29-06-12

Herinneringen uit mijn verleden - Hengelaarplezier & sportvisserijvertier

      

Reeds van op heel jonge leeftijd ging ik vissen. Mee met mijn pa, en meestal op paling. Eens ik als tiener, door mijn ouders oud genoeg werd bevonden, trok ik er alleen op uit. Meestal richting provinciaal domein. Een gigantisch terrein met een kasteel, bossen, bloementuinen, een dierenpark, speeltuin en enkele visvijvers. Gelegen op een kilometer of vijf van mijn ouderlijke woonst.

Toentertijd was fietsen binnen het domein niet toegelaten. En omdat de afstand tussen de ingang van het domein en de visputten, toch enkele kilometers bedroeg, had ik voor het transport van mijn spullen een karretje gemaakt. Van het onderstel van een oude kinderwagen, waarop ik een plank had bevestigd.

Het karretje plaatste ik op de bagagedrager achteraan mijn fiets. Mijn door mijn pa, met recuperatiemateriaal gemaakte houten vissersbak, kwam daar nog bovenop te staan. Met snelbinders bevestigde ik dit alles stevig aan mijn fiets. Mijn in een kokervormige stoffen tas gestopte werphengels en oude vissersparaplu, bevestigde ik, met oude lederen riempjes, aan de buis van mijn fiets.

Met al mijn visspullen op de fiets reed ik dan van thuis tot aan de ingang van het domein. En; van daar trok ik vervolgens het karretje met mijn visgerei, middels een stevig touw, tot aan de visvijver.

Het vissen was een vrij sociaal gebeuren. Rond de vijvers trof je vaak dezelfde mensen aan, waaronder ook heel wat jongelui. En bijna uitsluitend jongens en mannen. Eens geïnstalleerd op ons plekje aan het water, gingen we doorgaans bij de reeds eerder aanwezige hengelaars even gaan luisteren of ze al wat hadden gevangen. En zo het antwoord bevestigend was, keken we met graagte naar het door de visser even uit het water getilde leefnet. Om de zich daarin bevindende gevangen vis te aanschouwen. En de betreffende visser te feliciteren met zijn vangst.

Ook als we na een uur of zo turen naar onze dobber, of geduldig wachten op enig geluid van het aan onze werphengels bevestigde alarmbelletje, geen beweging of geluid waarnamen, gingen we elkaar opzoeken. Om onze nood te klagen. En onze benen te strekken. En als er iemand ‘beet’ had, dan kwamen de vissers uit diens buurt rond die gelukzak staan. Om hem bewonderend, en niet zelden met enige jalousie, de buit te zien binnenhalen. Vooral als het grote kanjers betrof, die meestal nogal wat weerwerk boden en moesten worden moe gemaakt, vooraleer te worden opgehaald, gaven nogal wat omstanders gretig hun ongevraagd en meestal ook onnodig en ongewenst advies. Gewoonlijk wel welkom was dan weer de hulp die collega-vissers boden door het reeds in het water houden van het schepnet met behulp waarvan de aan de haak van de vislijn hangende vis op de oever en dus het droge moest worden gebracht.

*****

Op een zekere dag in de vakantie, was ik met een vriend een namiddag gaan vissen in dat provinciaal domein. De buit was mager. Buiten de dikke aal die ik had gevangen. Nogal wat andere, rond de vijver verzamelde vissers, waren jaloers op mijn vangst.

Zo ook de corpulente zoon van de champetter uit een gehucht, grenzend aan de buurt waar ik woonde. Die kerel was een jaar of twee ouder dan mij. Daardoor en tevens door het feit dat we nooit bij elkaar op school hadden gezeten, kende ik de jongen slechts vaag.

Toen mijn maat en ik ons boeltje bij elkaar hadden gepakt en net op het punt stonden om ons via de, naast de vijver lopende, geasfalteerde laan, naar de uitgang van het domein te begeven, kwam die kerel, samen met zijn twee maten, op me af. En vroeg me of hij mijn vangst nog eens mocht zien.

Met enige tegenzin haalde ik de snelbinder van rond mijn op mijn karretje staande vissersbak, opende de klep ervan en haalde er het wit stoffen zakje uit waarin de door mij gevangen aal zat opgesloten. Ik loste de strop waarmee het zakje werd dicht gehouden en liet de inhoud zien: een vette paling van een centimeter of 40 lang, wel minstens 2 centimeter dik en vast minimaal 800 gram zwaar. Die lag te kronkelen in een door hemzelf geproduceerd half transparant wit slijm.

