevolg daarvan door naar de kwartfinales, waar het zal moeten optornen tegen provinciegenoot Gent.

Dat voor wat het sportieve gedeelte van de avond betreft. Ik wil immers melding maken van een incident dat plaatsvond naast de grasmat. Omdat er elders geen plaats voor me is, had ik naar gewoonte plaatsgenomen in de dug-out naast deze van de bezoekende club. Voor wie dat niet kent: een dug-out is een schuilhok met daarin (klap)stoelen, waarop doorgaans trainer(s), dokter, verzorger(s) en wisselspelers plaatsnemen, zodat ze enigszins beschut zijn tegen koude, regen en wind. In Lokeren hebben ze er dus ook zo eentje voor de 'mindervaliden'.

Toen ik arriveerde zaten er in 'het onze' reeds enkele mensen. Een oude heer in een manuele rolstoel, een valide oudere dame die zichzelf opwerpt als verantwoordelijke voor wat er in het invalidenschuilhok gebeurt en haar mentaal gehandicapte zoon van naar ik schat een jaar of vijfenveertig. Nadat ik hen gedag had gezegd en plaats had genomen voor de klapstoeltjes, kwam daar nog een dame bij met haar fysiek en mentaal beperkt zoontje, en wat later ook een jongeman met een meervoudige handicap, allen habitués.

Net voor de rust stond daar ineens die man in zijn rolstoel naast me. Die wou waarschijnlijk naar het toilet. Hij vroeg me plaats te maken, zodat hij me op de betonstrook kon passeren. Ik zag niet direct een uitweg, plaatste me een beetje schuin, zodat hij toch kon passeren, zonder op het gras te moeten rijden. Toen hij een minuut of vijf later terug kwam, ze ik: "Wacht, ik rij vooruit, dan heb je méér plaats om te passeren", maar die vent wou blijkbaar niet luisteren, want voordat ik mijn machine in beweging had gezet, reed hij me al voorbij: zijn twee linkerwielen op de betonstrook, zijn rechterwielen op het gras. Toen hij het betonvak wou oprijden, bleef zijn rolstoel steken. De man sloeg in paniek - voor zoiets idioots! - en riep om hulp. De zoon van de 'bazin' snelde meteen toe en duwde de oude in zijn kar het beton op.

Maar daar hield het niet bij op. De zoon keerde zich met een op onweer staand gezicht tot mij en brulde: "Niet profiteren, hé! Ik zal het zeggen tegen de bazen, hoor!" Ik waande me even in een kleuterschool. Ik wachtte even, verwachtend dat moeder hem tot de orde zou roepen, maar toen dat niet gebeurde, repliceerde ik dat hij zijn manieren en mond moest houden, en dat hij, als het hem niet aanstond, maar thuis moest blijven. Maar dat drong, zo denk ik, niet tot hem door.

Nu heb ik absoluut niks tegen mensen met een beperkt geestelijk vermogen. Ze kunnen er meestal zelf niet aan doen dat ze zo zijn. Maar dat geeft hen mijns inziens niet het recht om andere mensen te ambeteren. En als men weet dat zij zelf geen controle hebben over hun gedrag, dan moet hun begeleider hen maar in toom houden.

Tijdens de rust reed ik naar die man in zijn rolstoel toe en zei hem in het vervolg te wachten tot ik plaats maak, vooraleer me te passeren. De man zei dat hij me toen niet had verstaan. De moeder en de zoon, die naast de man zaten, hielden zich stil. Ik zweeg ook, want ik had geen zin in nog méér commotie. De meervoudig beperkte jongen kwam na de rust niet meer tussen ons zitten. Die nam plaats op een stoeltje, wel tien meter verder. Die vreesde allicht voor nog méér opschudding.

Ik kwam reeds eerder in aanvaring met het volk dat doorgaans de invaliden dug-out bemand. Ze zitten daar de lucht te bezoedelen met hun rookwaar, slaken oerkreten en zijn als de dood voor 'de bazen van boven': de voorzitter en zijn gevolg'. Maar als mijn zoons wat kabaal maken met hun claxons, beginnen ze te zagen. En als mijn rakkers wat staan te springen en meezingen met de leden van de spionkop, dan klagen ze ook dat ze niks zien en zijn ze, onterecht, bang dat de 'bazen van boven' hun ganse groep buiten het hek zal zetten.

Gelukkig gebeuren er ook wel eens leuke dingen als ik me onder de mensen begeef. Zoals op tweede Kerstdag, toen ik met mijn gezin een Kerstfeestje bijwoonde. We hadden ons net geïnstalleerd aan een tafeltje, toen iemand zachtjes op mijn arm tikte. Ik keek op en zag een klein meisje staan. Ze zei glimlachend "Dag mijnheer" en wuifde me toe met het handje dat me even voorheen had aangeraakt. Ik beantwoordde haar groet breed glimlachend. Ze huppelde olijk weg. Mijn echtgenote vroeg me of ze een reden had tot ongerustheid. We barstten samen in lachen uit.

Het is eens iets anders, die aandacht van kleine meisjes. Tot voor kort waren het vooral dames van rijpere leeftijd die me aandacht schonken. En ik nam daar genoegen mee. Maar daar is recentelijk dus verandering in gekomen. Zo kreeg ik eind december Kerstkaartjes van twee klasgenootjes van mijn zoons. Omdat ze weten dat ziek zijn niet leuk is en ze hopen dat ik spoedig weer beter word. IJdele hoop, helaas, maar hun gebaar ontroerde me wel. Kindjes van acht, die oog hebben voor het leed van een medemens. Het stemt me hoopvol voor de toekomst.

Ru(sh)di(e), 24 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)

Commentaren

Jammer van dat voorval tijdens de voetbal. Ik kan me héél goed voorstellen dat een gebaar van zo'n kind je dag goed maakt. Kinderen zijn toch wel heel spontaan en bij hen komt het altijd uit het hart hé. En tja die 2 klasgenootjes, het zal voor velen maar een kaartje zijn maar ik kan me voorstellen dat zo'n kaartje jou net héél veel goed doet omdat je weet dat het uit het hart komt en niet omdat het moet.

Gepost door: Chris, Laika en Chesko | 03-05-09

De commentaren zijn gesloten.