01-01-12

Nieuwjaar 2012

  

Enkele nieuwe teksten om te posten zijn bijna klaar.

Maar in afwachting daarvan wens ik jullie alvast een SEXY Nieuwjaar!

 

Sexy girl - 033 (in a convertable car).jpg

  

22-12-10

Rudi's overdenkingen - Allen de straat op

Nu de lente in het land is, is het zeker interessant om je als ‘zachte weggebruiker’ over het publiek domein te bewegen. Er is gelukkig al jarenlang een kentering aan de gang naar meer fiets- en voetgangersverkeer. Eventueel in combinatie met het openbaar vervoer: trein, tram, metro en lijnbus. Maar al te veel fietspaden en trottoirs liggen er abominabel bij. En er wordt bij de (her)aanleg van wegen nog steeds veel te weinig aandacht besteed aan kwalitatieve en veilige fiets- en voetgangersvoorzieningen. Koning auto heerst nog steeds over de weg. Samen met het ander snel wegverkeer, zoals vrachtwagens, bestelwagens, bussen en motoren. En in het straatbeeld wordt het bewijs geleverd dat het belang van dit gemotoriseerd verkeer nog steeds primeert.

Nochtans is er in het verkeerswezen een principe vooropgesteld dat inmiddels genoegzaam bekend is: STOP. Wat staat voor Stappers – Trappers – Openbaar vervoer – Privaat gemotoriseerd vervoer. Het duidt de volgorde aan van prioriteit, die men aan de verschillende verkeersmodi geeft in dit idealiter systeem. In de praktijk blijkt helaas dat er zowel bij het ontwerp als bij de uiteindelijke uitvoering van verkeersinfrastructuren, nog al te weinig wordt vastgehouden aan dat principe.

Zolang er ten gronde niks verandert aan de mentaliteit van hen die beslissen over hoe de verkeersinfrastructuur op het openbaar domein er uit moet zien en er niet met zowel de noden van de buurtbewoners wordt rekening gehouden als met deze van het doorgaande en bestemmingsverkeer, en het STOP- principe niet systematisch wordt toegepast, blijft de zachte weggebruiker ondermaats gediend.

Bovendien houdt men nog absoluut niet genoeg rekening met de omvang en de gebruiksvereisten van allerlei nieuwe, of opnieuw populair geworden ‘zachte’ vervoersmiddelen: ligfietsen, bakfietsen, vouwfietsen, BMX’en, steps, skateboards, inline skates … Ook niet met kleuterbuggy’s die gekoppeld worden aan en voortgetrokken door de fiets van de (groot)ouders en het gebruik van fietstassen aan beide zijden van het stalen ros (om bijvoorbeeld de boodschappen in weg te stoppen). Maar evenmin met driewielers (voor volwassenen met een fysieke beperking ), scooters (voor mensen die moeilijk te been zijn), elektrische buitenrolstoelen, steeds meer in zwang rakende rollators… De tijd dat oudere mensen of personen met een fysieke beperking hoe dan ook niet (meer) naar buiten kwamen, ligt immers gelukkig reeds grotendeels achter onze rug. Maar de overheid ziet hun (specifieke) noden, waar evenwel iedereen mee zou gebaat zijn, helaas nog veel te dikwijls over het hoofd.

De verstandige lezer concludeert met mij dat de doorsnee trottoirs en fietspaden veel te smal zijn om een vlot en veilig verkeer toe te laten. Voeg daar het feit aan toe dat ze vaak slecht zijn aangelegd en doorgaans nog slechter worden onderhouden en je komt uit op een oncomfortabele rijwijze. Wat vele mensen er van weerhoudt om zich op een zachte manier te verplaatsen, en hen er daarentegen toe aanzet om voor hun verplaatsing dan toch maar van hun auto gebruik te maken.

De heden dikwijls aangelegde fietspaden voor tweerichtingsverkeer zijn in dit opzicht plezanter om je over te verplaatsen. Zolang er zich niet te veel verkeer over beweegt tenminste. En elke gebruiker respect heeft en toont voor de andere. Dus zonder toestanden met zenuwachtige pseudowielrenners of mountainbikers die verwachten dat, als zij er aan komen, iedereen terstond de baan ruimt voor hen. Geen ongeduldige fietsers die niet even hun snelheid temperen, om bijvoorbeeld twee gemoedelijk naast elkaar rijdende peddelaars, na het horen van het belgerinkel van de achterligger, de tijd te geven om rustig aan achter elkaar te gaan rijden. En zo verder en zo voort.

Waar wijde trottoirs werden aangelegd, stel ik vast dat de extra ruimte helaas nogal vaak wordt vol gezet met bloembakken, publiciteitsborden, fietsrekken en andere voor voetgangers uiterst hinderlijke objecten. Of grotendeels worden ingepalmd door rekken met koopwaar van handelaars en buitenterrassen van horecazaken. Met als naar gevolg dat stappers dikwijls alsnog moeten uitwijken naar de autoweg. Met alle gevaar van dien.

Zeldzaam zijn zij die zich als zachte weggebruiker kunnen bewegen van thuis tot aan een enkele kilometers verderop gelegen bestemming, zoals bijvoorbeeld de school, het station, het werk, een multifunctioneel buurtgebouw… zonder door ook maar enig obstakel te worden gehinderd. Als het geen losliggende tegels, putten in de weg of andere technische mankementen zijn, dan is het vast een op een foute plaats ingeplante verkeerspaal, een onveilig kruispunt of een totaal gebrek aan een fiets- of voetgangersvoorziening. Om budgettaire redenen of omwille van plaatsgebrek of godweet welk ander ridicuul excuus, worden in het verkeerswezen faciliteiten voor stappers en trappers blijkbaar nogal vaak niet nodig geacht.

Wat me nog steeds stoort zijn buurten waar een ‘zone 30’ van kracht is, maar waar men deze tracht af te dwingen met kunstmatige wegversmallingen hier en daar. Met als gevolg dat op de obstakelvrije stroken tussenin, door menig automobilist, motorrijder of bromfietser nog eens goed gas wordt gegeven. Met alle gevaren van dien. Vaak zijn die wegversmallingen, in plaats van overrijdbaar, opgebouwd uit betonblokken, met als consequentie dat bij een uitwijkmanoeuvre, wegens bijvoorbeeld een plots opduikende tegenligger, de autobestuurder een fatale crash maakt. Hoe zeer ik snel en roekeloos rijden ook afkeur, een (zware) verwonding of de dood, wens ik geen enkele automobilist toe. Hoe onbezonnen die ook mag hebben gereden.

De ‘traag verkeer’ zones zouden over het ganse traject dusdanig moeten zijn aangelegd dat er automatisch aan een lage snelheid wordt gereden. En gemengd verkeer ten volle en veilig kan functioneren. Zonder dat deze of gene weggebruiker gefrustreerd is of zich ergert aan een andere. Groenaanleg en bochtige wegen kunnen dit bewerkstelligen. Er zijn talrijke studiebureaus die de expertise in huis hebben om dit zowel visueel aantrekkelijk als verkeerstechnisch, overeenkomstig de geldende wetgeving, voor elkaar te krijgen.

Wat is er prachtiger dan het beeld van door elkaar krioelende voetgangers, fietsers, op rijwielen in alle soorten en formaten, auto’s, motors, skeelers, jongeren op step, skateboard of zich voortbewegend op een springstok, rolstoelers, rolschaatsers, brommertjes en scooters… Jong en oud door elkaar, gebruik makend van diverse verplaatsingsmiddelen. Zich voortbewegend in woonwijken, maar ook daarbuiten. Een mooie droom? Zeker weten, maar wel één die mits wat goede wil van iedereen, op termijn kan worden gerealiseerd!

Ru(sh)di(e), 16 april 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 19 november 2010.

07-05-10

Zalig zonder handen

         

Om tijdens mijn middelbare schooltijd de onderwijsinstelling te bereiken waar ik les volgde, diende ik met mijn fiets een goeie 8 kilometer af te leggen. De school bevindt zich immers in het centrum van de stad, terwijl mijn ouderlijk huis is gelegen in een deelgemeente daarvan. Mijn rijwiel was het exemplaar dat ik van mijn ouders als geschenk kreeg ter gelegenheid van mijn Plechtige Communie. Het bij deze gelegenheid schenken van een ware 'grote mensenfiets', is een traditie die, naar ik links en rechts hoor en zie, ook heden ten dage nog in voege is.

In mijn buurt woonden toentertijd slechts enkele jongeren die hetzelfde traject volgden als ik elke dag deed. Langs wegen met weinig bebouwing en veel akkers en weiden die aan de straat paalden. Van fietspaden was er helemaal geen sprake. Een groot deel van de te volgen weg was toen trouwens nog niet eens geasfalteerd, maar enkel verhard. Een ander deel bestond en bestaat nog steeds uit kasseistenen, voor de afwatering in een nogal overdreven boog aangelegd, en breder gemaakt door aan beide straatkanten een rij grote vierkantige betontegels te leggen.

Rijcomfort was er voor de zeldzame fietsers zoals ik, helemaal niet. En veilig was mijn rijroute evenmin. Want er was toen wel een stuk minder autoverkeer dan vandaag, maar op de boerenbuiten waren de landbouwers en loonwerkers ook reeds 's ochtends vroeg op weg. En hun tractors en machines waren toen doorgaans nog niet zo kolossaal groot, maar op die smalle wegen was het voor fietsers toch steeds weer opletten geblazen als er zo een landbouwvoertuig kwam aangereden.

Om tijd uit te sparen volgde ik meestal de korte weg. Waarbij de te rijden afstand behoorlijk werd ingekort door via een oude kerkwegel te rijden. Een met kiezelsteentjes verstevigd pad tussen percelen landbouwgrond, dat in vroegere tijden werd gebruikt door vooral boerenmensen, om 's zondags in het kerkgebouw te geraken om daar de eucharistieviering bij te wonen.

De toegangsweg tot het stadscentrum was dan weer een kasseibaan waar deels was over geasfalteerd en in de loop der jaren de in de rijbaan gevallen putten waren gevuld met lappen asfalt. Zodat het geheel er uitzag als een zwart/grijze lappendoek. Door die hobbelige, en ondanks alle oplapwerk nog steeds vol putten zittende straat rijden, was een ware marteling. En gevaarlijk, want aan weerszijden van de baan stonden er her en der auto's geparkeerd of gestationeerd.

Meerdere gebeurtenissen onderweg herinner ik mij, waarvan ik er hier slechts enkele in het kort zal verhalen. Zo herinner ik mij nog levendig mijn eerste fietsrit naar de middelbare school. Ik was helemaal niet gewoon om in het drukke stadsverkeer te rijden. Dus was het die eerste schooldag wennen om me in die verkeersstroom te bewegen.

Op een gegeven moment reed ik in een straat waar er, op de plaats waar deze onder de spoorweg loopt, aan de linkerkant, ook een zijstraat op uitkomt. In het midden van de straat stond er een politieagent het verkeer te regelen. Nu had ik in de lagere school wel de verkeersregels geleerd en was ik op de hoogte van de betekenis van de armsignalen van een verkeersagent. Maar die tekeningetjes in onze cursus waren steeds heel duidelijk geweest.

In de praktijk bleek dat andere koek te zijn. Die in het blauw gekostumeerde politiebeambte stond wel met zijn armen te zwaaien, maar de bewegingen die hij maakte kon ik niet direct in overeenstemming brengen met één van de ingestudeerde afbeeldingen op de stencils uit mijn verkeerscursus. Aangezien het verkeer in de zijstraat stil stond en ikzelf niet van richting veranderde, besloot ik vaart te houden en gewoon door te rijden.

Ter hoogte van die agent gekomen, zag ik hem, vanuit mijn ooghoeken, verbaast mijn richting uitkijken en met zijn ene hand een fluitje naar de mond brengen, waar hij luttele seconden later met bolle wangen op blies. Ik hield halt. De man, die gelukkig voor mij, zijn post niet kon verlaten, riep me boos toe. Of ik het verkeersreglement niet kende? En zonder op een antwoord te wachten gebood hij me terug te keren. Wat ik gedwee deed.

*****

Een ander voorval deed zich voor naar het einde van het schooljaar. Ik had dat jaar vrij snel iemand leren kennen die via dezelfde weg naar school reed. Ook een eerstejaars, maar de jongen zat wel in een andere klas dan de mijne. Meestal reden we samen naar school en huiswaarts. We passeerden daarbij dagelijks een boerderij waarvan de boer ons vaak commentaar toeriep. Dat we aan de kant van de weg moesten rijden, niet naast elkaar mochten rijden en nog meer van die dingen.

Zowel mijn schoolkameraad, nochtans zelf een boerenzoon en vast van plan om in zijn vaders voetsporen te stappen, als ikzelf, waren die voortdurende opmerkingen meer dan moe. Meer dan eens riepen wij iets terug. Iets snedig, of mogelijks eerder smerig, dat weet ik niet meer juist. Het maakte die boer in elk geval nog nijdiger!

Op een avond reed ik huiswaarts. Alleen, deze keer. Bijna aan die boer zijn bedrijf gekomen, zag ik dat daar nogal wat beweging was. Potverdorie, die waren vast van plan om de koeien van de weide aan de overkant, naar de stallen op hun erf te brengen. Een activiteit waarvoor ze, naar ik wist, de straat afspanden, zodat die beesten niet weg konden lopen.

Nu had ik er helemaal geen zin in om daar minstens een kwartier te staan koekeloeren naar die koebeestenverhuis. Dus duwde ik wat harder op mijn trappers om de versperring ten bate van die herlocatie voor te zijn. Door de snelheid die ik had, zag de boer mij pas op het laatste moment aankomen. Met die versperringskoord al in zijn ene hand, begon hij wild met zijn armen te zwaaien, ten teken dat ik moest stoppen en hem niet voorbij mocht rijden. Wat ik, onder luid sakkerend geroep van de boer, evenwel toch deed!