De ogen van de dikke tiener voor me puilden bijna uit hun kassen. Hij wou de aal van me afkopen. En bood er mij maar liefst 500 Belgische Franken voor aan, een goeie 12 Euro. In die tijd, eind de jaren zeventig, was dat, voor een jongere, een ferm bedrag.

Toch was mijn vangst verkopen geen optie. Die nam ik mee naar huis. Om aan mijn huisgenoten te tonen, te doden, te stropen, te kuisen en later zelf op te eten. En ik dacht er nog niet aan om dat ritueel te verbreken voor wat geld.

Die dikzak snapte dat evenwel niet. Hij bekende me dat hij thuis bij voorbaat had opgeschept over zijn visserstalent en de vangt die hij naar huis zou meebrengen. En nu dreigde hij gezichtsverlies te lijden door met kompleet lege handen weer te keren. Dus wou hij hoe dan ook mijn aal. En kwam dreigend en boos kijkend op me af toen ik het zakje weer dicht bond, wegstopte en mijn vissersbak weer aan mijn karretje vastmaakte.

Nu was ik in die tijd zelf geen hummel en best potig, maar toch vermeed ik liefst een fysieke confrontatie met die gast van minstens een kop groter dan mij en met een lichaamsvolume van wel drie keer het mijne. Dus wenkte ik mijn maat en zette het samen met hem op een lopen. Mijn karretje achter me aantrekkend.

De zoon van de champetter bleef eerst enkele seconden verbouwereerd ter plaatse staan, maar gaf toen met de palm van zijn dikke vette pollen zijn beide maten een flinke duw in de rug en zette zich samen met hen in beweging. Me onderwijl dingen toeroepend die ik niet kon verstaan. Want wij waren inmiddels al op geruime afstand van elkaar verwijderd. Met zijn logge lijf, nog verzwaard door de ballast van zijn visgerei, kon die gast trouwens mijn tempo absoluut niet aanhouden. Toen hij en zijn vrienden de uitgang van het domein bereikten, zaten mijn vriend en ik reeds op onze met het visgerei geladen fietsen en reden we gezwind weg van de fietsstelplaats. Die vetzak zonder visvangst het nakijken gevend.

Thuisgekomen toonde ik vol van trots mijn vangst aan mijn moeder. Die blij was met mijn succes. En verzekerde me dat ook mijn pa, bij thuiskomst van zijn werk, verheugd zou zijn over mijn vangst van zulk een ferme paling.

Over het conflict met de zoon van de champetter zweeg ik wijselijk. Het had geen zin om mijn ma nodeloos bezorgd te maken. Bovendien wou ik ten alle prijze vermijden dat ze me niet langer zou toelaten om alleen of met vrienden te gaan vissen.

Als steeds maakte ik zelf mijn vangst gereed om klaar te maken voor consumptie. Daar was ik goed in. Ook de buurjongens kwamen, als ze bij het vissen iets hadden gevangen, bij mij langs om hun vis te laten doden en kuisen. Dat deed ik buiten, of bij slecht weer, in onze garage.

Net onder de kop van mijn nog levende paling maakte ik met een scherp mes een snede. Waarna ik, terwijl ik met een vod de kop vasthield, met een oude platte bektang, de huid van de aal vastkneep en van diens lijf stroopte. Vervolgens sneed ik zijn buik open in de lengterichting. En haalde alle ingewanden uit het lijf door mijn duim van aan de kop tot aan de staart door het lijf te bewegen. Dan sneed ik de kop eraf en spoelde en wreef de overgebleven resten proper in een emmer met proper putwater. Dat ik middels onze oude waterpomp aan de oppervlakte had gebracht. Met keukenpapier depte ik daarna het vlees proper. En bracht het dan naar mijn ma. Die het in een zakje stopte en in de diepvries deponeerde. Om er later, samen met andere door mijn pa en mij gevangen palingen, een heerlijke maaltijd mee te bereiden.

*****

Door dat vaak uit vissen gaan naar dezelfde waterput, leerde ik er dus snel jongens kennen die daar dezelfde hobby uitoefenden. Het waren doorgaans kerels van ongeveer mijn leeftijd of enkele jaren ouder. Soms zat ieder gewoon op zijn eigen plekje en brachten we elkaar zo nu en dan een bezoekje. Om te zien wat de andere al had gevangen, maar vaak ook gewoon om een praatje te slaan en zo de tijd te doden.

