13-12-09

Rudi's ontboezemingen - Regels

 

Je komt als jongeman soms nogal wat tegen met de meiden! Daar kan ik persoonlijk ook enkele pittige anekdotes over vertellen. Zoals die keer toen ik als prille twintiger eens een vriendinnetje meenam om te gaan shoppen in Maastricht. We waren daar al gearriveerd toen ze pas ontdekte dat ze haar handtas thuis op het tafeltje in de inkomhal van haar studio had laten liggen. Ik zei: "Da's niks, ik heb geld bij, een haarborstel en ook een extra zakdoek & zo" en voegde er, om te zwanzen, aan toe: "Gelukkig is het niet je onderbroek die je thuis bent vergeten!" Het meisje kleurde terstond bloedrood.

Een andere keer was ik samen met een jongedame. Ik weet niet meer juist onder welke omstandigheden, en ik herinner me ook de reden niet meer, maar ze zei in elk geval, op een bepaald moment: "Ik heb zo mijn regels!" Waarop ik antwoordde: "Ga dan maar vlug naar het toilet om een inlegkruisje in je slip te stoppen!" Dat meisje is effectief weggehold. Niet naar het toilet, maar gewoon weg van mij!

Een andere griet heeft mij dat trouwens eens, in halfdronken toestand, wankel op haar benen staand, bekend: "Schone jongen" zei je, zoals gemeld was ze zat, dus had ze vast een troebel zicht, "Ik ben weg van jou!" Onmiddellijk respondeerde ik met: "Neen, dat is niet waar, want je bent hier nog. Maar ik zou wel graag hebben dat je weg bent van mij, want je stinkt uit je bek. En bovendien hou ik niet van zatte wijven!"

"Tenzij ze jong en sexy zijn", had ik er nog aan kunnen toevoegen. Maar dat deed ik niet, want dat vrouwmens zou dat toch niet meer hebben gehoord, want ze was al weg gewaggeld en ik heb haar daarna gelukkig nooit meer teruggezien!

Het was in die tijd, de jaren tachtig, en waarschijnlijk nog steeds, trouwens niet altijd eenvoudig om een griet aan de haak te slaan. Figuurlijk dus, welteverstaan! Alhoewel ik er, als zeventienjarige, toch eens een keer in ben geslaagd om dat, ongepland, bijna letterlijk voor elkaar te krijgen.

Op de fuiven, waar ik, als rijpe tiener, in de weekends met mijn, uit jongens en meisjes bestaande vriendengroepje, heen hing, was al meer dan eens mijn oog gevallen op een knap jong meisje. Eentje met een weelderige bos krullend donkerbruin haar. Bij de toen nog populaire kusjesdans probeerde ik al eens om haar in mijn armen, en aan mijn lippen, te krijgen. Maar helaas slaagde ik daar niet in. En mijn kansen waren uiterst beperkt omdat die schoonheid meestal niet meedeed aan dat kusgedoe.

Ook voor een slow, die altijd volgde op die kusjesdans, kon ik, ondanks herhaalde beleefde uitnodigingen daartoe, de bevallige deerne niet strikken. En dan, op een keer, toen ik me na zo een massadans, door de menigte bewoog, op zoek naar een danspartner, werd ik door de vriendin van dat meisje op de schouder getikt.

Terwijl ik verder stapte, deed het meisje me teken om achterom te kijken. Dus hield ik halt, draaide me om en keek recht in de ogen van die zo door mij begeerde brunette. Menslief, wat was ze toch knap. En nu liep zij dus achter mij aan?

Fout gedacht! Op mijn blauwe jeansvestje waren twee kleine buttons gespeld. En bij het haar ongemerkt passeren, allicht omdat ik op dat moment een ander schoon grietje in het vizier had, was ze met een deel van haar enorme haardos aan me vast komen te zitten. Vandaar die achtervolging door de rumoerige en lawaaierige danshal.

Weken- of misschien wel maanden later, heb ik toch nog eens een poging ondernomen om dat, in mijn ogen goddelijk, schepsel, aan de haak te slaan. Figuurlijk dan, deze keer! Ze zat, samen met een aantal jongens, aan een tafeltje, naast de tafels die mijn maten en ik hadden ingepalmd.

Naarmate de avond vorderde merkte ik dat het meisje nogal dikwijls alleen op haar stoel, aan dat tafeltje achterbleef. En als die kerels, van het type 'zware jongen', er toch waren, kroop geen enkele van hen dicht tegen haar aan of stelde zich amoureus tegenover haar op. Daaruit concludeerde ik dat het meisje geen vriendje had. En leek deze avond voor mij het uitgelezen moment om mijn kans te wagen om dit mooie meisje nader te leren kennen.

