19-10-09

Heden & verleden - Crossfiets

 

Mijn zoon Austin heeft zich een BMX aangeschaft. Met zijn eigen spaarcenten en met goedkeuring van zijn ouders. Hij was reeds enkele jaren aan het twijfelen of hij nu ging sparen voor een laptop of voor een stalen ros. Uiteindelijk is het dus een BMX geworden. Kost bovendien slechts de helft van een schootcomputer, zodat de jongen het saldo van zijn spaargeld verder kan aandikken om op een later tijdstip alsnog een laptop aan te kopen.

BMX'en is opnieuw een rage aan het worden. Jongeren, voor zover mij bekend haast uitsluitend jongens, en uit alle milieus, groepen samen om op heuvelachtig terrein te crossen, over bulten en zelf aangemaakte schansen te springen en trucjes uit te halen. Een heel sociaal gebeuren dus, en een sport die bovendien voornamelijk buiten wordt beoefend.

Het enige minpunt vind ik het feit dat die BMX'en niet volledig conform de wegcode zijn uitgerust. Een fietsbel ontbreekt bijvoorbeeld, en reflectoren eveneens. Dat er op (laten) plaatsen vinden die jongelui 'niet kunnen.' Derhalve laat ik mijn zoon slechts met tegenzin met zijn BMX over de openbare weg naar het crossterrein rijden. Maar ja, hoe moet hij er anders geraken?

Het is wel leuk om te zien hoe de jongen, vooraleer hij zich naar het lokale crossterrein begeeft, eerst op YouTube gepubliceerde filmpjes bekijkt, met daarop voorbeelden van sprongen, trucs, bewegingen... Het gebeurt ook dat Austin in onze eigen achtertuin aan het 'trainen' is en opeens naar binnen komt gelopen met het verzoek snel even op mijn laptop naar een filmpje te mogen kijken om te zien hoe een bepaalde truc of beweging alweer dient te worden uitgevoerd.

Helemaal achterin onze tuin, tussen twee rijen sparren, heeft hij, samen met zijn broer en een aantal vrienden, een eigen parcours mogen aanleggen. Met een verhoog van zowat een meter, van waarop ze starten, een aanloopzone van een meter of tien en dan een diepte van een halve meter , een hoogte van vijftig centimeter, weer een diepte en nog een hoogte. De kunst is om, met de gepaste snelheid, de BMX, bij het nemen van de eerste hoogte, zo ver de lucht in te krijgen dat de volgende diepte en hoogte, al zwevend in de lucht worden overbrugd en er, zonder vallen, veilig en wel, op twee wielen wordt geland, op het vlakke stuk grond erachter.

Tijdens mijn prille jeugdjaren had ik een zelfgemaakte crossfiets. De basis was een afgedankte, roestige witte minifiets van mijn oudste zus. Je kent dat wel, zo een compacte fiets die bovendien kon worden dubbelgevouwen. Samen met mijn pa had ik op de schuine buis de brandstoftank gemonteerd van zijn ook al afgeschreven antieke motorfiets. En als zitting had ik een lang, grijs zadel dat eveneens van een motorfiets afkomstig was. En met een aangepast hoog stuur en een grote koplamp erbij, had ik een ferme crossfiets!

Je had mij in die tijd in onze tuin moeten zien rijden. Met mijn ook ouderwetse blauwe motorhelm op met een witte middenstreep; Die had lederen oorflappen, die met een sluiting onderaan de kin het ding op mijn hoofd hielden. Mijn plastieken stofbril completeerde het geheel! Op zondagen ging ik dikwijls met mijn vader naar de motorcross kijken. We konden na de prijsuitreiking voor mij part niet snel genoeg terug thuis zijn, zodat ik met mijn crossfiets de wedstrijd kon naspelen. Ik zette zelfs heuse parcours uit. Ik klopte stalen pinnen in de grond, verbond deze met touwen en hing zelfs hier en daar lintjes.