Had ik daar even 10 seconden geluk! Vlak nadat ik de boer was gepasseerd zag ik achter mij kijkend, in volle vaart een van de weide komende stier over de weg naar het boerenerf spurten. Het scheelde geen haartje of ik was, met fiets en al, aan dat beest zijn horens gespietst!

*****

Bij een andere boerderij waar we elke dag passeerden, liep er op het erf een hond die, van zodra hij ons in het vizier kreeg, vervaarlijk begon te grommen en te blaffen. In den beginne dachten we dat het dier dat deed ter protectie van het erf van zijn baasjes en dus om ons bang te maken. Opdat wij, voor die viervoeter potentiële boeven, het zeker niet in ons hoofd zouden halen om dat boerenhof te betreden.

Daarom hielden we ons, bij het naderen van die doening, stil en negeerden we het dier. Maar dat systeem leek niet te werken. De hond bleef dag na dag hetzelfde gedrag vertonen. Zwaar bassen en soms zelfs de bijters laten zien! Dus gooiden we het over een andere boeg. We begonnen de viervoeter, een dier van middelmatig formaat en vast het resultaat van een ongeplande kruising van verschillende rassen, te paaien door het vriendelijk toe te spreken. Maar ook dat mocht niet baten.

Buiten die hond viel er op dat boerenerf nimmer een levend wezen te bekennen. Dier noch mens waren daar ooit te zien. We hadden nochtans graag de baasjes van die boze blaffer eens aangesproken over het gedrag van hun dier, dat ons danig begon te vervelen. Bij de buren konden we ook niet terecht, want die waren er gewoonweg niet. Deze woonst stond zowat halverwege een straat, waar de dichtste buur 10 akkers en weilanden verder woonde.

Op een bepaalde ochtend reed er een derde jongen met ons mee naar school. Een klasgenoot van die nagenoeg dagelijks met me meefietsende schoolmakker. Toen we de boerderij met die razend blaffende hond naderden, en daarover ons beklag deden, zei die jongen, een nogal magere van postuur, dat je de vijand met gelijke wapens moet bekampen. Waarop de jongen met zijn fiets van ons wegreed en naar de afsluiting spurtte, waarachter die hond zat.

Nog voor hij zijn doel bereikte, begon hij zelf enorm veel kabaal te maken. Maar dat leek het beest niet te deren en zeker geen schrik aan te jagen. Toen wij bij de blaffende en schreeuwende jongen arriveerden, wezen we hem op dat feit. En merkten op dat de hond er nu nog bozer uitzag en nog luider blafte dan gewoonlijk. En dat de jongen best zou ophouden met wat hij deed, want dat anders die viervoeter wel eens over de afsluiting zou durven wippen om achter hem aan te gaan!

De jongen rolde de fiets waarop hij zat, met zijn voeten een beetje achteruit, tot hij terug op de rijweg stond en zette aan om verder te fietsten. Onderwijl ons antwoordend dat hij niks hoefde te vrezen want dat het toegangshek steeds was gesloten.

Doch die dag dus uitzonderlijk niet! Die jongen zag dat bij het passeren ook, slaakte een gil en trapte toen uit volle kracht op zijn pedalen, om daar weg te komen. De hond, die hem eerst blaffend achtervolgde aan de erfzijde van de afrastering, koos ervoor vanaf het openstaande hek zijn weg over straat te vervolgen, onze gezel achterna.

Wij waren blijven staan en sloegen met open mond het schouwspel gade. Tot daar dan toch iemand vanaf het boerenerf begon te roepen. Waarop de hond halt hield. Net voor het moment waarop wij vreesden dat het dier zijn, allicht scherpe tanden, in onze maat zijn dunne onderbeen zou zetten.

We zagen dat de hond met tegenzin terug naar het boerenerf liep, waar zijn boos baasje hem vloekend stond op te wachten. Wij hadden geen tijd om te talmen, omdat we dan vast te laat op school zouden arriveren. Iets wat toen nog niemand van ons drieën durfde te riskeren. We waren blij dat dit avontuur goed was afgelopen en haastten ons naar school. Zelfs met de beste wil van de wereld kan ik me niet meer herinneren of we die kwaaie hond naderhand nog ooit hebben teruggezien.

*****

Toen ik een jaartje ouder was reed ik huiswaarts met een buurjongen die, na een mislukt avontuur in een andere onderwijsinstelling, inmiddels ook les volgde aan dezelfde school als mij. We reden op een asfaltbaan waar we, zeker op dat tijdstip, nauwelijks andere weggebruikers tegenkwamen. Op het lange stuk rechte baan waar we ons op voortbewogen, reden we gezapig naast elkaar. Ik uiterst rechts en mijn maat links van me. Mijn handen hield ik in de zakken van mijn jas. Zo bleven ze lekker warm. En kon ik rechtop gezeten fietsen. Iets wat ik veel liever deed dan zo in een onnatuurlijke, gebogen houding zoals je normaliter op een jongensfiets hoort te zitten.

We waren druk in gesprek over de dingen die ons boeiden: motorfietsen, uitgaan, meisjes en andere typisch puberale interesses. Op een gegeven moment mompelde mijn maat iets en ging vervolgens voor me rijden. "Wat heeft die nu ineens?" dacht ik nog, terwijl ik verwonderd zijn actie gadesloeg. Waarop ik mijn hoofd naar links draaide, en daar het gezicht ontwaarde van een kerel met een kepie op het hoofd. Een politieagent, zo bleek. Die het portierraampje van, wat even later een politiecombi bleek te zijn, had naar beneden gedraaid. Manueel, want toen ging dat nog niet elektrisch.

Wel lichtjes geschrokken, maar me van geen kwaad bewust, bleef ik gewoon rustig verder fietsen... zonder handen. Tot die agent me vroeg om even halt te houden. Wat ik dan uiteraard ook terstond deed. Want de bevelen van een 'man van de wet' behoor je nu eenmaal op te volgen, zo wist ik.

Om mijn fiets af te remmen had ik uiteraard reeds de handen uit mijn zakken gehaald en op mijn fietsstuur geplaatst. De chauffeur van de camionette, een collega van de agent die me had aangesproken, zette het voertuig niet aan de kant. Neen, ze bleven gewoon stilstaan op de rijweg, naast mij. Ik keek naar de politieman, verwachtend een blaam te krijgen voor het naast elkaar rijden, maar dan hadden ze wel de verkeerde te pakken, want het was mijn maat die aan de kant van het wegverkeer had gereden. Hadden die pipo's dat dan niet gezien?

Maar de overtreding die ik had begaan en waar de agent me voor berispte was het zonder handen rijden. Verboden en gevaarlijk, zo maakte hij me diets. De kerel haalde een schriftje te voorschijn, zodat ik dacht 'prijs' te hebben, zoals wij in die tijd in onze streek het 'krijgen' van een boete cynisch uitdrukten.

Mijn naam werd me gevraagd en ook mijn adres. Braaf gaf ik die man de gevraagde en bovendien ook juiste informatie. De geüniformeerde figuur noteerde alles maar legde, tot mijn verbazing, vervolgens het boekje naast zich neer en zei me dat hij het deze keer bij een 'waarschuwing' zou laten. Maar dat ik moest ophouden met dat zonder handen te rijden. In het belang van mijn eigen veiligheid en dat van de andere weggebruikers. En ook al omdat hij de volgende keer dat hij me zou betrappen op deze verkeersovertreding, me een P.V. zou toebedelen.

Opgelucht stamelde ik iets van het te hebben begrepen en een bedankt. Waarna de agenten me nog ten afscheid groetten en terug verder reden. Ik keek de wegrijdende politiecombi na en zette vervolgens mijn fiets en daarmee ook mezelf, terug in beweging. En reed tot bij mijn maat. Die, van enkele tientallen meters verder, de gebeurtenissen nauwlettend had gevolgd. En die me nu bezorgd vroeg of ik een boete 'aan mijn rekker' had. Toen ik hem kon geruststellen enkel een verwittiging te hebben gekregen, vervolgden we beiden glimlachend onze rit. Terug naast elkaar, maar alle twee met de handen op het stuur!

Thuis durfde ik over het voorval niks te zeggen. Bang voor een uitbrander van mijn ouders. De eerstvolgende dagen liep ik evenwel rond met een bang hart. Vrezend dat die flikken hetzij me alsnog een boete zouden bezorgen, hetzij een schriftelijke bevestiging van mijn 'vergrijp' bij mijn ouders zouden laten toekomen. Wat allemaal kon, want ik had hen immers mijn naam en adres gegeven. Maar ik had geluk. Ze hielden woord, dus lieten mij met rust. En ik ben nooit meer 'gesnapt' bij het zonder handen rijden, alhoewel ik het ook nadien nog vaak heb gedaan.

*****

Ik herinner mij het door een meester in de lagere school vertelde verhaal van een jongen die, ook al fietsend zonder handen, door een politieagent werd tegengehouden. Die terstond die gast zijn stuur van de fiets haalde. Omdat die jongeman dat blijkbaar toch niet nodig had. Hij mocht zijn weg naar huis vervolgen en werd aangemaand om, samen met zijn vader, zijn fietsstuur af te komen halen op het lokaal politiekantoor.

Aangezien die jongen veel te laat thuiskwam, want hij had dat laatste stuk weg naar huis immers te voet moeten afleggen, omdat je met een fiets zonder stuur niet kan rijden, en hij daarenboven ook een verklaring moest geven voor het geamputeerd zijn van zijn tweewieler, was hij wel genoodzaakt geweest zijn ouders over het gebeurde in te lichten. De pa gaf zoonlief 'onder zijn voeten', maar bleef wijselijk weg van het politiekantoor. Er geen zin in hebbend daar een preek te moeten aanhoren over het gedrag van zijn zoon. En ook bang om alsnog een boete te krijgen voor het vergrijp. Hij verkoos het zekere voor het onzekere en ging bij de fietsenmaker een nieuw stuur kopen voor het rijwiel van de zoon. Liever opterend voor de onmiddellijke kleine kost dan het risico te lopen op een grote!

Rudi, 8 februari 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 2 mei 2010.

07-04-10

De avonturen van Rudi & Co - Opschudding in de zaal

  

Naar buiten en onder het volk komen is voor elke mens zo belangrijk. En je komt al eens 'iets' of 'iemand' tegen als je je als persoon in kwestie buitenshuis verplaatst. Dat kan eenieder getuigen, en ook ik ben daar geen uitzondering op.

Zaterdag jongstleden ben ik naar de plaatselijke Kerstmarkt geweest. Het zag er allemaal best gezellig uit. Maar voor mij is zulk een evenement iets dat je best en liefst in gezinsverband aandoet. Zelf had ik in mijn uppie ook jammer genoeg niet de kans om een warme chocomelk te drinken of van één van die aanlokkelijke warme snacks te smullen. Mijn enige, beperkt functionele hand, de linker, was immers volledig verstijfd van de kou.

Toch vond ik dit uitje de moeite waard. Al was het maar omwille van de vriendelijke begroetingen door bekenden, de burgemeester incluis, de vele vrolijke mensen, al dan niet in die toestand als gevolg van het drinken van alcoholische dranken, de sfeervolle Kerstmuziek... en vooral de artiest die op een podium ijssculpturen vervaardigde. Uit blokken ijs heb ik die man, met kettingzaagjes en beitels als gereedschap, een Kerstster (met staart) en een engeltje zien tevoorschijn toveren. Prachtig vond ik dat!

Een drietal weken eerder bezocht ik de zondagse rommelmarkt op het stationsplein van mijn woonplaats. In gezelschap die keer. Maar er waren jammer genoeg vele gelegenheidshandelaars niet komen opdagen. Allicht omwille van het toenmalig wisselvallige weer.

Toen ik op het punt stond om naar huis te rijden, maar nog even genoot van het zicht op de activiteiten op het plein, kwam een vrouw op ons af die de mij vergezellende jongedame aansprak. Ik zei de vrouw, luid en duidelijk dat, als ze iets te zeggen had, ze mij moest aanspreken. Ze bekeek me eens raar en begon toen weer te babbelen tegen het meisje naast me. Ik herhaalde wat ik ook daarvoor reeds had gezegd, maar mijn woorden mochten niet baten.

Na nog eens hetzelfde scenario kwam ik dan toch te weten dat die vrouw me weg wou van de plaats waar ik stond. Omdat haar man zo meteen ging komen met de auto, om hun spullen in te laden.

Als er nu iets is waar ik een hekel aan heb, dan is het om te worden aanzien, beschouwd en behandeld als zijnde een breinloos, onmondig, in de weg staand 'object'. Dus zei ik die vrouw dat ik mij wel zou verplaatsen op het moment dat de omstandigheden dat zouden vereisen, in casu als haar man met hun vierwieler ten tonele zou verschijnen.

De vrouw keek me dom aan. Ik keerde haar de rug toe, maar draaide me onmiddellijk terug om en zei dat ik het niet prettig vond om als een 'obstakel' te worden behandeld en dat ze het in de toekomst best zou laten om mij en anderen zo te behandelen. Als antwoord kreeg ik te horen 'een zaag' te zijn, waarna de vrouw wegliep. Ik draaide me geheel rond. Tijdens het keren was ze teruggekeerd. Toen ik haar zei dat van me weglopen wel erg laf was, stak het vrouwmens haar armen in de lucht en riep ze uit: "Ik heb het hem beleefd gevraagd, maar 'die' wil hier maar niet weggaan!" "Dat is omdat dit plein van iedereen is en niet van jou alleen" liet ik haar nog weten, waarna ik doorreed. Net op het moment dat die partner met zijn auto verscheen. Verbaast kijkend naar zijn met haar armen hemelwaarts gerichte partner.

