01-01-12

Nieuwjaar 2012

  

Enkele nieuwe teksten om te posten zijn bijna klaar.

Maar in afwachting daarvan wens ik jullie alvast een SEXY Nieuwjaar!

 

Sexy girl - 033 (in a convertable car).jpg

  

24-01-11

De avonturen van Rudi & Co - Vakantie

Vele jaren lang bracht ik mijn vakantie door in Graskant, in de buurt van Nieverans. Na recentelijk een tip op de radio te hebben gehoord, heb ik voor dit jaar in allerijl nog een last minute geregeld naar de Costa Mijngazon, nabij Pelouse. Dit verblijfsoord toont wel opvallend veel gelijkenissen met mijn vroegere vakantieplek, maar een mens in vakantiestemming maalt daar niet om.

Echt op vakantie gaan zit er voor mij, voor het tiende jaar op rij, helemaal niet in. Nochtans had ik vurig gehoopt deze zomer eens een weekje aan de kust te kunnen doorbrengen. Maar het zal er helaas niet van komen. Hopelijk krijg ik wel een daguitstap met het gezin naar de Noordzeekust georganiseerd. Want na ze het ganse vorige kalenderjaar ook al niet te hebben gezien, verlang ik werkelijk naar de golvende zee, het zandstrand, de duinen en de gezonde zoute lucht aldaar. Om nog te zwijgen over al het bijkomstige maar evenzeer geapprecieerde moois dat er doorgaans valt te bewonderen.

Gelukkig hoef  ik dit jaar niet de ganse periode alleen door te brengen, maar houden mijn gezinsleden me het grootste deel van de tijd gezelschap. Van het feit dat de Oost-Vlaamse provinciehoofdstad, waar ze de voorbije week druk aan het feesten zijn geweest, op korte afstand ligt van ons vakantieverblijf, hebben we trouwens dankbaar gebruik gemaakt om daar ook even de sfeer te gaan opsnuiven.

Mijn puberende zoons vonden dat uitje reeds bij voorbaat allesbehalve de max, want op stap gaan met je ouders wordt door kinderen uit hun leeftijdscategorie als niet cool bestempeld. Toch heb ik hen zo nu en dan, op een onbewaakt moment, wel eens zien verwonderd of bewonderend kijken, glimlachen en zelfs genieten van de straatacts en de podiummuziek.

In één van die talloze over de pleintjes en straten van de binnenstad verspreide verkooptentjes, kon je T-shirts kopen met allerlei opschriften. Terwijl de jongens met hun ma de andere daar te koop aangeboden prullaria van dichtbij gingen bekijken, las ik de opschriften van de hemdjes. Eentje ervan vond ik wel leuk. Namelijk dit met de tekst: “Tell ur boobs to stop staring at my eyes” (zeg jouw borsten op te houden met naar mijn ogen te staren). Waarschijnlijk reeds sinds jaren verkrijgbaar, maar helmaal nieuw voor mij.

Een half uurtje later kreeg ik zin in een ijsje en troonde daarom mijn gezellen mee naar de Italiaanse ijsjeskar, die ik vanuit de verte had opgemerkt. Er stond een lange rij wachtende mensen voor ons. Wat ik persoonlijk niet zo erg vond, want de persoon die ijsjes stond te scheppen was een knap verkoopstertje. Dat tijdens haar werkzaamheden haar geduldige klanten beloonde met een niet te vermijden, noch te versmaden, inkijk op haar fraaie boezem.

Tot haar compagnon, waarschijnlijk de vriend van het meisje, in de gaten kreeg dat de in hoofdzaak mannelijke klandizie, meer oog had voor de mooi gevormde, lichtbruin gekleurde bollen in het meisje haar topje, dan in de in allerlei kleuren en smaken beschikbare, uit de diepvriesvakken geschepte ijscrème bollen. De kerel nam over en liet het meisje enkel nog toe als kassierster te fungeren. In welke functie een diep voorover buigen niet langer nodig was.

Het kan toeval zijn, maar na deze wissel slonk de rij aanschuivende klanten al even snel weg als mijn net gekochte, in een koeken hoorntje gedeponeerde bolletje vers schepijs met pistachesmaak smolt, door de warmte van de zon en mijn gulzig likkende tong.

