29-06-12

Herinneringen uit mijn verleden - Hengelaarplezier & sportvisserijvertier

      

Reeds van op heel jonge leeftijd ging ik vissen. Mee met mijn pa, en meestal op paling. Eens ik als tiener, door mijn ouders oud genoeg werd bevonden, trok ik er alleen op uit. Meestal richting provinciaal domein. Een gigantisch terrein met een kasteel, bossen, bloementuinen, een dierenpark, speeltuin en enkele visvijvers. Gelegen op een kilometer of vijf van mijn ouderlijke woonst.

Toentertijd was fietsen binnen het domein niet toegelaten. En omdat de afstand tussen de ingang van het domein en de visputten, toch enkele kilometers bedroeg, had ik voor het transport van mijn spullen een karretje gemaakt. Van het onderstel van een oude kinderwagen, waarop ik een plank had bevestigd.

Het karretje plaatste ik op de bagagedrager achteraan mijn fiets. Mijn door mijn pa, met recuperatiemateriaal gemaakte houten vissersbak, kwam daar nog bovenop te staan. Met snelbinders bevestigde ik dit alles stevig aan mijn fiets. Mijn in een kokervormige stoffen tas gestopte werphengels en oude vissersparaplu, bevestigde ik, met oude lederen riempjes, aan de buis van mijn fiets.

Met al mijn visspullen op de fiets reed ik dan van thuis tot aan de ingang van het domein. En; van daar trok ik vervolgens het karretje met mijn visgerei, middels een stevig touw, tot aan de visvijver.

Het vissen was een vrij sociaal gebeuren. Rond de vijvers trof je vaak dezelfde mensen aan, waaronder ook heel wat jongelui. En bijna uitsluitend jongens en mannen. Eens geïnstalleerd op ons plekje aan het water, gingen we doorgaans bij de reeds eerder aanwezige hengelaars even gaan luisteren of ze al wat hadden gevangen. En zo het antwoord bevestigend was, keken we met graagte naar het door de visser even uit het water getilde leefnet. Om de zich daarin bevindende gevangen vis te aanschouwen. En de betreffende visser te feliciteren met zijn vangst.

Ook als we na een uur of zo turen naar onze dobber, of geduldig wachten op enig geluid van het aan onze werphengels bevestigde alarmbelletje, geen beweging of geluid waarnamen, gingen we elkaar opzoeken. Om onze nood te klagen. En onze benen te strekken. En als er iemand ‘beet’ had, dan kwamen de vissers uit diens buurt rond die gelukzak staan. Om hem bewonderend, en niet zelden met enige jalousie, de buit te zien binnenhalen. Vooral als het grote kanjers betrof, die meestal nogal wat weerwerk boden en moesten worden moe gemaakt, vooraleer te worden opgehaald, gaven nogal wat omstanders gretig hun ongevraagd en meestal ook onnodig en ongewenst advies. Gewoonlijk wel welkom was dan weer de hulp die collega-vissers boden door het reeds in het water houden van het schepnet met behulp waarvan de aan de haak van de vislijn hangende vis op de oever en dus het droge moest worden gebracht.

*****

Op een zekere dag in de vakantie, was ik met een vriend een namiddag gaan vissen in dat provinciaal domein. De buit was mager. Buiten de dikke aal die ik had gevangen. Nogal wat andere, rond de vijver verzamelde vissers, waren jaloers op mijn vangst.

Zo ook de corpulente zoon van de champetter uit een gehucht, grenzend aan de buurt waar ik woonde. Die kerel was een jaar of twee ouder dan mij. Daardoor en tevens door het feit dat we nooit bij elkaar op school hadden gezeten, kende ik de jongen slechts vaag.

Toen mijn maat en ik ons boeltje bij elkaar hadden gepakt en net op het punt stonden om ons via de, naast de vijver lopende, geasfalteerde laan, naar de uitgang van het domein te begeven, kwam die kerel, samen met zijn twee maten, op me af. En vroeg me of hij mijn vangst nog eens mocht zien.