En ik had al een plannetje beraamd om dit prachtig schepsel der natuur te bekoren. Naderhand beschouwd een nogal ridicuul idee. Van elk beschikbaar drankje dat op die fuif was te verkrijgen, wou ik er namelijk één bestellen. En het ganse aanbod zou ik voor haar bevallige neusje plaatsen, zodat ze maar te nemen had wat ze drinken wou.

Slechts één, niet onbelangrijk, probleem doemde op. Om al die drankjes te kunnen bekostigen, had ik geld nodig. En ik had die avond al een groot deel van mijn budget gebruikt om benzine te kopen voor mijn bromfiets. En het saldo had ik aangewend als mijn aandeel in de drankpot, die inmiddels was uitgeput. Er zat dus niks anders op dan bij wat maten aan te kloppen voor een beetje geld. Die maakten daar geen probleem van. Temeer daar ik hen deel maakte van mijn plan.

Nu de voorbereidingen waren getroffen, rijgde ik de veters van mijn 'stoute' combat schoenen nog wat sterker aan, trok mijn nauwsluitende jeansbroek recht, liet mijn vingers even door mijn haren glijden, om mijn kapsel ietwat te fatsoeneren en ging vervolgens recht op de jonge vrouw af.

Ze keek op toe ik me, het lichaam voorovergebogen, voorstelde aan haar. Ze glimlachte vriendelijk en deelde me ook haar naam mee. Op mijn vraag of ik even bij haar mocht komen zitten, antwoordde het lieflijk ogend creatuurtje positief! Ze bleek met haar broers en hun maten naar deze fuif te zijn gekomen. Omdat ze wel zin had om uit te gaan, maar haar vriendin ziek was en haar ouders niet wilden dat ze alleen op stap ging. Toen ik haar zei dat ik haar een drankje zou bezorgen, reageerde het meisje onmiddellijk met de woorden: "Neen, niet nodig hoor. Ik heb deze avond reeds genoeg gedronken en heb nu echt geen zin meer in om het even welk drankje!"

De schoonheid vervolgde: "Ik zeg dat steeds liever onmiddellijk, zodat niemand haar of zijn geld besteed aan een drankje dat ik dan toch niet uitdrink." Net op dat moment kwam de ober eraan met een schaal waarop minstens 10 verschillende soorten drankjes stonden. Oei! Hoe moest ik dat hier oplossen? Zonder gezichtsverlies te lijden. Ik zei die jongen dat hij alle drankjes bij elkaar op tafel mocht zetten en dat ik dan wel voor de verdeling zou zorgen. Nadat ik de drankbezorger met het geleende geld had betaald, riep ik enkele maten bij me.

Die keken me vragend aan, want ze hadden zich gedeinsd gehouden omdat ze dachten dat ik toch liever alleen bleef zitten bij het meisje mijner dromen. En waren nog meer verbaasd, toen ik hen uitnodigde om een drankje te nemen. Erg succesvol was mijn broederlijk delen overigens niet, want mijn maten waren niet geïnteresseerd in het drinken, of zelfs maar proeven van de meeste van die daar op tafel gepresenteerde brouwsels.

Wat er daarna is gebeurd en hoe die avond is afgelopen, daar heb ik het raden naar, want ik kan het me met de beste wil van de wereld niet meer herinneren. Eén ding is zeker: dat meisje is noch die zaterdagavond, noch op een later moment, ooit de mijne geworden. In tegengesteld geval had ik die gedenkwaardige informatie zonder twijfel voor eeuwig en altijd ergens in een veilig hoekje van mijn grijze hersenmassa bewaard. Dus waarschijnlijk is onze beginnende communicatie vrij snel op een sisser uitgelopen. Mogelijk koos ik een fout moment uit om met het meisje in contact te treden. Had ze misschien haar regels?!

Ru(sh)di(e), 4 april 2009. (publicatie op de weblog 'Rudi's kijk op de wereld' op 10 juni 2009) 

10-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - Zware jongens

 

Bij ons, op de middelbare school, zat gedurende enkele jaren ook een jongen met een lichamelijke beperking en een spraakgebrek. Hoe hij daar was aangekomen, weet ik niet meer. Mogelijks was hij één van de laatste slachtoffers van kinderverlamming. Maar ik denk niet dat ons dat eigenlijk interesseerde. Die jongen stapte moeilijk en had géén volledige handfunctionaliteit. Maar het was een toffe knul. En als mijn maten of ik in de buurt waren, moest niemand het ook maar wagen om die jongen uit te lachen. Op zeker moment verliet hij de school en bijgevolg verloren we hem uit het oog.

