16-06-12

Heden en verleden - Onwelkome ratten en andere muizenissen

       

Afgelopen zomer was ik, op een warme namiddag, gezeten in mijn elektrische rolstoel, rustig aan het plassen, op een plek voor mijn garage en rechts van mijn met klimop begroeide haag. Plots zag ik, voor de witte garagepoort, over de betontegels op de grond, iets razendsnel van rechts naar links bewegen. Nog net zag ik een grijs muisje ritselend verdwijnen door een gat in de klimophaag.

Muizen en ratten… ik hou niet van deze knaagdiertjes met hun lange staart. De reden daarvoor weet ik eigenlijk niet. Mogelijks is het omwille van hun enge voorkomen en hun kwalijke reputatie als ziekteverspreider. En vast ook omdat ze zo graag ongegeneerd en ongenood tuinhuisjes, berghokken, garages en zelfs woningen plachten binnen te dringen.

Al mijn confrontaties met die ongeliefde zoogdieren verhalen, zou meteen leiden tot een omslachtig boekwerk. Vandaar dat ik mij hier ga beperken tot enkele bijzondere ontmoetingen met deze gretig knagende plaagdieren. Die zowat overal opduiken waar eten aanwezig is.

Als kind zag ik vaak huismuizen en veldmuizen in de omgeving van ons huis en stallingen. Meer dan eens zelfs onze huisgevel opklimmend. Gelukkig hielden onze katten toen de aangroei van die muizenpopulatie onder controle. Door nogal dikwijls eentje te pakken te nemen en vervolgens lustig op te vreten. Alleen, of de buit delend met de eigen kroost of andere op onze hof verblijvende soortgenoten.

Spitsmuizen of dolletjes zoals wij die noemden, werden dan weer niet verorberd door onze huiskatten. Met deze diertjes speelden of dolden ze alleen maar wat. Deze insectenetende zoogdiertjes worden overigens dan wel muizen genoemd, ze zijn het niet!

Net zo min als mijn zus haar, als (buitens)huisdier gehouden steenratjes ratten waren. Cavia’s waren het. Maar ze plantten zich wel haast net zo snel voort als de bruine rat. De laatste kooi die mijn handige pa als verblijf voor die beestjes in elkaar had geknutseld, werd vele jaren na het heengaan van de laatste cavia, gebruikt als opslagplaats voor het stro waarvan regelmatig een vers deel in de schuilplaats werd gelegd van de twee vrouwtjeseenden, die in mijn ouders hun achtertuin een stukje afgebakend terrein bewoonden.

Op een zekere dag in het oogstseizoen had de boer, die eigenaar was van de akkers die gelegen waren naast mijn ouderlijke woonst, het graan dat er op werd geteeld, door loonwerkers laten maaidorsen. Waarna de op het land achtergebleven droge plantenstengels en uitgedorste aren door een andere machine werden bijeen geschraapt  en samengeperst tot rechthoekige strobalen.

Als naar gewoonte, en met instemming van de boer, raapte ik nadien de nog op het land achtergebleven resten stro bij elkaar. Toen ik, om mijn buit op te bergen, het deksel optilde van de kooi waarin voorheen de cavia’s huisden, schrok ik mij haast een ongeluk. Omdat ik daar, bovenin het opeengestapelde stro, een nest muizen aantrof. Die, als in koor, luid piepten toen het deksel was opgelicht. Van schrik liet ik het terstond los, waardoor het met een klap terug op zijn plaats kwam te liggen. Dat verzamelde stro heb ik die dag netjes in een zak naast die kooi gezet, want ik bleef toch liever uit de buurt van die kroostrijke muizenfamilie.

Later is het ook eens voorgevallen dat ik de eenden eten ging brengen en van op een afstand zag dat er precies een ander dier stond te eten aan het, een stukje boven de grond opgestelde en overdekte, voederbakje. Toen ik tot op een meter of vijf genaderd was, zag ik wie die maïsdief was: een grote bruine rat! Ze stond met haar achterpoten op de grond en de voorpoten in het zich zowat 10 centimeter boven de grond bevindende voederschaaltje. Het beest, met een heel lange staart, bleek helemaal niet bevreesd te zijn voor mij. Die perplex het schouwspel volgde. En pas terug in beweging kwam toen dat enge beest er uiteindelijk toch vandoor ging.

*****

Als kind ging ik vaak vissen. In de stilstaande waters van beken, vaarten en vijvers uit de buurt. En tevens in het getijdenwater van de in Nederland stromende Westerschelde. Van op heel jonge leeftijd trok ik mee met mijn vader. En later ging ik ook al eens alleen, of met kameraden. Normaliter visten wij, van op de oever, met de vaste hengelroede en/of de werphengel. Maar ik ben ook enkele keren met mijn pa gaan peuren. Dat is een speciale en tevens één van de oudste manieren voor het vangen van paling.

Een drijvend gemaakte afgeschreven paraplu, of zoals wij het deden, een rechthoekige bak met drie naar binnen geplooide wanden en aan één zijde verhoogd met een in een kader gevat net, wordt hierbij te water gelaten. En middels een oude hengelstok, tot op een vijftal meter van de oever gebracht. Daarnaast wordt een hengelroe gehouden, waar aan de top ervan een draad is bevestigd met een dikke dobber en aan het uiteinde een tros aaneengeregen regenwormen hangt. Die wordt verzwaard met lood. En waarvan het de bedoeling is dat deze de bodem net niet raakt. Waarna de geur van de wormen de paling moet aantrekken.

Op het moment dat je, door de beweging van je roe, of het ondergaan van de dobber, vermoed dat er een paling aan de pieren knabbelt, dien je met een vlugge, doch rustige beweging, de top van de hengelroe op te halen en de tros regenwormen zacht tegen de binnenkant van, al naargelang, het regenscherm of de netwand van de bak te kletsen. Zodanig dat de lustig wormen etende paling deze lost en in de paraplukom of bak valt. Die je vervolgens naar je toe trekt om de buit binnen te halen.

Het beste moment om deze activiteit uit te voeren is ’s nachts. Omdat aal het grootste deel van de dag op de bodem van het water ligt ingegraven en pas in de nachtelijke uren gaat jagen. Dus zaten wij daar dus in het donker aan de waterkant. Wachtend tot die palingen zouden toehappen. En de stilte van de nacht werd enkel verstoord door onze ademhaling en door het plonzen van muskusratten, die vanaf de oever het water indoken en met hun grote lijf en lange staart vlak voor onze voeten voorbij zwommen. Griezelig!

*****

Van iets minder lang geleden dateert het volgende voorval, dat plaatsvond in Afrika. Met mijn echtgenote was ik op rondreis in haar geboorteland. We bevonden ons op een gegeven moment in een dorpje aan de rand van de woestijn. In het lemen gebouwtje dat door moest gaan als restaurant, zaten we als enige klanten in het sober ingerichte etablissement. Op houten stoelen aan een houten tafeltje aten we het enige gerecht dat daar die dag verkrijgbaar was.

We waren in alle rust en stilte gemoedelijk en smakelijk aan het eten toen ik ineens, onder één van de andere tafeltjes in het vertrek, een gigantisch groot ogende, grijskleurige woestijnrat zag verschijnen. Het diertje slalomde ongehaast tussen de verschillende stoel- en tafelpoten van het meubilair in het eethuis. Vooraleer mijn echtgenote, die de rat ook had opgemerkt, en ikzelf, verbouwereerd onze mond konden openen om er iets over op te merken, was het beestje alweer door de openstaande deur naar buiten getrippeld. Geloof me vrij dat het eten ons daarna niet meer zo erg smaakte. En we spoedig afrekenden en die plek verlieten.

Later kwam ik te weten dat er hier in Europa, en mogelijk ook elders, mensen zijn die deze beestjes houden als huisdier. Omdat ze zo vriendelijk, nieuwsgierig, rustig en gemakkelijk in de omgang zijn. Dat heb ik gemerkt, ja!

*****

Toen ik nog maar pas een jaar of twee thuis was, na anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, heb ik, op eigen initiatief, een tijdlang logopedie gevolgd. Omdat ik door een verminderde long- en middenriffunctie minder krachtig kon praten. En met professionele hulp technieken wou aanleren om, uit mijn beperkte mogelijkheden, toch de maximale spraak- en zangcapaciteit te halen.

Op een zekere voormiddag waren wij, zoals dat vaak het geval was, aan het oefenen in de zitkamer van mijn woning. Mijn logopediste, gezeten op een stoel, met haar rug naar het groot terrasvenster gericht. En ik tegenover haar, gezeten in mijn onafscheidelijke elektrische rolstoel. Terwijl ik bezig was met een door haar voorgedane oefening te herhalen, zag ik buiten een vrij grote bruine rat over ons verhard tuinpad lopen. Mijn adem stokte even en een zachte rilling ging door mijn lijf. Mijn logopediste merkte dat uiteraard. En vroeg me wat er aan de hand was. Wijselijk verzweeg ik wat ik net had gezien. Ik wou immers niet het minste risico lopen dat ze niet meer zou komen, omwille van de aanwezigheid van dat ongedierte op mijn hof.

*****

Een maand of twee later zat ik, zoals ik op zomerse dagen nogal eens placht te doen, bij valavond voor de openstaande deur in de inkomhal, een boek te lezen. Van licht voorzien door de maan, de straatlantaarns die de rijweg verlichten en de in de hal hangende gloeilamp. Plots dook er uit de duisternis een bruine rat op die zich, onder mijn, op de steunen van mijn rolstoel geplaatste voeten door, in de richting van het voor ons huis aangelegde vijvertje voortbewoog, Alwaar het beest, vanaf de rand, met een plons het water indook. En even later met de kop weer boven kwam. Om rustig, lustig en ongegeneerd te beginnen eten van het zich dobberend in een drijvende ring bevindende visvoer.