Met enige tegenzin haalde ik de snelbinder van rond mijn op mijn karretje staande vissersbak, opende de klep ervan en haalde er het wit stoffen zakje uit waarin de door mij gevangen aal zat opgesloten. Ik loste de strop waarmee het zakje werd dicht gehouden en liet de inhoud zien: een vette paling van een centimeter of 40 lang, wel minstens 2 centimeter dik en vast minimaal 800 gram zwaar. Die lag te kronkelen in een door hemzelf geproduceerd half transparant wit slijm.

De ogen van de dikke tiener voor me puilden bijna uit hun kassen. Hij wou de aal van me afkopen. En bood er mij maar liefst 500 Belgische Franken voor aan, een goeie 12 Euro. In die tijd, eind de jaren zeventig, was dat, voor een jongere, een ferm bedrag.

Toch was mijn vangst verkopen geen optie. Die nam ik mee naar huis. Om aan mijn huisgenoten te tonen, te doden, te stropen, te kuisen en later zelf op te eten. En ik dacht er nog niet aan om dat ritueel te verbreken voor wat geld.

Die dikzak snapte dat evenwel niet. Hij bekende me dat hij thuis bij voorbaat had opgeschept over zijn visserstalent en de vangt die hij naar huis zou meebrengen. En nu dreigde hij gezichtsverlies te lijden door met kompleet lege handen weer te keren. Dus wou hij hoe dan ook mijn aal. En kwam dreigend en boos kijkend op me af toen ik het zakje weer dicht bond, wegstopte en mijn vissersbak weer aan mijn karretje vastmaakte.

Nu was ik in die tijd zelf geen hummel en best potig, maar toch vermeed ik liefst een fysieke confrontatie met die gast van minstens een kop groter dan mij en met een lichaamsvolume van wel drie keer het mijne. Dus wenkte ik mijn maat en zette het samen met hem op een lopen. Mijn karretje achter me aantrekkend.

De zoon van de champetter bleef eerst enkele seconden verbouwereerd ter plaatse staan, maar gaf toen met de palm van zijn dikke vette pollen zijn beide maten een flinke duw in de rug en zette zich samen met hen in beweging. Me onderwijl dingen toeroepend die ik niet kon verstaan. Want wij waren inmiddels al op geruime afstand van elkaar verwijderd. Met zijn logge lijf, nog verzwaard door de ballast van zijn visgerei, kon die gast trouwens mijn tempo absoluut niet aanhouden. Toen hij en zijn vrienden de uitgang van het domein bereikten, zaten mijn vriend en ik reeds op onze met het visgerei geladen fietsen en reden we gezwind weg van de fietsstelplaats. Die vetzak zonder visvangst het nakijken gevend.

Thuisgekomen toonde ik vol van trots mijn vangst aan mijn moeder. Die blij was met mijn succes. En verzekerde me dat ook mijn pa, bij thuiskomst van zijn werk, verheugd zou zijn over mijn vangst van zulk een ferme paling.

Over het conflict met de zoon van de champetter zweeg ik wijselijk. Het had geen zin om mijn ma nodeloos bezorgd te maken. Bovendien wou ik ten alle prijze vermijden dat ze me niet langer zou toelaten om alleen of met vrienden te gaan vissen.

Als steeds maakte ik zelf mijn vangst gereed om klaar te maken voor consumptie. Daar was ik goed in. Ook de buurjongens kwamen, als ze bij het vissen iets hadden gevangen, bij mij langs om hun vis te laten doden en kuisen. Dat deed ik buiten, of bij slecht weer, in onze garage.

