26-12-10

Heden en verleden - Frans

Mijn jongens halen op school niet zo een beste punten voor het leervak 'Frans'. Vooral door een tekort aan studeren. Wat dan weer het gevolg is van hun totaal gebrek aan interesse voor de taal van Molière.

Om Brian en Austin wat te helpen, heb ik een tijdje geleden oefenbladen gemaakt. Omkaderde en in een vlot leesbaar lettertype getypte lijsten met de meest courante werkwoorden en hun vervoegingen in de onvoltooid tegenwoordige tijd (L'indicatif Présent). Links op die A4'tjes staat een kolom in het Nederlands, rechts daarvan een kolom met de Franse vertaling en daarnaast, dus uiterst rechts, zijn er twee lege kolommen, waarin ze de Franse tekst dienden over te schrijven. Elke dag hebben ze zo een blad voorgeschoteld gekregen. Dat ze, na het (over)schrijfwerk dienden in te studeren. Waarna ik hen mondeling overhoorde over het geheel. Van Nederlands naar Frans en omgekeerd. En, waar nodig, gaf ik onthoudtips of hielp ik hen op een andere manier om de stof ingestudeerd te krijgen.

Door het herhaald en volhardend studeren is die kennis inmiddels min of meer volledig opgeslagen in één van de kamertjes van hun grijze hersenmassa. Omdat ik merkte dat dit leersysteem werkt, en de jongens inmiddels redelijk aan de regelmaat waren gewoon geraakt, besloot ik om dit dagelijkse studiewerkje verder te zetten. Wat geenszins in goede aarde viel bij mijn, allicht door de zuiderse genen in hun bloed, gemakzuchtige tweeling. Maar al bij al viel de tegenstand nog mee. Enkel in de beginfase van de verlenging diende ik wat nare woorden te incasseren.

Uiteraard diende ik extra werkbladen te maken. Wat ik dus deed. Deze keer liet ik de woordenschat aan de beurt komen. Waarvoor ik Austin zijn werkboek ter hand nam. En er de woorden uithaalde die hij tijdens de afgelopen weken in de lessen Frans had voorgeschoteld gekregen. Toen ik de jongen de eerste avond een eerste blad overhandigde, morde hij slechts een beetje. Nadien had ik de indruk dat hij het niet zo erg, en eigenlijk best wel handig vond dat de leerstof, waar hij zich sowieso diende doorheen te worstelen, op zulk een overzichtelijke manier kreeg aangeboden. Maar het kan ook zijn dat ik mij die zienswijze inbeeldt.

Broer Brian protesteerde. Hij zou wel goed gek zijn, woorden in te studeren die niet in zijn handboek voorkomen! Trachtten de jongen te overtuigen dat de kennis van de Franse vertaling van die handelslexicon, specifiek voor de studierichting die Austin volgt, ook voor hem nuttig kan zijn, daar verspilde ik mijn tijd en energie niet aan. Maar gebruikte ik liever om voor de jongen aparte lijsten te maken, met woorden en uitdrukkingen uit zijn leerboek. Tot tevredenheid van mijn zoon.

Leuk dat de uitgevers van schoolboeken mee evolueren met het veranderd tijdsbeeld. Toch was het in die schoolboeken van mijn jongens tegenkomen van bepaalde woorden, toch even wennen. Damesslipje bijvoorbeeld. La culotte in het Frans. Of sexy. En lichaamsdelen zoals borsten, les seins en poes. Of neen, dat laatste woord stond onder de categorie huisdieren. Goed dat de zeden is veranderd. Want men was in mijn jeugd al te bekrompen. Toch waren er een aantal, niet in onze schoolboeken voorkomende Franse woorden die ik kende omdat ze in onze dialecttaal werden gebruikt. Soutien bijvoorbeeld, waarvan iedereen wist dat dit het kledingstuk is waarmee dames hun boezem ondersteunen en op de juiste plaats houden.