Als zeventienjarige ging ik nagenoeg wekelijks uit met mijn kameraden. We spraken steeds af in onze stamkroeg en trokken van daaruit meestal naar een fuif. Op een bepaalde zaterdagavond bevonden we ons op zo een openbaar dansfeest, toen er op een gegeven moment een bende ruige motards de danstent binnen kwam. Stoere, struise bonken met lang haar, in jeans, met zware botten aan hun voeten en een lederen jas aan. Met daarboven ook nog eens een mouwloos jeansvestje. Op de achterzijde van dat vestje waren het embleem en de naam van hun 'club' bevestigd.

Die kerels bleven samengetroept aan de kant van de dansvloer staan en startten spoedig met het hijsen van pinten schuimend bier. Een van de mannen trok mijn aandacht. Ik meende er mijn voormalige manke vriend in te herkennen. Ik bleef de bende gadeslaan, en in het bijzonder die éne persoon. Hij was zowat de kleinste en rustigste van de hele groep. De anderen gedroegen zich nogal wild en gingen hardhandig met elkaar om, maar hij hield zich op de vlakte.

Van een lichamelijke beperking bleek géén sprake meer te zijn. 'Zou die dan volledig genezen zijn?' vroeg ik me af. En hoe was hij bij die bende zware jongens verzeild geraakt? Ik ging zijn richting uit, maar hij bleek mij niet (meer) te herkennen. Dus liep ik hem voorbij en bleef ik hem van op enige afstand observeren. Waarschijnlijk was dit dus toch mijn vroegere vriend niet. En toen ik de jongeman even later, zonder haperingen, hoorde spreken, wist ik dat wel zeker!

Uit mijn ondeugende geest ontsproot daarop een plannetje voor een kwajongensstreek. Ik ging tot bij één van mijn makkers, die tot dan toe alleen maar oog had gehad voor zijn lief, en die nu, aan de toog stond te wachten, allicht op een drankje voor haar en hemzelf. Ik vroeg hem of hij zich nog onze manke maat herinnerde. 'Uiteraard!' zei hij. Waarop ik hem vertelde dat ik er net een kwartier mee had staan praten. Mijn maat vergat de drankjes en wou zelf ook meteen naar onze verloren vriend gaan.

Ik wees mijn kameraad de in leder en jeans gestoken jongen aan, en zijn ogen lichtten op. Mijn maat, nogal klein van gestalte, benaderde de motard langs achteren en gaf die anderhalve kop grotere kerel, als verrassende begroeting, met de palm van zijn hand, een harde klap op de rug. De jongeman draaide zich terstond om en keek mijn maat boosaardig aan. Die stond daar, uitnodigend, met open armen en een lachende bek, in een houding van: 'herken je me nu niet meer?!' Die andere ruige motormannen kwamen, met een pint bier in minstens één hand, dreigend rond mijn maat staan, want ze dachten dat die één van hen had aangevallen!

Enfin, mijn maat had vrij snel door dat hij niet voor zich had, wie hij dacht voor zich te hebben. En dat hij er door mij was ingeluisd! Gelukkig bleek die zware jongen nog de slechtste niet te zijn, want mijn vriend kon er zich uitpraten en geraakte zonder kleerscheuren tot bij mij. Hij had me daar, op een veilige afstand van het tafereel, zien staan lachen, terwijl hij zelf toch wel eventjes angstig was geweest. Maar nu kon ook hij lachen om mijn grap.

Geloof het of niet, maar het meest verbluffende deed zich de week daarop voor. Alweer op een fuif, in dezelfde gemeente, ontmoetten we onze enige échte ex-schoolkameraad. Jammer genoeg was hem géén mirakel ten deel gevallen. Hij stapte en sprak nog steeds even slecht. Maar het weerzien was hartelijk, want hij was ook nog steeds behept met zijn zelfde, toffe persoonlijkheid.

Ru(sh)di(e), 27 april 2006 (revisie op 7 mei 2009)

04-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - Vrome Christen mens

 

Een held ben ik hoegenaamd niet. Soms gedraag ik me evenwel als één. Mijn rechtvaardigheids- en eergevoel zijn immers véle keren groter en sterker dan mijn lafheid. Dat is altijd al zo geweest en het zal waarschijnlijk steeds zo blijven.