Ru(sh)di(e), 19 december 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

05-09-11

Herinneringen uit mijn verleden – Happy Mike

Een jaar of 16 geleden was ik volop bezig met het verbouwen van de woning, die ik toen pas had gekocht en waar we heden nog steeds in resideren. Een tweewoonst, waarvan het de bedoeling was dat één deel zou worden ingericht als handelsruimte en het andere deel als gezinswoonst. Aangezien ik het vele werk niet allemaal in mijn eentje aankon, schakelde ik voor het klaren van vele klussen familieleden en vrienden in. Enkel als het niet anders kon, kwamen er professionele werklui aan te pas. Het mij beschikbare budget liet een andere werkwijze niet toe.

Tijdens de eerste zomerperiode van de twee vernieuwbouwjaren had een vriend van mij, die ik hier Tjen zal noemen, een speciale logé. Waarmee mijn levenspartner en ik kennis maakten tijdens een etentje, in beperkte kring, in de achtertuin van Tjen zijn woonst. De gast, van wiens bestaan en aanwezigheid op het adres van mijn vriend, ik reeds eerder telefonisch was op de hoogte gebracht, was alleszins een opmerkelijk wezen.

De man, met naar ik schat een leeftijd van midden van de veertig, was niet al te groot, nogal pezig en had een bleke gelaatskleur en lang blond haar, dat bijeengehouden werd als een paardenstaart. ’s Mans hoofd was getooid met een genre cowboyhoed,  waarvan de zijranden waren omhoog gevouwen. De naam waarmee hij zichzelf voorstelde wens ik niet kenbaar te maken, maar voor de eenvoud zal ik hem benoemen als ‘Happy Mike’. Hij was naar eigen zeggen een Britse hippie, die leefde van een werkloosheidsuitkering en wat schnabbelen hier en daar. En hij zei er ook niet van terug te schrikken desnoods geld te vergaren als bedelaar.

Mijn vriend Tjen had hem opgepikt toen hij stond te liften aan een rustplaats langsheen de autostrade van de kust naar het binnenland. Tijdens het gesprek dat ze in de auto voerden, vertelde de uitsluitend Engels sprekende man dat hij gewoonlijk bij een koppel op kamers woonde, maar dat hij recentelijk hommeles had gehad met iemand uit de streek van zijn woonplaats. En hij derhalve wijselijk had beslist er voor enige tijd vanonder te muizen. En gezien hij in eigen land al zowat alle kantjes en hoekjes had gezien, had Mike beslist om nog maar eens Engeland te verlaten, de plas over te steken en een tijdje op het continent rond te dwalen.

Toen duidelijk werd dat Mike dus zomaar wat op de dool was, hopend ergens aan de bak te komen om op verplaatsing in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en onderdak te kunnen bekostigen, stelde de, toen alleen wonende Tjen voor om Mike naar zijn huis mee te nemen. Hij had immers nogal wat op te knappen klussen, waar hij, uit tijdsgebrek, zelf niet aan toe kwam, en andere, waarbij wat hulp meer dan welkom zou zijn. Hij bood Happy Mike aan om zijn tijdelijke kluspartner te worden. Tegen een gering uurloon, met daarbovenop gratis kost en inwoon. Waarmee de man dus tevreden had ingestemd.

Happy Mike kreeg een eigen slaapvertrek ter beschikking, in een gebouw dat vroeger een stal was geweest. Elke weekdag klopte hij overdag zijn uurtjes en ‘s avonds en in het weekend was hij vrij. En ging hij te voet op zoek naar een kroeg waar men Engels sprak en hij zich welkom voelde. Of anders was hij, onder invloed van het roken van wiet, gelukzalig, doch wezenloos voor zich uit kijkend, te vinden in de achtertuin van mijn vriend. Soms zelfs zittend bovenop de ronde houten dwarsbalk die deel uitmaakte van een daar opgestelde kinderschommel.

Enkele weken na het aannemen van Mike, had mijn vriend geen werk meer voor hem. Terwijl de man eigenlijk nog geen zin had om op te krassen en verder te trekken. Want hij had in een café kennis gemaakt met een alleenstaande moeder van vier kinderen. En hij genoot van de gesprekken die ze voerden en de ongeremde seks die ze bij haar thuis bedreven.

Nu wou ik de man wel werk verschaffen, want er was bij ons nog genoeg te doen, maar hem onderdak verschaffen, dat zag ik niet zitten. Tjen zat er evenwel niet mee in dat Happy Mike nog een tijdje van zijn slaapaccommodatie gebruik zou maken. We spraken af dat ik, tijdens weekdagen, in de ochtend Mike zou ophalen bij mijn vriend, wij hem ’s middags en ’s avonds te eten zouden geven en ik hem ’s avonds opnieuw aan het huis van mijn vriend zou droppen. Wat me geen extra verplaatsing opleverde, want ik moest daar toch passeren, op de weg naar mijn ouderlijk huis, alwaar toentertijd mijn handelszaak was gevestigd.

De voornaamste klus die ik in eerste instantie voor de hippie voor ogen had, was het uitgraven van de boomstronk en de daaraan bevestigde wortels van een reeds eerder gevelde boom. Die ik liet neerleggen omdat hij het zicht vanuit de living compleet belemmerde. En de nog in de grond zittende overblijfselen moesten weg omdat ik die zone wou opnemen in de nog aan te leggen parking.

Gelukkig viel het weer goed mee, die zomer. Het was droog, er was veel zonneschijn, dus lekker warm, maar toch niet overdreven heet. Ideaal weer om in buiten te werken. Bleke Mike, uitgedost in korte broek en in bloot bovenlijf kweet zich vlijtig van zijn taak en kreeg er zelfs wat kleur van. Maar opdat zijn bleke vel toch wat zou beschermd zijn, bezorgde ik hem een bus zonnemelk.

Na minstens een volle week werk aan uitgraven en wortels doorzagen en doorhakken, door Mike, trokken we, met een man of vier, de boomstronk uit de grond met de stevige lier van Tjen. Na het dempen van de ontstane put, kon ik Happy Mike een andere taak toevertrouwen. De overhangende houten dakgoot en onze stenen schouw wit verven was er één. En omdat mijn ladder daarvoor niet ver genoeg kon uitgeschoven worden en ik over geen stellage beschikte, ging Mike, voor het uitvoeren van deze klus, in de dakgoot liggen. Terwijl ik hem, veilig van op de grond, nauwlettend in het oog hield. Toen hij op een bepaald moment, door een verkeerd manoeuvre, eens bijna naar beneden donderde, vroeg hij me naderhand wat ik zou gedaan hebben zo hij daadwerkelijk naar beneden was gevallen. Hij was immers niet verzekerd. Geheel onwillig om dat doemscenario ook maar even ernstig in overweging te nemen,  antwoordde ik laconiek dat ik hem in dat geval zonder veel omhaal zou begraven hebben op de plaats waar we die boomstronk hadden weggehaald.

Inmiddels maakte Tjen plannen om op reis te gaan. En aangezien ik tevreden was met het door Happy Mike verrichtte werk, en ik hem graag nog even ‘in dienst’ wou houden, stelde ik, na overleg met mijn vrouw, aan de man voor alsnog een tijdje bij ons te komen wonen. Wijzelf verbleven toentertijd in een tijdelijk tot appartement omgebouwd etage in een deel van de tweewoonst. De kant waar later de burelen van mijn handelszaak moesten komen. Aan Mike bood ik, als tijdelijke slaapplaats, een vertrek aan op de eerste verdieping van de andere zijde van de woning. Een ruimte welke later onze slaapkamer moest worden. Ik bezorgde hem een matras, een deken, lakens en zelfs een nachtkastje. Happy Mike zag het helemaal zitten. Dus haalden we zijn spullen op bij Tjen, zodat die kon vertrekken zonder zich zorgen te moeten maken over een nog op zijn eigendom verblijvende gast.

Terwijl Mike bezig was met het bijeen scharrelen van zijn spullen voor het verkassen, nam mijn vriend me even bij de arm. Hij stopte me een gesloten envelop in de hand en vertrouwde me toe dat daarin een geldbedrag zat dat Happy Mike nog van hem tegoed had voor geleverd werk. Tjenn meldde mij dat hij aan Mike had verteld hem dat geld te zullen bezorgen bij zijn terugkeer van de reis. Maar hij zei me Mike die envelop reeds te mogen overhandigen van zodra deze zijn werkzaamheden bij mij had beëindigd en verder wou trekken. Maar niet eerder, want dan zou de man vast niet meer gemotiveerd zijn om nog voor mij te werken. En daarenboven allicht onmiddellijk alle geld zou verkwisten aan drugs, drank en vrouwen. Mijn vriend raadde mij ook aan om strenge regels te stellen: geen drank noch drugs toelaten in huis en ook niet tolereren dat Mike volk meebracht of tijdens de week dronken was.