Net onder de kop van mijn nog levende paling maakte ik met een scherp mes een snede. Waarna ik, terwijl ik met een vod de kop vasthield, met een oude platte bektang, de huid van de aal vastkneep en van diens lijf stroopte. Vervolgens sneed ik zijn buik open in de lengterichting. En haalde alle ingewanden uit het lijf door mijn duim van aan de kop tot aan de staart door het lijf te bewegen. Dan sneed ik de kop eraf en spoelde en wreef de overgebleven resten proper in een emmer met proper putwater. Dat ik middels onze oude waterpomp aan de oppervlakte had gebracht. Met keukenpapier depte ik daarna het vlees proper. En bracht het dan naar mijn ma. Die het in een zakje stopte en in de diepvries deponeerde. Om er later, samen met andere door mijn pa en mij gevangen palingen, een heerlijke maaltijd mee te bereiden.

*****

Door dat vaak uit vissen gaan naar dezelfde waterput, leerde ik er dus snel jongens kennen die daar dezelfde hobby uitoefenden. Het waren doorgaans kerels van ongeveer mijn leeftijd of enkele jaren ouder. Soms zat ieder gewoon op zijn eigen plekje en brachten we elkaar zo nu en dan een bezoekje. Om te zien wat de andere al had gevangen, maar vaak ook gewoon om een praatje te slaan en zo de tijd te doden.

Soms troepten we ook samen en zaten we allemaal naast elkaar met onze vislijnen. Door ons gestoei en gebabbel werden de vissen vast afgeschrikt, want veel werd er op die momenten doorgaans niet gevangen. Ook niet die keer dat ik als twaalfjarige met de enkele jaren oudere, aan de visput ontmoette Wouter en nog een tweetal andere gelegenheidsvrienden, aan het vissen was. Het was warm weer en we hadden dan wel nog niet eens beet gehad, de leute was er niet minder om.

Op een gegeven moment kwam er op het wandelpad, gelegen op een tiental meter van, en iets hoger dan, de visvijver, een knap blond grietje aangetrippeld. Uiteraard was Wouter de eerste uit ons groepje die het meisje had opgemerkt. De praatgrage kerel zat immers meer rondom zich te kijken dan naar de dobber van zijn vislijn. Hij maakte ons, de andere drie, met opgewonden stem, attent op die mooie verschijning. En het korte rokje dat ze droeg onder het al even weinig verhullende topje van het, voor haar vermoedelijk zowat vijftien jarige leeftijd, reeds fraai gevormde lichaam.

Wouter floot luid tussen zijn tanden. De frêle schoonheid stopte en keek ons glimlachend aan. Waarop Wouter haar uitdagend vroeg of dat rokje niet nog wat hoger kon. “Oh, jawel hoor!” zei het meisje lachend, “Ik draag er toch nog een broekje onder!” Waarop het lekker ding haar minirokje optilde en wij een nauw om haar lijf spannend bleekroos onderbroekje te zien kregen.

Wouter sprong van opwinding bijna uit zijn eigen broek. Zenuwachtig, met blozende kaken en trillende stem vroeg hij aan het meisje waar ze heen ging. De speeltuin, zo liet ze weten. En toen ze met haar lieflijke stem positief antwoordde op zijn vraag of hij mee mocht gaan met haar, was Wouter niet meer te houden. Verbaast keken we toe hoe de jongen vliegensvlug al zijn visgerij bij elkaar scharrelde, ons nog snel ten afscheid groette en vervolgens naar dat meisje toe holde.

Wij, achterblijvers, keken die twee nog even na. Wouter met zijn zware visbak middels een riem op de rug dragend, in één hand de lange smalle zak met zijn vislijnen en met de andere hand wild gebaren makend. Terwijl het naast hem stappende meisje hem, onder het verleidelijk bij elkaar nemen van haar lange sluike haar, glimlachend aankeek. Waarschijnlijk was onze maat die knappe deerne een verzonnen verhaal aan het vertellen over eerdere wonderbaarlijke visvangsten.