Omstreeks het begin van de jaren tachtig werd BMX crossfietsen een tijdje populair in onze contreien. Her en der werden er teams gevormd, clubs opgericht en wedstrijden georganiseerd. Veelal kwamen de jonge sporters uit het motorcrossmilieu. Met mijn pa ben ik nog naar enkele wedstrijden gaan kijken. In het eerste jaar middelbare school had ik trouwens ook een klasgenoot die in zulke crossen meereed.

Moest mijn lichaam, heden ten dage, als gevolg van dat geklungel van die chirurg, niet zo willoos zijn, ik zou toch wel eens stiekem op Austin zijn BMX durven kruipen. Terwijl de jongen naar school of om een andere reden thuis afwezig is. Om evenwicht- en andere kunstjes uit te proberen, want zulke dingen lijken me leuk. Omwille van de eerder aangehaalde reden zal het BMX'en evenwel in mijn dromen moeten geschieden. Wat dan weer als voordeel heeft dat ik er niet mee moet wachten tot mijn zoon er een keertje niet is!

Rudi, 6 maart 2009 (revisie op 14 oktober 2009)

12-05-09

De avonturen van Rudi & Co - Weekendrelaas

 

We hebben alweer een bewogen weekend achter de rug. Bewogen in de betekenis die dat woord voor me heeft, sinds ik continue in een invalidenkarretje zit. Want vroeger lagen de criteria vooraleer er van opwinding sprake was, een stuk hoger. Maar vroeger is vroeger, en nu is nu. In onze dromen kunnen we weliswaar nog eens heuglijke feiten uit ons verleden herbeleven. Maar het is het heden dat het belangrijkst is, want daar leven we in.

Op zaterdagochtend werd mijn voetballende kroost op het voetbalveld van de eigen club verwacht, voor de laatste competitiewedstrijd van het seizoen. Drie kwartier voor de aftrap waren we ter plaatse. Terwijl mijn twee zoons de kleedkamer opzochten, hoopte ik de kantine binnen te geraken.

Gelukkig zagen enkele andere ouders me aankomen. Want niet alleen de deur moet voor me worden open gehouden. Twee maand na opening van de kantine is er bovendien nog steeds geen hellend vlak aangelegd. Dus elke keer dat ik het gebouw binnen treed of verlaat, moet iemand zijn of haar handen vuilmaken om daar een, door mij in de buurt gevonden plaat, in de deuropening te leggen.

De papa van één van mijn zoons' ploegmaatjes kon dat niet méér aanzien en bracht daarom een week of vier geleden zelf een stevige oprijplaat mee. Het enige dat men nog moest doen was ze aan de grond bevestigen. Ze staat daar, ongebruikt, naast de deur. Toen die vader op zondag iemand van de verantwoordelijken hierover interpelleerde, kreeg hij als antwoord: "We hebben nog wel andere dingen te doen, hoor!

Terug naar zaterdag. Toen volgens mij en mijn horloge het moment van spelen was aangebroken, hield ik de scheidsrechter staande. Die man wist me te vertellen dat de tegenstrever nog niet was gearriveerd. "Misschien zijn ze naar de oude terreinlocatie gereden" werd door iemand geopperd. Waarom men, in tijden waar zelfs een klein kind met een mobiele telefoon rondloopt, niet trachtte de club van de tegenstrever per GSM te bereiken, is me een raadsel.

Een half uur nadat de aftrap had moeten gegeven zijn, had er dan toch iemand het initiatief genomen om de telefoon ter hand te nemen en te bellen. En kwam men zo te weten dat de tegenstrever niet genoeg spelertjes bij elkaar had gekregen, en daarom maar had beslist om thuis te blijven. Zonder te verwittigen!

