16-06-12

Heden en verleden - Onwelkome ratten en andere muizenissen

       

Afgelopen zomer was ik, op een warme namiddag, gezeten in mijn elektrische rolstoel, rustig aan het plassen, op een plek voor mijn garage en rechts van mijn met klimop begroeide haag. Plots zag ik, voor de witte garagepoort, over de betontegels op de grond, iets razendsnel van rechts naar links bewegen. Nog net zag ik een grijs muisje ritselend verdwijnen door een gat in de klimophaag.

Muizen en ratten… ik hou niet van deze knaagdiertjes met hun lange staart. De reden daarvoor weet ik eigenlijk niet. Mogelijks is het omwille van hun enge voorkomen en hun kwalijke reputatie als ziekteverspreider. En vast ook omdat ze zo graag ongegeneerd en ongenood tuinhuisjes, berghokken, garages en zelfs woningen plachten binnen te dringen.

Al mijn confrontaties met die ongeliefde zoogdieren verhalen, zou meteen leiden tot een omslachtig boekwerk. Vandaar dat ik mij hier ga beperken tot enkele bijzondere ontmoetingen met deze gretig knagende plaagdieren. Die zowat overal opduiken waar eten aanwezig is.

Als kind zag ik vaak huismuizen en veldmuizen in de omgeving van ons huis en stallingen. Meer dan eens zelfs onze huisgevel opklimmend. Gelukkig hielden onze katten toen de aangroei van die muizenpopulatie onder controle. Door nogal dikwijls eentje te pakken te nemen en vervolgens lustig op te vreten. Alleen, of de buit delend met de eigen kroost of andere op onze hof verblijvende soortgenoten.

Spitsmuizen of dolletjes zoals wij die noemden, werden dan weer niet verorberd door onze huiskatten. Met deze diertjes speelden of dolden ze alleen maar wat. Deze insectenetende zoogdiertjes worden overigens dan wel muizen genoemd, ze zijn het niet!

Net zo min als mijn zus haar, als (buitens)huisdier gehouden steenratjes ratten waren. Cavia’s waren het. Maar ze plantten zich wel haast net zo snel voort als de bruine rat. De laatste kooi die mijn handige pa als verblijf voor die beestjes in elkaar had geknutseld, werd vele jaren na het heengaan van de laatste cavia, gebruikt als opslagplaats voor het stro waarvan regelmatig een vers deel in de schuilplaats werd gelegd van de twee vrouwtjeseenden, die in mijn ouders hun achtertuin een stukje afgebakend terrein bewoonden.

Op een zekere dag in het oogstseizoen had de boer, die eigenaar was van de akkers die gelegen waren naast mijn ouderlijke woonst, het graan dat er op werd geteeld, door loonwerkers laten maaidorsen. Waarna de op het land achtergebleven droge plantenstengels en uitgedorste aren door een andere machine werden bijeen geschraapt  en samengeperst tot rechthoekige strobalen.

Als naar gewoonte, en met instemming van de boer, raapte ik nadien de nog op het land achtergebleven resten stro bij elkaar. Toen ik, om mijn buit op te bergen, het deksel optilde van de kooi waarin voorheen de cavia’s huisden, schrok ik mij haast een ongeluk. Omdat ik daar, bovenin het opeengestapelde stro, een nest muizen aantrof. Die, als in koor, luid piepten toen het deksel was opgelicht. Van schrik liet ik het terstond los, waardoor het met een klap terug op zijn plaats kwam te liggen. Dat verzamelde stro heb ik die dag netjes in een zak naast die kooi gezet, want ik bleef toch liever uit de buurt van die kroostrijke muizenfamilie.

Later is het ook eens voorgevallen dat ik de eenden eten ging brengen en van op een afstand zag dat er precies een ander dier stond te eten aan het, een stukje boven de grond opgestelde en overdekte, voederbakje. Toen ik tot op een meter of vijf genaderd was, zag ik wie die maïsdief was: een grote bruine rat! Ze stond met haar achterpoten op de grond en de voorpoten in het zich zowat 10 centimeter boven de grond bevindende voederschaaltje. Het beest, met een heel lange staart, bleek helemaal niet bevreesd te zijn voor mij. Die perplex het schouwspel volgde. En pas terug in beweging kwam toen dat enge beest er uiteindelijk toch vandoor ging.

*****

Als kind ging ik vaak vissen. In de stilstaande waters van beken, vaarten en vijvers uit de buurt. En tevens in het getijdenwater van de in Nederland stromende Westerschelde. Van op heel jonge leeftijd trok ik mee met mijn vader. En later ging ik ook al eens alleen, of met kameraden. Normaliter visten wij, van op de oever, met de vaste hengelroede en/of de werphengel. Maar ik ben ook enkele keren met mijn pa gaan peuren. Dat is een speciale en tevens één van de oudste manieren voor het vangen van paling.

Een drijvend gemaakte afgeschreven paraplu, of zoals wij het deden, een rechthoekige bak met drie naar binnen geplooide wanden en aan één zijde verhoogd met een in een kader gevat net, wordt hierbij te water gelaten. En middels een oude hengelstok, tot op een vijftal meter van de oever gebracht. Daarnaast wordt een hengelroe gehouden, waar aan de top ervan een draad is bevestigd met een dikke dobber en aan het uiteinde een tros aaneengeregen regenwormen hangt. Die wordt verzwaard met lood. En waarvan het de bedoeling is dat deze de bodem net niet raakt. Waarna de geur van de wormen de paling moet aantrekken.