Soms troepten we ook samen en zaten we allemaal naast elkaar met onze vislijnen. Door ons gestoei en gebabbel werden de vissen vast afgeschrikt, want veel werd er op die momenten doorgaans niet gevangen. Ook niet die keer dat ik als twaalfjarige met de enkele jaren oudere, aan de visput ontmoette Wouter en nog een tweetal andere gelegenheidsvrienden, aan het vissen was. Het was warm weer en we hadden dan wel nog niet eens beet gehad, de leute was er niet minder om.

Op een gegeven moment kwam er op het wandelpad, gelegen op een tiental meter van, en iets hoger dan, de visvijver, een knap blond grietje aangetrippeld. Uiteraard was Wouter de eerste uit ons groepje die het meisje had opgemerkt. De praatgrage kerel zat immers meer rondom zich te kijken dan naar de dobber van zijn vislijn. Hij maakte ons, de andere drie, met opgewonden stem, attent op die mooie verschijning. En het korte rokje dat ze droeg onder het al even weinig verhullende topje van het, voor haar vermoedelijk zowat vijftien jarige leeftijd, reeds fraai gevormde lichaam.

Wouter floot luid tussen zijn tanden. De frêle schoonheid stopte en keek ons glimlachend aan. Waarop Wouter haar uitdagend vroeg of dat rokje niet nog wat hoger kon. “Oh, jawel hoor!” zei het meisje lachend, “Ik draag er toch nog een broekje onder!” Waarop het lekker ding haar minirokje optilde en wij een nauw om haar lijf spannend bleekroos onderbroekje te zien kregen.

Wouter sprong van opwinding bijna uit zijn eigen broek. Zenuwachtig, met blozende kaken en trillende stem vroeg hij aan het meisje waar ze heen ging. De speeltuin, zo liet ze weten. En toen ze met haar lieflijke stem positief antwoordde op zijn vraag of hij mee mocht gaan met haar, was Wouter niet meer te houden. Verbaast keken we toe hoe de jongen vliegensvlug al zijn visgerij bij elkaar scharrelde, ons nog snel ten afscheid groette en vervolgens naar dat meisje toe holde.

Wij, achterblijvers, keken die twee nog even na. Wouter met zijn zware visbak middels een riem op de rug dragend, in één hand de lange smalle zak met zijn vislijnen en met de andere hand wild gebaren makend. Terwijl het naast hem stappende meisje hem, onder het verleidelijk bij elkaar nemen van haar lange sluike haar, glimlachend aankeek. Waarschijnlijk was onze maat die knappe deerne een verzonnen verhaal aan het vertellen over eerdere wonderbaarlijke visvangsten.

Wouter zagen we die dag niet meer terug. Maar een dag later was hij wel terug van de partij. En bracht de jonge kerel, onder het vissen, in geuren en kleuren verslag uit van de formidabele namiddag die hij had beleefd met die mooie, vrouwelijke leeftijdgenote.

Ru(sh)di(e), 23 oktober 2011 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 januari 2012.

01-03-10

De avonturen van Rudi & co - Alles kan eens mens gelukkig maken

 

Ons huis staat op enige afstand van de straat. Een meter of 10, schat ik. En de voordeur ligt ook wat hoger dan de driewegsbaan waar we op uitkijken, en die in beide rijrichtingen is voorzien van fietsstroken,

Als gevolg van het goede, warme weer stonden tijdens de afgelopen werkweek, de deuren wagenwijd open. Zowel de binnendeur tussen de living en de inkomhal, als deze om naar buiten te gaan. Excuseer, 'rijden' in mijn geval. 

Na met voldoening een werkje op de computer te hebben voltooid, wou ik nog even van de laatavondzon genieten op het terras aan de voorzijde van onze woning.

Vrolijk fluitend reed ik, vanuit de living, via de inkomhal door de openstaande deur naar buiten. Mijn ogen gericht op het klein afhellend vlak, dat daar ligt om het hoogteverschil tussen binnen en buiten te overbruggen.

Toen ik die 'stap' naar wens had beëindigd, dus zonder het ongewenste met mijn zitvlak naar voor schuiven op mijn zitkussen, richtte ik mijn hoofd op en keek recht in het lieflijk glimlachende gezicht van een jong meisje, dat al fietsend mijn woonst passeerde.