Raar volk in die voetbalclubs, als je het mij vraagt. De moderne communicatietechnieken zijn klaarblijkelijk nog niet tot in die kringen doorgedrongen. In kerkelijke middens is dat dus wel het geval. Want die middag werd me, via mijn mobieltje, gevraagd of mijn kinderen die avond konden invallen als misdienaar, voor een jongen die ziek was. Meegaand als ik ben, stemde ik natuurlijk in.

Dus zat ik daar in de late namiddag, in plaats van aan de open haard in mijn huis, warm ingeduffeld in de kille kerk. Mijn kinderen dienden een pastoor, die blijkbaar inviel voor onze eigen pastoor. Of die laatstgenoemde ziek, op retraite, op reis, of waar dan ook was, kwamen we niet te weten.

De celebrant leidde de dienst net iets anders dan de parochianen gewoon zijn, waardoor één en ander niet volledig vlekkeloos verliep, maar niemand maalde daar om. Wat mij wel pissig maakte was het feit dat die priester mij de communie niet gaf. Ik floot even, maar hij hoorde mij niet. Mijn zoon moest die vent tot bij mij sturen.

"Het lichaam van Christus," zei hij. Waarop ik antwoordde: "'t zal tijd worden." Ze prediken potverdorie dat de gelovigen oog en oor moeten hebben voor hun naaste, en vooral voor dezen die ziek zijn of een handicap hebben. Maar zelf zien ze iemand die in een rolstoel zit, niet eens staan! Vergetelheid? Menselijk? Vergeet het! Schijnheiligheid noem ik dat, en een verkeerd voorbeeld voor iedereen. En denk je dat zo een klojo zich naderhand komt verontschuldigen? Vergeet het! Die ziet niet eens in hoe vernederend zijn gedrag is voor degene die er het slachtoffer van is.

Op zondag stonden we alweer op een voetbalveld. Voor een tornooi van vier wedstrijden. En alweer had een ploeg forfait gegeven. En het team waar de kinderen de dag voordien hadden moeten tegen spelen, was er nu wel, maar ze speelden in een andere reeks. Ik trek me van alle heisa rond zulke organisaties weinig aan. Zo lang mijn zonen maar tevreden zijn en de kans krijgen om hun favoriete sport te beoefenen.

In de kantine van de gastclub kon ik natuurlijk ook niet binnen, maar twee mannen waren onmiddellijk bereid enkele planken bij elkaar te zoeken, waarmee ik mij, met de hulp van enkele andere spelersvaders, kon behelpen. Het werd wel een lange dag, want we waren al ter plaatse voor de middag, en moesten tot zeven uur 's avonds wachten om terug huiswaarts te keren. Eerder kon het rolstoelvervoer ons niet afhalen. Zo gaat dat, als je voor je mobiliteit afhankelijk bent van derden.

's Avonds keek ik op Canvas naar Panorama, waarin men een Amerikaanse reportage uitzond over leningen tegen woekerintresten. Misschien moet ik bij ons maar eens op zoek gaan naar zo een bureau, om de financiering van een eigen busje te bekostigen. Ik zal dan uiteindelijk de helft méér uitgeven dan het basisbedrag, maar zo geraak ik dan tenminste toch aan de centen. Want met bidden alleen kom ik er allicht niet. Dat levert me slechts ternauwernood een hostie op. Was het gisteren wat minder koud geweest en had het niet geregend, dan had ik misschien een persoonlijke 1 mei optocht gehouden met de eis: 'iedere rolstoeler een eigen camionette!'

Ru(sh)di(e), 2 mei 2006 (revisie op 11 mei 2009)

10-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - Zware jongens

 

Bij ons, op de middelbare school, zat gedurende enkele jaren ook een jongen met een lichamelijke beperking en een spraakgebrek. Hoe hij daar was aangekomen, weet ik niet meer. Mogelijks was hij één van de laatste slachtoffers van kinderverlamming. Maar ik denk niet dat ons dat eigenlijk interesseerde. Die jongen stapte moeilijk en had géén volledige handfunctionaliteit. Maar het was een toffe knul. En als mijn maten of ik in de buurt waren, moest niemand het ook maar wagen om die jongen uit te lachen. Op zeker moment verliet hij de school en bijgevolg verloren we hem uit het oog.