De eerste dag hadden we al prijs. Wij wilden, vooraleer slapen te gaan, er toch zeker van zijn dat ook Mike zijn bedstee had opgezocht. Niet dus. Aangezien ik het niet wou meemaken dat die kerel al op zijn eerste nacht bij ons stomdronken zou thuiskomen, besloot ik om samen met mijn vrouw naar hem op zoek te gaan. In eerste instantie reden we naar een etablissement vlakbij ons huis. Een kleine, vervallen café. Wegens de gordijntjes voor de vensterramen, konden we daar helaas niet naar binnen loeren. Dus stapten we schoorvoetend naar binnen.

Alwaar we ogenblikkelijk constateerden dat er in de kleine verbruikszaal geen Happy Mike aanwezig was. Onverrichter zake op onze stappen terugkeren, dat konden we niet maken, zo vond ik. Dus groetten we de weinige daar aanwezige manspersonen en gingen aan een tafeltje zitten. Onder de spiedende blikken van de kroegbaas van middelbare leeftijd en zijn twee, al wat oudere klanten. Geen enkele van de drie mannen had ik ooit eerder ontmoet. De uitbater van het café wist blijkbaar wel wie ik was. Want toen hij de door ons bestelde frisdranken bracht, stelde hij ons, voor de vorm de vraag, waarop hij duidelijk een bevestigend antwoord verwachtte, of wij niet de nieuwe bewoners waren, van de witte villa wat verder in de straat.

Toen de baas terug achter zijn toog stond, waar één klant hem, gezeten op een barkruk, gezelschap hield, hervatten deze twee en de andere klant, die aan een tafeltje zat, hun gekeuvel over onbelangrijke feiten uit hun bekrompen dagdagelijks leven. En wij dronken snel ons glas leeg want we wilden onze missie verder zetten: het vinden en naar zijn slaapstee brengen van Mike.

We waren, na het verlaten van de kroeg, het in de auto stappen en verlaten van de parking, nog maar enkele honderden meters gereden, toen we aan de overkant van de straat een met vaste tred stappende Mike opmerkten. Ik draaide de auto even verder, op een veilige plek, veranderde hierdoor van rijrichting en hield stil eens we ter hoogte van Mike arriveerden. Die prompt het achterportier opende en plaats nam in de auto. Aangezien hij in dat buurtcafé enkel oude knarren had aangetroffen, die daarenboven uitsluitend hun Vlaamse dialect spraken en geen jota Engels verstonden, laat staan het konden spreken, was Happy Mike nog eens tot bij zijn vriendin langs geweest. Vijf kilometer verder! Maar die afstand had hem niet gedeerd.

Happy Mike was in nuchtere toestand een vlijtige werker, die evenwel op tijd en stond een rustpauze inlaste. En ook soms verrassend uit de hoek kwam. Zo arriveerde ik op een zekere dag in de namiddag thuis van werk en stelde vast dat hij de opstaande latten van onze tijdelijke hekjes, afwisselend bruin en wit had geverfd. Met de overschot van de verf die hij, in opdracht van mij had gebruikt voor het schilderen van enkele deuren en een raamkozijn. De ongevraagde arbeid was totaal onnodig geweest en een verkwisting van duur betaalde en ook nog elders bruikbare verf. Maar ik vond Mike’s initiatief best wel grappig. Bovendien brachten de geverfde hekjes wat kleur aan onze toen nog schraal ogende eigendom. Dus gaf ik de man in plaats van een uitbrander, een compliment. Hij straalde!

Toen hij reeds sinds enkele dagen bij ons verbleef, vroeg Happy Mike me op een gegeven moment, langs zijn neus weg, waar hij zich ergens in de buurt prikkelende lectuur kon aanschaffen. Naar hij zei om op eenzame avonden zijn lichaam wat op te warmen bij het lezen van het ophitsende leesvoer en het kijken naar de erin gepubliceerde foto’s. Ik verwees hem naar een klein krantenwinkeltje dat is gevestigd op een kilometer of twee van onze woning.

De volgende dag meldde Happy Mike me, in het winkeltje zijn gerief te hebben gevonden. Engelstalige boekjes had hij er niet kunnen bemachtigen, maar in het Nederlandstalige blad dat hij had aangekocht, was de tekst voor hem dan wel onverstaanbaar, maar de kwaliteit van de afgebeelde behaarde ‘poesjes’ was de aanschaf meer dan waard en genoot zijn waardering. Hij beloofde mij, bij zijn vertrek, het boekje voor me achter te laten. Waarop ik als antwoord even glimlachte.

Tegen het weekend aan vroeg hij me of ik hem naar Nederland wou brengen. Want tijdens zijn verblijf bij Tjen was hij eens, op aanraden van een cafévriend, al liftend, in een dorpje beland, net over de grens. En had daar verbaast vastgesteld dat achter de talloze huizen, waar de afbeelding van een indiaan met vedertooi was aangebracht op het glas van het vensterraam of op de toegangsdeur, een koffieshop schuilging. Waar je zomaar ongegeneerd en probleemloos elk type wiet kon aankopen en verbruiken. Zalig om er te vertoeven, vond Happy Mike. En hij wou ook wel wat voorraad inslaan.

Drugkoerier spelen, daar paste ik voor. Zelfs op zijn voorstel om hem tot vlak voor de landsgrens te brengen, ging ik niet in. De man aanvaardde schoorvoetend mijn houding. Hij kon ook moeilijk anders. Of, en in positief geval hoe, hij over de grens is geraakt, weet ik niet. En ik heb er hem aan het einde van dat weekend ook niet achter gevraagd. Maar zolang de man bij ons verbleef zag ik hem nimmer stoned.

In zijn vrije tijd zat hij soms in onze grote achtertuin. Maar meestal was hij uithuizig. Als we bezoek hadden gedroeg Mick zich steeds voorkomend. De meeste mensen vonden het minstens interessant dat wij zo een Engelse landloper onderdak verschaften. En hij kende de kunst om met mensen om te gaan, ze te animeren en hun sympathie voor hem op te wekken. Toen de schoonmoeder van mijn oudste zus van deze laatste te horen kreeg dat die arme drommel nauwelijks kledij had en, terwijl hij de ene set aan had, eigenhandig de andere set waste en vervolgens te drogen hing, vond ze in te moeten grijpen. Ze verzamelde een ganse vuilzak nauwelijks gedragen kleding van haar jongste zoon, die nogal graag en vaak van outfit wisselde en liet die via mijn zuster aan Happy Mike geworden. Die de spullen dankbaar in ontvangst nam. Alhoewel ik me afvroeg of ze wel zijn stijl waren. Bij een vluchtige blik in de zak ontwaarde ik immers vooral kleren in felle kleuren. Niet zo verwonderlijk aangezien ik weet had van de homofiele geaardheid van de vorige eigenaar ervan, en zijn typisch nichterige houding en vrouwelijke trekjes.

Op de momenten die we samen doorbrachten hebben we vaak gefilosofeerd over van alles en nog wat. Of verhaalden we eigen belevenissen. Happy Mike vertelde, over wat hij had meegemaakt, graag straffe verhalen. Waarvan de inhoud ongetwijfeld niet altijd volledig overeenstemde met wat er in werkelijkheid was gebeurd. Maar toch klonk alles plausibel. Zo vertelde hij eens een tijdje te hebben gewoond bij zijn volwassen zoon en diens partner, een mooie jongedame die steeds in een sexy outfit door het huis drentelde. Op een bepaald moment was Mike’s begeerte om met die griet van bil te gaan, zo groot dat het er van kwam. En die geile griet liet gewillig begaan en deed zelfs heel actief mee. Naderhand bekenden beiden hun daad aan de zoon. Die hen deze evenwel probleemloos vergaf. Meer zelfs. Van dan af mocht die vurige meid naar eigen goeddunken haar seksuele lusten botvieren op, om beurten vader en zoon.

Hoewel Happy Mike tijdens de weekdagen vaak met een stoppelbaard rondliep, was hij toch steeds verzorgd. Hij waste zich, in de tuin, net als ons, met koud water. Behalve die één of twee keer dat we hem uitnodigden om bij ons een douche te komen nemen, met kraantjeswater dat we opwarmden met een waterkoker.

Ondanks zijn nonchalante levenswijze en vrijbuiterbestaan had Happy Mike begrip voor andersdenkenden en gedroeg hij zich doorgaans als een heer. Galant en charmant. Hij toonde ten allen tijde respect voor onze privacy. En heeft ondanks zijn zwak voor vrouwen, dat ik en menige andere man deel met hem, nimmer avances gemaakt jegens mijn levenspartner of enige andere vrouw die bij ons over de vloer kwam.

Toen de jaarlijkse tiendaagse feestweek in onze woonplaats van start ging, verbleef Mike nog steeds bij ons. We spraken af dat we hem op een weekendavond mee zouden nemen naar de festiviteiten. Wat hij een prettig idee vond. Dus vertrokken we dat weekend met ons drieën, richting feestgedruis. Ik parkeerde de auto zo dicht mogelijk bij de feestzone, waarna we de mensenzee indoken.

Lang bleef Happy Mike niet bij ons lopen. Hij ging al vlug zijn eigen weg: richting een terrasje. Terwijl wij wel wat over de ganse oppervlakte van het feestterrein wilden rond kuieren. We spraken met Mike een plaats en tijdstip af waarop we elkaar opnieuw zouden treffen om naar huis te rijden.

Mijn vrouw en ik hadden een aangename avond. We genoten van de, op de diverse pleintjes ten gehore gebrachte muziek en tentoongespreide show. Het was leuk om eens een rustige avond te beleven, in een andere omgeving, na het vele werken voor mijn onderneming en aan de renovatie van ons huis. Omstreeks de overeengekomen tijd verschenen we op de afgesproken plek. En troffen daar wonderwel, in de door het nachtelijke uur sterk uitgedunde mensenmassa, ook Happy Mike aan. Eenzaam zittend op een houten vouwstoel naast een dito leeggemaakt tafeltje. En stomdronken, zo bleek.