Haar (her)kennen deed ik niet, want zo goed als zeker heb ik dat mooie blondje nooit eerder ontmoet. Maar waarschijnlijk heeft ze gedacht dat het naar haar was dat ik floot. En had ik het geluk dat de deerne niet misprijzend reageerde, maar integendeel uiterst sympathiek!

Geloof me vrij dat ik, niet veel gewend, nog de ganse avond heb nagenoten van de toffe reactie van die jongedame.

Gisteren gebeurde er iets anders. Op dezelfde locatie. In de vooravond zat ik vooraan het huis mijn sandwiches op te eten. Gepositioneerd op een plekje waar nog een streepje zon was. De voorgevel staat daar ongeveer anderhalve meter meer naar voor, dan de van de rondom van een brede houten raamkozijn voorziene inkomdeur. De wind was even gaan liggen, dus was het een aangenaam vertoeven aldaar.

Nog maar net had ik mijn avondmaal verorberd, toen er ineens een hevige windstoot kwam. Vlug greep ik naar de handdoek op mijn bovenlichaam en de doek van fleece die op mijn benen lag. Teneinde deze niet geheel te laten (op)pikken door de wind. Die was er gelukkig enkel vandoor met het, nu lege zakje, waar even ervoor mijn broodjes hadden in gezeten.

Verdikke, alweer vuilnis op mijn hof, dacht ik. Want iets dat op de grond ligt kan ik immers niet zelf oprapen. Tenzij, zo dacht ik steels, dat zakje om de hoek heen zou zijn geblazen, recht in mijn inkomhal. Alwaar het dan 's avonds allicht door de verpleegkundige van dienst zou worden opgemerkt. En door deze gedienstige man vast zou worden opgeraapt en in de vuilnisbak gegooid.

Maar ik rekende niet op een dergelijk onwaarschijnlijk geluk. Draaide mijn rolstoel en keek om me heen, maar dat transparant plastieken koelkastzakje was nergens te bespeuren. Allicht reeds tussen de struiken of tot bij de buren gewaaid, dacht ik nog. En aangezien ik buiten niks meer had te zoeken of te vreten, reed ik mijn, aan de voordeur liggend hellend vlak op. En wat zag ik daar liggen, mooi aan de kant, halverwege mijn inkomhal? Inderdaad, dat zakje! En blij dat ik was! Alweer een ganse avond goed geluimd door een fabuleus boffen.

Met deze twee ogenschijnlijk oninteressante en onbenullige voorvallen is voor mij nogmaals bewezen dat het de kleine dingen zijn, de simpele gebaren of uitingen, een onverwachte meevaller... die de echte levenskwaliteit, de gemoedsstemming van een mens bepalen. Of geldt dat enkel voor mij? En ben ik een zielig ventje dat al te vlug content is? ;-) Voor mij is ieder vrij om daarover haar of zijn gedacht te hebben en dat vrijuit te melden. Je oprechte, eigen mening uiten, zal bij mij nooit kwetsend overkomen. Het is maar dat je het weet!

Rudi, 19 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 24 februari 2010.

24-02-10

Rudi’s ontboezemingen - Curieuzeneuzen in een Hollandse seksshop

  

Vele jaren geleden, toen ik nog de mening was toegedaan dat ik, OOK IN EEN ROLSTOEL gezeten, alles moest kunnen doen wat valide personen probleemloos gedaan krijgen, en dat ook telkens weer wou aantonen, ben ik tijdens een bezoekje aan vestingstad Hulst, in Zeeuws-Vlaanderen, Nederland, eens in een seksshop binnen gereden... met mijn zware elektrische buitenrolstoel. Het binnen geraken kostte mij wat manoeuvreerwerk, maar lukte wonderwel. Veel kon ik daar in dat sekswinkeltje evenwel niet uitrichten. Eigenlijk helemaal niks. Van de 'vieze' (? ;-) boekjes en films op VHS en Dvd kon ik zelfs amper met veel moeite van mijn blauwe kijkers, een glimp opvangen van de voorflappen met niets aan de verbeelding overlatende foto's en de, voor het doelpubliek wellicht aanlokkelijke titels. Je kent dat wel... of net niet.

