29-06-12

Herinneringen uit mijn verleden - Hengelaarplezier & sportvisserijvertier

      

Reeds van op heel jonge leeftijd ging ik vissen. Mee met mijn pa, en meestal op paling. Eens ik als tiener, door mijn ouders oud genoeg werd bevonden, trok ik er alleen op uit. Meestal richting provinciaal domein. Een gigantisch terrein met een kasteel, bossen, bloementuinen, een dierenpark, speeltuin en enkele visvijvers. Gelegen op een kilometer of vijf van mijn ouderlijke woonst.

Toentertijd was fietsen binnen het domein niet toegelaten. En omdat de afstand tussen de ingang van het domein en de visputten, toch enkele kilometers bedroeg, had ik voor het transport van mijn spullen een karretje gemaakt. Van het onderstel van een oude kinderwagen, waarop ik een plank had bevestigd.

Het karretje plaatste ik op de bagagedrager achteraan mijn fiets. Mijn door mijn pa, met recuperatiemateriaal gemaakte houten vissersbak, kwam daar nog bovenop te staan. Met snelbinders bevestigde ik dit alles stevig aan mijn fiets. Mijn in een kokervormige stoffen tas gestopte werphengels en oude vissersparaplu, bevestigde ik, met oude lederen riempjes, aan de buis van mijn fiets.

Met al mijn visspullen op de fiets reed ik dan van thuis tot aan de ingang van het domein. En; van daar trok ik vervolgens het karretje met mijn visgerei, middels een stevig touw, tot aan de visvijver.

Het vissen was een vrij sociaal gebeuren. Rond de vijvers trof je vaak dezelfde mensen aan, waaronder ook heel wat jongelui. En bijna uitsluitend jongens en mannen. Eens geïnstalleerd op ons plekje aan het water, gingen we doorgaans bij de reeds eerder aanwezige hengelaars even gaan luisteren of ze al wat hadden gevangen. En zo het antwoord bevestigend was, keken we met graagte naar het door de visser even uit het water getilde leefnet. Om de zich daarin bevindende gevangen vis te aanschouwen. En de betreffende visser te feliciteren met zijn vangst.

Ook als we na een uur of zo turen naar onze dobber, of geduldig wachten op enig geluid van het aan onze werphengels bevestigde alarmbelletje, geen beweging of geluid waarnamen, gingen we elkaar opzoeken. Om onze nood te klagen. En onze benen te strekken. En als er iemand ‘beet’ had, dan kwamen de vissers uit diens buurt rond die gelukzak staan. Om hem bewonderend, en niet zelden met enige jalousie, de buit te zien binnenhalen. Vooral als het grote kanjers betrof, die meestal nogal wat weerwerk boden en moesten worden moe gemaakt, vooraleer te worden opgehaald, gaven nogal wat omstanders gretig hun ongevraagd en meestal ook onnodig en ongewenst advies. Gewoonlijk wel welkom was dan weer de hulp die collega-vissers boden door het reeds in het water houden van het schepnet met behulp waarvan de aan de haak van de vislijn hangende vis op de oever en dus het droge moest worden gebracht.

*****

Op een zekere dag in de vakantie, was ik met een vriend een namiddag gaan vissen in dat provinciaal domein. De buit was mager. Buiten de dikke aal die ik had gevangen. Nogal wat andere, rond de vijver verzamelde vissers, waren jaloers op mijn vangst.

Zo ook de corpulente zoon van de champetter uit een gehucht, grenzend aan de buurt waar ik woonde. Die kerel was een jaar of twee ouder dan mij. Daardoor en tevens door het feit dat we nooit bij elkaar op school hadden gezeten, kende ik de jongen slechts vaag.

Toen mijn maat en ik ons boeltje bij elkaar hadden gepakt en net op het punt stonden om ons via de, naast de vijver lopende, geasfalteerde laan, naar de uitgang van het domein te begeven, kwam die kerel, samen met zijn twee maten, op me af. En vroeg me of hij mijn vangst nog eens mocht zien.

Met enige tegenzin haalde ik de snelbinder van rond mijn op mijn karretje staande vissersbak, opende de klep ervan en haalde er het wit stoffen zakje uit waarin de door mij gevangen aal zat opgesloten. Ik loste de strop waarmee het zakje werd dicht gehouden en liet de inhoud zien: een vette paling van een centimeter of 40 lang, wel minstens 2 centimeter dik en vast minimaal 800 gram zwaar. Die lag te kronkelen in een door hemzelf geproduceerd half transparant wit slijm.

De ogen van de dikke tiener voor me puilden bijna uit hun kassen. Hij wou de aal van me afkopen. En bood er mij maar liefst 500 Belgische Franken voor aan, een goeie 12 Euro. In die tijd, eind de jaren zeventig, was dat, voor een jongere, een ferm bedrag.

Toch was mijn vangst verkopen geen optie. Die nam ik mee naar huis. Om aan mijn huisgenoten te tonen, te doden, te stropen, te kuisen en later zelf op te eten. En ik dacht er nog niet aan om dat ritueel te verbreken voor wat geld.

Die dikzak snapte dat evenwel niet. Hij bekende me dat hij thuis bij voorbaat had opgeschept over zijn visserstalent en de vangt die hij naar huis zou meebrengen. En nu dreigde hij gezichtsverlies te lijden door met kompleet lege handen weer te keren. Dus wou hij hoe dan ook mijn aal. En kwam dreigend en boos kijkend op me af toen ik het zakje weer dicht bond, wegstopte en mijn vissersbak weer aan mijn karretje vastmaakte.

Nu was ik in die tijd zelf geen hummel en best potig, maar toch vermeed ik liefst een fysieke confrontatie met die gast van minstens een kop groter dan mij en met een lichaamsvolume van wel drie keer het mijne. Dus wenkte ik mijn maat en zette het samen met hem op een lopen. Mijn karretje achter me aantrekkend.

De zoon van de champetter bleef eerst enkele seconden verbouwereerd ter plaatse staan, maar gaf toen met de palm van zijn dikke vette pollen zijn beide maten een flinke duw in de rug en zette zich samen met hen in beweging. Me onderwijl dingen toeroepend die ik niet kon verstaan. Want wij waren inmiddels al op geruime afstand van elkaar verwijderd. Met zijn logge lijf, nog verzwaard door de ballast van zijn visgerei, kon die gast trouwens mijn tempo absoluut niet aanhouden. Toen hij en zijn vrienden de uitgang van het domein bereikten, zaten mijn vriend en ik reeds op onze met het visgerei geladen fietsen en reden we gezwind weg van de fietsstelplaats. Die vetzak zonder visvangst het nakijken gevend.

Thuisgekomen toonde ik vol van trots mijn vangst aan mijn moeder. Die blij was met mijn succes. En verzekerde me dat ook mijn pa, bij thuiskomst van zijn werk, verheugd zou zijn over mijn vangst van zulk een ferme paling.

Over het conflict met de zoon van de champetter zweeg ik wijselijk. Het had geen zin om mijn ma nodeloos bezorgd te maken. Bovendien wou ik ten alle prijze vermijden dat ze me niet langer zou toelaten om alleen of met vrienden te gaan vissen.

Als steeds maakte ik zelf mijn vangst gereed om klaar te maken voor consumptie. Daar was ik goed in. Ook de buurjongens kwamen, als ze bij het vissen iets hadden gevangen, bij mij langs om hun vis te laten doden en kuisen. Dat deed ik buiten, of bij slecht weer, in onze garage.

Net onder de kop van mijn nog levende paling maakte ik met een scherp mes een snede. Waarna ik, terwijl ik met een vod de kop vasthield, met een oude platte bektang, de huid van de aal vastkneep en van diens lijf stroopte. Vervolgens sneed ik zijn buik open in de lengterichting. En haalde alle ingewanden uit het lijf door mijn duim van aan de kop tot aan de staart door het lijf te bewegen. Dan sneed ik de kop eraf en spoelde en wreef de overgebleven resten proper in een emmer met proper putwater. Dat ik middels onze oude waterpomp aan de oppervlakte had gebracht. Met keukenpapier depte ik daarna het vlees proper. En bracht het dan naar mijn ma. Die het in een zakje stopte en in de diepvries deponeerde. Om er later, samen met andere door mijn pa en mij gevangen palingen, een heerlijke maaltijd mee te bereiden.

*****

Door dat vaak uit vissen gaan naar dezelfde waterput, leerde ik er dus snel jongens kennen die daar dezelfde hobby uitoefenden. Het waren doorgaans kerels van ongeveer mijn leeftijd of enkele jaren ouder. Soms zat ieder gewoon op zijn eigen plekje en brachten we elkaar zo nu en dan een bezoekje. Om te zien wat de andere al had gevangen, maar vaak ook gewoon om een praatje te slaan en zo de tijd te doden.

Soms troepten we ook samen en zaten we allemaal naast elkaar met onze vislijnen. Door ons gestoei en gebabbel werden de vissen vast afgeschrikt, want veel werd er op die momenten doorgaans niet gevangen. Ook niet die keer dat ik als twaalfjarige met de enkele jaren oudere, aan de visput ontmoette Wouter en nog een tweetal andere gelegenheidsvrienden, aan het vissen was. Het was warm weer en we hadden dan wel nog niet eens beet gehad, de leute was er niet minder om.

Op een gegeven moment kwam er op het wandelpad, gelegen op een tiental meter van, en iets hoger dan, de visvijver, een knap blond grietje aangetrippeld. Uiteraard was Wouter de eerste uit ons groepje die het meisje had opgemerkt. De praatgrage kerel zat immers meer rondom zich te kijken dan naar de dobber van zijn vislijn. Hij maakte ons, de andere drie, met opgewonden stem, attent op die mooie verschijning. En het korte rokje dat ze droeg onder het al even weinig verhullende topje van het, voor haar vermoedelijk zowat vijftien jarige leeftijd, reeds fraai gevormde lichaam.

Wouter floot luid tussen zijn tanden. De frêle schoonheid stopte en keek ons glimlachend aan. Waarop Wouter haar uitdagend vroeg of dat rokje niet nog wat hoger kon. “Oh, jawel hoor!” zei het meisje lachend, “Ik draag er toch nog een broekje onder!” Waarop het lekker ding haar minirokje optilde en wij een nauw om haar lijf spannend bleekroos onderbroekje te zien kregen.

Wouter sprong van opwinding bijna uit zijn eigen broek. Zenuwachtig, met blozende kaken en trillende stem vroeg hij aan het meisje waar ze heen ging. De speeltuin, zo liet ze weten. En toen ze met haar lieflijke stem positief antwoordde op zijn vraag of hij mee mocht gaan met haar, was Wouter niet meer te houden. Verbaast keken we toe hoe de jongen vliegensvlug al zijn visgerij bij elkaar scharrelde, ons nog snel ten afscheid groette en vervolgens naar dat meisje toe holde.

Wij, achterblijvers, keken die twee nog even na. Wouter met zijn zware visbak middels een riem op de rug dragend, in één hand de lange smalle zak met zijn vislijnen en met de andere hand wild gebaren makend. Terwijl het naast hem stappende meisje hem, onder het verleidelijk bij elkaar nemen van haar lange sluike haar, glimlachend aankeek. Waarschijnlijk was onze maat die knappe deerne een verzonnen verhaal aan het vertellen over eerdere wonderbaarlijke visvangsten.

Wouter zagen we die dag niet meer terug. Maar een dag later was hij wel terug van de partij. En bracht de jonge kerel, onder het vissen, in geuren en kleuren verslag uit van de formidabele namiddag die hij had beleefd met die mooie, vrouwelijke leeftijdgenote.

Ru(sh)di(e), 23 oktober 2011 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 januari 2012.

09-06-10

Herinneringen uit mijn verleden - Ambras buiten de klas

         

De buurjongen waar ik tijdens mijn middelbare schooltijd regelmatig mee naar school fietste en vaak ook terug weer huiswaarts keerde, had op een bepaald moment ambras met enkele gasten die ook bij ons op school zaten. Maar een andere studierichting volgden dan zowel mijn buurjongen als mij. Die toen aan het tweede jaar was begonnen, terwijl mijn buur nog maar in het eerste jaar zat.

Die kerel was nochtans even oud als mij, maar hij had zijn eerste jaar middelbaar onderwijs aan een andere onderwijsinstelling doorlopen. Studeren was er, dat jaar, voor hem nauwelijks bij geweest. Er op school een bonte boel van maken, des te meer. In die mate zelfs dat zowel directie als leerkrachten zijn ouders tegen het einde van dat schooljaar vriendelijk, doch dringend hadden verzocht hun zoon na de zomervakantie elders onder te brengen. Wat dus ook was gebeurd. De reeks opgestapelde buizen liet de jongen mooi achter zich, om met een nieuwe lei en een fris elan opnieuw het eerste jaar aan te vatten. Op de school waar ik dus al een jaar lang mijn broek had versleten. En ook wel wat kennis had vergaard.

Wat de oorzaak was van de ruzie, dat herinner ik mij niet meer. En wie precies de amokmakers waren die mijn buurjongen viseerden, dat kon hij me niet precies vertellen. Althans, zijn persoonsbeschrijvingen lieten bij mij geen belletje rinkelen van herkenning. En op zoek gaan naar die kerels kon ook niet. Want mijn maat bracht me pas van de onenigheid op de hoogte op het moment dat we, na schooltijd, onze fiets uit de stalling gingen halen om naar huis te rijden.