Als zeventienjarige ging ik nagenoeg wekelijks uit met mijn kameraden. We spraken steeds af in onze stamkroeg en trokken van daaruit meestal naar een fuif. Op een bepaalde zaterdagavond bevonden we ons op zo een openbaar dansfeest, toen er op een gegeven moment een bende ruige motards de danstent binnen kwam. Stoere, struise bonken met lang haar, in jeans, met zware botten aan hun voeten en een lederen jas aan. Met daarboven ook nog eens een mouwloos jeansvestje. Op de achterzijde van dat vestje waren het embleem en de naam van hun 'club' bevestigd.

Die kerels bleven samengetroept aan de kant van de dansvloer staan en startten spoedig met het hijsen van pinten schuimend bier. Een van de mannen trok mijn aandacht. Ik meende er mijn voormalige manke vriend in te herkennen. Ik bleef de bende gadeslaan, en in het bijzonder die éne persoon. Hij was zowat de kleinste en rustigste van de hele groep. De anderen gedroegen zich nogal wild en gingen hardhandig met elkaar om, maar hij hield zich op de vlakte.

Van een lichamelijke beperking bleek géén sprake meer te zijn. 'Zou die dan volledig genezen zijn?' vroeg ik me af. En hoe was hij bij die bende zware jongens verzeild geraakt? Ik ging zijn richting uit, maar hij bleek mij niet (meer) te herkennen. Dus liep ik hem voorbij en bleef ik hem van op enige afstand observeren. Waarschijnlijk was dit dus toch mijn vroegere vriend niet. En toen ik de jongeman even later, zonder haperingen, hoorde spreken, wist ik dat wel zeker!

Uit mijn ondeugende geest ontsproot daarop een plannetje voor een kwajongensstreek. Ik ging tot bij één van mijn makkers, die tot dan toe alleen maar oog had gehad voor zijn lief, en die nu, aan de toog stond te wachten, allicht op een drankje voor haar en hemzelf. Ik vroeg hem of hij zich nog onze manke maat herinnerde. 'Uiteraard!' zei hij. Waarop ik hem vertelde dat ik er net een kwartier mee had staan praten. Mijn maat vergat de drankjes en wou zelf ook meteen naar onze verloren vriend gaan.

Ik wees mijn kameraad de in leder en jeans gestoken jongen aan, en zijn ogen lichtten op. Mijn maat, nogal klein van gestalte, benaderde de motard langs achteren en gaf die anderhalve kop grotere kerel, als verrassende begroeting, met de palm van zijn hand, een harde klap op de rug. De jongeman draaide zich terstond om en keek mijn maat boosaardig aan. Die stond daar, uitnodigend, met open armen en een lachende bek, in een houding van: 'herken je me nu niet meer?!' Die andere ruige motormannen kwamen, met een pint bier in minstens één hand, dreigend rond mijn maat staan, want ze dachten dat die één van hen had aangevallen!

Enfin, mijn maat had vrij snel door dat hij niet voor zich had, wie hij dacht voor zich te hebben. En dat hij er door mij was ingeluisd! Gelukkig bleek die zware jongen nog de slechtste niet te zijn, want mijn vriend kon er zich uitpraten en geraakte zonder kleerscheuren tot bij mij. Hij had me daar, op een veilige afstand van het tafereel, zien staan lachen, terwijl hij zelf toch wel eventjes angstig was geweest. Maar nu kon ook hij lachen om mijn grap.