Het vrouwmens is waarschijnlijk zwak begaafd, maar dat is naar mijn mening geen excuus. Al te vaak kom ik in contact met personen die het huis niet meer uitkomen omdat ze buitenshuis vaak 'onmenselijk' worden behandeld, of voortdurend het slachtoffer zijn van ontoegankelijkheid. Dus blijf ik tot in den treure tegen al dit onrecht ageren. In het belang van de 'mensheid' en de 'menselijkheid'! Ze hadden potverdikke die Nobelprijs voor de Vrede net zo goed aan mij kunnen geven, in plaats van aan Obama! Deze laatste, vaak verkeerdelijk als 'zwarte' aangeduid, zit er blijkbaar ook mee verveeld deze eerbetuiging (nu al) te krijgen. Dat zou ondermeer kunnen af te leiden zijn uit wat hij over zijn eigen dankrede zegde. Namelijk dat hij ze best goed vond opgemaakt, en zelfs in die mate dat hij aan het eind ervan, er bijna zichzelf mee had overtuigd dat bij die prijs wel echt heeft verdiend.

Dit najaar ben ik reeds een aantal keer op donderdagavond naar de film geweest in het Cultureel Centrum van mijn woonplaats. Hun filmplanning past goed in mijn leefschema: aanvang om kwart na acht, dus doorgaans afgelopen omstreeks tien uur. Zodat ik zonder me te hoeven haasten, terug thuis ben tegen half elf, het tijdstip waarop mijn thuisverpleegkundige me normaliter komt verzorgen en in bed helpen.

De laatste keer dat ik ging kijken, draaide men er de Franse film 'Un prophète'. Een boeiend, interessant, maar 'ruig' gevangenisdrama. Veel volk was er niet. Ik denk een honderdvijftigtal personen. En allen zaten ze op de tribune. Terwijl ik op de begane grond, in het gangpad stond, tussen de onbezette stoelen.

Toen de film, naar ik vermoed, een drietal kwartier bezig was, werd er een huiveringwekkende scène getoond. In zijn eigen cel werd een kerel, door het hoofdpersonage, met een scheermesje de keel overgesneden. Waarna je het slachtoffer op de vloer zag liggen doodbloeden, terwijl er nog een aantal keer een sluiptrekking door diens lichaam ging. Net echt!

Kort daarna hoorde ik stemmen in de zaal. En toen ik rechts van me keek, zag ik mensen de trappen afgaan en via het gangpad aan de andere kant van de zaal, zich begeven naar de uitgang aldaar. Waren die zo geschokt door dat bloedige fragment dat ze verkozen er vandoor te gaan? Maar kon dat dan niet zonder de andere bioscoopbezoekers te storen?

Terwijl ik deze overdenking maakte, en middelerwijl ook trachtte het verhaal verder te volgen, stopte men de filmspoel. Hier moest dus meer aan de hand zijn. Een dame haastte zich tot vooraan in de zaal. Om ons toe te spreken en de reden voor de onderbreking mede te delen, zo verwachtte ik. Maar het was om de lichten aan te steken. Het bleef dus gissen naar de reden van de interruptie. Misschien was men, zoals ik al een keer eerder meemaakte, de verkeerde film aan het afdraaien? Of was er ergens in de zaal brand uitgebroken? Of in de ontvangstzaal ernaast, want sommige mensen liepen de zaal waarin ik me bevond, eerst uit, en vervolgens weer in.

Gedurende het omdraaien van mijn rolstoel, teneinde de filmliefhebbers op de tribune te zien, bedacht ik ook de mogelijkheid dat er iemand onwel was geworden bij het zien van die even daarvoor vertoonde gruwelijke beelden. En, afgaande op wat mijn ogen even later te zien kregen, was dit inderdaad de oorzaak van de ongeplande en ongewenste pauze.

Een groepje mensen zat en stond omheen een ietwat corpulente heer die op een zitje zat op één van de bovenste tribunerijen en die er, gezien vanaf mijn positie, niet erg fris uitzag. Nu was het klimaat er wel naar geschapen om onpasselijk te worden: een warme zaal en op het scherm een bloederig tafereel. De nooddeuren in de zijwand werden open gezet om wat koelte en zuurstof in de zaal te brengen. Tenminste ik vermoed dat dit de intentie was, want nog steeds had niemand het initiatief genomen om alle aanwezigen in de zaal op de hoogte te stellen van wat er aan de hand was.

Verschillende mensen verlieten de zaal. Die hielden het blijkbaar voor bekeken. Omdat de inhoud van wat ze tot dan toe van de film zagen, hen niet aanstond? Omdat de interruptie hen al te lang duurde? Of omdat ook zij in katzwijm dreigden te vallen? Joost mag het weten. Maar hoeft het niet aan me door te zeggen omdat deze informatie totaal onbelangrijk is.

Alhoewel het er naar uitzag dat er niks meer aan de hand was dan een appelflauwte, werd naar hetgeen ik van op mijn plek kon horen, toch de 100 gebeld. In afwachting van de ziekenwagen, werd de 'zieke' , ondersteund door zijn gezellen, de trappen af en naar buiten geleid. Even later kwam de technisch verantwoordelijke van dienst dan melden dat hij de projectie zou laten verdergaan. Niemand protesteerde. Het incident had alles bij elkaar een twintigtal minuten oponthoud veroorzaakt.

Het vervolg van de film bleef hard en gewelddadig, maar de meest akelige scène hadden we klaarblijkelijk toch reeds gezien. Of het door de onverwachte onderbreking kwam of gewoon omwille van het feit dat een film naar mijn goesting niet al te lang mag duren, feit is dat ik een uur later een beetje ongeduldig op het einde van de prent zat te wachten. Die film bleef immers maar duren. En op een gegeven moment kreeg ik al een SMS'je van mijn verpleger met de vraag of ik reeds thuis was.

Liever het einde van de film missen, die me toch niet echt meer boeide, dan een nacht in mijn rolstoel te moeten doorbrengen. Het was trouwens niet enkel mijn thuisverpleegkundige die me thuis verwachtte. Ik had er ook op gerekend bijtijds thuis te zijn om het op een redelijk tijdstip naar bed gaan van mijn zoons te controleren!

Maar hoe zou ik voortijdig de zaal kunnen verlaten? Ik trachtte oogcontact te maken met de toeschouwers die het minst ver van me af zaten. Mogelijks door de duisternis bleef deze actie evenwel zonder succes. Alle ogen bleven op het witte doek gevestigd. Gebaren durfde ik niet te maken, want gezien hetgeen eerder die avond was gebeurd, dacht men dan mogelijks dat er ook met mij iets loos was. En ik wou het niet meemaken dat men ook voor mij, en onnodig, de filmprojectie zou stoppen.

Dus zette ik mijn lichten aan en reed zachtjes achterwaarts richting uitgang. Waar ik hoopte dat de deuren zouden openklappen als ik er zachtjes tegenaan reed. Dat lukte... deels. Halverwege kwam ik namelijk vast te zitten. Ik slaakte een zucht en gromde toen een vloek waarin de naam voorkomt van dat opperwezen waarin ik niet meer geloof. Dat hielp me wonderwel vooruit, want het woord was nog niet koud of daar stond reeds een werknemer van het Cultureel Centrum naast me, die me uit mijn benarde positie kon redden. Van die man vernam ik ook dat die film er één is die tweeëneenhalf uur duurt!

Diezelfde persoon ging ook met me mee om de dubbele draaideuren aan de toegang tot het gebouw open te houden. Waarna niks me nog in de weg stond om, na even snel telefonisch mijn komst aan te kondigen, in de stilte van de donkere nacht, gezwind huiswaarts te rijden.

Rudi, 15 december 2009 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 26 december 2009.

19-03-10

De avonturen van Rudi & Co - Dienst 100, altijd paraat!

  

Samen met mijn twee zonen was ik ergens heen geweest. En op de weg naar huis hadden de jongens zich nogal vervelend gedragen. Zulks gebeurt nu eenmaal en is eigen aan opgroeiende, zich een weg door het leven zoekende jongelui. Maar, zoals het een ouder betaamd, had ik hen een aantal keren berispt. Wat me door mijn 'lieverds' niet in dank werd afgenomen.

Toen we thuis arriveerden en ik mijn kroost om hulp verzocht om me iets rechter in mijn rolstoel te positioneren, omdat ik onder het rijden wat onderuit was geschoven, namen zij hun kans op vergelding te baat door dit botweg te weigeren. Ik werd boos en zei dat, als zij het niet deden, ik met mijn mobieltje de 100 zou bellen. En, eens ze hier waren gearriveerd, het wel aan hen zou vragen. Waarop ik wegreed, en vanuit een ooghoek de jongens onze woning zag betreden.

Ik plaatste me met mijn rolstoel aan de kant van de straat, tussen onze haag en het fietspad. En kantelde mijn zitting en rugleuning, zodat ik in een liggende positie lag. En mijn lichaam de kans kreeg om even te bekomen van de rit. Lang bleef ik daar evenwel niet staan, want die onmin met mijn kroost moest worden opgelost.

Veel was daar niet voor nodig. We hadden zo een systeem waarbij, als ik het even tevoren stout of ongehoorzaam zijn van de kinderen ter sprake bracht, ze prompt naar me toe kwamen en met volle kracht lucht op mijn voorhoofd bliezen, om alle slechte herinneringen uit mijn geheugen te laten verdwijnen. Een dikke zoen op mijn wang vervolledigde deze 'alles vergeven en daarbovenop ook vergeten' procedure. Die op de koop toe, en goed voor hen, nog werkte ook!

Dus toen ik ons huis binnen reed en tegen mijn daar rondhangende nakomelingen begon te 'zagen' pasten zij snel de geijkte methode toe. En hielpen me vervolgens spontaan met het verbeteren van mijn zitpositie. Waarna de kinderen hun bezigheden hervatten en ik genoot van het kijken ernaar.

Ik zat met mijn gezicht naar onze achtertuin gericht, toen plots de deurbel weerklonk. De jongens keken op van de plaats waar ze zaten en ik zag hun verbijsterde gezichten.

"Dus jij hebt werkelijk de '100' gebeld?" vroeg één van hen me. Vooraleer ik, nu zelf ten zeerste verbaast, ontkennend kon antwoorden, was de jongen reeds de voordeur gaan openen. En stond hij even later, terwijl ik me inmiddels een kwartslag had gedraaid, voor me, met naast hem een ambulancier. Dat kon ik zien aan diens outfit en aan het feit dat zijn functie ook op de borstzakjes en bovenaan de mouwen van zijn jas was gedrukt.

"Ik hoorde het net van je zoon, en wij dachten zelf ook al dat er niks aan de hand was" zo begon de man. "Maar iemand die met zijn auto voorbij je huis passeerde had een man in een rolstoel zien liggen, met de ogen gesloten, en belde het noodnummer omdat hij dacht dat die persoon onwel was geworden en derhalve in nood verkeerde. Toen we de locatie hoorden, vermoedden we onmiddellijk dat jij het was, die even zat te dutten voor je woning. Maar we konden evenwel geen risico nemen, dus rukten we toch uit."

Verbluft door dat verhaal en de toevalligheid van het samengaan met mijn dreigement, kon ik niet meer uitstamelen dan een dankjewel. Waarna de man afscheid nam en vlug verdween. Door me nog een kwartslag verder te draaien kon ik door het vensterraam in de voorgevel van ons huis, nog net de gele ziekenwagen zien wegrijden, richting stalplaats, het stedelijk algemeen ziekenhuis.

Dat de ambulanciers onnodig waren uitgerukt vond ik uiteraard jammer. Maar de ganse situatie op zich was geweldig grappig. En de stomverbaasde gezichten van mijn zoons staan allicht tot het einde mijner dagen in mijn geheugen gegrift!

Rudi, 27 augustus 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 februari 2010.

17-11-09

Herinneringen uit mijn verleden - bevoorrading

 

Mijn ouderlijk huis is gelegen in een gehucht van wat vroeger een klein dorp was. Wij woonden werkelijk in een boerengat. Veel van onze buren waren boeren met, zoals dat nu heet, een gemengd bedrijf, waarin dus zowel aan landbouw als aan veeteelt werd gedaan. Op heel kleine schaal weliswaar. Absoluut niet te vergelijken met de huidige omvangrijke boerenbedrijven.

De meeste andere buren waren arbeiders en hier en daar al eens iemand met een zelfstandige activiteit. Een metser of een schrijnwerker. En het merendeel van hen woonde, net zoals wij, op een voormalig boerenerf. In de stallen stonden dat wel geen koeien of varkens meer, maar dikwijls hield men nog wel wat kleinvee. Bij ons waren dat kippen en konijnen.

Onze inkopen deden we grotendeels in de buurtwinkels. En met 'we' doel ik op mijn ma, mijn zussen en mezelf. Want shoppen is mijn pa pas beginnen doen vanaf het moment dat wij een auto hadden, begin de jaren zeventig, tevens het moment dat er aan de rand van alle grote steden supermarkten opdoken. Waar alles op één adres te krijgen was, en bovendien veel goedkoper!

Maar de jaren voorheen werd alles wat wij nodig hadden, in onze eigen buurt gekocht. Zo kwam ons brood van bij de bakker uit onze straat. Wiens helper zelfs een keer of drie per week op ronde ging om ons aan huis van vers brood te voorzien. Die man sprak enkel over het weer. Goed weer, slecht weer, geen weer... iets anders kwam er niet uit dienen mens zijn spraakorgaan.

Toen, op café, iemand het eens aandurfde om hem te vragen naar het waarom ervan, antwoordde de man simpelweg dat hij, door over niks anders dan het weer te spreken, hij ook niks verkeerds kon zeggen. Hij zag veel, hoorde ontzettend veel, was van veel gebeurtenissen, vaak ongewild getuige. Maar roddelen was niet aan de man besteed. Zo vermeed hij extra twisten en hield de kerel iedereen te vriend.