De gasten die het op mijn maat hadden gemunt, hadden aangekondigd hem na het beëindigen van de lessen, buiten het schoolterrein op te zullen wachten. Om met hem af te rekenen. Mijn buurjongen zijn beste vriend en tevens klasgenoot, die op onze schoolroute woonde en derhalve meestal met ons meereed, stelde voor om langs een andere weg dan de regulier gevolgde route huiswaarts te rijden. Wat wij een goed idee vonden.

We waren met ons drieën nog maar pas vertrokken of er kwamen ons daar van alle kanten fietsers tegemoet gereden. Allicht geïnspireerd door helden uit actiefilms op televisie of koele krijgers uit de westernboekjes die ik regelmatig las, sprong ik terstond van mijn fiets, duwde mijn stalen ros in de handen van de mij verbaast aankijkende vriend van mijn buur en ging heldhaftig voor mijn buurjongen staan. Met gebalde vuisten sprak ik onze belagers toe. Wie zinnes was om te trachten mijn maat te krenken, zou eerst met mij moeten afrekenen.

Uitdagend bewoog ik mijn hoofd van links naar rechts en keek al die pummels, één voor één, recht in de ogen. Tot ik opeens de stem hoorde van mijn maat zijn vriend. Die zei me dat die jongens tegenover ons niet de slechteriken waren, maar klasgenoten van hem en mijn buurjongen. En dus aan onze zijde stonden. Zo stond ik daar dus mooi voor aap. Belachelijk stoer te doen tegenover de verkeerde personen.

Maar ik liet die blunder niet aan mijn hart komen. En zag het grappige van de situatie wel in. Zo ook de rest van het groepje. Door dit incident was ineens ook alle spanning van ons afgevallen. En reden we in groep, gemoedelijk babbelend, huiswaarts. Die boelzoekers kwamen we op onze weg niet tegen. Waren die van op afstand getuige geweest van mijn optreden? En hadden ze daarom wijselijk beslist niet het risico te lopen slaag te krijgen van de toentertijd potige mij? Of waren ze bang van de grootte van onze groep en vreesden ze hoe dan ook het onderspit te moeten delven? Deze vragen zullen steeds onbeantwoord blijven. Het voornaamste feit was evenwel dat mijn buurjongen nooit meer van hen heeft last gehad.

*****

Datzelfde jaar heb ikzelf trouwens ook eens boel gehad met een jongen. Overigens niet zo verwonderlijk in een gemeenschap waar vele honderden jonge mannen in wording, bij wijze van spreken zitten opeengepakt.

Op de koer van de school, voor het traliehek dat het schoolterrein scheidde van het nabij gelegen park, stonden een aantal houten zitbanken. Uiteraard veel te weinig om alle leerlingen die in deze onderwijsinstelling les volgden, de mogelijkheid te bieden om er tijdens de pauzes op te verpozen.

Op een zekere dag in de lente kwamen mijn klasgenoten en ik tijdens de namiddagpauze als eersten naar buiten. Samen met een tweetal andere jongens nam ik plaats op de bank die stond opgesteld tegenover de deuropening van het schoolgebouw waar we net door waren naar buiten gekomen.

Even later kwamen ook tientallen andere kinderen, deels in groepjes, langs die deur en via de hoofdingang, de koer op. Vele onder hen, druk babbelend. En sommigen elkaar speels duwend. Eén groepje kwam recht op ons af. De twee jongens naast mij stonden direct op. Eén van de jongens die op ons waren afgestapt, keek me met zijn lelijke kop aan en sommeerde me om op te krassen. Want die bank was voorbehouden voor hem en zijn maten.

Met die jongen had ik een jaar eerder in de klas gezeten. Na de zomervakantie was hij op school gearriveerd met een inmiddels lange haardos en een ring in zijn linker oor. Wat toen erg in zwang was. Vooral bij hardrock en heavy metalfans. Van stadsgenoten van die gast had ik gehoord dat hij tijdens de zomer in aanraking was gekomen met de politie en het gerecht. En zelfs een tijdje had vast gezeten! Maar of dat waar was of (deels) verzonnen, daar heb ik het raden naar.

Nu was het mij inderdaad reeds opgevallen dat die sukkels nogal vaak op en om die bepaalde zitbank rondhingen. Maar ik was totaal niet van plan die kerel zijn bevel op te volgen. Dus antwoordde ik hem dat die bank er stond voor alle leerlingen. En ook ik dus het recht had er op uit te rusten.

Tegenspraak was dat gastje blijkbaar niet gewoon. Want zijn gezicht kleurde rood van woede. En hij stuurde een rochel richting mij. Wat ik dan weer geenszins apprecieerde. Ik veerde recht en stapte op die speekselproducent af. Welke achteruit deinsde. Dat er iets op til was, had al vlug een deel van de zich op de koer aanwezige scholieren door. Er vormde zich een ganse groep kijklustige tieners om ons heen. Opnieuw spuwde die kerel naar mij. Het slijm belandde op mijn jas. Boos trachtte ik mijn aanvaller op een wederkerige slijmsliert te trakteren. Maar spuwen was geenszins mijn specialiteit. Dus produceerde ik niet veel meer dan wat druppels mondvocht die, als uit een zeef, alle kanten, uitvlogen.

Het volgende moment kreeg ik een harde duw van dat arrogant ventje. Waarmee die kerel naar mijn normen helemaal te ver ging. Elkaar kietelen door het uitdelen van klappen met de vlakke hand, was niet aan mij besteed. Dus haalde ik uit met mijn rechtervuist en trof die kerel, met een flinke mep, vol op de kaak. Hij duizelde even en schudde zijn hoofd. Dan pas zag ik dat ik die kerel had geraakt op een plaats, net onder zijn linkeroog, waar zich net een korst had gevormd op een genezende wonde. Die nu terug bloot lag en bloedde.

Toen die kerel dat doorhad, werd hij woest. En wou hij me te lijf gaan. Maar ik zag zijn maten hem wijzen op de flink aangegroeide cirkel toeschouwers rondom ons en de naderende toezicht houdende studiemeesters. Hij gromde nog snel me na schooltijd aan het station te verwachten om het conflict af te handelen en verdween toen in de menigte. Toen ik om me heen keek zag ik dat minstens de helft van de schoolbevolking getuige was geweest van dit, voor mij toch, vervelend gebeuren.

Gedurende de overgebleven minuten van de rustpauze en zelfs tijdens de resterende twee lesuren van de dag, diende ik voortdurend te aanhoren dat men een spektakel verwachtte 's avonds aan het station. En op weg naar de fietsstalling werd ik ook, tot vervelens toe, geattendeerd op 'mijn' afspraak aan het treinstation. Nu lag die plek helemaal niet op mijn route naar huis toe en was ik totaal niet van plan mijn rijroute te wijzigen om die brutale medeleerling te plezieren. Als hij wou vechten, mij niet gelaten, maar dan wel op het schoolterrein!

Wat zulke kerels uiteraard niet doen. Want die hebben vaak al heel wat op hun kerfstok. En staan doorgaans al op een niet al te best blaadje bij de directie. Dus heb ik van die kerel achteraf geen last meer gehad. Dit ondanks het feit dat ik die namiddag gewoon huiswaarts ben gereden. Dit in tegenstelling tot een groot aantal schoolgenoten, die tevergeefs aan het treinstation mijn komst hadden afgewacht. Om me aan te moedigen? Bij een nederlaag uit te lachen? Wat kon mij dat schelen.

Die jongen zag ik daarna nog vaak. Zowel binnen de schoolpoort als daarbuiten. Stevig rokend en steeds met grieten in de buurt, die vielen op zijn type. In elk geval zag ik die jongen niet als een potentiële vriend en liet ik me dan ook niet in met hem en zijn activiteiten.

Bijna twintig jaar later heb ik die kerel nog eens terug gezien. Als klant in mijn winkel. Hij bleek toen al jaren chauffeur te zijn. Van internationaal transport. En zelfs in mijn buurt te wonen. Hij herkende mij evenwel niet meer. Maar ik hem des te meer. En ik herinnerde mij zelfs zijn naam nog. Zijn lange blonde haardos was nog intact. En er zat ook nog steeds een ring in zijn linker oorlel. Maar ze had het gezelschap gekregen van enkele piercings in de oorschelp. Ik kon in het uiterlijk van die kerel  nog steeds dat ruige ventje van weleer herkennen. Alleen was zijn huid nu versierd met allerlei tatoeages. Het plaatsen van dergelijke kunstwerken op andermans lichaam bleek overigens een activiteit te zijn waarmee hij zich in zijn vrije tijd bezig hield. Als bijverdienste. En uit ons gesprek kwam ik te weten dat hij ook nog steeds nicotineverslaafd was. Het kan inbeelding zijn geweest, maar op de door het roken verschraalde opperhuid van 's mans gezicht meende ik op zijn linkerwang, net onder het oog, een overblijfsel op te merken van het bijna twee decennia eerder voorgevallen schoolkoer incident.

Rudi, 29 april 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 13 mei 2010.

27-05-10

Heden en verleden - Het leven zoals het is

  

Vorige week was ik aanwezig in een bankkantoor waar ik tot dan toe niet als klant was gekend. De reden van mijn bezoek aldaar was het openen van een bankrekening. Zonder slag of stoot ging dat niet. Want het computersysteem weigerde in eerste instantie, en ook in tweede, mijn identiteitsgegevens te bewaren, die via mijn in een kaartlezer gestopte identiteitskaart, op het computerscherm verschenen.

Bijgevolg dienden mijn gegevens op de conventionele manier te worden ingebracht. Zijnde het inscannen van de beide zijden van mijn elektronische identiteitskaart en van mijn handtekening. Waar serieus wat tijd in kroop. Wat ik dacht in een kwartiertje geregeld te krijgen, nam uiteindelijk drie keer zoveel tijd in beslag!

En mensen, wat een massa papier ging er bij deze handeling verloren. Die registratiepapieren, in drie exemplaren, het afdrukken van de voorwaarden en zo meer. Ecologisch gezien betekent het openen van een bankrekening, op zulk een manier, ernstige roofbouw op de natuur. Papier, inkt, elektriciteit... Mijn ecologische voetafdruk bedraagt alweer een maatje meer. Helaas! Maar gedane zaken nemen geen keer, dus ga ik me voor de rest niet druk maken over dit feit.

Wat ik enigszins raar vind is dat de dame die deze formaliteiten vervulde, gegevens wou over mijn inkomen, wou weten welke inkomsten er op die net geopende rekening zullen worden gestort en ze me daarenboven, weliswaar vriendelijk, doch enigszins dwingend, de vraag stelde of ze mocht weten wat ik van plan ben om met die rekening aan te vangen.

Waarschijnlijk is dit een routinevraag, maar ze kwam bij mij nogal raar over. Alsof bijvoorbeeld een dakwerker zal zeggen dat hij op zijn nieuwe bankrekening zijn uit zwartwerk verkregen inkomsten zal storten. Of een witte boord crimineel zal verklaren dat hij er zijn frauduleus verkregen gelden op zal parkeren. Of een drugsbaas aan een bankbediende zal bekennen dat hij net een rekening opende om er de opbrengsten van zijn drugstrafiek op onder te brengen.

Voorts vind ik zulk een vraag een ernstige inbreuk op de privacy. Stel je voor dat ik aan een sollicitant, die zich bij mij aandient voor een openstaande vacature, zou vragen wat de  kandidaat zinnens is om aan te vangen met het geld dat zij of hij bij een eventuele aanwerving, bij mij kan verdienen? Ik zou ongetwijfeld nogal een hevige reacties krijgen. En mogelijks niemand vinden om voor me werken. Terecht, overigens!

Maar ik hield me, in tegenstelling tot wat mijn gewoonte is, gedeinsd. Dat ganse gedoe met al die paperassen had al zo veel tijd gekost, dat ik geen zin had om er nog meer te verspillen door een nutteloze discussie aan te gaan met iemand die vast enkel uitvoerde wat haar overste haar heeft opgedragen.

Toen die vrouwelijke bankbediende alle verkregen data opsomde riep in haar op een gegeven moment even halt toe. Want bij burgerlijke stand had ik gehoord 'ongehuwd'. Terwijl ik officieel wel al sinds 1993 ben getrouwd. Die status wijzigen was volgens de bankbediende evenwel onmogelijk, omdat het gegeven zo van mijn identiteitskaart werd gelezen. Vreemd...

*****

Enkele dagen voordien had de, volgens de aan mijn identiteitskaart gekoppelde data, niet bestaande echtgenote, op mijn herhaald verzoek, mijn nog, in wat vroeger onze gezamenlijke slaapkamer op de eerste verdieping was, aanwezige kledij, in een grote doos en een dito geruite verhuiszak gestopt. Zodat ik ze elders, in een voor mijn assistenten toegankelijke ruimte, zou kunnen onderbrengen.

