16-06-12

Heden en verleden - Onwelkome ratten en andere muizenissen

       

Afgelopen zomer was ik, op een warme namiddag, gezeten in mijn elektrische rolstoel, rustig aan het plassen, op een plek voor mijn garage en rechts van mijn met klimop begroeide haag. Plots zag ik, voor de witte garagepoort, over de betontegels op de grond, iets razendsnel van rechts naar links bewegen. Nog net zag ik een grijs muisje ritselend verdwijnen door een gat in de klimophaag.

Muizen en ratten… ik hou niet van deze knaagdiertjes met hun lange staart. De reden daarvoor weet ik eigenlijk niet. Mogelijks is het omwille van hun enge voorkomen en hun kwalijke reputatie als ziekteverspreider. En vast ook omdat ze zo graag ongegeneerd en ongenood tuinhuisjes, berghokken, garages en zelfs woningen plachten binnen te dringen.

Al mijn confrontaties met die ongeliefde zoogdieren verhalen, zou meteen leiden tot een omslachtig boekwerk. Vandaar dat ik mij hier ga beperken tot enkele bijzondere ontmoetingen met deze gretig knagende plaagdieren. Die zowat overal opduiken waar eten aanwezig is.

Als kind zag ik vaak huismuizen en veldmuizen in de omgeving van ons huis en stallingen. Meer dan eens zelfs onze huisgevel opklimmend. Gelukkig hielden onze katten toen de aangroei van die muizenpopulatie onder controle. Door nogal dikwijls eentje te pakken te nemen en vervolgens lustig op te vreten. Alleen, of de buit delend met de eigen kroost of andere op onze hof verblijvende soortgenoten.

Spitsmuizen of dolletjes zoals wij die noemden, werden dan weer niet verorberd door onze huiskatten. Met deze diertjes speelden of dolden ze alleen maar wat. Deze insectenetende zoogdiertjes worden overigens dan wel muizen genoemd, ze zijn het niet!

Net zo min als mijn zus haar, als (buitens)huisdier gehouden steenratjes ratten waren. Cavia’s waren het. Maar ze plantten zich wel haast net zo snel voort als de bruine rat. De laatste kooi die mijn handige pa als verblijf voor die beestjes in elkaar had geknutseld, werd vele jaren na het heengaan van de laatste cavia, gebruikt als opslagplaats voor het stro waarvan regelmatig een vers deel in de schuilplaats werd gelegd van de twee vrouwtjeseenden, die in mijn ouders hun achtertuin een stukje afgebakend terrein bewoonden.

Op een zekere dag in het oogstseizoen had de boer, die eigenaar was van de akkers die gelegen waren naast mijn ouderlijke woonst, het graan dat er op werd geteeld, door loonwerkers laten maaidorsen. Waarna de op het land achtergebleven droge plantenstengels en uitgedorste aren door een andere machine werden bijeen geschraapt  en samengeperst tot rechthoekige strobalen.

Als naar gewoonte, en met instemming van de boer, raapte ik nadien de nog op het land achtergebleven resten stro bij elkaar. Toen ik, om mijn buit op te bergen, het deksel optilde van de kooi waarin voorheen de cavia’s huisden, schrok ik mij haast een ongeluk. Omdat ik daar, bovenin het opeengestapelde stro, een nest muizen aantrof. Die, als in koor, luid piepten toen het deksel was opgelicht. Van schrik liet ik het terstond los, waardoor het met een klap terug op zijn plaats kwam te liggen. Dat verzamelde stro heb ik die dag netjes in een zak naast die kooi gezet, want ik bleef toch liever uit de buurt van die kroostrijke muizenfamilie.

Later is het ook eens voorgevallen dat ik de eenden eten ging brengen en van op een afstand zag dat er precies een ander dier stond te eten aan het, een stukje boven de grond opgestelde en overdekte, voederbakje. Toen ik tot op een meter of vijf genaderd was, zag ik wie die maïsdief was: een grote bruine rat! Ze stond met haar achterpoten op de grond en de voorpoten in het zich zowat 10 centimeter boven de grond bevindende voederschaaltje. Het beest, met een heel lange staart, bleek helemaal niet bevreesd te zijn voor mij. Die perplex het schouwspel volgde. En pas terug in beweging kwam toen dat enge beest er uiteindelijk toch vandoor ging.

*****

Als kind ging ik vaak vissen. In de stilstaande waters van beken, vaarten en vijvers uit de buurt. En tevens in het getijdenwater van de in Nederland stromende Westerschelde. Van op heel jonge leeftijd trok ik mee met mijn vader. En later ging ik ook al eens alleen, of met kameraden. Normaliter visten wij, van op de oever, met de vaste hengelroede en/of de werphengel. Maar ik ben ook enkele keren met mijn pa gaan peuren. Dat is een speciale en tevens één van de oudste manieren voor het vangen van paling.

Een drijvend gemaakte afgeschreven paraplu, of zoals wij het deden, een rechthoekige bak met drie naar binnen geplooide wanden en aan één zijde verhoogd met een in een kader gevat net, wordt hierbij te water gelaten. En middels een oude hengelstok, tot op een vijftal meter van de oever gebracht. Daarnaast wordt een hengelroe gehouden, waar aan de top ervan een draad is bevestigd met een dikke dobber en aan het uiteinde een tros aaneengeregen regenwormen hangt. Die wordt verzwaard met lood. En waarvan het de bedoeling is dat deze de bodem net niet raakt. Waarna de geur van de wormen de paling moet aantrekken.

Op het moment dat je, door de beweging van je roe, of het ondergaan van de dobber, vermoed dat er een paling aan de pieren knabbelt, dien je met een vlugge, doch rustige beweging, de top van de hengelroe op te halen en de tros regenwormen zacht tegen de binnenkant van, al naargelang, het regenscherm of de netwand van de bak te kletsen. Zodanig dat de lustig wormen etende paling deze lost en in de paraplukom of bak valt. Die je vervolgens naar je toe trekt om de buit binnen te halen.

Het beste moment om deze activiteit uit te voeren is ’s nachts. Omdat aal het grootste deel van de dag op de bodem van het water ligt ingegraven en pas in de nachtelijke uren gaat jagen. Dus zaten wij daar dus in het donker aan de waterkant. Wachtend tot die palingen zouden toehappen. En de stilte van de nacht werd enkel verstoord door onze ademhaling en door het plonzen van muskusratten, die vanaf de oever het water indoken en met hun grote lijf en lange staart vlak voor onze voeten voorbij zwommen. Griezelig!

*****

Van iets minder lang geleden dateert het volgende voorval, dat plaatsvond in Afrika. Met mijn echtgenote was ik op rondreis in haar geboorteland. We bevonden ons op een gegeven moment in een dorpje aan de rand van de woestijn. In het lemen gebouwtje dat door moest gaan als restaurant, zaten we als enige klanten in het sober ingerichte etablissement. Op houten stoelen aan een houten tafeltje aten we het enige gerecht dat daar die dag verkrijgbaar was.

We waren in alle rust en stilte gemoedelijk en smakelijk aan het eten toen ik ineens, onder één van de andere tafeltjes in het vertrek, een gigantisch groot ogende, grijskleurige woestijnrat zag verschijnen. Het diertje slalomde ongehaast tussen de verschillende stoel- en tafelpoten van het meubilair in het eethuis. Vooraleer mijn echtgenote, die de rat ook had opgemerkt, en ikzelf, verbouwereerd onze mond konden openen om er iets over op te merken, was het beestje alweer door de openstaande deur naar buiten getrippeld. Geloof me vrij dat het eten ons daarna niet meer zo erg smaakte. En we spoedig afrekenden en die plek verlieten.

Later kwam ik te weten dat er hier in Europa, en mogelijk ook elders, mensen zijn die deze beestjes houden als huisdier. Omdat ze zo vriendelijk, nieuwsgierig, rustig en gemakkelijk in de omgang zijn. Dat heb ik gemerkt, ja!

*****

Toen ik nog maar pas een jaar of twee thuis was, na anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, heb ik, op eigen initiatief, een tijdlang logopedie gevolgd. Omdat ik door een verminderde long- en middenriffunctie minder krachtig kon praten. En met professionele hulp technieken wou aanleren om, uit mijn beperkte mogelijkheden, toch de maximale spraak- en zangcapaciteit te halen.

Op een zekere voormiddag waren wij, zoals dat vaak het geval was, aan het oefenen in de zitkamer van mijn woning. Mijn logopediste, gezeten op een stoel, met haar rug naar het groot terrasvenster gericht. En ik tegenover haar, gezeten in mijn onafscheidelijke elektrische rolstoel. Terwijl ik bezig was met een door haar voorgedane oefening te herhalen, zag ik buiten een vrij grote bruine rat over ons verhard tuinpad lopen. Mijn adem stokte even en een zachte rilling ging door mijn lijf. Mijn logopediste merkte dat uiteraard. En vroeg me wat er aan de hand was. Wijselijk verzweeg ik wat ik net had gezien. Ik wou immers niet het minste risico lopen dat ze niet meer zou komen, omwille van de aanwezigheid van dat ongedierte op mijn hof.

*****

Een maand of twee later zat ik, zoals ik op zomerse dagen nogal eens placht te doen, bij valavond voor de openstaande deur in de inkomhal, een boek te lezen. Van licht voorzien door de maan, de straatlantaarns die de rijweg verlichten en de in de hal hangende gloeilamp. Plots dook er uit de duisternis een bruine rat op die zich, onder mijn, op de steunen van mijn rolstoel geplaatste voeten door, in de richting van het voor ons huis aangelegde vijvertje voortbewoog, Alwaar het beest, vanaf de rand, met een plons het water indook. En even later met de kop weer boven kwam. Om rustig, lustig en ongegeneerd te beginnen eten van het zich dobberend in een drijvende ring bevindende visvoer.

Ru(sh)di(e), 19 december 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

27-05-10

Heden en verleden - Het leven zoals het is

  

Vorige week was ik aanwezig in een bankkantoor waar ik tot dan toe niet als klant was gekend. De reden van mijn bezoek aldaar was het openen van een bankrekening. Zonder slag of stoot ging dat niet. Want het computersysteem weigerde in eerste instantie, en ook in tweede, mijn identiteitsgegevens te bewaren, die via mijn in een kaartlezer gestopte identiteitskaart, op het computerscherm verschenen.

Bijgevolg dienden mijn gegevens op de conventionele manier te worden ingebracht. Zijnde het inscannen van de beide zijden van mijn elektronische identiteitskaart en van mijn handtekening. Waar serieus wat tijd in kroop. Wat ik dacht in een kwartiertje geregeld te krijgen, nam uiteindelijk drie keer zoveel tijd in beslag!

En mensen, wat een massa papier ging er bij deze handeling verloren. Die registratiepapieren, in drie exemplaren, het afdrukken van de voorwaarden en zo meer. Ecologisch gezien betekent het openen van een bankrekening, op zulk een manier, ernstige roofbouw op de natuur. Papier, inkt, elektriciteit... Mijn ecologische voetafdruk bedraagt alweer een maatje meer. Helaas! Maar gedane zaken nemen geen keer, dus ga ik me voor de rest niet druk maken over dit feit.

Wat ik enigszins raar vind is dat de dame die deze formaliteiten vervulde, gegevens wou over mijn inkomen, wou weten welke inkomsten er op die net geopende rekening zullen worden gestort en ze me daarenboven, weliswaar vriendelijk, doch enigszins dwingend, de vraag stelde of ze mocht weten wat ik van plan ben om met die rekening aan te vangen.

Waarschijnlijk is dit een routinevraag, maar ze kwam bij mij nogal raar over. Alsof bijvoorbeeld een dakwerker zal zeggen dat hij op zijn nieuwe bankrekening zijn uit zwartwerk verkregen inkomsten zal storten. Of een witte boord crimineel zal verklaren dat hij er zijn frauduleus verkregen gelden op zal parkeren. Of een drugsbaas aan een bankbediende zal bekennen dat hij net een rekening opende om er de opbrengsten van zijn drugstrafiek op onder te brengen.

Voorts vind ik zulk een vraag een ernstige inbreuk op de privacy. Stel je voor dat ik aan een sollicitant, die zich bij mij aandient voor een openstaande vacature, zou vragen wat de  kandidaat zinnens is om aan te vangen met het geld dat zij of hij bij een eventuele aanwerving, bij mij kan verdienen? Ik zou ongetwijfeld nogal een hevige reacties krijgen. En mogelijks niemand vinden om voor me werken. Terecht, overigens!

Maar ik hield me, in tegenstelling tot wat mijn gewoonte is, gedeinsd. Dat ganse gedoe met al die paperassen had al zo veel tijd gekost, dat ik geen zin had om er nog meer te verspillen door een nutteloze discussie aan te gaan met iemand die vast enkel uitvoerde wat haar overste haar heeft opgedragen.

Toen die vrouwelijke bankbediende alle verkregen data opsomde riep in haar op een gegeven moment even halt toe. Want bij burgerlijke stand had ik gehoord 'ongehuwd'. Terwijl ik officieel wel al sinds 1993 ben getrouwd. Die status wijzigen was volgens de bankbediende evenwel onmogelijk, omdat het gegeven zo van mijn identiteitskaart werd gelezen. Vreemd...

*****

Enkele dagen voordien had de, volgens de aan mijn identiteitskaart gekoppelde data, niet bestaande echtgenote, op mijn herhaald verzoek, mijn nog, in wat vroeger onze gezamenlijke slaapkamer op de eerste verdieping was, aanwezige kledij, in een grote doos en een dito geruite verhuiszak gestopt. Zodat ik ze elders, in een voor mijn assistenten toegankelijke ruimte, zou kunnen onderbrengen.

Terwijl ikzelf in de woonkamer zat, op het gelijkvloers, zoals vaak voor mijn computer, was zoon Brian blijkbaar toevallig getuige van de activiteiten van zijn ma. Want ik hoorde hem plots, door het houten vloer annex plafondgewelf uitroepen 'awesome!' (formidabel!). Waarna ik hem van de, ook al houten, trap hoorde naar beneden denderen. Waar even later de deur tussen onze hal en de woonkamer open vloog, en mijn zoon door het deurgat de kamer binnen stormde. Uitgedost in een beige broek die ooit tot mijn zondagse outfit behoorde en mijn, uit een ver verleden afstammende, zware zwartlederen motorvest.

Uitgelaten en blij stond de jongen daar te draaien, zich te showen voor mij en voor zichzelf. Dat laatste was mogelijk door de weerspiegeling van zijn gedaante in het glas van een manshoge vitrinekast die in onze living staat opgesteld. Brian had deze kledij gegraaid uit die door mij ter beschikking gestelde doos. Ooit de stevige kartonnen verpakking van een groot computerbeeldscherm.

Een dag later heb ik, met de praktische hulp van mijn assistente, alle overgebleven kledij van vroegere jaren eens aan mijn gezichtsveld laten passeren en er de items uitgehaald waarvan ik vermoedde dat ze mijn kinderen zouden passen en waarin ze mogelijks zouden kunnen geïnteresseerd zijn om ze aan hun garderobe toe te voegen.

In de avonduren heb ik hen die kledingvoorraad dan naar de woonkamer laten brengen. En mochten ze hun keuze maken. Wat me een verkleedschouwspel bezorgde dat aangenaam was om te zien.

*****

Het weerzien van een deel van mijn kledij van een tijd geleden, deed me terugdenken aan mijn favoriete kledingstukken van nog vroeger. In de decade tussen mijn vijftiende en mijn vijfentwintigste levensjaar droeg ik graag strakke, nauw om het lijf spannende broeken. Waarvoor je plat achterover op je bed moest gaan liggen om ze aan te trekken. En je buik diende in te trekken om de rits gesloten en de broeksknop dicht te krijgen.

Meestal droeg ik jeans. Maar af en toe kon ook een uit een andere textielstof vervaardigde pantalon, mij bekoren. Zo had ik, ten tijde van mijn voorlaatste jaar aan de middelbare school, een witte broek. Die enkel ter hoogte van mijn onderbenen enige ruimte vrij liet tussen het kledingstuk en mijn huid.

Op het einde van het schooljaar had ik mij vrijwillig aangemeld om ter voorbereiding van het opendeur weekend, op een vrije namiddag, het elektronicalokaal van onze school op te ruimen en enigszins aantrekkelijk in te richten. De klus was bijna geklaard toen ik mij hurkte om iets op te heffen en bij deze handeling de achterkant van mijn strakke witte broek hoorde en voelde scheuren.

Snel stelde ik me recht en voelde met mijn beide handen aan mijn bibs. Mijn broek was netjes in twee gescheurd, over de gehele lengte van mijn bilspleet! Nog een geluk dat ik die ochtend een propere onderbroek had aan getrokken. Want mijn twee klasgenoten, met wie ik de werkzaamheden verrichtte, waren op het geluid van die scheurende stof en mijn daarop aansluitend gevloek afgekomen en keken grinnikend naar mijn zitvlak.

Gelukkig droeg ik een lange zwarte gebreide wollen trui, die ik zo ver als enigszins mogelijk was, over mijn poep trok om de averij zoveel als mogelijk aan het zicht van anderen te onttrekken. Volgens mijn nog steeds glimlachende maten lukte dat op die manier vrij goed.

Het afwerken van de klus in het labo liet ik over aan hen en de leerkracht die poolshoogte kwam nemen, maar aan wie ik niks over mijn gescheurde broek vertelde. Aangezien ik me er eigenlijk een beetje voor schaamde.

Spiedend stapte ik over de verlaten speelplaats, richting de boom aan de uitgang, waar ik mijn moeder haar fiets had gestald. Het gebeurde wel vaker dat ik mijn ma haar tweewieler gebruikte op momenten dat ze hem kon missen. Dat, als gevolg van de opbouw van het tweewielig vervoermiddel verplicht voorover gebogen zitten op een herenfiets vond ik immers niet zo leuk. Vandaar dat ik me liever met een damesfiets verplaatste.

Wat me nu trouwens ook uitermate goed uitkwam. Want gezeten op mijn mannenfiets had ik, tijdens de 8 kilometer lange rit huiswaarts, mijn billen nooit geheel kunnen onttrekken aan het zicht van eventuele passanten. Wat me, gezeten op mijn ma haar fiets, wel redelijk lukte. In een zo rechtop zittende houding als enigszins mogelijk was, wisselde ik voortdurend van hand om het stuur vast te houden, zodat ik met de vrije hand mijn omhoogschuivende trui naar beneden kon trekken. Allicht heb ik toen kunnen ervaren hoe het aanvoelt als je als meisje, met een ultra kort jurkje of rokje aan, met je onderbroek op het fietszadel zit.

Daar denk ik nu aan. Want toen was al mijn aandacht gericht op de vrees om bekenden tegen te komen die zouden merken wat er met mijn broek aan de hand was. En voor schut staan en mogelijks de dagen nadien door de halve schoolbevolking of een kwart van mijn dorpsgenoten uitgelachen worden, daar had ik als tiener totaal geen zin in.

Rudi, 8 maart 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 12 mei 2010.

24-02-10

Rudi’s ontboezemingen - Curieuzeneuzen in een Hollandse seksshop

  

Vele jaren geleden, toen ik nog de mening was toegedaan dat ik, OOK IN EEN ROLSTOEL gezeten, alles moest kunnen doen wat valide personen probleemloos gedaan krijgen, en dat ook telkens weer wou aantonen, ben ik tijdens een bezoekje aan vestingstad Hulst, in Zeeuws-Vlaanderen, Nederland, eens in een seksshop binnen gereden... met mijn zware elektrische buitenrolstoel. Het binnen geraken kostte mij wat manoeuvreerwerk, maar lukte wonderwel. Veel kon ik daar in dat sekswinkeltje evenwel niet uitrichten. Eigenlijk helemaal niks. Van de 'vieze' (? ;-) boekjes en films op VHS en Dvd kon ik zelfs amper met veel moeite van mijn blauwe kijkers, een glimp opvangen van de voorflappen met niets aan de verbeelding overlatende foto's en de, voor het doelpubliek wellicht aanlokkelijke titels. Je kent dat wel... of net niet.

Tussen de ruime voorraad speeltjes in een ander deel van de winkel zag ik niks dat ik niet eerder had gezien. Want zelfs zonder er ooit iets uit te bestellen, krijgen wij toch geregeld de pabo met de Post aan huis geleverd. Dus weet ik onderhand wel wat er in die branche op de markt te verkrijgen is. Dit even ter zijde. In dat enigszins gore sekswinkeltje, met nochtans ook een vrij uitgebreid assortiment aan erotische hulpmiddelen, accessoires, opblaaspoppen, lingerie, videofilms, dvd's, pretartikelen en zo meer, was evenwel niks tentoon gesteld dat me kon bekoren om over te gaan tot de aankoop ervan.

Dus keek ik maar eens even goed rond in de zaak, op zoek naar iets dat wel interessant was. Andere in de winkel rond snuisterende lui observeren was onmogelijk wegens een totale afwezigheid van potentieel cliënteel. Er was enkel de van een flinke hangbuik voorziene uitbater van de keet. Die kerel, met stoppelbaard, droeg een groezelige witte T-shirt en een versleten jeans. Zijn met veel gel ingestreken kalende haardos, was achteraan de nek in een staartje gebonden. Op zijn beide armen stonden tatoeages waarvan de kleur totaal was verdwenen. De man zat op een kruk achter zijn toonbank. En keek verveeld naar een klein tv'tje dat met een beugel aan het plafond was bevestigd. Op het kijkkastje was een zwart/witweergave te zien van een film die, naar ik kort daarna ontdekte, in een, voor de toeschouwers hopelijk kleurenversie, op groot beeld te zien was in de aan deze winkel verbonden koppelcinema. Aanlokkelijk was die pornoprent geenszins. Het verwonderde mij dan ook niet toen even later een stel zestigers de deur waarachter het bioscoopzaaltje zich bevond, openden en klaarblijkelijk onvoldaan, want met een sip gezicht, naar buiten stapten.

