06-01-11

De avonturen van Rudi & Co - Koude douche

   

Niet voor niks gaf ik mezelf op netlog de naam ‘SuperSchlemiel’ (pechvogel) toen mijn zonen me bijna tweeënhalf jaar geleden aanmoedigden om net als hen een account te openen op deze, vooral bij de jeugd populaire sociale netwerksite. Mijn zonen waarvan er, uitsluitend ten gevolge van een gebrek aan voldoende inzet en studie-ijver één slechts zeer nipt zijn schooljaar met vrucht kon afsluiten en de andere jongen met een compleet teleurstellend resultaat naar huis kwam. Waar hij trouwens zelf van is geschrokken. Hij zit nu hoog in de Zwitserse bergen, op vakantie met de ziekenbond. Hopelijk komt mijn kind morgen voldaan terug en vol goede moed om samen met zijn ouders te beslissen hoe en waar hij het volgende schooljaar gaat aanvatten.

Ongeveer anderhalve maand geleden had ik een verkoudheid. Die begon met een lopende neus, wat geen problemen opleverde. Maar later werd het vocht dat, bij het snuiten, uit mijn neus kwam, alsmaar minder liquide en veranderde in kleur van doorzichtig en wit naar geel. Wat leidde tot benarde momenten en een terechte vrees dat de slijmen taai en plakkerig zouden worden en mijn luchtwegen zouden blokkeren of dat er zich op de slijmen een virus of bacterie zou nestelen met levensbedreigende ademhalingsproblemen tot gevolg. Dat is mij immers reeds eerder overkomen.

Gelukkig bleef deze miserie me bespaard. Naar ik vermoed deels door mijn fel verbeterde fysieke conditie, waardoor mijn lichaam terug weerbaarder is geworden ten overstaan van ziektes en ik bovendien beter in staat ben geweest om de slijmen los te hoesten. Ophoesten was er nog niet bij, maar verplaatsen van luchtpijp naar slokdarm lukte wel.

Mijn ziek zijn sleepte wel een aantal weken aan, maar ik kon vrij normaal functioneren, dus die lange nasleep was niet echt belastend. Mentaal noch fysiek. De gedachte dat mijn sinds eind 2009 gestarte aangepaste leefgewoontes, met (veel) meer bewegen, gezonder en (veel) minder eten en dagelijkse ademhalingsoefeningen, me er vast ten dele voor hadden behoed zwaar ziek te worden, leverde een serieuze motivatie op om er mee door te gaan.

Op het einde van mijn ziekteperiode werd ik op zekere nacht wakker met een schok. Door de loeiharde echo van mijn ademhaling in mijn linkeroor, gepaard gaande met een enorm geruis. Nu is het zo dat mijn lichaam en ik op dat vlak wel wat gewoon zijn, want ik leid reeds sinds een kwarteeuw aan tinnitus. Maar de orkaan welke die nacht blijkbaar door mijn linker gehoororgaan raasde, daar schrokken we toch van op.

Toen tijdens de dagen die daarop volgden dat probleem zich continue bleef voortdoen, contacteerde ik mijn huisarts. Die kwam langs, keek met zijn otoscoop in mijn linker gehoorgang, zag daar wat opgepropt oorsmeer zitten en concludeerde dat dit de oorzaak was van mijn probleem. Wat ik maar al te graag aannam. Alhoewel ik toch mijn twijfels had bij deze diagnose. Maar ik volgde toch zijn advies op om de neus-, keel- en oorarts te contacteren om die oorprop weg te nemen.

Nu is het zo dat ik, met mijn grote elektrische rolstoel, niet in die specialist zijn praktijk binnen geraak. Het ongelukkig toeval wou dat, toen ik de arts contacteerde, die net de volgende dag aan een weekje vakantie begon, zodat het minstens een week zou duren vooraleer ik eventueel in het ziekenhuis bij hem op consultatie kon komen. Dus wachtte ik noodgedwongen af. En doorspartelde de dagen, voortdurend vermoeid door het continue geruis en de nagalm van mijn eigen ademhaling en gepraat.

De week erna lukte het me niet meteen om de orl- arts aan de lijn te krijgen. Tijdens het weekend dat daarop volgde bezorgde het lawaai in mijn linkeroor me bijzonder veel last. ’s Maandags contacteerde ik meteen een huisarts van wie ik vermoedde dat die mij misschien zelf verder zou kunnen helpen. De man raadde mij aan om bij de apotheker een product te halen om in mijn oor te druppelen, zodat de oorprop zou losweken, waarna hij deze dan bij mij thuis zou komen verwijderen.

De zaterdag na mijn telefonisch onderhoud met de arts, stond die ’s ochtends aan mijn voordeur. Hij vulde een spuit met kraantjeswater en spoot die leeg in mijn oor, terwijl mijn assistente, die even als doktersassistente mocht fungeren, een eetbord onder mijn oorschelp hield voor het opvangen van het terugkerende water en twee harde blokjes oorsmeer.

Het verhoopte resultaat bleef evenwel uit. Het ruisen was niet gestopt en toen ik sprak bleek ook die echo er nog steeds te zijn. De arts keek nog eens met zijn otoscoop in mijn oor, maar kon niks verdachts waarnemen. Geen obstructie te zien; mijn gehoorgang was vrij tot aan het trommelvlies. De arts achtte een mogelijke oorzaak van mijn problemen een druk te zijn van slijmen op de buis van Eustachius, de verbinding tussen het middenoor en de keel. In een poging om mij vooruit te helpen schreef de dokter een receptje voor dat de apotheker diende te bereiden en mij in pilvorm aanleveren, alsook een spray om dagelijks in mijn neus te vernevelen.

Na anderhalve week vruchteloos spuiten en pillen slikken nam ik telefonisch contact op met de voorschrijvende arts. Om hem het voor mij trieste nieuws te melden dat de door hem voorgestelde therapie helaas geen soelaas had gebracht. De arts vond dat jammer en kwam met het voorspelbaar verdict dat hij me niet verder kon helpen en diende door te verwijzen naar de NKO- arts.

Die ik dan maar terstond telefonisch contacteerde. En ik had geluk deze keer, want ik kreeg de man meteen aan de lijn en kon reeds de volgende dag bij hem terecht, op de spoedafdeling van het ziekenhuis. Waar ik me stipt op het afgesproken tijdstip aanmeldde. Waarop de arts meteen zijn otoscoop ter hand nam en na mijn hoorapparaatjes te hebben verwijderd, de gehoorgangen onderzocht en luidop vaststelde dat deze volledig rein en vrij waren.

Maar waar kwam dat geruis en die echo dan vandaan? De arts bekeek me even aandachtig en vroeg toen of ik toevallig op korte termijn veel gewicht had verloren. Waar ik, naar waarheid, bevestigend op antwoordde. Waarop de specialist me meedeelde dat de oorzaak voor mijn problemen allicht daar te vinden was. Hij meldde me dat er zich rond de buis van Eustachius gewoonlijk vetweefsel bevind, dat er voor zorgt dat de wanden van deze slappe buis tegen elkaar aan liggen. Enkel bij slikken of geeuwen gaat de buis even open. Volgens de arts is bij mij dat vet allemaal weggeslonken. Een fenomeen dat zich wel vaker voordoet bij mensen die op korte tijd veel kilo’s (vetweefsel) verliezen. Het gevolg hiervan is dat de buis van Eustachius continue open staat, met alle problematiek van dien, zoals ik ‘mag’ ervaren.

Een adequate therapie om het probleem te verhelpen zou er niet zijn. Volgens de dokter zou terug een kilo of twee bijwinnen aan gewicht mogelijks soelaas kunnen brengen. Voorts wordt er geëxperimenteerd met Chinese kruiden, maar dat leidt nogal vaak tot bijwerkingen. Dus zie ik dat NIET meteen als een optie.