Helaas toch weer een minpuntje op deze feesten. Goed bedoeld, maar daarom niet minder beledigend kwam, terwijl wij naar een optreden keken, een man mijn echtgenote meedelen dat ik ook vooraan, op een speciaal voor rolstoelers voorziene plek kon gaan staan. Zelfs toen ik die kerel zelf aansprak, bleef zijn aandacht enkel op mijn eega gericht. De man zal nog eens grondig moeten worden gesensibiliseerd. Zo een invalidenplekje vind ik trouwens niks voor mij. Je ziet dan vaak wel meer van wat er op het podium gebeurt, maar mist de aanwezigheid van je gezellen en het je opgenomen voelen in de menigte. Als je trouwens de pech hebt dat er net die avond een groepje gehandicapten uit een instelling op die plek wordt gedropt, maak je trouwens veel kans voornamelijk de keelklanken van dat enthousiaste publiek te horen, terwijl dat echt niet de bedoeling is. Waarmee ik uiteraard niet wil zeggen dat ik die mensen hun amusement niet gun, want het tegendeel is waar.

Afsluiten doe ik, als naar gewoonte, met nog iets plezant en positief. Toen wij het feestgewoel al verlieten, arriveerden er vier vrolijke jonge feestvierders die gezamenlijk een opklapbare lange zitbank in hun armen en handen meezeulden. Slim bekeken, zo een mobiele zitplaats annex stapodium. Persoonlijk sleep ik ook overal een zitplaats mee naartoe. Maar enkel voor mezelf. En de armsteunen van mijn vehikel zijn alleen bruikbaar als verhoog voor kleine kinderen, dus helaas niet langer meer voor mijn eigen kroost. Maar die kerels zijn nu al groot genoeg om alles goed te kunnen bezien van op de begane grond.

Ru(sh)di(e), 25 juli 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

01-01-11

Gelukkig Nieuwjaar!

Al mijn trouwe lezers,

maar tevens elke toevallige bezoeker van deze blog, wens ik toe:

een nieuw kalenderjaar, zonder zorgen en met heel veel genot!

 

2011 - 007.jpg

 

09-06-10

Herinneringen uit mijn verleden - Ambras buiten de klas

         

De buurjongen waar ik tijdens mijn middelbare schooltijd regelmatig mee naar school fietste en vaak ook terug weer huiswaarts keerde, had op een bepaald moment ambras met enkele gasten die ook bij ons op school zaten. Maar een andere studierichting volgden dan zowel mijn buurjongen als mij. Die toen aan het tweede jaar was begonnen, terwijl mijn buur nog maar in het eerste jaar zat.

Die kerel was nochtans even oud als mij, maar hij had zijn eerste jaar middelbaar onderwijs aan een andere onderwijsinstelling doorlopen. Studeren was er, dat jaar, voor hem nauwelijks bij geweest. Er op school een bonte boel van maken, des te meer. In die mate zelfs dat zowel directie als leerkrachten zijn ouders tegen het einde van dat schooljaar vriendelijk, doch dringend hadden verzocht hun zoon na de zomervakantie elders onder te brengen. Wat dus ook was gebeurd. De reeks opgestapelde buizen liet de jongen mooi achter zich, om met een nieuwe lei en een fris elan opnieuw het eerste jaar aan te vatten. Op de school waar ik dus al een jaar lang mijn broek had versleten. En ook wel wat kennis had vergaard.

Wat de oorzaak was van de ruzie, dat herinner ik mij niet meer. En wie precies de amokmakers waren die mijn buurjongen viseerden, dat kon hij me niet precies vertellen. Althans, zijn persoonsbeschrijvingen lieten bij mij geen belletje rinkelen van herkenning. En op zoek gaan naar die kerels kon ook niet. Want mijn maat bracht me pas van de onenigheid op de hoogte op het moment dat we, na schooltijd, onze fiets uit de stalling gingen halen om naar huis te rijden.

De gasten die het op mijn maat hadden gemunt, hadden aangekondigd hem na het beëindigen van de lessen, buiten het schoolterrein op te zullen wachten. Om met hem af te rekenen. Mijn buurjongen zijn beste vriend en tevens klasgenoot, die op onze schoolroute woonde en derhalve meestal met ons meereed, stelde voor om langs een andere weg dan de regulier gevolgde route huiswaarts te rijden. Wat wij een goed idee vonden.