We hielpen hem recht en ondersteunden hem op onze weg naar de auto. Hij braakte wat onzin uit, die nogal grappig klonk en waaruit we konden afleiden dat ook hij een fijne avond achter de rug had. We deponeerden dronken Mike achterin de auto, stapten zelf voorin en verlieten onze parkeerplaats, om huiswaarts te rijden.

Ondanks zijn beschonken toestand was Happy Mike toch nog alert genoeg om ons bij het passeren ervan, op eigen initiatief, de kroeg aan te wijzen, een Turks cafeetje, waar hij al menige avond had doorgebracht. Samen met de allochtone buurtbewoners. Keuvelend, pinten drinkend en wiet rokend.

We draaiden net onze parking op toen de passagier op de achterzetel te kennen gaf dat hij misselijk was. Net op tijd kon ik de elektrisch bediende achterruit van mijn auto openen, zodat zijn kots naar buiten vloog in plaats van mijn autozetel te besmeuren. Enkel een deel van het koetswerk heb ik de volgende ochtend mogen reinigen.

Op een gegeven moment gaf Mike aan te willen vertrekken. Hij zei het niet, maar ik vermoedde wel dat hij nu nog enkel wachtte op de voor het komende weekend voorziene terugkeer van mijn vriend Tjen. Om het saldo van zijn loon te incasseren. Aangezien ik evenwel wou dat Mike de klus afwerkte waar hij toen mee bezig was, verklapte ik niet dat ik dit geld reeds onder mijn hoede had gekregen.

Pas op het einde van de laatste werkdag van die week, haalde ik, na met Mike af te rekenen voor het werk dat hij voor mij had verricht, ook de envelop van mijn vriend te voorschijn. Happy Mike was boos. Want, zo zei hij, als hij had geweten dat ik dat geld in bezit had, dan was hij er al eerder vandoor gegaan. Uiteraard goot ik geen olie op het vuur door hem diets te maken dat zulks net de reden was geweest voor het tijdelijk achterhouden van dat geld. Wijselijk zweeg ik en Happy Mike telde tevreden zijn bankbriefjes en was meteen weer afgekoeld en terug zijn eigen gemoedelijke zelve.

Die avond, de laatste die hij in ons huis doorbracht, vergastte Happy Mike ons op een typisch Engelse maaltijd: zelf gesneden gebakken frietjes en spek met eieren. We lieten het ons smaken. Onderwijl nog eens luisterend naar een sterk verhaal van hem. En vervolgens keuvelend over koetjes, kalfjes en onze plannen voor de nabije toekomst. Voor hem een voorlopig zwervend bestaan.

Toen ik de volgende ochtend naar beneden kwam, zat Happy Mike al op me te wachten. Met zijn hoed op het hoofd en leunend op zijn tas met schouderriem Hij droeg een gele trui, waarvan ik vermoedde dat hij afkomstig was uit die tweedehands kledingzak.

Aangezien mijn echtgenote die zaterdag de trein wou nemen naar onze hoofdstad, om daar wat boodschappen te doen, had ik Mike aangeboden hen beiden naar het station te brengen. Alwaar Happy Mike besliste om zijn verdere tocht ook in de hoofdstad te starten. Maar hij zou de openbare bus nemen, omdat dit een goedkopere reiswijze is.

Nadat ik de auto had geparkeerd namen we afscheid op het pleintje voor het station. Mike beloofde me op mijn nakende verjaardag een kaartje te zullen sturen. En stapte vervolgens in de richting van de opstapplaatsen voor busreizigers. Mijn echtgenote en ikzelf gingen het stationsgebouw binnen. Alwaar zij zich aan het loket een retourticket aankocht voor de verplaatsing tussen onze woonplaats en de hoofdstad van ons land.

Meteen vond ik het zonde dat Mike zich niet met de trein zou verplaatsen. Omwille van een eerder gering financieel verschil. Dus stelde ik mijn vrouw voor om dit bij te passen zodat Happy Mike met haar mee kon reizen. Wat zij een goed idee vond. Dus liep ik vlug het station uit, in de richting van het bushokje waar onze ex-logee op zijn bus wachtte. Verbaast keek de man mij aan. Maar gelukkig aanvaardde hij dankbaar het extra geld voor een treinticket. Zodat hij toch iets comfortabeler kon reizen. En desgewenst onderweg nog een praatje kon slaan met mijn vrouw. We holden samen naar het station. Alwaar ik binnen in het gebouw mijn partner een afscheidskus gaf, terwijl Mike in de rij voor het loket aanschoof om zich een ticket enkele reis naar de hoofdstad, aan te schaffen. Ik zwaaide hem nog eens vriendelijk toe vooraleer me naar mijn auto te begeven.

Toen ik, terug thuis gekomen, Mike zijn voormalige slaapstee opzocht om de boel daar op te ruimen, zag ik dat hij de meeste van de gekregen kledij had laten liggen. Wat me niet verwonderde. Mensen zoals hij sleuren geen onnodige ballast mee. Die beperken zich tot het hoogst noodzakelijke. Zijn oude kledij en wat kleine rommel had hij zelf al in een plastieken boodschappentas gestopt. Zonder de inhoud te onderzoeken dumpte ik het zakje in de grijze huisvuilzak die ik, vooruitziend, naar boven had meegebracht. Het saldo van de hem geschonken kleren besloot ik te behouden. Sommige van die spullen konden immers mogelijks nog dienst doen als werkkledij.

Op de matras die Happy Mike tijdens zijn verblijf bij ons als bed had gebruikt, lag een Hollands porno magazine. Glimlachend nam ik het ter hand. Happy Mike had woord gehouden! Ik bladerde even in het blad. De foto’s van de tentoon gespreide vrouwelijke geslachtsdelen waren niet van dien aard dat ik er seksueel van opgewonden geraakte. Maar ja, er waren wel meer onderwerpen waarover Happy Mike en ik een verschillende visie hadden.

Het slaapvertrek was netjes achtergelaten. Enkel in een aanpalend kamertje vond ik wat vuile oranjebruinachtige plekken op de vloer en tegen de wand. Waar ook een onaangename reuk aan vast hing. Waarschijnlijk resten van één of ander brouwsel dat ‘onze zwerver’ daar had geproduceerd. Niks aan de hand. Deze ruimte moest immers toch nog volledig worden gerenoveerd.

Een verjaardagskaart heb ik van Happy Mike niet ontvangen. En zelf heb ik hem ook nimmer een brief of kaartje gestuurd. Sommige gebeurtenissen of ontmoetingen in je mensenleven moet je koesteren, zonder te trachten er een vaak op teleurstelling eindigend vervolg aan te breien.

Ru(sh)di(e), 5 november 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 30 maart 2011.

15-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 4

 

Toen ik de kliniek verliet had ik een zuurstofsaturatie van 90%, daar waar de nnormaalwaarde voor volwassenen tussen de 93 en de 100 % ligt. Die waarde was dus te laag. Voor hen die geen medische achtergrond hebben, geef ik mee dat, simpel uitgelegd, zuurstofsaturatie het zuurstofgehalte in het bloed aangeeft. Ook het koolzuurgehalte in mijn bloed was niet goed; het lag te hoog. Eigenlijk was ik dus helemaal niet klaar voor een thuis verblijven zonder bijbeademing en medische opvolging.

Eten ging redelijk goed. Drinken deed ik alleen van met poeder papperig gemaakt fruitsap. Niet te veel evenwel, om mijn darmtransit een beetje onder controle te houden. Het ademen ging echter nog steeds moeizaam. Zuurstofgebrek was een steeds aanwezige medische klacht. Vaak ging ik, warm ingeduffeld met dekens. om geen verkoudheid te vatten, in de inkomhal van onze woning zitten om via de openstaande voordeur toch maar wat extra lucht in mijn lichaam te krijgen. Want daar snakte ik naar.

Voorts had ik te kampen met angstgevoelens. Wellicht ten dele te wijten aan dat asemtekort. En daarbovenop kwam ook nog een totale slapeloosheid. Telkens wanneer ik bijna indutte, schrok ik meteen weer wakker. Wellicht een natuurlijke reflex van mijn lichaam, dat in rust allicht nog minder zuurstof naar binnen kreeg dan wanneer ik in wakkere toestand geconcentreerd zo diep mogelijk in- en uitademde.

Inmiddels had het nieuwe jaar een aanvang genomen. En had ik al anderhalve week niet meer geslapen. Dus contacteerde ik mijn huisarts. Die schreef me, als alternatief voor de 'inslaper' die ik tot dan toe 's avonds innam, antidepressiva voor als slaapmiddel. De inname ervan leverde echter geen resultaat op. Althans niet in de positieve zin. Want die pillen droogden mijn slijmvliezen uit, waardoor ik nog meer ademhalingsproblemen kreeg. Dus consulteerde ik een andere arts, die me een voorschrift bezorgde voor een slaapmedicament dat ik reeds eerder gebruikte. En waarmee ik ook nu succes had!

Slapen kon ik dus weer. Maar de slijmvorming nam wederom toe. Waardoor ik alweer vaak met een reutelende ademhaling, in de deuropening naar adem zat te snakken.