Misschien waren ze beter naar de, ook al in deze zaak gevestigde peepshow gaan kijken. Alhoewel, de dame die van corvee was om, middels wat uitkleden en allicht ook enige wulpse bewegingen, of althans een poging daartoe, de daarvoor betalende dames en heren op te geilen, zag er, in mijn ogen en naar mijn smaak allesbehalve aantrekkelijk uit. Vanaf mijn zitplaats op de op een prikbord bevestigde foto van de jonge vrouw te zien, althans. Zin om de deerne in het echt te aanschouwen had ik helemaal niet. En bovendien vermoed  ik dat mijn echtgenote, die bij me was, me dat ook niet had toegelaten.

Wegens het gebrek aan animo duurde het dan ook niet lang vooraleer we ons naar de uitgang van dit duistere pand begaven. Met lege handen, maar opgetogen over het feit dat ik binnen was geraakt Tevreden dat ik het toch maar weer eens had gedaan. En toen nog in de naïeve veronderstelling dat mijn bezoek aan zijn winkel, de uitbater hopelijk eens zou doen nadenken over het feit dat ook mensen in een rolstoel potentiële klanten zijn.

Probleemloos, al rollend die winkel verlaten bleek evenwel niet zo evident te zijn. Want er was, allicht als diefstalpreventie, een korte bocht, een smal sas en daarachter ook nog een soort klapdeur. Zonder hulp van derden, in dit geval mijn eega, was ik daar nooit buiten geraakt. Het viel me op dat, terwijl wij daar aan het sukkelen waren, de exploitant niet eens opkeek en alle, buiten in de winkelwandelstraat kuierende passanten, collectief de andere kant opkeken. Daarna heb ik mij dan ook nooit meer in een seksshop gewaagd. Maar gelukkig heb ik het internet en, niet te vergeten, die erotiekcatalogus van pabo, om me van het aanbod in dat marktsegment op de hoogte te houden.

Rudi, 10 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 24 februari 2010.

07-11-09

Rudi’s overdenkingen - Apenland

 

In België trekken sommige regels werkelijk op geen kloten! Zo betaal ik bijvoorbeeld, omdat ik daartoe ben verplicht, jaarlijks trouw mijn bijdrage voor de zorgverzekering. Weliswaar aan een gunsttarief, gezien mijn situatie. Maar hoewel ik aan alle voorwaarden om daar van te genieten, ruimschoots voldoe, wordt deze niet aan mij uitgekeerd!

Omdat ik een budget krijg uitbetaald om assistenten aan te werven en te betalen! Maar met dat geld kan ik niet hetzelfde doen als met het bedrag van de zorgpremie! Dat budget mag enkel en alleen worden aangewend om onder een arbeidscontract voor mij werkende personen te betalen, en tevens een beperkt aantal daaruit voortvloeiende kosten. En al die uitgaven moeten tot in de details met officiële documenten worden bewezen.

Gedurende het eerste jaar dat ik weer thuis woonde, na anderhalf jaar in het ziekenhuis te hebben vertoefd, maakten wij gebruik van de dienst thuiszorg, van de mutualiteit waarvan we toen lid waren. En waar we trouwens nu nog steeds zijn bij aangesloten. Die mensen kwamen ons huisgezin enkele dagen per week bijstaan voor het verrichten van allerlei huishoudelijke taken en het helpen van de verpleegkundigen bij mijn verzorging.

Op het einde van dat kalenderjaar werden we op een zekere namiddag opgebeld door de verantwoordelijke van deze dienst. Ze had me een maand daarvoor ook al eens gebeld voor een afspraak om mijn dossier te herbekijken. Toen was die ontmoeting evenwel niet doorgegaan, want ze was ziek geworden, zoals iemand van haar dienst me telefonisch had gemeld. En nu wou ze ineens dringend langskomen. Dat vrouwmens werd warempel boos toen mijn echtgenote haar kordaat meldde dat we haar de huidige week niet meer konden ontvangen! Als invalide wordt je immers verondersteld ten allen tijde, voor iedereen die dat wil, beschikbaar te zijn. Zieken en gehandicapten hebben toch geen plannen, noch bezigheden, zo veronderstelt men volkomen onterecht.

In het begin van de daarop volgende week kwam die vrouw dus op huisbezoek. Allicht van de maatschappelijk werker van de mutualiteit, behorende tot dezelfde zuil, maar dat wou ze niet bevestigen, had ze te horen gekregen dat me vanwege de overheid een integratietegemoetkoming was ten deel gevallen. Dus nu moest de ons aan te rekenen kostprijs, voor de door hen aangeboden thuishulp, worden herberekend. Als er (geld) te rapen valt, schiet men vlug in actie!

Toen ik tijdens de voorbije zomer van dat jaar die vrouw contacteerde omdat ik, in de zorgsector, een door hen gehanteerde vakantieperiode van drie (3) maand, met zeer beperkte dienstverlening, toch wat al te gortig vond, reageerde ze zo snel niet. Wat zeg ik? Ze heeft daarop helemaal niet gereageerd! Misschien wel omdat ze zelf ook zo een lange pauze nam?!

Om terug te komen op de reden van dat huisbezoek. Verrast merkte ik op dat, naar ik vernam, die integratiepremie me door de hogere overheid werd toegekend om deels de extra kosten die mijn handicap met zich meebrengt, te dekken. "En u wilt deze dus gebruiken om er uw organisatie mee te financieren?" zo stelde ik de dame beleefd de vraag. Je had die moeten zien steigeren! Ze ging me dus het bewijs opsturen dat mensen zoals zij wel degelijk recht van inzage hebben in mijn overheidsdossier en haar wijze van handelen, volkomen reglementair was!

Enkele dagen later ontving ik met de brievenpost een kopietje van één of andere wettekst, uitvoeringsbesluit of zoiets, waaruit dus moest blijken dat het mens gelijk had. En het recht had de prijs per uur op te trekken tot een astronomisch bedrag. We hebben die thuishulpdienst terstond buiten gebonjourd, want voor die prijs konden we net zo goed iemand uit de privé betalen!

Rudi, 4 april 2009 (revisie op 26 oktober 2009)

14-10-09

De avonturen van Rudi & Co - Uitschot

 

De zondag voor Kerst was ik met mijn echtgenote en kinderen op de markt die elke zondagochtend wordt ingericht op de terreinen van de oude slachthuizen in wijk Kuregem, te Anderlecht. Les abattoirs de Cureghem, zoals die plaats het best is gekend door de voornamelijk Franstalige standhouders en bezoekers.

Het was geleden van de laatste zondag van februari van dit jaar, dat we daar nog eens waren geweest. Op deze multiculturele markt, waar je zowat alles vindt wat je nodig hebt of denkt te kunnen gebruiken. Voeding en niet-voeding. In het begin van het jaar waren we er zonder de kinderen. En deed er zich een incident voor dat me toen toch wel even boos maakte.

Vooraleer, na een ochtend kuieren, het uitgestrekte terrein te verlaten, wou mijn vrouw nog op zoek gaan naar enkele producten. Aangezien ik het enigszins beu was om me, uiterst behoedzaam en traag, tussen de mensenmassa te bewegen, stelde ik voor dat ze alleen zou gaan. Ik zou blijven wachten op de plaats waar we ons op dat moment bevonden.

Zo gezegd, zo gedaan. Mijn wederhelft verdween in de mensenzee en ik keek uit naar een plekje om op haar terugkeer te wachten. Ik bevond mij aan het begin van het marktgedeelte met de groenten en fruitstandjes. Ik positioneerde mij met mijn elektrische rolstoel schuin tegenover de hoek van een kraam waar ondermeer olijven en andere (zuiderse) vruchten werden aangeboden.

Door de positie waarin ik stond, kon enerzijds iedereen aan elk product dat op die marktstand werd verkocht en anderzijds bleef er in de gangen genoeg ruimte over voor de passanten. Ik zat daar dus goed, dacht ik. En hield me ledig met het observeren van de mensen die in mijn gezichtsveld kwamen. Zelf was ik die ochtend, als steeds, alweer door honderden mensen 'aangestaard' als ben ik een buitenaards wezen, wat naar mijn weten, nochtans niet het geval is.

Ineens stond daar die standhouder voor me, met het, in het Frans uitgesproken, dwingende en dringende 'verzoek' me elders op te stellen, want ik hinderde zijn klanten. Ik weigerde resoluut! En wees die vent op de zee van ruimte om me heen. Toch wou die kerel me nog steeds weg. Ik werd boos! En zei hem mijn gedacht. In het Nederlands! Dat was voor die kerel te veel. Iemand met een handicap die mondig Is en op de koop toe in een taal sprak waarvan hijzelf nog niet eens de basis machtig is, daar had die groentenmarchand zich helemaal niet aan verwacht! En het zich rondom ons verzamelde publiek had hij vast ook liever niet voor zijn kraam. Met mij tot kalmte aanmanende handgebaren, kroop hij terug achter zijn vijgen, olijven en andere dingen die ik niet lust kraam.

Inmiddels was Caroline terug. Maar uit koppigheid bleef ik nog vijf minuten op dezelfde plaats staan. En die vent maar vies lonken. Ik sneerde hem nog toe dat, als hij, in mijn land, in mijn hoofdstad, nog iets tegen mij wou zeggen, hij er voor moest zorgen mijn taal machtig te zijn. De man keek me toen aan als een koe die moet kalveren, of net gekalverd heeft, dus in elk geval nogal dwaas, waaruit ik afleidde dat die sukkel van mijn betoog geen jota begreep!

Dat was dus begin 2008. Nu terug naar zondag jongstleden. Als steeds, was het erg druk op de markt. We slenterden met ons vieren enkele uren rond en deden wat inkopen. Vooral kledij voor Brian en Austin. Die hebben regelmatig nieuw lichaamsbedeksel nodig. Omdat ze in de groei zitten! Zogezegd! En de ouders blijven status-quo qua grootte en moeten het dus maar stellen met de kleding die reeds in hun kast hangt! Zo gaat dat nu eenmaal als je kinderen hebt. En ik heb daar helemaal geen moeite mee.

Het was kort na de middag en we waren reeds op weg naar de uitgang van het, deels overdekte, marktterrein. Ik reed voorop. Iemand moet de leiding nemen, nietwaar?! Mijn rolstoel wiebelde een beetje. Ik dacht dat mijn zoons me aan het jennen waren, dus reageerde niet. Om hun pret te bederven. Hahaha! Er is wel wat meer nodig om me uit mijn tent te lokken!

Ineens hoorde ik hun mama iets schreeuwen. Een overdreven reactie op wat de jongens met me deden? Ik zag ineens iemand van achter mij vandaan komen, en haastig wegstappen. Neen, twee personen zelfs! En niet mijn jongens, maar wel jongelui. Een grote en een kleine. Ik stopte en wachtte op mijn gezellen, om verduidelijking te krijgen over wat er aan de hand was.

De verklaring kwam er snel. Austin had iemand betrapt terwijl die trachtte de rits van mijn rugzak te openen. Austin had onmiddellijk met zijn vlakke hand op dienen gast zijn vingers getikt! De kleinste van de twee, even voordien wegsnellende jongeren. En Caroline had hen kwaad toegeschreeuwd. Had ik onmiddellijk geweten dat die twee wegvluchtende gasten me hadden trachten te beroven, ik had ze terstond aangereden, zodat ze met hun klikken en hun klakken in een groentenkraam terecht kwamen. Met wat geluk, en liefst, in dat van die onsympathieke olijvenverkoper!

Ironisch genoeg had ik, in tegenstelling tot wat ik doorgaans altijd doe, mijn gezellen bij het betreden van de markt, deze keer NIET gewaarschuwd voor zakkenrollers, tasjesrovers en andere straatbandieten. En weerklonk er, net na dit voorval, voor het eerst die dag, uit de her en der opgehangen luidsprekers, een schel klinkende mannenstem die ons waarschuwde op onze hoede te zijn voor gauwdieven!

Je mag van me denken wat je wilt, maar ik heb mijn kinderen aangeraden om, als ze nog eens iets dergelijks zien, zulke kerels dan meteen met hun voet een flinke trap op de kin te geven. Gevolgd door een fameuze schop tussen de benen. De aanval is immers de beste verdediging! En die boeven verwachten geen verweer, weten dat zij in de fout zijn, en zullen steeds trachten er zo snel mogelijk van onder te muizen! Ze zullen vechten om andermans bezit in handen te krijgen, maar niet om hun eer. Want dat hebben die gasten niet; net zo min als normbesef. Vandaar dat het goed kan zijn ze eens een fikse rammeling te geven. Dan houden ze zich vast, op zijn minst, een tijdje gedeinsd!

Met gauwdieven en ander gespuis en uitschot, heb ik totaal geen compassie. Zelfs niet in de  Kerstperiode. Maar ik heb wel expres gewacht met dit verhaal te schrijven en te publiceren tot na Kerstmis. Want ik ben de dagen voor en na Kerstdag toch ook liever bezig met leuke, vredige gebeurtenissen. En met mij het gros der mensen, veronderstel ik. Vrede op aarde aan elkeen die met haar of zijn pollen afblijft van andermans bezit!

Rudi, 27 december 2008 (revisie op 14 oktober 2009)

11-10-09

Rudi's ontboezemingen - Wit – geel – bruin - …

 

De afkeer die sommige mensen hebben ten overstaan van personen met een andere huidskleur, zal ik allicht nooit begrijpen. Dat je er als blanke zelf niet geelachtig wil uitzien zoals een Chinees of een andere Aziaat, dat is verstaanbaar. Want ofwel heb je dan een verkeerde dagcrème gebruikt, of anders is er medisch iets niet met je in orde. Doorgaans een probleem met de lever.

Twee jaar geleden ben ik zelf uit het ziekenhuis gekomen met Hepatitis, een virale leverontsteking. Totaal uitgeput was ik, en elke dag manifesteerde het uiterlijk kenmerk van de ziekte, de zogenaamde geelzucht, zich meer en meer. In de kliniek hadden ze zich daar geen vragen bij gesteld. En de donkere urine en dito ontlasting hadden, bij de verpleegkundigen, ook geen belletje doen rinkelen. Uiteindelijk is het, dankzij de nodige en juiste medicatie, terug in orde gekomen met mijn lever en kreeg ik naderhand ook mijn normale, blanke huidskleur terug.

Een bruin tintje daarentegen, is nog altijd in. Dit ondanks alle waarschuwingen in de media om blootstelling van de huid aan de zon, zo veel mogelijk te beperken. Teneinde de kans op huidkanker tot een minimum te beperken. Toch blijven wij blanken zonnekloppers. In eigen land, of als de zon het hier laat afweten, in het buitenland. En ook het gebruik van de zonnebank blijft immens populair. De mensen willen er gezond uitzien. En veelal oogt een blanke persoon met een (licht)bruin kleurtje inderdaad gezonder!

Toen ik mijn echtgenote leerde kennen was ons verschil in huidskleur totaal onbelangrijk. Zoals ik daarnet reeds meldde en elkeen op de foto in de rechterbovenhoek van deze weblog kan zien, ben ik één en al blank. Mijn vrouw daarentegen, een Afrikaanse, is behoorlijk bruin. Maar dat is nooit een issue geweest bij onze keuze voor elkaar. Alhoewel je bij verliefdheid en liefde bezwaarlijk van kiezen kan spreken. Het is veel meer iets dat je overkomt. En kleur, religie, cultuur, afkomst... zijn op dat moment helemaal niet van belang. Althans bij mij was dat zo. Vooraleer me in het grote avontuur van het huwelijk te storten heb ik evenwel, ondanks mijn verliefdheid,  het voor en tegen ernstig afgewogen, niet de discrepantie in kleur, maar wel het verschil in cultuur en afkomst daarbij ernstig in overweging nemend. De liefde overwon!

Mijn vrouw en ik waren reeds enkele jaren gehuwd, toen plotsklaps een herinnering uit een ver verleden, tot dan toe opgeslagen in een verborgen gedeelte van de dataopslagplaats onder mijn schedelpan, gewoonlijk brein of hersenmassa genoemd, terug aan de oppervlakte kwam. Zonder aanleiding, bij wijze van spreken werd vrijgegeven, door mijn, zoals bij de meeste mensen, deels autonoom opererende hersenen.

Reeds in mijn kinderjaren was bruin mijn favoriete kleur. Hoe donkerder, hoe liever. En in mijn levensjaren ergens tussen kleuter- en tienertijd, wou ik ook zo een huidskleur. Dus nam ik me voor dat, als ik groot zou zijn, ik met een bruine madam zou trouwen. Dan kreeg ik in ieder geval bruine kindjes. En werd ik door veelvuldig (lichamelijk?) contact met mijn bruine partner, mogelijks zelf ook wel mooi bruin. Voor wie er aan denkt het zelf uit te testen, heb ik bedroevend nieuws. Het is verloren moeite. Die huidskleuroverdracht of  -transformatie gebeurt dus NIET! Daarvan ben ik het levende bewijs.

Ja, als ik regelmatig in de zon vertoef, kleurt het gedeelte van mijn lichaam dat de zonnestralen ontvangt, gewild roodbruin. Maar geenszins verkrijg ik, de als kind beoogde, ebbenhouten teint. Dat gekleurde velletje verdwijnt daarenboven uiterst snel, als sneeuw voor de zon, eens de blootstelling aan de stralen van het doorgaans als geel voorgestelde hemellichaam, zon genaamd, voor langere tijd wordt stopgezet. Heden, zowat 35 jaar na die kinderdroom, maal ik daar ook helemaal niet om. Maar ik ben wel gelukkig met de mooie lichtbruine huidskleur van mijn twee zoons! Dat gedeelte van mijn droom is, naast dat trouwen met een zwarte madam, in elk geval, en ongepland, ook uitgekomen!

Rudi, 4 december 2008 (revisie op 26 juni 2009)

04-10-09

De avonturen van Rudi & Co - Avontuur in de avonduren

 

Mijn lotsbestemming blijft verrassingen voor mij in petto hebben. Veel te veel naar mijn zin. Maar als er één zekerheid is in dit aardse bestaan, dan is het wel het feit dat je het lot hoe dan ook niet kan ontlopen.

Eergisteren ben ik met Caroline, mijn echtgenote, naar de middelbare school gewseest, waar onze zoon Brian zijn eerste jaar ASO (Algemeen Secundair Onderwijs) volgt. We waren immers uitgenodigd voor een oudercontact, waarbij ons werd aangeboden, tijdens een persoonlijk gesprek met de leerkrachten, de nodige toelichting te krijgen bij de studieresultaten van onze zoon, tot op heden.

Welkom voelde ik mij bij aankomst aan de school helemaal niet. Want dat plankje, met hellend vlak, om via de hoofdingang in de school binnen te geraken, lag niet klaar. Een attente dame zorgde er evenwel voor dat twee mannen, binnen de kortste keren de ramp voor de dorpel hadden geplaatst. En, eens ik binnen was, ook terug op zijn oorspronkelijke plek legden. Anders zou ik niet tot aan de lift zijn geraakt, die we nodig hadden om in de klaslokalen te geraken, waar de leerkrachten ons te woord zouden staan.

Die lift, dat is zo een oud type, met een vaste, zware, open te draaien deur, en zonder dubbele cabine. Wat betekent dat, eens je in de ascenseur staat en deze met een druk op de knop in beweging hebt gezet, je, aan de kant waar je bent ingestapt, de wand van de liftkoker vervaarlijk aan je voorbij ziet flitsen. Gevaarlijk vind ik dat! Dat systeem zal wellicht beveiligd zijn. Maar wat als die beveiliging faalt? Dan kan je net zo goed mee naar boven worden gesleurd, met alle kwalijke gevolgen van dien.

Aangezien de liftkoker dan ook nog eens aan de kleine kant is, pas ik er alleen maar in als ik mij met mijn rolstoel schuin in deze lift positioneer. Enkel op die manier  kan ik er gebruik van maken. Maar kom, we zijn gewoon van ons plan te trekken en we zijn, met behulp van dat systeem, in ieder geval op de verdiepingen geraakt waar we zijn moesten.

Alles bij elkaar genomen hebben we tweeënhalf (2,5) uur zitten wachten om drie (3) leerkrachten gedurende een vijftal minuutjes te spreken. Die tijd uittrekken en dat wachten heb ik er absoluut voor over, om met de leerkrachten van mijn zoon eens van gedachten te wisselen. Maar er zou wel eens een efficiënter formule mogen bedacht en toegepast worden. Want ik had graag ook nog met enkele andere leraars en leraressen kennis gemaakt. Nu was daar geen mogelijkheid toe. De globaal toegewezen tijd was immers op!