Op het moment dat je, door de beweging van je roe, of het ondergaan van de dobber, vermoed dat er een paling aan de pieren knabbelt, dien je met een vlugge, doch rustige beweging, de top van de hengelroe op te halen en de tros regenwormen zacht tegen de binnenkant van, al naargelang, het regenscherm of de netwand van de bak te kletsen. Zodanig dat de lustig wormen etende paling deze lost en in de paraplukom of bak valt. Die je vervolgens naar je toe trekt om de buit binnen te halen.

Het beste moment om deze activiteit uit te voeren is ’s nachts. Omdat aal het grootste deel van de dag op de bodem van het water ligt ingegraven en pas in de nachtelijke uren gaat jagen. Dus zaten wij daar dus in het donker aan de waterkant. Wachtend tot die palingen zouden toehappen. En de stilte van de nacht werd enkel verstoord door onze ademhaling en door het plonzen van muskusratten, die vanaf de oever het water indoken en met hun grote lijf en lange staart vlak voor onze voeten voorbij zwommen. Griezelig!

*****

Van iets minder lang geleden dateert het volgende voorval, dat plaatsvond in Afrika. Met mijn echtgenote was ik op rondreis in haar geboorteland. We bevonden ons op een gegeven moment in een dorpje aan de rand van de woestijn. In het lemen gebouwtje dat door moest gaan als restaurant, zaten we als enige klanten in het sober ingerichte etablissement. Op houten stoelen aan een houten tafeltje aten we het enige gerecht dat daar die dag verkrijgbaar was.

We waren in alle rust en stilte gemoedelijk en smakelijk aan het eten toen ik ineens, onder één van de andere tafeltjes in het vertrek, een gigantisch groot ogende, grijskleurige woestijnrat zag verschijnen. Het diertje slalomde ongehaast tussen de verschillende stoel- en tafelpoten van het meubilair in het eethuis. Vooraleer mijn echtgenote, die de rat ook had opgemerkt, en ikzelf, verbouwereerd onze mond konden openen om er iets over op te merken, was het beestje alweer door de openstaande deur naar buiten getrippeld. Geloof me vrij dat het eten ons daarna niet meer zo erg smaakte. En we spoedig afrekenden en die plek verlieten.

Later kwam ik te weten dat er hier in Europa, en mogelijk ook elders, mensen zijn die deze beestjes houden als huisdier. Omdat ze zo vriendelijk, nieuwsgierig, rustig en gemakkelijk in de omgang zijn. Dat heb ik gemerkt, ja!

*****

Toen ik nog maar pas een jaar of twee thuis was, na anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, heb ik, op eigen initiatief, een tijdlang logopedie gevolgd. Omdat ik door een verminderde long- en middenriffunctie minder krachtig kon praten. En met professionele hulp technieken wou aanleren om, uit mijn beperkte mogelijkheden, toch de maximale spraak- en zangcapaciteit te halen.

Op een zekere voormiddag waren wij, zoals dat vaak het geval was, aan het oefenen in de zitkamer van mijn woning. Mijn logopediste, gezeten op een stoel, met haar rug naar het groot terrasvenster gericht. En ik tegenover haar, gezeten in mijn onafscheidelijke elektrische rolstoel. Terwijl ik bezig was met een door haar voorgedane oefening te herhalen, zag ik buiten een vrij grote bruine rat over ons verhard tuinpad lopen. Mijn adem stokte even en een zachte rilling ging door mijn lijf. Mijn logopediste merkte dat uiteraard. En vroeg me wat er aan de hand was. Wijselijk verzweeg ik wat ik net had gezien. Ik wou immers niet het minste risico lopen dat ze niet meer zou komen, omwille van de aanwezigheid van dat ongedierte op mijn hof.

*****

Een maand of twee later zat ik, zoals ik op zomerse dagen nogal eens placht te doen, bij valavond voor de openstaande deur in de inkomhal, een boek te lezen. Van licht voorzien door de maan, de straatlantaarns die de rijweg verlichten en de in de hal hangende gloeilamp. Plots dook er uit de duisternis een bruine rat op die zich, onder mijn, op de steunen van mijn rolstoel geplaatste voeten door, in de richting van het voor ons huis aangelegde vijvertje voortbewoog, Alwaar het beest, vanaf de rand, met een plons het water indook. En even later met de kop weer boven kwam. Om rustig, lustig en ongegeneerd te beginnen eten van het zich dobberend in een drijvende ring bevindende visvoer.

Ru(sh)di(e), 19 december 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

Commentaren

lang geleden dat je eens publiceerde...

maar wel met genoegen gelezen..

groeten

Gepost door: willy | 16-06-12

Blij dat ik nog eens iets van je kon lezen,
t is me uiteindelijk toch gelukt op je site te geraken.
Brr ik kreeg overal jeuk bij het lezen van zoveel "muizenissen"
Groetjes

Gepost door: christa | 16-06-12

Griezelige verhalen Rudi! Brrrr....
Ik heb ook wel eens het een en ander meegemaakt met die knaagdieren maar denk er liever niet aan.
Je schrijft steeds zo vlot dat ik vind dat je eens een boek zou moeten samenstellen.
Groetjes Rudi.

Gepost door: emmy | 16-06-12

De commentaren zijn gesloten.