Wouter zagen we die dag niet meer terug. Maar een dag later was hij wel terug van de partij. En bracht de jonge kerel, onder het vissen, in geuren en kleuren verslag uit van de formidabele namiddag die hij had beleefd met die mooie, vrouwelijke leeftijdgenote.

Ru(sh)di(e), 23 oktober 2011 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 januari 2012.

02-11-10

Heden en verleden - Damesfiets

      

Gedurende de laatste jaren van mijn middelbare schooltijd gebruikte ik vaak mijn moeder haar, toen nieuwe, bruinkleurige fiets om me naar school te verplaatsen. Ik reed immers veel liever met een damesfiets, waarop je rechtop kan zitten, dan met een herenfiets, waarop je je in een voorover gebogen zithouding voortbeweegt.

Toentertijd had ik halflang haar. En droeg ik meestal een jeansbroek. Van die nauw om je lichaam spannende exemplaren. En mijn bovenlichaam stak vaak in een trui die tot onder mijn zitvlak reikte. Of een hemd van een type dat zowel door meisjes als door jongens werd gedragen, met de lange slippen boven de broek gehangen. Met als gevolg dat ik, als fietser, zo nu en dan door jongens werd nagefloten. Die zagen mij, vanaf de rug gezien, immers aan als meisje! Toen vond ik dat helemaal niet leuk. Maar als ik daar nu aan terugdenk, vind ik dat vrij grappig.

Op de dagen dat ik met mijn ma haar fiets mijn schoolse plicht vervulde, stalde ik dit stalen ros niet in de reguliere, door de onderwijsinstelling voorziene parkeerstalling. Daar moest die immers aan een haak worden gehangen. Wat heel sletig was voor het rijwiel. En ik vond het mijn plicht om uiterste zorg te dragen voor mijn ma’s gerief. Ik was al blij dat ze die fiets zo gewillig aan mij toevertrouwde. Dus haar eigendom in goede staat houden was het minste wat mijn ma van me mocht verwachten.

Daarom plaatste ik haar mooie rijwiel tussen de bomen aan de hoofdingang van de school. Op een plek waar voortdurend volk passeerde. En netjes beveiligd met het wielslot waar ma’s velo mee was uitgerust. Een toenmalig modern gadget dat het gedoe met losse fietssloten overbodig maakte. De eerste keren dat ik met ma’s fiets naar school kwam, controleerde ik tijdens de pauzes telkenmale of hij er nog stond. Maar al snel stapte ik af van die gewoonte.

Toen ik na een examen, waarbij we de school mochten verlaten eens we ons antwoordenblad hadden afgegeven, bij de fiets arriveerde, kwam ik tot de vaststelling dat ik het sleuteltje van het fietsslot kwijt was. Ik tastte alle zakken van mijn kledij af, maar kon dat drommelse kleine ding helaas niet vinden. Was ik het dan verloren, onderweg van het klaslokaal naar de stalplaats? Ik speurde het ganse traject af, tot twee keer toe, maar kon jammer genoeg het sleuteltje niet vinden.

Dus ben ik maar in een werkplaats van de school een stevige tang gaan lenen. Een zogenoemde betonschaar. In elk van mijn pollen hield ik het uiteinde van één van die wel een halve meter lange handvatten vast. De hardstalen bekken van het werktuig plaatste ik op het stukje buis van het fietsslot dat tussen de spaken van het achterwiel stak om zodoende het ronddraaien ervan te vermijden. Met pijn in het hart bracht ik met een, vanwege het hefboomeffect, weinig benodigde kracht, mijn handen naar elkaar. Waarbij het stukje buis werd doorgeknipt en ik het vervolgens probleemloos kon verwijderen. En na het terugbrengen van dat stuk knipgereedschap, gezwind met de fiets naar huis kon rijden.