De diagnose stelde me enerzijds gerust, omdat kiezen voor een complexe chirurgische ingreep geen optie is, maar anderzijds betekent dit voor mij de zoveelste extra fysische en mentale last. En een zware bijkomende beperking van mijn levenskwaliteit. Als een koude douche krijgen op een kille winterdag was het te moeten concluderen dat mijn gezonder leven zulk een onaangename nevenconsequentie met zich meebracht. Gestraft worden ten gevolge van iets waarmee ik dacht goed bezig te zijn.

Tenminste als de therapie van opnieuw wat gewicht bijwinnen niet leidt tot een oplossing voor het probleem. Want ik ga in elk geval de komende tijd elke dag een vieruurtje eten om zo, zonder voor het overige mijn eetpatroon te hoeven wijzigen, terug een kilo of twee aan lichaamsvet aan te kweken. Waarvan zich dan hopelijk een klein beetje nestelt rond de buis van Eucharius van mijn linkeroor.

Dit probleem komt werkelijk zeer ongelegen, want ik heb al een heleboel zorgen waar ik het hoofd aan moet bieden en alweer een aantal acute problemen waar dringend een oplossing voor moet worden gevonden. De zomerperiode is voor mij dus wederom slecht gestart. Dezer dagen ben ik elke avond blij als het tijd is om mijn bed in te gaan, mijn veilige haven. Maar oh bittere ironie. Dit toevluchtsoord laat het ook al afweten, want mijn amper een jaar oud elektrisch bediend hoog-laag comfortbed is stuk!

Al die tegenslag valt me zwaar, maar ik durf er nog steeds op te hopen dat het tij wel eens zal keren. Statistisch gezien maak ik trouwens behoorlijk veel kans op voorspoedige jaren. Laat me hopen dat die statistieken nu eens uitkomen. Wat best kan, want zie, een eerste lichtpuntje werd zichtbaar toen ik daarnet voorbij het enige restaurant in onze buurt reed en vaststelde dat de uitbaters van die Chinese eettempel, aan hun toegangsdeur een hellend vlak hebben aangelegd. Wat ook mij in staat stelt er binnen te geraken. Dus plan ik er eerstdaags eens met mijn gezin te gaan eten. Wie weet kom ik er, mijn maag volgepropt met op de wok bereide etenswaar, wel buiten met wat kilo’s meer, veel minder ruis in de oren en ZONDER echo!

Ru(sh)di(e), 9 juli 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

30-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 5

 

Een dag later, op dinsdag, de 30ste dag van kalendermaand januari 2007, werd ik, iets na 17u00, met infuus, zuurstoffles, kunstlong, beademing en al de rest dat er bij hoort, op een brancard gelegd, het ziekenhuis uit en een klaar staande ziekenwagen in gerold. En weg waren we, richting provinciehoofdstad. Waar we een kleine drie kwartuur later ter bestemming arriveerden: het algemeen ziekenhuis met de naam van een heilige, die tot voor die benoeming, actief was als evangelist. Waren de vooruitzichten rooskleuriger geweest, dan had ik me vast gevoeld als een medewerker van één of andere consumentenorganisatie, die een vergelijkend onderzoek doet naar de kwaliteit van de Vlaamse ziekenhuizen.

Veel kon ik niet zien van op die van wieltjes voorziene draagbaar, waar ik, door middel van riemen, veilig lag op vast gebonden. Maar ik merkte het wel toen we arriveerden op de plaats waar ik werd verwacht: de afdeling 'intensieve zorgen'. Ook hier allemaal cellen. Maar iets rustgevender dan die waar ik eerder in verbleef. Wat ik zag waren allemaal kleine glazen kamertjes met een, ook al glazen deur in het midden. En een achterwand vol apparatuur.

In één van die hokjes werd ik binnen gerold, en naar het aldaar aanwezige bed getransfereerd. In de hoek rechts van mij stond een computerscherm waarop ik, zoals ik later merkte, een aantal data van de aan mijn lijf gekoppelde toestellen kon aflezen. En rechts bovenaan ontwaarde ik zowaar een groot digitaal televisietoestel. Dat zou vast nog van pas komen om de te verwachten sleur van de komende dagen te breken.

Op een wandklok kon ik aflezen dat het intussen even na 18u00 was geworden. De ontvangst op deze dienst was vrij hartelijk. Of het inbeelding was of niet, dat weet ik, niet, maar het voelde er aan alsof er, in de mate dat dit kan op zulk een afdeling, toch een goede sfeer heerste. Middels mijn letters annex cijferkaart probeerde ik met het personeel te communiceren. Sommigen voelden zich daar onwennig bij, maar deden toch hun best om me te verstaan. Anderen hadden niet het geduld om er aan mee te werken. Gelukkig behoorde die laatste groep tot de minderheid.

De volgende dag kwam één van de longartsen naar me toe. Een vriendelijke, zich eenvoudig gedragende man. Hij stelde zichzelf voor en zei dat hij begreep dat ik van die longmachine af wou en terug wou proberen zelfstandig te ademen vooraleer andere opties in overweging te nemen. Ik knikte van ja.

De arts zij dat er haast bij was! Want hoe langer men wachtte met me opnieuw zelfstandig te laten ademen, hoe kleiner mijn kans op slagen werd. De arts vroeg me op een gemoedelijke toon: "Gaan we het proberen?" Uiteraard knikte ik enthousiast van ja. De man legde me de procedure uit. Hij zou, geassisteerd door een verpleegkundige, eerst nog een bronchoscopie uitvoeren om zoveel mogelijk fluimen uit mijn luchtwegen te verwijderen. Vervolgens zou hij de tubes uit mijn keel halen, waarna men mij maximaal ging beademen met een mond/neusmasker. De eerste 24 uur zouden cruciaal zijn. Het was afwachten of mijn longen in staat zouden zijn om hun taak weer op zich te nemen.

De die dag voor mij verantwoordelijke verpleegster positioneerde me, met de hulp van een stagiaire, zo rechtop mogelijk in bed. Nadat, met een mobiel apparaat, de bronchoscopie was uitgevoerd, begon de dokter met het losmaken van de banden waarmee de tubes in mijn ademhalingskanaal, aan mijn hoofd waren vastgemaakt. De verpleegster hield reeds een masker op mijn neus. De zuurstofstroom voelde hard en koel aan. Bij de volgende handeling van de arts werd een ganse buisconstructie uit mijn mond en keel gehaald en kreeg ik het zuurstofmasker op de mond gedrukt. Met maximale luchttoevoer. En ik begon weer zelf te ademen! Nogal gejaagd, ondanks het feit dat ik innerlijk erg rustig was. Mijn lichaam zou zich moeten aanpassen aan de vernieuwde situatie en een aangepast, rustig ademritme moeten zoeken en hopelijk vinden. Zelf had ik daar weinig invloed op.  Mijn zoveelste strijd was begonnen.

Toen ik een tijdje alleen werd gelaten, trok ik mijn zuurstofmasker enkele centimeters weg van mijn gezicht en probeerde mijn stem uit. Dat lukte. Ik kon weer spreken! Met een rauwe stem weliswaar, maar daar had de longarts me voor verwittigd. En dat zou tijdelijk zijn. Dus baarde mij dit helemaal geen zorgen.

Een tijdje later stond de verpleegster alweer aan mijn bed. Met de bedoeling me een aerosolbehandeling te geven. Mijn bezwaren, gezien mijn negatieve ervaringen ermee in de stadskliniek van mijn woonplaats, werden echter weggewuifd. Op voorschrift van de dokter had ik dit nodig, zo zei ze kordaat, en dus moest en zou ik de kuur krijgen toegediend. Einde discussie!

En ik had er helaas opnieuw dezelfde slechte ervaring mee. Of eerder nog slechter! Wellicht omdat mijn lichaam nog zwaarder verzwakt was geworden. De tweede aerosolbeurt, een uur of vier later, liet ik nog toe, maar toen was het voor mij genoeg geweest. De dokter, waar men na mijn weigering heen holde, deed helemaal niet moeilijk en liet me overschakelen op een andere therapie. Die me niet zo een fysieke last bezorgde.