Wel vijf of zes mensen heb ik gisterenavond gezien, die lid zijn van het oudercomité, waarvan ook ik deel uitmaak. Die dames (?) en heer (?) vonden mij blijkbaar niet de moeite waard om gedag tegen te zeggen. Was het misschien omdat mijn echtgenote erbij was? Die heeft namelijk een bruine huidskleur. Er waren nochtans meer ouders met een kleurtje aanwezig. De schoolbevolking is immers nogal heterogeen samengesteld. Nu ja, ik ga mijn hoofd niet breken over de oorzaak en beweegredenen van die mensen hun totaal gebrek aan elementaire beleefdheid. Ten overstaan van Caroline en mij welteverstaan, want andere mensen werden wel door hen begroet. Dus zal het allicht aan onszelf liggen. Of berust dit op een misverstand en hebben die lui mij gewoonweg niet herkend?! ;-)

De leerkrachten daarentegen, zijn vriendelijk, gemotiveerd en vol goede intenties. De ene allicht al wat meer dan de andere, maar ik heb toch de indruk dat de school een goed leerkrachtenkorps heeft. Ook een aantal leerlingen van de hogere jaren lieten zich op deze oudercontactavond van hun beste kant zien. Al heb ik wel mijn bedenkingen bij de nogal onbehouwen wijze waarop ze hun taak uitvoerden. De jongeren gingen immers, in twee ploegen, denk ik, rond om aan de leerkrachten en wachtende ouders soep te bedelen. Wat ik zag en hoorde, was een meisje met een grote, en blijkbaar zware ketel soep. Naast haar een jongen met een grote pollepel, waarvan hij de steel in de ene hand en de schep in zijn andere hand hield, bovenop een aantal van resten soep doordrongen servetten. Niet echt een appetijtelijk aanzicht.

"Moet er iemand soep hebben?" vroeg de jongen. Wie reageerde zei "neen, dank u" of bewoog het hoofd een paar keer van links naar rechts en terug om hetzelfde antwoord te geven, maar dan visueel.  Ook ik bedankte voor het aanbod, dat nochtans niet rechtstreeks tot mij was gericht. Het kan idioot lijken, maar ik zag enkel die twee jongelui en veronderstelde dus dat iedereen uit diezelfde soeplepel moest drinken. Die dan telkens gereinigd werd, vandaar die doordrenkte servetten. Maar mijn mond aan die lepel zetten, wat even voordien ook een wildvreemde had gedaan, dat zag ik helemaal niet zitten. Zulks doe ik niet als ik in Europa ben! Opeens kwamen echter nog twee andere meisjes opdagen, waarvan er eentje een mand droeg met soepkommen, lepels en servetten in. Maar niemand van de ouders kwam op haar of zijn beslissing terug. Ook ik niet.

Niet stoppen met lezen, want mijn verhaal is nog lang niet ten einde. De plot moet nog komen! Tijdens het wachten op audiëntie door de leerkracht wiskunde, merkte ik op dat de gang stilaan leegliep. Diverse leerkrachten deden hun jas aan en vertrokken. Ook de meeste, ten behoeve van de wachtende ouders, in de gang geplaatste stoelen, stonden er nu werkloos bij. Aan Caroline liet ik weten dat ik er niet gerust in was. Dat wij nog met de lift naar beneden moesten en dat ik bang was dat we vast zouden komen te zitten in de lift en alzo opgesloten en achter zouden blijven in een verlaten schoolgebouw. Mijn eega deelde deze vrees niet.

Na het onderhoud met de wiskundeleraar, repten we ons naar de lift. Teneinde van de derde verdieping, waarop we ons bevonden, terug op het gelijkvloers te geraken. Ik reed de cabine schuin in. Caroline kwam naast mij staan, sloot de deur en drukte op de '0'. Er gebeurde niks. Geen van ons beiden stond we voor het oog/de ogen die de deur beveiligen. Dat kon dus niet de oorzaak zijn van de malfunctie. Dus nogmaals geprobeerd. En nog eens. Uiteindelijk kwam de lift dan toch in beweging, om even later met een schok alweer halt te houden, tussen twee verdiepingen in. Op welke knop er ook werd gedrukt, er kwam geen beweging in dat ding. Mijn voorgevoel dreigde bewaarheid te worden!

Caroline probeerde dan maar de lift te laten bewegen door de knop ingedrukt te houden. Eureka! Dat lukte... even. Alweer was de lift met een schok stil komen te staan. De truc met het ingedrukt houden van de knop werkte deze keer niet. Wat nu gezongen? Iemand bellen? Maar wie? En het belkrediet van mijn GSM-kaart was zo goed als opgebruikt. Hopelijk dat van Caroline niet. Maar ik durfde het haar niet te vragen. Gelukkig bleef de licht in de liftcabine branden. Na even gewacht te hebben, kwam er bij het blijven ingedrukt houden van de liftknop uiteindelijk toch weer beweging in de lift en geraakten we zo, in enkele etappes, dan toch terug op de begane grond. Oef! Dat was in elk geval de laatste keer dat die lift me heeft mogen vervoeren. Het risico vast te blijven zitten, neem ik niet meer.

Helemaal buiten geraken via de voordeur was er ook niet meer bij. Vrijwilligers om dat hellend vlak te helpen verplaatsen waren er niet te bespeuren. Gelukkig was de achterdeur niet op slot en kon ik dus in het pikkedonker langs de achterzijde het gebouw verlaten. Als een dief in de nacht. En met gevaar lek te rijden op een onzichtbaar object. Leuk is anders!

Rudi, 8 november 2008 (revisie op 19 juni 2009)

 

03-05-09

De avonturen van Rudi & Co - alweer een deel

 

Sinds zowat driekwart jaar oefen ik, met de hulp van een logopediste, mijn adembeheersing en spreekkwaliteit. Door die verlamming bedraagt mijn longcapaciteit immers slechts de helft van wat het voor een persoon van mijn leeftijd en gestalte zou moeten zijn, en nu tracht ik daar door oefenen en het gebruik van spreektechnieken, het maximale uit te halen.

Tijdens die stemoefeningen bleek dat ik een spraakgebrek heb. Ik was me daar totaal niet van bewust. Niemand heeft het me ooit gezegd en zelf had ik er blijkbaar nooit op gelet. Sommige letters spreek ik soms verkeerd uit: 'S' in plaats van 'Z', 'F' waar het 'V' moet zijn, en zo meer. En blijkbaar ben ik niet de enige die zulks doet.

Gisteren woonde ik, samen met mijn zoons, de eucharistieviering bij in de kerk, gelegen in het centrum van onze woonplaats. De celebrant had het er in zijn homilie over dat het tijd wordt dat gelovigen terug durven uit te komen voor hun overtuiging. Dat ze het Woord van Jezus Christus uitdragen, en dat, en hij herhaalde het een aantal keer: in naam van de 'Geilige Geest'!

Woensdag jongstleden was ik in het voetbalstadion van 'Sporting Lokeren'. Ik volgde de wedstrijd van de thuisploeg tegen Sint-Truiden in de 1/8 finale voor de 'Beker van België'. De kinderen had ik thuis gelaten, want op een schooldag horen die in bed te liggen op het uur dat de match aanving, zijnde acht uur 's avonds. Lokeren won de wedstrijd, met nogal wat geluk, en stoot als gevolg daarvan door naar de kwartfinales, waar het zal moeten optornen tegen provinciegenoot Gent.

Dat voor wat het sportieve gedeelte van de avond betreft. Ik wil immers melding maken van een incident dat plaatsvond naast de grasmat. Omdat er elders geen plaats voor me is, had ik naar gewoonte plaatsgenomen in de dug-out naast deze van de bezoekende club. Voor wie dat niet kent: een dug-out is een schuilhok met daarin (klap)stoelen, waarop doorgaans trainer(s), dokter, verzorger(s) en wisselspelers plaatsnemen, zodat ze enigszins beschut zijn tegen koude, regen en wind. In Lokeren hebben ze er dus ook zo eentje voor de 'mindervaliden'.

Toen ik arriveerde zaten er in 'het onze' reeds enkele mensen. Een oude heer in een manuele rolstoel, een valide oudere dame die zichzelf opwerpt als verantwoordelijke voor wat er in het invalidenschuilhok gebeurt en haar mentaal gehandicapte zoon van naar ik schat een jaar of vijfenveertig. Nadat ik hen gedag had gezegd en plaats had genomen voor de klapstoeltjes, kwam daar nog een dame bij met haar fysiek en mentaal beperkt zoontje, en wat later ook een jongeman met een meervoudige handicap, allen habitués.

Net voor de rust stond daar ineens die man in zijn rolstoel naast me. Die wou waarschijnlijk naar het toilet. Hij vroeg me plaats te maken, zodat hij me op de betonstrook kon passeren. Ik zag niet direct een uitweg, plaatste me een beetje schuin, zodat hij toch kon passeren, zonder op het gras te moeten rijden. Toen hij een minuut of vijf later terug kwam, ze ik: "Wacht, ik rij vooruit, dan heb je méér plaats om te passeren", maar die vent wou blijkbaar niet luisteren, want voordat ik mijn machine in beweging had gezet, reed hij me al voorbij: zijn twee linkerwielen op de betonstrook, zijn rechterwielen op het gras. Toen hij het betonvak wou oprijden, bleef zijn rolstoel steken. De man sloeg in paniek - voor zoiets idioots! - en riep om hulp. De zoon van de 'bazin' snelde meteen toe en duwde de oude in zijn kar het beton op.

Maar daar hield het niet bij op. De zoon keerde zich met een op onweer staand gezicht tot mij en brulde: "Niet profiteren, hé! Ik zal het zeggen tegen de bazen, hoor!" Ik waande me even in een kleuterschool. Ik wachtte even, verwachtend dat moeder hem tot de orde zou roepen, maar toen dat niet gebeurde, repliceerde ik dat hij zijn manieren en mond moest houden, en dat hij, als het hem niet aanstond, maar thuis moest blijven. Maar dat drong, zo denk ik, niet tot hem door.

Nu heb ik absoluut niks tegen mensen met een beperkt geestelijk vermogen. Ze kunnen er meestal zelf niet aan doen dat ze zo zijn. Maar dat geeft hen mijns inziens niet het recht om andere mensen te ambeteren. En als men weet dat zij zelf geen controle hebben over hun gedrag, dan moet hun begeleider hen maar in toom houden.

Tijdens de rust reed ik naar die man in zijn rolstoel toe en zei hem in het vervolg te wachten tot ik plaats maak, vooraleer me te passeren. De man zei dat hij me toen niet had verstaan. De moeder en de zoon, die naast de man zaten, hielden zich stil. Ik zweeg ook, want ik had geen zin in nog méér commotie. De meervoudig beperkte jongen kwam na de rust niet meer tussen ons zitten. Die nam plaats op een stoeltje, wel tien meter verder. Die vreesde allicht voor nog méér opschudding.

Ik kwam reeds eerder in aanvaring met het volk dat doorgaans de invaliden dug-out bemand. Ze zitten daar de lucht te bezoedelen met hun rookwaar, slaken oerkreten en zijn als de dood voor 'de bazen van boven': de voorzitter en zijn gevolg'. Maar als mijn zoons wat kabaal maken met hun claxons, beginnen ze te zagen. En als mijn rakkers wat staan te springen en meezingen met de leden van de spionkop, dan klagen ze ook dat ze niks zien en zijn ze, onterecht, bang dat de 'bazen van boven' hun ganse groep buiten het hek zal zetten.

Gelukkig gebeuren er ook wel eens leuke dingen als ik me onder de mensen begeef. Zoals op tweede Kerstdag, toen ik met mijn gezin een Kerstfeestje bijwoonde. We hadden ons net geïnstalleerd aan een tafeltje, toen iemand zachtjes op mijn arm tikte. Ik keek op en zag een klein meisje staan. Ze zei glimlachend "Dag mijnheer" en wuifde me toe met het handje dat me even voorheen had aangeraakt. Ik beantwoordde haar groet breed glimlachend. Ze huppelde olijk weg. Mijn echtgenote vroeg me of ze een reden had tot ongerustheid. We barstten samen in lachen uit.

Het is eens iets anders, die aandacht van kleine meisjes. Tot voor kort waren het vooral dames van rijpere leeftijd die me aandacht schonken. En ik nam daar genoegen mee. Maar daar is recentelijk dus verandering in gekomen. Zo kreeg ik eind december Kerstkaartjes van twee klasgenootjes van mijn zoons. Omdat ze weten dat ziek zijn niet leuk is en ze hopen dat ik spoedig weer beter word. IJdele hoop, helaas, maar hun gebaar ontroerde me wel. Kindjes van acht, die oog hebben voor het leed van een medemens. Het stemt me hoopvol voor de toekomst.

Ru(sh)di(e), 24 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)

02-05-09

De avonturen van Rudi & Co, een tragische week

 

Het is me weer een week geweest. Maandag, na het ochtendtoilet, dat bestaat uit een wasbeurt en aankleden op bed, wou mijn verpleegster me van mijn bed, in mijn rolstoel plaatsen. Die transfer gebeurt middels een draaischijf. Ik word op de rand van mijn bed gezet, mijn voeten op de draaischijf, de verpleegster duwt haar knieën tegen de mijne, ik kom recht, waarna ze me een kwartslag draait, zodat ik in het naast mijn bed opgesteld vehikel beland. Als alles goed gaat, tenminste. Wat vandaag dus niet het geval was. De verpleegster struikelde bij het draaien over haar eigen voeten, verloor haar evenwicht, viel, en sleurde mij mee in haar val.

Mijn lichaam ving ze op met het hare, maar mijn voorhoofd botste nogal onzacht tegen de stenen vloer van mijn living. Daar lagen we dan. Mijn voorhoofd bloedde hevig, maar ik voelde geen pijn. Eén van mijn zoontjes, die aan de ontbijttafel zat toen het accident gebeurde, snelde meteen ter hulp. We verzochten hem zijn mama te halen. Die was even later bij ons, samen met mijn andere zoontje. Inmiddels was de verpleegster, die zelf niet gewond was, onder me vandaan gekropen, had me in een iets comfortabeler positie gelegd, en ondersteunde mijn bovenlichaam en hoofd.

De verpleegster en mijn echtgenote tilden me op en plaatsten me in mijn rolstoel. Ik had er wel nood aan even te bekomen. Naar verluid vertoonde mijn voorhoofd een diepe snee van enkele centimeters lang. De verpleegster depte het bloed, reinigde mijn voorhoofd, kleefde een pleister op de wonde en zei dat ik ze zeker moest laten hechten. Het toeval wou dat ik, voor het weekend, met mijn huisarts een afspraak had gemaakt voor een huisbezoek op deze maandagochtend. Dat scheelde alweer een telefoontje.

Toen ik terugkwam van het naar school brengen van mijn tweeling, stond mijn kinesist reeds op me te wachten. Ik vertelde hem wat er was gebeurd en  vroeg of hij dacht dat de wonde gehecht zou moeten worden. Aangezien de jongeman toch reeds geruime tijd actief is als verzorger van de spelers van een voetbalclub in eerste klasse, veronderstelde ik immers dat hij wel enige ervaring zou hebben met (snij)wonden. Hij vond dus ook dat het gat best zou worden genaaid en vroeg langs zijn neus weg of we de wonde toch wel hadden ontsmet.

Daar hadden we echter, in alle consternatie rond het gebeuren, nog niet aan gedacht. Mijn vrouw kwam onmiddellijk met een flesje ontsmettingsmiddel, maakte het wondpleistertje langs één kant los en spoot wat van het spul op het letsel. Ik schreeuwde het uit! De kinesist keek me verschrikt aan. Mijn eega niet; die kent me te goed en zei: "Dat kan géén pijn doen, want er staat op het flacon dat het middel niet prikt!" Ik toverde op mijn gezicht een brede grijns, want uiteraard had ik die pijn geveinsd. Maar het product prikte me wel onaangenaam. Misschien omdat de snede te diep was?

Mijn assistente arriveerde en zag de pleister op mijn hoofd. Ze vroeg of ik op mijn hoofd was gevallen. Ik repliceerde met de wedervraag of ze daar dan, in al die tijd dat ze reeds voor mij werkte, nog nooit iets van had gemerkt? We lachten, waarna ik haar een omstandig relaas van het gebeurde verhaalde.

Ik deed mijn werk tot de dokter kwam. Liet deze eerst kijken naar de wonde op mijn voorhoofd en besprak daarna de zaken waarvoor ik hem had ontboden. Eens we rond waren, bezwoer mijn huisarts me om me zo snel mogelijk naar de spoedopname van ons plaatselijk ziekenhuis te begeven. Ik werkte echter eerst af waar ik mee bezig was geweest en vertrok daarna pas richting hospitaal.

Op mijn weg erheen reed ik eerst nog even langs bij de apotheek, zodat het middag was vooraleer ik in de kliniek arriveerde. Ik verzocht een passant de deur voor me te openen en meldde me aan bij de receptie. Terwijl de dame die het onthaalloket bemande mijn SIS- kaart in ontvangst nam, deelde ik haar de reden van mijn komst mee. Na inschrijving leidde ze me tot aan de spoed.

Daar werd ik overgedragen aan de zorgen van een vrouwelijke verpleegkundige, die de 'dokter van wacht' voor me opbelde. Ik werd alleen gelaten in de ruimte waar ik bijna twee jaar geleden ook was heengebracht, na die aanrijding door een vrachtwagen. Na enkele minuten werd me verzocht door te rijden naar een ander lokaal. Ik zei dat ik dat geen probleem vond, want dat ik zo de ganse afdeling te zien kreeg. Net toen ik klaar was met me volledig achterover te leggen in mijn stoel, arriveerde de dokter.

De verpleegster bracht zo een spiegelschijf met verschillende lampen in, zoals ze bij operaties gebruiken, dichterbij en plaatste ze over mijn hoofd. Dat ontlokte bij mij de uitspraak: "Allé, door dit voorval kom ik in ieder geval nog eens in de schijnwerpers te staan." De arts en de verpleegster lachten. Er werd een groene doek met een rond gat in, op mijn hoofd gelegd, en de spot werd aangeknipt. Met een spuitje verdoofde de dokter de zone rond de wonde. Zoals de verpleegster had voorspeld, veroorzaakten de prik van de naald en het inspuiten van de vloeistof, enige pijn, maar dat was slechts voor heel even.

De chirurg naaide vakkundig het gaatje dicht, waarna hij zijn assistente opdracht gaf er een klever op te plakken. Ik zei nog: "Een zwachtel rond mijn hoofd mag ook", maar zij nam die uitspraak niet ernstig, glimlachte even en kleefde, om de wond te bedekken, op mijn voorhoofd zo één van die transparante klevers waar in 't midden een stukje gaas zit.

Omdat de wonde blijkwaar weer even aan het bloeden was geweest, waardoor het wonddoekje een beetje rood was gekleurd, zei de verpleegster die me 's avonds kwam verzorgen en in  bed leggen, dat ze het jammer vond dat ze zelf niet zo'n wondklevers bij zich had. Ik niet. Zo een bebloede plakker op mijn hoofd stond best cool, vonden mijn kinderen. Bovendien gaf het mijn uiterlijk een enigszins dramatische look. En, nooit om een grap verlegen, had ik daarmee alles in handen, om de dag daarop, toen ik een afspraak had in het atelier van mijn rolstoelleverancier, enige lol te beleven.

De volgende dag, dinsdag dus, verliep alles conform het scenario dat ik in gedachten had. De bandagist en de technieker van de rolstoelhandel waren mijn eerste slachtoffers. Ze zagen de plakker op mijn hoofd, en het bloed, en vroegen me wat er was gebeurd. En ik vertelde droogweg dat ik bij een caféruzie een klap van een tafelpoot had gekregen! Met grote, vragende ogen keken ze me aan en stelden me de vraag, waarop ze eigenlijk een positief antwoord verwachtten: "Echt waar?" En ik, nu glimlachend: "Natuurlijk niet!" Ze lachten ermee, waarna ik hen het ware verhaal deed. En zo werden er die dag nog een aantal mensen volgens het zelfde scenario, in het ootje genomen.

Toen ik op woensdagmiddag op weg was van de wekelijkse markt in het centrum, naar de school van mijn kinderen, in onze wijk, passeerde ik een grote bouwwerf. Op een balkon op de tweede verdieping zag ik twee werklieden. Buiten hen was er niemand te zien. Ter hoogte van de werf stond een grote vrachtwagen, met zijn kipbak gekanteld. Men was blijkbaar zand  aan het lossen. Een dikke buis lag tussen de camion en het gelijkvloers van het appartementsgebouw in opbouw. Daar waar de buis op het fietspad lag, had men in hout een brugje gemaakt. De helling leek me nogal steil en hoog, waardoor ik even overwoog om, naast de camion, over de rijweg de werf te passeren. Uit veiligheidsoverwegingen besloot ik echter het toch maar via het fietspad te proberen. Ik reed zachtjes tegen het obstakel aan. Mijn trekkende voorwielen overwonnen moeiteloos de hindernis. En toen stond ik stil. Het chassis van mijn rolstoel stond vast op het brughoofd, waardoor mijn wielen nergens greep vonden en derhalve ronddraaiden in het ijle.

Eerst probeerde ik met wat wiebelen tot een oplossing te komen, maar dat lukte niet. Toen trachtte ik middels toeteren en hallo geroep de aandacht te trekken van de bouwvakkers op het balkon. Vrij snel kwam iemand me ter hulp, en met wat gesjor aan mijn vehikel geraakte ik terug vrij, zodat ik toch nog tijdig aan de schoolpoort arriveerde.

Op donderdag was het de beurt aan mijn eega om de inrichting van de spoedafdeling van ons plaatselijk ziekenhuis eens van nabij te gaan bezien. Ze kreeg die dag immers, bij het bereiden van ons middagmaal, kokende olie op haar linkerhand en raakte daardoor ernstig verbrand. Toen de verpleegkundige kwam voor mijn avondtoilet, deelde ik hem mee dat het team waarvan hij deel uitmaakt, er een patiënt had bij gekregen. Als geboren commerciant peilde ik naar het krijgen van een commissie op het aanbrengen van deze nieuwe patiënte, of  alleszins een korting, omdat we nu met twee te verzorgen personen waren op één adres. Ik kreeg evenwel enkel een grijns als antwoord.