Terwijl ikzelf in de woonkamer zat, op het gelijkvloers, zoals vaak voor mijn computer, was zoon Brian blijkbaar toevallig getuige van de activiteiten van zijn ma. Want ik hoorde hem plots, door het houten vloer annex plafondgewelf uitroepen 'awesome!' (formidabel!). Waarna ik hem van de, ook al houten, trap hoorde naar beneden denderen. Waar even later de deur tussen onze hal en de woonkamer open vloog, en mijn zoon door het deurgat de kamer binnen stormde. Uitgedost in een beige broek die ooit tot mijn zondagse outfit behoorde en mijn, uit een ver verleden afstammende, zware zwartlederen motorvest.

Uitgelaten en blij stond de jongen daar te draaien, zich te showen voor mij en voor zichzelf. Dat laatste was mogelijk door de weerspiegeling van zijn gedaante in het glas van een manshoge vitrinekast die in onze living staat opgesteld. Brian had deze kledij gegraaid uit die door mij ter beschikking gestelde doos. Ooit de stevige kartonnen verpakking van een groot computerbeeldscherm.

Een dag later heb ik, met de praktische hulp van mijn assistente, alle overgebleven kledij van vroegere jaren eens aan mijn gezichtsveld laten passeren en er de items uitgehaald waarvan ik vermoedde dat ze mijn kinderen zouden passen en waarin ze mogelijks zouden kunnen geïnteresseerd zijn om ze aan hun garderobe toe te voegen.

In de avonduren heb ik hen die kledingvoorraad dan naar de woonkamer laten brengen. En mochten ze hun keuze maken. Wat me een verkleedschouwspel bezorgde dat aangenaam was om te zien.

*****

Het weerzien van een deel van mijn kledij van een tijd geleden, deed me terugdenken aan mijn favoriete kledingstukken van nog vroeger. In de decade tussen mijn vijftiende en mijn vijfentwintigste levensjaar droeg ik graag strakke, nauw om het lijf spannende broeken. Waarvoor je plat achterover op je bed moest gaan liggen om ze aan te trekken. En je buik diende in te trekken om de rits gesloten en de broeksknop dicht te krijgen.

Meestal droeg ik jeans. Maar af en toe kon ook een uit een andere textielstof vervaardigde pantalon, mij bekoren. Zo had ik, ten tijde van mijn voorlaatste jaar aan de middelbare school, een witte broek. Die enkel ter hoogte van mijn onderbenen enige ruimte vrij liet tussen het kledingstuk en mijn huid.

Op het einde van het schooljaar had ik mij vrijwillig aangemeld om ter voorbereiding van het opendeur weekend, op een vrije namiddag, het elektronicalokaal van onze school op te ruimen en enigszins aantrekkelijk in te richten. De klus was bijna geklaard toen ik mij hurkte om iets op te heffen en bij deze handeling de achterkant van mijn strakke witte broek hoorde en voelde scheuren.

Snel stelde ik me recht en voelde met mijn beide handen aan mijn bibs. Mijn broek was netjes in twee gescheurd, over de gehele lengte van mijn bilspleet! Nog een geluk dat ik die ochtend een propere onderbroek had aan getrokken. Want mijn twee klasgenoten, met wie ik de werkzaamheden verrichtte, waren op het geluid van die scheurende stof en mijn daarop aansluitend gevloek afgekomen en keken grinnikend naar mijn zitvlak.

Gelukkig droeg ik een lange zwarte gebreide wollen trui, die ik zo ver als enigszins mogelijk was, over mijn poep trok om de averij zoveel als mogelijk aan het zicht van anderen te onttrekken. Volgens mijn nog steeds glimlachende maten lukte dat op die manier vrij goed.

Het afwerken van de klus in het labo liet ik over aan hen en de leerkracht die poolshoogte kwam nemen, maar aan wie ik niks over mijn gescheurde broek vertelde. Aangezien ik me er eigenlijk een beetje voor schaamde.

Spiedend stapte ik over de verlaten speelplaats, richting de boom aan de uitgang, waar ik mijn moeder haar fiets had gestald. Het gebeurde wel vaker dat ik mijn ma haar tweewieler gebruikte op momenten dat ze hem kon missen. Dat, als gevolg van de opbouw van het tweewielig vervoermiddel verplicht voorover gebogen zitten op een herenfiets vond ik immers niet zo leuk. Vandaar dat ik me liever met een damesfiets verplaatste.

Wat me nu trouwens ook uitermate goed uitkwam. Want gezeten op mijn mannenfiets had ik, tijdens de 8 kilometer lange rit huiswaarts, mijn billen nooit geheel kunnen onttrekken aan het zicht van eventuele passanten. Wat me, gezeten op mijn ma haar fiets, wel redelijk lukte. In een zo rechtop zittende houding als enigszins mogelijk was, wisselde ik voortdurend van hand om het stuur vast te houden, zodat ik met de vrije hand mijn omhoogschuivende trui naar beneden kon trekken. Allicht heb ik toen kunnen ervaren hoe het aanvoelt als je als meisje, met een ultra kort jurkje of rokje aan, met je onderbroek op het fietszadel zit.

Daar denk ik nu aan. Want toen was al mijn aandacht gericht op de vrees om bekenden tegen te komen die zouden merken wat er met mijn broek aan de hand was. En voor schut staan en mogelijks de dagen nadien door de halve schoolbevolking of een kwart van mijn dorpsgenoten uitgelachen worden, daar had ik als tiener totaal geen zin in.

Rudi, 8 maart 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 12 mei 2010.

07-05-10

Zalig zonder handen

         

Om tijdens mijn middelbare schooltijd de onderwijsinstelling te bereiken waar ik les volgde, diende ik met mijn fiets een goeie 8 kilometer af te leggen. De school bevindt zich immers in het centrum van de stad, terwijl mijn ouderlijk huis is gelegen in een deelgemeente daarvan. Mijn rijwiel was het exemplaar dat ik van mijn ouders als geschenk kreeg ter gelegenheid van mijn Plechtige Communie. Het bij deze gelegenheid schenken van een ware 'grote mensenfiets', is een traditie die, naar ik links en rechts hoor en zie, ook heden ten dage nog in voege is.

In mijn buurt woonden toentertijd slechts enkele jongeren die hetzelfde traject volgden als ik elke dag deed. Langs wegen met weinig bebouwing en veel akkers en weiden die aan de straat paalden. Van fietspaden was er helemaal geen sprake. Een groot deel van de te volgen weg was toen trouwens nog niet eens geasfalteerd, maar enkel verhard. Een ander deel bestond en bestaat nog steeds uit kasseistenen, voor de afwatering in een nogal overdreven boog aangelegd, en breder gemaakt door aan beide straatkanten een rij grote vierkantige betontegels te leggen.

Rijcomfort was er voor de zeldzame fietsers zoals ik, helemaal niet. En veilig was mijn rijroute evenmin. Want er was toen wel een stuk minder autoverkeer dan vandaag, maar op de boerenbuiten waren de landbouwers en loonwerkers ook reeds 's ochtends vroeg op weg. En hun tractors en machines waren toen doorgaans nog niet zo kolossaal groot, maar op die smalle wegen was het voor fietsers toch steeds weer opletten geblazen als er zo een landbouwvoertuig kwam aangereden.

Om tijd uit te sparen volgde ik meestal de korte weg. Waarbij de te rijden afstand behoorlijk werd ingekort door via een oude kerkwegel te rijden. Een met kiezelsteentjes verstevigd pad tussen percelen landbouwgrond, dat in vroegere tijden werd gebruikt door vooral boerenmensen, om 's zondags in het kerkgebouw te geraken om daar de eucharistieviering bij te wonen.

De toegangsweg tot het stadscentrum was dan weer een kasseibaan waar deels was over geasfalteerd en in de loop der jaren de in de rijbaan gevallen putten waren gevuld met lappen asfalt. Zodat het geheel er uitzag als een zwart/grijze lappendoek. Door die hobbelige, en ondanks alle oplapwerk nog steeds vol putten zittende straat rijden, was een ware marteling. En gevaarlijk, want aan weerszijden van de baan stonden er her en der auto's geparkeerd of gestationeerd.

Meerdere gebeurtenissen onderweg herinner ik mij, waarvan ik er hier slechts enkele in het kort zal verhalen. Zo herinner ik mij nog levendig mijn eerste fietsrit naar de middelbare school. Ik was helemaal niet gewoon om in het drukke stadsverkeer te rijden. Dus was het die eerste schooldag wennen om me in die verkeersstroom te bewegen.

Op een gegeven moment reed ik in een straat waar er, op de plaats waar deze onder de spoorweg loopt, aan de linkerkant, ook een zijstraat op uitkomt. In het midden van de straat stond er een politieagent het verkeer te regelen. Nu had ik in de lagere school wel de verkeersregels geleerd en was ik op de hoogte van de betekenis van de armsignalen van een verkeersagent. Maar die tekeningetjes in onze cursus waren steeds heel duidelijk geweest.

In de praktijk bleek dat andere koek te zijn. Die in het blauw gekostumeerde politiebeambte stond wel met zijn armen te zwaaien, maar de bewegingen die hij maakte kon ik niet direct in overeenstemming brengen met één van de ingestudeerde afbeeldingen op de stencils uit mijn verkeerscursus. Aangezien het verkeer in de zijstraat stil stond en ikzelf niet van richting veranderde, besloot ik vaart te houden en gewoon door te rijden.

Ter hoogte van die agent gekomen, zag ik hem, vanuit mijn ooghoeken, verbaast mijn richting uitkijken en met zijn ene hand een fluitje naar de mond brengen, waar hij luttele seconden later met bolle wangen op blies. Ik hield halt. De man, die gelukkig voor mij, zijn post niet kon verlaten, riep me boos toe. Of ik het verkeersreglement niet kende? En zonder op een antwoord te wachten gebood hij me terug te keren. Wat ik gedwee deed.

*****

Een ander voorval deed zich voor naar het einde van het schooljaar. Ik had dat jaar vrij snel iemand leren kennen die via dezelfde weg naar school reed. Ook een eerstejaars, maar de jongen zat wel in een andere klas dan de mijne. Meestal reden we samen naar school en huiswaarts. We passeerden daarbij dagelijks een boerderij waarvan de boer ons vaak commentaar toeriep. Dat we aan de kant van de weg moesten rijden, niet naast elkaar mochten rijden en nog meer van die dingen.

Zowel mijn schoolkameraad, nochtans zelf een boerenzoon en vast van plan om in zijn vaders voetsporen te stappen, als ikzelf, waren die voortdurende opmerkingen meer dan moe. Meer dan eens riepen wij iets terug. Iets snedig, of mogelijks eerder smerig, dat weet ik niet meer juist. Het maakte die boer in elk geval nog nijdiger!

Op een avond reed ik huiswaarts. Alleen, deze keer. Bijna aan die boer zijn bedrijf gekomen, zag ik dat daar nogal wat beweging was. Potverdorie, die waren vast van plan om de koeien van de weide aan de overkant, naar de stallen op hun erf te brengen. Een activiteit waarvoor ze, naar ik wist, de straat afspanden, zodat die beesten niet weg konden lopen.

Nu had ik er helemaal geen zin in om daar minstens een kwartier te staan koekeloeren naar die koebeestenverhuis. Dus duwde ik wat harder op mijn trappers om de versperring ten bate van die herlocatie voor te zijn. Door de snelheid die ik had, zag de boer mij pas op het laatste moment aankomen. Met die versperringskoord al in zijn ene hand, begon hij wild met zijn armen te zwaaien, ten teken dat ik moest stoppen en hem niet voorbij mocht rijden. Wat ik, onder luid sakkerend geroep van de boer, evenwel toch deed!

Had ik daar even 10 seconden geluk! Vlak nadat ik de boer was gepasseerd zag ik achter mij kijkend, in volle vaart een van de weide komende stier over de weg naar het boerenerf spurten. Het scheelde geen haartje of ik was, met fiets en al, aan dat beest zijn horens gespietst!

*****

Bij een andere boerderij waar we elke dag passeerden, liep er op het erf een hond die, van zodra hij ons in het vizier kreeg, vervaarlijk begon te grommen en te blaffen. In den beginne dachten we dat het dier dat deed ter protectie van het erf van zijn baasjes en dus om ons bang te maken. Opdat wij, voor die viervoeter potentiële boeven, het zeker niet in ons hoofd zouden halen om dat boerenhof te betreden.

Daarom hielden we ons, bij het naderen van die doening, stil en negeerden we het dier. Maar dat systeem leek niet te werken. De hond bleef dag na dag hetzelfde gedrag vertonen. Zwaar bassen en soms zelfs de bijters laten zien! Dus gooiden we het over een andere boeg. We begonnen de viervoeter, een dier van middelmatig formaat en vast het resultaat van een ongeplande kruising van verschillende rassen, te paaien door het vriendelijk toe te spreken. Maar ook dat mocht niet baten.

Buiten die hond viel er op dat boerenerf nimmer een levend wezen te bekennen. Dier noch mens waren daar ooit te zien. We hadden nochtans graag de baasjes van die boze blaffer eens aangesproken over het gedrag van hun dier, dat ons danig begon te vervelen. Bij de buren konden we ook niet terecht, want die waren er gewoonweg niet. Deze woonst stond zowat halverwege een straat, waar de dichtste buur 10 akkers en weilanden verder woonde.