We waren met ons drieën nog maar pas vertrokken of er kwamen ons daar van alle kanten fietsers tegemoet gereden. Allicht geïnspireerd door helden uit actiefilms op televisie of koele krijgers uit de westernboekjes die ik regelmatig las, sprong ik terstond van mijn fiets, duwde mijn stalen ros in de handen van de mij verbaast aankijkende vriend van mijn buur en ging heldhaftig voor mijn buurjongen staan. Met gebalde vuisten sprak ik onze belagers toe. Wie zinnes was om te trachten mijn maat te krenken, zou eerst met mij moeten afrekenen.

Uitdagend bewoog ik mijn hoofd van links naar rechts en keek al die pummels, één voor één, recht in de ogen. Tot ik opeens de stem hoorde van mijn maat zijn vriend. Die zei me dat die jongens tegenover ons niet de slechteriken waren, maar klasgenoten van hem en mijn buurjongen. En dus aan onze zijde stonden. Zo stond ik daar dus mooi voor aap. Belachelijk stoer te doen tegenover de verkeerde personen.

Maar ik liet die blunder niet aan mijn hart komen. En zag het grappige van de situatie wel in. Zo ook de rest van het groepje. Door dit incident was ineens ook alle spanning van ons afgevallen. En reden we in groep, gemoedelijk babbelend, huiswaarts. Die boelzoekers kwamen we op onze weg niet tegen. Waren die van op afstand getuige geweest van mijn optreden? En hadden ze daarom wijselijk beslist niet het risico te lopen slaag te krijgen van de toentertijd potige mij? Of waren ze bang van de grootte van onze groep en vreesden ze hoe dan ook het onderspit te moeten delven? Deze vragen zullen steeds onbeantwoord blijven. Het voornaamste feit was evenwel dat mijn buurjongen nooit meer van hen heeft last gehad.

*****

Datzelfde jaar heb ikzelf trouwens ook eens boel gehad met een jongen. Overigens niet zo verwonderlijk in een gemeenschap waar vele honderden jonge mannen in wording, bij wijze van spreken zitten opeengepakt.

Op de koer van de school, voor het traliehek dat het schoolterrein scheidde van het nabij gelegen park, stonden een aantal houten zitbanken. Uiteraard veel te weinig om alle leerlingen die in deze onderwijsinstelling les volgden, de mogelijkheid te bieden om er tijdens de pauzes op te verpozen.

Op een zekere dag in de lente kwamen mijn klasgenoten en ik tijdens de namiddagpauze als eersten naar buiten. Samen met een tweetal andere jongens nam ik plaats op de bank die stond opgesteld tegenover de deuropening van het schoolgebouw waar we net door waren naar buiten gekomen.

Even later kwamen ook tientallen andere kinderen, deels in groepjes, langs die deur en via de hoofdingang, de koer op. Vele onder hen, druk babbelend. En sommigen elkaar speels duwend. Eén groepje kwam recht op ons af. De twee jongens naast mij stonden direct op. Eén van de jongens die op ons waren afgestapt, keek me met zijn lelijke kop aan en sommeerde me om op te krassen. Want die bank was voorbehouden voor hem en zijn maten.

Met die jongen had ik een jaar eerder in de klas gezeten. Na de zomervakantie was hij op school gearriveerd met een inmiddels lange haardos en een ring in zijn linker oor. Wat toen erg in zwang was. Vooral bij hardrock en heavy metalfans. Van stadsgenoten van die gast had ik gehoord dat hij tijdens de zomer in aanraking was gekomen met de politie en het gerecht. En zelfs een tijdje had vast gezeten! Maar of dat waar was of (deels) verzonnen, daar heb ik het raden naar.

Nu was het mij inderdaad reeds opgevallen dat die sukkels nogal vaak op en om die bepaalde zitbank rondhingen. Maar ik was totaal niet van plan die kerel zijn bevel op te volgen. Dus antwoordde ik hem dat die bank er stond voor alle leerlingen. En ook ik dus het recht had er op uit te rusten.

Tegenspraak was dat gastje blijkbaar niet gewoon. Want zijn gezicht kleurde rood van woede. En hij stuurde een rochel richting mij. Wat ik dan weer geenszins apprecieerde. Ik veerde recht en stapte op die speekselproducent af. Welke achteruit deinsde. Dat er iets op til was, had al vlug een deel van de zich op de koer aanwezige scholieren door. Er vormde zich een ganse groep kijklustige tieners om ons heen. Opnieuw spuwde die kerel naar mij. Het slijm belandde op mijn jas. Boos trachtte ik mijn aanvaller op een wederkerige slijmsliert te trakteren. Maar spuwen was geenszins mijn specialiteit. Dus produceerde ik niet veel meer dan wat druppels mondvocht die, als uit een zeef, alle kanten, uitvlogen.