De eerste avond, nacht en volgende dag waren afschuwelijk. En afmattend! Zelfstandig ademen, zelfs met behulp van die grote hoeveelheid zuivere zuurstof, was geen sinecure. Geconcentreerd moest ik trachtten rustig in en uit te ademen. Op het computerscherm in mijn kamertje kon ik het zuurstofgehalte in mijn bloed volgen. Telkens mijn ademritme even stokte, ging die waarde onrustwekkend naar beneden. Aan slapen kwam ik helemaal niet toe. Eenzaam en alleen lag ik daar te vechten in de hoop deze hel te overleven en in de toekomst alsnog een beetje een menswaardig leven te kunnen leiden. Niet afhankelijk van machines.

Zoals voor mijn opname beloofd, en ook al om de tijd de doden, stuurde ik met mijn mobiele telefoon berichtjes naar mijn thuisverpleegkundigen, kinesist en assistenten. Waarin ik hen op de hoogte bracht van mijn huidige fysieke toestand en de vooruitzichten die er waren. Uitgeput en bang, zoals ik op dat moment was, wond ik er, als naar gewoonte, geen doekjes om en zond ik hen een Sms'je met de melding dat 'mijn toestand uitzichtloos leek en dat ik ten einde raad was'.

Buiten de zorgen over mijn gezondheid was ik ook bevreesd om, na mijn beoogd herstel, bij thuiskomst niet meer in mijn geleidelijk opgebouwde normale routine, met afgesproken tijdstippen van verzorging, therapie en hulp, te kunnen vallen. Omdat bijvoorbeeld mijn vaste momenten inmiddels waren ingenomen door andere personen. Want mijn thuisverzorgers en - assistentes konden toch niet blijven gaten open houden en eindeloos wachten op mijn terugkeer?

Tegen de middag aan deed de dokter zijn ronde. Met in zijn kielzog de hoofdverpleegkundige, de verpleegkundige die me die ochtend had verzorgd, een kinesitherapeut  en nog enkele andere personen. De dokter kwam, samen met zijn gevolg, uiteraard ook bij mij langs. En leek opgetogen over het feit dat ik het eerste etmaal zonder kunstmatige beademing, in medisch opzicht, quasi probleemloos was door gesparteld. Hij gaf orders aan de kinesist om een intensieve therapie op te starten. Vier keer kiné per dag, zo zei de arts. De kinesist knikte braaf instemmend. Maar, zo werd naderhand vlug duidelijk, in de praktijk zou daar weinig van terecht komen. Ik mocht al blij zijn met één behandeling per dag. Wat trouwens bleek te volstaan. Want meer was nogal belastend voor mijn lichaam. Ik was tevreden met een dagelijkse mobilisatie van mijn ledematen en een beetje tapoteren op de borstkast om mijn luchtwegen vrij te houden.

Enkel de eerste paar dagen diende de arts mijn slijmen weg te nemen met zijn mobiel bronchoscopietoestel. Daarna kon ik het nog resterende slijm, waaruit alle slechte beestjes waren verdwenen, ophoesten met, en ook vaak zonder de hulp van de kinesist. De hoeveelheid extra zuurstof werd geleidelijk aan afgebouwd en ik kreeg ze toegediend via een neusmaskertje, wat me meer comfort gaf. Om te spreken bijvoorbeeld. Of om te trachten iets te eten of te drinken.

Toen het artsenteam eens gezamenlijk bijeen tot aan mijn bed kwam en samen met mij mijn toestand besprak, gaf hun nederig gedrag mij een goed gevoel, kwam hun menselijkheid duidelijk naar boven en leek het erop alsof ook zij overtuigd waren van het gegeven dat een patiënt een specialist kan zijn in zijn eigen specifieke problematiek. Verwijzend naar het gemak waarmee ik een bronchoscopie liet uitvoeren zei één van deze specialisten,  al gekscherend: "Binnenkort doet hij alles zelf." Wat ons allen deed glimlachen.

Door de televisie aan te zetten trachtte ik wat kleur en afwisseling te brengen in dat ellendige, eenzame verblijf op "intensieve zorgen'. Maar geen van de programma's kon me ooit boeien. En het nieuws, alsook het weerrapport konden me al helemaal gestolen worden. Steeds weer was het uitkijken naar de bezoekuren. Om 15u en om 19u. Telkens voor maximaal twee personen, ouder van 14 jaar en voor niet langer dan een half uurtje.

Gelukkig kregen we van de hoofdverpleegkundige van de afdeling de toestemming om mijn toen tienjarige zoons tijdens het eerste weekend van februari even bij me op bezoek te laten komen. De jongens keken beduusd en onder de indruk rondom zich en achter mij, naar al die toestellen, knopjes, lampjes, slangen, schermen en zo meer. Mij deed het goed hen even te zien. Per slot van rekening waren zij, sinds die noodlottige operatie in mei 2000, mijn enige motivatie om, ondanks dat verlamde, willoze lichaam, toch verder te gaan met mijn leven. Actief participerend in de maatschappij. Of dat althans voortdurend proberend.

Vaak lag ik 's nachts te ijlen en had ik nachtmerries. De fysieke pijn en het psychisch leed door het missen van de kinderen en mijn onzekere toekomst lagen aan de basis hiervan. Alsook allicht de mij toegediende medicatie. En fantasie en werkelijkheid waren in deze angstdromen dikwijls met elkaar vermengd.

Langzaamaan begon ik terug te eten en te drinken. Eerst een potje natuuryoghurt, later al eens een boterham, en vervolgens ook warm eten. Kleine hapjes die me werden aangereikt door een verpleegkundige, een logistiek assistente of een stagiaire. En waar ik goed op knabbelde, waarna ik het voedsel behoedzaam inslikte... zonder verslikken!

Van papperige drankjes stapte ik af. Want ook het drinken leverde niet langer problemen op. Het was wel even wennen. En ik dronk met kleine slokjes en uiterst omzichtig. Maar ook dat zelfs zonder ook maar de neiging tot verslikken. Oef!

Eens ik wat beter was liet ik ook mijn schootcomputer overbrengen. Op het Internet gaan kon ik niet, maar teksten schrijven en mijn correspondentie en administratie doen, dat ging wel. En alle twee dagen gaf ik mijn laptop mee met mijn namiddagbezoekers, die bij mij thuis het e-mailverkeer uitwisselden, om dan mijn machine met bijgewerkte post, via mijn bezoekers van 's avonds terug aan mij te bezorgen. Een mens moet zijn plan trekken in het leven, hé?!

De dag na mijn aankomst in deze kliniek, werd ook mijn rolstoel overgebracht. En hier mocht die wel in mijn cel staan. Eens ik door de slechtste periode heen was, dus vanaf enkele dagen na mijn aankomst, werd ik er na mijn ochtendtoilet en mobilisatie; steeds in gezet en bleef ik er in zitten tot 's avonds.

Dagelijks werd bloed afgenomen via een permanente naald in een slagader van mijn pols. Met het aldus verkregen bloedstaal werden de bloedgassen gecontroleerd. Een test om de verhouding zuurstof (O2) en koolstofdioxide (CO2) in het bloed te bepalen en het zuur-base evenwicht te controleren.

Bij een gunstig evenwicht verminderde men stelselmatig de hoeveelheid zuurstof die me werd toegediend. Soms drong ik zelf aan op een snellere vermindering van de bijbeademing. Maar als men daarop inging gebeurde het wel eens dat mijn zuurstofsaturatie een duikvlucht nam en ook de bloedgassen slecht waren.

Maar uiteindelijk kwam alles op een aanvaardbaar niveau te staan. De bijbeademing gebeurde, zoals voormeld, dus inmiddels enkel nog via een neusmaskertje dat, tijdens het verzorgen, zelfs werd afgezet. Al moet ik bekennen dat ik naderhand steeds blij was dat ding dat zuurstof aanvoerde, weer terug op mijn neus te hebben. Ondertussen had gelukkig ook de overdreven slijmvorming opgehouden zich te manifesteren.