Op een bepaalde ochtend reed er een derde jongen met ons mee naar school. Een klasgenoot van die nagenoeg dagelijks met me meefietsende schoolmakker. Toen we de boerderij met die razend blaffende hond naderden, en daarover ons beklag deden, zei die jongen, een nogal magere van postuur, dat je de vijand met gelijke wapens moet bekampen. Waarop de jongen met zijn fiets van ons wegreed en naar de afsluiting spurtte, waarachter die hond zat.

Nog voor hij zijn doel bereikte, begon hij zelf enorm veel kabaal te maken. Maar dat leek het beest niet te deren en zeker geen schrik aan te jagen. Toen wij bij de blaffende en schreeuwende jongen arriveerden, wezen we hem op dat feit. En merkten op dat de hond er nu nog bozer uitzag en nog luider blafte dan gewoonlijk. En dat de jongen best zou ophouden met wat hij deed, want dat anders die viervoeter wel eens over de afsluiting zou durven wippen om achter hem aan te gaan!

De jongen rolde de fiets waarop hij zat, met zijn voeten een beetje achteruit, tot hij terug op de rijweg stond en zette aan om verder te fietsten. Onderwijl ons antwoordend dat hij niks hoefde te vrezen want dat het toegangshek steeds was gesloten.

Doch die dag dus uitzonderlijk niet! Die jongen zag dat bij het passeren ook, slaakte een gil en trapte toen uit volle kracht op zijn pedalen, om daar weg te komen. De hond, die hem eerst blaffend achtervolgde aan de erfzijde van de afrastering, koos ervoor vanaf het openstaande hek zijn weg over straat te vervolgen, onze gezel achterna.

Wij waren blijven staan en sloegen met open mond het schouwspel gade. Tot daar dan toch iemand vanaf het boerenerf begon te roepen. Waarop de hond halt hield. Net voor het moment waarop wij vreesden dat het dier zijn, allicht scherpe tanden, in onze maat zijn dunne onderbeen zou zetten.

We zagen dat de hond met tegenzin terug naar het boerenerf liep, waar zijn boos baasje hem vloekend stond op te wachten. Wij hadden geen tijd om te talmen, omdat we dan vast te laat op school zouden arriveren. Iets wat toen nog niemand van ons drieën durfde te riskeren. We waren blij dat dit avontuur goed was afgelopen en haastten ons naar school. Zelfs met de beste wil van de wereld kan ik me niet meer herinneren of we die kwaaie hond naderhand nog ooit hebben teruggezien.

*****

Toen ik een jaartje ouder was reed ik huiswaarts met een buurjongen die, na een mislukt avontuur in een andere onderwijsinstelling, inmiddels ook les volgde aan dezelfde school als mij. We reden op een asfaltbaan waar we, zeker op dat tijdstip, nauwelijks andere weggebruikers tegenkwamen. Op het lange stuk rechte baan waar we ons op voortbewogen, reden we gezapig naast elkaar. Ik uiterst rechts en mijn maat links van me. Mijn handen hield ik in de zakken van mijn jas. Zo bleven ze lekker warm. En kon ik rechtop gezeten fietsen. Iets wat ik veel liever deed dan zo in een onnatuurlijke, gebogen houding zoals je normaliter op een jongensfiets hoort te zitten.

We waren druk in gesprek over de dingen die ons boeiden: motorfietsen, uitgaan, meisjes en andere typisch puberale interesses. Op een gegeven moment mompelde mijn maat iets en ging vervolgens voor me rijden. "Wat heeft die nu ineens?" dacht ik nog, terwijl ik verwonderd zijn actie gadesloeg. Waarop ik mijn hoofd naar links draaide, en daar het gezicht ontwaarde van een kerel met een kepie op het hoofd. Een politieagent, zo bleek. Die het portierraampje van, wat even later een politiecombi bleek te zijn, had naar beneden gedraaid. Manueel, want toen ging dat nog niet elektrisch.

Wel lichtjes geschrokken, maar me van geen kwaad bewust, bleef ik gewoon rustig verder fietsen... zonder handen. Tot die agent me vroeg om even halt te houden. Wat ik dan uiteraard ook terstond deed. Want de bevelen van een 'man van de wet' behoor je nu eenmaal op te volgen, zo wist ik.

Om mijn fiets af te remmen had ik uiteraard reeds de handen uit mijn zakken gehaald en op mijn fietsstuur geplaatst. De chauffeur van de camionette, een collega van de agent die me had aangesproken, zette het voertuig niet aan de kant. Neen, ze bleven gewoon stilstaan op de rijweg, naast mij. Ik keek naar de politieman, verwachtend een blaam te krijgen voor het naast elkaar rijden, maar dan hadden ze wel de verkeerde te pakken, want het was mijn maat die aan de kant van het wegverkeer had gereden. Hadden die pipo's dat dan niet gezien?

Maar de overtreding die ik had begaan en waar de agent me voor berispte was het zonder handen rijden. Verboden en gevaarlijk, zo maakte hij me diets. De kerel haalde een schriftje te voorschijn, zodat ik dacht 'prijs' te hebben, zoals wij in die tijd in onze streek het 'krijgen' van een boete cynisch uitdrukten.

Mijn naam werd me gevraagd en ook mijn adres. Braaf gaf ik die man de gevraagde en bovendien ook juiste informatie. De geüniformeerde figuur noteerde alles maar legde, tot mijn verbazing, vervolgens het boekje naast zich neer en zei me dat hij het deze keer bij een 'waarschuwing' zou laten. Maar dat ik moest ophouden met dat zonder handen te rijden. In het belang van mijn eigen veiligheid en dat van de andere weggebruikers. En ook al omdat hij de volgende keer dat hij me zou betrappen op deze verkeersovertreding, me een P.V. zou toebedelen.

Opgelucht stamelde ik iets van het te hebben begrepen en een bedankt. Waarna de agenten me nog ten afscheid groetten en terug verder reden. Ik keek de wegrijdende politiecombi na en zette vervolgens mijn fiets en daarmee ook mezelf, terug in beweging. En reed tot bij mijn maat. Die, van enkele tientallen meters verder, de gebeurtenissen nauwlettend had gevolgd. En die me nu bezorgd vroeg of ik een boete 'aan mijn rekker' had. Toen ik hem kon geruststellen enkel een verwittiging te hebben gekregen, vervolgden we beiden glimlachend onze rit. Terug naast elkaar, maar alle twee met de handen op het stuur!

Thuis durfde ik over het voorval niks te zeggen. Bang voor een uitbrander van mijn ouders. De eerstvolgende dagen liep ik evenwel rond met een bang hart. Vrezend dat die flikken hetzij me alsnog een boete zouden bezorgen, hetzij een schriftelijke bevestiging van mijn 'vergrijp' bij mijn ouders zouden laten toekomen. Wat allemaal kon, want ik had hen immers mijn naam en adres gegeven. Maar ik had geluk. Ze hielden woord, dus lieten mij met rust. En ik ben nooit meer 'gesnapt' bij het zonder handen rijden, alhoewel ik het ook nadien nog vaak heb gedaan.

*****

Ik herinner mij het door een meester in de lagere school vertelde verhaal van een jongen die, ook al fietsend zonder handen, door een politieagent werd tegengehouden. Die terstond die gast zijn stuur van de fiets haalde. Omdat die jongeman dat blijkbaar toch niet nodig had. Hij mocht zijn weg naar huis vervolgen en werd aangemaand om, samen met zijn vader, zijn fietsstuur af te komen halen op het lokaal politiekantoor.

Aangezien die jongen veel te laat thuiskwam, want hij had dat laatste stuk weg naar huis immers te voet moeten afleggen, omdat je met een fiets zonder stuur niet kan rijden, en hij daarenboven ook een verklaring moest geven voor het geamputeerd zijn van zijn tweewieler, was hij wel genoodzaakt geweest zijn ouders over het gebeurde in te lichten. De pa gaf zoonlief 'onder zijn voeten', maar bleef wijselijk weg van het politiekantoor. Er geen zin in hebbend daar een preek te moeten aanhoren over het gedrag van zijn zoon. En ook bang om alsnog een boete te krijgen voor het vergrijp. Hij verkoos het zekere voor het onzekere en ging bij de fietsenmaker een nieuw stuur kopen voor het rijwiel van de zoon. Liever opterend voor de onmiddellijke kleine kost dan het risico te lopen op een grote!

Rudi, 8 februari 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 2 mei 2010.

02-05-10

De avonturen van Rudi & Co - De fietser fietst verder

   

Vorig weekend ben ik nog eens naar buiten gekomen. Na al sinds meer dan een week de vier muren van mijn multifunctionele verblijfsruimte niet te hebben verlaten, ten gevolge van de ongunstige weersomstandigheden en staat van de weg. Zaterdag jongstleden leek het me doenbaar en die ochtend reed ik dus naar de bibliotheek om er een voorraad stripverhalen en boeken op te slaan, als leesvoer voor mijn kroost. Een assistente vergezelde mij, want in mijn eentje kan ik in de bib maar bitter weinig uitrichten. Bovendien moest ik warm ingeduffeld worden vooraleer mijn goed verwarmde leefruimte te ruilen voor de koude buitenlucht.

Op onze terugweg werden mijn achter mij fietsende assistente en ikzelf voorbijgestoken door een zich snel voortbewegende mountainbike berijder. Hij was, om zijn snelheid niet te hoeven verminderen, op een strookje gras gaan rijden, dat het fietspad scheidt van de parkeerstrook naast een drukke rijbaan. Onder het ons passeren zei hij iets dat ik evenwel niet verstond. En een meter of twee verder bleef de sportieveling met één van de wielen van zijn fiets steken in de greppel naast het betonnen fietspad en vloog van zijn rijwiel. De man, die gelukkig een helm droeg, kwam na een rolbeweging van zijn lichaam over de betonstrook, in foetushouding in de andere grasstrook naast de fietsbaan terecht en net niet in de gracht ernaast.

Ik hield halt en vroeg de man onmiddellijk naar hoe het met hem was gesteld. Hij antwoordde evenwel niet, maar veerde op, onder het slaken van een vloek, die ik echter hier niet ga herhalen. Wegens nogal godslasterend. En ik wil mijn gelovige lezers eens een keer ontzien. Die fietser stond dus recht, boog zich terstond over zijn rijwiel, dat daar werkloos het fietspad versperde. Doch slechts heel even, want de eigenaar zette het recht, schudde er eens duchtig aan, sprong gezwind op het stalen ros en reed er snel mee vandoor. Om evenwel slechts enkele meters verder terug van zijn nog bollende mountainbike te springen, gehurkt zittend aan trapper en achterwiel te rutselen en vervolgens opnieuw het mobiliteitsmiddel te bestijgen. Waarna de, in een bij deze sport horende outfit uitgedoste fietser, vrij snel uit ons gezichtsveld verdween.

Dat een fietser valt, waarbij zij of hij zichzelf doorgaans bezeerd en waarna er vaak ook materiaalpanne is, dat wens ik niemand toe. Maar ik stel vast dat er vele fietsers zijn die de valpartij zelf uitlokken, het onheil opzoeken. Dat kinderen onveilig rijden, daar is, hoe zeer ik zulks ook schuw, de verschoningsgrond van hun jeugdigheid en onervarenheid. Maar volwassenen die met hun vrijetijdsfiets geen geduld hebben om een andere fietser op een daartoe geschikte plek te passeren, maar hun fietsbel laten rinkelen en verwachten dat hun voorligger terstond naar rechts uitwijkt, zodat zij deze, zonder vaart te minderen, ongehinderd kunnen passeren, dat vind ik arrogant, onveilig en bijgevolg ontoelaatbaar!

Er is ook het fenomeen van de wielrenners of mountainbikers, amateurs of professionelen op training, die zich tegen hoge snelheid over de fietspaden voortbewegen en gedragen alsof zijn er de alleenheerser over zijn. En van iedere andere weggebruiker verwachten dat die baan ruimt op het moment dat zij in aantocht zijn. En onbeleefde opmerkingen maken tegen degene die dat niet doet, of niet snel genoeg. Als ik die domme, onbeschofte kerels, want het zijn doorgaans mannen, bezig zie, dan hoop ik steeds dat ze geen ongeval veroorzaken. Waarbij, door hun onbehoorlijk rijgedrag, onschuldige slachtoffers vallen.

Om af te sluiten met een positieve noot wens ik op te merken dat er ook veel hoffelijke personen zijn onder de verschillende types van fietser. Mensen die elkaar  spontaan ruimte bieden, fietsers die degene die voor hen rijdt vriendelijk verzoeken om deze te mogen passeren, fietsers die de persoon die hen vrije doorgang verleent danken, waarop de andere antwoord dat met graagte te hebben gedaan... Situaties waarbij ook ik soms één van de personages ben in het scenario. En wees eerlijk, je door het leven bewegen en je medemens bejegenen op een niet opgefokte manier, maar daarentegen beschaafd, gemoedelijk en aardig, is toch voor alle partijen de meest aangename omgangsvorm?!

Rudi, 21 januari 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 26 april 2010.

05-03-10

De avonturen van Rudi & Co - Ontmoeting met een oud-bekende

  

Een jaar na mijn geheel ongepland en ononderbroken anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, was ik thuis eindelijk in die mate georganiseerd dat ik mijn toen zesjarige tweeling elke ochtend naar school kon brengen.