Bij de aanvang van het laatste weekend van de maand januari in kalenderjaar 2007 was ik daarbovenop alweer doodziek. De nacht van zaterdag op zondag bleef ik wederom in mijn rolstoel zitten. Zoon Brian bood spontaan aan om bij mij te blijven waken, zodat hij bij nood de hulpdiensten kon verwittigen.

Het was al na middernacht, toen op die 28ste dag van het jaar 2007, mijn luchtpijp alweer volledig was dichtgeslibd. Geluid maken, klank voortbrengen, kon ik niet meer. Aan Brian deed ik teken de 100 te bellen. Wat de jongen terstond deed. Vervolgens verwittigde hij zijn ma en broer Austin, die op de bovenverdieping van ons huis lagen te slapen.

Zij kwamen net de trap af toen de ambulance arriveerde. De ambulanciers rolden een brancard binnen. Inmiddels kon ik weer een beetje ademen. En spreken. Aan de ambulanciers maakte ik duidelijk dat ik in geen geval liggend wou vervoerd worden. En aangezien mijn rolstoel hun ziekenwagen niet in kon, stelde ik voor dat ik zelf naar het ziekenhuis zou rijden. Als zij me dan zouden volgen, konden ze mij bij ademnood zuurstof toedienen. Of het na contact met de centrale was, dat weet ik niet, maar de ambulanciers gingen akkoord met mijn voorstel.

Zij namen mijn reeds gereedstaande tas met spullen mee in hun wagen. Zelf nam ik in stilte afscheid van mijn gezin en bedekt met een deken om mijn koortsig lichaam warm te houden, vatte ik de tocht aan naar het in mijn woonplaats gevestigde ziekenhuis. De vrouwelijke ambulancier ging te voet met me mee. Haar mannelijke collega volgde ons met de ambulance.

Na enige tijd stapte de vrouw echter ook in de ziekenwagen, want de snelheid waaraan ik reed, zo een 8 kilometer per uur, was toch net iets te snel voor een stapster. Bovendien was dat naast mij stappen helemaal niet nodig. Als het fout ging met me zouden ze dat ook vanuit hun wagen zien. De buitenlucht deed evenwel goed aan mij ademhaling. Het ging moeizaam, maar minder slecht dan toen ik even daarvoor in onze living zat.

Door de verlaten straten van mijn woonplaats reed ik dus de zowat 5 kilometer, richting ziekenhuis, geëscorteerd door een ambulance. De weinige mensen die we onderweg tegen kwamen, keken raar op toen ze ons opmerkten. Ondanks mijn miserie, de benarde positie waarin ik mij bevond en het uiterst onzeker toekomstperspectief, vond ik de situatie toch wel ietwat lachwekkend.

Even na 02u00 arriveerde ik in de kliniek. En werd terstond de mij behandelende longarts uit zijn vrij weekend gebeld. Van de vorige keer had men immers onthouden dat ik enkel met een bronchoscopie kon worden geholpen. Er werd, door een reeds aanwezige chirurg, onmiddellijk een centraal infuus aangebracht en even later, door de toegesnelde longarts, een bronchoscopie uitgevoerd. Waarna ik direct in een bed werd gelegd en naar een kamer op 'Intensieve Zorgen' werd overgebracht en gekoppeld aan diverse apparaten.

De longarts liet me over aan de goede zorgen van zijn collega         van wacht en de verpleegkundigen van de dienst 'Intensieve Zorgen'. De resterende uren van de nacht bracht ik door in een toestand tussen slapen en wakker zijn. Ondanks de toegediende medicatie was ik nog steeds koortsig en voelde ik me enorm ziek.

De korte bezoekmomenten op zondag deden me deugd. Maar mijn gezondheidstoestand was niet beter. Mijn rechterlong kwam steeds weer vol fluimen te zitten en mijn linkse long slibde dicht. Een uiterst hachelijke situatie, waar het continue toedienen van zuurstof, via een mond- en neusmaker, weinig aan kon verhelpen. Het was afwachten of de medicamenten zouden aanslaan. Hoe het verder moest met mij was dus een groot vraagteken.

De ganse dag door bleef ik me ziek voelen en het lastig hebben. Inmiddels had het labo gemeld dat er in mijn slijm en bloed sporen waren gevonden van een bacterie die de longinfectie had veroorzaakt. Waarop men een intraveneuze antibioticakuur had opgestart.

Mijn lichaam deed ook langs alle kanten pijn, wegens het telkens terug te lang in eenzelfde positie te blijven liggen. Er was een te lage frequentie in het wisselen van de drukpunten. En mijn sterk verzwakt lichaam was allicht hoe dan ook gevoeliger voor pijnprikkels.

De arts had blijkbaar voorgeschreven een 'aerosolkuur' bij me op te starten. Er werd me een masker op de mond gezet, waaronder een verstuiver met medicatie was aangebracht. Eens in werking gesteld werden de vernevelde medicamentenpartikels onder hoge druk naar mijn luchtwegen en longen gestuwd. Wat een 10 à 15 minuten duurde. Als ik het mij goed herinner was het de bedoeling dat ik er elke 4 uur zo één zou krijgen. Maar mijn lichaam kon daar helemaal niet tegen. Die behandeling was veel te agressief. Na twee beurten, die mij absoluut geen deugd deden, weigerde ik de derde. De verpleegkundigen wilden evenwel maar niet begrijpen dat mijn weigering tot het verder zetten van deze therapie, gefundeerd was. En behandelden me als een onwillig koppig klein kind.

Ook op zondagnacht diende de longspecialist nog eens te worden opgeroepen om een bronchoscopie uit te voeren. Om tijd uit te sparen had men het toestel reeds naar de afdeling intensieve zorgen overgebracht. En toen de arts arriveerde, werd het mijn kamertje in gerold. Nadat hij me alweer voor een levenseinde had behoed, gaf de specialist opdacht om het toestel niet terug naar zijn vaste plek op een andere verdieping te brengen, maar buiten in de gang op te stellen, schuin tegenover mijn deur. Want hij verwachtte het spoedig opnieuw nodig te hebben.

De volgende dag, de eerste van een nieuwe werkweek, kwam de specialist, van zodra hij een mogelijkheid zag, bij me op de kamer met de melding dat ik hoe dan ook terug naar een andere kliniek moest. Want dat hij, op zijn eentje, in dit kleine stadshospitaal, onmogelijk voor mij kon blijven zorgen. Liefst zag hij me terug naar dezelfde kliniek vertrekken als waarheen ik de vorige maand was overgebracht. Maar aangezien ik daar in geen geval heen wou, ging hij trachten een plek voor me te bekomen in een andere, aan een universiteit verbonden ziekenhuis. Wat ik de arts wel duidelijk maakte was dat ik, noch in deze kliniek, noch elders in zou gaan op de tijdens mijn eerste opname voorgestelde probleemoplossing, waardoor ik zou veranderen in een half bionisch wezen.

Te ziek om ook maar iets te doen, lag ik zieltogend in mijn bed wat naar muziek te luisteren. Onderwijl naar het plafond en de muren starend en geduldig wachtend tot er eens een berichtje verscheen op mijn mobiele telefoon. Naast dat ziek zijn en de benauwdheid wegens ademtekort, had ik ook die dag veel last van pijn aan mijn gehele lichaam, maar toch vooral aan mijn benen, zitvlak en rug. Dit als gevolg van een ongemakkelijke lighouding. Het ziekenhuispersoneel had dan wel, net als bij mijn vorige opname aldaar, gezorgd voor een elektrisch bedienbaar, in hoogte en verschillende standen verplaatsbaar bed, maar de nood aan wisselhoudingen kon daarmee totaal niet worden opgevangen. Af en toe kwam er wel eens iemand van de verpleging me verleggen, en wat kussens onder mijn benen en achter mijn rug stoppen, maar te meer daar ik niet echts iets had dat mijn gedachten kon afleiden van deze pijn en dit probleem, bleef het lastig. Eten deed ik niet, waardoor ook die momenten er niet waren als verstrooiing.

Maar het meest tergend was die reutelende ademhaling van me te horen, en het voortdurend moeten naar adem snakken. Enkel bij hoge nood mocht de arts worden opgeroepen, zo was me gezegd door het verplegend personeel. De dokter had me ook persoonlijk gevraagd om te trachten het zo lang mogelijk zonder zijn hulp te stellen. Want telkens met die buis in mijn luchtwegen gaan en fluimen wegzuigen, hield diverse gevaren in. Zoals beschadiging van mijn stembanden of longen. Maar het enige dat ik kon doen was rustig blijven en zo diep mogelijk in- en uitademen. In mijn fysieke toestand was dat op zich al een ganse prestatie.

De arts was weg. Maar het feit dat ik, vanaf de plaats waar ik lag, in de gang de machine zag staan waarmee de arts, in het geval dat hij, na een oproep, bij aankomst in de kliniek, onmiddellijk de levensreddende handelingen op mij kon uitvoeren, bezorgde mij, op geestelijk vlak, enige geruststelling.

Maar het veranderde natuurlijk niks aan mijn lichamelijke toestand. Die niet stabiel bleef, maar erop achteruit boerde. En ik kon er niks aan doen. En lag reutelend naar adem te snakken, met een continue open mond, in de hoop op die manier toch maar zoveel als mogelijk zuurstof tot aan mijn longen te krijgen. Helaas, mijn lichaam hield het niet vol. Ik diende alweer op mijn bedbelletje te drukken, dat ik voortdurend in mijn hand hield om bij nood de verpleging tot aan mijn bed te kunnen krijgen.