Het volgende moment kreeg ik een harde duw van dat arrogant ventje. Waarmee die kerel naar mijn normen helemaal te ver ging. Elkaar kietelen door het uitdelen van klappen met de vlakke hand, was niet aan mij besteed. Dus haalde ik uit met mijn rechtervuist en trof die kerel, met een flinke mep, vol op de kaak. Hij duizelde even en schudde zijn hoofd. Dan pas zag ik dat ik die kerel had geraakt op een plaats, net onder zijn linkeroog, waar zich net een korst had gevormd op een genezende wonde. Die nu terug bloot lag en bloedde.

Toen die kerel dat doorhad, werd hij woest. En wou hij me te lijf gaan. Maar ik zag zijn maten hem wijzen op de flink aangegroeide cirkel toeschouwers rondom ons en de naderende toezicht houdende studiemeesters. Hij gromde nog snel me na schooltijd aan het station te verwachten om het conflict af te handelen en verdween toen in de menigte. Toen ik om me heen keek zag ik dat minstens de helft van de schoolbevolking getuige was geweest van dit, voor mij toch, vervelend gebeuren.

Gedurende de overgebleven minuten van de rustpauze en zelfs tijdens de resterende twee lesuren van de dag, diende ik voortdurend te aanhoren dat men een spektakel verwachtte 's avonds aan het station. En op weg naar de fietsstalling werd ik ook, tot vervelens toe, geattendeerd op 'mijn' afspraak aan het treinstation. Nu lag die plek helemaal niet op mijn route naar huis toe en was ik totaal niet van plan mijn rijroute te wijzigen om die brutale medeleerling te plezieren. Als hij wou vechten, mij niet gelaten, maar dan wel op het schoolterrein!

Wat zulke kerels uiteraard niet doen. Want die hebben vaak al heel wat op hun kerfstok. En staan doorgaans al op een niet al te best blaadje bij de directie. Dus heb ik van die kerel achteraf geen last meer gehad. Dit ondanks het feit dat ik die namiddag gewoon huiswaarts ben gereden. Dit in tegenstelling tot een groot aantal schoolgenoten, die tevergeefs aan het treinstation mijn komst hadden afgewacht. Om me aan te moedigen? Bij een nederlaag uit te lachen? Wat kon mij dat schelen.

Die jongen zag ik daarna nog vaak. Zowel binnen de schoolpoort als daarbuiten. Stevig rokend en steeds met grieten in de buurt, die vielen op zijn type. In elk geval zag ik die jongen niet als een potentiële vriend en liet ik me dan ook niet in met hem en zijn activiteiten.

Bijna twintig jaar later heb ik die kerel nog eens terug gezien. Als klant in mijn winkel. Hij bleek toen al jaren chauffeur te zijn. Van internationaal transport. En zelfs in mijn buurt te wonen. Hij herkende mij evenwel niet meer. Maar ik hem des te meer. En ik herinnerde mij zelfs zijn naam nog. Zijn lange blonde haardos was nog intact. En er zat ook nog steeds een ring in zijn linker oorlel. Maar ze had het gezelschap gekregen van enkele piercings in de oorschelp. Ik kon in het uiterlijk van die kerel  nog steeds dat ruige ventje van weleer herkennen. Alleen was zijn huid nu versierd met allerlei tatoeages. Het plaatsen van dergelijke kunstwerken op andermans lichaam bleek overigens een activiteit te zijn waarmee hij zich in zijn vrije tijd bezig hield. Als bijverdienste. En uit ons gesprek kwam ik te weten dat hij ook nog steeds nicotineverslaafd was. Het kan inbeelding zijn geweest, maar op de door het roken verschraalde opperhuid van 's mans gezicht meende ik op zijn linkerwang, net onder het oog, een overblijfsel op te merken van het bijna twee decennia eerder voorgevallen schoolkoer incident.

Rudi, 29 april 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 13 mei 2010.

29-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Heel goede en erg kwade dagen

 

Enkele dagen geleden gaf een veehoudster uit de buurt me haar telefoonnummer, met de melding dat ik maar moet bellen mocht ik ooit in panne staan en niet thuis geraken. Zij of haar man zullen me dan komen halen met hun bestelwagen. Een aardige geste.