Doorgaans zat er dan één van hen op mijn schoot, terwijl de andere op mijn voeten zat, op één van mijn armsteunen of zich liet vervoeren door achteraan op het chassis van mijn zware elektrische rolstoel te gaan staan. En soms stapten mijn jongens gewoon allebei naast me mee. Met één handje de leuning van die voor mij zo onontbeerlijke machine vasthoudend. Mensen, wat genoot ik ervan deze taak te kunnen uitvoeren. Je kinderen naar school begeleiden zie ik trouwens niet zozeer als een plicht, maar eerder en vooral als een voorrecht!

De weg naar huis legde ik af tegen het verkeer in. De 3-vaks rijweg oversteken ter hoogte van onze woning was immers onverantwoord wegens levensgevaarlijk door het snelle, vaak roekeloze auto-, motor- en vrachtverkeer.

Tijdens één van die eerste terugritten botste ik bijna tegen een fietsende dame aan. Die wel in de juiste richting reed! Ze zat voorovergebogen op haar, vooraan het stuur van een mandje voorziene, conventionele damesfiets. En duwde met haar voeten naarstig op de trappers. Waarschijnlijk was die gehaast om tijdig op haar werk te verschijnen.

Was het daardoor dat ze geen teken van herkenning uitte? Volgens mij was dit immers de moeder van een schoolvriend uit mijn kinderjaren. Zelf knikte ik haar vriendelijk toe, maar van de dame haar gezicht, half verscholen achter een lange, enigszins krullende en vrij warrige haardos, was geen enkele expressie af te lezen.

Wat een verschil met vroeger! Want naar ik mij herinnerde was dat een heel praatgrage dame. Die steeds met luide stem elkeen die ze kende, van verre toeriep. En als ze, tussen haar steeds weer gehaast met de fiets van hot naar her rijden voor werk, boodschappen, familiebezoek of wat dan ook, zelfs maar even de tijd had, dan liet ze deze gelegenheid nooit onbenut om een praatje te slaan.

Maar mogelijks was er daar met het ouder worden enige verandering in gekomen. Niet erg waarschijnlijk en vanzelfsprekend, maar klaarblijkelijk toch wel het geval. Tijden veranderen en zo soms ook mensen. En aangezien mijn voorlaatste ontmoeting met mijn jeugdvriend zijn moeder reeds van misschien wel 20 jaar eerder dateerde, kon er in die tijdspanne veel zijn gebeurd, dat had geleid tot een plotse, of geleidelijke gedragswijziging. En ook lichamelijke wijziging. Want ze leek me kleiner dan in mijn herinneringen. Maar dat kon zijn omdat ik toen zelf een klein mannetje was, en dan lijkt elke volwassene een reus. Of anders kwam dat misschien omdat ze inmiddels van ouderdom was gekrompen, of allicht een combinatie van deze factoren, aangevuld met een niet geheel juiste memorie.

Vanaf die dag zag ik de vrouw vrij vaak. Meestal 's ochtends omstreeks half negen, maar soms ook op andere tijdstippen. En telkens weer zei ik haar vriendelijk gedag, of lachte haar op zijn minst beleefd toe of knikte met mijn hoofd. Altijd leek ze gehaast. En me aanspreken deed ze nimmer. Maar na enkele passages, waarbij we elkaar kruisten, vertoonde ze uiteindelijk toch tekens van herkenning en begon ze mijn begroeting te beantwoorden. Non-verbaal evenwel.

Raar is het feit dat ik deze vrouw nooit elders tegenkwam en zich nimmer anders voortbewegend zag dan op haar blijkbaar onafscheidelijke fiets. Dus wat er in al die jaren nooit gebeurde was bijvoorbeeld haar aantreffen terwijl ze te voet door de straten slenterde op de wekelijkse openbare marktdag. Of met een winkelkarretje struinend door de gangen van één van onze lokale supermarkten of een andere winkel, waar ik mezelf met mijn vehikel kon in voortbewegen.

Maar zo verwonderlijk was dat dan ook weer niet. Want de dame was steeds nogal sociaal geëngageerd geweest in het dorp waar ik mijn jeugd doorbracht. Een deelgemeente van de stad waar ik woon en leef, sinds ik 'groot' ben. Mogelijks deed zij al haar inkopen lokaal en kwam ze slechts naar 'de grote stad' om haar werk uit te oefenen. Kuisen bij particulieren of op scholen, zo meende ik mij te herinneren.

Enkele jaren na die hiervoor beschreven hernieuwde ontmoeting reed ik, op een zonnige lentedag, aan een gezapig tempo, over het marktplein van mijn woonplaats, toen ik iemand mijn voornaam hoorde roepen. Een uiterst herkenbare zware vrouwenstem. Ik draaide mij met mijn rolstoel in de richting van waar het geluid afkomstig was. En daar stond ze dan!  Mijn jeugdvriend zijn ma! Maar niet in de gedaante van de persoon van wie ik reeds sinds jaren aannam dat zij het was. Het plaatje klopte nochtans redelijk goed. Een warrige haardos en de fiets aan de hand! Maar ze was niet gekrompen. En haar fiets was weliswaar ook een oud model, maar zonder mandje aan het stuur. Het vehikel was evenwel uitgerust met twee flinke fietstassen. Eén aan elke zijde van het fietsstoeltje, zoals het hoort.

Mijn oud-maat zijn ma was nog even joviaal als in mijn verste herinneringen. Ze vroeg me hoe ik het stelde. In dat sappige, gekke dialect van haar. Niet de streektaal van de gemeente waar ze toen reeds sinds tientallen jaren woonde, maar in deze van de plaats van waar ze oorspronkelijk vandaan komt en haar jeugd doorbracht.

In antwoord op mijn vraag, bracht ze me op de hoogte van de toenmalige conditie van haar zoon en daarna wisselden we nog wat woorden uit. Maar veel tijd om te babbelen had ze niet, want ze had net gedaan met haar dagelijkse werk als kuisvrouw in een middelbare school in de buurt en moest er snel vandoor om nog vlug wat boodschappen te doen en toch tijdig thuis te zijn en klaar met het bereiden van het avondeten, tegen het moment dat haar man zou thuiskomen van zijn werk.

Bij het wat later naar huis rijden moest het toch wel lukken dat, toen ik bijna de oprit van mijn woning had bereikt, vanuit de tegenovergestelde richting die dame kwam aangespurt, waarvan ik tot dan toe abusievelijk had aangenomen dat het de mama was van mijn vroegere school- en speelkameraad.

Tegen het moment dat ik had beslist of ik die dame nu zou blijven groeten als was het een oud-bekende, wat ze, zoals een goed uur daarvoor was bewezen, duidelijk niet was, of haar vanaf nu straal zou negeren, was het vrouwmens me al lang gepasseerd. Ze had me bij het voorbijrijden slechts een zuinige glimlach toegeworpen en vroeg zich nu waarschijnlijk af waarom ik haar voor het eerst in al die jaren geen gedag zei.

Tot op de dag van vandaag rijdt de fietsende dame nog regelmatig voorbij mijn huis. Wie ze is, waar ze woont en naar welke bestemming ze zich dan telkens weer zo haastig spoedt, daar heb ik het raden naar. En het interesseert mij ook helemaal niet. Maar na die ene dag, waarop de verwarring mij even in haar greep hield, ben ik deze onbekende fietsster, op momenten dat ze mijn pad kruist, iets minder uitbundig, maar toch gewoonweg beleefd, gedag blijven knikken.

Rudi, 27 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 februari 2010.

29-11-09

Rudi's ontboezemingen - Vrouwen

 

Vrouwen. "Ze zijn soms zo moeilijk te begrijpen", hoor je vaak zeggen. Door mannen, vooral. "Dat is omdat die kutwijven van een andere planeet komen dan wij, fijne venten!" zo hoorde ik in mijn prille kindertijd ooit eens zeggen, toen ik mij, onopgemerkt, in het gezelschap bevond van enkele oudere buurjongens. Die reeds op een leeftijd waren aanbeland waarop ze hun eerste echte liefdesavonturen beleefden.

Dat was dus tevens het moment waarop ik te weten kwam dat wij, in tegenstelling tot wat mijn pa me had verteld, niet uit de kolen komen. Waarna ik concludeerde dat het andere verhaal over onze afkomst, dat de ronde deed, dan allicht toch geen verzinsel was, zoals mijn pa nochtans beweerde. Zouden kindjes dan toch door de ooievaar worden afgeleverd? Al naargelang het om een jongen of een meisje gaat, vanaf verschillende hemellichamen, naar de verwachtingsvolle ouders op aarde gebracht? Ferme vogels, als die veronderstelling juist zou zijn. Maar was het inderdaad zo? En hoe zou die bestelling dan in haar werk gaan? Dat vroeg ik mij af, als kleine rakker. Die grote jongens wisten vast het antwoord wel. Maar ik durfde het hen niet te vragen.

Dat het vrouwvolk een moeizaam te bevatten soort is, dat heb ik inmiddels zelf ook wel begrepen. Bij een jongedame, waar ik als rijpe twintiger een innige relatie mee had, liet ik ooit eens een gigantisch boeket rode & witte rozen bezorgen. Ter gelegenheid van haar verjaardag was dat. Maar dat meisje was nog niet content. De bloemen en het ornament er rond vond het wicht ontzettend mooi. Maar de door de koerier bijgeleverde rekening was er voor haar te veel aan.

Ja zeg, kon ik er aan doen dat ik op dat moment op zwart zaad zat omdat al mijn geld er was doorgedraaid door haar voorgangster? Zeggen ze niet: "Het is het gebaar dat telt?' En ik was in elk geval mijn liefste haar geboortedag niet vergeten! Belachelijk was het, dat ze struikelde over die futiliteit van het zelf moeten betalen van die klote bloemen.

Toen ik als adolescent eens met mijn fiets huiswaarts reed, zag ik aan de overkant van de drievaksbaan een fantastisch mooi meisje staan. En daarenboven uiterst sexy gekleed. Naar mijn normen, in elk geval. Een glanzend zwart rokje dat tot midden haar bovenbenen reikte, zwarte kniekousen, bordeaux laarsjes en een blazer in dezelfde kleur. Een zwart tasje hing op heuphoogte, op die plaats gehouden door een dunne schouderriem. De kastanjebruine steile haardos lag gedrapeerd over de schone deerne haar hals en schouders.

Potverdikke! Mijn hormonen noopten mij tot actie! Dus reed ik verder tot aan het eerstvolgende kruispunt. Alwaar ik, bij groen licht, in plaats van rechts af te slaan, richting ouderlijk huis, links de baan overstak. En rustig terug fietste in de richting van de plaats waar die wachtende schoonheid stond.

Eens ter hoogte van haar standplaats gearriveerd, hield ik halt. Richtte mij op van mijn fietsstuur en lachte het meisje, dat bij mijn aankomst een pas had achteruit gezet, liefdevol toe. Ze keek me met haar bruine ogen verbaast en vragend aan. Maar niet geschokt of verschrikt. Dat viel dus al mee. Mijn God, van dichtbij was deze griet nog veel mooier dan van veraf! Een prachtig gevormd gezichtje met een lichtbruine gelaatskleur. Geen make-up. Niet nodig! Maar ze had wel een vleugje parfum op haar welgevormde lichaam gespoten. Daardoor rook het schatje uiterst zwoel. Zelfs van op die anderhalve meter afstand die ons beiden van elkaar scheidde.

Met mijn meest vriendelijke en verleidelijke stem zei ik: "Hopelijk heb ik je niet te lang laten wachten?" Het meisje keek me niet begrijpend aan. En opende haar mond. Maar vooraleer ze iets kon zeggen, vervolgde ik: "Ik ben jouw droomprins op het witte paard. Nu ja, een stalen ros, en in een rode kleur, maar in elk geval de man die is voorbestemd om met jou het leven te delen!"

Oef! Dat was er allemaal vlot, en zonder al te veel nadenken, uitgekomen! Verwachtingsvol keek ik het meisje aan. Dat stond daar met haar lieve snoet in mijn richting te kijken, met haar mondje vol perfecte parelwitte tanden!

Een antwoord heb ik niet gekregen. En deze ontmoeting is helaas op niks uitgedraaid. Want toen dat meisje haar, naar ik vermoed echte prins, opdaagde, een nogal potige kerel met een hoekig gezicht, zich verplaatsend in een grijze Jeep, maakte ik mij snel met mijn fiets uit de voeten!

Ru(sh)di(e), 17 april 2009 (publicatie op 30 mei 2009 op de blog 'Rudi's kijk op de wereld') - revisie & aanvulling op 29 november 2009.

19-10-09

Heden & verleden - Crossfiets

 

Mijn zoon Austin heeft zich een BMX aangeschaft. Met zijn eigen spaarcenten en met goedkeuring van zijn ouders. Hij was reeds enkele jaren aan het twijfelen of hij nu ging sparen voor een laptop of voor een stalen ros. Uiteindelijk is het dus een BMX geworden. Kost bovendien slechts de helft van een schootcomputer, zodat de jongen het saldo van zijn spaargeld verder kan aandikken om op een later tijdstip alsnog een laptop aan te kopen.