En op vrijdag werd één van mijn zoons bij de voetbaltraining alweer onheus behandeld door een dolgedraaide trainer. Die bovendien te laf was om de confrontatie met me aan te gaan. Aangezien ik niet de intentie heb deze zaak zomaar aan mij voorbij te laten gaan, zal het voorval zeker een staartje krijgen Ik ben het trouwens grondig beu dat mijn kinderen omwille van hun huidskleur, de afkomst van hun mama en de fysieke toestand van hun pa, keer op keer worden benadeeld.

Het zou misschien best zijn dat ik me dit weekend, met oordopjes in, laat opsluiten in het toilet, want ik heb de laatste vijf dagen al genoeg opwinding beleefd.

Ru(sh)di(e), 14 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)

21-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Opschudding op ons adres!

  

Wij huizen in de linkerzijde van een dubbelwoonst. In het rechter gedeelte van het gebouw was vroeger mijn handelszaak gevestigd. Met op de bovenverdieping en op de zolder de burelen en op het gelijkvloers achteraan een werkplaats en vooraan een kleine winkel, met een aparte buitendeur en ook een deur die uitkomt in de inkomhal van het woongedeelte.

Die zaterdagnamiddag stond ik achteraan in de winkel uitleg te verschaffen aan een klant, toen ik een sirene hoorde. Terwijl ik verder praatte met de klant, keek ik door het etalageraam naar buiten. Even later zag ik op straat een politieauto verschijnen met het blauwe zwaailicht aan. En het voertuig kwam onze parking opgereden! Ik vreesde onmiddellijk dat er iets aan de hand was met mijn echtgenote of één van onze kinderen, die toen een jaar of twee oud waren. Ik wou naar de verbindingsdeur snellen, maar er stonden nogal wat klanten in de zaak en mijn medewerker stond net in die hoek een volledig computersysteem in de dozen te stoppen, nadat hij, zoals bij onze service hoorde, die mensen een bondige uitleg had gegeven over de werking van hun apparatuur.

Dus excuseerde ik me bij mijn klanten en liep ik via de achterdeur langs onze tuin naar de achterdeur van het huisdeel waar we wonen en holde via de veranda en daarna de keuken, de living binnen. Mijn kindjes zaten te spelen. Oef! Met hen was er alvast niks aan de hand. Maar waar was hun mama? Achteraf bleek dat zij middelerwijl via de verbindingsdeur in de winkel naar mij op zoek was gegaan omdat ze dacht dat er bij mij in de zaak iets was gebeurd. We troffen elkaar uiteindelijk aan in de inkomhal van onze woning, waar mijn echtgenote net de voordeur opende. Er stonden twee politieagenten. Eén van hen zei dat ze naar ons adres waren gestuurd omdat er bij de alarmcentrale een telefonische oproep was binnengekomen, afkomstig vanuit ons huis.

Mijn eega en ik keken elkaar vragend aan. De dienaar van de wet, die ons twee allicht uit de lucht zag vallen, vroeg of we kinderen hadden. We knikten allebei bevestigend en zeiden een tweeling te hebben van twee. Daarop openden we de deur naar de living. We keken de ruimte in. De telefoon stond op zijn gewone plaats. Met de hoorn netjes op de haak. En op mijn vraag of zij met de telefoon hadden gespeeld, schudden mijn kindjes uiteraard ontkennend het hoofd.

En toch moet één van onze jongens van een onoplettendheid van zijn mama hebben geprofiteerd om met de telefoon te spelen en, aangezien geen enkel nummer is voorgeprogrammeerd, puur toevallig het telefoonnummer van de hulpdiensten hebben ingetoetst.

We keerden terug naar de wachtende politiemannen in onze inkomhal en verontschuldigden ons voor de valse oproep. De agent zei glimlachend dat dit wel vaker voorkomt, waarna hij en zijn collega ons nog vriendelijk gedag zegden en teruggingen naar hun dienstwagen. En ik me terug naar de wachtende klanten in mijn winkel haastte.

Een dag later is die agent nog eens terug gekomen om mijn identiteitsgegevens te noteren ten behoeve van zijn verslag. Op mijn vraag of het voorval van de dag voordien nog een staartje zou krijgen antwoordde hij negatief. Zolang dit maar eenmalig bleef, zouden wij daar niks meer van horen.

En voorlopig houden mijn zoontjes zich nog steeds gedeinsd.

Ru(sh)di(e), 6 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

20-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Een blauwgekleurd weekend

 

Zaterdag jongstleden ben ik dus naar dat lentediner geweest. Georganiseerd door de politieke partij die deze stad bestuurt, maar waarop alle burgers van deze plaats waren uitgenodigd. Als ze bereidt waren de voor dit festijn gevraagde som te betalen tenminste, welteverstaan.

Ik had het busje van het OCMW besteld. Om me te brengen en naderhand ook weer  huiswaarts te voeren. De, blijkbaar immer goed gezinde chauffeur, was ruim op tijd aanwezig. Mijn echtgenote was op dat ogenblik nog volop bezig me te prepareren. Zelf zag ze er overigens beeldig uit, mijn eega. Ze was nochtans doodziek.

Tijdens het korte ritje naar de plaats van afspraak bleek dat ik de vorige keer wat al te voorbarig ben geweest in mijn bejubeling van de vering van dat voertuig. Want ik heb tijdens deze rit enorm zitten wippen en bij elke put in de weg moest ik alle moeite van de wereld doen, om met mijn bovenlichaam niet voorover te slaan. Tegen de volgende keer dat ik met dit vervoermiddel meerijd, moet ik, naast de reeds aanwezige heupgordel, zeker ook mijn schoudergordels op de momenteel gebruikte rolstoel laten monteren.

We kwamen ongeveer een kwartiertje voor het vermeldde aanvangsuur ter bestemming aan. Op enkele auto's na was de ruime parkeerplaats totaal verlaten. Daardoor vreesde ik even me van plaats of datum te hebben vergist. Dus verzocht ik mijn vrouw om binnen toch maar eens te gaan informeren. We bleken juist te zijn, zowel wat locatie, dag als uur betrof. Dus reed ik tot op het liftplatform om uit het busje en op de begane grond te geraken.

Aan de toegangsdeur tot het hotel, met restaurant en feestzaal, werd ik geconfronteerd met een, vrij hoge, drempel. Bij inschrijving had ik wel laten vermelden dat bij mijn persoon een grote, elektrische rolstoel hoort, maar ik had expres niet zelf contact opgenomen met het hotel om te informeren naar de toegankelijkheid. Ik wou achterhalen of de organisatoren uit zichzelf voor de nodige voorziening zouden zorgen. Niet dus.

Een oude man - de maître? - stond in de deuropening en stelde voor om met de bus tot net voor de deur te rijden om op die manier de drempel te overschrijden, maar dit bleek vrij snel niet zo een goed idee te zijn. Uiteindelijk ging die man, op vraag van mijn echtgenote en mezelf, een plank halen, waardoor ik even later probleemloos het prachtige gebouw kon binnen rijden.

De avond verliep overigens voortreffelijk. Door mijn slechte zithouding in dat onaangepast elektrisch aangedreven wielending, had ik wel een Dafalgan mét Codeïne nodig om in staat te zijn de achterhoofdpijn op een enigszins te verdragen niveau te houden. De inname van dat pijnstillend medicijn wordt trouwens een dagelijkse noodzaak. De farmaceutische industrie kan er maar wel bij varen! Door die medicatie kon ik spijtig genoeg slechts even nippen aan de bij het voedsel geserveerde wijnen: witte bij het voorgerecht en rode bij het hoofdgerecht.

In de prachtige gotische zaal had men voor mij een plaatsje gereserveerd aan de hoek van de laatste tafel, dichtst bij de toegangsdeur. Dit allicht met de bedoeling zo weinig mogelijk mensen te kunnen hinderen. Maar daardoor stond ik wel op een plaats waar niemand omheen kon zonder me opgemerkt te hebben. Mijn echtgenote en ik kregen aan de dis het gezelschap van vier - naar spoedig bleek - sympathieke dames. Er bevond zich maar één tafel tussen de onze en deze van de prominenten. Aan die ronde tafel zaten onder anderen de burgemeester, zijn voorganger (tevens zijn vader), de premier, de eerste burger van het land en de nationale partijvoorzitter. 

Aan het eind van zijn korte, duidelijke en krachtige toespraak, zei de eerste minister, die spreker en eregast was, iets in de trant van: "Ik weet dat ik op jullie kan rekenen, want anders zouden jullie hier niet zijn!" Tja, eigenlijk had ik op dat ogenblik mijn arm in de hoogte moeten stoppen om de premier er op te wijzen dat ik persoonlijk daar geheel vrijblijvend ter plaatse aanwezig was. Echter, los van het feit dat ik gezien mijn handicap niet echt tot zulks in staat ben, zou de premier allicht toch mijn poging tot het opheffen van mijn arm niet gemerkt hebben, want hij stond min of meer met zijn rug naar me toegekeerd. Het spreekgestoelte stond immers opgesteld aan de verbindingsdeur met een andere zaal, waar ook een deel van het gezelschap zat. Die éne zaal waar wij zaten was immers niet groot genoeg om alle deelnemers aan dit diner een plaatsje te geven.

Ik ontmoette deze avond enkele mensen die ik kende van vroeger. Wat het notabel volk betreft kan ik melden dat koele Karel niemand zag staan, dus uiteraard mij incluis, en Guy enkel tijd had voor een vluchtige groet. Herman daarentegen kwam naar me toe en ook onze burgervader kwam een praatje slaan. Plus een hele resem kandidaten die zich aan elkeen kwamen voorstellen en steun vragen met het oog op de nakende nationale verkiezingen.

Het eten was lekker. Dat mocht ook wel voor de prijs die we er voor betaalden. Er was iets met vis als voorgerecht en kalfsvlees met groentjes en kroketten als hoofdschotel. De sabayon werd nog net op tijd geserveerd om uitgelepeld (in mijn geval uitgedronken) te worden, maar voor het laatste item van het menu, koffie met versnaperingen, hebben we moeten passen, want het was toen onderhand middernacht en mijn taxi stond reeds te wachten. Zo gaat dat als je afhankelijk bent van derden. Je vrijheid wordt enorm beknot. De openingsdans door de lokale voorzitster van de partij hebben we ook gemist. Op dat moment stonden wij al aan de ingang, te wachten tot er eindelijk iemand zou verschijnen om onze jassen terug te geven. Blijkbaar waren alle hens aan dek geblazen om de koffie te serveren, want het heeft wel een tiental minuten geduurd voor we eindelijk konden vertrekken.

Zo, nu heb ik kennis gemaakt met blauw Vlaanderen. En zij ook met mij!

Ru(sh)di(e), 14 april 2003 (revisie op 15 april 2009)

18-04-09

Rudi's ontboezemingen, het deel na het vorige

 

Het was een bitter koude woensdagavond in de maand december. Ik bevond mij in de sporthal, die gesitueerd is op zowat anderhalve kilometer van onze woning. Mijn jongens waren bezig aan hun voetbaltraining. Tijdens de wintermaanden wordt er immers af en toe in de sporthal getraind. Omwille van het mogelijks slechte weer, en vooral om de oefenterreinen buiten een beetje te sparen, zo werd me medegedeeld. De training, die gewoonlijk in de namiddag plaats vindt, van drie uur tot half vijf, werd verplaatst naar de avonduren, van zes uur tot half acht. Dit terwijl de training op donderdagavond, van half zes tot zeven, gewoon buiten doorging. Begrijpe wie dit begrijpen kan. Ik niet, dus.

Gezeten in mijn gemotoriseerd invalidenwagentje, aanschouwde ik van achter de zijlijn mijn voetballende kroost. Rechts van mij bevond zich, zittend op een tafeltje, mijn assistent. Met naast hem de grootvader van een spelertje. Die man heeft blijkbaar steeds veel te vertellen. Aan mijn assistent tenminste. Want mij ziet opa nimmer staan.

Op een bepaald moment passeerde me een man, die zich vervolgens links van me positioneerde. Ik keek hem aan. En hij mij ook... dacht ik. Vervolgens maakte hij een opmerking over het weer. Ik glimlachte breed. Niet zo zeer omdat zijn, allicht grappig bedoelde uitspraak, werkelijk geslaagd was, maar veeleer omdat ik blij was bij de gedachte dat ik eindelijk eens door iemand werd aangesproken. Niet dus! Dat werd me duidelijk toen mijn assistent die man een antwoord gaf, waaruit bleek dat de opmerking van net daarvoor, tot hem was gericht geweest.

Wordt ik vergezeld door een blanke man of vrouw, dan worden steevast zij aangesproken. Dat gebeurt zelfs met mensen aan wie ik reeds meermaals heb bewezen dat een normale communicatie met mij mogelijk is. En zelfs mijn eigen familie gedraagt zich zo! Ongelooflijk irritant! Ben ik in het gezelschap van mijn echtgenote, of een andere persoon met eenzelfde bruine huidskleur, dan worden we gewoonweg beiden genegeerd.

Om even terug te komen op het voetballen van mijn nageslacht. Na een jaar zeuren, zijn ze sinds eind augustus van vorig jaar ingeschreven bij een voetbalclub, wiens eerste elftal nationaal in de eerste klasse van het betaald voetbal speelt. Zoals hierboven aangehaald trainen ze in de winter soms binnen, maar normaliter vindt de training plaats op de jeugdterreinen, gelegen achter het stadion waar de eerste ploeg haar wedstrijden speelt. Twee keer per week trekken we daarheen. Regen, wind, noch koude deren ons.

Ook daar wordt ik dus door het merendeel der trainers, ouders en grootouders straalweg genegeerd. Een nagenoeg identieke situatie als aan de schoolpoort. Onderhand ben ik dan ook maar gestopt met iedereen steeds vriendelijk gedag te knikken. Het voelt immers ontzettend stom aan als het steeds van één kant moet komen en het is ergerlijk telkenmale te merken dat je blik wordt ontweken.

In den beginne was er een moeder van één van de spelertjes uit mijn jongens hun ploeg, die me steeds gedag zei. Tot ze me, in dronken toestand, op een lokale kermis eens aansprak en aan haar praten tegen mij ineens geen einde meer kwam. Niks pikant hoor, gewoon wat feiten over haarzelf en haar gezin. Het type zaken dat ik ook in nuchtere toestand aan mensen zou vertellen. Sindsdien mijdt de dame me echter angstvallig. Uit schroom? Bang omdat ze denkt iets verkeerd gezegd te hebben, maar niet wetend wat? Geen idee, en het kan me eigenlijk ook geen zier schelen.

In de maand januari ging er een tornooi door in de sporthal, waarover ik het reeds eerder in dit stukje had. Vijf weken na elkaar werd er telkens tegen een andere regionale club gespeeld. Op één van die tornooidagen was er ook een dame, die ik elke week op de training zie, en die me normaal nooit groet. Maar die me nu aansprak. Behalve de wartaal die ze uitkraamde, kwam vooral een sterke alcoholgeur uit haar mond. Blijkbaar moeten dames eerst goed zat zijn vooraleer ze iets tegen mij durven te zeggen, dacht ik toen. Wat was ik benieuwd om te vernemen of ze me de woensdag daarna op de training ook zou komen groeten. Dat gebeurde dus uiteraard niet en... inderdaad, ik geef er niet om.

Een week later werd ik bij het binnenrijden van het sportcomplex hartelijk begroet door alweer een andere moeder van een spelertje. En toen ik even later mijn positie aan de zijkant van het speelveld had ingenomen, was er ook nog een andere dame die me een hand kwam geven en het beste wenste voor het nieuwe jaar. "Hé", dacht ik, "wat is hier aan de hand?" Wat kon er nu aan mij zijn veranderd, waardoor ik opeens door het vrouwvolk werd opgemerkt? Ha! Geloof het of niet, maar die ochtend was mijn haar door een kapster aan huis bijgeknipt. Alhoewel, zouden die dames dat hebben opgemerkt? En vooral: was ik daardoor zoveel knapper geworden? Allicht toeval dus. Dat bleek ook de daaropvolgende zaterdagen, toen ik als vanouds, wederom lucht was voor de meeste daar aanwezige mannen en vrouwen.

Toch één lichtpunt: bij afloop van het tornooi heeft men ter wille van mij de trofee-uitreiking verplaatst van de, op de eerste verdieping gelegen en enkel per trap bereikbare, cafetaria, naar de sportzaal. Zo was ik in staat mijn éne zoontje zijn trofee van beste doelman van het tornooi in ontvangst te zien nemen. Die dag zijn we trouwens onder de neerdwarrelende vlokken door een ettelijke centimeters dik sneeuwtapijt huiswaarts gekeerd.

Ru(sh)di(e), 21 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

13-04-09

Belevenissen in het UZ, het negende deel

 

Enkele weken geleden kreeg ik vanwege één van mijn lezers de vraag gesteld wanneer ik nu eindelijk boven water ging komen met mijn seksbelevenissen in het UZ. Hij wenste dus inzage in de weergave van mijn seksuele escapades in de schoot van die kliniek. De zogenaamde seX-files. Met ronkende titels als 'In bad met de revalidatiearts', 'Met de prof onder de lakens' of 'Patiënten doen het met... elkaar'.

Spijtig voor hem en voor elke ander persoon geïnteresseerd in onverbloemde verslagen van wilde seksuele uitspattingen, maar ik moet ze op hun honger laten zitten. Ik heb me immers gedurende die achttien maanden uiterst zedig gedragen, ben trouw gebleven aan mijn echtgenote en heb ook nooit oneerbare voorstellen gekregen.

Alhoewel! Eén keer kwam er een mooi meisje naar me toe toen ik in de sportzaal aan het oefenen was. Ik lag in een kooi, bezig mijn benen te trainen. Het meisje was een stagiaire kinesitherapie. Met een lieve snoet vroeg ze me: "Mag ik je kussen?" Enigszins beduusd door dit onverwacht verzoek, en daardoor allicht een beetje kleurend, zei ik toch glimlachend: "Ja, uiteraard!", haar middelerwijl mijn wang aanbiedend, want ik nam aan dat ze me zo publiekelijk niet een tong wou draaien. Luttele seconden later trok ze mijn kussen onder me vandaan, waardoor ik onzacht met mijn hoofd op de harde moes van de oefentafel terecht kwam. Dat had ik dus verkeerd begrepen! Ze zei nog "Dank je!" en toen "Sorry" en even later stopte ze het kussen achter de rug van een andere patiënt.

Dat vorige is trouwens niet echt gebeurd hoor, maar een uit mijn geest ontsproten verzinsel. Het dichtste dat ik ooit in de buurt kwam van seks in 't RC, verhaal ik hierna.

Het was zondagnamiddag. Mijn kamergenoot was op weekend naar huis. Ik lag in mijn bed een boekje te lezen. Plots kwamen daar twee verpleegkundigen mijn kamer binnen. Een man en een vrouw. Hij: een ietwat kalende veertiger, met een snorretje; getrouwd, maar als gezonde vent absoluut niet vies van het kijken naar ander vrouwelijk schoon. Zij: een vlot meisje van midden de twintig, die naar ik wist, ook een vaste vriend had. Ze keken me zwijgend aan en zeiden toen tegen elkaar: "We zullen deze jongeman eens op een show vergasten."

De man ging naar mijn kamerdeur, keek de gang in (allicht speurend of er nergens een rood lampje boven een deur knipperde, als teken dat hun assistentie was gewenst), knipte mijn deurlampje op wit als aanduiding dat men in deze kamer 'bezig' was en sloot de gordijnen voor het vensterraam. Onderwijl had het meisje ook het gordijn tussen de twee bedden reeds dicht geschoven, zodat onverhoedse passanten, die ondanks het brandende witte lampje boven de deur, deze toch zouden openen, niet direct zicht zouden hebben op hetgeen zich rond mijn bed afspeelde.

De twee verpleegkundigen gingen naast mijn bed tegenover elkaar staan. Hij frunnikte wat aan haar bloes. Zij opende enkele knopjes en liet me haar blote schouder zien. Alhoewel ik niet echt verwachte getuige te zullen zijn van de seksuele uitspattingen van deze twee, begon ik het toch wat warmer te krijgen. Want wat indien ze voor mijn ogen dan toch van bil zouden gaan?

Terwijl allerlei gedachten door me heen gingen, werden alle gordijnen echter alweer met één ruk geopend en even snel als ze gekomen waren, verdwenen die twee weer terug de gang op. Die hadden dus getracht me in het ootje te nemen en waren daar potverdorie ook nog gedeeltelijk in geslaagd

Dat verpleegstertje speelt trouwens ook de hoofdrol in het hiernavolgend relaas waarin nog maar eens wordt aangetoond hoe een dubbeltje rollen kan.

Op een zekere avond zaten we met een hele groep patiënten samen op het terras. Een flesje wijn krakend en voornamelijk nonsens aan elkaar vertellend. De échte levensgenieters daar bovenop lurkend aan een kankerstokje en daarmee ijverig proberend hun longen zo snel mogelijk om zeep te helpen en hun leven derhalve danig in te korten.