Met een ei in mijn strakke broek natuurlijk, want ik had mijn ma haar mooie, nieuwe, voor haar verplaatsingen zoals boodschappen doen zo noodzakelijk instrument, een stukje kapot gemaakt. Welks scene er zich bij mijn thuiskomst afspeelde, kan ik mij niet meer herinneren. Dus vermoed ik dat mijn ma niet al te zwaar heeft getild aan het gebeurde. Ze kende mij als een zorgzaam type persoon en wist dus dat ik dat sleuteltje niet uit onachtzaamheid zou zijn kwijtgespeeld. Dat ik een goed examen had gemaakt interesseerde haar toen vast meer. En dat ik die namiddag onbezorgd studeerde voor het examen van de dag nadien was op dat moment waarschijnlijk ook een grotere bekommernis. Vermoedelijk is moederlief, vanaf die dag, om haar rijwiel vast te zetten, terug een gewoon cijferslot uit onze collectie beginnen gebruiken.

*****

Toen mijn ma zich vele jaren later opnieuw een nieuwe fiets aanschafte, gaf ze de oude, een iets meer dan een decennium eerder soms nog door mij bereden fiets, aan mijn echtgenote cadeau. Nog steeds in goede staat, want zorgzaam onderhouden door mijn ouders. En inclusief fietszakken, die inmiddels aan het fietsstoeltje waren bevestigd. Dat wielslot bevond zich ook nog steeds in de toestand waarin ik het had gebracht. Dus onbruikbaar. Het door de fietsmaker later vervangen door een nieuw exemplaar was er blijkbaar nooit van gekomen. Of mogelijks door mijn ouders te duur bevonden.

De fiets kreeg een plaatsje toegewezen bij de andere rijwielen in onze garage. Waaronder de voorheen door mijn vrouw gebruikte tweedehands fiets. Welke werd op rust gesteld, maar behouden als reservefiets. Zo begon ma’s oude fiets aan een nieuw leven. Waarin het voortverplaatsingsmiddel heel wat minder intensief werd gebruikt. Af en toe voor een marktbezoek, nu en dan eens om brood te halen bij de bakker en hoogst zelden voor een fietstochtje.

*****

Een jaar of drie geleden kocht ik mijn beide zoons elk een moderne, sportieve herenfiets. Waarvan ze, binnen het door mij beschikbaar gestelde budget, ieder voor zich, zelf het merk en model mochten uitkiezen. Waar ze heel blij mee waren. Dit in tegenstelling tot de gevoelens die ze uitten toen ik hen naderhand een mooie, sobere maar kwalitatieve fietshelm bezorgde. Waarvan ik verwachtte dat ze die op hun hoofdje zouden zetten bij elke verplaatsing met hun nieuwe, overeenkomstig hun lichaamsgrootte, nog net iets te grote fiets.

Sinds het begin van dit jaar is één van mijn zoons begonnen met nogal vaak zijn moeders fiets te gebruiken bij zijn verplaatsingen naar school, het zwembad, de bakker of andere bestemmingen. Vooral die fietszakken vind de jongen erg praktisch en handig. Om het brood van bij de bakker in op te bergen, zijn inline skates of zwemgerei in te vervoeren bij het uit sporten gaan en zo meer.

Het rijwiel is, door een vrijwel totaal gebrek aan onderhoud, volledig doorroest en oogt helemaal niet fraai meer. Maar dat deert mijn zoon blijkbaar niet. Volgens hem bolt het oude karretje trouwens zelfs beter dan zijn door opa’s noeste arbeid nog steeds als nieuw ogende herenfiets.

Mijn zoon Brian op de van oorsprong zijn oma’s fiets… een déja vu? De kledij waarmee de jongen op de fiets zit verschilt wel wezenlijk van mijn toenmalige outfit. Hij draagt ook wel vaak jeans, maar van die net iets te grote modellen, die hij dan overeenkomstig de huidige mode, halverwege zijn poep laat hangen. Zodat minstens de helft van zijn onderbroek voor iedereen zichtbaar is. Terwijl in mijn tijd ondergoed zedig werd onttrokken aan het oog van anderen.