BMX'en is opnieuw een rage aan het worden. Jongeren, voor zover mij bekend haast uitsluitend jongens, en uit alle milieus, groepen samen om op heuvelachtig terrein te crossen, over bulten en zelf aangemaakte schansen te springen en trucjes uit te halen. Een heel sociaal gebeuren dus, en een sport die bovendien voornamelijk buiten wordt beoefend.

Het enige minpunt vind ik het feit dat die BMX'en niet volledig conform de wegcode zijn uitgerust. Een fietsbel ontbreekt bijvoorbeeld, en reflectoren eveneens. Dat er op (laten) plaatsen vinden die jongelui 'niet kunnen.' Derhalve laat ik mijn zoon slechts met tegenzin met zijn BMX over de openbare weg naar het crossterrein rijden. Maar ja, hoe moet hij er anders geraken?

Het is wel leuk om te zien hoe de jongen, vooraleer hij zich naar het lokale crossterrein begeeft, eerst op YouTube gepubliceerde filmpjes bekijkt, met daarop voorbeelden van sprongen, trucs, bewegingen... Het gebeurt ook dat Austin in onze eigen achtertuin aan het 'trainen' is en opeens naar binnen komt gelopen met het verzoek snel even op mijn laptop naar een filmpje te mogen kijken om te zien hoe een bepaalde truc of beweging alweer dient te worden uitgevoerd.

Helemaal achterin onze tuin, tussen twee rijen sparren, heeft hij, samen met zijn broer en een aantal vrienden, een eigen parcours mogen aanleggen. Met een verhoog van zowat een meter, van waarop ze starten, een aanloopzone van een meter of tien en dan een diepte van een halve meter , een hoogte van vijftig centimeter, weer een diepte en nog een hoogte. De kunst is om, met de gepaste snelheid, de BMX, bij het nemen van de eerste hoogte, zo ver de lucht in te krijgen dat de volgende diepte en hoogte, al zwevend in de lucht worden overbrugd en er, zonder vallen, veilig en wel, op twee wielen wordt geland, op het vlakke stuk grond erachter.

Tijdens mijn prille jeugdjaren had ik een zelfgemaakte crossfiets. De basis was een afgedankte, roestige witte minifiets van mijn oudste zus. Je kent dat wel, zo een compacte fiets die bovendien kon worden dubbelgevouwen. Samen met mijn pa had ik op de schuine buis de brandstoftank gemonteerd van zijn ook al afgeschreven antieke motorfiets. En als zitting had ik een lang, grijs zadel dat eveneens van een motorfiets afkomstig was. En met een aangepast hoog stuur en een grote koplamp erbij, had ik een ferme crossfiets!

Je had mij in die tijd in onze tuin moeten zien rijden. Met mijn ook ouderwetse blauwe motorhelm op met een witte middenstreep; Die had lederen oorflappen, die met een sluiting onderaan de kin het ding op mijn hoofd hielden. Mijn plastieken stofbril completeerde het geheel! Op zondagen ging ik dikwijls met mijn vader naar de motorcross kijken. We konden na de prijsuitreiking voor mij part niet snel genoeg terug thuis zijn, zodat ik met mijn crossfiets de wedstrijd kon naspelen. Ik zette zelfs heuse parcours uit. Ik klopte stalen pinnen in de grond, verbond deze met touwen en hing zelfs hier en daar lintjes.

Omstreeks het begin van de jaren tachtig werd BMX crossfietsen een tijdje populair in onze contreien. Her en der werden er teams gevormd, clubs opgericht en wedstrijden georganiseerd. Veelal kwamen de jonge sporters uit het motorcrossmilieu. Met mijn pa ben ik nog naar enkele wedstrijden gaan kijken. In het eerste jaar middelbare school had ik trouwens ook een klasgenoot die in zulke crossen meereed.

Moest mijn lichaam, heden ten dage, als gevolg van dat geklungel van die chirurg, niet zo willoos zijn, ik zou toch wel eens stiekem op Austin zijn BMX durven kruipen. Terwijl de jongen naar school of om een andere reden thuis afwezig is. Om evenwicht- en andere kunstjes uit te proberen, want zulke dingen lijken me leuk. Omwille van de eerder aangehaalde reden zal het BMX'en evenwel in mijn dromen moeten geschieden. Wat dan weer als voordeel heeft dat ik er niet mee moet wachten tot mijn zoon er een keertje niet is!

Rudi, 6 maart 2009 (revisie op 14 oktober 2009)

09-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - voertuigperikelen en andere ervaringen

 

Mijn middelbare schooltijd bracht ik door op een tamelijk grote school. Nogal wat leerlingen kwamen daar met de fiets naar school. Derhalve waren een aantal oude fabrieksgebouwen tegenover de school, aangekocht door de inrichtende macht van deze onderwijsinstelling, en ingericht als fietsenbergplaats.

Op zekere dag liep ik, na schooltijd, met enkele van mijn klasgenoten, druk pratend en in een uitgelaten stemming, richting fietsenstalling. Mijn makkers hadden al snel hun fiets te pakken, riepen nog iets ten afscheid en bolden naar buiten, huiswaarts.

Ik daarentegen liep voor de zoveelste keer alle gangen op en af, zonder mijn rijwiel te vinden. Iedereen haalde zijn fiets van de haak waaraan deze was opgehangen, zodat de opbergplaats vrij snel leeg begon te raken. Slechts enkel hier en daar was nog een opgehangen fiets te bemerken en de eigenaar die zich er heen bewoog.

Ik begon lichtjes in paniek te geraken. Tot ik mij dan toch herinnerde die dag met de bromfiets naar school te zijn gekomen. En dat gemotoriseerd stalen ros had ik aan het station geparkeerd.

Tja, zoiets kan gebeuren als je een verstrooid persoon bent, in het bezit van een derdehands motorvoertuig, dat meer op stal staat omwille van alweer een panne, dan dat je er gebruik van kan maken om je te verplaatsen.

Dat was trouwens nogal eens een tijd. Telkens als ik er met mijn brommer op uit trok, nam ik een heel arsenaal werktuigen en hulpmiddelen mee. Weggestopt in de ruimte onder mijn zadel, en in de zakken van mijn motorvest. Schroevendraaiers, een els, een bougiesleutel. Schuurpapier, een stuk ijzerdraad en reservelampjes. Die laatste had ik dikwijls nodig want mijn bromfietslampen sprongen nogal gewillig. Geregeld stond ik aan de kant van de weg te prutsen aan mijn machine. Maar altijd ben ik er mee thuis geraakt!

Als prille twintiger kon ik me gelukkig de aankoop van een nieuwe auto permitteren. Niks wees er toen op dat ik tien jaar later ook gedurig aan dit voertuig zou moeten sleutelen om het op de baan te houden. Maar dat is een ander verhaal. Voor een volgende keer.

Gedurende zowat een half jaar betrok ik met mijn vriendin een appartement in een Belgische provinciehoofdstad. Op zekere doordeweekse avond, besloten we naar de bioscoop te gaan. We reden met de auto vanaf onze verblijfplaats in de randstad, tot in het centrum.

In de centrumstraten vond ik niet meteen een parkeerplaats. Daarom reed ik binnen in een ondergrondse parkeergarage, in de buurt van het station. We kozen een aardige film uit. Welke dat was, kan ik me niet meer herinneren. Allicht viel ik, als naar gewoonte, halverwege de vertoning in slaap. Niet uit verveling, maar van vermoeidheid. Toentertijd had ik immers een bijzonder druk beroepsleven.

Na de film was ik in ieder geval klaarwakker, want ik stelde mijn partner voor om ergens in een café nog een slaapmutsje te gaan drinken. Toen ik een tweede drankje bestelde, attendeerde mijn vriendin me op het sluitingsuur van de ondergrondse autostalling. Ik was er echter van overtuigd dat die voor middernacht niet dicht ging.

Toen we een half uurtje later de gezellige, warme kroeg verlieten en we in de koele avondlucht terechtkwamen, overviel me een onheilspellend gevoel. Samen met mijn liefste spoedde ik mij door de verlaten straten, in de richting van de parkeergarage.

Het geluk lachte ons toe... dacht ik. Een auto kwam uit de garage gereden. De laatste voor die avond, zo werd even later duidelijk. Wij geraakten er niet méér binnen, laat staan dat ik de auto er buiten zou krijgen. Ik had me wel degelijk vergist. Op weekdagen was deze publieke garage bijlange na niet zo lang open als in het weekend, het moment waarop ik er dikwijls gebruik van maakte.

Dan maar met de tram naar huis, zei mijn partner. De auto stond daar veilig. We zouden die de volgende dag wel komen ophalen. Er zou wel veel moeten betaald worden, maar er zat niks anders op. We haastten ons dus in de richting van de dichtstbijzijnde tramhalte. Wat een geluk: daar stond net een tramstel. Maar tegen het moment dat we er aankwamen, was dat helaas al terug doorgereden.

En het was onze laatste kans geweest, zo bleek bij het overlopen van het in het tramhokje opgehangen rittenrooster. Er zat dus niks anders op dan te voet naar huis te keren. Dat had uiteraard ook zijn charme. We hadden onze avond evenwel liever op een andere manier afgesloten.

De volgende ochtend waren we vroeg uit de veren. We namen aan de halte, vlak voor onze deur, de tram naar het centrum en reden een dik half uur later met de auto de parkeergarage uit.

In zo een grote stad zie je trouwens soms rare dingen gebeuren. Zo zat ik eens op een zondagochtend in de auto te wachten, terwijl mijn partner bij de bakker stond aan te schuiven voor broodjes. Ik had er eerst géén erg in, maar toen ik op een raam een foto zag hangen van een halfnaakte dame met pluimen in haar achterste, realiseerde ik me dat we ons in een buurt bevonden waarin nogal wat cabaretzaken zijn gevestigd. Dat zijn trouwens veelal verdoken bordelen. Weet ik 'van horen zeggen'.

Plots zag ik daar, op de eerste verdieping van zo een etablissement, een raam open gaan. Een schichtig kijkende kerel verscheen in het vizier. Met zijn jas in de hand. Hij keek snel naar links en rechts, en vervolgens naar onder. Toen gooide de man één been naar buiten en wrong daarna ook zijn tweede been door de raamopening, zodat hij op de vensterbank kwam te zitten. Eén tel later duwde hij zich af en belandde meteen daarna op het trottoir.

De kerel stelde zich recht, stofte zijn kleren af en deed zijn jas aan. Hij keek nog één maal rondom zich en dan naar de gevel en het raam waarlangs hij het gebouw had verlaten. Vervolgens ging de man er haastig van door. De vraag of naderhand de achtervolging werd ingezet door iemand van het variététheater, moet ik helaas onbeantwoord laten, want inmiddels was mijn lief daar al, met een zak zalig ruikende verse broodjes, die we zo snel mogelijk thuis wilden gaan verorberen.

Ru(sh)di(e), 23 april 2006 (revisie op 1 mei 2009)

25-04-09

Rudi's overdenkingen - Communie

 

Mijn twee jongens doen binnenkort hun eerste communie. Uiteraard hoort bij deze heugelijke dag aangepaste kledij. En de tweeling prefereert een klassiek maatpak! In zwarte kleur. Met een wit hemd eronder en een das. En witte kousen en zwarte schoenen om hun uitrusting compleet te maken.

Wat ik me van mijn eigen Eerste Communie vooral herinner is het feit dat ik persé een bruin kostuum wou. En zéker een broek met lange pijpen. Fier dat ik was! Gekleed te zijn zoals een grote mens. Een bruin kostuumpje, en een bruine vlinderdas. Mijn vader had toen net zijn eerste auto aangekocht: een witte Simca 1100. Blij dat ik was dat ik, als een echte heer,in dat voertuig naar en van de kerk zou worden gevoerd.

In datzelfde jaar, met een week of twee verschil ertussen, deed mijn oudste zus haar Plechtige Communie. Dus waren er in de lente van dat jaar bij ons twee in huis die opgewonden een grote dag afwachtten. En toen die dag er eindelijk was heb ik er enorm van genoten en me uitermate geamuseerd.

Het begon al héél vroeg in de ochtend. Nog gekleed in mijn pyjama sloop ik het huis uit en ging ik onze brievenbus inspecteren om te zien of er al gelukwenstelegrammen in waren gedeponeerd. En ja hoor. Verschillende zelfs. Waarschijnlijk reeds de vorige avond daar in gestopt. En terwijl mijn mama me aan het aankleden was, keken mijn twee zussen door de kleine ruitjes van het vensterraam in onze woonkamer toe, of er nog meer wenskaarten werden gepost.

En dat gebeurde inderdaad. De gelegenheidstelegrammen bleven toestromen. Eens aangekleed ging ik ze halen. En, bij het openen van elke envelop, hoopte ik telkens weer dat het er één 'met voering' zou zijn. Een uitdrukking om aan te geven dat er geld tussen het kaartje stak. In die tijd bestonden er nog briefjes van twintig en vijftig Belgische Franken, tot voor een dik jaar onze Nationale munt. Deze informatie ten behoeve van de mensen die reeds zo in de Euro zijn opgegaan, dat ze misschien vergeten zijn dat we daarvoor ook al een betaalmiddel hadden.