Zo was ik op zeventienjarige leeftijd, op een zaterdagavond, als naar gewoonte, met mijn vrienden en vriendinnen aanwezig op een fuif, in een buurtgemeente van de stad waar ik toen woonde en trouwens nog steeds woon. De organisatie was in handen van een professionele mobiele muziekstudio, die ook de lichtshow verzorgde. Het gebeuren vond plaats in een sporthal, die bijna wekelijks werd verhuurd voor de inrichting van wat wij toen noemden 'TD's.'

Na enig dansen op de dansvloer ging ik met enkele vrienden voor het podium staan, waarop de muziekinstallatie stond opgesteld. Vanuit die positie hadden we een excellent zicht op wat er zich op de dansvloer afspeelde en konden we bovendien meisjes spotten, met wie we later die avond wel eens een trage wilden dansen. We stonden daar eigenlijk nog maar net, toen één van de deejays aan de ganse rij vooraan kwam verzoeken om niet meer op het podium te gaan zitten of er tegen aan te leunen. Blijkbaar waren enkele jongens even daarvoor nogal wild te keer gegaan, wat problemen veroorzaakte met de naalden van de platenspelers. Toentertijd werden immers nog steeds vooral vinylschijfjes gedraaid.

Sommige jongeren gingen elders staan. Mijn vrienden, ik en een aantal anderen zetten gewoon een flinke stap vooruit. Een roodharige kerel, van naar ik schatte vooraan in de twintig, en daarmee een flink stuk ouder dan het gros der fuifbeesten, die ik even daarvoor had opgemerkt, leunend tegen het podium, kwam zwalpend op me af. Met dubbele tong, als gevolg van overmatig drankgebruik, zei hij dat ik van het podium weg moest gaan. Ik repliceerde dat ik het podium niet aanraakte. En, om hem dit als het ware aan te wijzen, keek ik in de richting van de leegte tussen mijn corpus en het podium. Op het moment dat ik mijn gezicht langzaam terugdraaide, haalde hij uit met zijn rechtervuist en een tel later incasseerde ik een flinke mep op mijn linkerwang. Het duizelde even voor mijn ogen en ik wankelde op mijn benen.

Mijn eerste gedacht was om die kerel terug te slaan. Ik maakte zelfs aanstalten daartoe, maar mijn vrienden hielden me tegen. Die kerel lachte inmiddels schamper en liet uitdagend zijn vuisten zien. Nagenoeg iedereen die op de fuif aanwezig was, troepte samen rondom ons. Mijn grijze hersencellen, licht beneveld door de enkele glaasjes bier die ik die avond reeds had gedronken, trachtten een oplossing te bedenken om een einde te maken aan deze voorstelling, zonder de avond helemaal te bederven.

Die andere ook een klap geven betekende geheid oorlog. Droop ik af, dan zou ik een enorm gezichtsverlies lijden en in de toekomst de boksbal zijn van elke klootzak die zich eens wou uitleven. Gelukkig kreeg ik de fantastische ingeving om me uit de handen van mijn vrienden los te werken, uitdagend voor die kerel te gaan staan en hem stoer, met de kin omhoog, mijn andere wang aan te bieden, door er met mijn rechter wijsvinger naar te wijzen. Mijn aanpak werkte: die kerel droop grijnzend af.

De volgende ochtend, in de praktijk reeds enkele uren na mijn avondje uit, woonde ik, devote Christen, slaapdronken de vroegmis bij in onze dorpskerk. Op zeker moment hoorde ik de celebrant volgende woorden uitspreken: "Jezus zegt: 'als iemand je een klap in je gezicht geeft, biedt hem dan ook de andere wang aan.'" Meteen was ik klaarwakker.

De voorganger vervolgde: "Want is er een krachtiger manier om de werkelijkheid van deze wereld te ontkennen dan door je andere wang aan te bieden? Je zegt dan: 'een klap in mijn gezicht is niet belangrijk. Met mij, het bewustzijn van liefde, is niets gebeurd. En dus is de klap niet belangrijk.' En zo vergeef jij je broeder die nog niet zoveel weet als jij, en ben je in staat om, ondanks de klap, met hem in éénheid te treden. Is er een krachtiger manier dan dit om deze wereld te ontkennen en je zo klaar te maken voor de wereld van God?" Ik dacht: "Allé, als het van God, Jezus en onze pastoor afhangt, ben ik dus goed bezig!"