Geloof het of niet, maar het meest verbluffende deed zich de week daarop voor. Alweer op een fuif, in dezelfde gemeente, ontmoetten we onze enige échte ex-schoolkameraad. Jammer genoeg was hem géén mirakel ten deel gevallen. Hij stapte en sprak nog steeds even slecht. Maar het weerzien was hartelijk, want hij was ook nog steeds behept met zijn zelfde, toffe persoonlijkheid.

Ru(sh)di(e), 27 april 2006 (revisie op 7 mei 2009)

03-05-09

De avonturen van Rudi & Co - alweer een deel

 

Sinds zowat driekwart jaar oefen ik, met de hulp van een logopediste, mijn adembeheersing en spreekkwaliteit. Door die verlamming bedraagt mijn longcapaciteit immers slechts de helft van wat het voor een persoon van mijn leeftijd en gestalte zou moeten zijn, en nu tracht ik daar door oefenen en het gebruik van spreektechnieken, het maximale uit te halen.

Tijdens die stemoefeningen bleek dat ik een spraakgebrek heb. Ik was me daar totaal niet van bewust. Niemand heeft het me ooit gezegd en zelf had ik er blijkbaar nooit op gelet. Sommige letters spreek ik soms verkeerd uit: 'S' in plaats van 'Z', 'F' waar het 'V' moet zijn, en zo meer. En blijkbaar ben ik niet de enige die zulks doet.

Gisteren woonde ik, samen met mijn zoons, de eucharistieviering bij in de kerk, gelegen in het centrum van onze woonplaats. De celebrant had het er in zijn homilie over dat het tijd wordt dat gelovigen terug durven uit te komen voor hun overtuiging. Dat ze het Woord van Jezus Christus uitdragen, en dat, en hij herhaalde het een aantal keer: in naam van de 'Geilige Geest'!

Woensdag jongstleden was ik in het voetbalstadion van 'Sporting Lokeren'. Ik volgde de wedstrijd van de thuisploeg tegen Sint-Truiden in de 1/8 finale voor de 'Beker van België'. De kinderen had ik thuis gelaten, want op een schooldag horen die in bed te liggen op het uur dat de match aanving, zijnde acht uur 's avonds. Lokeren won de wedstrijd, met nogal wat geluk, en stoot als gevolg daarvan door naar de kwartfinales, waar het zal moeten optornen tegen provinciegenoot Gent.

Dat voor wat het sportieve gedeelte van de avond betreft. Ik wil immers melding maken van een incident dat plaatsvond naast de grasmat. Omdat er elders geen plaats voor me is, had ik naar gewoonte plaatsgenomen in de dug-out naast deze van de bezoekende club. Voor wie dat niet kent: een dug-out is een schuilhok met daarin (klap)stoelen, waarop doorgaans trainer(s), dokter, verzorger(s) en wisselspelers plaatsnemen, zodat ze enigszins beschut zijn tegen koude, regen en wind. In Lokeren hebben ze er dus ook zo eentje voor de 'mindervaliden'.

Toen ik arriveerde zaten er in 'het onze' reeds enkele mensen. Een oude heer in een manuele rolstoel, een valide oudere dame die zichzelf opwerpt als verantwoordelijke voor wat er in het invalidenschuilhok gebeurt en haar mentaal gehandicapte zoon van naar ik schat een jaar of vijfenveertig. Nadat ik hen gedag had gezegd en plaats had genomen voor de klapstoeltjes, kwam daar nog een dame bij met haar fysiek en mentaal beperkt zoontje, en wat later ook een jongeman met een meervoudige handicap, allen habitués.

Net voor de rust stond daar ineens die man in zijn rolstoel naast me. Die wou waarschijnlijk naar het toilet. Hij vroeg me plaats te maken, zodat hij me op de betonstrook kon passeren. Ik zag niet direct een uitweg, plaatste me een beetje schuin, zodat hij toch kon passeren, zonder op het gras te moeten rijden. Toen hij een minuut of vijf later terug kwam, ze ik: "Wacht, ik rij vooruit, dan heb je méér plaats om te passeren", maar die vent wou blijkbaar niet luisteren, want voordat ik mijn machine in beweging had gezet, reed hij me al voorbij: zijn twee linkerwielen op de betonstrook, zijn rechterwielen op het gras. Toen hij het betonvak wou oprijden, bleef zijn rolstoel steken. De man sloeg in paniek - voor zoiets idioots! - en riep om hulp. De zoon van de 'bazin' snelde meteen toe en duwde de oude in zijn kar het beton op.