Ons vlees en onze charcuterie gingen we halen bij de beenhouwer aan 't kapelletje, het centrum van onze buurt. Als ik meeging met mij ma, dan kregen wij vaak de onverkoopbare restjes van de salami's mee naar huis. Ik was daar verlekkerd op! Toen ik al wat ouder was, zond mijn ma me al eens alleen naar die winkel. Dat deed ik graag. Alleen boodschappen doen, zoals een grote mens! Fantastisch vond ik dat!

Mijn ma gaf me dan altijd een briefje mee, waarop stond geschreven wat ik behoorde mee te brengen. Tijdens de fietsrit naar de beenhouwerij leerde ik dat dan van buiten. Want als een klein ventje de gewenste boodschappen van een briefje aflezen, dat vond ik maar niks. Daar voelde ik mij veel te groot voor!

Op een zekere dag stond ik in die winkel, te wachten tot het mijn beurt was. Het was er nogal druk. Er stond al wat volk in de zaak op het moment dat ik er arriveerde, en na mij waren er nog enkele personen binnen gekomen. Allemaal mensen uit de buurt. Want ander volk kwam daar niet. Toen het eindelijk mijn beurt was, wist ik niet meer wat er ook alweer op dat briefje stond geschreven. Verdikke!

Dus bestelde ik maar vast iets dat mijn ma meestal meebracht. Terwijl de beenhouwersvrouw bezig was met het snijden en wegen van dat ordertje, trachtte ik zo onopvallend mogelijk dat papiertje te bekijken dat mijn ma me had meegegeven. Het eerste lijntj e kon ik duidelijk lezen en bestelde ik. Maar terwijl ik op de winkelierster haar vraag of het iets meer mocht zijn dan het gevraagde gewicht, positief antwoordde, brak ik tezelfdertijd mijn hoofd over wat er in Gods naam verder op dat boodschappenlijstje  te lezen stond.

Het briefje aan de verkoopster te lezen geven, zoals mijn ma me steeds opdroeg te doen bij twijfel, daar dacht ik nog niet eens aan. Mij daar, met al dat volk in de winkel, belachelijk maken, was wel het laatste dat ik zinnes was. De roddeltantes die in dit oord overal pertinent aanwezig waren, zouden ongetwijfeld hun 'werk' doen en de eerstvolgende schooldag zou ik dan vast worden uitgelachen als het ventje dat bij het boodschappen doen mama's lijstje aan de verkoopster moest overhandigen, omdat ik zogezegd onbekwaam, achterlijk of dom zou zijn. Dat kende ik. Pesten was in die tijd in die bekrompen gemeenschap dagelijkse kost.

Om dat onheil te vermijden bestelde ik dus maar, op goed komen uit, zoals wij dat toen uitdrukten, wat fijne vleeswaren en ook een halve kilo gehakt. Dat laatste weet ik nog heel goed. Nochtans was ik absoluut niet zeker of dat item of iets wat daar van benaming op leek, ook op mijn ma's lijstje voorkwam. Maar ik had wel zin in gehaktballen, en dit, wat wij noemden 'gekapt' was daarvoor een onmisbaar bestanddeel.

Eens afgerekend reed ik rechtstreeks naar huis, want al dat vlees moest zo snel mogelijk de koelkast in. Want veel ervan kon snel bederven. Of sloeg een lelijke kleur uit, en dan was het op zijn minst niet lekker meer. En vaak zelfs helemaal oneetbaar. Zo wist ik van mijn ma. In die tijd luisterden kinderen immers nog naar hetgeen hun ouders hen, vaak tot vervelens toe, vertelden of uitlegden.

Mijn lieve ma was hoogst verbaast toen ze de boodschappen uit de tas haalde. Ze keek mij aan en begreep maar niet hoe die beenhouwersvrouw zich zo vergist kon hebben, te meer daar zulks nooit eerder was voorgevallen. Zelf vergoelijkte ik de beenhouwersvrouw door mijn ma te vertellen dat er toch wel een grote drukte heerste in de zaak en de dame allicht daardoor één en ander verkeerd van het briefje had afgelezen.

In mijn kindertijd moesten wij trouwens niet ver lopen om aan drank, voeding of om het even wat te geraken dat we thuis, in de huishouding konden nodig hebben. Schuin over onze deur was er een klein winkeltje. Naast en in hetzelfde gebouw gevestigd als een café, waarvan de uitbaatster, de cafébazin, ook de winkelierster was. Zulke gecombineerde uitbatingen, kwamen in die tijd veel voor in Vlaanderen. In onze, nochtans dunbevolkte buurt waren er zo zelf twee!

En voor zowat alles kon je daar terecht. Snoep, drank, koekjes, beschuiten, confituur en andere voedingsmiddelen, sigaretten, kaarsen, batterijen, kruidenierswaren, speelgoed... Als ik het mij goed herinner een aanbod dat een beetje vergelijkbaar is met hetgeen heden ten dage sommige nachtwinkels aanbieden. Maar in winkeloppervlakte waren ze doorgaans kleiner, en vaak nog meer volgepropt met allerlei spullen. Van bijna op de vloer tot haast aan het plafond.

In het winkeltje waar wij steeds aankopen deden kon je bonnetjes sparen, waarmee je dan uiteindelijk een geschenk bekwam. Zo zijn mijn ouders ooit aan een, toentertijd in elke huiskamer te vinden, op elektriciteit draaiende windmolen geraakt. Een lichtbruine, met lichtjes! En er speelde een muziekje terwijl de wieken draaiden! Het plastieken ding, signatuur 'made in Hongkong', waarvan ik toen de betekenis nog niet snapte, niemand uit ons dorp trouwens, was het pronkstuk onder de ornamenten die onze buffetkast sierden. Voor een tijdje althans. Want zulke prullen vervelen alras, zodat het object al vlug een plaatsje kreeg op een antieke, van een overleden familielid geërfde wastafel die in de traphal, annex voorraadkamer, annex mijn slaapplaats stond opgesteld. Inderdaad, in dat zowat anderhalve eeuw oude huisje waarin we woonden, was multifunctionaliteit een noodzaak. Lang voordat het woord werd uitgevonden!

Eens per week, meer bepaald op donderdag, kwam de visboer langs. Als je iets van hem wou kopen, dan moest je een emmertje aan je hekstijl hangen. Dan stopte de man sowieso voor je woonst. Je kon ook aan het hek staan wachten tot wanneer die venter met zijn viskraam opdaagde. En je hoorde hem van ver komen, want hij kraamde een in al die jaren nimmer wijzigende slogan uit. Zeker van de inhoud van zijn slagzin ben ik nooit geweest, maar het ging ongeveer als volgt: "Rauwe haring, bakharing,tarbot & kabeljauw! Steur, schar, zalm & schol! Hele grote mosselen! Goeie verse mosselen!" En geen bandje hé! Maar helemaal live!

En als hij je onderweg tegenkwam, riep hij je aan door zijn megafoon. Mij noemde de man steevast 'wittekop'. Niet toevallig omdat ik in die tijd qua haarkleur inderdaad nogal veel weg had van de witte van Zichem.

Die vismarchand heeft trouwens ooit eens slechte mosselen aan ons geleverd. Die werden in huis gebracht middels dat emmertje dat tot aan 's mans verschijnen aan het tuinhek hing. Want overal zakjes bij geven was toen nog niet in trek. Ofwel konden milieuactivisten, vanuit hun, naar wat later bleek, terechte vrees te worden overspoeld door die plastieken zakjes, toen de verspreiding nog even tegen houden.

Als je boodschappen deed laadde je alles meteen in je eigen, van huis meegebrachte kabas. Of, in dit geval bij de visverkoper, in je emmertje. Mosselen althans. Hoe die andere vis van dat kraam tot in huis werd gebracht, dat herinner ik mij niet meer. Bij die vraag krijg ik helaas geen informatie terug vanwege mijn grijze hersenmassa.

Van die slechte mosselen ben ik dus wel goed ziek geweest! Mijn ogen zwollen op in zulke ernstige mate dat ik nog nauwelijks iets kon zien. Het ziekenhuis moest ik er niet voor in. Wel binnen blijven en in de zetel blijven zitten of liggen. Want ik zou overal tegenaan zijn gebotst, met die opgezwollen, etterende ogen. Dit voorval heeft er toe geleid dat ik jarenlang niet meer van die schelpdieren heb gegeten.

Ook onze melkboer had een vaste wekelijkse ronde. Als je melk, yoghurt of een ander zuivelproduct uit die mens zijn aanbod wou, dan werd van je verwacht dat je de lege, herbruikbare flessen aan de straatkant voor je huis zette. Dan wist die persoon dat je iets nodig had en kwam die aankloppen aan de achterdeur. Veelal had hij toen al bij wat we doorgaans bestelden. Dat bespaarde hem het extra heen en weer stappen naar zijn zwaar beladen camionette.

Bij de brouwer werd hetzelfde systeem toegepast. Alhoewel we, wanneer we bijvoorbeeld  een bak bier wilden, we niet het ganse krat met lege flesjes aan de straat zetten. Want dan bestond immers het gevaar dat een onverlaat er mee aan de haal zou gaan. Omwille van het leeggoed. Er werd in die tijd veel meer met hervulbare flessen en statiegeld gewerkt. Onze limonade werd ook zo aangeleverd. In zware glazen literflessen. Waarmee je, zo gewenst, gerust een volwassen mens de kop kon inkloppen. Wat naar mijn weten trouwens nooit is gebeurd. Maar zeker is dat niet. Want toen was de media nog niet zo uitgebreid.

En bij ons thuis werd ook niet met die flessen op elkanders hoofd geklopt. Waar mijn ma ze wel voor gebruikte, was voor het verpulveren van beschuiten. Door er met zo een zware glazen frisdrankfles over te rollen maakte ze daar chapelure van. Naast gehakt en ei, een onontbeerlijk ingrediënt om gehaktballen te maken. Mijn pa had die graag in de uiensaus, maar dat vond ik vies en daarom bereidde mijn ma die van mij steeds apart. Welke bereiding mijn zussen prefereerden, dat herinner ik mij niet.

Al de drank die de brouwer kwam slijten was afkomstig van de familiale Belgische brouwerij Roman. Die trouwens op heden nog steeds actief is, en voor zover mij bekend is, met de 12de generatie Roman aan het roer, of toepasselijker gezegd de 'vaten', vooral bezig is met het brouwen van speciale bieren.

In de zomer kwam dan ook wel een keer of twee per week, en in de schoolvakantie nog vaker, vermoed ik, de ijscrèmekar langs. Van het type dat ook nu, sinds de laatste tien jaar, weer vaker in de straten opduikt. Een kleine bestelwagen die rondtoerde en middels een genre scheepsbel, van ver uit de buurt reeds zijn komst aankondigde.

Er reed ook een ijsventer rond op een soort van gemotoriseerde bakfiets. Een tripoteur werd dat bij ons genoemd. Niemand uit mijn directe omgeving sprak de Franse taal. Maar er werden geen twee zinnen uitgesproken of er zat wel een Frans woord tussen. Dit ter zijde. Die ijsjesventer zijn bak was uiteraard een diepvries. En boven de ganse lengte van zijn vehikel was een scherm aangebracht zodat zijn klanten, bij felle zonneschijn, in de schaduw konden staan. Neen, tegen de regen diende dat dak niet. Wegens niet sterk en waterdicht genoeg. Als het regende reed die kerel trouwens niet rond. Want wie loopt er nu buiten en heeft zin in een bolletje roomijs als de regensluizen open staan?

Ondanks zijn bijzonder en aantrekkelijk voertuig had deze ijsjesverkoper toch minder cliënteel dan de anderen. Het is allicht moeilijk om zo vele decennia later alsnog de reden voor 's mans geringere populariteit te achterhalen. Wat zou die kennis ons ten andere opbrengen, dat de moeite getroosten om dit toch te achterhalen, kan rechtvaardigen? Mocht je het antwoord weten, dan wens ik je proficiat voor je wijsheid en veel succes ermee!

Eens ook in de uithoek waar wij woonden, het bestaan van de diepvries bekend was geworden en de meeste inwoners zo een vriezer hadden in huis gehaald, daalde de populariteit en navenant de omzet van die ijsjesverkopers enorm. En ook hun frequentie van verschijnen nam gestaag af.

Anderzijds kende de huis-aan-huis diepvriesroomijs verkoop dan weer een steile opmars. Op vaste tijdstippen kwamen die mannen met hun vrachtwagen langs om te vragen of wij soms roomijs moesten hebben. Soms wel ja. Maar meestal zei mijn ma dat we die vent moesten zeggen voorlopig verder te kunnen. Wat meestal gelogen was, want ondanks het feit dat die aan huis bestelde ijscrème het lekkerst was, kochten mijn ouders die toch liever in de supermarkt. Want daar was die veel goedkoper. En sinds we een auto hadden, een witte vijfdeurs Simca 1100 zelfs, met een grote koffer, prefereerden mijn ouders het merendeel van hun inkopen in het grootwarenhuis te doen. Waardoor we telkenmale met een koffer vol spullen, geladen in gratis beschikbaar gestelde, voor eenmalig gebruik bestemde, bruine papieren zakken met aan de buitenkant in grote letters het logo van de winkel erop.

Maar de lokale groenten- en fruitboer, met winkel in de dorpskern, raakte wel zijn waar nog kwijt aan ons. Tenminste hetgeen mijn ouders niet zelf kweekten in hun uitgebreide moestuin. Die man kwam rond met zijn rijdende winkel, waar je langs een trapje achterin de wagen naar binnen stapte. Deze groentenmarchand mocht voornamelijk dames verwelkomen en bedienen. Die gingen steevast de groentekar binnen met in hun ene hand hun geldbeugel en hun eigen boodschappentas aan de gevouwen arm. De andere hand gebruikten ze om bij het binnentreden hun lichaam in evenwicht te houden.