Op 6 februari 2007 mocht ik naar de verzorgafdeling pneumologie worden overgebracht. Als ik het mij goed herinner heb ik dat gedaan op eigen krachten, dus me verplaatsend middels mijn elektrische rolstoel. Eens buiten mijn kamertje zag ik pas goed de omvang en inrichting van de afdeling I.Z., waar ik een week had doorgebracht.

Op pneumologie kreeg ik een tweepersoonskamer toegewezen voor mij alleen. Want men had ruimte nodig om naast mijn bed ook een tillift en mijn rolstoel een plaats te geven. Mijn kamer was voorzien van een koelkastje en een Tv, en had een groot raam, met zicht op de hemel en enkele boomkruinen. Een allesbehalve spectaculair panorama, maar alleszins veel beter dan die totale geslotenheid op de afdeling waar ik vandaan kwam.

In den beginne was ik niet erg op mijn gemak, zo zonder dat continue toezicht op mijn fysieke toestand, middels allerlei aan mijn lichaam gekoppelde apparatuur en ook visueel. Daarom had ik ook het liefst dat mijn kamerdeur bleef open staan op momenten dat ik er alleen in aanwezig was.

Bezoek kon ik nu dagelijks ontvangen van 14u tot 20u. Buiten mijn naaste familie kwam er evenwel niet veel volk over de vloer. Aan meer visite had ik trouwens ook helemaal geen behoefte.

De pneumoloog die me tot dan toe, tot mijn volle tevredenheid en met een gunstig resultaat, had behandeld, liet de zorg over mij over aan één van zijn collega's, een vrouwelijke arts, die naast pneumologe, ook interniste is, en ooit assistente, of althans een studente was van de longarts die me behandelde in die andere, door mij liefst te mijden kliniek.

Deze arts liet een slaaptest op me uitvoeren, waarna ze me een compact, digitaal bestuurd bijbeademingstoestel voorstelde. Eén met een dubbele werking, en een regelbare luchtstroom, zodat het mijn natuurlijk longmechanisme en ademhalingsritme kon volgen. Het zou voor ondersteuning zorgen bij zowel het inademen als bij het uitademen, zodat het moeiteloos mijn ademhalingspatroon, kon volgen en mij meer comfort bezorgen.

Slapen met het toestel ging eigenlijk vanaf de eerste nacht reeds prima. Het was wel even slikken toen me werd diets gemaakt dat ik wellicht tot op het einde mijner levensdagen van een dergelijk toestel zou afhankelijk zijn. Steeds slapen gaan met een groot masker op mijn neus was geen prettig vooruitzicht. Maar aangezien mijn wettige echtgenote reeds jarenlang geen interesse meer vertoonde om met mij het bed te delen, was er in elk geval geen partnerprobleem. Het was enkel maar te hopen dat mijn tienerzoons, die af en toe nog eens een nacht doorbrachten in de woonkamer, alwaar mijn bed staat opgesteld, niet door mijn masker zouden worden afgeschrikt.

De kinesitherapeut probeerde een hulpapparaat uit van begin de jaren tachtig: de Vibrax. Een alternatief voor het op de borstkast trommelen met de handen. Het is een toestel dat het uitzicht heeft van een vlakschuurmachine. Het wordt op de thorax gezet en genereert vibraties. Die waren evenwel te agressief, voor mij. Vele uren na de behandeling deed mijn borstkast nog pijn, en voelde ik het in mijn binnenste nog steeds natrillen. Slecht nieuws voor de kinesist wiens job, bij gebruik van dat ding, minder inspanning vergde.

In deze kliniek was de manier waarop het personeel me benaderde en behandelde veel beter dan in het hospitaal waar ik de vorige keer verbleef. Toch moest ik me ook hier dikwijls inhouden om te reageren op stomme uitspraken door verplegend personeel of paramedici. Of opmerkingen te maken over hun wijze van handelen.

Tijdens die talloze, eenzame momenten, overdacht ik de afgelopen nare periode. En diende helaas te concluderen dat ik het hier wel het minst slecht van overal had. Maar dat ik toch in elke kliniek, op elke afdeling, af en toe kreeg te maken met medisch geschoold personeel dat ofwel onkundig was, of onvoldoende geïnformeerd, of cru, of uitblonk door een totaal gebrek aan inlevingsvermogen. Buiten hetgeen reeds eerder aan bod kwam in dit verhaal, hierna nog een aantal voorbeelden om dit te illustreren.

Als ik wil urineren, dient men mijn penis vast te houden en er een plaskan ofte urinaal onder te houden. Ze deden dan handschoenen aan. Omwille van de hygiëne. Eens mijn blaas was geleegd, ging men de gebruikte urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er meestal niet bij. Tenzij ik daar uitdrukkelijk om verzocht. Vervolgens werd de plaskan nogal vaak netjes gedeponeerd tussen de pralines en de fruitmand. Hygiënisch?

En als ik hen niet vroeg om mijn piemel na het plassen af te deppen, dan stopten ze gegarandeerd mijn nog nadruppelende jongeheer zonder meer in mijn broek. De lust bekroop me dan om hen te vragen of zij hun spleet ook nooit afkuisen nadat ze hebben geürineerd. En of het daar dan naar de avond toe niet ontzettend erg gaat jeuken... en stinken? Maar ik beheerste me telkenmale, want ik was afhankelijk van hen.

Dat ik het verzoek om me te (her)positioneren in bed niet keer op keer vroeg om moeilijk te doen, maar uit noodzaak, om spierpijnen te doen ophouden en doorligwonden te voorkomen, dat kon ik sommigen ook niet aan het verstand brengen. Terwijl anderen net mee nadachten over manieren om me zoveel mogelijk comfort en zo weinig mogelijk fysieke last te bezorgen.

Het fenomeen 'spasmen' was ook iets waar velen blijkbaar niks van afwisten. Dan gaf ik meestal geduldig een bondige uitleg over de oorzaak van deze bij de meeste 'verlamde' personen optredende ongecontroleerde spiersamentrekkingen. Terwijl ik me afvroeg of ze dat dan niet leerden op school? Of waren ze het dan alweer vergeten?

Schort er wat aan de opleiding? Of is die wel compleet en ligt het aan de desinteresse van die individuen? Zelf weet ik het antwoord niet, maar iemand anders misschien wel.

Waar ik ook moeite mee heb is dat, als het eten arriveert terwijl je bezoek hebt, er als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat zij je dus wel zullen helpen. Maar dat wil ik niet! En als ik hierop commentaar leverde, dan kreeg ik steeds de wind van voor. En werd ik in een verdedigende positie geduwd. Maar ik zie niet in waarom ik telkens met mijn gefundeerde redenen voor de dag zou moeten gekomen zijn. Deze zijn mijns inziens immers niet van belang. Ik wil het niet, punt uit.

Uiteindelijk kwam het moment er aan dat mijn artsen me zegden dat, wat hen betrof, ik het hospitaal mocht verlaten, vanaf het moment dat ik mij er zelf toe in staat voelde. Die toch wel 'veilige', 'geborgen' omgeving inruilen voor mijn plekje thuis... het gedacht eraan bezorgde me gemengde gevoelens. Want ik was continue uitgeput en moe, ondanks voldoende slaap. En ik kon de reden hiervan maar niet achterhalen. En ook de artsen noch verpleegkundigen hadden enig idee.

Toch begon ik, als voorbereiding op mijn terug naar huis gaan, op eigen initiatief met het afbouwen van mijn zuurstofafhankelijkheid. Twee opeenvolgende uurtjes zonder, werden er drie, vervolgens vijf. Tot het moment aanbrak waarop ik de arts meldde dat ik inmiddels had bepaald wanneer ik naar huis wou. Een voorschrift voor zuurstof thuis kreeg ik niet. Mijn toestel voor 's nachts moest volstaan.