Maar daar hield het niet bij op. De zoon keerde zich met een op onweer staand gezicht tot mij en brulde: "Niet profiteren, hé! Ik zal het zeggen tegen de bazen, hoor!" Ik waande me even in een kleuterschool. Ik wachtte even, verwachtend dat moeder hem tot de orde zou roepen, maar toen dat niet gebeurde, repliceerde ik dat hij zijn manieren en mond moest houden, en dat hij, als het hem niet aanstond, maar thuis moest blijven. Maar dat drong, zo denk ik, niet tot hem door.

Nu heb ik absoluut niks tegen mensen met een beperkt geestelijk vermogen. Ze kunnen er meestal zelf niet aan doen dat ze zo zijn. Maar dat geeft hen mijns inziens niet het recht om andere mensen te ambeteren. En als men weet dat zij zelf geen controle hebben over hun gedrag, dan moet hun begeleider hen maar in toom houden.

Tijdens de rust reed ik naar die man in zijn rolstoel toe en zei hem in het vervolg te wachten tot ik plaats maak, vooraleer me te passeren. De man zei dat hij me toen niet had verstaan. De moeder en de zoon, die naast de man zaten, hielden zich stil. Ik zweeg ook, want ik had geen zin in nog méér commotie. De meervoudig beperkte jongen kwam na de rust niet meer tussen ons zitten. Die nam plaats op een stoeltje, wel tien meter verder. Die vreesde allicht voor nog méér opschudding.

Ik kwam reeds eerder in aanvaring met het volk dat doorgaans de invaliden dug-out bemand. Ze zitten daar de lucht te bezoedelen met hun rookwaar, slaken oerkreten en zijn als de dood voor 'de bazen van boven': de voorzitter en zijn gevolg'. Maar als mijn zoons wat kabaal maken met hun claxons, beginnen ze te zagen. En als mijn rakkers wat staan te springen en meezingen met de leden van de spionkop, dan klagen ze ook dat ze niks zien en zijn ze, onterecht, bang dat de 'bazen van boven' hun ganse groep buiten het hek zal zetten.

Gelukkig gebeuren er ook wel eens leuke dingen als ik me onder de mensen begeef. Zoals op tweede Kerstdag, toen ik met mijn gezin een Kerstfeestje bijwoonde. We hadden ons net geïnstalleerd aan een tafeltje, toen iemand zachtjes op mijn arm tikte. Ik keek op en zag een klein meisje staan. Ze zei glimlachend "Dag mijnheer" en wuifde me toe met het handje dat me even voorheen had aangeraakt. Ik beantwoordde haar groet breed glimlachend. Ze huppelde olijk weg. Mijn echtgenote vroeg me of ze een reden had tot ongerustheid. We barstten samen in lachen uit.

Het is eens iets anders, die aandacht van kleine meisjes. Tot voor kort waren het vooral dames van rijpere leeftijd die me aandacht schonken. En ik nam daar genoegen mee. Maar daar is recentelijk dus verandering in gekomen. Zo kreeg ik eind december Kerstkaartjes van twee klasgenootjes van mijn zoons. Omdat ze weten dat ziek zijn niet leuk is en ze hopen dat ik spoedig weer beter word. IJdele hoop, helaas, maar hun gebaar ontroerde me wel. Kindjes van acht, die oog hebben voor het leed van een medemens. Het stemt me hoopvol voor de toekomst.

Ru(sh)di(e), 24 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)