Dergelijke deur-aan-deur winkeliers droegen toentertijd enorm bij aan het onderhoud van de sociale contacten. Want wie buiten kwam tot aan het kraam, ontmoette niet enkel de verkoper, maar steevast ook enkele buren die ook één en ander nodig hadden. En zo werden nieuwsfeiten uitgewisseld en kon men palaveren over van alles en nog wat.

Vroeger gebeurde het ook wel vaker dat je bij de buren over de vloer kwam. Om bijvoorbeeld een pakje boter te lenen of enkele klontjes suiker, tot je zelf tot aan de winkel geraakte. Of om te telefoneren als je, zoals bij ons het geval was, niet zelf over een telefoonverbinding beschikte. Of bij de boer om hooi te halen voor mijn ma haar konijnen. Of aardappelen. Of eieren van de scharrelkippen. Met een kan, verse melk halen bij één van onze 'boerenburen' deden we niet, want in ons gezin was er niemand die deze melk lustte.

Op geregelde tijdstippen kwamen aan huis ook de kolenmarchand en de verhuurder van gasflessen. Ten behoeve van het in ons achterhuis opgestelde, op gas werkend kookvuur. Van die grote, zware donkerblauwe bidons waren dat! De verkoper van textiel aan huis, heb ik enkel als heel kleine jongen weten langskomen. Inderdaad met handdoeken, zakdoeken, dweilen en zo meer.

Allicht vergeet ik in dit schrijfsel nog enkele leveranciers. Want er kwam ook van tijd tot tijd een messenslijper bij ons langs En er was geregeld een bloemist die, van deur tot deur, zijn waar aanbood. Onze krant werd heel vroeg in de achtend aan huis bezorgd door een gespecialiseerde bezorger, op een brommertje. Wij noemden dat een Mobylette, maar ik ben er vrij zeker van dat die man zijn bromfiets van een ander merk was. Toen mijn zussen de pubertijd instapten, leverde die man ons dan ook nog eens elke week een Joepie, een muziektijdschrift dat wonderwel ook de dag van vandaag nog bestaat.

Die gazettenman schakelde in de zomer trouwens schooljongens in om tijdens de gerenommeerde 'Ronde van Frankrijk', de dagelijks, ogenblikkelijk na de koers gedrukte speciale kranteneditie betreffende deze wielerwedstrijd, aan de man te brengen. Die jongens, met een koerspet op het hoofd, waarop als reclame, de naam van de krant stond gedrukt, reden per twee, ieder aan één straatkant, met hun fiets doorheen het dorp en de invalswegen. En bliezen, om hun in aantocht zijn, te melden, op een fluitje en schreeuwden er dan ook nog eens bij: "'Het Volk! Met de uitslag van de Ronde van Frankrijk!'"

De, voornamelijk mannen en jongens, werden zo hun woning uitgelokt. En alhoewel de meesten van ons de voorbije wedstrijdetappe live op Tv hadden gevolgd, waren we er toch tuk op om ons zo een krantje aan te schaffen. Om de hoogtepunten uit de wedstrijd te herzien op zwart/wit foto's, nabeschouwingen te lezen en interessante weetjes te achterhalen.

Het was mijn ambitie om, eens ik oud en groot genoeg zou zijn, ook  met zo een schoudertas over mijn hals gehangen, per fiets die krantjes te bedelen. In functie daarvan oefende ik al voor de job, in onze tuin. En reed op mijn koersfietsje, met een pet op het hoofd, de wegels door, zo nu en dan blazend op een fluitje dat met een touwtje rond mijn nek hing, regelmatig de slogan uitroepend en bruusk stoppend als mijn bereidwillig mee'spelende' ma of zus, teken deden dat ze een krant wilden kopen. Waarbij ik één van de eerder aangekochte kranten uit mijn schoudertas toverde, met de glimlach aan de koopster overhandigde en dankbaar het onzichtbare geld in ontvangst nam.

Voorbereid en geoefend was ik derhalve voldoende. Maar jammer genoeg is de traditie van die rondekrantjes reeds ter ziele gegaan vooraleer ik de leeftijd had bereikt waarop ik deze kranten had kunnen venten.

Uiteraard kwam ook in die tijd de postbode, ofte facteur reeds dagelijks langs. Dat waren nog echte, die tijd mochten maken voor de mensen. En voor zichzelf. Want ook die van ons ging dagelijks een druppel of een pintje drinken in het café van onze buren. En wellicht ook in de andere, voor een kleine buurt, groot in aantal zijnde kroegen.

En niet enkel leveren aan huis gebeurde. Ook afhalen. Zo deed de oud ijzerman geregeld zijn ronde. Waarbij je dikwijls nog een mooie prijs kreeg betaald voor het koper of ander waardevol metaal dat je de man kon aanbieden. En tegen het einde van elk jaar kwam er ook iemand langs die mijn ma betaalde om wat takken af te mogen snijden van de Hulst in onze achtertuin. Er stonden verschillende van deze groenblijvende loofbomen in de haag die zorgde voor de omzoming van onze achtertuin met logting, zoals wij onze moestuin noemden. De Hulst heeft leerachtige getande en van stekels voorziene bladeren en rode bessen. Welke ook  in die tijd reeds vaak werden gebruikt in Kerststukjes. En aangezien die boomsoort blijkbaar niet in groten getale overal te vinden was, kwam die heer elk jaar bij ons terecht om zich van een voldoende voorraad te voorzien. Wat mijn ma, zonder dat ze er arbeid voor diende te verrichten, toch een aardig extraatje opleverde.

Rudi, 17 mei 2009 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld') - revisie & aanvulling op 16 november 2009.

09-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - voertuigperikelen en andere ervaringen

 

Mijn middelbare schooltijd bracht ik door op een tamelijk grote school. Nogal wat leerlingen kwamen daar met de fiets naar school. Derhalve waren een aantal oude fabrieksgebouwen tegenover de school, aangekocht door de inrichtende macht van deze onderwijsinstelling, en ingericht als fietsenbergplaats.

Op zekere dag liep ik, na schooltijd, met enkele van mijn klasgenoten, druk pratend en in een uitgelaten stemming, richting fietsenstalling. Mijn makkers hadden al snel hun fiets te pakken, riepen nog iets ten afscheid en bolden naar buiten, huiswaarts.

Ik daarentegen liep voor de zoveelste keer alle gangen op en af, zonder mijn rijwiel te vinden. Iedereen haalde zijn fiets van de haak waaraan deze was opgehangen, zodat de opbergplaats vrij snel leeg begon te raken. Slechts enkel hier en daar was nog een opgehangen fiets te bemerken en de eigenaar die zich er heen bewoog.

Ik begon lichtjes in paniek te geraken. Tot ik mij dan toch herinnerde die dag met de bromfiets naar school te zijn gekomen. En dat gemotoriseerd stalen ros had ik aan het station geparkeerd.

Tja, zoiets kan gebeuren als je een verstrooid persoon bent, in het bezit van een derdehands motorvoertuig, dat meer op stal staat omwille van alweer een panne, dan dat je er gebruik van kan maken om je te verplaatsen.

Dat was trouwens nogal eens een tijd. Telkens als ik er met mijn brommer op uit trok, nam ik een heel arsenaal werktuigen en hulpmiddelen mee. Weggestopt in de ruimte onder mijn zadel, en in de zakken van mijn motorvest. Schroevendraaiers, een els, een bougiesleutel. Schuurpapier, een stuk ijzerdraad en reservelampjes. Die laatste had ik dikwijls nodig want mijn bromfietslampen sprongen nogal gewillig. Geregeld stond ik aan de kant van de weg te prutsen aan mijn machine. Maar altijd ben ik er mee thuis geraakt!

Als prille twintiger kon ik me gelukkig de aankoop van een nieuwe auto permitteren. Niks wees er toen op dat ik tien jaar later ook gedurig aan dit voertuig zou moeten sleutelen om het op de baan te houden. Maar dat is een ander verhaal. Voor een volgende keer.

Gedurende zowat een half jaar betrok ik met mijn vriendin een appartement in een Belgische provinciehoofdstad. Op zekere doordeweekse avond, besloten we naar de bioscoop te gaan. We reden met de auto vanaf onze verblijfplaats in de randstad, tot in het centrum.

In de centrumstraten vond ik niet meteen een parkeerplaats. Daarom reed ik binnen in een ondergrondse parkeergarage, in de buurt van het station. We kozen een aardige film uit. Welke dat was, kan ik me niet meer herinneren. Allicht viel ik, als naar gewoonte, halverwege de vertoning in slaap. Niet uit verveling, maar van vermoeidheid. Toentertijd had ik immers een bijzonder druk beroepsleven.

Na de film was ik in ieder geval klaarwakker, want ik stelde mijn partner voor om ergens in een café nog een slaapmutsje te gaan drinken. Toen ik een tweede drankje bestelde, attendeerde mijn vriendin me op het sluitingsuur van de ondergrondse autostalling. Ik was er echter van overtuigd dat die voor middernacht niet dicht ging.

Toen we een half uurtje later de gezellige, warme kroeg verlieten en we in de koele avondlucht terechtkwamen, overviel me een onheilspellend gevoel. Samen met mijn liefste spoedde ik mij door de verlaten straten, in de richting van de parkeergarage.

Het geluk lachte ons toe... dacht ik. Een auto kwam uit de garage gereden. De laatste voor die avond, zo werd even later duidelijk. Wij geraakten er niet méér binnen, laat staan dat ik de auto er buiten zou krijgen. Ik had me wel degelijk vergist. Op weekdagen was deze publieke garage bijlange na niet zo lang open als in het weekend, het moment waarop ik er dikwijls gebruik van maakte.

Dan maar met de tram naar huis, zei mijn partner. De auto stond daar veilig. We zouden die de volgende dag wel komen ophalen. Er zou wel veel moeten betaald worden, maar er zat niks anders op. We haastten ons dus in de richting van de dichtstbijzijnde tramhalte. Wat een geluk: daar stond net een tramstel. Maar tegen het moment dat we er aankwamen, was dat helaas al terug doorgereden.

En het was onze laatste kans geweest, zo bleek bij het overlopen van het in het tramhokje opgehangen rittenrooster. Er zat dus niks anders op dan te voet naar huis te keren. Dat had uiteraard ook zijn charme. We hadden onze avond evenwel liever op een andere manier afgesloten.

De volgende ochtend waren we vroeg uit de veren. We namen aan de halte, vlak voor onze deur, de tram naar het centrum en reden een dik half uur later met de auto de parkeergarage uit.

In zo een grote stad zie je trouwens soms rare dingen gebeuren. Zo zat ik eens op een zondagochtend in de auto te wachten, terwijl mijn partner bij de bakker stond aan te schuiven voor broodjes. Ik had er eerst géén erg in, maar toen ik op een raam een foto zag hangen van een halfnaakte dame met pluimen in haar achterste, realiseerde ik me dat we ons in een buurt bevonden waarin nogal wat cabaretzaken zijn gevestigd. Dat zijn trouwens veelal verdoken bordelen. Weet ik 'van horen zeggen'.

Plots zag ik daar, op de eerste verdieping van zo een etablissement, een raam open gaan. Een schichtig kijkende kerel verscheen in het vizier. Met zijn jas in de hand. Hij keek snel naar links en rechts, en vervolgens naar onder. Toen gooide de man één been naar buiten en wrong daarna ook zijn tweede been door de raamopening, zodat hij op de vensterbank kwam te zitten. Eén tel later duwde hij zich af en belandde meteen daarna op het trottoir.

De kerel stelde zich recht, stofte zijn kleren af en deed zijn jas aan. Hij keek nog één maal rondom zich en dan naar de gevel en het raam waarlangs hij het gebouw had verlaten. Vervolgens ging de man er haastig van door. De vraag of naderhand de achtervolging werd ingezet door iemand van het variététheater, moet ik helaas onbeantwoord laten, want inmiddels was mijn lief daar al, met een zak zalig ruikende verse broodjes, die we zo snel mogelijk thuis wilden gaan verorberen.

Ru(sh)di(e), 23 april 2006 (revisie op 1 mei 2009)

01-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - Onverwacht spectakel

 

Jaren geleden, tijdens mijn tienerjaren, was ik met onder anderen mijn ouders, aanwezig op één of ander dijkfeest in een polderdorpje aan de Schelde. Op de verharde oeverboorden stonden allerlei kraampjes opgesteld en er was een gans evenementenprogramma opgebouwd, met activiteiten op en om het water.

Zo werd er op een gegeven ogenblik ook een luchtaanval geënsceneerd. Een dubbeldek vliegtuigje scheerde rakelings over het water en over onze hoofden. Uit de luidsprekers van het omroepsysteem weerklonk mortiergeratel. De luchtafweer aan de grond reageerde terstond. Er weergalmden enkele kanonschoten doorheen het luidsprekersysteem. Raak! De motor van het vliegtuigje begon te sputteren, viel uit, en de vliegmachine dwarrelde naar beneden, een rookpluim achter zich latend. Iedereen applaudisseerde.

Maar wat gebeurde er nu? De motor werd terug gestart, de dubbeldekker won terug hoogte en kwam even later alweer hevig schietend op ons af. Het luchtafweergeschut deed echter wederom haar werk. Opnieuw raak! Alweer een rookpluim. Applaus! En deze keer kreeg de piloot zijn machine niet meer terug aan de praat en verdween ijlings, in zweefvlucht, uit ons gezichtsveld. De menigte liet een oorverdovend applaus horen. De vijandelijke aanval was afgeslagen. Tot de omroeper van dienst ons door zijn microfoon meedeelde dat het vliegtuigje even verderop - ongewild - écht was neergestort. Hij meldde ook dat de piloot gelukkig ongedeerd was en verzocht de menigte kalm en ter plaatse te blijven.