Wat uiteindelijk de oorzaak is geweest van mijn ganse problematiek, zal ik nooit te weten komen. Maar allicht en vooral hopelijk, kan ik een herhaling ervan voorkomen door veel te drinken, vooral ook na de maaltijden, 's nachts te slapen in een positie waarbij mijn lichaam met de benen omhoog ligt en het hoofd naar beneden, zodat het sinds 25 augustus 2000 in mijn lichaam geplaatste pompje, dat overtollig hersenvocht in mijn nekstreek, rechtstreeks afvoert  naar mijn hart, zijn werk kan doen. En zo voorkomt dat mijn ruggenmerg in verdrukking komt, met functieverlies als gevolg. En tot slot zal ongetwijfeld ook bijzonder preventief werken, het gebruik van het toestel dat me 's nachts helpt zo veel longblaasjes als mogelijk met lucht te vullen en derhalve te laten functioneren. Wat hoe dan ook bevorderlijk zal zijn voor mijn lichamelijke conditie. En maar hopen nooit geen snotvalling, verkoudheid of andere (vies) slijm producerende ziekte op te lopen!

Op woensdag 14 februari 2007 verliet ik de kliniek. Op Valentijnsdag. Een mooi moment om naar thuis te komen. Waar ik in de late voormiddag arriveerde. Met een via de mutualiteit besteld rolstoelvervoer. Uiterst moe en uitgeput. Juist op tijd om samen met de andere leden van mijn gezin, het middagmaal te nuttigen.

Gelukkig kon mijn verpleegkundige en paramedische verzorging nog steeds gebeuren op dezelfde tijdstippen als voor mijn ziekenhuisopname. Terug in mijn eigen omgeving zijn deed me goed. Maar zo helemaal zonder extra zuurstof ademen deed raar en maakte mij onzeker. Zou ik het blijven redden zonder bijbeademing? En die loomheid bleef ook de volgende dagen in mijn lijf zitten. Koorts had ik niet. Maar mijn urine en ontlasting waren donker gekleurd. En mijn huid kleurde gelig.

De eerste dagen zat ik alweer vaak in de inkomhal van ons huis. Want daar kon ik naar wat extra zuurstof snakken. Soms liet ik ook mijn bijbeademingstoestel overdag over mijn neus plaatsen. Om toch maar wat extra zuurstof in mijn longen te krijgen. Want de slijmvorming behoorde dan wel tot het verleden, maar mijn luchtwegen hadden de afgelopen maanden enorm afgezien en hadden tijd nodig om er weer bovenop te komen, zich te herstellen naar de toestand van voordat die problematiek optrad!

Omdat ik me elke dag meer vermoeid voelde en mijn urine en stoelgang een uiterst rare kleur hadden, belde ik mijn huisarts op met de vraag om eens langs te komen. Wat gebeurde. Een bloedonderzoek bevestigde een dag later zijn, en eigenlijk ook mijn vermoeden en dat van mijn thuisverpleging. Ik had Hepatitis, een virale leverontsteking.

Eens die diagnose was gesteld, en de vereiste medicatiekuur was gestart, voelde ik me meer gerust. Maar ik was wel totaal uitgeput. En elke dag manifesteerde het uiterlijk kenmerk van de ziekte, de zogenaamde geelzucht, zich meer en meer. In de kliniek hadden ze zich daar geen vragen bij gesteld. En de donkere urine en dito ontlasting hadden, bij de verpleegkundigen aldaar, eigenaardig genoeg, ook geen belletje doen rinkelen. Uiteindelijk is het, dankzij de nodige en juiste medicatie, dus terug in orde gekomen met mijn lever en kreeg ik naderhand ook mijn normale, blanke huidskleur terug. En door ook deze ziekte te doorstaan en te overleven was ik in staat tot het doorvertellen van het ganse verhaal, waarvan dit de laatste woorden zijn.

Ru(sh)di(e), 28 februari 2007 (revisie op 30 september 2009)

19-06-09

Rudi’s overdenkingen - Hemel of hel? Maakt niet uit, als het er maar warm is!

 

Sinds ik mijn Christelijk geloof heb afgezworen, en als niet-gelovige verder door het leven rij, kan ik me wat meer vrijheid veroorloven bij het schrijven over thema's als God, het geloof en in het bijzonder de Rooms- katholieke Kerk. Een club van gelovigen, waar ik overigens nog steeds lid van ben, aangezien ik me niet uit hun doopregisters heb laten schrappen. En net dat in de ban doen of excommuniceren, is een gevaar dat je bedreigt indien je als gelovige volhardt in de zonde.

En alleen reeds het verzaken aan het eerste van de 10 geboden, namelijk: 'Boven al bemin één God', kan voor de Kerk als zonde volstaan om je in de ban te doen. Nogal wiedes eigenlijk, omdat je daarmee verzaakt aan de belangrijkste pijler waarop de ganse ideologie van hun godsdienst is gebouwd. Waarschijnlijk begeef ik mij op gevaarlijk ijs, en riskeer ik een heleboel mensen voor het hoofd te stoten, maar toch ga ik hier en nu mijn gedacht zeggen over God en religie. Alsmaar meer groeit bij mij immers het vermoeden dat het bestaan van een opperwezen en een leven na de dood, ontsproten is uit de geest van enkele van onze, in hun tijd heersende, voorvaderen. Als zingeving voor het leven van de mensen en als verklaring voor toentertijd onverklaarbare gebeurtenissen en (natuur)verschijnselen. Opdat de menigte daaronder rustig zou blijven, en bovendien gemakkelijker te manipuleren en in de hand te houden. In de veronderstelling dat deze denkpiste de juiste is, en derhalve de waarheid, dan betreft dit de grootste bedriegerij ooit!

Het is mijn rationeel denken dat me tot deze vaststelling leidt. Tegen de meeste morele wetten van de godsdienst heb ik helemaal geen bezwaar. Integendeel zelfs. Morele waarden als respect, eerbied, naastenliefde... om maar enkele te noemen, kan ik volledig onderschrijven. En ik ben de laatste om mensen die geloven in een God, zoals die doorgaans wordt voorgesteld, te trachten op andere gedachten te brengen. Als zij in dat geloof troost vinden en er levenskracht uit kunnen putten, dan respecteer ik dat. Ze kunnen er maar wel bij varen. Maar ze hebben niet het recht om hun gedacht als het enige ware aan andere personen op te dringen. Men mag gerust zijn geloof prediken, maar niet van anderen verwachten, soms neigt het zelfs naar eisen, dat die hen daarin blindelings volgen. Ieder heeft recht op een eigen mening. Respect daarvoor is klaarblijkelijk een morele deugd die dikwijls ontbreekt op het lijstje van godsdienstfanaten.

In het dagelijks leven kom ik dikwijls in aanraking met personen die hun geloof hoe dan ook willen opdringen aan anderen. En die, in plaats van bij het werken aan een betere maatschappij, te starten bij zichzelf en door arbeid het door hen beoogde betere leven (lees: meer materiële welstand) te bekomen, alle vertrouwen leggen in hun geloof. Oprechte devotie en alles wordt door de goede God voor hen geregeld, is hun devies. Daar heb ik nogal wat bedenkingen bij. In de eerste plaats zijn die gelovigen blijkbaar net zozeer als de 'Almachtige' stekeblind voor alle miserie in de wereld, ook onder zeer gelovige medemensen. Voorts lijkt dit mij nogal een gemakkelijkheidoplossing: ze bidden en laten ondertussen de anderen het werk doen. Naderhand plukt men de vruchten van deze laatste hun arbeid en claimen dat dit het resultaat is van hun bidden tot God. Nogal wat zogenaamde gelovigen zijn daarenboven afgunstig van andermans bezit, wat een overtreding is van het 10de gebod!

Er schiet mij plotsklaps een mop te binnen, die ik jullie niet wil onthouden!

Een verpleegster sterft en, als resultaat van haar vrome aardse leven, verzeilt ze in de hemel. Alwaar ze wordt verwelkomt door Sint Pieter. Die is, na zijn jobs van achtereenvolgens apostel van Jezus en (eerste) katholieke paus, uiteindelijk voor eeuwig aangesteld als hemelpoortbewaarder.