Met twee kwamen de verpleegkundigen mijn kamer binnen. Ze zagen zelf ook wel dat ik er slecht aan toe was. Eén van hen ging onmiddellijk de dokter bellen. En bracht even later het bronchoscopietoestel mijn kamer binnen. Geluid kon ik niet meer produceren. Het begin van een verstikking was ingetreden. Nog net zag ik de arts arriveren en, na een vluchtige blik op mij te hebben geworpen, zijn kiel aandoen. Vooraleer ik, door zuurstofgebrek, het bewustzijn verloor.

Toen ik weer ontwaakte stond er een arts aan mijn bed, een cardiologe. Ze vertelde mij dat zij en haar collega, de pneumoloog, me een beetje hadden geholpen. De longarts had mij geïntubeerd, dus een buis in mijn luchtpijp aangebracht en gekoppeld aan een machine, die het werk van mijn longen had overgenomen. Spreken zou ik niet kunnen. Er was ook een blaassonde ingebracht. Mijn enige nog beperkt functionerende arm was vastgebonden. Om te vermijden, aldus de arts,  dat ik de buizen uit mijn mond en keel zou trachtten te trekken, met op zijn minst ernstige letsels en in het slechtste geval mijn dood tot gevolg.

Hoewel ik wist dat mijn longarts in de kliniek waar ik op het einde van het vorig kalenderjaar boos mijn biezen had gepakt, zijn collega in deze kliniek steeds op het hart had gedrukt nooit over te gaan tot intuberen of tot een tracheotomie (het aanbrengen van een buisje in de luchtpijp via een snede in de hals),  had deze laatste het deze keer dus wel gedaan. Allicht vrezend dat hij me anders niet in leven had kunnen houden.

Maar ik vond het allemaal best. Ik voelde me 'zalig'. En had ik in staat geweest te spreken, wat door die buizen in mijn keel dus niet kon, dan had ik mijn pneumoloog gemeld dat hij, wat mij betrof, gerust zijn eerder voorgestelde plannen ten uitvoer kon brengen. Een tracheotomie voor continue kunstmatige beademing, een canule voor praten met een spraakmodule, een sonde voor het kunstmatig voeden,... ik zag het allemaal zitten! En toen mijn hand werd vrijgemaakt bevoelde ik het systeem dat aan mijn mond vast zat wel even, maar ik dacht er nog niet aan er aan te prutsen, laat staan het te verwijderen.

Veel later ben ik pas tot het besef gekomen dat ik mij toen zo gelukzalig voelde omdat ik zwaar was gedrogeerd. Ik verkeerde ook voortdurend in een toestand tussen slaap en doezelig wakker zijn. Maar bij de pakken blijven zitten was er ook in deze toestand, bij deze conditie niet bij. Toen mijn ouders op bezoek kwamen, slaagde ik er tijdens dat kwartiertje wonderwel in hen duidelijk te maken dat ik graag zou gehad hebben dat zij op een kartonnen blad A4-formaat alle letters van het alfabet zouden plaatsen, alsook de cijfers van 0 tot 9, zodat ik middels het aanduiden ervan woorden en zinnen zou kunnen vormen, waardoor ik terug met iedereen zou kunnen communiceren!

Die brave mensen hadden het begrepen en reeds bij hun volgende bezoek hadden ze het gevraagde mee. Exact zoals ik het had gevraagd, en zelfs geplastificeerd! Ik duidde letters aan, die zij opschreven. Feilloos werkte het niet, maar het systeem functioneerde toch redelijk goed. Alhoewel er soms wel sprake was van een communicatiestoornis. Mijn 'gespreks'partner begreep op zulke momenten niet wat ik wou 'zeggen', terwijl ik langs geen kanten begreep waarom dat zo was. Ook alweer later zou ik tot het besef komen dat ik, onder invloed van de hallucinerende middelen die me werden toegediend, vaak verwarde of onzinnige taal 'sprak'.

Inmiddels werd me ook duidelijk gemaakt dat ik dringend elders heen moest. En aangezien ik niet terug naar die universitaire monsterkliniek wou, waar ik eerder verbleef, was men elders op zoek gegaan en had men inmiddels een ziekenhuis gevonden dat me kon en wou opnemen. Ook één dat is gevestigd in onze provinciehoofdstad. Met een uit  diverse specialisten bestaande dienst pneumologie.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 28 februari 2007 (revisie op 14 september 2009)

20-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Een blauwgekleurd weekend

 

Zaterdag jongstleden ben ik dus naar dat lentediner geweest. Georganiseerd door de politieke partij die deze stad bestuurt, maar waarop alle burgers van deze plaats waren uitgenodigd. Als ze bereidt waren de voor dit festijn gevraagde som te betalen tenminste, welteverstaan.

Ik had het busje van het OCMW besteld. Om me te brengen en naderhand ook weer  huiswaarts te voeren. De, blijkbaar immer goed gezinde chauffeur, was ruim op tijd aanwezig. Mijn echtgenote was op dat ogenblik nog volop bezig me te prepareren. Zelf zag ze er overigens beeldig uit, mijn eega. Ze was nochtans doodziek.

Tijdens het korte ritje naar de plaats van afspraak bleek dat ik de vorige keer wat al te voorbarig ben geweest in mijn bejubeling van de vering van dat voertuig. Want ik heb tijdens deze rit enorm zitten wippen en bij elke put in de weg moest ik alle moeite van de wereld doen, om met mijn bovenlichaam niet voorover te slaan. Tegen de volgende keer dat ik met dit vervoermiddel meerijd, moet ik, naast de reeds aanwezige heupgordel, zeker ook mijn schoudergordels op de momenteel gebruikte rolstoel laten monteren.

We kwamen ongeveer een kwartiertje voor het vermeldde aanvangsuur ter bestemming aan. Op enkele auto's na was de ruime parkeerplaats totaal verlaten. Daardoor vreesde ik even me van plaats of datum te hebben vergist. Dus verzocht ik mijn vrouw om binnen toch maar eens te gaan informeren. We bleken juist te zijn, zowel wat locatie, dag als uur betrof. Dus reed ik tot op het liftplatform om uit het busje en op de begane grond te geraken.

Aan de toegangsdeur tot het hotel, met restaurant en feestzaal, werd ik geconfronteerd met een, vrij hoge, drempel. Bij inschrijving had ik wel laten vermelden dat bij mijn persoon een grote, elektrische rolstoel hoort, maar ik had expres niet zelf contact opgenomen met het hotel om te informeren naar de toegankelijkheid. Ik wou achterhalen of de organisatoren uit zichzelf voor de nodige voorziening zouden zorgen. Niet dus.

Een oude man - de maître? - stond in de deuropening en stelde voor om met de bus tot net voor de deur te rijden om op die manier de drempel te overschrijden, maar dit bleek vrij snel niet zo een goed idee te zijn. Uiteindelijk ging die man, op vraag van mijn echtgenote en mezelf, een plank halen, waardoor ik even later probleemloos het prachtige gebouw kon binnen rijden.

De avond verliep overigens voortreffelijk. Door mijn slechte zithouding in dat onaangepast elektrisch aangedreven wielending, had ik wel een Dafalgan mét Codeïne nodig om in staat te zijn de achterhoofdpijn op een enigszins te verdragen niveau te houden. De inname van dat pijnstillend medicijn wordt trouwens een dagelijkse noodzaak. De farmaceutische industrie kan er maar wel bij varen! Door die medicatie kon ik spijtig genoeg slechts even nippen aan de bij het voedsel geserveerde wijnen: witte bij het voorgerecht en rode bij het hoofdgerecht.

In de prachtige gotische zaal had men voor mij een plaatsje gereserveerd aan de hoek van de laatste tafel, dichtst bij de toegangsdeur. Dit allicht met de bedoeling zo weinig mogelijk mensen te kunnen hinderen. Maar daardoor stond ik wel op een plaats waar niemand omheen kon zonder me opgemerkt te hebben. Mijn echtgenote en ik kregen aan de dis het gezelschap van vier - naar spoedig bleek - sympathieke dames. Er bevond zich maar één tafel tussen de onze en deze van de prominenten. Aan die ronde tafel zaten onder anderen de burgemeester, zijn voorganger (tevens zijn vader), de premier, de eerste burger van het land en de nationale partijvoorzitter. 

Aan het eind van zijn korte, duidelijke en krachtige toespraak, zei de eerste minister, die spreker en eregast was, iets in de trant van: "Ik weet dat ik op jullie kan rekenen, want anders zouden jullie hier niet zijn!" Tja, eigenlijk had ik op dat ogenblik mijn arm in de hoogte moeten stoppen om de premier er op te wijzen dat ik persoonlijk daar geheel vrijblijvend ter plaatse aanwezig was. Echter, los van het feit dat ik gezien mijn handicap niet echt tot zulks in staat ben, zou de premier allicht toch mijn poging tot het opheffen van mijn arm niet gemerkt hebben, want hij stond min of meer met zijn rug naar me toegekeerd. Het spreekgestoelte stond immers opgesteld aan de verbindingsdeur met een andere zaal, waar ook een deel van het gezelschap zat. Die éne zaal waar wij zaten was immers niet groot genoeg om alle deelnemers aan dit diner een plaatsje te geven.

Ik ontmoette deze avond enkele mensen die ik kende van vroeger. Wat het notabel volk betreft kan ik melden dat koele Karel niemand zag staan, dus uiteraard mij incluis, en Guy enkel tijd had voor een vluchtige groet. Herman daarentegen kwam naar me toe en ook onze burgervader kwam een praatje slaan. Plus een hele resem kandidaten die zich aan elkeen kwamen voorstellen en steun vragen met het oog op de nakende nationale verkiezingen.