Op een gegeven ogenblik vroeg het meisje naast me: "Hoe is dat nu afgelopen met dat meisje dat verliefd op je was?" Bijna viel ik uit mijn van vier wielen voorziene stoel! Een meisje, verliefd op mij? En ik wist nergens van! Dus zei ik: "Wablief?" Waarop die juffrouw: "Wel ja, dat nieuwe verpleegstertje." Mijn vragende blik beantwoordend begon ze een beschrijving te geven van de persoon in kwestie. Vrij snel werd duidelijk om wie het ging. De schouders ontblotende jongedame waar ik het hiervoor over had. Zij? Verliefd op mij? Ik vroeg de deerne naast me van wie ze die informatie had gekregen. Ze gaf me de naam van een jongen, iemand van vooraan in de twintig. Tot enkele weken daarvoor was die ook nog patiënt geweest op onze afdeling.

En toen begon het bij me te dagen. Eén van de laatste zaterdagen dat die jongen bij ons resideerde, kwam hij mijn kamer binnen toen dat verpleegstertje, alweer samen met diezelfde collega, bij me bezig was, maar bijna klaar met mijn avondverzorging. Hij hengelde naar een afspraakje met haar. Ze had hem al verteld een vriend te hebben en bovendien eerder op dertigers te vallen, maar die wetenschap kon er hem blijkbaar niet van weerhouden achter haar aan te blijven rollen. Dus bleef hij aandringen, waarop die verpleger tot hem zei: "Je bent te laat makker. Die kerel hier - onderwijl naar mij wijzend - is je voor. Die heeft reeds een afspraakje beet voor heden avond." De jongen keek me vragend aan en ik zei: "Inderdaad, zo is dat!" Even voordien had ik immers aangekondigd naar de Gentse Feesten te trekken, waarop die verpleegster gekscherend had voorgesteld om met me mee te gaan. Na deze tijding was die verpleegster haar amoureuze belager kwijt, terwijl deze laatste moet hebben geconcludeerd dat het meisje een oogje op me had, en hij die totaal onjuiste informatie bovendien ook nog her en der was gaan rondbazuinen. 

Ru(sh)di(e), 13 maart 2003 (revisie op 5 april 2009)

12-04-09

De avonuren van Rudi & Co, gedaan met de pret!

 

Hoe snel ik me, gezeten in mijn elektrisch aangedreven wielending, ook voortbeweeg, het mij immer achtervolgende noodlot haalt me steeds in, en slaat keer op keer toe.

Maandag. Het beloofde een stralende dag te worden. 's Ochtends had ik de kinderen naar school gebracht, waarna ik via een korte omweg huiswaarts was gekeerd. Ik wou immers nog iets langer in de buitenlucht vertoeven, maar moest toch tijdig thuis zijn om de afspraak met mijn kinesist niet te mislopen(!).

Na mobilisatie van mijn ledematen door de therapeut, at ik als ontbijt een toastje, dat ik doorspoelde met een tas thee. Die toast 's ochtends vind ik lekker, maar die warme thee drink ik zonder smaak en uitsluitend als opwarmer voor mijn binnenste. Vervolgens hield ik me op mijn computer bezig met het lezen van ontvangen elektronische post en het bijwerken en aanvullen van enkele reeds eerder getypte schrijfsels.

Toen het een uur of elf was, liet ik me opnieuw mijn sjaal omdoen en mijn jas en wanten aantrekken, om genietend van de voormiddagzon, een ritje te maken in de buurt van mijn woning. Op mijn terugweg naar huis moest ik op een gegeven moment over een betonnen weg rijden. En, aangezien daar geen fietspad aanwezig is, op straat!  Op een gegeven moment doemde ineens een vrachtwagen op, die rakelings naast me kwam rijden... zo dichtbij!

Onmiddellijk realiseerde ik me in wat voor een benarde positie ik mij bevond. Ik kon echter geen kant meer uit. Want had ik naar rechts gestuurd, dan was het achterstel, van mijn vehikel, als gevolg van de voorwielaandrijving van de machine, eerst naar links gezwenkt en werd ik sowieso aangereden. Het beste leek me dus te stoppen en mijn linkerhand naar mijn lichaam te brengen, zodat die niet geraakt kon worden in geval van een aanrijding, waarvan ik hoopte dat die er niet zou komen. IJdele hoop zo bleek. Minder dan een tel later hoorde ik gekraak en voelde ik meteen een schok. Het volgende ogenblik vloog ik uit mijn rolstoel en belandde op straat.

Vrij snel kwamen er mensen aangelopen. Ik zei hen dat alles oké met me was. Ik hoorde achter me iemand zeggen: "Sorry hoor, ik had je niet gezien." maar reageerde daar niet op. Enkele mannen wilden me terug in mijn rolstoel plaatsen, maar ik weerhield hen daarvan want ik had, van op de plek waar ik lag, reeds lang gezien dat die stoel door de klap onbruikbaar was geworden. In plaats daarvan liet ik me aan mijn hoofd, schouders en romp ondersteunen.

De omstanders waren bezorgd over mijn lichamelijke conditie, terwijl ik vooral inzat met de staat van mijn rolstoel en hen duidelijk maakte dat het feit dat deze om zeep was een ramp voor me betekende. "Maak je daar maar geen zorgen over", zei er één. "De verzekering van de man die je heeft aangereden zal de reparatie vergoeden!" Een andere man zei, met een opgewekte stem, en onmiskenbaar ook met de bedoeling me gerust te stellen: "Ze zullen je zelfs een nieuwe leveren!" Aardig geprobeerd, maar ik ben te nuchter en heb al te veel meegemaakt om in dat sprookje te durven geloven.

Onze wijkpostbode kwam ook aangesneld en bood aan mijn echtgenote te gaan verwittigen. Maar ik prefereerde haar zelf op te bellen middels mijn GSM. De man hielp me daarbij. Even later was ze daar, te voet, want de plaats van het ongeval was dichtbij ons huis. Ik zei "Sorry, schat.", want ik zat er enorm mee in dat ze alweer geconfronteerd werd met een extra brok ellende. Terwijl ze de laatste jaren al zo veel miserie had moeten doorstaan. Ik dacht aan allerlei praktische dingen. Ik wou de leverancier van mijn rolstoel bellen en mijn verzekeringsagent. Die laatste kwam echter al aangelopen. Was waarschijnlijk toevallig in de buurt.

Op dat ogenblik verschenen ook een ambulance en de politie. De ambulanciers wilden me meenemen, maar ik vroeg me luidop af of dat wel nodig was aangezien ik dacht niks te mankeren. En als ik toch meeging, hoe zou ik dan daarna thuis geraken? Met bemiddeling van mijn verzekeringsagent werd afgesproken dat ik na controle in het ziekenhuis, met een ziekenwagen terug naar huis zou worden gebracht. Dus werd ik op een draagberrie gelegd en was ik even later in de ziekenwagen op weg naar het stedelijk hospitaal. Ik vroeg aan de dame die naast me zat of de ambulance waarin ik vervoerd werd een gele was, want ik had zulk een type 's ochtends zien rijden. Ze zei me dat ze inderdaad reeds naar een deelgemeente van de stad waren gereden en dat ook haar collega, de bestuurder, mij toen had opgemerkt.

Eens aangekomen in de kliniek werd ik middels een rollerboard naar een hospitaalbed getransfereerd. Eén van de verpleegsters vroeg me door welke dokter ik wenste onderzocht te worden. Aangezien ik geen voorkeur had, gewoonweg omdat ik in mijn woonplaats niet echt veel dokters ken, werd me gezegd dat de dokter van wacht zou worden opgebeld. De verpleegkundige verdween.

Door de openstaande deur ving ik flarden op van een gesprek dat ontegensprekelijk over mij handelde. Even later kwam een andere verpleegster me zeggen dat een andere arts dan die van wacht, me zou komen onderzoeken. Ik heb het haar niet gevraagd, maar waarschijnlijk had de dokter van wacht geen zin om op te dagen, omdat ik waarschijnlijk toch niks mankeerde. De twee vriendelijke agenten die ik ook al op de plaats van het ongeval had gezien, kwamen kijken hoe het met me ging. Ze stelden enkele vragen omtrent de omstandigheden van het accident en zeiden dat ze later nog wel eens bij me thuis zouden langskomen. Drie kwartier na aankomst in het ziekenhuis werd ik heel summier onderzocht door een arts die me reeds na enkele minuten alweer alleen liet.

Zo, ik kon naar huis. Inmiddels was ook mijn echtgenote in het hospitaal gearriveerd. De dokter had me nog maar net een handgeschreven briefje voor mijn huisarts gebracht of daar waren ook de ambulanciers reeds om me huiswaarts te brengen. Aangezien ze daar blijkbaar uit zichzelf geen oog voor had, verzocht ik de verpleegster echter eerst een plakker op mijn elleboog te kleven, want ik had daar volgens de dokter een bloedende schaafwond en ook mijn kleding diende nog gefatsoeneerd te worden want eerst de verpleegster en toen ook de dokter hadden mijn broek naar beneden getrokken om mijn rechterknie, waar ik dacht iets te voelen, te onderzoeken op uiterlijke tekenen van een kneuzing of andere verwonding.

Toen deze beide taken waren volbracht, werd ik van het bed op een brancard gerold en naar de garage van de dienst 100 overgebracht. Ik werd in een kleine ziekenwagen geholpen, die geparkeerd stond naast de moderne grote gele waarmee ik was binnen gebracht. Terwijl haar mannelijke collega achter het stuur plaatsnam zei ik tegen de dame die bij me in de wagen kroop: "Eigenlijk ben ik hier vandaag om het wagenpark van de dienst 100 van deze stad uit te testen." Waarop die vrouw zei: "Oh, maar wij hebben ook nog een derde ambulance!" Mijn repliek hierop: "Dan zal ik dus nog iets moeten verzinnen om vandaag ook met die ambulance vervoerd te worden!" ging verloren in het lawaai van de startende motor en de neerklappende achterdeur van de ziekenwagen. Alsook door het gekraak van de garagepoort van de dienst 100, die werd geopend.

Een minuut of vijf later reden we de voor mijn woning gelegen parking op. Daar stond, onder een transparant plastic dekzeil, mijn grijze rolstoel. In het ziekenhuis had mijn vrouw me reeds verteld dat een zeer hulpvaardige heer, trouwens de man die me ook al samen met de postbode had ondersteund, thuis zijn aanhangwagen was gaan halen om mijn rijtuig naar ons huis te brengen.

Inmiddels zijn we enkele dagen verder. Na het monteren van de, wel gebarsten, maar toch nog tijdelijk bruikbare, op maat gemaakte rugleuning die ik liet recupereren van mijn aangereden vehikel, en heel wat passen en uitproberen, zit ik sinds dinsdagnamiddag alweer in een stoel. Een prehistorisch type, dat me beschikbaar werd gesteld door mijn rolstoelleverancier. Een rolstoel waarin ik niet comfortabel zit, die geen verstelbare beensteunen en rugleuning heeft, me niet toelaat grote afstanden af te leggen en waarmee ik buitenshuis zelfs sowieso niet in mijn eentje op stap kan. Het ding is eigenlijk net goed genoeg om me wat te verplaatsen in huis en in de tuin.

Aan mijn verzekeringsagent had ik gezegd dat de mentale pijn omwille van het gemis van mijn rolstoel, mijn 'vrijheid', ontzettend groot is. Nu meldde hij me contact op te hebben genomen met de dienst slachtofferhulp van de maatschappij, die beloofd had om een psycholoog op me af te sturen. Hij zei te hopen dat ik het niet erg vond dat hij uit zichzelf dit initiatief had genomen. Ik zei "Neen, hoor."

Want die brave man bedoelt het uiteraard goed en tracht me te helpen binnen zijn mogelijkheden. Maar praten met een psycholoog gaat uiteraard mijn probleem niet oplossen, dus ook mijn psychisch lijden niet verzachten. Tenzij die dame of heer me een nieuwe, comfortabele stoel meebrengt uiteraard, maar daar vrees ik voor.

En nu diezelfde agent me ook meldde dat de tegenpartij de verantwoordelijkheid betwist en in ieder geval het Proces-verbaal van het ongeval zal afwachten, wat makkelijk vier maand tot anderhalf jaar kan duren, zit ik pas echt goed in de miserie. En ik die durfde te hopen dat het niet meer erger zou worden dan het al was. Helaas!

Het zal mijn lotsbestemming wel zijn, zeker? Meteen allicht ook het einde van mijn avonturen, want in mijn living en achtertuin gebeuren immers slechts bij hoge uitzondering dingen die de moeite waard zijn om neer te typen. Tenzij Irak terugslaat met het afschieten van lange afstandsraketten op Europa, waarvan er dan ene, door bijvoorbeeld een atmosferische storing, van zijn voorgeprogrammeerde koers afwijkt en in mijn achtertuin terecht komt en gelukkigerwijs door één of ander technisch mankement niet tot ontploffing komt. Maar dat ga ik dan wel niet hier vertellen. Neen, dan verkoop ik mijn verhaal aan de krant die of het tijdschrift dat met de meeste Euro's of Dollars over de brug komt.

Ru(sh)di(e), 22 maart 2003 (revisie op 5 april 2009)

02-04-09

Rudi’s ontboezemingen - Mirakel

 

Wat zou ik graag nog steeds, of opnieuw, een gezond, normaal functionerend lichaam hebben. Gedaan met het ellendige, passieve bestaan vol kommer, kwel, pijn en verveling. In plaats daarvan een leven als actieve valide mens, met ongetwijfeld nog steeds de problemen van alledag, maar wel in de mogelijkheid daar zelf iets aan te doen. Om dat te bekomen heb ik echter op zijn minst een mirakel nodig. Of 'gewoon'weg een nieuw leven. Beide werden me trouwens reeds aangeboden.

Een familielid langs de zijde van mijn echtgenote, is pastor bij een protestantse kerk. De man is er heilig van overtuigd dat je door veel te bidden alles kan gedaan krijgen en alle problemen kan oplossen. Waarom er dan nog zoveel honger in de wereld is, vraag ik me af. Er moet toch een massa gelovigen zijn die dagelijks bidden en de Heer smeken om dat voedselprobleem te verhelpen? Maar ja, die uitgemergelde kindjes in de derdewereldlanden, met hun hongerbuikjes, zijn allicht zelf niet godsvruchtig genoeg om dat wonder te laten geschieden.

Enfin, bij afloop van zijn sporadische bezoekjes aan me, in het ziekenhuis en naderhand thuis, wou hij steeds samen met me bidden. Aan het einde van dat gebed dankte hij de Heer steevast bij voorbaat om mij voor het eind van de week weer op de been te krijgen. Toen dat, uiteraard, zo durf ik te typen, keer op keer zonder resultaat bleef, weet hij dat aan het feit dat ik zelf niet genoeg geloofde in de mogelijkheid van een wonderbaarlijke genezing. Dat ik verkoos de realiteit van mijn niet meer verbeterbare conditie onder ogen te zien in plaats van te rekenen op een mirakel en ik mezelf door die houding wou behoeden voor een wegzinken in neerslachtigheid als dat wonder zou uitblijven, dat wou blijkbaar niet echt doordringen tot in de grijze hersencellen van de, overigens goede, man.

Op een zekere winterse zaterdag stond hij, onaangekondigd, voor de deur van mijn woning. Mijn kinderen waren bij hun doopmeter en mijn vrouw was ook weg, boodschappen doen. Met veel moeite slaagde ik erin de voordeur te openen om hem binnen te laten. Hij bleek vergezeld te zijn van twee andere mannen, die, naar hij me meedeelde, ook pastors bij zijn geloofsgemeenschap bleken te zijn. Ik liet hen allen binnen. Drie imposante figuren, met scherpe gelaatstrekken, in grijze kledij en met dikke lange jassen aan.

Ik bood hen aan plaats te nemen in onze sofa, waar ze op ingingen, en we startten een nagenoeg inhoudsloze conversatie. In het Engels, want die twee onbekende gasten spraken waarschijnlijk geen Nederlands. Korte tijd na hun binnenkomst wilden ze samen met me bidden. Ik had daar geen bezwaar tegen. Ze stonden alle drie recht en kwamen voor me staan. Ze begonnen met een gezamenlijk gebed en hielden toen om beurten met erg veel overtuiging en bezieling een preek, waarbij de anderen zo nu en dan een instemmend "Halleluja!", "Praise the Lord!" of "Amen!" lieten horen.

Ineens weerklonk het geluid van de deurbel. De heren waren klaarblijkelijk zo zeer in hun predicatie opgegaan, dat ze niet reageerden. En zelfs niet eens opkeken!  Zodat ik er hen zelf maar op attendeerde en hen verzocht de deur te openen voor degene(n) die aanbelde(n). Het bleken twee buurmeisjes te zijn. Ik bood hen aan binnen  te komen, wat ze deden, en vertelde hen wat er aan de gang was en dat ze even geduld zouden moeten hebben vooraleer ik met hen kon praten. Maar dat hadden ze.

Eén van die pastors nodigde de meisjes uit om tussen hen in plaats te komen nemen en mee te bidden. De zussen bedankten echter voor de eer en keken vanuit een hoek van de woonkamer toe op het schouwspel dat toen volgde. Het trio kwam weer rond me staan en hernam het bidden. Toen kwam wat wellicht de apotheose van hun seance had moeten worden. Terwijl twee van hen één of andere psalm neurieden, kwam de derde voor me staan, nam mijn beide handen vast en - met een in volume toenemende stem smeekte hij tot God, de almachtige, me toen en daar, terstond weer te laten opstaan! Inmiddels vastberaden aan mijn armen trekkend. Maar het wonder bleef, spijtig genoeg, uit.

Ze zijn zo nog een tijdje blijven doorgegaan, tot ik er zelf een einde aan maakte, want mijn lichaam begon onderhand pijn te doen en ik was bovendien bang dat ze me, in al hun enthousiasme, uit mijn stoel zouden sleuren, met alle mogelijke kwalijke gevolgen van dien.

Sinds dat bezoek, inmiddels reeds méér dan een jaar geleden, heb ik de man niet meer gezien. Maar hij belt me nog wel geregeld! Klaarblijkelijk is hij uiteindelijk toch tot de conclusie gekomen dat ik, ook voor hem en zijn religie, een hopeloos geval ben. Waarschijnlijk heeft hij, met uitsluitend goede bedoelingen, zijn actieterrein verlegd naar iemand bij wie hij hopelijk, voor hem, maar veel meer nog voor die persoon in kwestie, meer kans heeft op slagen.

Toen ik nog maar pas thuis was, na anderhalf jaar onafgebroken afwezigheid wegens mijn noodgedwongen verblijf in het ziekenhuis, en ik één van de eerste keren mijn kinderen van school had afgehaald, stopte er, op het moment dat we bijna thuis waren, plots een auto achter ons en hoorde ik een stem mijn voornaam uitspreken. Dus hield ik halt en wachtte af, want mijn hoofd omdraaien kan ik niet. De kinderen zeiden dat er een man uit het voertuig was gestapt en dat deze persoon nu op ons kwam toe gestapt.

Het bleek een man te zijn die jarenlang een trouwe klant was geweest van mijn computerzaak. Een sympathieke kerel, met een (tegen mij toch steeds) vriendelijke vrouw en toffe kinderen, zo herinnerde ik me. Ik vroeg dus geïnteresseerd hoe zij het maakten, waarop ik te horen kreeg waar zijn gezinsleden mee bezig waren. Hij vroeg hoe het nu met me ging en ik gaf hem een eerlijk antwoord. Een droef gezicht trekkend zei hij me het erg te vinden dat ik me in een dergelijke situatie bevind. "Maar weet je wat?" zei hij vragend, en nu met een stralend gezicht, "Ik heb goed nieuws voor je. Heel spoedig komt de Heer terug op aarde en verandert het hier opnieuw in een paradijs. Een wereld waarin iedereen gelukkig is en niemand gebreken heeft en waarin ook JIJ opnieuw zal kunnen stappen, lopen en springen zoals iedereen!"

Ja, zo herinnerde ik me ook alweer, deze kerel is een Jehova's getuige. Hij sprak verder: "Echter, enkel wie Zijn komst voorbereidt, zal tot de uitverkorenen behoren die deze nieuwe wereld zullen bevolken." Ik dacht: "sorry, maar daar pas ik voor. Een God die slechts goed wil zijn en doen voor een elite, dat kan nooit de mijne zijn. Die zal nooit door mij worden aanbeden. Als mijn handicap kan worden ongedaan gemaakt, en ik zo een nieuw leven krijg, dan heeft naar mijn mening ook elke andere persoon daar recht op, of die nu al dan niet tot een bepaalde geloofsgroep behoort." Ik zei echter niks. Maar was teleurgesteld. Nu sprak er me eindelijk eens iemand aan, maar was het verdorie voornamelijk om te polsen naar mijn interesse in toetreding tot zijn geloofsclub.

Het stil blijven staan begon mijn kleuters danig te vervelen en toen ze me vroegen of ze die tien overblijvende meters naar huis mochten hollen, gaf ik hen terstond mijn toestemming. Want daar blijven staan op het fietspad, langsheen een drukke verkeersweg, was ook niet zonder gevaar. Ik zei die getuige dat ik mijn rakkers wou volgen, waarop hij me verzocht nog even te wachten, want hij wou me iets geven. Ik ging akkoord, waarna hij naar zijn auto holde. Even later werden me twee luxueuze boekjes overhandigd. Hij moedigde me aan om deze te lezen en zou me dan eerdaags contacteren. Ik heb echter naderhand niks meer van de man gehoord.