Dat zag je van hier. Vlakbij een ramp gebeurd en het klootjesvolk zou niet gaan kijken? Dus terstond repte de helft van de aanwezige mensenmassa zich in de richting van waar men dacht dat de piloot had geprobeerd met zijn vliegtuigje een noodlanding te maken. Ineens was er op de Scheldedijk plaats te over.

Toen we ons een uur of twee later in de richting van mijn vaders' auto verplaatsten om huiswaarts te rijden, passeerden we voorbij het rampgebied. Uiteindelijk viel alles nog best mee. Naar men zei was de piloot er met enkele schrammen en de schrik vanaf gekomen. Zijn vliegtuig, dat in een bietenveld was terechtgekomen, en bij die landing over kop was gegaan, had zo te zien niet echt veel schade opgelopen. De dubbeldekker die daar ondersteboven in het lover lag, was in elk geval een ongeplande extra attractie voor de bezoekers aan de feestnamiddag.

Ja, op publieksevenementen kan je al eens op een extra onverwacht en onvoorzien spektakel worden getrakteerd. Zo heb ik ook eens iets meegemaakt tijdens een waterskishow. Ik zat, tussen de andere toeschouwers, op de oever van - alweer - de Schelde en volgde de wedstrijden die daar werden gestreden. Telkens 'rondes' waarbij de boten, en de personen die er achter hingen, meermaals voorbij onze neus passeerden. In elke boot zat één piloot en één copiloot. Deze laatste zat, zoals dat steeds gebeurt, met zijn gezicht naar de skiër gericht, zodat hij deze laatste zijn instructies kon zien en doorzeggen aan de bestuurder van de boot.

In een bepaalde reeks werden twee van de skiërs getrokken door speedboten die meer weg hadden van raceboten: smalle, lange motorboten, met een scherpe voorsteven. Onmiddellijk werd duidelijk dat de concurrentie niet op kon tegen hen. Die twee namen al vlug, mét voorsprong, de leiding. Het werd een nek aan nek race, tegen hoge snelheid. De waterskiërs konden zich nauwelijks op hun skilat rechthouden. Toen ze, in de laatste ronde, in de rush naar de eindmeet, weer op volle snelheid aankwamen, gebeurde er iets.

De speedboot die het dichtst tegen de oever vaarde waar wij zaten, schoot plots loodrecht hemelwaarts. De voorsteven, die reeds de ganse wedstrijd stevig boven de waterspiegel uitstak, ging nu helemaal de lucht in, en de ganse romp en zelfs de achtersteven volgde. De piloten vlogen door de lucht en belanden vervolgens in het water. Dank zij hun reddingsvesten bleven zij boven drijven.

Ook de boot kwam terug in het water. En zonk. De achterkant eerst, en toen snel de rest, tot ook de spitse voorkant onder water verdween. De speedbootpiloten en de waterskiër keken de zinkende boot en elkaar verbouwereerd en hulpeloos aan. Later die dag hebben ze die boot uit het water kunnen trekken met behulp van het touw waarmee de skiër aan de boot had gehangen en dat hij ook na het incident niet had losgelaten.

Elke mens is in zijn leven wel getuige van een hele resem speciale, al dan niet spectaculaire gebeurtenissen. Spektakel voor hen die er op toezien, leed voor diegenen die het overkomt. Toen ik nog in de lagere school zat is er ooit eens een bestelwagen, volgeladen met jute, afgebrand, voor een huis, twee huizen verwijderd van het onze. Toen de chauffeur zijn truck tot stilstand had gebracht nadat één van onze buren hem daartoe had gedwongen, stond de lading reeds in lichterlaaie. Het spuiten met de brandblusser uit zijn camion kon dan ook de brand niet stoppen. De man kon gelukkig nog wel de aanhangwagen loskoppelen van zijn trekker en zodoende deze laatste vrijwaren van schade.

Jezus! Wat een massa mensen kwam er die avond naar de uitbrandende laadbak kijken. Uit nieuwsgierigheid en sensatiezucht allicht. En ik durfde het niet zeggen, maar was ontzettend bang dat die brand zou uitslaan naar de stal van onze buren, zo naar zijn woning en vandaar naar de onze, want de wind zat wel zo. Gelukkig zijn we van dergelijk onheil gespaard gebleven. De spuitgasten moesten wel nog tot een stuk in de nacht nablussen om alle vuur gedoofd te houden.

Later heb ik gehoord dat het vuur zou zijn ontstaan door een sigarettenpeuk die de truckchauffeur achteloos door het opengedraaid portiervenstertje van zijn trekker zou hebben gegooid. Die onachtzaamheid zorgde er voor dat wij, kinderen uit de buurt, vele jaren later nog steeds zongen: "'ATRAMEF' is afgebrand!" En ik me daardoor, een paar decennia later, nog steeds de naam van het gedupeerde bedrijf herinner.

Een andere keer dat ik met vuur en met de brandweer in aanraking kwam, was op een, ik meen mij te herinneren, oudejaarsavond. Mijn vader had die ochtend onze houtkachel aangestoken. Deels als bijverwarming, maar vooral voor de gezelligheid. Toen ik 's namiddags in mijn kamer zat, ontwaarde ik buiten een dichte mist. Raar. Was die nu ineens, midden in de namiddag, opgekomen? Ik opende mijn kamervenster en wist aan de geur meteen dat dit géén mist, maar rook was. Hier was ongetwijfeld iets niet pluis!

Ik snelde naar onze woonkamer. Ook die was compleet gevuld met rook. Ik opende meteen de deur naar de inkomhal en daarna ook de buitendeur. Ik holde buiten, tot op enige afstand van mijn ouderlijke woonst, zodat ik de schouw kon zien. Ook daar kwam rook uit. Dus liep ik snel terug ons huis in. Ik opende de deurtjes van het houtvuur, bekeek het hout dat er in brandde, nam een pook, duwde de houtblokken uit elkaar en doofde het vuur. Vervolgens nam ik de nog smeulende blokken hout met beide handen vast en droeg ze rennend één na één naar buiten en gooide ze daar in de rijweg. De hitte aan mijn handen was tijdens deze klus bijna ondraaglijk, maar wonderlijk genoeg raakten ze toch niet verbrand. Tegen de tijd dat mijn huisgenoten de living binnen kwamen was de meeste rook reeds opgetrokken.

Tegen 's avonds riskeerde mijn vader het toch maar weer om het vuur aan te steken. Alle gasten waren reeds gearriveerd, toen het probleem van in de namiddag zich herhaalde. Maar nu kwamen er ook vlammen uit de schouw. En het branden stopte niet toen we het houtvuur doofden. Met vochtige doeken trachtten mijn ouders de schouwpijp die door hun zolder loopt, af te koelen, maar dat lukte niet. Mijn vader betrouwde het zaakje niet en zond me naar de overburen om de brandweer te bellen, want wij hadden toen zelf nog geen telefoonaansluiting.

Van aan haar hek riep ik onze naar buiten gesnelde buurvrouw toe de pompiers te bellen. Toen ik terug de straat wou oversteken, stelde ik vast dat het autoverkeer in deze dubbele bocht, waarin mijn ouderlijke woonst is gelegen, volledig in de knoop zat. Enerzijds door automobilisten die gestopt waren om te vragen of ze hulp konden bieden en anderzijds door vele anderen, die enkel halt hielden om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Om enige orde te scheppen in deze chaos en ongevallen te vermijden, begon ik dan maar het verkeer te regelen.

Toen even later de brandweer arriveerde met twee grote bluswagens, was daar nog meer nood aan, dus ik deed maar verder. Eens ik de combi van de politie zag toekomen dacht ik dat mijn taak er op zat. Die mannen plaatsten hun camionette achter één van die brandweerwagens, stapten allebei uit en gingen ons huis binnen, terwijl ze mij hun werk lieten verder doen.

Ook ik wou echter wel eens zien wat daar binnen aan de hand was en wat die spuitgasten allemaal deden. Dus liet ik het verkeer in onze straat voor wat het was en liep naar ons huis. De brandweer had ons houtvuur losgekoppeld van de schouw en het branden van de schouw gestopt door met een natte jutezak de schouw af te dichten. De schade was beperkt en we konden, met enige vertraging, alsnog dineren en de overgang van oud naar nieuw vieren zoals gepland.

Ru(sh)di(e), 30 augustus 2004 (revisie op 28 april 2009)

25-04-09

Rudi's overdenkingen - Communie

 

Mijn twee jongens doen binnenkort hun eerste communie. Uiteraard hoort bij deze heugelijke dag aangepaste kledij. En de tweeling prefereert een klassiek maatpak! In zwarte kleur. Met een wit hemd eronder en een das. En witte kousen en zwarte schoenen om hun uitrusting compleet te maken.

Wat ik me van mijn eigen Eerste Communie vooral herinner is het feit dat ik persé een bruin kostuum wou. En zéker een broek met lange pijpen. Fier dat ik was! Gekleed te zijn zoals een grote mens. Een bruin kostuumpje, en een bruine vlinderdas. Mijn vader had toen net zijn eerste auto aangekocht: een witte Simca 1100. Blij dat ik was dat ik, als een echte heer,in dat voertuig naar en van de kerk zou worden gevoerd.

In datzelfde jaar, met een week of twee verschil ertussen, deed mijn oudste zus haar Plechtige Communie. Dus waren er in de lente van dat jaar bij ons twee in huis die opgewonden een grote dag afwachtten. En toen die dag er eindelijk was heb ik er enorm van genoten en me uitermate geamuseerd.

Het begon al héél vroeg in de ochtend. Nog gekleed in mijn pyjama sloop ik het huis uit en ging ik onze brievenbus inspecteren om te zien of er al gelukwenstelegrammen in waren gedeponeerd. En ja hoor. Verschillende zelfs. Waarschijnlijk reeds de vorige avond daar in gestopt. En terwijl mijn mama me aan het aankleden was, keken mijn twee zussen door de kleine ruitjes van het vensterraam in onze woonkamer toe, of er nog meer wenskaarten werden gepost.

En dat gebeurde inderdaad. De gelegenheidstelegrammen bleven toestromen. Eens aangekleed ging ik ze halen. En, bij het openen van elke envelop, hoopte ik telkens weer dat het er één 'met voering' zou zijn. Een uitdrukking om aan te geven dat er geld tussen het kaartje stak. In die tijd bestonden er nog briefjes van twintig en vijftig Belgische Franken, tot voor een dik jaar onze Nationale munt. Deze informatie ten behoeve van de mensen die reeds zo in de Euro zijn opgegaan, dat ze misschien vergeten zijn dat we daarvoor ook al een betaalmiddel hadden.

Toentertijd was het nog de gewoonte om op de dag van je Communie samen met je ouders bij familie, buren en kennissen op bezoek te gaan. Dat deden we dan ook. Mijn zussen en mijn enkele maanden daarvoor geboren broer brachten de dag door bij een tante en ik ging met mijn ouders de baan op. Reeds onmiddellijk na de viering in de kerk begonnen we daarmee. 's Middags gingen we even naar huis om te lunchen, waarna we onze rit verder zetten.

Dat op visite gaan vond ik enorm plezant. Iedereen zei dat ik er beeldig uitzag en overal kreeg ik wel een cadeautje of wat geld. Bovendien mocht ik voor het eerst in mijn jonge leven iets drinken waar alcohol inzat. Samen met mama, en veelal ook de gastvrouw: rode Martini. Mijn vader opteerde dan meestal voor iets sterkers, of dronk een pintje. En de gastheer volgde hem doorgaans in zijn keuze.

De posten die we die zondag wegens tijdsgebrek niet konden aandoen, deed ik een paar weken later, samen met mijn zus, die dan reeds haar plechtige communie gedaan had en bijgevolg ook haar ronde mocht doen

Toen ikzelf zes jaar later mijn doopgeloften voor de tweede maal hernieuwde, was dat in een donkerblauw pak. Met een plastron dit maal. Maar, O Wee! We moesten, om uniform gekleed te zijn, allemaal een wit paterskleed aantrekken boven onze kledij en een joekel van een kruis omheen onze nek hangen. Ik, en zeer velen met mij, zag dat helemaal niet zitten, maar wij, snotneuzen hadden helemaal géén inspraak en dienden gedwee te doen wat de parochiepriester had beslist. Een pij aantrekken dus!

Op de koop toe had de dorpsfotograaf naderhand een foto van mij, in monnikskleed, als reclame voor zijn fotografeertalent, in de etalage van zijn winkel gezet. Als ik nu naar die foto kijk, kan ik er best inkomen waarom. Ik zag er inderdaad mooi uit in die habijt. Maar als bijna twaalfjarige vond ik het helemaal niet prettig om mezelf voor jan en alleman geëtaleerd te zien in een kleed.

Ook deze communiedag verliep op een zeer aangename manier. Mijn doopmeter en dooppeter waren uitgenodigd voor een feestmaal 's middags bij ons thuis, en in de namiddag was er koffie met taart. En uiteraard ontving ik ook die dag een massa gelukwenskaarten, al dan niet met voering. De bezoeken aan de overige familieleden, kennissen en buren gebeurden de weekends daarop.

Mijn communiepak werd mijn zondagse uitrusting. Verplicht te dragen om naar de wekelijkse mis te gaan. Want anders was het zonde van het geld geweest. Voor iemand er erg in had zou ik er immers uitgroeien. Dus kroop ik op zondagochtend de fiets op, met klemmen omheen mijn broekspijpen, zodat ze niet in het tandwiel van mijn fietsketting konden draaien. Richting kapel, voor de misviering bij de paters. En omdat ik veelal te laat van huis vertrok, zat ik daar dikwijls ongemakkelijk in de kerk, bezweet en vechtend tegen de neiging daar ten gevolge van, flauw te vallen.