Een tweetal weken later was ik terug aanwezig op een fuif, in dezelfde gemeente, op dezelfde locatie en met alweer dezelfde mensen die voor de muzikale omlijsting zorgden. Ik was, vlak naast de dansvloer, gezellig met enkele vrienden aan het babbelen, toen ik ineens die rosse terug op me af zag komen. Ik hield mij aanstonds gereed om een aanval af te slaan en balde mijn vuisten om zelf meppen uit te kunnen delen, want ondanks alles zou ik me deze keer niet laten aftroeven. Liever een slechte Christen, dan een goeie met een blauw oog of een bloedneus.

Die man, blijkbaar nuchter deze keer, opende echter zijn armen, toverde een brede glimlach op zijn gelaat en kwam zo tot vlak voor me staan. Hij nam me vast en bracht zijn hoofd dicht tot bij het mijne. Even vreesde ik dat het voorgaande show was geweest om me nu een flinke kopstoot te kunnen verkopen, maar die vrees bleek ongegrond. Die kerel hield met zijn beide handen mijn bovenarmen stevig beet, terwijl hij, boven de muziek uit, in het plaatselijke dialect, in mijn oor brulde: "Jij bent mijn vriend, hé?! Jij bent mijn vriend!", waarna hij mij enigszins verbaast achterliet en als gelukzalig knikkend zijn eigen kliekje opzocht. De man heeft mijn vrienden en mij daarna nooit meer lastiggevallen.

Ru(sh)di(e), 24 januari 2006 (revisie op 27 april 2009)

23-04-09

Herinneringen uit mijn verleden – Ongeval

 

Zeventien jaar jong was ik, bijna achttien. En ik reed rond met een brommer. Een zwarte Yamaha RD 50, model baanmotor. Anders dan het typenummer laat vermoeden was de cilinderinhoud 49 cc. Géén 50, want dan zou de machine worden aanzien als een motorfiets, moest je bijgevolg achttien jaar zijn om het te mogen besturen en in het bezit zijn van een rijbewijs. Voor deze brommer niet, dus. Een bromfietsattest volstond. Dat had ik reeds bekomen kort na mijn zestiende verjaardag door in één beurt te slagen voor een schriftelijk examen over de verkeerscode.

Het was zomer. En zaterdagavond. Naar gewoonte reed ik na het avondeten op mijn bromfiets naar mijn stamcafé, twee dorpen verder dan daar waar ik met mijn ouders woonde. In die tijd had ik een uitgebreide groep vrienden en vriendinnen. Slechts enkelen van hen trof ik aan in de kroeg. Enkele leden van onze vriendengroep waren naar verluidt met hun ouders op vakantie, terwijl een ander deel op kamp was met de jeugdbeweging waar ze lid van waren.

De gesprekken verliepen moeizaam. We hadden elkaar immers weinig te vertellen, omdat er sinds de vorige week géén enkel van ons iets noemenswaardig was overkomen. Op de koop toe bleek er die avond in de wijde omtrek géén enkele fuif door te gaan, waar we eventueel hadden kunnen heentrekken. Na zowat een uurtje hield ik het daar dan ook voor bekeken en besloot nog eens naar het dorp te rijden waar ik enkele jaren eerder mijn eerste stappen in het uitgaansmilieu had gezet. Er was daar een populaire discotheek, met daar tegenover een al even gewild café. Het was in die laatste tent dat ik zinnens was op zoek te gaan naar oude bekenden.

Dus trok ik opnieuw mijn lederen motorjekker aan, nam afscheid van mijn gezelschap, en verliet de kroeg. Mijn brommer stond op de stoep, waar ik hem bij aankomst had achtergelaten. Ik ontgrendelde het stuurslot, zette mijn integraalhelm op en nam met beide handen mijn stuur vast. Vervolgens zwaaide ik mijn in een strak zittende stoffen witte broek gestoken rechterbeen over het zadel van mijn bromfiets, liet mijn zitvlak er op neer zakken, stak de sleutel in het contact, draaide hem een kwartslag om en startte de motor middels een flinke trap op de kickstarter.

Het was lekker rustig op de baan. Typisch voor een weekendavond in de zomer. De omgevingstemperatuur was aangenaam, dus was het bijgevolg zalig rijden. In de laatste straat die ik moest doorrijden vooraleer in de straat te belanden waar het café was gevestigd waar ik heen wou, was de helft van de straatverlichting buiten gebruik. Gelukkig had mijn vehikel een goede verlichting, die het voor één keer niet liet afweten, want ik had daar al dikwijls problemen mee gehad. Vandaag niet, dus. De koplampen deden hun werk: één verstraler en één lamp die op de grond onmiddellijk voor me was gericht.