Het eten was lekker. Dat mocht ook wel voor de prijs die we er voor betaalden. Er was iets met vis als voorgerecht en kalfsvlees met groentjes en kroketten als hoofdschotel. De sabayon werd nog net op tijd geserveerd om uitgelepeld (in mijn geval uitgedronken) te worden, maar voor het laatste item van het menu, koffie met versnaperingen, hebben we moeten passen, want het was toen onderhand middernacht en mijn taxi stond reeds te wachten. Zo gaat dat als je afhankelijk bent van derden. Je vrijheid wordt enorm beknot. De openingsdans door de lokale voorzitster van de partij hebben we ook gemist. Op dat moment stonden wij al aan de ingang, te wachten tot er eindelijk iemand zou verschijnen om onze jassen terug te geven. Blijkbaar waren alle hens aan dek geblazen om de koffie te serveren, want het heeft wel een tiental minuten geduurd voor we eindelijk konden vertrekken.

Zo, nu heb ik kennis gemaakt met blauw Vlaanderen. En zij ook met mij!

Ru(sh)di(e), 14 april 2003 (revisie op 15 april 2009)

17-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Verrassende gebeurtenissen

 

Ooit heb ik eens het volgende meegemaakt. In Nederland, ergens in een dorp in Zeeuws Vlaanderen. Ik was daar op een zonnige namiddag met mijn hond aan het wandelen op de dijk, naast een waterweg. Een heel rustige omgeving, er was geen mens te zien.

Op een gegeven moment zag ik dat er vanuit de verte dan toch iemand met een fiets kwam aangereden. Ik riep mijn hond bij me en ging met haar aan de kant van het smalle pad staan, zodat die fietsende medemens ongehinderd zou kunnen passeren.

Toen die persoon iets meer genaderd was merkte ik dat het een oude grijsaard was, echt op zijn zomers gekleed, want blijkbaar met blote benen en ontbloot bovenlijf. Op het zadel, tussen zijn benen, ontwaarde ik een pakje.

Toen hij me passeerde zag ik dat het pakje geen pakje was maar 's mans rijkelijk van kroezelig schaamhaar voorziene penis & kloten. Die vent zat potverdorie naakt op zijn vélo!

Het voorgaande doet me plotsklaps aan iets anders denken. Hoe dat komt moet je zelf maar besluiten, na het lezen van hetgeen volgt. Mijn ouderlijk huis was een door mijn vader eigenhandig gebouwde bungalow. Omdat ik mijn slaapkamer beneden had ingericht als kantoor voor de onderneming die ik enkele jaren voordien had opgestart, sliep ik in een kamer die mijn pa had gemaakt op een deel van de grote, voordien volledig open en onafgewerkte, zolder Die ruimte was nu mooi afgewerkt met houten planchetten en het was er buitengewoon gezellig vertoeven.

Ik had er een heel kleine zwart/wit televisie staan en vond het uitermate aangenaam om 's avonds voor het slapen, in bed gelegen, een beetje Tv te kijken, tegelijkertijd wat te lezen of een kruiswoordraadsel op te lossen en nog een kleinigheid te eten. Wat chips of koekjes waren dat.

Op een zekere nacht werd ik wakker. Door een geluid? Door een beweging in mijn kamer? Ik weet het niet. Ik knipte het lichtje aan dat op het nachtkastje naast mijn bed stond. Bij deze handeling voelde ik de bovenkant van mijn hand tegen iets zachts aanstrijken. Ik trok mijn hand snel terug en draaide mijn hoofd met een ruk richting nachtkastje.

Daar zat... een muis! Onverstoord de kruimeltjes van mijn koekjes van de voorgaande avond opetend. Ik gilde: "Eek!" en het beest keek op en liet een "Piep!" horen. Ik ben hoegenaamd géén watje en sla voor zo'n kleine knaagdiertjes normaliter niet op de vlucht, maar nu sprong ik van 't verschieten wel uit mijn bed, terwijl het diertje, nu ook geschrokken van mijn reactie, er vandoor muisde (!). 

Het sneukelen in bed heb ik door dit voorval niet afgeleerd, maar vanaf die nacht hoedde ik me er wel voor al te veel kruimels achter te laten.

Tja, een mens maakt soms wat mee in zijn leven. Zo reed ik jaren geleden - in mijn pré-rolstoel periode, eens op de autostrade, op een zondag, vrij vroeg in de ochtend. Mooi op het meest rechtse rijvak en net iets minder snel dan was toegelaten, toen ineens met een razende snelheid een tegenligger op me af kwam. Een spookrijder!

Gelukkig was ik in staat mijn kalmte te bewaren. Ik minderde mijn snelheid en week zoveel mogelijk uit naar rechts. Ongelukkigerwijs was er blijkbaar geen pechstrook aangelegd op dit gedeelte van de autosnelweg. Ik zette onmiddellijk mijn autoradio aan en koos het nieuwskanaal. Ja hoor, er werd melding gemaakt van een spookrijder op deze autobaan.

Hé, wat was dat? Er flitsten me heel snel na elkaar nog een aantal auto's voorbij. En allemaal in de verkeerde richting! Eén ervan deed dat luid toeterend en een andere chauffeur was zelfs zo arrogant met zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd te wijzen en daarbij een boos gezicht te laten zien. Ja hola zeg. Ik voelde mij daar echt niet meer veilig.

Uiteraard ben ik dus bij de eerste exit van de snelweg afgereden. Bijna botsing! Kwam er nondedju ook al iemand de afrit opgereden! Een vrouw. In een Mazda. Ondanks het schrikken van die totaal onverwachte tegenligger, merkte ik toch ook nog op dat één of andere onverlaat alle verkeersborden aan de kant van de weg een halve slag had gedraaid. Ook dat nog! Ondertussen werd op de radio de waarschuwing voor die éne spookrijder nogmaals herhaald. En van die andere vijf die me gekruist waren spraken ze niet!

Het bovenstaande is uiteraard een mop met een baard, stukken langer dan deze van Vader Abraham, Sinterklaas en de Kerstman samen. Maar ik kon het niet laten hem hier in mijn versie te vertellen.

Ru(sh)di(e), 28 maart 2003 (revisie op 11 april 2009)

31-03-09

Belevenissen in het UZ, het vijfde deel

 

Als resident van het revalidatiecentrum waar ik verbleef, kliniekgebouw 7 (K7), werd ons de mogelijkheid geboden om het avondmaal te nuttigen in het restaurant van het hoofdgebouw, K12, veertien hoog, en met een prachtig uitzicht over het ganse terrein en zelfs een deel van Gent en (bij helder weer) zijn wijde omgeving.

Meestal was er een warm gerecht, met, tijdens de week, als alternatief een koude schotel. Aangezien ik na verloop van tijd de 's middag in het centrum aangeboden warme maaltijden meer dan beu was en dus meestal niet eens de moeite nam om zelfs maar het deksel van mijn plateau te lichten, maakte ik dankbaar gebruik van dit alternatief en reed nagenoeg elke avond richting kliniekgebouw K12. Liefst in het gezelschap van anderen, want alleen is maar alleen.

Die dag had ik als gezellen een bevallige jongedame, laat ik haar Anneleen noemen, en een man, voor dit verhaal Gaston genoemd, zich beiden voort verplaatsend in een mechanische rolstoel.

Gezien het feit dat er geen regen viel te bespeuren en het bovendien vrij warm weer was, besloten we niet via de keldergangen te rijden, maar langs buiten.

Op het gelijkvloers van kliniekgebouw 12 namen we de directe lift, richting 14de etage.

Als naar gewoonte reed ik achterwaarts de lift in. Charmante Anneleen volgde mijn voorbeeld en kwam met haar karretje naast me staan. Eigenzinnige Gaston daarentegen reeds voorwaarts naar binnen. De schuifdeur sloot zich automatisch achter hem.

Toen we op het veertiende waren gearriveerd zei Gaston: "We zijn er! Komaan, volg mij!", waarop hij fors aan zijn hoepels sleurde, waarschijnlijk met de bedoeling gezwind uit de ascenseur te rijden, maar in plaats daarvan lag hij twee tellen later met stoel en al op zijn rug.

Anneleen en ik keken elkaar verschrikt aan en reden terstond de lift uit om te zien wat we voor Gaston konden doen. Ik stelde voor aan Gaston, die zich inmiddels uit zijn rolstoel had laten rollen, om in het restaurant hulp te gaan halen en maande hem aan inmiddels gewoon te blijven liggen.

Daar had Gaston echter geen oren naar. Op mijn bezorgde vraag of hij geen pijn had, antwoordde hij: "Alles in orde! Niks aan de hand." En trok vervolgens wild zijn rolstoel tot bij zich en terug recht en trachtte er terug in te geraken. Met een air van 'ik heb dit hier volkomen onder controle', maar visueel wel op een erg onbeholpen manier.

De tevredenheid en opluchting dat alles oké was met Gaston, gecombineerd met de show die hij nu opvoerde, activeerde onze lachspieren. Anneleen en ik begonnen onbedaarlijk te lachen.

Er kwamen enkele mensen uit de lift. Die wilden Gaston in eerste instantie helpen. Tot ze zijn eigenlijk totaal ongepaste, stoere houding, vaststelden. Toen keken ze naar een lachende Anneleen en mij, gniffelden, om vervolgens Gaston op zichzelf verder te laten stuntelen. Wat er voor zorgde dat wij nog harder lachten en andere passanten ook lachend het schouwspel aanzagen en daarna hun weg vervolgden. Een ontzettend komisch tafereel.