Bepaalde, door de conservatieve goegemeente beschouwd als tot de intimiteit behorende, of zelfs als onwelvoeglijk geachte woorden, ben ik in geen enkele van de tijdens mijn schooltijd voor mijn ogen gepasseerde cursussen tegen gekomen. En later, toen ik de taal gebruikte in het dagelijks leven, heb ik deze woorden ook niet geleerd. Daar was geen behoefte aan. En ze kwamen niet ter sprake in de spreektaal bij privéaangelegenheden. En ook op zakelijk vlak, was er geen nood aan een kennis van het Franse woord voor die items. Althans niet in de sectoren waarin ik actief was.

Ru(sh)di(e), 29 mei 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

22-12-10

Rudi's overdenkingen - Allen de straat op

Nu de lente in het land is, is het zeker interessant om je als ‘zachte weggebruiker’ over het publiek domein te bewegen. Er is gelukkig al jarenlang een kentering aan de gang naar meer fiets- en voetgangersverkeer. Eventueel in combinatie met het openbaar vervoer: trein, tram, metro en lijnbus. Maar al te veel fietspaden en trottoirs liggen er abominabel bij. En er wordt bij de (her)aanleg van wegen nog steeds veel te weinig aandacht besteed aan kwalitatieve en veilige fiets- en voetgangersvoorzieningen. Koning auto heerst nog steeds over de weg. Samen met het ander snel wegverkeer, zoals vrachtwagens, bestelwagens, bussen en motoren. En in het straatbeeld wordt het bewijs geleverd dat het belang van dit gemotoriseerd verkeer nog steeds primeert.

Nochtans is er in het verkeerswezen een principe vooropgesteld dat inmiddels genoegzaam bekend is: STOP. Wat staat voor Stappers – Trappers – Openbaar vervoer – Privaat gemotoriseerd vervoer. Het duidt de volgorde aan van prioriteit, die men aan de verschillende verkeersmodi geeft in dit idealiter systeem. In de praktijk blijkt helaas dat er zowel bij het ontwerp als bij de uiteindelijke uitvoering van verkeersinfrastructuren, nog al te weinig wordt vastgehouden aan dat principe.

Zolang er ten gronde niks verandert aan de mentaliteit van hen die beslissen over hoe de verkeersinfrastructuur op het openbaar domein er uit moet zien en er niet met zowel de noden van de buurtbewoners wordt rekening gehouden als met deze van het doorgaande en bestemmingsverkeer, en het STOP- principe niet systematisch wordt toegepast, blijft de zachte weggebruiker ondermaats gediend.

Bovendien houdt men nog absoluut niet genoeg rekening met de omvang en de gebruiksvereisten van allerlei nieuwe, of opnieuw populair geworden ‘zachte’ vervoersmiddelen: ligfietsen, bakfietsen, vouwfietsen, BMX’en, steps, skateboards, inline skates … Ook niet met kleuterbuggy’s die gekoppeld worden aan en voortgetrokken door de fiets van de (groot)ouders en het gebruik van fietstassen aan beide zijden van het stalen ros (om bijvoorbeeld de boodschappen in weg te stoppen). Maar evenmin met driewielers (voor volwassenen met een fysieke beperking ), scooters (voor mensen die moeilijk te been zijn), elektrische buitenrolstoelen, steeds meer in zwang rakende rollators… De tijd dat oudere mensen of personen met een fysieke beperking hoe dan ook niet (meer) naar buiten kwamen, ligt immers gelukkig reeds grotendeels achter onze rug. Maar de overheid ziet hun (specifieke) noden, waar evenwel iedereen mee zou gebaat zijn, helaas nog veel te dikwijls over het hoofd.

De verstandige lezer concludeert met mij dat de doorsnee trottoirs en fietspaden veel te smal zijn om een vlot en veilig verkeer toe te laten. Voeg daar het feit aan toe dat ze vaak slecht zijn aangelegd en doorgaans nog slechter worden onderhouden en je komt uit op een oncomfortabele rijwijze. Wat vele mensen er van weerhoudt om zich op een zachte manier te verplaatsen, en hen er daarentegen toe aanzet om voor hun verplaatsing dan toch maar van hun auto gebruik te maken.