Gelukkig ben ik de laatste tijd verstoken gebleven van defecten aan mijn rolstoel. Het ding is wel nog steeds niet geheel hersteld na die aanrijding in maart vorig jaar, maar ik kan me behelpen voor mijn dagelijkse activiteiten.

Zo heb ik me weer tien dagen in het feestgewoel gestort in Lokeren, op heden nog steeds mijn woonplaats. Géén nachtenlange zwalppartijen dit jaar. Neen, de jongens gingen meestal mee en dus keerden we steeds op een deftig uur huiswaarts. 'k Heb overigens ook een verpleegster die me 's avonds in bed legt, dus ook zij bepaalde eigenlijk mede het uur waarop ik thuis moest zijn.

Als je je dan zo dikwijls midden zo veel mensen bevindt, gebeurt er af te toe wel eens iets. En soms is dat iets grappigs. Zoals bijvoorbeeld op die dag dat ik me, met in mijn kielzog mijn kroost, doorheen de menigte op de kermis bewoog, als steeds trachtend niemand aan te rijden met mijn vehikel.

Op een zeker moment was er daar een gans gezin dat nog net voor mij van de ene kant van de doorgang naar de andere wou crossen. Dus stopte ik om hen door te laten. Luttele seconden later stonden ze allemaal links van mij. Behalve één jongen, die rechts van me bleef staan. Zijn ouders riepen hem toe en deden teken dat ook hij hun kant moest opkomen. Die jongen antwoordde iets, maar zijn woorden werden overstemt door de geluiden van de kermis.

Inmiddels bleef ik geduldig staan. Die vader daarentegen werd ongeduldig en kwam zijn zoon halen, onderwijl nerveus vragend waarom hij niet met de rest was meegekomen. Het ventje wees met beide handen naar beneden en opende tevens zijn mond om iets te zeggen. De handgebaren lieten het me reeds vermoeden en nu hoorde ik ook wat hij zei: hij kon zich niet verplaatsen want ik stond met mijn voorwiel op zijn linkervoet.

Ik reed een klein beetje vooruit zodat die jongen zijn vrijheid terugkreeg. Hij lachte schaapachtig, deed een stap opzij, en ging naar zijn ouders, broer en zus toe die hem verbijsterd aankeken. Allicht vroegen die zich af  hoe het kwam dat die jongen géén pijn had.

Het is inderdaad zo dat stappers het nauwelijks voelen als ik met mijn 200 kilogram over hun voeten rij of er op ga staan. Zelfs kindjes niet. Dat zal allicht wel te maken hebben met de verdeling van het gewicht over de vier wielen en het feit dat ik met luchtbanden rij.

Schoon vrouwvolk dat daar trouwens in de ganse feestzone flaneerde. Niet te doen. Luchtig gekleed bovendien, gezien het zwoele weer. En wij, rolstoelers, zitten op een bevoorrechte hoogte om, zonder dat het opvalt, al die fraai gevormde derrières te bewonderen.

De Reggae avond was een topper. Er was veel volk op de been en het was derhalve niet zo eenvoudig een plekje voor het podium te vinden. Ik stond daar op enige afstand van de dranghekkens, met een vrij goed zicht op hetgeen zich op het podium afspeelde. Kwam daar toch wel een griet vlak voor me staan zéker! Een knap Hollands blondje weliswaar. Vanaf dan zag ik van die gasten op het podium niks meer, maar daarentegen, welbeschouwd als niet onaardig alternatief, een schoonheid die haar mooie ranke lichaam van alle kanten aan me etaleerde. Ja, het was de moeite, al had ze wel wat meer vlees op haar heupen en bibs mogen hebben. Perfectie is echter niet van deze wereld. Oh ja, en de muziek die het Gentse JAMAN ondertussen ten gehore bracht mocht er ook best wezen, alhoewel veel nummers leken op een doorslagje van elkaar.