Het fietspad waar ik op reed, was gelegen op een verhoogde berm. Op een gegeven ogenblik merkte ik dat dit rijwielpad deze berm verliet en links naast de stoep verder liep. Te laat! Ik kon onmogelijk nog naar links uitwijken en voor me doemde een stoeprand op. Ik trachtte nog mijn voorwiel op te heffen door mijn gewicht zoveel mogelijk naar achteraan de brommer te verplaatsen en met al mijn kracht mijn stuur de hoogte in te trekken, maar helaas! Mijn bromfiets botste tegen de trottoirband en ik vloog er af.

Ik rolde over de berm en zag tijdens het tollen dat ook mijn brommer een tuimeling maakte. Het licht van de verstraler scheen mijn richting uit. Toen zowel mijn tweewieler als mijn corpus tot stilstand waren gekomen, was het ineens muisstil. De motor van mijn brommer was stilgevallen en bijgevolg brandden ook zijn lichten niet meer. Ik rook benzine. En verwachtte elk ogenblik een horde mensen die bezorgd op me zouden komen toegelopen. In afwachting daarvan sloot ik mijn ogen en in een flits stelde ik me voor door een ambulance weggevoerd te worden. Ik maakte me zelfs reeds een voorstelling van mijn kameraden die bezorgd rondom mijn hospitaalbed stonden.

Toen er echter na enige tijd in mijn omgeving nog steeds géén beweging of geluid merkbaar was, opende ik opnieuw mijn oogleden en trachtte rechtop te staan. Dat lukte wonderwel! Enkel mijn rechterknie deed pijn en ook mijn ribben deden zeer. Waarschijnlijk gekneusd door de druk van het stuur op dit deel van mijn lichaam. Ik bekeek mijn kleding. Mijn mooie witte broek was niet gescheurd, maar ter hoogte van mijn knieën en rechterdij enorm vuil. Waarschijnlijk zou dat er niet meer kunnen uitgewassen worden. Mijn helm zat nog steeds op mijn hoofd.

Een beetje verloren keek ik om me heen. Ging er dan niemand komen opdagen om te zien of ik hulp nodig had? Het kon toch niet dat niet één persoon het ongeluk had zien gebeuren? Of toch? Op straat was er géén teken van leven te bespeuren. Aan de overkant van de weg was er uitsluitend akkergrond en aan de straatkant waar ik gevallen was stonden er slechts enkele huizen, die allemaal vrij ver van de straat waren gebouwd en een grote voortuin hadden. Er brandde wel licht achter de ramen, zo kon ik zien, maar ik zag géén beweging.

Een beetje stram stapte ik in de richting van mijn bromfiets en nam in het duister de schade op aan mijn tweewieler. Die bleek op het eerste zicht nog mee te vallen: een hoop krassen en een deuk in mijn benzinetank. Ik trok mijn brommer recht. Mijn stuur stond krom. Dat corrigeerde ik door voor mijn vehikel te gaan staan, met mijn benen en knieën mijn voorwiel vast te houden en met mijn handen een flinke ruk aan mijn stuur te geven.

Vervolgens nam ik plaats op het zadel. Mijn achteruitkijkspiegels waren door de schok ook los komen te zitten. Ik trachtte ze zo goed als mogelijk met mijn vingers terug vast te draaien. Op het moment dat ik mijn voertuig, al vanaf de eerste poging, gestart had gekregen, passeerde me voor het eerst sinds mijn val, een auto. Ik zette mijn bromfiets in beweging. Dat lukte. En de verlichting deed het ook nog. Aan een heel rustig tempo, hopend op eigen krachten thuis te geraken, reed ik op het fietspad verder. Even later stilletjes het etablissement passerend waar ik de avond had willen doorbrengen. Even verderop sloeg ik rechts een straat in om via de kortste weg terug bij mijn ouderlijke woning te geraken.

Onder het rijden merkte ik nog op dat mijn brandstoftank lekte. Met de wijsvinger van mijn linkerhand hield ik het scheurtje dicht. Zo arriveerde ik dan toch thuis. Niks deed vermoeden dat ik enkele maanden later opnieuw het slachtoffer zou worden van een verkeersongeval. En die keer met veel ernstiger gevolgen! Maar dat is een totaal ander verhaal, dat ik misschien later wel eens zal vertellen.

Ru(sh)di(e), 26 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)