Toentertijd was het nog de gewoonte om op de dag van je Communie samen met je ouders bij familie, buren en kennissen op bezoek te gaan. Dat deden we dan ook. Mijn zussen en mijn enkele maanden daarvoor geboren broer brachten de dag door bij een tante en ik ging met mijn ouders de baan op. Reeds onmiddellijk na de viering in de kerk begonnen we daarmee. 's Middags gingen we even naar huis om te lunchen, waarna we onze rit verder zetten.

Dat op visite gaan vond ik enorm plezant. Iedereen zei dat ik er beeldig uitzag en overal kreeg ik wel een cadeautje of wat geld. Bovendien mocht ik voor het eerst in mijn jonge leven iets drinken waar alcohol inzat. Samen met mama, en veelal ook de gastvrouw: rode Martini. Mijn vader opteerde dan meestal voor iets sterkers, of dronk een pintje. En de gastheer volgde hem doorgaans in zijn keuze.

De posten die we die zondag wegens tijdsgebrek niet konden aandoen, deed ik een paar weken later, samen met mijn zus, die dan reeds haar plechtige communie gedaan had en bijgevolg ook haar ronde mocht doen

Toen ikzelf zes jaar later mijn doopgeloften voor de tweede maal hernieuwde, was dat in een donkerblauw pak. Met een plastron dit maal. Maar, O Wee! We moesten, om uniform gekleed te zijn, allemaal een wit paterskleed aantrekken boven onze kledij en een joekel van een kruis omheen onze nek hangen. Ik, en zeer velen met mij, zag dat helemaal niet zitten, maar wij, snotneuzen hadden helemaal géén inspraak en dienden gedwee te doen wat de parochiepriester had beslist. Een pij aantrekken dus!

Op de koop toe had de dorpsfotograaf naderhand een foto van mij, in monnikskleed, als reclame voor zijn fotografeertalent, in de etalage van zijn winkel gezet. Als ik nu naar die foto kijk, kan ik er best inkomen waarom. Ik zag er inderdaad mooi uit in die habijt. Maar als bijna twaalfjarige vond ik het helemaal niet prettig om mezelf voor jan en alleman geëtaleerd te zien in een kleed.

Ook deze communiedag verliep op een zeer aangename manier. Mijn doopmeter en dooppeter waren uitgenodigd voor een feestmaal 's middags bij ons thuis, en in de namiddag was er koffie met taart. En uiteraard ontving ik ook die dag een massa gelukwenskaarten, al dan niet met voering. De bezoeken aan de overige familieleden, kennissen en buren gebeurden de weekends daarop.

Mijn communiepak werd mijn zondagse uitrusting. Verplicht te dragen om naar de wekelijkse mis te gaan. Want anders was het zonde van het geld geweest. Voor iemand er erg in had zou ik er immers uitgroeien. Dus kroop ik op zondagochtend de fiets op, met klemmen omheen mijn broekspijpen, zodat ze niet in het tandwiel van mijn fietsketting konden draaien. Richting kapel, voor de misviering bij de paters. En omdat ik veelal te laat van huis vertrok, zat ik daar dikwijls ongemakkelijk in de kerk, bezweet en vechtend tegen de neiging daar ten gevolge van, flauw te vallen.

Het zit er dik in dat mijn zoons hun kostuumpje maar één dag zullen dragen. Het zij zo. Ze zullen er in elk geval beeldig uitzien en, met hun pak aan, op foto's vereeuwigd worden.

Ru(sh)di(e), 1 april 2003 (revisie op 23 april 2009

17-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Verrassende gebeurtenissen

 

Ooit heb ik eens het volgende meegemaakt. In Nederland, ergens in een dorp in Zeeuws Vlaanderen. Ik was daar op een zonnige namiddag met mijn hond aan het wandelen op de dijk, naast een waterweg. Een heel rustige omgeving, er was geen mens te zien.

Op een gegeven moment zag ik dat er vanuit de verte dan toch iemand met een fiets kwam aangereden. Ik riep mijn hond bij me en ging met haar aan de kant van het smalle pad staan, zodat die fietsende medemens ongehinderd zou kunnen passeren.

Toen die persoon iets meer genaderd was merkte ik dat het een oude grijsaard was, echt op zijn zomers gekleed, want blijkbaar met blote benen en ontbloot bovenlijf. Op het zadel, tussen zijn benen, ontwaarde ik een pakje.

Toen hij me passeerde zag ik dat het pakje geen pakje was maar 's mans rijkelijk van kroezelig schaamhaar voorziene penis & kloten. Die vent zat potverdorie naakt op zijn vélo!

Het voorgaande doet me plotsklaps aan iets anders denken. Hoe dat komt moet je zelf maar besluiten, na het lezen van hetgeen volgt. Mijn ouderlijk huis was een door mijn vader eigenhandig gebouwde bungalow. Omdat ik mijn slaapkamer beneden had ingericht als kantoor voor de onderneming die ik enkele jaren voordien had opgestart, sliep ik in een kamer die mijn pa had gemaakt op een deel van de grote, voordien volledig open en onafgewerkte, zolder Die ruimte was nu mooi afgewerkt met houten planchetten en het was er buitengewoon gezellig vertoeven.

Ik had er een heel kleine zwart/wit televisie staan en vond het uitermate aangenaam om 's avonds voor het slapen, in bed gelegen, een beetje Tv te kijken, tegelijkertijd wat te lezen of een kruiswoordraadsel op te lossen en nog een kleinigheid te eten. Wat chips of koekjes waren dat.

Op een zekere nacht werd ik wakker. Door een geluid? Door een beweging in mijn kamer? Ik weet het niet. Ik knipte het lichtje aan dat op het nachtkastje naast mijn bed stond. Bij deze handeling voelde ik de bovenkant van mijn hand tegen iets zachts aanstrijken. Ik trok mijn hand snel terug en draaide mijn hoofd met een ruk richting nachtkastje.

Daar zat... een muis! Onverstoord de kruimeltjes van mijn koekjes van de voorgaande avond opetend. Ik gilde: "Eek!" en het beest keek op en liet een "Piep!" horen. Ik ben hoegenaamd géén watje en sla voor zo'n kleine knaagdiertjes normaliter niet op de vlucht, maar nu sprong ik van 't verschieten wel uit mijn bed, terwijl het diertje, nu ook geschrokken van mijn reactie, er vandoor muisde (!). 

Het sneukelen in bed heb ik door dit voorval niet afgeleerd, maar vanaf die nacht hoedde ik me er wel voor al te veel kruimels achter te laten.

Tja, een mens maakt soms wat mee in zijn leven. Zo reed ik jaren geleden - in mijn pré-rolstoel periode, eens op de autostrade, op een zondag, vrij vroeg in de ochtend. Mooi op het meest rechtse rijvak en net iets minder snel dan was toegelaten, toen ineens met een razende snelheid een tegenligger op me af kwam. Een spookrijder!

Gelukkig was ik in staat mijn kalmte te bewaren. Ik minderde mijn snelheid en week zoveel mogelijk uit naar rechts. Ongelukkigerwijs was er blijkbaar geen pechstrook aangelegd op dit gedeelte van de autosnelweg. Ik zette onmiddellijk mijn autoradio aan en koos het nieuwskanaal. Ja hoor, er werd melding gemaakt van een spookrijder op deze autobaan.

Hé, wat was dat? Er flitsten me heel snel na elkaar nog een aantal auto's voorbij. En allemaal in de verkeerde richting! Eén ervan deed dat luid toeterend en een andere chauffeur was zelfs zo arrogant met zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd te wijzen en daarbij een boos gezicht te laten zien. Ja hola zeg. Ik voelde mij daar echt niet meer veilig.

Uiteraard ben ik dus bij de eerste exit van de snelweg afgereden. Bijna botsing! Kwam er nondedju ook al iemand de afrit opgereden! Een vrouw. In een Mazda. Ondanks het schrikken van die totaal onverwachte tegenligger, merkte ik toch ook nog op dat één of andere onverlaat alle verkeersborden aan de kant van de weg een halve slag had gedraaid. Ook dat nog! Ondertussen werd op de radio de waarschuwing voor die éne spookrijder nogmaals herhaald. En van die andere vijf die me gekruist waren spraken ze niet!

Het bovenstaande is uiteraard een mop met een baard, stukken langer dan deze van Vader Abraham, Sinterklaas en de Kerstman samen. Maar ik kon het niet laten hem hier in mijn versie te vertellen.

Ru(sh)di(e), 28 maart 2003 (revisie op 11 april 2009)

10-04-09

Rudi’s overdenkingen - Obstakels

    

Bijna dagelijks krijg ik er mee te maken: hinderlijke obstakels op de openbare weg, die mijn vrije doorgang belemmeren. En het zijn er nogal wat: reclamepanelen, bloembakken, gestalde fietsen, vlaggenmasten, palen van verkeersborden en zo meer. Maar ook dikwijls (fout) geparkeerde auto's, fietsen of motoren.

En wekelijks ook het huisvuil. Nochtans worden die bakken en zakken meestal netjes tegen de huisgevels opgesteld. Diverse factoren, zoals bijvoorbeeld de wind, veroorzaken echter dikwijls dat die zakken omvallen en zodoende de weg blokkeren. Dit is slechts een klein probleem, als het om de blauwe PMD zak gaat. Die duw ik dan gewoon met de voetsteunen van mijn rolstoel, zachtjes naar de kant. Hier en daar ligt er echter ook al eens een vuilnisbak op de stoep, al dan niet moedwillig door een belhamel tot die positie gebracht.

Reclamepanelen kunnen ook knap vervelend zijn. Zo ook mobiele verkeersborden voor bijvoorbeeld tijdelijke wegwerkzaamheden. Losliggende stenen en allerlei vuilnis zijn hindernissen die vooral een wezenlijk gevaar betekenen voor lekke banden, breuk of andere beschadigingen aan mijn rolstoel. En dan zijn er ook nog de hondendrollen. Geen echte hindernissen, maar wel enorm hinderlijk. Vooral als ik er geen erg in heb en naderhand met die besmeurde banden mijn living binnenrij.

En in de zomer heb je uiteraard nog het fenomeen van de terrasjes. De tafels en stoelen die daar, al dan niet in gebruik, bij horen, durven nogal eens de volledige breedte van het trottoir innemen. Niet enkel ik, en andere rolstoelers worden hierdoor gehinderd, maar bijvoorbeeld ook mensen met kinderwagens. Die moeten dan maar naar de rijweg uitwijken.

Vorig jaar was ik met de kinderen aan het rijden in het centrum van mijn woonplaats. Eentje zat op mijn schoot, de andere stond op de rand van mijn rolstoel, aan mijn linkerzijde. Aan een populair café stonden voor ons enkele tafels en stoelen in de weg. Naar links kon ik niet uitwijken, want daar stonden auto's geparkeerd. Enkele mensen stonden recht, verzetten hun stoelen en schoven de tafeltjes naar rechts om ons doorgang te verlenen. Eén, nogal corpulente heer, maakte echter geen aanstalten om op te staan. Dus trachtte ik voorzichtig te passeren. Ik raakte nipt het tafeltje, waardoor die persoon een flinke geut koffie op zijn schoot kreeg... en zich terstond bij me excuseerde. Vermoedelijk omdat hij inzag dat het gebeurde eigenlijk zijn eigen fout was.

Dat verontschuldigen gebeurt trouwens ook dikwijls als men tegen mijn rolstoel aanloopt. Meestal tegen mijn voetsteunen. Uit noodzaak genot purend uit onnozelheden, vind ik dat trouwens eigenlijk best grappig, want ik word door hun onoplettendheid dan wel een beetje door elkaar geschud bij zulk een botsing, maar zij zijn degenen die veelal 's avonds een blauwe plek op hun hiel of scheenbeen zullen aantreffen. En dan verwensen ze me hoogst waarschijnlijk!

Terug naar de stoep. Sommige terrasjesmensen zijn echt volhardend. Als mijn kinderen naast me stappen weiger ik, uit veiligheidsoverwegingen, ter wille van het gemak van een ander op straat te gaan rijden, en blijf dus net zo lang wachten tot men opstaat en de stoelen aan de kant schuift. En dat kan soms behoorlijk lang duren, en gebeurt dan meestal nog pas na aandringen van anderen.

Vele mensen zijn zich allicht niet bewust van de hinder die ze kunnen veroorzaken. Anderen zijn dat wel, maar die malen er niet om. Zo hield tegenover een videotheek een auto halt op het fiets- en voetpad toen ik er net aankwam. Een dame (?) stapte uit. Inmiddels was ik op straat gaan rijden om haar voertuig te ontwijken. Ik dwong mezelf haar te zeggen: "Ook niet netjes van u, hier te parkeren, mevrouw!" Ze keek me even minachtend aan, trok haar neus op, stak de straat over en stapte de videotheek binnen.

Anderzijds gebeurt het ook wel dat mensen uit bijvoorbeeld een winkel komen gelopen als ze mij zien passeren omdat ze denken dat hun wagen, die ze even verder in alle haast half op het trottoir hebben geparkeerd, mij zou kunnen hinderen. Of personen die uit zichzelf fietsen verzetten die me de weg versperren. Of werklui die spontaan hun spullen aan de kant schuiven als ze me zien aankomen en merken dat ik wil passeren waar zij aan het arbeiden zijn.