Tussen bezoekjes aan de kermis op de markt, de Fonne-, de Lokerse en nog iets met een andere naam Feesten, organiseerde ik ook nog een uitje naar het alternatieve Nederlandse theaterpark ''t land van Ooit'. Best leuk. Dat park pakt graag uit met zijn toegankelijkheid en speciale aandacht voor mensen met een beperking, maar daar heb ik helaas bitter weinig van gemerkt. Twee voorstellingen hebben we bijgewoond: eentje in de arena en één in de manege, en telkens moest ik in de doorgang zitten, dus voor de tribune waarop al het andere volk zat, zo ook mijn gezelschap, en niet tussen hen in, zoals ik prefereer. Bij het binnen rijden in de manege werd me trouwens op het hart gedrukt mijn stoel niet te schuin te plaatsen, teneinde de andere bezoekers niet te veel te hinderen.

Ik had graag met een positieve noot willen eindigen, kwestie van de balans een beetje in evenwicht te houden, maar dat wordt moeilijk. De lift van dat busje waarmee ik naar Ooit werd gevoerd, werkte bij thuiskomst niet meer, van het slotvuurwerk van de Lokerse Feesten heb ik nauwelijks iets gezien, door de warmte laat mijn stem het al een tweetal weken afweten, één van mijn hoorapparaatjes is stuk en zo gaat er de laatste tijd nog wel één en ander mis.

Dan maar iets van op de Gentse Feesten, eind vorige maand, toen het onheil allicht reeds in de lucht hing, maar nog niet was neergedaald. Mijn echtgenote en ik waren daar de nacht van die hevige wolkbreuk. We schuilden eerst onder de tuinparasols voor en vervolgens in het overdekt terras van een eethuis, waar we een drankje bestelden. De serveuse plaatste de kop warme, dampende thee voor mijn neus, terwijl mijn wederhelft mijn glas witte wijn kreeg geserveerd. Ik zei haar: "Je ziet alweer wie hier als dronkaard wordt aanzien." De dienster hoorde dat, draaide zich weer om, en zei: "Oh, was ik verkeerd?" En terwijl dat meisje de drankjes wisselde liet ze er, quasi ernstig, op volgen: "Maar u zou niet mogen drinken, mijnheer, u moet immers nog rijden!" Waarop we alledrie in lachen uitbarstten.

Ru(sh)di(e), 12 augustus 2004 (revisie op 26 april 2009)

19-03-09

Rudi’s overdenkingen – Zorgbehoefte

 

Heb gisteren een stukje afgewerkt met mijn verzuchtingen betreffende de thuiszorg, maar ik durf het eerlijk gezegd niet openbaar te maken. Ik vrees er nogal voor verkeerd begrepen te worden en ben bang mijn eigen ruiten in te gooien. Per slot van rekening ben ik voor een groot stuk afhankelijk van de mensen waar ik in dat schrijfsel (goed bedoelde) kritiek op spui. En ik schrijf om gelezen te worden, en zulke epistels dan nog met de bedoeling de betrokkenen een spiegel voor te houden in de hoop dat dit hen tot nadenken zal brengen. In het belang van al hun patiënten!

Het weze duidelijk dat ik opkom voor de rechten van elkeen die zich in een gelijkaardige positie bevind als de mijne, maar die niet durft of, bijvoorbeeld door onmondigheid, niet kan opkomen voor zichzelf.

Uiteraard weet ik dat de betrokkenen in de thuiszorg het ook niet altijd gemakkelijk hebben, maar dat is niet mijn probleem. Een vakbondsafgevaardigde verdedigt toch ook de rechten van de werknemers en probeert het onderste uit de kan te halen voor zijn leden, terwijl ook hij of zij weet met welke problemen de werkgevers te kampen hebben en welke verantwoordelijkheden er op diens schouders rusten.

Al te dikwijls blijven wij - hulpbehoevenden - apathisch aan de zijlijn staan, bevreesd als we zijn nog minder, of zelfs helemaal niet meer geholpen te worden. Schrik om van de regen in een stortvlaag terecht te komen. En als men dan toch eens naar buiten komt, dan is het om meer geld te vragen. Akkoord, dat is misschien ook wel nodig, maar ikzelf ben van mening dat net details,  die niks kosten, maar enkel mogelijks een extra inspanning en wat (re)organisatie vergen, het leven van de thuis verzorgde hulpbehoevende medemens een heel stuk aangenamer zou kunnen maken.

Ook ik ben bevreesd en heb geen zin om me door mijn geschriften nog meer miserie op de hals te halen dan ik nu al heb. Dat is trouwens het gevaar' van het geschreven woord, hè. Een epistel kan gelezen worden en verkeerd begrepen en je bent daar niet (altijd) bij om uitleg te verschaffen. Ik heb dit in het verleden reeds eerder ervaren.