Ru(sh)di(e), 25 januari 2003 (revisie op 28 maart 2009)

28-03-09

De avonturen van Rudi & Co – Rolstoelellende

 

Vrijdag de dertiende ben ik zonder kleerscheuren doorgekomen. De dag zag er in vergelijking met andere dagen niet grauwer uit, en er is me ook niks ergs overkomen. Niet dat ik er trouwens zozeer in geloof dat dit een onheilsdag zou zijn.

Het onheil kwam voor mij pas twee dagen later, op zondag. Een sombere, grijze, bewolkte dag. Terwijl mijn ene zoon met de bus richting Moeskroen was vertrokken, om als doelman te fungeren in de nationale voetbalcompetitie van de Duiveltjes, was ik deze ochtend met mijn ander zoontje naar het buurtplein van een wijk gereden, gelegen op zowat vijf kilometer van onze woning. Daar komen elke week een dertigtal jeugdige spelers samen voor een uurtje voetbal. Er wordt gespeeld in twee, soms zelfs drie groepen, ingedeeld volgens leeftijd. De sfeer is ontspannen, alhoewel ook hier ernstig wordt gevoetbald. En elke ploeg tracht te winnen en de speler(tje)s van het verliezende team zijn na afloop teleurgesteld in het resultaat. Mijn zoon was in zijn nopjes, want zijn ploeg had gewonnen!

Na de wedstrijd verorberden wij ter plaatse nog onze meegebrachte boterkoeken, vooraleer de terugtocht aan te vatten. Mijn zoon zat, net zoals bij de heenrit, op mijn schoot. Er woedde een kille wind en het wolkendek voorspelde weinig goeds. Na een dik kwartier rijden, reden we de brug op, die over de spoorweg loopt. Het fietspad, dat door een kortgeschoren haag gescheiden is van de autobaan met pechstrook, was bezaaid met sprokkelhout en allerlei vuil, dat ik onmogelijk allemaal kon ontwijken. Ik reed dus heel voorzichtig, me beducht van slipgevaar, gezien het natte wegdek en die ook al doorweekte takjes. Plots weerklonk een zachte knal. "Neen toch?" dacht ik, terwijl ik zachtjes nog enkele meters verder reed. Het geluid dat ik bij elke wielomwenteling hoorde, voorspelde echter weinig goeds. Ik hield halt en vroeg mijn zoon van mijn schoot af te kruipen en de staat van mijn achterwielen te controleren. Mijn angstig vermoeden werd onmiddellijk bevestigd: platte band! Rechts achteraan.

De ernst van de situatie beseffend begon mijn zoontje zachtjes te huilen. Ik stelde hem echter gerust. We waren dan wel weer pechvogels, we vonden ook voor dit probleem vast wel een oplossing. Ik bleef er dus rustig onder. Aangezien ik reeds bijna 1.400 kilometer op de teller had staan, zonder noemenswaardige pech te hebben gehad, had ik een euvel als dit wel eerder vroeg verwacht, dan laat.

Middels mijn mobiele telefoon belde ik mijn echtgenote, met de vraag om ook mijn vader ter hulp te roepen. Met een fietsband reparatieset en een goede pomp, teneinde me zo mogelijk eventueel ter plaatse te depanneren. Op dat moment had ik echter nog geen idee van hoe we dat dan in de praktijk voor elkaar zouden krijgen.

Terwijl wij daar zo stonden te wachten werden we gepasseerd door tientallen auto's. Vele inzittenden keken ons aan, doch niemand stopte. Tot plots dan toch een auto halt hield bij ons en de inzittenden, een dame en een heer op leeftijd, hun hulp aanboden.

Inmiddels waren ook mijn echtgenote en ouders gearriveerd. Het begon nu ook flink te regenen. Ter plaatse aan mijn stoel werken was dus zo goed als uitgesloten. Aangezien ikzelf over geen enkel transportmiddel beschik, stelde de mannelijke helft van het hulpvaardige koppel me voor om thuis hun aanhangwagen op te halen. Hij had iets staan dat ideaal was voor deze klus.

Uiteraard was ik enorm verheugd over dit welgekomen aanbod. Terwijl die mensen wegreden, liet ik me vooraan in mijn vaders auto plaatsen. Even later verscheen het koppel terug met hun remorque: een BEESTENWAGEN! Zo een aanhangwagen waarin paarden en allerlei vee wordt vervoerd. Maar inderdaad uiterst efficiënt. De neergeklapte lage laadbrug liet mijn echtgenote toe probleemloos mijn invalidenkarretje in de aanhanger te rijden. Terwijl ze mijn rolstoel aan het inladen waren arriveerde ook een dienaar van de wet, op een motor. Iemand had de noodcentrale gebeld. Was die persoon zo naïef geweest te geloven dat de arm der wet mijn band zouden plakken?

Eens thuis werd ik getransfereerd naar mijn toiletstoel en zo het huis binnen gedragen. De as van mijn rolstoel werd middels de krik uit mijn echtgenotes auto opgekrikt, het wiel er afgehaald en de zowat één centimeter lange scheur in mijn binnenband werd door mijn vader opgelapt. Vrij snel kon ik terug in mijn karretje plaatsnemen en me zoals tevoren doorheen onze woonkamer bewegen.

Twee dagen later, na schooltijd, begaf ik me met mijn kinderen naar een speelpleintje in de buurt. Onderweg werd ik aangesproken door een kerel op een fiets, die ik voorheen nog nooit had gezien. "Zondag heb je geluk gehad, hé!" zei hij. "Inderdaad!" antwoordde ik, in de veronderstelling dat hij doelde op mijn hulpvaardige redder met zijn aanhangwagen. Niet dus. Bleek dat hij me met de auto was gepasseerd en diegene was geweest die de politie had gebeld. Daar had ik nogal wat aan gehad! Rolstoelers depanneren is trouwens ook die mensen hun job niet. In plaats van eens te stoppen en te vragen of en hoe hij me kon helpen! En dan leek die vent nu nog verbaast dat ik hem niet dankte voor zijn actie. Sukkel!

Alweer een dag later, de woensdag dus, was het de laatste namiddag waarop er voetbaltraining was voor de kinderen. Daarna begon de winterstop. Na de training, en nadat de kinderen opgefrist en in verse kledij gestopt weer naar buiten waren gekomen, verlieten we de jeugdterreinen, om huiswaarts te keren. Eén van de kinderen op mijn schoot gezeten, de andere achteraan op de fiets, bij mijn assistent. Toen ik de lichte helling aan de toegang tot de terreinen opreed weerklonk uit mijn rolstoel een alarmsignaal, waarna de machine stilviel. Ik schakelde mijn vehikel terug aan. De batterijindicator duidde aan dat mijn accu's zo goed als leeg waren.

Hoe kon dat nu? Ik had wel reeds behoorlijk wat kilometers afgelegd die dag: de kinderen 's ochtend naar school gebracht, later die voormiddag naar de wekelijkse openbare markt gereden en daar wat rondgetoerd, de kinderen 's middags terug van school gehaald en in de namiddag dus de heenrit naar het voetbalveld. Maar grofweg gerekend was dat alles samen slechts een goeie vijfentwintig kilometers, terwijl de actieradius van mijn machine het dubbele bedraagt. Weliswaar bij ideale omstandigheden, op vlakke weg, terwijl ik 's ochtends en die avond met licht reed, en enkele hellingen had getrotseerd, maar toch...

Met mijn zoon naast me stappend, reed ik verder. En viel weer stil. "Wat nu gezongen? 'Help' van de Beatles misschien?" Opnieuw schakelde ik mijn wielkar aan. Als ik niet te snel reed, dan viel mijn transportmiddel niet stil, maar de accu-indicator bleef wel vervaarlijk knipperen als aanduiding dat de accu's ver leeg waren.

Ik was niet ongerust, aangezien ik me in een bebouwde kom bevond en, in geval ik permanent zou stilvallen, mijn assistent huiswaarts kon sturen om mijn batterijlader en een verlengkabel op te halen. Er zou allicht wel één woning zijn waar we elektriciteit zouden mogen aftappen.

Aan een zeer lage snelheid, doch zonder stilvallen van mijn rolstoel, bereikten we de hoofdweg. Nu was het niet ver meer, maar we moesten wel de brug over de Durme nog over en als daar de batterijen totaal de geest zouden geven, dan had ik pas echt een probleem. Het leek me dus verstandig eerst mijn accu's ergens bij te laden.

Net toen ik aan het beslissen was waar ik zou aankloppen om hulp te vragen, werd ik gebeld. Het was mijn echtgenote. Bleek dat ze zich op de parking van het warenhuis bevond, schuin tegenover de plaats waar wij stonden. Ik legde haar snel de situatie uit en luttele minuten later was ze bij ons. Ik bracht haar op de hoogte van mijn plan en verzocht mijn eega thuis de batterijlader, alsook een verlengkabel te halen.

Toen mijn vrouw even later terugkwam had ik inmiddels beslist in een winkel van motoren en scooters, een twintigtal meters verwijderd van de plaats waar we stonden, om medewerking te vragen. Allicht zou ik daar binnen kunnen staan. Dat zou warmer zijn dan buiten, waar het alweer aan het vriezen was gegaan. En dan hadden we ook dat verlengsnoer niet nodig. De mensen van de motoren gingen zonder dralen in op mijn verzoek en verleenden me meteen toegang tot hun garage. Alwaar ze me een stopcontact aanwezen in hetwelk ik mijn batterijlader kon laten aankoppelen.

Even later kwam een man, naar ik vermoedde de zaakvoerder, een kijkje nemen. Ik zei die heer dat ik het erg op prijs stelde van zijn faciliteiten gebruik te mogen maken. Hij antwoordde me dat het voornaamste was dat ik werd geholpen. Op zijn vraag of een tijdje bijladen voldoende zou zijn om mijn batterijen op te laden, reageerde ik door hem te zeggen dat ik slechts vermogen nodig had om over de brug te geraken, aangezien ik in dezelfde straat woon, slechts een goeie kilometer bij hen vandaan, dus in de buurt. "Ja", zei die man met een brede glimlach, "Dat heb ik al gedacht. Ik zie je bijkans elke dag hier voorbij passeren."

Na twintig minuutjes laden besliste ik de adapter terug af te laten koppelen, in de hoop dat de batterijen voldoende waren bijgeladen om thuis te geraken. Na uitvoerig mijn welgemeende dank te hebben betuigd aan de mensen van die motorenwinkel, vertrokken we huiswaarts. De kinderen liet ik met hun mama in de auto plaatsnemen. Zelf reed ik, zonder licht, want dat zou teveel stroom verbruiken, op hoop van zege, huiswaarts. Mijn assistent fietste, met licht, voor me uit. Zo ben ik dan toch op eigen kracht thuisgeraakt. Al moest er bij het oprijden van de oprijplankjes voor mijn woning wel wat bijgeduwd worden. Omdat de accu's niet voldoende vermogen meer hadden om die kleine hellingen te trotseren.

Alweer een probleem dat zonder al te veel moeilijkheden was opgelost geraakt. En de volgende ochtend waren de batterijen weer bijgeladen. Maar ik heb wel ook een afspraak gemaakt met de technicus van mijn leverancier om toch even te onderzoeken of er niks aan de hand is met mijn onmisbaar vehikel.

Ru(sh)di(e), 20 december 2002 (revisie op 23 maart 2009)

27-03-09

Herinneringen uit mijn verleden – Mee-eter(s)

 

Het volgende verhaal speelt zich af in de tijd toen onze kinderen nog baby's waren. Het was een mooie zomerochtend. Ik verliet als eerste het bed waarin ik samen met mijn echtgenote de nacht had doorgebracht, keek even in de bedjes van de kinderen, die toen nog bij ons in de slaapkamer stonden, verfriste me in de badkamer, kleedde me aan en wandelde gezwind de trappen af naar de gelijkvloerse verdieping van ons huis.

Onze hond richtte lui de kop op. Die was blijkbaar nog moe! Toch stond ze op, rekte zich uit en kwam toen kwispelend naar me toe. Terwijl ik haar door de woonkamer, via de keuken en veranda, naar buiten vergezelde voor haar ochtendplas en -kak, , herinnerde ik me plots dat we de avond tevoren stoofschotel met 'zwarte ogen' bonen hadden gegeten, mijn lievelingskost. En ik herinnerde me ook dat we de pot niet hadden leeggegeten. Er was dus ongetwijfeld nog een restje overgebleven, dat ik nu zou kunnen nuttigen als ontbijt. Lekker!

Inmiddels was ik terug in de keuken aanbeland en zag ik de bewuste pot op een bekken op het kookvuur staan. Maar het deksel lag ernaast en wat ik toen vreesde, werd mij luttele seconden later door mijn ogen bevestigd. De pot was leeg! Blijkbaar was mijn eega me voor geweest. Gisterenavond nog? Of deze nacht met honger wakker geworden? Ze moest in alle geval veel honger hebben gehad, want de ketel was compleet leeg.

Toen mijn vrouw iets later ten tonele verscheen merkte ik schamper op dat ze wel erg egoïstisch was geweest door de overgebleven stoofschotel integraal zelf te verorberen en zelfs geen klein restje voor mij over te houden.

Mijn wederhelft keek me enorm verbaast aan en verzekerde mij NIET aan ons eten te hebben geraakt. Met open mond bekeken we vervolgens samen de lege pot. Met opengesperde ogen keken we elkaar aan. Als WIJ het resterende voedsel NIET hadden verorberd, WIE dan wel? Hadden we misschien onverwacht bezoek? Was er deze nacht iemand ons huis binnengekomen, op zoek naar eten en onderdak? Niet dat iets dergelijks reeds eerder was voorgevallen, maar het kon dus wel. Wij zijn nogal sociaal bewogen en wie ons kent weet dat men in nood steeds bij ons terecht kan. En noch de hekkens bezijden onze woning, noch onze achterdeur en verandadeur werden toentertijd 's nachts op slot gedaan.

Dus ik naar boven, op zoek naar die onbekende gast. In de logeerkamer was niemand te vinden. Net zo min als in de tweede slaapkamer, noch in de bergruimte, of op de zolder. Vervolgens ging ik naar de kelder en speurde ik ook doorheen elke plaats in het handelsgedeelte van ons huis, een tweewoonst. Onderwijl ging mijn echtgenote op onderzoek uit in de garages en in de stal. We vonden evenwel niemand. En zagen ook geen enkel spoor van iemands aanwezigheid.

Toch raar dat ook onze hond niks had gemerkt. Anders had die ongetwijfeld geblaft!  Vol onbeantwoorde vragen en met een vreemd, ongemakkelijk gevoel, begonnen we aan onze dagelijkse activiteiten.

Toen ik 's middags terugkwam van werk bij een klant, vond ik een vleesloos beentje aan het hek. Uit onze stoofpot? Had die mysterieuze eter deze nacht, opnieuw onze woning verlaten, onder het knabbelen aan een boutje? En na zijn peuzelwerk het overgebleven bot hier neergegooid? Raar.

Die avond waren we tijdens het avondmaal net opnieuw aan het discuteren over wie dan wel de afgelopen nacht met ons voedsel kon gaan lopen zijn geweest, toen de telefoon rinkelde. Het bleek een vriendin van mijn eega te zijn. Ze kreeg meteen het verhaal over de mysterieuze voedselverdwijning te horen.

Toen hun gesprek ten einde was, en de telefoon terug op de hoorn lag, wou ik wel eens weten wat die vriendin over het eigenaardige voorval dacht. "Ze vroeg of we een kat hebben." kreeg ik te horen. Tja, wij niet, maar onze buren wel, twee exemplaren zelfs. En die liepen ook geregeld door onze tuin. Maar die konden ons huis toch niet in?

Op dat moment ging er echter bij ons beiden een lichtje branden. Onze houten keukendeur, die uitgeeft op de veranda, waarvan de deur 's zomers open bleef staan, is voorzien van twaalf kleine venstertjes, waarvan één van de onderste twee na breuk, verwijderd was. Dus zo was die kat (of beide?) binnen geraakt, had waarschijnlijk met veel smaak de pot leeggegeten om vervolgens met haar krachtige, spitse tong de pot leeg te likken. En dat teruggevonden, door scherpe tanden afgeknaagd beentje, was ongetwijfeld een naar buiten gesleept restant van de buit. Toch was het raar dat de hond niks had gemerkt.

Een jaar of twee eerder woonden we ook reeds in hetzelfde gebouw. Aangezien we toen nog volop aan het verbouwen waren in het woongedeelte, verbleven we op de eerste verdieping van de andere huiszijde, boven de ruimte die later als winkel zou fungeren. Mijn zaak was inmiddels nog op het adres van mijn ouders gevestigd.

Toen ik die avond, na sluitingstijd, huiswaarts keerde, kwam mijn moeder met een doos versgebakken ronde cakejes aangestapt. Ze wist immers dat haar schoondochter daar dol op is, en ik eveneens. Ik dankte mijn ma voor de gift en verzocht haar de gebakjes in mijn tas te stoppen, bovenop mijn paperassen, terwijl ik onderwijl de rest van mijn spullen in de auto laadde.

Eens thuis plaatste ik alle meegebrachte waren, alsook de tas, in wat later de winkel zou worden en liep de trap op om mijn liefste te melden dat ik was thuisgekomen. Onze hond begroette mij enthousiast als eerste, en ook mijn echtgenote scheen tevreden dat ik thuis was. Ik vertelde haar over de gebakjes van haar schoonmama en vroeg haar me even te helpen om al mijn spullen naar boven te brengen. Dat wou ze. Wij dus naar beneden.

Ik nam een deel van de goederen ter hand, terwijl ik zag dat mijn schattebout vooreerst de inhoud van mijn tas inspecteerde. Op mijn aangezicht verscheen een glimlach. Mijn honnepon kon blijkbaar niet wachten tot we boven waren om een aanvang te nemen aan het verorberen van die koekjes.

"Wel, waar zijn ze?" kreeg ik te horen. "Hier zit niks in!" Ik dacht dat mijn wederhelft me in het ootje wou nemen, maar dat bleek niet zo. Ik nam de tas over van haar en bekeek de inhoud. Ik haalde er een dekselloze witte ijscrème- doos uit. Was dit niet de doos waarin mijn ma de cakejes had verpakt? Maar waar waren ze dan heen?

We keken rond in de ruimte. Op de grond waren geen koekjes te bespeuren. We zagen wel een likkebaardende hond. Zij zou toch niet...? Maar waar waren de papiertjes dan gebleven?

En toch! Het dier moet, afgaande op de aantrekkelijke geur van de ovenverse gebakjes, haar snuit in mijn tas hebben gestopt en,wetende dat het eigenlijk niet mocht en dat ook ik zeer spoedig naar beneden zou komen, uiterst snel alle gebakjes, inclusief verpakking, naar binnen hebben gespeeld.

Ru(sh)di(e), 7 december 2002 (revisie op 23 maart 2009)

26-03-09

Rudi’s ontboezemingen, een nieuw deel

 

Het was weer dik in orde vandaag. De verpleegster had twee maal moeten aanbellen heden ochtend, omdat mijn echtgenote bij hoge uitzondering nog niet klaarstond bij de deur om haar binnen te laten. Bijgevolg had hare doorluchtige hoogheid anderhalve minuut aan de voordeur moeten wachten vooraleer zij binnen kon komen. En daarom was ze boos.

"Er al eens aan gedacht dat ik ELKE dag moet wachten tot jij ergens tussen kwart na acht en negen uur opdaagt?" vroeg ik voorzichtig. Toen was het hek pas helemaal van de dam. Door vervolgens op haar dooddoener "Ik heb ook nog andere patiënten" te repliceren dat zulks haar bekommernis was en niet de mijne en ik dat argument bijgevolg dus niet accepteerde, was de ruimte helemaal te klein. Mijn slaapkamer, die tevens dienst doet als kantoor, living, eetkamer, badkamer en toilet, daverde op haar grondvesten toen mijn benen spastisch begonnen te trillen onder de giftige blik die mijn verzorgster me toewierp.

Tja, ze heeft vorige zomer al eens een tijd thuisgezeten omdat ze uitgeblust was. En nu hebben ze haar een patiënt gegeven die al eens een kritische opmerking durft te maken. En vindt dat ze de tijd die ze besteed aan zijn reclameblad te lezen, met de familiehulp te roddelen of kinderachtig te doen tegen zijn kroost, beter zou besteden aan dagelijks zijn voeten en onderbenen wassen.

Ze had reeds geruime tijd niet veel krediet meer, maar het voor mij helemaal verkorven door afgelopen week tijdens mijn wekelijkse haarwasbeurt de opmerking te maken dat ik mij gelukkig mocht prijzen zo te worden verwend. En maar niet wou inzien dat ik daar geen verwennerij in zag. In bed, met mijn nek ongemakkelijk in een kuip gelegen, handelingen te laten ondergaan die ik veel liever zelf zou doen.

Reeds tweeëneenhalf jaar moet ik het ontberen, maar toch kan ik me nog levendig herinneren hoe goed het aanvoelde mijn haar te wassen onder een keiharde, warme douchestraal. Dat was pas verwennerij! En ik had er geen verpleegster, noch familiale hulp bij nodig. En bijgevolg bleef ik toen ook gespaard van het geleuter tussen die twee. Als ik lawaai wou zette ik gewoon de radio aan!

Ook het dagelijks gewassen worden in bed, met een kommetje water, kan in mijn ogen bezwaarlijk als verwennerij worden aanzien. Maar dat dringt bij sommige uitgebluste thuisverpleegkundigen blijkbaar niet door.