De heden dikwijls aangelegde fietspaden voor tweerichtingsverkeer zijn in dit opzicht plezanter om je over te verplaatsen. Zolang er zich niet te veel verkeer over beweegt tenminste. En elke gebruiker respect heeft en toont voor de andere. Dus zonder toestanden met zenuwachtige pseudowielrenners of mountainbikers die verwachten dat, als zij er aan komen, iedereen terstond de baan ruimt voor hen. Geen ongeduldige fietsers die niet even hun snelheid temperen, om bijvoorbeeld twee gemoedelijk naast elkaar rijdende peddelaars, na het horen van het belgerinkel van de achterligger, de tijd te geven om rustig aan achter elkaar te gaan rijden. En zo verder en zo voort.

Waar wijde trottoirs werden aangelegd, stel ik vast dat de extra ruimte helaas nogal vaak wordt vol gezet met bloembakken, publiciteitsborden, fietsrekken en andere voor voetgangers uiterst hinderlijke objecten. Of grotendeels worden ingepalmd door rekken met koopwaar van handelaars en buitenterrassen van horecazaken. Met als naar gevolg dat stappers dikwijls alsnog moeten uitwijken naar de autoweg. Met alle gevaar van dien.

Zeldzaam zijn zij die zich als zachte weggebruiker kunnen bewegen van thuis tot aan een enkele kilometers verderop gelegen bestemming, zoals bijvoorbeeld de school, het station, het werk, een multifunctioneel buurtgebouw… zonder door ook maar enig obstakel te worden gehinderd. Als het geen losliggende tegels, putten in de weg of andere technische mankementen zijn, dan is het vast een op een foute plaats ingeplante verkeerspaal, een onveilig kruispunt of een totaal gebrek aan een fiets- of voetgangersvoorziening. Om budgettaire redenen of omwille van plaatsgebrek of godweet welk ander ridicuul excuus, worden in het verkeerswezen faciliteiten voor stappers en trappers blijkbaar nogal vaak niet nodig geacht.

Wat me nog steeds stoort zijn buurten waar een ‘zone 30’ van kracht is, maar waar men deze tracht af te dwingen met kunstmatige wegversmallingen hier en daar. Met als gevolg dat op de obstakelvrije stroken tussenin, door menig automobilist, motorrijder of bromfietser nog eens goed gas wordt gegeven. Met alle gevaren van dien. Vaak zijn die wegversmallingen, in plaats van overrijdbaar, opgebouwd uit betonblokken, met als consequentie dat bij een uitwijkmanoeuvre, wegens bijvoorbeeld een plots opduikende tegenligger, de autobestuurder een fatale crash maakt. Hoe zeer ik snel en roekeloos rijden ook afkeur, een (zware) verwonding of de dood, wens ik geen enkele automobilist toe. Hoe onbezonnen die ook mag hebben gereden.

De ‘traag verkeer’ zones zouden over het ganse traject dusdanig moeten zijn aangelegd dat er automatisch aan een lage snelheid wordt gereden. En gemengd verkeer ten volle en veilig kan functioneren. Zonder dat deze of gene weggebruiker gefrustreerd is of zich ergert aan een andere. Groenaanleg en bochtige wegen kunnen dit bewerkstelligen. Er zijn talrijke studiebureaus die de expertise in huis hebben om dit zowel visueel aantrekkelijk als verkeerstechnisch, overeenkomstig de geldende wetgeving, voor elkaar te krijgen.

Wat is er prachtiger dan het beeld van door elkaar krioelende voetgangers, fietsers, op rijwielen in alle soorten en formaten, auto’s, motors, skeelers, jongeren op step, skateboard of zich voortbewegend op een springstok, rolstoelers, rolschaatsers, brommertjes en scooters… Jong en oud door elkaar, gebruik makend van diverse verplaatsingsmiddelen. Zich voortbewegend in woonwijken, maar ook daarbuiten. Een mooie droom? Zeker weten, maar wel één die mits wat goede wil van iedereen, op termijn kan worden gerealiseerd!

Ru(sh)di(e), 16 april 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 19 november 2010.