Nu ik het over het 'geschreven woord' heb, valt mij ineens een mop te binnen. Een beetje aangebrand evenwel, dus lezen er minderjarigen over je schouder mee of kan je zelf niet tegen dit soort grapjes, sla deze passage dan over en ga onmiddellijk door naar de laatste vijf alinea's. Knipogen

Bert was razend verliefd op een meisje uit zijn dorp en had, als ultieme blijk voor wat hij voor haar voelde en om haar duidelijk te maken dat, wat hem betrof, hun verbintenis voor altijd zou blijven duren, de naam van zijn vriendin op zijn jongeheer laten tatoeëren. Netjes, in donkerblauwe inkt, stond daar het woord 'Jennie' te lezen.

Aangezien hij dit als een weldaad voor zijn corpus ervoer, en voor zijn geest,  ging Bert af en toe naar de sauna. Als hij de eerstvolgende keer, na de zweetcabine te hebben verlaten, onder de douche wou gaan, kwam daar net een grote, donkerhuidige man uit de cabine, kompleet naakt, en vooraleer hij een handdoek omheen zijn middel kon slaan zag Bert die kerel zijn piemel, waar ook een tatoeage op stond, met potverdorie zelfs de zelfde naam als deze op de zijne.

Dus zei hij, "Excuseer me hoor, maar ik zag het puur toevallig.  Jouw vriendin noemt dus ook Jennie?" Waarop die zwarte, lachend: "Neen hoor, toch niet. Wanneer zij mijn penis in haar handjes neemt wordt vrij snel de naam van mijn liefste leesbaar: Josephine-Antoinette."

Over lullen gesproken, maar dan in de betekenis van kletsen en praten: over mijn logevallen in het universitair ziekenhuis in Gent kan ik ook één en ander vertellen. En dit sluit eigenlijk perfect aan bij het eerste deel van dit schrijfsel, en niet alleen omdat het ondermeer over verzorging gaat, maar dat merk je wel als je verder leest.

Mijn eerste jaar verblijf in het hospitaal had ik stelselmatig - soms met veel moeite, wegens fysisch onvermogen - ingesproken en neer getypt. In een eerste versie gewoonweg de naakte feiten, zonder meer. Een tweede, herwerkt relaas was ronduit cynisch. Om mijn verhaal voor een zo groot mogelijk lezerspubliek vermakelijker te maken, besloot ik het uiteindelijk te romantiseren, in de derde persoon te schrijven en enige fictie toe te voegen.

Er was een uitgever die wel interesse had om mijn verhaal te drukken. Mits het aanbrengen van bepaalde wijzigingen. Met een beetje fantasie er bij kan je stellen dat mijn zitje op de voorbije editie van de jaarlijkse Antwerpse boekenbeurs al klaar stond. Alhoewel ik dat eigenlijk niet echt nodig had gezien het feit dat ik nergens heenga (of eigenlijk rijd) zonder mijn elektrische rolstoel.

Of mijn boekje afnemers zou hebben gevonden, misschien zelfs een bestseller zou zijn geworden? Geen idee, en ik zal het ook nooit te weten komen, aangezien ik alles integraal van de harde schijf van mijn computer heb gewist. En ook de afgedrukte en op diskette gekopieerde exemplaren zijn stuk voor stuk verwijderd. De opgevoerde karakters waren immers, mijns inziens, te herkenbaar en ik was tevens bang bepaalde mensen, ongewenst en onverdiend, te kwetsen. Al waren er anderzijds anderen bij die eigenlijk wel verdienden nog harder te worden aangepakt dan ik in mijn manuscript had gedaan.

Stom? Ik denk het niet en nu, bijna driekwart jaar na het uitwissen, heb ik er nog steeds geen spijt van. Mogelijks begin ik, wie weet misschien zelfs vrij spoedig, aan een nieuw verhaal, waarin ik mijn ervaringen tijdens mijn ziekenhuisverblijf verwerk. Ondertussen zal ik echter niet nalaten in mijn schrijfsels enige negatieve aspecten die ik tijdens mijn bijna anderhalf jaar verblijf in het UZ heb ervaren, aan de kaak te stellen. Maar net zo zeer zal ik bepaalde positieve bevindingen en leuke avonturen van toen, wereldkundig maken. Jullie horen nog van me!

Ru(sh)di(e), 29 mei 2002 (revisie op 15 maart 2009)