Een mens zou van minder neerslachtig worden. Gelukkig zorgen onze kinderen met hun dikwijls grappige uitspraken, voor een vrolijke noot in huis. En wordt een wegzinken in mistroostigheid dientengevolge voorkomen. Om even een voorbeeld te geven. Voor hen zijn er twee soorten personen: kleine en grote 'kinderen' en 'mensen', volwassenen dus.

Vanuit deze gedachtegang concludeerden zij onlangs dat mijn kinesiste, een jong meisje, nadat ze hen had vertelt meestal bij haar vriend, maar ook nog een beetje bij haar ouders te wonen, dus eigenlijk nog geen mens was. Zij moest om die uitspraak hartelijk lachen, en ik evenzeer!

Op een zondagnamiddag, eind mei, zat ons gezin gezellig samen aan tafel in de veranda, met zicht op de tuin. We keken naar een koppeltje tortelduiven dat bovenop de schommel van de kinderen zat te flikflooien. Eén van mijn kleuters zei: "Kijk papa, die duifjes zoenen elkaar, die zijn verliefd!" Ik knikte bevestigend. Ineens sprong die ene bovenop de andere en begonnen de duifjes te paren.

Enigszins verveeld door het schouwspel, probeerde ik de aandacht van de kinderen af te leiden. Tevergeefs. Dan zei één van hen: "Hoe lief. De ene vogel krabt de andere. Die eerste heeft waarschijnlijk jeuk!" Ik glimlachte en dacht: "Ja, allicht!"

Ru(sh)di(e), 3 augustus 2002 (revisie op 23 maart 2009)

24-03-09

De avonturen van Rudi & Co, het vervolg

 

Het was weer woensdag. Dan is er in de voormiddag een openbare markt in mijn woonplaats, een middelgrote provinciestad in Vlaanderen. Nu ik de thuisverplegingsdienst van mijn ziekenbond aan de deur had gezet, nadat ik een verpleegteam had gevonden dat mij wél op een deftig uur wou komen verzorgen en uit bed halen, kon ik ook eens op een fatsoenlijk uur naar deze markt afzakken. Voornamelijk als verzet, maar toch ook om enige aankopen te doen. Ondermeer verse wortels voor het paard van de Sint. De goede man zou immers, volgens mijn kinderen althans, twee dagen later bij ons langskomen.

De markt dus. Mijn echtgenote ergerde zich alweer enorm aan het voortdurend staren van heel veel mensen. Individuen die me - veelal ongegeneerd - starogend aankeken. Niet om me te groeten, maar gewoon om te zien wie of wat er in dat rollend gevaarte zat. En, ik moet toegeven, die dag was het echt wel enorm. Ook toen ik alleen aan de ingang van het plaatselijk kantoor van een financiële instelling zat te wachten, terwijl mijn wettige wederhelft binnen in het gebouw enkele bankverrichtingen ging uitvoeren, werd ik door de éne na de andere persoon aangegaapt. Mannen, vrouwen, jong, maar vooral oud, allen passeerden de revue. Het kon me niet echt deren. Maar ik wou wel wat afleiding. Dus ik zei, tot één van die personages die maar niet ophield me te bezien, met een zo krachtig mogelijke stem: "Alles in orde, mevrouw?" De vrouwspersoon in kwestie schrok op. Die dacht waarschijnlijk: "Oei, 'het' spreekt." Ze keek me enkel verbaast aan, dus liet ik er, gebruikmakend van het uiterste van mijn beperkte longcapaciteit en stemvolume, op volgen: "Is er iets?" Terwijl ze onderwijl iets nader kwam, zei ze in haar dialect: "Neen, neen."  Waarop ik repliceerde: "Oef! Ik dacht al dat ik iets aanhad van u." Hierop droop die vrouw beschaamd af.

Een dag eerder had één van mijn zoons me ook reeds op de man af gevraagd waarom al die mensen me steeds zo aankijken. Ik antwoordde toen iets in de trant van: "Misschien omdat ze me zulk een knappe gast vinden?" Maar de andere jongen ontnuchterde mij door te zeggen: "Maar neen, papa, dat is omdat je gehandicapt bent."

Mijn vrouw en ik flaneerden die woensdag dus gemoedelijk over de markt, langsheen de diverse kramen. Aangezien we toch in de buurt waren, wenste ik van de gelegenheid gebruik te maken om naar de natuurwinkel te gaan, gelegen in een in kasseistenen aangelegd, autovrij straatje, bezijden de kerk. Zakjes Sint-Janskruidenthee had ik nodig. Ik drink daar dagelijks een tas van, met de bedoeling mijn inactieve lichaam tijdens de koude maanden van binnenuit te (trachten te) verwarmen. Naar 't schijnt heeft dat als interessante bijwerking ook een goede invloed op het humeur van degene die het tot zich neemt, maar daar heb ik tot op heden nog niks van gemerkt. Mijn goede luim dien ik elders  vandaan te halen.

Daar de twintig centimeter hoge deurdorpel niet echt uitnodigde tot een bezoek aan de winkel door rolstoelers, bleef ik noodgedwongen buiten 'staan', in de kille decemberlucht, en begon wat te mijmeren. Plotsklaps werd ik echter door elkaar geschud. En hoorde tezelfdertijd iemand gedempt vloeken. Toen ik mijn hoofd naar links draaide, voor zover ik daartoe in staat ben, zag ik een figuur met een donkere bril op, in een ijltempo zigzaggend naast mij passeren. Was ik verdorie bijna onder de voet gelopen door een blinde! Ik vond het voorval enorm grappig. Trok ik, naast miserie, nu ook al blinden aan?

Trouwens bewonderenswaardig hoe snel die man zich hernam. Hij had echter nogal wat moeite om zijn blindenstok in bedwang te houden. Hoe zeer hij ook trachtte, met beide handen het ding omklemmend, het hulpstuk onder controle te krijgen, het bleef zich wild van links naar rechts bewegen, steeds - irritant - de straatstenen aantikkend, en zelfs de muurgevel diende eraan te geloven! Zou de man niet beter overwegen zich een goed getrainde geleidehond aan te schaffen?

Oeps! Nu lach ik met een handicap en dat is, geloof ik, maatschappelijk niet erg correct. Nochtans wordt zulk een humor meestal wel gesmaakt. Ik heb immers een hele resem moppen over gehandicapten opgeslagen liggen in de duistere kamers van de grijze hersenmassa, die in mijn hoofd verscholen ligt, en op momenten dat ik ze via mijn spraakorganen ten gehore breng, oogst ik steeds veel bijval.

Op deze marktdag werd ik trouwens door een recordaantal mensen aangesproken. Drie (3) om precies te zijn. Vooreerst door mijn dooppeter, die ook al bijna tegen me aanbotste, en zich dus verplicht zag me te begroeten. Vervolgens door de vriend van een jonge vrouw, die ik in het revalidatiecentrum heb leren kennen. En daarna door een oud-werkmakker van mijn vader, die vergezeld was van zijn echtgenote. Mijn vader heeft tientallen jaren lang samen met die man de hengelsport beoefend. En ik was daar in mijn kinder- en jeugdjaren haast altijd bij.

Maar ik had die persoon sinds, ik denk minstens twintig jaar, niet meer gezien. Derhalve zou ik die man bij God niet meer hebben herkend. Maar hij mij blijkbaar wel. Na al die jaren! Ben ik in al die tijd qua uiterlijk dan zo weinig veranderd? Of zou het toch iets te maken hebben met het feit dat ik in zo een wielending zit en vergezeld was van mijn Afrikaanse echtgenote, en bijgevolg dus gemakkelijk herkenbaar?

Sympathieke mensen trouwens. De man vist naar eigen zeggen nog steeds. Ik niet. Althans niet met een hengel. En geenszins op al dan niet geschubde waterdieren.Maar jammerlijk genoeg figuurlijk wel al te vaak achter het net. Wenkbrouw ophalen

Ru(sh)di(e), 6 december 2002 (revisie op 23 maart 2009)

22-03-09

De avonturen van Rudi & Co, we gaan er mee door

 

Zaterdag jongstleden ging ik met mijn echtgenote en twee bengels iets drinken in een theehuisje in het centrum van de stad waar we wonen. Kwestie van eens buiten te zijn. Ikzelf was nog nooit eerder in de verbruikszaak in kwestie geweest, maar bij een toevallige passage had ik, van op een afstand, reeds gezien dat het etablissement goed toegankelijk voor me was en er bovendien een ruime speelruimte was voorzien voor kinderen, een niet te versmaden gegeven voor wie met twee overactieve jongens op stap gaat.

Als eerste drankje namen wij, 'mannen', een warme chocolademelk; de mama een Coca Cola. Na een half uurtje door de koele buitenlucht te hebben gereden, deed die warme drank me deugd. Vervolgens wou ik wel eens iets met alcohol tot me nemen, en graag hetzelfde als mijn eega. Ik prefereerde een rosé wijntje. Mijn wederhelft ging akkoord met die keuze, onder de voorwaarde dat het een tamelijk zoete wijn zou zijn. Dus riep ik de kelner en vroeg hem of hun rosé wijn zoet was. Antwoordde die jonge snaak: "Ik zou het niet weten, mijnheer, ik drink nooit wijn."

Voor de rest overigens geen slecht woord over dat koffiehuis, behalve dan misschien het feit dat ze geen servetten gaven bij de warme toastjes. Vriendelijke mensen, en heel kindvriendelijk. Lang geleden dat ik me met mijn gezin nog eens ergens zo welkom heb gevoeld. Tijdens ons verblijf in de zaak kregen alle aanwezige kinderen trouwens ook nog eens een tweetal keren een snoepje aangeboden vanwege de uitbaters.

Een week of twee geleden was ik, na schooltijd, met mijn rakkers op weg, richting centrum. Als naar gewoonte stapte er eentje links van me, en eentje rechts. Met één hand hielden ze mijn rolstoel vast. Zo hou ik hen onder controle. We verplaatsten ons over het tamelijk toegankelijk voet- en fietspad. Op een gegeven moment kwamen er enkele fietsers achter ons aan. Zoals ik hen geleerd had, ging mijn kroost spontaan achter me aan stappen, kwestie van ruimte te geven aan die andere weggebruikers. Ze bleven wel ook mijn rolstoel vasthouden.

Hoorde ik opeens achter mij: "Pas op mannekes, ik zal het wel even van jullie overnemen!", maar dan uitgesproken in het plaatselijk dialect. Het volgende moment voelde ik een warme adem in mijn nek en rook ik een alcoholgeur. En hoorde ik één van mijn zoons zeggen: "Mijnheer, dit is wel een elektrische rolstoel hoor!" Bleek dat er een oude man tegen mijn rolstoel aan het duwen was. Die dacht dat de kinderen mij vooruit duwden (dat hadden we reeds eerder meegemaakt!) en wou dat klaarblijkelijk ook wel eens doen. Met blozende kaken (die hij waarschijnlijk reeds had door een teveel aan geestrijke drank in zijn corpus) liet hij mijn voertuig terug los. Hahaha... wat hebben we gelachen!

Wat me begin september, op een warme nazomerdag, voorviel was minder lollig. Samen met een assistente ging ik enige aankopen doen in de Aldi in onze buurt. Een filiaal van die Duitse warenhuisketen, waar ik voor die desastreuze heelkundige ingreep - die mijn ganse leven veranderde - ook reeds geregeld over de vloer kwam, en mijn echtgenote nog steeds, nagenoeg wekelijks.

Terwijl mijn assistente onze aankopen in een doos deponeerde, kwam de kassierster, met de naam "Van Branden", op haar afgestapt. Ik werd straal genegeerd, hoogstwaarschijnlijk vanuit een vooringenomenheid dat mensen in een rolstoel sowieso ook mentaal gehandicapt en onmondig zijn. Aangezien mijn toenmalige assistente de Nederlandse taal niet machtig is, begreep ze niet wat het vrouwelijk personeelslid zei. Het meisje verwees haar naar mij en ik vroeg wat er aan de hand was. De kassierster, zichtbaar verbaast dat ik kon spreken, zei boosaardig dat ze een volle fles water zag liggen in de tas die aan de achterzijde van mijn rolstoel is bevestigd. Ik vertelde haar onthutst dat het uiteraard mijn eigen drank betrof, meegebracht van thuis, en steeds aanwezig in die opbergzak, voor het geval ik er nood aan had. "Ja maar, dat is van een merk dat wij hier verkopen." beet ze me hooghartig toe. "Nogal wiedes, want hier aangekocht door mijn echtgenote" repliceerde ik. Met een blik vol ongeloof zei ze dat ik dat dan bij betreding van de handelsruimte aan haar had moeten melden. Dat vond ik onredelijk. Dit kon ze toch niet menen? Bovendien wist ik trouwens - om een voor de hand liggende reden zo dacht ik toch - niet eens wat zich exact allemaal in mijn tas bevond, zo zei ik haar. Dan zou ik het telkens ik de Aldi betrad door hen moeten laten controleren, kreeg ik als antwoord. Ik was totaal verbouwereerd. Me vanuit haar ooghoeken nog steeds spiedend aankijkend, ging zij opnieuw achter haar kassa zitten. En wij verlieten de winkel.

Het voorval ergerde me enorm. Ik vermoedde immers dat de houding van die caissière ook zodanig was omwille van de bruine gelaatskleur van mijn (jonge) assistente. Dat onnozel Aldi wicht met haar bekrompen geest veronderstelde vanuit haar stupide vooringenomenheid allicht dat het Afrikaanse meisje het had aangedurfd met een gehandicapte man op dievenpad te gaan. Met zo'n klein tasje? En zonder het dicht te doen? En een fles water van nog geen 25 Eurocent? Domme mensen gaan er blijkbaar vanuit dat elk ander individu even dwaas is als zijzelf.

Net buiten, en enigszins bekomen, keerde ik me terug om en verzocht die trut, die inmiddels met een collega stond te konkelfoezen, tot bij me te komen. Dat deed ze, evenwel met tegenzin, en vergezeld van die werkgenote. Ik vertelde hen die houding van die ene niet te waarderen. Ze vond er zelf niks verkeerd aan en bleef bij haar standpunt dat ik elke keer ik hun winkel betrad, mijn tas door hen zou moeten laten controleren. Die andere trad haar daarin bij. Dat ik, wat zij van mij verlangden, als uiterst vernederend ervoer, en gezien de drukte die meestal in de winkel heerst, dit zelfs praktisch nagenoeg onmogelijk te realiseren viel, kon hen beide niet deren.

Ik zei nog te begrijpen dat er een regel was dat je in principe niet met een tas de winkel in mag, maar ze moesten toch begrijpen dat ik onmogelijk mijn rolstoel, met een niet verwijderbare tas, of enkel de tas, aan de ingang van hun winkel kon laten staan. Bovendien vond ik dat een doorzoeken van mijn tas - met als inhoud voor mij noodzakelijke dingen, waar zij mijns inziens totaal geen zaken mee hebben - een aantasting is van mijn privacy. Doch die argumenten vonden bij hen geen gehoor.

Achteraf bekeken kan je zeggen dat deze hele situatie had kunnen vermeden worden als die assistente mijn tas voor het binnenrijden van de winkel had dichtgedaan. Maar wie niks te verbergen heeft, denkt daar gewoonweg niet aan en verwacht geen perikelen als deze. Dus dat meisje treft, wat mij betreft, geen blaam. Mijn conclusie uit dit voorval is gewoonweg dat ik in die Aldi niet welkom ben. Niks aan te doen. Het is - spijtig genoeg - nu eenmaal zo dat de menselijkheid soms ver te zoeken is in onze hedendaagse maatschappij.

Ru(sh)di(e), 2 december 2002 (revisie op 22 maart 2009)

21-03-09

De avonturen van Rudi & Co, een blijkbaar nooit eindigend vervolgverhaal

 

Gisteren zijn we uit eten geweest. 't Was weer in orde. We waren met negen. Dacht slim te zijn door me in het midden van de voor ons gereserveerde feesttafel te positioneren, met rechts van mij mijn echtgenote, want zonder haar hulp kan ik in een eethuis weinig uitvreten.

Maar geen avance. We werden ook nu weer het grootste deel van de avond door onze disgenoten straal genegeerd. Mijn echtgenote en ikzelf zaten daar - een beetje sullig - centraal, terwijl links en rechts van ons een - nogal eens van bezetting wisselend - trio en kwartet gezellig aan het keuvelen waren.

Het feit dat ik - ondanks het gebruik van hoorapparaatjes - zeker in een rumoerige omgeving, ontzettend slecht hoor, en bovendien met mijn log, omvangrijk vehikel dan ook nog eens een halve meter verder van de tafel zit verwijderd dan valide personen, maakte dat ik de conversaties totaal niet kon volgen, laat staan er actief aan deel te kunnen nemen. Slechts twee aangezetenen getroostten zich de moeite om een dialoog met me aan te gaan. Voor de rest van de avond was het een saaie bedoening. Voor mijn eega, die zelfs continue totaal voor lucht werd aanzien, en mezelf althans, want de anderen hadden enorm veel pret!

De avond begon trouwens al onder een slecht gesternte. Het regende, zodat ik de zowat drie kilometer tot aan de brasserie waar we hadden afgesproken, diende te overbruggen, weggedoken onder mijn regenmantel. Een door mijn mama gefabriceerd exemplaar, waarvoor een uit legerstock 'het Amerikaantje' aangekochte Duitse legerjas als basis diende. Bij aankomst aan de eetgelegenheid stelde ik ook nog vast dat ik vergeten was mijn wederhelft te vragen mijn schoeisel te wisselen. Dus zat ik daar in mijn zwarte rolstoel, gekleed in een zwarte broek en een donkergrijze trui, maar met witte sportschoenen aan mijn voeten in plaats van mijn zwarte lakschoenen.

Toen het hoofdgerecht werd aangebracht, door de patroon in hoogsteigen persoon nota bene, gebruikte die man een naar mijn maatstaven nogal taalonkundige uitdrukking. Hoewel ik in de stad waar ik woon heel wat gewoon ben, vond ik het eigenlijk een zelfs ronduit onbeschofte manier om te weten te komen aan wie de schotels met buitenmaatse garnalen dienden geserveerd te worden. De man zei namelijk: "Waar zijn de Gamba's?" Mijn irritatie ombuigend naar humor, zei ik: "Euh, in die borden op uw arm, mijnheer" en liet op deze uitspraak zelfs een glimlach volgen. Maar die kerel vond dat niet grappig.

Van aangepast bestek voor schaaldieren hadden ze in die veredelde snackbar blijkbaar ook nog niet gehoord en een schoteltje azijnwater om de vette vingers te reinigen na het gevecht met de schaaldieren, had men ook niet voorzien. Op vraag van een tafelgenoot met eenzelfde hoofdgerecht werden uiteindelijk dan toch vochtige doekjes gebracht.

De gegrilde reuzengarnalen waren trouwens uitermate lekker, en de erbij geserveerde saus uitmuntend. Maar dat mocht ook wel na de totaal smaakloze Schotse zalm van het voorgerecht.

Dan was mijn vorige etentje - zowat een maand geleden - toch wel een heel stuk beter geslaagd. Bij de Chinees in onze straat was dat. Samen met mijn echtgenote en een bevriend koppel. Behalve het feit dat ik een deel van een muurtje in de (voor mijn vehikel veel te smalle) gang naar het toilet van het restaurant heb vernietigd, valt er over dat uitje trouwens niks wereldschokkends te melden.

We hebben wel veel lol gehad die avond. Door het ondermeer oprakelen van herinneringen aan gezamenlijke belevenissen. Onder het genot van een glas wijn. En naderhand ook iets met minder vocht en meer alcohol in.

Ik vertelde hen ook het relaas van die keer dat ik uit eten ging en enige tijd na het uitgebreide hoofdgerecht de kelner naar onze tafel riep en - met een uitgestreken gezicht - zei dat hij nu het hoofdgerecht wel mocht brengen. Die jongen stond toen als aan de grond genageld, en keek me aan met open mond. Waarop ik gauw zei: "grapje!", waarna hij terstond gerustgesteld glimlachte.

Waarop mijn tafelgenoot ons vertelde ooit eens samen met drie makkers in een eethuis spaghetti te hebben gegeten. Na het verorberen hiervan hadden ze echter alle vier nog steeds honger. Dus bestelden ze nogmaals hetzelfde. De serveerder ging met die bestelling naar zijn patroon. Die betrouwde het zaakje blijkbaar niet en kwam met de uitstraling van een donderwolk richting hun tafeltje. Met in zijn ene hand met het bestelbriefje zwaaiend, blafte hij: "Is dat hier om te lachen?" Waarop mijn vriend doodkalm: "Neen, helemaal niet, mijnheer. Om op te eten!"

Ru(sh)di(e), 24 november 2002 (revisie op 17 maart 2009)

18-03-09

De lotgevallen van een rolstoeler, tweede en nu echt wel allerlaatste aflevering

 

Eureka! Ik heb mogelijks een manier gevonden om de verlamming van mijn benen ongedaan te maken.

Gisterenochtend is de huisdokter bij me langs geweest en die heeft hij me ondermeer een antibioticum voorgeschreven. Toen mijn echtgenote in de namiddag met de medicatie thuiskwam las ik, als naar gewoonte, de bijsluiter. En wat zag mijn lodderig oog als zijnde één van de mogelijke bijwerkingen: 'wankel op de benen lopen.'

Ik ben sinds gisterenavond met de inname van die pillen begonnen en hoop spoedig geconfronteerd te worden met die bijwerking. Wankel of niet, als ik maar vooruit geraak!