Tussen de ruime voorraad speeltjes in een ander deel van de winkel zag ik niks dat ik niet eerder had gezien. Want zelfs zonder er ooit iets uit te bestellen, krijgen wij toch geregeld de pabo met de Post aan huis geleverd. Dus weet ik onderhand wel wat er in die branche op de markt te verkrijgen is. Dit even ter zijde. In dat enigszins gore sekswinkeltje, met nochtans ook een vrij uitgebreid assortiment aan erotische hulpmiddelen, accessoires, opblaaspoppen, lingerie, videofilms, dvd's, pretartikelen en zo meer, was evenwel niks tentoon gesteld dat me kon bekoren om over te gaan tot de aankoop ervan.

Dus keek ik maar eens even goed rond in de zaak, op zoek naar iets dat wel interessant was. Andere in de winkel rond snuisterende lui observeren was onmogelijk wegens een totale afwezigheid van potentieel cliënteel. Er was enkel de van een flinke hangbuik voorziene uitbater van de keet. Die kerel, met stoppelbaard, droeg een groezelige witte T-shirt en een versleten jeans. Zijn met veel gel ingestreken kalende haardos, was achteraan de nek in een staartje gebonden. Op zijn beide armen stonden tatoeages waarvan de kleur totaal was verdwenen. De man zat op een kruk achter zijn toonbank. En keek verveeld naar een klein tv'tje dat met een beugel aan het plafond was bevestigd. Op het kijkkastje was een zwart/witweergave te zien van een film die, naar ik kort daarna ontdekte, in een, voor de toeschouwers hopelijk kleurenversie, op groot beeld te zien was in de aan deze winkel verbonden koppelcinema. Aanlokkelijk was die pornoprent geenszins. Het verwonderde mij dan ook niet toen even later een stel zestigers de deur waarachter het bioscoopzaaltje zich bevond, openden en klaarblijkelijk onvoldaan, want met een sip gezicht, naar buiten stapten.

Misschien waren ze beter naar de, ook al in deze zaak gevestigde peepshow gaan kijken. Alhoewel, de dame die van corvee was om, middels wat uitkleden en allicht ook enige wulpse bewegingen, of althans een poging daartoe, de daarvoor betalende dames en heren op te geilen, zag er, in mijn ogen en naar mijn smaak allesbehalve aantrekkelijk uit. Vanaf mijn zitplaats op de op een prikbord bevestigde foto van de jonge vrouw te zien, althans. Zin om de deerne in het echt te aanschouwen had ik helemaal niet. En bovendien vermoed  ik dat mijn echtgenote, die bij me was, me dat ook niet had toegelaten.

Wegens het gebrek aan animo duurde het dan ook niet lang vooraleer we ons naar de uitgang van dit duistere pand begaven. Met lege handen, maar opgetogen over het feit dat ik binnen was geraakt Tevreden dat ik het toch maar weer eens had gedaan. En toen nog in de naïeve veronderstelling dat mijn bezoek aan zijn winkel, de uitbater hopelijk eens zou doen nadenken over het feit dat ook mensen in een rolstoel potentiële klanten zijn.

Probleemloos, al rollend die winkel verlaten bleek evenwel niet zo evident te zijn. Want er was, allicht als diefstalpreventie, een korte bocht, een smal sas en daarachter ook nog een soort klapdeur. Zonder hulp van derden, in dit geval mijn eega, was ik daar nooit buiten geraakt. Het viel me op dat, terwijl wij daar aan het sukkelen waren, de exploitant niet eens opkeek en alle, buiten in de winkelwandelstraat kuierende passanten, collectief de andere kant opkeken. Daarna heb ik mij dan ook nooit meer in een seksshop gewaagd. Maar gelukkig heb ik het internet en, niet te vergeten, die erotiekcatalogus van pabo, om me van het aanbod in dat marktsegment op de hoogte te houden.

Rudi, 10 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 24 februari 2010.

29-11-09

Rudi's ontboezemingen - Vrouwen

 

Vrouwen. "Ze zijn soms zo moeilijk te begrijpen", hoor je vaak zeggen. Door mannen, vooral. "Dat is omdat die kutwijven van een andere planeet komen dan wij, fijne venten!" zo hoorde ik in mijn prille kindertijd ooit eens zeggen, toen ik mij, onopgemerkt, in het gezelschap bevond van enkele oudere buurjongens. Die reeds op een leeftijd waren aanbeland waarop ze hun eerste echte liefdesavonturen beleefden.