De stoep. Naast mogelijke obstakels, heb je bovendien nog het feit dat die trottoirs niet vlak worden aangelegd, maar afhellen naar één zijde, meestal de straatkant. Dat wordt zo gedaan ten behoeve van een goede afwatering naar de rioolputjes, maar maakt het rijden voor een rolstoeler hoogst onaangenaam. Je zit immers continue schuin, wat bij mij en lotgenoten pijn in de nek veroorzaakt. Tevens laat het je stoel steeds neigen van de boordstenen te rijden, zodat je continue moet bijsturen. Met mijn elektrische machine valt dat nog mee, maar voor mensen met een manuele rolstoel is dat knap lastig. En dan zwijg ik nog over de niveauverschillen in de trottoirs ter hoogte van garagepoorten.

Om voormelde obstakels en moeilijkheden te vermijden rijd ik bij verplaatsingen over de openbare weg dan ook meestal op het fietspad, en anders op de rijbaan, maar dan veelal tegen het verkeer in, zodat ik alle voertuigen zie afkomen en hun bestuurders mij!

In het centrum van Gent ben ik op een avond toch eens de stoep opgereden om mij naar een afspraak te begeven. Tientallen meters ging dat vrij goed, laverend langsheen de vuilnisbakken en de pakken papier en karton, want waarschijnlijk was er ook daarvoor de volgende dag een ophalen gepland. Tot plots: niks meer! Die stoep liep gewoon dood op een blinde muur! En daar je in zo een geval logischerwijs zou verwachten dat men op zo een plaats dan een hellend vlak maakt om van het trottoir te rijden, was dat hier niet zo. Aangezien het hoogteverschil tussen de stoep en de straat, een vijftiental centimeter, te groot was om daar met mijn toenmalige rolstoel veilig van af te rijden, en de stoepbreedte te beperkt om mijn vehikel te draaien, diende ik een tiental meter achteruit te rijden, vooraleer ter hoogte van een toegang tot een privégarage, veilig op straat te geraken. Ik kan jullie verzekeren dat dit, zo zonder achteruitkijkspiegel, geen sinecure was voor mij, gezien ik fysisch niet meer in staat ben mijn hoofd te draaien om achterom te kijken.

Een maand of drie geleden heb ik mijn zorgzaam bijeengesprokkelde spaarcenten uitgegeven om een busje te huren, waardoor ik eindelijk nog eens in staat was met mijn ganse gezin een daguitstap te maken... buiten mijn woonplaats. Door mijn echtgenote en een assistent liet ik me op de passagierszetel van het voertuig hijsen, waarna mijn rolstoel via twee houten balken uit mijn stal, langs achteraan de bus werd ingereden. Mijn kinderen waren in hun nopjes: een uitje met papa en eindelijk nog eens dicht tegen hun vader aanzitten zonder hinderlijke delen van zijn rolkar, en met een wijds zicht over de weg.

We zijn die dag na wat omzwervingen uiteindelijk in Hasselt aanbeland. In mijn ogen een paradijs voor rolstoelers. De voetpaden zijn meestal breed, de overgang tussen voetpad en rijweg op bijvoorbeeld oversteekplaatsen, is nauwelijks voelbaar. Bovendien heerst in die stad ook een positieve ingesteldheid ten overstaan van rolstoelers. Er zijn ontzettend veel winkels, drankgelegenheden en eethuizen toegankelijk (gemaakt) voor minder mobielen.

Hier waar ik woon valt het in de meeste straten ook nog redelijk mee. Maar het zou in ieder geval nog stukken beter kunnen, mocht de lokale overheid, vooraleer beslissingen te nemen, ten rade gaan bij (echte) deskundigen: ons, de gebruikers dus. Maar ik denk niet dat zulks ooit zal gebeuren

Ru(sh)di(e), 4 februari 2003 (revisie op 5 april 2009)

09-03-09

De avonturen van Rudi & Co, aflevering twaalfenveertig

 

Mijn kinderen zijn dol op voetbal. Zowel zelf spelen, als er live of op de televisie naar kijken.

Toen we op een woensdagnamiddag, na een lange, hen deugddoende wandeling, op zeker moment een aantal jongentjes, in voetbalkledij, met de auto gebracht door ma of pa, en anderen per fiets, een veldweg zagen inrijden, wou mijn kroost er meteen achteraan, want er kon volgens hen geen twijfel over bestaan dat daar ging gevoetbald worden!

Ik meldde hen dat die kinderen waarschijnlijk géén match gingen spelen, maar zich naar hun voetbaltraining begaven, maar dat klonk mijn rakkers blijknaar nog aantrekkelijker in de oren, want die begonnen van "Allé papa!" en met gevouwen handjes, door hun knietjes zakkend, smekend "Alsjeblief." Tja, wat doe je dan als vader? Toegeven uiteraard! Met veel plezier trouwens.

Zo wij dus die steeg in waar we al die jonge voetballertjes in hadden zien verdwijnen. Aan het eind van de weg bevond zich een hek in twee delen, vastgeklonken aan elkaar met een zware ketting, voorzien van een hangslot. Naast dat hek, een overdekte opening in een soort van L-vorm, breed genoeg om als voetganger of zelfs met een fiets te kunnen passeren, maar onmogelijk mijn omvangrijke rolstoel daar doorheen te manoeuvreren. Door het hekwerk heen zagen we, op het plein, de jongens aan hun oefeningen beginnen. Ik bedacht plots dat er nog een andere entree moest zijn, want ik was ooit wel eens eerder op dat voetbalplein geweest, en niet langs hier.

Dus wij terug die steeg uit, de hoofdstraat op, en een heel eind verder, een andere zijstraat in. Een ganse omweg, maar mét resultaat. Na doorheen een openstaande poort te zijn gestapt / gereden, bereikten we een eerste sportveld, en zagen we - enkele blokken verder - de spelertjes aan het werk.

Via het zijpad naast de sportterreinen belandden we waar we wezen wilden. De kinderen keken enige tijd geïnteresseerd naar de baloefeningen en kregen toen van de trainer een bal ter beschikking zodat ze ook wat konden shotten... en dat deden ze, met volle overgave!

Toen de kleinsten hun training hadden beëindigd, was inmiddels reeds een groepje jongvolwassenen, onder aanvoering van een ook nog jonge, zuiders ogende man, op een ander veld beginnen oefenen. Mijn rakkers, die inmiddels de bal hadden teruggegeven, keken gefascineerd toe. Vooral de trainer was een echte balvirtuoos.

Onderwijl het broodje, dat we onderweg hadden gekocht, als avondmaal verorberend, bleven mijn twee voetbalfanaten toekijken tot ook deze training was afgelopen. Terwijl de voetballers zich omkleedden - douches zijn daar niet aanwezig - begaven wij ons in een gezapig tempo richting uitgang.

Verdorie! Bleek die poort inmiddels gesloten te zijn. Ik vroeg aan één van mijn kinderen te controleren of ze ook op slot was en dat bleek inderdaad zo te zijn. "Wat nu?" vroeg mijn kroost in koor. Uiterlijk zelfzeker, maar innerlijk toch wel licht panikerend, zei ik: "We keren snel terug  naar het veld; die trainer heeft mogelijks een sleutel!"

Dus wij onmiddellijk rechtsomkeer gemaakt en in ijltempo terug. Ik hotsend en botsend in mijn karretje, de jongens lopend naast mij. Het pad naast het eerste sportveld oprijdend zag ik in de verte - naar even later bleek - net de laatste persoon door het slop wegrijden.

Daar stonden we dan. Een koude rilling ging door me heen. Jakkes, ernstig probleem! We zouden hier alleszins niet moeten overnachten. Twee vijfjarigen om hulp sturen vond ik onverantwoord, maar ik had mijn GSM bij me en kon dus altijd moeder de vrouw nog bellen. Maar vooraleer de helft van de buurt op zijn kop te laten zetten om iemand met een sleutel van de poort of het hek te vinden, wou ik toch even bezien of er géén andere uitweg was. Dat overdekt L- gangetje naast het hekwerk was, in elk geval, ook vanaf deze kant niet voor mij toegankelijk.

Kwam mijn ene zoon met de vraag of we niet door het veld opnieuw de straat konden bereiken. Dus wij het uiterste sportveld rondgereden, zoekend naar een manier om weg te komen. En die vonden we gelukkig! Aan het eind van het terrein was een verweerde afrastering, waarin de jongens een opening vonden waar ik, een beetje hobbelend, gezien de oneffen ondergrond, toch doorheen kon  Vervolgens bereikten we via een braakliggend terrein een veldweg, en konden we aan het uiteinde hiervan, via de oprit van een bedrijfsgebouw, terug de straat bereiken en een tijdje later ook ons huis.

Ik maak met mijn lieverds soms wel leuke dingen mee. Toen we een keer in het park waren, de jongens wat rondcrossend om me heen, zag ik ineens, ter hoogte van de vijver, twee eenden met hun snavels tegen elkaar schuren en riep naar mijn rakkers: "Kijk daar, kussende eenden!" Tja, dat had ik beter niet gedaan, want op het ogenblik dat mijn bengels hun ogen op het koppeltje watervogels hadden gericht, sprong de ene canard achterop de andere om 'je weet wel wat' te doen. En mijn kinderen, met wijd opengesperde, vragende oogjes: "Wat doen ze nu, papa?" Waarop ik, zo snel niet in staat iets beter, dus geloofwaardiger, te verzinnen: "Heu, die spelen maar wat; paardjerijden, hè." De snuiters wierpen me een blik vol ongeloof toe, en keken verder naar het schouwspel. Waarop één van hen uitriep: "Papa, ik weet het! Die zijn aan het vrijen!"

Ja, kinderen. Heb de indruk dat ze tegenwoordig, op allerlei vlak, van méér zaken op de hoogte zijn op vijfjarige leeftijd dan ik toen ik vijftien was! Daar zal de media, en meer bepaald vooral de televisie, wel voor iets tussen zitten, zéker?

Bij die laatste uitstap was trouwens ook één van mijn persoonlijke assistentes aanwezig, een Afrikaanse van vooraan in de twintig, die aan de Gentse universiteit een Engelstalige cursus volgt en tijdens de vakanties wat bijverdient door me te helpen. Dat meisje heeft een donkerbruine huidskeur, net zoals de mama van mijn bengels.

Op de terugweg naar huis kwam plots een buurman op ons afgelopen. Voorheen hadden we regelmatig contact, maar sinds ik in het hospitaal was binnen gegaan, nagenoeg twee jaar daarvoor, had mijn gezin nimmer iets van hem, noch van zijn echtgenote, gehoord. Hij vroeg hoe het met me ging en nodigde me uit één van de volgende dagen eens bij hen een tas koffie te komen drinken.

Ik dacht: "Ja moe; we hebben het reeds al die tijd zonder hen gered en nu ze wel eens het fijne van mijn lotgevallen willen weten, ben ik ineens welkom; vergeet het!", maar zei vriendelijk: "Ik zal je uitnodiging in gedachten houden" en concentreerde mijn aandacht vervolgens op de kinderen, die wat al te ver van me waren weggelopen.

Die kerel begon dan maar, in het Nederlands, tegen mijn assistente te praten. Ik ving flarden op uit zijn monoloog. Enfin, eigenlijk vuurde hij een resem vragen op haar af, terwijl zij hem lief, maar onbegrijpend aankeek, en hij, zichtbaar verbaast, zich waarschijnlijk afvroeg waarom hij géén antwoord kreeg. Die 'herkende' in dat meisje mijn vrouw. Hahaha!

Dus ik, met een uitgestreken gezicht: "Euh, er zal weinig respons komen hoor, want de jongedame hier aan mijn zijde, spreekt en verstaat enkel Engels en Frans." En, terwijl de teint van die kerel zijn gelaat kleurde van blank over zalmroze tot wanneer zijn kop leek veranderd te zijn in een vuurrode boei, zei ik tot mijn kinderen: "Kom jongens, we gaan naar mama." En tot hem kort "dag" en liet die man vervolgens, met zijn rijpe tomaat voor wie en wat hij was.

Ru(sh)di(e), 29 mei 2002 (revisie op 8 maart 2009)

08-03-09

Rudi's ontboezemingen, deel zoveel + 1

 

Een woensdagnamiddag in de maand mei. Ik bevind me met mijn kinderen op het sportterrein.


Zeker moment zie ik een jongen - in sportkledij - komen aangelopen, met naast hem een meisje op een fiets.

Ze stoppen. Het meisje zet haar tweewieler op zijn pikkel en vleit zich - in een verleidelijke pose - neer in het gras, in de zon.

En wat doet die jongen?

Die gaat wat in de schaduw van een boom gaan staan om te... stretchen!

Joggen, stretchen... met zo een weer! Met zo een lief!


Met tegenzin, want ik beledig niet graag dieren, en vooral niet als het nog zo een kleintjes zijn: UILSKUIKEN!

Allé, dat vind ik er van.

Alhoewel, sporten is gezond naar 't schijnt. Vrees alleen dat die kerel dan wel gezond is en blijft, maar binnenkort misschien  wel eens zijn knap lief kwijt zou kunnen zijn aan een ander, die met haar terrasjes doet in plaats van dit.

Zoniet is ook zij een UILSKUIKEN!


Ru(sh)di(e), 26 mei 2002 (revisie op 5 maart 2009)