Het zit er dik in dat mijn zoons hun kostuumpje maar één dag zullen dragen. Het zij zo. Ze zullen er in elk geval beeldig uitzien en, met hun pak aan, op foto's vereeuwigd worden.

Ru(sh)di(e), 1 april 2003 (revisie op 23 april 2009

19-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Middelbare schooltijd

 

Tijdens het turnuurtje op school moesten we op zekere dag een veldloop doen, voor punten. Hoe beter onze tijd, hoe hoger ons cijfer zou zijn. De turnleraar deelde ons op in twee groepen. Een eerste groep met de goede en middelmatige lopers, waartoe ik behoorde, en een tweede groep met de mindere atleten.

Het, reeds van eerdere lopen gekende parcours, werd nog eens uitgelegd en onze groep werd opgedragen om te vertrekken. Terwijl de leraar een stopwatch in werking stelde. We liepen een goed tempo. Eén van de jongens zei plots: "Laat ons een kortere weg nemen, dan moeten we minder lopen, zijn we sneller terug en krijgen we bovendien meer punten!" Hij versnelde zijn tempo en ging vooraan lopen. "Langs hier!" riep hij, onderwijl ook met zijn arm de te volgen richting aanwijzend. Hij sloeg een pad in, rechts van de bosweg die we eigenlijk dienden te volgen. We zagen het allemaal wel zitten om de route in te korten en dus volgden we hem.

We konden niet zo snel rennen want dat smalle wegeltje lag bezaaid met takken en andere natuurlijke obstakels. Op de koop toe kwamen we op een gegeven moment aan een beek. Er was geen brugje, maar we moesten er wel over, want aan de andere kant van deze waterweg lag het pad dat we dienden te volgen om weer bij onze turnleraar te geraken. En om terug te keren naar het oorspronkelijke parcours was er geen tijd, want dan kwamen we ongetwijfeld veel te laat aan en zouden we bijgevolg allemaal gebuisd zijn.

Eén jongen, laat ik hem Benny noemen, zei: "Allé jongens, da's toch geen probleem. We nemen een aanloop en springen daar zo over." Dus gingen we, met Benny voorop, allen enkele passen achteruit, namen een aanloop en sprongen... over de beek. Behalve Benny dan, die als eerste sprong en te vroeg afzette, zodat hij, net voor de oever aan de overzijde, met zijn voeten en onderbenen in het water belandde. Met een man of twee trokken we hem aan de kant. Zijn sportschoenen en kousen zaten onder de modder. We liepen vervolgens snel verder, in de hoop toch nog een respectabele tijd neer te kunnen zetten en bijgevolg ook een mooi cijfer te krijgen op ons rapport.

Hard lopend bereikten we het eindpunt, waar onze leraar gymnastiek ons stond op te wachten met één chronometer in de hand en een andere met een touwtje bevestigd rond zijn nek. "Niet denderend hé, jongens?!" zei hij tegen ons nadat alle tijden genoteerd waren en vooraleer te beginnen met deze van de tweede groep jongens op te schrijven, waarvan de snelste loper ook al arriveerde.

Toen iedereen was aangekomen en alle tijden stonden genoteerd, zei onze turnleerkracht het zeer eigenaardig te vinden dat zelfs de traagste loper van de tweede groep een snellere tijd had neergezet dan eenieder van ons, uit de eerste groep. Zeer raar, te meer daar hij ons niet had zien passeren op de controleplaats, ergens halverwege het parcours, waar hij met zijn auto was heengereden om tussentijden te noteren. Wat toch niks anders kon betekenen dan dat we zo hard hadden gelopen dat we die plek reeds waren gepasseerd vooraleer hij er arriveerde? Waren we dan in het tweede stuk volledig stilgevallen, vroeg hij zich luidop af, met een knipoog in onze richting? Nu konden we uiteraard niets anders meer doen dan het bekennen van onze poging tot bedrog. De met modder besmeurde Benny was degene die dat deed in ons aller naam. We waren eigenlijk allemaal een beetje bang dat we nu op ons maandrapport voor turnen een nul zouden krijgen. De leerkracht lichamelijke opvoeding vond onze mislukte oplichterij echter best grappig en liet ons een week later herkansen. 

Eigenlijk ben ik steeds een brave scholier geweest. Voor zover ik me kan herinneren heb ik niet zo dikwijls schelmenstreken uitgehaald. Eén keer was ik, en dan nog uiterst toevallig, betrokken bij iets 'stouts'. Tijdens de namiddagpauze stonden er enkele kinderen in een kring te konkelfoezen. Nieuwsgierig kwam ik nader en keek over hun schouders om te zien wat ze aan het doen waren. Eén van die jongens had iets in zijn handen dat qua vorm en grootte veel weg had van een bierworst.

De eigenaar van dat ding verduidelijkte dat het om een stinkbom ging en vroeg aan de gasten rondom hem of er iemand een doosje lucifers bij zich had om het projectiel mee aan te kunnen strijken. Er waren wel een aantal jongens die een aansteker bij zich hadden, omdat ze al eens een sigaretje rookten, maar geen van hen was in het bezit van een doosje stekskes.

Het toeval wou dat ik wel een pakje vlamhoutjes in mijn boekentas had zitten. Zo een dun pakje, met reclame op de flap, die bedrijven verspreiden als promotieartikel. Ik haalde dat kaartje er dus uit, die jongen streek zijn bom er tegen aan en gooide het ding vervolgens onder het afdak. Inmiddels had het belsignaal weerklonken. Ik stopte het luciferdoosje snel terug in mijn zwartlederen boekentas en spoedde mij net zoals alle andere leerlingen in de richting van mijn rij.

Een luide knal weerklonk. Even was het muisstil. Enkele kinderen keken mijn richting uit, maar ik had het gevoel te worden aankeken door alle 800 leerlingen van de school, alsook door hun leraren. Toen was er alweer geroezemoes en werden er heel veel neuzen dichtgeknepen, want de stank die de ontplofte bom verspreidde was enorm.

De onderdirecteur, geflankeerd door twee studiemeesters, kwam poolshoogte nemen. Een gast uit mijn klas zei: "Ja, nu hang je!" Ik dacht aan die lucifers in mijn tas, die als bewijs tegen mij konden aangewend worden. De rest van de dag heb ik niet op mijn gemak gezeten, want wat indien ze de bommengooier zouden vinden en deze mij zou aanwijzen als medeplichtige? Uiteindelijk bleek die vrees ongegrond te zijn.

Wat me ook eens bijna ernstig in de problemen heeft gebracht op school, is het klokhuis van een appel. Ik had de gewoonte dat restant van mijn dagelijks stuk fruit, tussen de struiken van het, naast de koer van onze school gelegen, stadspark te gooien. Die dag stond ik nogal ver van de omheining af toen ik het eetbare deel van mijn appel achter de kiezen had. En af wou van hetgeen overbleef. Ik verwijderde me twee stappen van het groepje kinderen waar ik bij stond en gooide met een flinke zwaai van mijn arm het klokhuis richting park.

Ai! Dat stuk fruitafval kwam pardoes terecht in de nek, net onder het oor, van een studiemeester, die daar met een collega rondstapte om toezicht te houden. De scholieren die het zagen gebeuren hadden uiteraard dolle pret. Een studiemeester, geveld door een klokhuis! De getroffene daarentegen vond het veel minder leuk. Waarschijnlijk dankzij mijn goede reputatie? of eerder bij gebrek aan een slechte? geloofde die man echter dat ik hem niet expres had bekogeld en aanvaardde hij mijn excuses.

Ru(sh)di(e) 20 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

17-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Verrassende gebeurtenissen

 

Ooit heb ik eens het volgende meegemaakt. In Nederland, ergens in een dorp in Zeeuws Vlaanderen. Ik was daar op een zonnige namiddag met mijn hond aan het wandelen op de dijk, naast een waterweg. Een heel rustige omgeving, er was geen mens te zien.

Op een gegeven moment zag ik dat er vanuit de verte dan toch iemand met een fiets kwam aangereden. Ik riep mijn hond bij me en ging met haar aan de kant van het smalle pad staan, zodat die fietsende medemens ongehinderd zou kunnen passeren.

Toen die persoon iets meer genaderd was merkte ik dat het een oude grijsaard was, echt op zijn zomers gekleed, want blijkbaar met blote benen en ontbloot bovenlijf. Op het zadel, tussen zijn benen, ontwaarde ik een pakje.

Toen hij me passeerde zag ik dat het pakje geen pakje was maar 's mans rijkelijk van kroezelig schaamhaar voorziene penis & kloten. Die vent zat potverdorie naakt op zijn vélo!

Het voorgaande doet me plotsklaps aan iets anders denken. Hoe dat komt moet je zelf maar besluiten, na het lezen van hetgeen volgt. Mijn ouderlijk huis was een door mijn vader eigenhandig gebouwde bungalow. Omdat ik mijn slaapkamer beneden had ingericht als kantoor voor de onderneming die ik enkele jaren voordien had opgestart, sliep ik in een kamer die mijn pa had gemaakt op een deel van de grote, voordien volledig open en onafgewerkte, zolder Die ruimte was nu mooi afgewerkt met houten planchetten en het was er buitengewoon gezellig vertoeven.

Ik had er een heel kleine zwart/wit televisie staan en vond het uitermate aangenaam om 's avonds voor het slapen, in bed gelegen, een beetje Tv te kijken, tegelijkertijd wat te lezen of een kruiswoordraadsel op te lossen en nog een kleinigheid te eten. Wat chips of koekjes waren dat.

Op een zekere nacht werd ik wakker. Door een geluid? Door een beweging in mijn kamer? Ik weet het niet. Ik knipte het lichtje aan dat op het nachtkastje naast mijn bed stond. Bij deze handeling voelde ik de bovenkant van mijn hand tegen iets zachts aanstrijken. Ik trok mijn hand snel terug en draaide mijn hoofd met een ruk richting nachtkastje.

Daar zat... een muis! Onverstoord de kruimeltjes van mijn koekjes van de voorgaande avond opetend. Ik gilde: "Eek!" en het beest keek op en liet een "Piep!" horen. Ik ben hoegenaamd géén watje en sla voor zo'n kleine knaagdiertjes normaliter niet op de vlucht, maar nu sprong ik van 't verschieten wel uit mijn bed, terwijl het diertje, nu ook geschrokken van mijn reactie, er vandoor muisde (!). 

Het sneukelen in bed heb ik door dit voorval niet afgeleerd, maar vanaf die nacht hoedde ik me er wel voor al te veel kruimels achter te laten.

Tja, een mens maakt soms wat mee in zijn leven. Zo reed ik jaren geleden - in mijn pré-rolstoel periode, eens op de autostrade, op een zondag, vrij vroeg in de ochtend. Mooi op het meest rechtse rijvak en net iets minder snel dan was toegelaten, toen ineens met een razende snelheid een tegenligger op me af kwam. Een spookrijder!

Gelukkig was ik in staat mijn kalmte te bewaren. Ik minderde mijn snelheid en week zoveel mogelijk uit naar rechts. Ongelukkigerwijs was er blijkbaar geen pechstrook aangelegd op dit gedeelte van de autosnelweg. Ik zette onmiddellijk mijn autoradio aan en koos het nieuwskanaal. Ja hoor, er werd melding gemaakt van een spookrijder op deze autobaan.

Hé, wat was dat? Er flitsten me heel snel na elkaar nog een aantal auto's voorbij. En allemaal in de verkeerde richting! Eén ervan deed dat luid toeterend en een andere chauffeur was zelfs zo arrogant met zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd te wijzen en daarbij een boos gezicht te laten zien. Ja hola zeg. Ik voelde mij daar echt niet meer veilig.

Uiteraard ben ik dus bij de eerste exit van de snelweg afgereden. Bijna botsing! Kwam er nondedju ook al iemand de afrit opgereden! Een vrouw. In een Mazda. Ondanks het schrikken van die totaal onverwachte tegenligger, merkte ik toch ook nog op dat één of andere onverlaat alle verkeersborden aan de kant van de weg een halve slag had gedraaid. Ook dat nog! Ondertussen werd op de radio de waarschuwing voor die éne spookrijder nogmaals herhaald. En van die andere vijf die me gekruist waren spraken ze niet!

Het bovenstaande is uiteraard een mop met een baard, stukken langer dan deze van Vader Abraham, Sinterklaas en de Kerstman samen. Maar ik kon het niet laten hem hier in mijn versie te vertellen.

Ru(sh)di(e), 28 maart 2003 (revisie op 11 april 2009)

10-04-09

Rudi’s overdenkingen - Obstakels

    

Bijna dagelijks krijg ik er mee te maken: hinderlijke obstakels op de openbare weg, die mijn vrije doorgang belemmeren. En het zijn er nogal wat: reclamepanelen, bloembakken, gestalde fietsen, vlaggenmasten, palen van verkeersborden en zo meer. Maar ook dikwijls (fout) geparkeerde auto's, fietsen of motoren.

En wekelijks ook het huisvuil. Nochtans worden die bakken en zakken meestal netjes tegen de huisgevels opgesteld. Diverse factoren, zoals bijvoorbeeld de wind, veroorzaken echter dikwijls dat die zakken omvallen en zodoende de weg blokkeren. Dit is slechts een klein probleem, als het om de blauwe PMD zak gaat. Die duw ik dan gewoon met de voetsteunen van mijn rolstoel, zachtjes naar de kant. Hier en daar ligt er echter ook al eens een vuilnisbak op de stoep, al dan niet moedwillig door een belhamel tot die positie gebracht.

Reclamepanelen kunnen ook knap vervelend zijn. Zo ook mobiele verkeersborden voor bijvoorbeeld tijdelijke wegwerkzaamheden. Losliggende stenen en allerlei vuilnis zijn hindernissen die vooral een wezenlijk gevaar betekenen voor lekke banden, breuk of andere beschadigingen aan mijn rolstoel. En dan zijn er ook nog de hondendrollen. Geen echte hindernissen, maar wel enorm hinderlijk. Vooral als ik er geen erg in heb en naderhand met die besmeurde banden mijn living binnenrij.