Dat was dus tevens het moment waarop ik te weten kwam dat wij, in tegenstelling tot wat mijn pa me had verteld, niet uit de kolen komen. Waarna ik concludeerde dat het andere verhaal over onze afkomst, dat de ronde deed, dan allicht toch geen verzinsel was, zoals mijn pa nochtans beweerde. Zouden kindjes dan toch door de ooievaar worden afgeleverd? Al naargelang het om een jongen of een meisje gaat, vanaf verschillende hemellichamen, naar de verwachtingsvolle ouders op aarde gebracht? Ferme vogels, als die veronderstelling juist zou zijn. Maar was het inderdaad zo? En hoe zou die bestelling dan in haar werk gaan? Dat vroeg ik mij af, als kleine rakker. Die grote jongens wisten vast het antwoord wel. Maar ik durfde het hen niet te vragen.

Dat het vrouwvolk een moeizaam te bevatten soort is, dat heb ik inmiddels zelf ook wel begrepen. Bij een jongedame, waar ik als rijpe twintiger een innige relatie mee had, liet ik ooit eens een gigantisch boeket rode & witte rozen bezorgen. Ter gelegenheid van haar verjaardag was dat. Maar dat meisje was nog niet content. De bloemen en het ornament er rond vond het wicht ontzettend mooi. Maar de door de koerier bijgeleverde rekening was er voor haar te veel aan.

Ja zeg, kon ik er aan doen dat ik op dat moment op zwart zaad zat omdat al mijn geld er was doorgedraaid door haar voorgangster? Zeggen ze niet: "Het is het gebaar dat telt?' En ik was in elk geval mijn liefste haar geboortedag niet vergeten! Belachelijk was het, dat ze struikelde over die futiliteit van het zelf moeten betalen van die klote bloemen.

Toen ik als adolescent eens met mijn fiets huiswaarts reed, zag ik aan de overkant van de drievaksbaan een fantastisch mooi meisje staan. En daarenboven uiterst sexy gekleed. Naar mijn normen, in elk geval. Een glanzend zwart rokje dat tot midden haar bovenbenen reikte, zwarte kniekousen, bordeaux laarsjes en een blazer in dezelfde kleur. Een zwart tasje hing op heuphoogte, op die plaats gehouden door een dunne schouderriem. De kastanjebruine steile haardos lag gedrapeerd over de schone deerne haar hals en schouders.

Potverdikke! Mijn hormonen noopten mij tot actie! Dus reed ik verder tot aan het eerstvolgende kruispunt. Alwaar ik, bij groen licht, in plaats van rechts af te slaan, richting ouderlijk huis, links de baan overstak. En rustig terug fietste in de richting van de plaats waar die wachtende schoonheid stond.

Eens ter hoogte van haar standplaats gearriveerd, hield ik halt. Richtte mij op van mijn fietsstuur en lachte het meisje, dat bij mijn aankomst een pas had achteruit gezet, liefdevol toe. Ze keek me met haar bruine ogen verbaast en vragend aan. Maar niet geschokt of verschrikt. Dat viel dus al mee. Mijn God, van dichtbij was deze griet nog veel mooier dan van veraf! Een prachtig gevormd gezichtje met een lichtbruine gelaatskleur. Geen make-up. Niet nodig! Maar ze had wel een vleugje parfum op haar welgevormde lichaam gespoten. Daardoor rook het schatje uiterst zwoel. Zelfs van op die anderhalve meter afstand die ons beiden van elkaar scheidde.

Met mijn meest vriendelijke en verleidelijke stem zei ik: "Hopelijk heb ik je niet te lang laten wachten?" Het meisje keek me niet begrijpend aan. En opende haar mond. Maar vooraleer ze iets kon zeggen, vervolgde ik: "Ik ben jouw droomprins op het witte paard. Nu ja, een stalen ros, en in een rode kleur, maar in elk geval de man die is voorbestemd om met jou het leven te delen!"

Oef! Dat was er allemaal vlot, en zonder al te veel nadenken, uitgekomen! Verwachtingsvol keek ik het meisje aan. Dat stond daar met haar lieve snoet in mijn richting te kijken, met haar mondje vol perfecte parelwitte tanden!

Een antwoord heb ik niet gekregen. En deze ontmoeting is helaas op niks uitgedraaid. Want toen dat meisje haar, naar ik vermoed echte prins, opdaagde, een nogal potige kerel met een hoekig gezicht, zich verplaatsend in een grijze Jeep, maakte ik mij snel met mijn fiets uit de voeten!