Anneleen en ik zaten werkelijk in een deuk van het lachen. Dit sloeg werkelijk alles. Er wordt aan rolstoelers aangeleerd hoe ze, zonder hulp, vlot terug in hun stoel kunnen komen na dergelijk voorval. Maar wat Gaston aan het doen was leek meer op een opname van een sketch voor een komische film of een passage uit een Tv-programma met verborgen camera.

Toen onze gabber eindelijk in zijn rolstoel was aanbeland, en wij even later van eten voorzien aan tafel zaten, en Gaston hadden uitgelegd hoe grappig de ganse vertoning was geweest, hebben we alle drie samen nog eens hartelijk gelachen om het voorval.

Ter wille van de bezorgde lezers: Gaston heeft aan dit gebeuren niks overgehouden dat hij niet reeds vooraf had. Die enkele blauwe plekken waren na een goeie week verdwenen.

Met Gaston heb ik trouwens ook nog andere avonturen beleefd. En het moet gezegd: hoewel nogal opdringerig en veelal niet door anderen begrepen, en soms ook niet door mij, was hij erg genereus en vol goede bedoelingen.

Ru(sh)di(e), 31 mei 2002 (revisie op 24 maart 2009)

21-03-09

De avonturen van Rudi & Co, een blijkbaar nooit eindigend vervolgverhaal

 

Gisteren zijn we uit eten geweest. 't Was weer in orde. We waren met negen. Dacht slim te zijn door me in het midden van de voor ons gereserveerde feesttafel te positioneren, met rechts van mij mijn echtgenote, want zonder haar hulp kan ik in een eethuis weinig uitvreten.

Maar geen avance. We werden ook nu weer het grootste deel van de avond door onze disgenoten straal genegeerd. Mijn echtgenote en ikzelf zaten daar - een beetje sullig - centraal, terwijl links en rechts van ons een - nogal eens van bezetting wisselend - trio en kwartet gezellig aan het keuvelen waren.

Het feit dat ik - ondanks het gebruik van hoorapparaatjes - zeker in een rumoerige omgeving, ontzettend slecht hoor, en bovendien met mijn log, omvangrijk vehikel dan ook nog eens een halve meter verder van de tafel zit verwijderd dan valide personen, maakte dat ik de conversaties totaal niet kon volgen, laat staan er actief aan deel te kunnen nemen. Slechts twee aangezetenen getroostten zich de moeite om een dialoog met me aan te gaan. Voor de rest van de avond was het een saaie bedoening. Voor mijn eega, die zelfs continue totaal voor lucht werd aanzien, en mezelf althans, want de anderen hadden enorm veel pret!

De avond begon trouwens al onder een slecht gesternte. Het regende, zodat ik de zowat drie kilometer tot aan de brasserie waar we hadden afgesproken, diende te overbruggen, weggedoken onder mijn regenmantel. Een door mijn mama gefabriceerd exemplaar, waarvoor een uit legerstock 'het Amerikaantje' aangekochte Duitse legerjas als basis diende. Bij aankomst aan de eetgelegenheid stelde ik ook nog vast dat ik vergeten was mijn wederhelft te vragen mijn schoeisel te wisselen. Dus zat ik daar in mijn zwarte rolstoel, gekleed in een zwarte broek en een donkergrijze trui, maar met witte sportschoenen aan mijn voeten in plaats van mijn zwarte lakschoenen.

Toen het hoofdgerecht werd aangebracht, door de patroon in hoogsteigen persoon nota bene, gebruikte die man een naar mijn maatstaven nogal taalonkundige uitdrukking. Hoewel ik in de stad waar ik woon heel wat gewoon ben, vond ik het eigenlijk een zelfs ronduit onbeschofte manier om te weten te komen aan wie de schotels met buitenmaatse garnalen dienden geserveerd te worden. De man zei namelijk: "Waar zijn de Gamba's?" Mijn irritatie ombuigend naar humor, zei ik: "Euh, in die borden op uw arm, mijnheer" en liet op deze uitspraak zelfs een glimlach volgen. Maar die kerel vond dat niet grappig.

Van aangepast bestek voor schaaldieren hadden ze in die veredelde snackbar blijkbaar ook nog niet gehoord en een schoteltje azijnwater om de vette vingers te reinigen na het gevecht met de schaaldieren, had men ook niet voorzien. Op vraag van een tafelgenoot met eenzelfde hoofdgerecht werden uiteindelijk dan toch vochtige doekjes gebracht.

De gegrilde reuzengarnalen waren trouwens uitermate lekker, en de erbij geserveerde saus uitmuntend. Maar dat mocht ook wel na de totaal smaakloze Schotse zalm van het voorgerecht.

Dan was mijn vorige etentje - zowat een maand geleden - toch wel een heel stuk beter geslaagd. Bij de Chinees in onze straat was dat. Samen met mijn echtgenote en een bevriend koppel. Behalve het feit dat ik een deel van een muurtje in de (voor mijn vehikel veel te smalle) gang naar het toilet van het restaurant heb vernietigd, valt er over dat uitje trouwens niks wereldschokkends te melden.

We hebben wel veel lol gehad die avond. Door het ondermeer oprakelen van herinneringen aan gezamenlijke belevenissen. Onder het genot van een glas wijn. En naderhand ook iets met minder vocht en meer alcohol in.

Ik vertelde hen ook het relaas van die keer dat ik uit eten ging en enige tijd na het uitgebreide hoofdgerecht de kelner naar onze tafel riep en - met een uitgestreken gezicht - zei dat hij nu het hoofdgerecht wel mocht brengen. Die jongen stond toen als aan de grond genageld, en keek me aan met open mond. Waarop ik gauw zei: "grapje!", waarna hij terstond gerustgesteld glimlachte.

Waarop mijn tafelgenoot ons vertelde ooit eens samen met drie makkers in een eethuis spaghetti te hebben gegeten. Na het verorberen hiervan hadden ze echter alle vier nog steeds honger. Dus bestelden ze nogmaals hetzelfde. De serveerder ging met die bestelling naar zijn patroon. Die betrouwde het zaakje blijkbaar niet en kwam met de uitstraling van een donderwolk richting hun tafeltje. Met in zijn ene hand met het bestelbriefje zwaaiend, blafte hij: "Is dat hier om te lachen?" Waarop mijn vriend doodkalm: "Neen, helemaal niet, mijnheer. Om op te eten!"

Ru(sh)di(e), 24 november 2002 (revisie op 17 maart 2009)

20-03-09

Belevenissen in het UZ, deel één van ik weet nog niet hoeveel

 

Ik had het al aangekondigd en voel me dus moreel verplicht er een aanvang mee te nemen: het verhalen over mijn wedervaren in de behandelinrichting ofte kliniek waar ik twee verjaardagen zag passeren. De gebouwen en terreinen van een complex dat in zijn totaliteit 'het universitair ziekenhuis van Gent' wordt genoemd.

Toen ik nog maar pas een kleine maand na die desastreuze ingreep, op de verzorgingsafdeling 'neurochirurgie' van het ziekenhuis verbleef, kreeg ik op een bepaald moment een nieuwe kamergenoot. De zoveelste op rij. Laat ik hem Felix noemen. De man was net geopereerd.

Het klikte meteen tussen ons twee, ondanks het feit dat we een probleem hadden. Of eigenlijk twee. Het was en is immers zo dat ik niet goed hoor en dat Felix niet luid kon en kan praten. Er was dus in zekere zin een moeilijkheid in communicatie.

Mijn ouders kwamen in de late namiddag op bezoek, en die hadden op mijn verzoek - ik wou wel eens iets lekkers eten - toastjes en toespijs voor me meegebracht. Felix lag te lonken. Die brave ziel had een verschrikkelijke honger, maar mocht van de verpleegkundigen, op doktersadvies, zo kort na de operatie, nog niks eten. Ik had nochtans met veel plezier mijn spijs met hem gedeeld. Ondanks dat liet ik het me toch smaken.

Die avond kwam er ook nog een meisje bij me op bezoek en die had een doosje pralines voor me meegebracht. Nadat ik ze de ronde had laten gaan, liet ik dat doosje op mijn nachtkastje plaatsen, rechts van mijn hoofdeinde, tussen de twee bedden in. Toen alle bezoek naar huis was, zei ik aan Felix dat, mocht hij zin hebben in een chocolaatje, hij gerust mocht toetasten. Een enkele praline was immers geen echt eten, en we waren inmiddels ook alweer enkele uren verder in de tijd.

De volgende dag, nadat ik was gewassen en had ontbeten, herinnerde ik mij ineens die chocolaatjes en verzocht de verpleegkundige van dienst, om me een bonbon te geven uit dat doosje op mijn nachtkastje. Dat meisje zei me wel een doosje te zien staan, evenwel zonder inhoud. Waarop ik dat lieve kind verzocht het me te laten zien. Het was het juiste doosje, maar inderdaad compleet leeg!

Inmiddels lag er daar iemand te gniffelen in dat ander bed in de ziekenhuiskamer. Bleek dat Felix die nacht zo hongerig was geweest dat hij stuk voor stuk de ganse resterende inhoud van die doos pralines achter de kiezen had gespeeld! Lachen

Ru(sh)di(e), 13 juni 2002 (revisie op 15 maart 2009)