Dat ik reeds meermaals ondervond dat je mensen zo gemakkelijk blaasjes kan wijsmaken, heb ik reeds eerder verteld. Vorige week is het me alweer gelukt iets uitermate onwaarschijnlijk voor waar te laten aannemen. Ja, een mens moet ergens zijn pleziertjes uit halen.

De zon scheen en er heerste een aangename temperatuur. Wel een beetje wind, maar dat kon me niet deren. Ik vertrok een half uurtje vroeger dan nodig om mijn kinderen af te halen van school, zodat ik eerst nog eens een toertje kon maken in de wijk achter onze woning.

Ik genoot van het zicht van de tuinen en tuintjes vol groeiende en bloeiende planten en bloemen. Het ene perkje nog mooier aangelegd dan het andere. Nogmaals overdacht ik hoe zeer ik had uitgekeken naar het moment waarop ik voldoende tijd zou hebben gehad om zelf mijn eigen tuin te kunnen onderhouden. En hoe triest het eigenlijk was dat ik nu wel alle tijd had, maar nooit aan tuinieren zou kunnen toekomen. Het ergste van al vond ik het feit dat mijn kinderen mij nooit in de tuin zouden bezig zien en ik dientengevolge de interesse en de kennis van het groenwerk, niet aan mijn kroost zou kunnen doorgeven, zoals ik van jongs af aan het tuinieren van mijn ouders had gezien en geleerd. Soit, gedane zaken nemen geen keer. Ik kon mijmeren zoveel ik wou, het zou niks wijzigen aan mijn situatie.

Op een gegeven ogenblik passeerde ik een tuin waarin een man net de inhoud van de opvangbak van zijn grasmachine in een kruiwagen kiepte. De heer keek op en ik knikte hem gedag. "Lekker weertje hè" zei hij me vriendelijk glimlachend, onderwijl mijn richting uit komend. Ik hield even stil. Die manspersoon - een zestiger denk ik - had duidelijk zin in een praatje en ik zag het ook wel zitten om enige woorden met hem te wisselen.

Hij vroeg me of ik reeds lang in een rolstoel zat en of mijn toestand, zoals hij vermoedde, het gevolg was van een verkeersongeval. Enfin, de geijkte vragen dus. En ik legde hem geduldig, en zeer in het kort, de oorzaak van mijn rolstoelafhankelijkheid uit. Die persoon luisterde heel aandachtig en zijn gelaatsuitdrukking werd zeer ernstig, bijna droevig. Hij vond, zeker omdat ik er nog zo jong uitzie, mijn toestand uitermate erg.

"Tja" zei ik, "Dat vind ik ook, maar de situatie is nu eenmaal onomkeerbaar, dus moet ik er maar zien het beste van te maken." Die ingesteldheid vond hij tof. Er verscheen alweer een glimlach op de grijzende man zijn aangezicht. "Gelukkig kan ik dat nog wat jij nu aan het doen bent." zo zei ik.  De man keek me niet begrijpend aan. "Het gras van mijn gazon afrijden bedoel ik dus" verklaarde ik me nader. Waarop hij: "Hoe doe je dat dan?" Ik repliceerde: "Met mijn rolstoel. Ik heb daar een aparte module voor. Mijn echtgenote klikt dat ding onderaan vast en klaar is Kees!"

De man keek me ongelovig aan, maar ik voegde er met een ernstig gezicht toch nog aan toe: "Was wel niet goedkoop, en allemaal uit eigen zak te betalen. Maar ja, een grasmachine kost ook geld en dan moet ik nog iemand vinden om er achter te lopen, terwijl ik zelf alle tijd heb."

De brave man maar knikken. Daar kon hij inkomen. Ondertussen bekeek hij spiedend mijn gemotoriseerde zitstoel. "En hoe krijgt de motor van die messen stroom?" kreeg ik te horen. Ik wees naar de zware batterij achteraan mijn rolstoel en zei, voordat de brave man nog meer technische vragen op me af kon vuren, dat hij me moest excuseren, maar dat ik dringend verder moest om mijn kinderen van school af te halen. Ik begon terug te rijden en terwijl die heer, nog steeds met een ernstig en vragend gezicht naar mijn machine keek, zei ik nog, breed lachend nu: "'t Is niet waar, hoor!" Die mens had het terstond door, en begon hard te lachen. En langdurig, want toen ik de straat uit was, en een andere in, richting de school van mijn bengels, hoorde ik nog steeds zijn gelach. Voila, mijn dag was geslaagd!

Aan de school was de situatie, als steeds, minder succesvol. De allerkleinsten, zijnde de kinderen uit de zes kleuterklassen, moeten worden afgehaald in de speelzaal. De toegangsdeur van de gang naar deze zaal wordt pas even voor de schooldag ten einde is, ontgrendeld. Met als gevolg dat er steeds een massa ouders en grootouders aan de toegangsdeur staan te wachten tot wanneer deze wordt geopend.

En als het dan zo ver is, wil iedereen als eerste naar binnen en is het een dringen van jewelste. Eigenlijk ongehoord, mijns inziens. Nadat ik - als enige - de moeders met kinderwagen voorrang heb gegeven, rijd ik steevast als allerlaatste doorheen het deurgat. En dat is niet zo eenvoudig, aangezien op dat ogenblik reeds de eerste (groot)ouders met afgehaald(e) kind(eren) langs diezelfde deur terug naar buiten komen. Menselijkerwijze zou je toch verwachten dat men plaats zou maken voor die persoon in zijn rolwagen (ik dus). Maar neen hoor, ongelooflijk maar waar, met de bedoeling me voor te zijn duwen de volwassenen hun (klein)kind voor zich uit. Ze gaan er waarschijnlijk van uit dat ik niet tegen die kleintjes hun schenen zal aanrijden.

En dat doe ik inderdaad ook niet. Ik hoed me er trouwens sowieso voor om tegen mensen aan te rijden. Dus meestal wacht ik dus gewoon gedwee tot wanneer ik ruimte heb om te rijden.

Het valt mij trouwens op hoe weinig respect mensen heden ten dage hebben voor hun zwakkere soortgenoten, als daar onder anderen zijn: kinderen, bejaarden en gehandicapten.

En nu doel ik niet speciaal op jongeren hoor, want daar heb ik persoonlijk nog de minst slechte ervaringen mee.

Neen dus, vooral volwassenen en dan zelfs veelal vrouwen en ook mannen van midden de vijftig, pregepensioneerden naar ik vermoed. Zo werden we ook deze dag, terwijl we bij groen licht en ik op het zebrapad rijdende, met mijn kinderen links en rechts van me, netjes met één hand mijn stoel vasthoudend - naar gewoonte aldaar - bijna overhoop gereden door een haastige bestuurster die waarschijnlijk bewust negeerde dat je bij rood licht eigenlijk moet stoppen.

Om dan toch met een vrolijke noot te eindigen, het volgende:

Ik moest gisteren namiddag in het centrum van de stad zijn waar ik woon. Ik reed gezwind op het mooi betegelde, vlot berijdbare fietspad. Op een gegeven ogenblik stopte ik even en boog me voorover om mijn bil- en bovenbeenspieren tijdelijk te ontlasten. Onmiddellijk stopte daar een dame haar auto en vroeg door het geopende portierraam of ze me kon helpen. Nog een andere auto hield stil. En ook een fietsende dame hield halt. Een oudere dame die zo een boodschappentas op wieltjes achter zich aantrok was er van overtuigd dat ik onwel was geworden. Uiteindelijk slaagde ik erin iedereen te verzekeren dat ik niet in nood verkeerde en bijgevolg ook geen hulp nodig had. Het was wel eens leuk om zien, al die bezorgde gezichten. Mijn vrouw, die bij me was, drukte het uit als volgt: "Lokeren wordt wakker!" We zijn dat hier immers niet gewoon, zo een attent gedrag.

Ik moest in het stadhuis zijn, om mijn reeds twee jaar vervallen identiteitskaart te hernieuwen. (even terzijde: mijn pasfoto's zijn goed gelukt en ik heb er nog twee over, dus als er fans zijn met interesse in een gesigneerd exemplaar...'t is het moment!)

De dame achter het loket herkende me nog van vroeger. Ze had ooit in mijn zaak één en ander aangekocht, samen met en voor haar dochter en zei dat ze veronderstelde dat het hard moest zijn om als levendige, steeds in de weer zijnde persoon, zoals ze me voorheen had gekend, noodgedwongen een inactief leven te gaan leiden.

Het deed deugd te merken dat er dan blijkbaar toch nog mensen zijn met een beetje inlevingsvermogen en dan ook nog het lef hebben dat te uiten.

Maar het toppunt van al speelde zich af in het Kruidvat. We moesten daar zijn om ondermeer haargel voor ondergetekende aan te schaffen. Jazeker dames en heren, jongens en meisjes. Naast wat deodorant onder de oksels, enige gezichtscrème op wangen, voorhoofd en neus en een vleugje aftershave op bovenlip, kin en kaken, heb ik ook dagelijks wat gel nodig om mijn haar enigszins in model te houden.

Terwijl mijn echtgenote de benodigde waar ging uitzoeken, bleef ik noodgedwongen aan de ingang van de winkel staan. Verder geraakte ik niet wegens de met allerlei spullen gevulde bakken die tussen de rijen winkelrekken stonden opgesteld, en me bijgevolg de doorgang belemmerden. Dus keek ik maar wat rond, naar de bussen haarlak, allerlei flacons met kleurspoelingen, haarverstevigers en zo mee. Ter afwisseling staarde ik net zo lang en indringend terug als sommige passanten naar mij staarden. En opeens merkte ik daar volgende aankondiging in de winkel: 'vanaf maandag aanstaande, in de solden, massa's kerstversiering aan - 50 %.' Aan het begin van de zomer zit elkeen daar toch op te wachten, niet? Dus: op 1 juli allen daarheen!

Ru(sh)di(e), 28 juni 2002 (revisie op 15 maart 2009)

16-03-09

De avonturen van Rudi & Co, een nieuwe aflevering

 

Deze ochtend was mijn verpleegster een half uur te laat. "Verslapen!" zei ze laconiek. Ja, ik weet het heus wel, het zijn ook maar mensen, maar daardoor was het wel tien uur vooraleer ik aan mijn dag kon beginnen. Wat ik rijkelijk laat vind.

Is het trouwens niet belachelijk dat een vijfendertigjarige, 'uitsluitend' omwille van zijn afhankelijkheid van derden, tien à twaalf uur per dag in bed moet doorbrengen? Om uit te rusten heb ik hoogstens acht uur nodig. Wacht tot ik al mijn verzuchtingen met betrekking tot de thuiszorg wereldkundig maak; het zijn er nogal wat! Maar daar ga ik jullie heden niet mee vervelen, dat is voor later!

Die immobiliteit van me is ook een enorm probleem. Gelukkig gebeurt ook hier in mijn omgeving meer dan in de meeste Vlaamse soaps op Tv te zien valt. Zoals dat voorval, een week of twee geleden, op een zaterdagnacht.

Eerst even een situatieschets. Wij wonen in een groot vrijstaand huis, met daarvoor een parking, met een inrit en een uitrit. Tot een malafide neurochirurg een einde maakte aan mijn actief beroepsleven, was in hetzelfde gebouw immers ook mijn handelszaak gevestigd. Nu staat de villa te koop, en dat wordt ook kenbaar gemaakt middels twee (grote) borden.

Die zaterdag was mijn echtgenote jarig. Ze had enkele vriendinnen uitgenodigd om de herinnering aan haar geboortedag samen met haar te vieren. Er werd gegeten, (frisdrank) gedronken en gedanst. Zo omstreeks middernacht besloten de dames nog een stapje in de wereld te zetten. Buiten werd nog wat gekwetterd terwijl de dames zich naar hun auto's begaven.

Ineens kwam daar - nagenoeg tezelfdertijd - zowel een auto de inrit als op de uitrit opgereden. Ze stopten bruusk en blokkeerden de toegang. Alle portieren vlogen open en uit elke wagen kwamen vier mensen gesprongen.

Het bleek politie te zijn, in burgerkledij. Ze vroegen wat er aan de hand was. Mijn echtgenote repliceerde met de wedervraag waar zij dachten het recht vandaan te halen op zo een manier haar eigendom te betreden en vragen te stellen. Ja, die eega van mij is niet op haar mondje gevallen.

Onmiddellijk inziend dat ze te vlug de verkeerde conclusies hadden getrokken begon één van die agenten een uitleg te geven. Ze waren op weg naar een megadancing iets verder in onze straat, zagen een huis 'Te Koop' staan met daarvoor een groep mensen en enkele voertuigen en dachten dat er iets aan de hand was. Er zal allicht iets van waar zijn geweest, doch zijn explicatie klonk niet echt overtuigend.

Ik vond die héle situatie nogal gênant voor hen, die agenten. En enigszins amusant voor mij., want hahaha, zij hadden wél de 'blaffers' (revolvers) bij, maar het was mijn vrouw die hen onze proprieteit 'afblafte'. Lachen Er zat trouwens een verdacht geurtje aan hun optreden. De dames op mijn parking waren immers allen van Afrikaans origine. Wenkbrouw ophalen

Ru(sh)di(e), 27 juni 2002 (revisie op 11 maart 2009)

09-03-09

De avonturen van Rudi & Co, aflevering twaalfenveertig

 

Mijn kinderen zijn dol op voetbal. Zowel zelf spelen, als er live of op de televisie naar kijken.

Toen we op een woensdagnamiddag, na een lange, hen deugddoende wandeling, op zeker moment een aantal jongentjes, in voetbalkledij, met de auto gebracht door ma of pa, en anderen per fiets, een veldweg zagen inrijden, wou mijn kroost er meteen achteraan, want er kon volgens hen geen twijfel over bestaan dat daar ging gevoetbald worden!

Ik meldde hen dat die kinderen waarschijnlijk géén match gingen spelen, maar zich naar hun voetbaltraining begaven, maar dat klonk mijn rakkers blijknaar nog aantrekkelijker in de oren, want die begonnen van "Allé papa!" en met gevouwen handjes, door hun knietjes zakkend, smekend "Alsjeblief." Tja, wat doe je dan als vader? Toegeven uiteraard! Met veel plezier trouwens.

Zo wij dus die steeg in waar we al die jonge voetballertjes in hadden zien verdwijnen. Aan het eind van de weg bevond zich een hek in twee delen, vastgeklonken aan elkaar met een zware ketting, voorzien van een hangslot. Naast dat hek, een overdekte opening in een soort van L-vorm, breed genoeg om als voetganger of zelfs met een fiets te kunnen passeren, maar onmogelijk mijn omvangrijke rolstoel daar doorheen te manoeuvreren. Door het hekwerk heen zagen we, op het plein, de jongens aan hun oefeningen beginnen. Ik bedacht plots dat er nog een andere entree moest zijn, want ik was ooit wel eens eerder op dat voetbalplein geweest, en niet langs hier.

Dus wij terug die steeg uit, de hoofdstraat op, en een heel eind verder, een andere zijstraat in. Een ganse omweg, maar mét resultaat. Na doorheen een openstaande poort te zijn gestapt / gereden, bereikten we een eerste sportveld, en zagen we - enkele blokken verder - de spelertjes aan het werk.

Via het zijpad naast de sportterreinen belandden we waar we wezen wilden. De kinderen keken enige tijd geïnteresseerd naar de baloefeningen en kregen toen van de trainer een bal ter beschikking zodat ze ook wat konden shotten... en dat deden ze, met volle overgave!

Toen de kleinsten hun training hadden beëindigd, was inmiddels reeds een groepje jongvolwassenen, onder aanvoering van een ook nog jonge, zuiders ogende man, op een ander veld beginnen oefenen. Mijn rakkers, die inmiddels de bal hadden teruggegeven, keken gefascineerd toe. Vooral de trainer was een echte balvirtuoos.

Onderwijl het broodje, dat we onderweg hadden gekocht, als avondmaal verorberend, bleven mijn twee voetbalfanaten toekijken tot ook deze training was afgelopen. Terwijl de voetballers zich omkleedden - douches zijn daar niet aanwezig - begaven wij ons in een gezapig tempo richting uitgang.

Verdorie! Bleek die poort inmiddels gesloten te zijn. Ik vroeg aan één van mijn kinderen te controleren of ze ook op slot was en dat bleek inderdaad zo te zijn. "Wat nu?" vroeg mijn kroost in koor. Uiterlijk zelfzeker, maar innerlijk toch wel licht panikerend, zei ik: "We keren snel terug  naar het veld; die trainer heeft mogelijks een sleutel!"

Dus wij onmiddellijk rechtsomkeer gemaakt en in ijltempo terug. Ik hotsend en botsend in mijn karretje, de jongens lopend naast mij. Het pad naast het eerste sportveld oprijdend zag ik in de verte - naar even later bleek - net de laatste persoon door het slop wegrijden.

Daar stonden we dan. Een koude rilling ging door me heen. Jakkes, ernstig probleem! We zouden hier alleszins niet moeten overnachten. Twee vijfjarigen om hulp sturen vond ik onverantwoord, maar ik had mijn GSM bij me en kon dus altijd moeder de vrouw nog bellen. Maar vooraleer de helft van de buurt op zijn kop te laten zetten om iemand met een sleutel van de poort of het hek te vinden, wou ik toch even bezien of er géén andere uitweg was. Dat overdekt L- gangetje naast het hekwerk was, in elk geval, ook vanaf deze kant niet voor mij toegankelijk.

Kwam mijn ene zoon met de vraag of we niet door het veld opnieuw de straat konden bereiken. Dus wij het uiterste sportveld rondgereden, zoekend naar een manier om weg te komen. En die vonden we gelukkig! Aan het eind van het terrein was een verweerde afrastering, waarin de jongens een opening vonden waar ik, een beetje hobbelend, gezien de oneffen ondergrond, toch doorheen kon  Vervolgens bereikten we via een braakliggend terrein een veldweg, en konden we aan het uiteinde hiervan, via de oprit van een bedrijfsgebouw, terug de straat bereiken en een tijdje later ook ons huis.

Ik maak met mijn lieverds soms wel leuke dingen mee. Toen we een keer in het park waren, de jongens wat rondcrossend om me heen, zag ik ineens, ter hoogte van de vijver, twee eenden met hun snavels tegen elkaar schuren en riep naar mijn rakkers: "Kijk daar, kussende eenden!" Tja, dat had ik beter niet gedaan, want op het ogenblik dat mijn bengels hun ogen op het koppeltje watervogels hadden gericht, sprong de ene canard achterop de andere om 'je weet wel wat' te doen. En mijn kinderen, met wijd opengesperde, vragende oogjes: "Wat doen ze nu, papa?" Waarop ik, zo snel niet in staat iets beter, dus geloofwaardiger, te verzinnen: "Heu, die spelen maar wat; paardjerijden, hè." De snuiters wierpen me een blik vol ongeloof toe, en keken verder naar het schouwspel. Waarop één van hen uitriep: "Papa, ik weet het! Die zijn aan het vrijen!"

Ja, kinderen. Heb de indruk dat ze tegenwoordig, op allerlei vlak, van méér zaken op de hoogte zijn op vijfjarige leeftijd dan ik toen ik vijftien was! Daar zal de media, en meer bepaald vooral de televisie, wel voor iets tussen zitten, zéker?

Bij die laatste uitstap was trouwens ook één van mijn persoonlijke assistentes aanwezig, een Afrikaanse van vooraan in de twintig, die aan de Gentse universiteit een Engelstalige cursus volgt en tijdens de vakanties wat bijverdient door me te helpen. Dat meisje heeft een donkerbruine huidskeur, net zoals de mama van mijn bengels.

Op de terugweg naar huis kwam plots een buurman op ons afgelopen. Voorheen hadden we regelmatig contact, maar sinds ik in het hospitaal was binnen gegaan, nagenoeg twee jaar daarvoor, had mijn gezin nimmer iets van hem, noch van zijn echtgenote, gehoord. Hij vroeg hoe het met me ging en nodigde me uit één van de volgende dagen eens bij hen een tas koffie te komen drinken.

Ik dacht: "Ja moe; we hebben het reeds al die tijd zonder hen gered en nu ze wel eens het fijne van mijn lotgevallen willen weten, ben ik ineens welkom; vergeet het!", maar zei vriendelijk: "Ik zal je uitnodiging in gedachten houden" en concentreerde mijn aandacht vervolgens op de kinderen, die wat al te ver van me waren weggelopen.

Die kerel begon dan maar, in het Nederlands, tegen mijn assistente te praten. Ik ving flarden op uit zijn monoloog. Enfin, eigenlijk vuurde hij een resem vragen op haar af, terwijl zij hem lief, maar onbegrijpend aankeek, en hij, zichtbaar verbaast, zich waarschijnlijk afvroeg waarom hij géén antwoord kreeg. Die 'herkende' in dat meisje mijn vrouw. Hahaha!

Dus ik, met een uitgestreken gezicht: "Euh, er zal weinig respons komen hoor, want de jongedame hier aan mijn zijde, spreekt en verstaat enkel Engels en Frans." En, terwijl de teint van die kerel zijn gelaat kleurde van blank over zalmroze tot wanneer zijn kop leek veranderd te zijn in een vuurrode boei, zei ik tot mijn kinderen: "Kom jongens, we gaan naar mama." En tot hem kort "dag" en liet die man vervolgens, met zijn rijpe tomaat voor wie en wat hij was.

Ru(sh)di(e), 29 mei 2002 (revisie op 8 maart 2009)