En in de zomer heb je uiteraard nog het fenomeen van de terrasjes. De tafels en stoelen die daar, al dan niet in gebruik, bij horen, durven nogal eens de volledige breedte van het trottoir innemen. Niet enkel ik, en andere rolstoelers worden hierdoor gehinderd, maar bijvoorbeeld ook mensen met kinderwagens. Die moeten dan maar naar de rijweg uitwijken.

Vorig jaar was ik met de kinderen aan het rijden in het centrum van mijn woonplaats. Eentje zat op mijn schoot, de andere stond op de rand van mijn rolstoel, aan mijn linkerzijde. Aan een populair café stonden voor ons enkele tafels en stoelen in de weg. Naar links kon ik niet uitwijken, want daar stonden auto's geparkeerd. Enkele mensen stonden recht, verzetten hun stoelen en schoven de tafeltjes naar rechts om ons doorgang te verlenen. Eén, nogal corpulente heer, maakte echter geen aanstalten om op te staan. Dus trachtte ik voorzichtig te passeren. Ik raakte nipt het tafeltje, waardoor die persoon een flinke geut koffie op zijn schoot kreeg... en zich terstond bij me excuseerde. Vermoedelijk omdat hij inzag dat het gebeurde eigenlijk zijn eigen fout was.

Dat verontschuldigen gebeurt trouwens ook dikwijls als men tegen mijn rolstoel aanloopt. Meestal tegen mijn voetsteunen. Uit noodzaak genot purend uit onnozelheden, vind ik dat trouwens eigenlijk best grappig, want ik word door hun onoplettendheid dan wel een beetje door elkaar geschud bij zulk een botsing, maar zij zijn degenen die veelal 's avonds een blauwe plek op hun hiel of scheenbeen zullen aantreffen. En dan verwensen ze me hoogst waarschijnlijk!

Terug naar de stoep. Sommige terrasjesmensen zijn echt volhardend. Als mijn kinderen naast me stappen weiger ik, uit veiligheidsoverwegingen, ter wille van het gemak van een ander op straat te gaan rijden, en blijf dus net zo lang wachten tot men opstaat en de stoelen aan de kant schuift. En dat kan soms behoorlijk lang duren, en gebeurt dan meestal nog pas na aandringen van anderen.

Vele mensen zijn zich allicht niet bewust van de hinder die ze kunnen veroorzaken. Anderen zijn dat wel, maar die malen er niet om. Zo hield tegenover een videotheek een auto halt op het fiets- en voetpad toen ik er net aankwam. Een dame (?) stapte uit. Inmiddels was ik op straat gaan rijden om haar voertuig te ontwijken. Ik dwong mezelf haar te zeggen: "Ook niet netjes van u, hier te parkeren, mevrouw!" Ze keek me even minachtend aan, trok haar neus op, stak de straat over en stapte de videotheek binnen.

Anderzijds gebeurt het ook wel dat mensen uit bijvoorbeeld een winkel komen gelopen als ze mij zien passeren omdat ze denken dat hun wagen, die ze even verder in alle haast half op het trottoir hebben geparkeerd, mij zou kunnen hinderen. Of personen die uit zichzelf fietsen verzetten die me de weg versperren. Of werklui die spontaan hun spullen aan de kant schuiven als ze me zien aankomen en merken dat ik wil passeren waar zij aan het arbeiden zijn.

De stoep. Naast mogelijke obstakels, heb je bovendien nog het feit dat die trottoirs niet vlak worden aangelegd, maar afhellen naar één zijde, meestal de straatkant. Dat wordt zo gedaan ten behoeve van een goede afwatering naar de rioolputjes, maar maakt het rijden voor een rolstoeler hoogst onaangenaam. Je zit immers continue schuin, wat bij mij en lotgenoten pijn in de nek veroorzaakt. Tevens laat het je stoel steeds neigen van de boordstenen te rijden, zodat je continue moet bijsturen. Met mijn elektrische machine valt dat nog mee, maar voor mensen met een manuele rolstoel is dat knap lastig. En dan zwijg ik nog over de niveauverschillen in de trottoirs ter hoogte van garagepoorten.

Om voormelde obstakels en moeilijkheden te vermijden rijd ik bij verplaatsingen over de openbare weg dan ook meestal op het fietspad, en anders op de rijbaan, maar dan veelal tegen het verkeer in, zodat ik alle voertuigen zie afkomen en hun bestuurders mij!

In het centrum van Gent ben ik op een avond toch eens de stoep opgereden om mij naar een afspraak te begeven. Tientallen meters ging dat vrij goed, laverend langsheen de vuilnisbakken en de pakken papier en karton, want waarschijnlijk was er ook daarvoor de volgende dag een ophalen gepland. Tot plots: niks meer! Die stoep liep gewoon dood op een blinde muur! En daar je in zo een geval logischerwijs zou verwachten dat men op zo een plaats dan een hellend vlak maakt om van het trottoir te rijden, was dat hier niet zo. Aangezien het hoogteverschil tussen de stoep en de straat, een vijftiental centimeter, te groot was om daar met mijn toenmalige rolstoel veilig van af te rijden, en de stoepbreedte te beperkt om mijn vehikel te draaien, diende ik een tiental meter achteruit te rijden, vooraleer ter hoogte van een toegang tot een privégarage, veilig op straat te geraken. Ik kan jullie verzekeren dat dit, zo zonder achteruitkijkspiegel, geen sinecure was voor mij, gezien ik fysisch niet meer in staat ben mijn hoofd te draaien om achterom te kijken.

Een maand of drie geleden heb ik mijn zorgzaam bijeengesprokkelde spaarcenten uitgegeven om een busje te huren, waardoor ik eindelijk nog eens in staat was met mijn ganse gezin een daguitstap te maken... buiten mijn woonplaats. Door mijn echtgenote en een assistent liet ik me op de passagierszetel van het voertuig hijsen, waarna mijn rolstoel via twee houten balken uit mijn stal, langs achteraan de bus werd ingereden. Mijn kinderen waren in hun nopjes: een uitje met papa en eindelijk nog eens dicht tegen hun vader aanzitten zonder hinderlijke delen van zijn rolkar, en met een wijds zicht over de weg.

We zijn die dag na wat omzwervingen uiteindelijk in Hasselt aanbeland. In mijn ogen een paradijs voor rolstoelers. De voetpaden zijn meestal breed, de overgang tussen voetpad en rijweg op bijvoorbeeld oversteekplaatsen, is nauwelijks voelbaar. Bovendien heerst in die stad ook een positieve ingesteldheid ten overstaan van rolstoelers. Er zijn ontzettend veel winkels, drankgelegenheden en eethuizen toegankelijk (gemaakt) voor minder mobielen.

Hier waar ik woon valt het in de meeste straten ook nog redelijk mee. Maar het zou in ieder geval nog stukken beter kunnen, mocht de lokale overheid, vooraleer beslissingen te nemen, ten rade gaan bij (echte) deskundigen: ons, de gebruikers dus. Maar ik denk niet dat zulks ooit zal gebeuren

Ru(sh)di(e), 4 februari 2003 (revisie op 5 april 2009)

08-04-09

De avonturen van Rudi & Co, nog eens een aflevering

 

Heden ochtend ben ik naar de wekelijkse markt geweest. Alleen, want mijn echtgenote lag ziek te bed. Een zware verkoudheid. Inmiddels is het avond en na een dag met veel rust, voelt ze zich alweer een stuk beter.

De zon kon vandaag slechts af en toe doorheen het wolkendek breken. Mijn rondje naar en op de markt was dan ook niet echt aangenaam. Daarom hield ik het er vrij spoedig voor gezien. Echter niet na eerst een warme braadworst in een krokant broodje te bestellen aan de hamburgertent. Eén van de vriendelijke dames die daar de dienst uitmaken nam mijn bestelling in ontvangst en bracht de snack even later netjes ingepakt en in een zakje gestoken tot op mijn schoot. Ik liet haar zelf de verschuldigde som uit mijn geldbeugel halen.

Een goeie minuut later had ik een plaatsje gevonden, weg van de drukte, om mijn etenswaar te verorberen. Terwijl ik met mijn tanden de verpakking van het broodje aan het verwijderen was, kwam een oude allochtone man, die net een winkel had verlaten, op me toegesneld om een handje toe te steken. Toch fijn te merken dat er in deze hedendaagse egocentrische wereld toch nog mensen rondlopen die ook oog hebben voor een ander.

Deze namiddag ben ik, als naar gewoonte, met mijn rakkers naar hun voetbaltraining gereden. Aangezien de toegangsweg naar de kleedkamers vol putten lig, reed ik sinds enige weken naar het gebouw waarin de kleedhokjes zijn ingericht, over het voetbalterrein, via een opening in de balustrade omheen dat grasveld. Bleek vandaag dat ze de opening in die reling hadden gedicht!

Voorheen hebben ze het me ook al knap lastig gemaakt door de slagboom aan de toegangsweg tot het jeugdcomplex van een hangslot te voorzien. Zogezegd omdat anders te veel mensen via deze weg met de auto het terrein opreden. Als gevolg hiervan moest ik wekenlang omrijden om via een andere toegangsweg ter plaatse te geraken. Totdat ik dit kotsbeu was en derhalve mijn assistent met een schop ter plaatse stuurde om naast de slagboom een pad voor me te graven.

Toeval of sabotage? Mag of moet ik met andere woorden uit deze voorvallen concluderen ginds niet echt welkom te zijn?

Gisteren namiddag ben ik, om de tijd te verdrijven, naar een warenhuis gereden, dat gelegen is aan de andere kant van de stad waar ik woon. Het weer was prachtig: continue zonneschijn, een aangename temperatuur en slechts een zachte bries. Een assistent reed per fiets met me mee. Eigenlijk wel stom dat ik een (bezoldigd) persoon met me moet meenemen eigenlijk enkel en alleen omdat ik niet zonder hulp kan plassen.

Er waren reeds bijna drie jaar verlopen sinds mijn laatste bezoek (als stapper) aan deze winkel. De indeling van de zaak bleek vrijwel onveranderd te zijn sinds mijn laatste visite. En ook van de personeelsleden meende ik de meeste te herkennen van vroeger. Omdat ik tijdig aan de schoolpoort moest staan om mijn kinderen na schooltijd huiswaarts te begeleiden, reed ik gehaast de winkelgangen door, liet mijn helper uit de rekken nemen wat ik nodig had en spoedde me naar de kassa's. Daar was het ontzettend rustig. Ik liet mijn assistent de waren op de band leggen en bekeek middelerwijl de covers van de tijdschriften die in een standje aan de kassa stonden opgesteld. De caissière riep me iets toe en wees naar de ruimte waarlangs de klanten normaliter al dan niet een winkelwagentje voor zich uitduwend, haar kassa moesten passeren. Die doorgang was potverdikke te smal voor mijn rolstoel!

De kassierster zei me dat er vooraan in de winkel, aan de eerste kassa, wél een gang was waar ik doorheen kon. Inderdaad, daar hing trouwens een groot blauw bord boven, met een witte rolstoel erop en iets van 'brede doorgang'. Nogal vernederend vind ik dat. Dit betekent ook dat, als ik alleen ben en de eerste kassa niet open is, ik iemand moet aanspreken om hetzij die kassa speciaal voor mij te openen (dream on, man... hahaha), hetzij in mijn plaats de kassa te passeren en af te rekenen. Vaarwel zelfstandigheid!

Maar het kan nog erger. Eén van de eerste zondagen van het nieuwe jaar kregen we het bezoek van een vriendin die als nieuwjaarsgeschenk voor mijn jongens een autobaan had meegebracht. Toen ze véle uren later, mijn instructies volgend, eindelijk dat ding min of meer in elkaar hadden gekregen, zaten we nog met het probleem dat die racebaan batterijen nodig had om die autootjes in beweging te zetten.

Dus reed ik even later met één van mijn jongens richting centrum, om op zoek te gaan naar batterijen. De nachtwinkel waar ik gehoopt had deze spullen te vinden, bleek ook in het weekend pas vanaf 's avonds geopend te zijn. Dan maar koers gezet naar een winkel waar, naast kleding, ook zowat alles wat je in een huishouden kan nodig hebben, wordt verkocht en waarvan ik wist dat hij iedere zondag open was. Ik kon daar sowieso niet binnen en hield dus buiten de wacht terwijl mijn zoontje op zoek ging naar die batterijen.

Terwijl ik geduldig wachtte bekeek ik de etalage van de winkel. Op diverse aanplakbrieven werd duidelijk gemaakt dat handtassen niet echt welkom waren en hoe dan ook aan de kassa dienden geopend te worden. Er stond ook een bord waarop in grote letters geschreven stond: 'Strikt verboden', met daaronder in een iets kleiner lettertype een ganse opsomming. Glimlachend dacht ik: straks staat daar nog tussen: 'voor rolstoelers' . Ik overliep het lijstje. Stond daar potverdorie 'kinderwagens' tussen! Nu kan ik me best voorstellen dat ze in die zaak een probleem hebben met diefstal. Zelf heb ik immers ook jarenlang een winkel gehad en kreeg ik derhalve ook te maken met het fenomeen. Maar als diefstalpreventie kinderwagens uit je zaak weren, gaat me toch wel net iets te ver. Ik twijfel trouwens aan de wettelijkheid van dergelijk verbod.

Oh ja, die batterijen dienden we uiteindelijk te halen in een nachtwinkeltje dat op zon- en feestdagen ook overdag open is en die auto's hebben we, na het overwinnen van nog enige onvolkomenheden in de constructie, dus diezelfde dag nog over de autobaan kunnen laten racen.

Ru(sh)di(e), 26 februari 2003 (revisie op 5 april 2009)