Ru(sh)di(e), 17 april 2009 (publicatie op 30 mei 2009 op de blog 'Rudi's kijk op de wereld') - revisie & aanvulling op 29 november 2009.

30-03-09

Herinneringen uit mijn verleden - Trouwe viervoeter

 

Jarenlang ging ik vrijwel nergens heen zonder mijn hond, een Schotse Collie. Da's een langharige, middelgrote herdershond, zoals Lassie, bekend van de films en televisieseries waarin deze hond de hoofdrol speelde.

Inmiddels is mijn lieve huisdier reeds bijna drie jaar overleden, maar ik denk nog heel vaak aan haar. Gezien ik de warmte en liefde die zij me gaf nu moet ontberen en de schier eindeloze reeks aangename herinneringen die ik heb aan mijn leven met haar. Enkele bijzondere daaruit wil ik hier graag met jullie delen.

Tijdens haar eerste levensjaren ging ik nagenoeg dagelijks met haar wandelen in het veld achter de woning van mijn ouders, waar ik toen nog woonde. Haar halsband was verbonden met een oprolbaar snoer, dat haar een ruime bewegingsvrijheid gaf, zonder dat ik de controle over het dier verloor, want het uiteinde hield ik stevig vast in mijn hand. Tijdens één van onze tochten dienden we over een gracht te geraken. Deze was niet erg breed, en ook niet heel diep, maar er stond wel wat vies water in. Hoe zeer ik mijn Collie ook aanzette daartoe, het dier wou niet springen. Dus besloot ik eerst zelf te springen en dan, vanaf de overkant, door aan de leiband te trekken en haar met mijn stem aan te moedigen, het dier er toe te bewegen om hetzelfde te doen.

Ik nam een aanloop, zette mijn voeten af aan de rand van de waterweg en sprong. Op het moment dat ik zowat halverwege die gracht hing kwam er ineens met een plof iets op mijn rug en schouders terecht. Het was mijn hond. Ze had alsnog besloten te springen... bovenop mij! Gevolg: ik lag daar met mijn klieken en mijn klakken in de sloot, en kwam met water in de schoenen en een bevuilde, natte broek aan de overkant, terwijl mijn hond vrolijk kwispelend en met droge poten op de oever rondhuppelde.

Skipper maakte trouwens haar pootjes niet graag nat of vuil en kon echt afkeurend kijken en haar neus optrekken als ze buiten moest voor haar natuurlijke behoeften, of om te wandelen, terwijl de tuin er nat en modderig bijlag.

Gedurende enkele jaren ben ik met haar als enige gezel, op reis gegaan. Steevast kreeg ik toen in de hotels waarin ik verbleef de lelijkste kamers toegewezen. Men ging er blijkbaar van uit dat wij de ruimte zouden bevuilen, terwijl ik de kamer steeds netjes hield en mijn dier haar pootjes steeds reinigde bij het betreden van het logementhuis. Daarom huurde ik meestal een studio, tenzij ik slechts voor enkele dagen ter plaatse bleef.

Alleen blijven in de kamer deed mijn hond niet graag. Dan begon ze veelal te janken of te blaffen. In een hotel aan de Moezel in Duitsland had ik haar toch eens alleen gelaten terwijl ik iets ging regelen aan de receptie op het gelijkvloers. Toen ik daarna de lift wou nemen naar de verdieping waar ik verbleef, kwam mijn hond kwispelstaartend uit de ascenseur gestapt. Hoe het dier daar was in geraakt zal wel eeuwig een raadsel blijven. Mijn kamerdeur, die ik niet op slot had gedaan, stond wagenwijd open. Die had Skipper wellicht geopend door met haar poten op de klink te springen en daarna met een duw van haar snoet volledig open te stellen. Daar was ze een kei in.

In winkels nam ik mijn hond nooit mee naar binnen. Ik bond haar leiband aan mijn rugzak en gebood haar dan aan de ingang te blijven zitten of te liggen en op mij te wachten. En dat deed ze ook.