Terwijl de dame, of in ieder geval haar ziel, met Sint Pieter de toegangsformaliteiten regelt en verslag uitbrengt over haar net beëindigde leven op aarde, ziet ze over de schouder van Sint Pieter heen een man zitten met een stethoscoop om de nek. Opgewonden vraagt ze: "Die man daar achter u, is dat een dokter?" Sint Pieter kijkt even op, lacht schamper en antwoord: "Neen, mevrouw, helemaal niet. Dat is God. Die denkt alleen maar dat hij mensen kan helen!"

Wat de Heer betreft, heb ik overigens nog een paar opmerkingen. Hoogmoed is de zonde der zonden, staat ergens in de bijbel geschreven. Deze zonde zou trouwens ook aan de basis liggen van de transformatie van God zijn perfecte engel Lucifer tot Satan, voor wie de hel werd geschapen. Dit terwijl God, alsook zijn enig geboren zoon Jezus Christus, naar mijn bescheiden mening, zelf ook niet vrij waren van enige zelfverheffing!

En de organisatie van die zondvloed, daar stel ik toch ook enkele vraagtekens bij. God zag dat zijn creaties zich niet gedroegen zoals Hij had verhoopt, gaf aan Noach opdracht een ark te bouwen, van elk levend wezen een paar aan boord te nemen, en toen dat geregeld was ging de Schepper over tot executie van alle overige levende wezens. Door hen te laten verzuipen!

Van zo een daden komt ook in deze moderne tijd zo nu en dan iets in het nieuws. Gezinsdrama's waarbij een ouder zijn kind van het leven beroofd, omdat het een handicap heeft. Of een jongeman die op straat een aantal mensen neerknalt omdat ze niet de huidskleur hebben die hij prefereert of die Duitser, zijn naam ontglipt me even, die bepaalde groepen mensen van een bepaalde afkomst of geaardheid ook liefst, en bij voorkeur gruwelijk, elimineerde. Naar hun eigen normen, hebben ze allen een geldige reden voor hun daad of daden. De samenleving denkt daar evenwel anders over. In deze gevallen noemt de maatschappij de dader doorgaans (massa)moordenaar!

Na al het voorgaande geschrijf, maak ik op dit ogenblik wellicht weinig kans om na mijn overlijden, voorbij de hemelpoort te geraken. Is daar ten andere al iets gedaan aan de infrastructuur, met het oog op de toegankelijkheid voor de overleden fysiek beperkte personen? Of mag die rolstoel na zo veel jaren trouwe dienst, de ziel van de rolstoeler niet vergezellen bij het ten hemel stijgen? Hem of haar vervoeren naar diens nieuwe en tevens laatste verblijfplaats? Nu ja, het heeft geen zin me daar het hoofd over te breken. Voor een ketter als mij blijft de boel daar ongetwijfeld sowieso potdicht. Jammer? Dat weet ik niet zozeer. Alle dagen rijstepap eten spreekt mij niet direct aan. En steeds met gouden lepels eten is ook niet zonder gevaar. Want als daar door veelvuldig gebruik schilfers van loskomen, dan kan je vergiftigd raken en behoorlijk ziek worden. Dat weet ik uit ervaring. Bij de overgang naar het nieuwe millennium heb ik een ganse fles champagne met goudschilfers leeggedronken. Zat werd ik er niet van, maar wel ziek! Een ganse week zelfs. En wat die engelen betreft. Ze kunnen dan misschien wel mooi en lieftallig ogen, maar ze zijn volgens bepaalde bronnen geslachtloos, dus veel valt daar dan toch niet mee aan te vangen! ;-)

Trouwens daar hoog in de wolken is het vast bitter koud, en ik hou net van de warmte. Dus laat mij gerust terechtkomen in de hel. Daar kan ik dan ook nog wat lol beleven bij het trekken aan de duivel zijn rattenstaart. Dan heb ik toch nog een beetje plezier gehad vooraleer ik opbrand in het vagevuur. Onder het beluisteren van kermismuziek die weerklinkt uit de luidsprekers van de, naar verluidt in de onderwereld geïnstalleerde jukebox!

Als God dan evenwel toch zou bestaan, wat ik niet uitsluit, want iedereen kan zich vergissen, hoop ik wel dat Hij niet de menselijke gedaante heeft van een blanke man met lang wit haar en dito baard, maar dat Zij een volslanke sexy zwarte vrouw is met een prachtig rastakapsel!

En die verdraagzame God zal me maar al te graag mijn niet-gelovig zijn vergeven en Sint Pieter opdracht geven om me, met zin of tegenzin, te redden van de verdoemenis, zodat  God me tegen Haar boezem kan drukken. En ik op die manier ook aan de begeerde warmte geraak.

Rudi, 10 november 2008 (revisie op 19 juni 2009)

 

22-04-09

Rudi's ontboezemingen - Hooghartigheid en arrogantie

 

Voor mijn ene zoontje diende ik een afspraak te regelen met een geneesheer - specialist die me door onze huisarts was aanbevolen. Dus belde ik die dokter op en vroeg hem wanneer ik de jongen met zijn mama kon laten langskomen. Ja, zelf zou ik niet meekunnen, want volgens mijn huisdokter was er aan de ingang naar het kabinet van zijn collega een trapje. Naar ik verstond zei die man dat het de volgende week kon, op woensdag, maar voor vijf uur. "Kan het dan eventueel op een andere dag?" vroeg ik, "Mijn zoontje voetbalt immers en heeft op woensdag training."

Die man vloog terstond tegen me uit. En vroeg me snauwend wat ik het belangrijkste vond: mijn zoon zijn gezondheid of een voetbaltraining? Ik schrok van deze reactie en had in eerste instantie de neiging om de telefoonhoorn op de haak te gooien. Maar ik trachtte mezelf tot kalmte te dwingen, waarin ik slechts gedeeltelijk slaagde. Dus repliceerde ik met enigszins trillende stem: "Mijnheer, daar gaat het toch niet om. Er zijn vijf werkdagen in de week. Het zou dus toch best mogelijk kunnen zijn dat u ook op een andere dag consultaties doet, zodat mijn zoon zijn training niet hoeft te missen."

Hierop begon hij me een beschrijving te geven van zijn weekplanning. Er was iets met een vergadering, operaties, ander werk in het ziekenhuis... Ik luisterde slechts met de helft van een half oor, want ik had eigenlijk totaal geen interesse in deze man zijn agenda. Toen hij klaar was met zijn opsomming, zei ik hem dat mijn zoontje op woensdag en donderdag voetbaltraining volgde, maar dat het uiteraard geen ramp was als hij eens een oefendag mistte. En als die afspraak enkel op woensdag kon, ikzelf daar dus totaal geen probleem mee had.

Ik had de indruk dat de arts inzag dat zijn overhaaste conclusie fout was geweest, want hij lachte en vroeg om welk uur de training was afgelopen. Uiteindelijk bleek dat ik hem bij de aanvang van ons gesprek verkeerd had verstaan en dat die afspraak voor de week daarop NIET voor vijf uur kon. Er werd dus afgesproken dat ze om twintig na zes op consultatie zouden komen.

Toen ik het voorval 's avonds aan mijn thuisverpleegkundige verhaalde, was ze, nadat ik 's mans naam vernoemde, totaal niet verbaast. Zij kende die dokter en wist me te vertellen dat hij ook tegenover verpleegkundigen doorgaans nogal uit de hoogte doet. En ongetwijfeld geen tegenspraak gewoon is. Maar de man had wel de reputatie een goed arts te zijn.

Nu ik het toch over arrogantie heb. Bij aanvang van het voetbalseizoen hadden mijn kinderen, na betaling van hun lidgeld, recht op een spelerspakket. Ze hadden daartoe een boekje met bonnetjes gekregen waarvoor ze bij inlevering in de clubwinkel de erop vermeldde kledij zouden ontvangen.