Ergens in, als ik me niet vergis, Oostenrijk, waren we aan het wandelen over een pad, dat naast een bergweide liep, waarop koeien stonden te grazen. Skipper liep los en kwam, één of ander spoor volgend, nogal dicht tegen de schrikdraad. Ik gebood haar bij me te komen, maar de geur van waarschijnlijk een haas of konijn was blijkbaar te aantrekkelijk om onmiddellijk op mijn bevel te reageren. En ja: plots weerklonk een luid kajiet, waarna ik het arme dier met een bliksemvaart aan me voorbij zag hollen. Ik lachte luid. Dat kwam er van als ze niet naar haar baasje luisterde!

Tien minuten later dienden we, als ik de op mijn stafkaart aangeduide weg wou blijven volgen, een omheind weiveld te doorkruisen. Ik zwaaide mijn ene been de lucht in en gebruikte mijn linkerhand om de draad naar beneden te duwen, teneinde het over de omheining stappen te vergemakkelijken. "Auw!" Ik sprong op één been in één keer wel twee meter achteruit en viel op mijn bibs. Zat daar potverdorie ook stroom op die draad!

Terwijl ik langzaam opstond en enigszins aan het bekomen was van de schok, kwam Skipper kwispelstaartend aangelopen. Was het inbeelding, want een dier kan dat toch niet?  Of zag ik daar toch wel een spottende blik verschijnen op dat beest haar aangezicht?

In noord Frankrijk heb ik eens een agent achter me aan gehad, toen we met de hond ergens wandelden waar het niet was toegelaten. Mijn vriendin en ik slenterden langsheen de waterlijn aan de Noordzeekust. Skipper liep los voor ons uit. Op een zeker ogenblik kwam daar een jonge agent in korte broek en met een lachwekkende kepie op zijn hoofd op ons afgelopen. Hij zei "Bonjour", wees naar mijn hond en deed een ganse uitleg. Ik verstond die, zoals even later zou blijken, totaal verkeerd. Waarschijnlijk was die agent een uitgeweken Waal of anders was het dan toch ik die niet zo goed Frans verstond als ik op dat moment dacht te verstaan. Of mogelijks een combinatie van beide.

Want ik ging er van uit dat hij zei dat ik mijn hond aan de leiband moest houden. Dus zei ik: "Oui, oui, d'accord, monsieur le gendarme", nam de leiband uit mijn jaszak en bevestigde die gehurkt aan mijn dier haar halsband. Die agent was inmiddels terug op weg naar zijn controlepost. Hand in hand met mijn geliefde, en daar tussenin de hond, vervolgden we onze weg.

Even later weerklonk het scherpe geluid van een fluitje. Skipper haar oren gingen rechtop staan en wij keerden ons hoofd in de richting van waar het geluid vandaan kwam. Het was die politieagent alweer. Hij kwam, met een rood aangelopen gezicht en ontzettend boos kijkend, in onze richting gehold. Mijn verbaasde blik kalmeerde hem echter terstond en hij bleek echt te geloven dat ik niet van kwade wil was en nu pas begreep dat wandelen met een hond aldaar helemaal niet was toegelaten. We keerden ons dus maar om en stapten terug in de richting van waar we vandaan kwamen. We hadden in ieder geval intussen een mooie wandeling gemaakt!

Zo een dier maakt sociaal contact trouwens ook een stuk eenvoudiger. Kinderen kwamen Skipper vaak strelen en ook veel volwassenen werden aangetrokken door het prachtige dier. Dikwijls begonnen ze dan te praten over hun eigen huisdier of over dieren in het algemeen, waarna vervolgens veelal op een ander onderwerp werd overgeschakeld.

Met enige schroom beken ik bij deze ook, toen ik nog vrijgezel was, meermaals het lieve dier misbruikt te hebben om mijn kansen bij de andere sekse te peilen. Als ik ergens een mooi meisje zag lopen, waarmee ik contact wou, dan floot ik eens kort ("Fwiet"), om haar aandacht te trekken. Draaide ze glimlachend, verlegen of neutraal kijkend haar hoofdje opzij, dan toonde ik haar mijn liefste glimlach, zei dag, en heel uitzonderlijk slaagde ik er vervolgens in met de deerne in kwestie een praatje te slaan.

Als de nagefloten schoonheid echter een boze blik in mijn richting stuurde, dan floot ik nogmaals, en riep vervolgens "Skipper!" en iets van "Allé jong, meisje, waar was je nu?" Lafhartig, ik geef het toe, maar liever dat dan een krijsend meisje met een zwaaiende handtas achter me aan.

Ru(sh)di(e), 16 januari 2003 (revisie op 23 maart 2009)