Toen we naar die winkel gingen kon voor zowat de helft van de bonnetjes geen kledij worden geleverd, wegens niet in voorraad. De daaropvolgende maanden toog ik meermaals met mijn tweeling naar de sportwinkel van de club om de rest van die kledij in ontvangst te nemen. Maar telkens kreeg ik te horen dat de items nog niet geleverd waren. Tot op een gegeven moment, zowat een maand geleden, de winkeldame me simpelweg meedeelde dat die spullen niet meer binnen zouden komen omdat de club haar samenwerking met de leverancier van deze kledij had stopgezet. Ze gaf me de naam en het telefoonnummer van het bestuurslid dat verantwoordelijk was voor deze zaken en raadde me aan die man op te bellen met de vraag hoe hij dit probleem ging oplossen. Te meer daar ik, na zes maand en terwijl het seizoen al volop aan zijn tweede helft bezig was, ook vond dat het onderhand wel welletjes was geworden, nam ik enkele dagen later, met behulp van mijn echtgenote, mijn telefoon ter hand en belde die kerel op.

Toen de telefoon werd opgenomen met een simpel "Hallo" vroeg ik voor de zekerheid of ik de persoon aan de lijn had die ik spreken wou en toen dat inderdaad het geval bleek te zijn zei ik mijn naam en vertelde die man de vader te zijn van twee eerstejaars duiveltjes. Vervolgens vertelde ik hem de reden van mijn oproep.

Oh, maar ze hadden dat net tijdens een bestuursvergadering besproken, zo zei hij met een blasé stem. Ja, allicht, dacht ik. Er zou ter compensatie van de ontbrekende stukken in de uitrusting een paar schoenen worden geleverd. Ik vertelde die man vriendelijk dat mijn jongens op dit ogenblik niet echt behoefte hadden aan een paar nieuwe schoenen. Onmiddellijk beet die klier me toe dat ik dan maar schoenen van een paar maten groter moest nemen en dat ik al blij mocht zijn dat ze bereid waren iets te geven. Ik kon me met dat antwoord uiteraard niet verzoenen.

Die kerel wou van me af en zei me dat hij zou bekijken of er niet ook nog een training kon worden bijgeleverd en dat ik op de eerstvolgende trainingsdag zeker aanwezig moest zijn want dat na afloop ervan deze kwestie zou geregeld worden. Toen wou hij ons gesprek afsluiten maar ik zei nog: "Nu ik u toch aan de lijn heb, wens ik van de gelegenheid gebruik te maken om u te melden dat ik enigszins teleurgesteld ben in uw organisatie." Hola! Dat kwam blijkbaar verkeerd aan, want ik kreeg ogenblikkelijk de wind van voren. En in plaats van te vragen wat er volgens mij dan wel aan schortte, snauwde hij me hooghartig toe dat er zo velen waren die hun jeugdwerking en hun trainers wel goed vonden, maar dat ze uiteraard niet voor iedereen goed konden doen.

Ik zei die kwal, om enkele voorbeelden te geven, dat steeds wisselende trainers en het feit dat de kinderen daarbovenop de helft van de tijd slechts werden bezig gehouden door twee schooljongens - één van een jaar of zestien en zijn broer van amper veertien - die zelf nog moesten leren voetballen, toch bezwaarlijk kon worden aanzien als de professionele begeleiding die je van een eersteklasserclub zou verwachten en die ons trouwens bij de aanvang van het seizoen werd voorgespiegeld. Kinderen in een leeftijd van zes, zeven jaar hebben nood aan regelmaat en leiding door gezag mensen met enige opvoedkundige capaciteiten. De chaos waarin mijn jongens tijdens het anderhalf uur training (?) veelal verzeild raakten, beviel me niet. Als ik niet tevreden was, dan moest ik maar naar een andere club gaan was de repliek van die naarling.

Zo gaat dat dus. Ze beloven je bij aanvang van het seizoen een professionele begeleiding en een uitrusting. Vervolgens incasseren ze het lidgeld, waarna je naar het beloofde kan fluiten. En als je er dan een terechte opmerking over durft te maken vertellen ze je simpelweg dat je kan oprotten. Moest ik durven, ik zou schrijven dat dit mijns inziens gevaarlijk veel weg heeft van oplichterij.

Toen ik die etter dus zei dat zulks dus wel een heel gemakkelijk, doch niet acceptabel antwoord was, vertelde hij nog een hoop onzin totdat hij, in de hoek gedreven door mijn weerwoorden, uiteindelijk toch toegaf dat ze die jonge snaken als trainers lieten opdraven omdat ze niemand anders vonden. Om van me af te zijn zei hij nog: "Je hebt je zegje nu gehad. Ik zal zien wat ik kan doen. Is dat genoeg?" Neen, dat was het niet, maar toch sloot ik af, want met deze kerel viel toch niet te praten.

Aldus neer getypt door een zich snel voortbewegende rebel, die het nodig acht ook ten strijde te trekken tegen elkeen die denkt omwille van zijn titel of positie meer waard te zijn dan een ander.

Ru(sh)di(e), 6 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

03-04-09

Belevenissen in het UZ, het zesde deel

 

Herinner mij net iets van uit de tijd toen ik pas een goeie, ik denk anderhalve maand in het revalidatiecentrum, doorgaans kortweg RC genoemd, verbleef.

Als kamergenoot had ik sinds kort een jonge gast, die net zoals mij tetraplegisch (noot) is. En die al vanaf zijn eerste dag verblijf in het centrum, niet erg hield van het in de refter geserveerde voedsel, en dus regelmatig wat liet meebrengen van thuis of telefonisch bestelde pizza of frieten op zijn kamer liet afleveren.

Die avond lagen we elk in ons bed, een beetje te praten, toen hij voorstelde nog een pitta te bestellen. Ik had ook nog wel zin in iets, maar wel eerder in een pakje friet. Via het belletje aan ons bed riepen we de hulp in van een verpleegkundige om een patiënt te vinden die het telefoonnummer had van een pittazaak die aan huis leverde, en ook frieten in het gamma had. Die persoon werd gevonden, en had bovendien zelf ook wel zin in een snack. Ik trakteerde, want mijn kamergenoot had me reeds enkele keren laten meesmullen van door zijn mama meegebrachte spijzen.

Reeds een half uurtje later stond een meisje daar met onze hapjes. Aangezien ik dit zelf niet kon, liet ik haar het tegoed voor de geleverde mondkost uit mijn portemonnee nemen.

Toen die juffrouw onze kamer had verlaten wensten we elkaar smakelijk eten toe en begon ik aan die verpakking te prutsen. Dat liep niet van een leien dakje. Ik had immers over het hoofd gezien dat ik bijna geen handfunctie had. Lag ik daar, met mijn eten op mijn buik, kon ik verdorie nog niet eens het zilverpapier van rond mijn snack halen. En mijn maat had hetzelfde probleem. Honger, en nog véél méér goesting, maar niet bij machte die verpakking van zijn pitta te halen!

Uiteindelijk hebben we de hulp van de nachtverpleegkundige ingeroepen om de verpakkingen te openen en mijn frietjes in mijn mond te stoppen (want dat lukte me ook niet eigenhandig). Een lieve verpleegster overigens, alhoewel onze relatie enkele weken daarvoor slecht was gestart. En de reden daarvoor wordt hierna verklaard.

Nu gebruiken we een ander systeem voor mijn transfer vanuit de rolstoel naar het bed en omgekeerd, maar toen had men daar nog een tilift voor nodig. Normaliter liet ik mij steeds vrij vroeg op de avond in bed leggen, maar die avond had mijn kamergenoot veel bezoek en ik wou die mensen niet wegjagen en bleef dus wachten tot iedereen weg was, en dat was redelijk laat, na middernacht. Ik belde voor de verpleging, die echter maar niet kwam opdagen. Ik begon echt wel moe te worden en had bovendien pijn van het lange zitten. Toen daar eindelijk één van de vaste nachtzusters verscheen, maakte ik haar mijn ongenoegen kenbaar. "Ha, dan heb je jouw lesje wél geleerd." zei ze. "Wie laat wil opzitten, moet wachten om geholpen te worden tot de eerste nachtronde gedaan is."

Gewoonweg belachelijk. In plaats van bij aanvang simpelweg elkeen hun regels uit te leggen, en ons zodoende op zijn minst in onze eigenwaarde te laten, passen ze daar een systeem toe dat, mijns inziens, zelfs in een internaat voor kleuters verkeerd zou zijn. Enfin, naderhand konden we dus eigenlijk best goed opschieten met elkaar.

Om terug te komen op mijn kamergenoot. Vrij spoedig kwam aan de oppervlakte dat hij een verwent nest bleek te zijn. Een typisch product van een vrije 'opvoeding' (?): onbeschoft, respectloos en super egocentrisch. Hij heeft trouwens minder dan een jaar later een stoot uitgehaald, waarvan ik hiernavolgend verslag uitbreng.

Zekere namiddag had hij, als egotherapeutische bezigheid, met behulp van een stagiair, een cake gebakken. Hij had geopteerd voor een 'spacecake' en die stagiair had niet durven weigeren. Voor ouden van dagen en andere onwetenden: dat is een gebak waarin marihuana is verwerkt; een drugskoek dus als het ware.

Dat baksel kwam uit de oven en jawel hoor, de cake was gelukt! Die jongen ging zijn maten halen en begon vlijtig te delen met zijn vrienden. Eén ervan was een Italiaan, een dertiger, die zich steeds voordeed als een man van de wereld. Hij vroeg zich een groot stuk, want de spietjes die de anderen tot zich namen vond hij maar te min.

Toen hij, na het snel verorberen van het eerste, om nog een tweede stuk verzocht, vroeg de bakker van dienst hem voor de zekerheid of hij toch wel wist wat hij aan het opknabbelen was. Die macho deed alsof hij zich door die vraag beledigd voelde en verzekerde allen aan tafel dat hij uiteraard wist wat zij tot zich aan het nemen waren.

Die kerel moet even later onwel zijn geworden, waarna men hem naar de dokter op de dienst spoedgevallen heeft gebracht. Als ik mij goed herinner heeft men hem twee dagen ter observatie op intensieve zorgen gehouden. Bleek naderhand dat die vent nog nooit drugs tot zich had genomen en ook geen notie had van wat een spacecake was.

Die Italiaan heeft er uiteindelijk niks aan overgehouden, maar deze historie kon uiteraard niet zonder gevolg blijven. Resultaat: de kok van dienst kon zijn boeltje (laten) pakken. Het diensthoofd van het centrum kon er, in tegenstelling tot ons, niet mee lachen.

Euh, moet er nog cake zijn?

Ru(sh)di(e), 28 juni 2002 (revisie op 31 maart 2009)

Noot: tetraplegie: beschadiging van het ruggenmerg ter hoogte van de nek, met ondermeer, al dan niet volledige, verlamming in alle vier de ledematen en de romp tot gevolg.

23-03-09

Belevenissen in het UZ, het tweede deel

 

Op een zekere middag stonden we met enkele patiënten in de gang, toen we plots in het toilet iemand hoorden kreunen. Alert en hulpvaardig als we zijn, reed één van ons onmiddellijk richting verpleging met de melding dat er waarschijnlijk iemand in nood was.

Even later klopte een verpleegkundige op de WC- deur van waarachter het gekerm had weerklonken. Met daarbij de vraag of ze hulp kon bieden. Naar verluidt werd haar door een mannenstem verzekerd dat alles in orde was. Met deze melding stelde zij ook ons gerust en schouderophalend ging ze vervolgens terug aan het werk.

Terwijl de rest van ons gezelschap zich naar de oefenzaal repte, kon ik niet nalaten nog even in de buurt te blijven rondhangen. Luttele minuten later kwam uit de toiletten een koppeltje te voorschijn. Met een beetje een blozend gelaat, hun kledij fatsoenerend.

Het mafste verhaal dat ik ooit heb gehoord, is het volgende. Met Gaston, een medepatiënt uit het R.C. (RevalidatieCentrum), ging ik 's avonds regelmatig eten in het restaurant, gelegen op de 14de verdieping van kliniekgebouw K12. Die mogelijkheid werd ons geboden als alternatief voor het benutten van het avondmaal in de kale refter van het RC.

In het restaurant hadden we kennis gemaakt met twee patiënten, ook rolstoelers, die ieder op een verschillende afdeling en dus verdieping, van K12 verbleven, maar regelmatig samen naar boven kwamen om een sigaretje te roken en een pintje te drinken. Laat ik ze Walter en Alain noemen.

Op een zekere avond kwamen Gaston en ik eten in het restaurant. En zagen Walter daar zitten. Alleen. Ik vroeg hem waar zijn maat was. "Die hebben ze in zijn kamer gehouden" gaf hij als antwoord en begon vervolgens een amusant relaas te vertellen over wat zich die namiddag had afgespeeld.

Walter en Alain zaten samen op het 14de, toen een vriend van Alain ten tonele verscheen. Type schooier en duidelijk onder invloed van verdovende middelen. Na eerst een pint voor hun drieën te hebben gehaald, zette die kerel zich bij, en begon wat met Alain te praten. Walter hied zich discreet afzijdig.

Op zeker moment verdwenen Alain, zelf ook al een junk, en diens vriend, richting toiletten. Toen ze beiden even later terugkeerden was meteen duidelijk wat Walter reeds vermoedde: ze hadden een shot gezet.

Die spuit had Alain's vriend blijkbaar geen deugd gedaan want hij zag er nog beroerder uit dan toen hij in het restaurant arriveerde. Ze besloten om met zijn allen naar Alain's kamer te gaan. Diens kamergenoot werd die ochtend geopereerd en was nog niet terug.

Alain's kameraad voelde zich echt niet lekker en was moe. Waarop de eerst genoemde voorstelde aan de andere een tukje te doen in de zetel in diens kamer, terwijl hij met Walter in de taverne beneden nog een glas zou gaan drinken. Die kerel nam dat aanbod gretig aan en kroop in die fauteuil.

Toen Alain en Walter zowat anderhalf uur later terug op de afdeling verschenen, was er van de junkie geen spoor meer te bekennen. Alain's kamergenoot was terug, maar aan het slapen, dus kon die hen op dat moment geen informatie verstrekken. Kennelijk absoluut niet zinnens zich zorgen te maken over het lot van zijn gabber, veronderstelt Alain: "Allicht naar huis."

Niks van, echter. Want later bleek dat, toen Alain's kamergenoot terug naar zijn kamer werd gebracht, men had geprobeerd om die in de zetel slapende vriend wakker te maken, omdat de sofa waar hij in lag in de weg stond om dat bed naar zijn plaats te manoeuvreren. Toen dat niet lukte werd er een verpleegster bijgehaald, die op haar beurt een dokter ter hulp riep. Enfin, uiteindelijk hebben ze die man toch bij zijn positieven kunnen laten komen, onderzocht en overgebracht naar kliniekgebouw K13, psychiatrie. Mogelijks resideert hij daar nog steeds.

Een leuke vind ik zelf het verhaal van een patiënt die me zei dat hij, aan het begin van zijn adolescentie, een operatie had ondergaan - als ik mij goed herinner een liesbreuk - waarvoor een deel van zijn schaamhaar diende te worden weggeschoren. De charmante verpleegster die dat werkje zou uitvoeren had de assistentie van een knappe, jonge, uiterst lieve stagiaire.

Op aanwijzing van de verpleegkundige hield dat meisje die jongen zijn piemel in haar handpalm zodat eerstgenoemde probleemloos het haar op zijn onderbuik zou kunnen verwijderen. De warme meisjeshand veroorzaakte bij de jongeling echter een reactie die iets met hormonen heeft te maken. Enigszins verveelt om hetgeen gebeurde, maar ondanks alles toch ad rem genoeg om zich op een laconieke wijze uit deze situatie  te redden, zei die jongeman tegen de stagiaire: "Euh juffrouw, je mag je handje wel wegnemen hoor, hij kan nu niet meer vallen."

Ru(sh)di(e), 25 mei 2002  (revisie op 22 maart 2009)