Lange truien of dito hemden draagt mijn zoon niet. En zijn bruine krulletjes worden meestal heel kort gehouden. Behalve als hij, zoals nu, aan het sparen is voor wat haar om er vervolgens vlechtjes in te laten leggen. Zoals menig topvoetballer, rapper of hiphopartiest.

Aangezien mijn dertienjarige zoon er dus, in tegenstelling tot zijn pa, bijna twee decennia eerder, langs geen enkele kant bekeken, ook maar een beetje vrouwelijk uitziet, zal hij allicht nimmer door jongens worden nagefloten. Tenzij het dan kerels zou betreffen die vallen voor menselijke exemplaren van hun eigen soort. Maar van dergelijke voorvallen heb ik geen weet. En ik ben er heel zeker van dat zoonlief zulks absoluut niet leuk zou vinden. En helemaal niet grappig!

Rudi, 20 mei 2010 (publicatie op mijn blog ‘Rudi’s kijk op de wereld’), revisie op 2 november 2010.

09-06-10

Herinneringen uit mijn verleden - Ambras buiten de klas

         

De buurjongen waar ik tijdens mijn middelbare schooltijd regelmatig mee naar school fietste en vaak ook terug weer huiswaarts keerde, had op een bepaald moment ambras met enkele gasten die ook bij ons op school zaten. Maar een andere studierichting volgden dan zowel mijn buurjongen als mij. Die toen aan het tweede jaar was begonnen, terwijl mijn buur nog maar in het eerste jaar zat.

Die kerel was nochtans even oud als mij, maar hij had zijn eerste jaar middelbaar onderwijs aan een andere onderwijsinstelling doorlopen. Studeren was er, dat jaar, voor hem nauwelijks bij geweest. Er op school een bonte boel van maken, des te meer. In die mate zelfs dat zowel directie als leerkrachten zijn ouders tegen het einde van dat schooljaar vriendelijk, doch dringend hadden verzocht hun zoon na de zomervakantie elders onder te brengen. Wat dus ook was gebeurd. De reeks opgestapelde buizen liet de jongen mooi achter zich, om met een nieuwe lei en een fris elan opnieuw het eerste jaar aan te vatten. Op de school waar ik dus al een jaar lang mijn broek had versleten. En ook wel wat kennis had vergaard.

Wat de oorzaak was van de ruzie, dat herinner ik mij niet meer. En wie precies de amokmakers waren die mijn buurjongen viseerden, dat kon hij me niet precies vertellen. Althans, zijn persoonsbeschrijvingen lieten bij mij geen belletje rinkelen van herkenning. En op zoek gaan naar die kerels kon ook niet. Want mijn maat bracht me pas van de onenigheid op de hoogte op het moment dat we, na schooltijd, onze fiets uit de stalling gingen halen om naar huis te rijden.

De gasten die het op mijn maat hadden gemunt, hadden aangekondigd hem na het beëindigen van de lessen, buiten het schoolterrein op te zullen wachten. Om met hem af te rekenen. Mijn buurjongen zijn beste vriend en tevens klasgenoot, die op onze schoolroute woonde en derhalve meestal met ons meereed, stelde voor om langs een andere weg dan de regulier gevolgde route huiswaarts te rijden. Wat wij een goed idee vonden.

We waren met ons drieën nog maar pas vertrokken of er kwamen ons daar van alle kanten fietsers tegemoet gereden. Allicht geïnspireerd door helden uit actiefilms op televisie of koele krijgers uit de westernboekjes die ik regelmatig las, sprong ik terstond van mijn fiets, duwde mijn stalen ros in de handen van de mij verbaast aankijkende vriend van mijn buur en ging heldhaftig voor mijn buurjongen staan. Met gebalde vuisten sprak ik onze belagers toe. Wie zinnes was om te trachten mijn maat te krenken, zou eerst met mij moeten afrekenen.

Uitdagend bewoog ik mijn hoofd van links naar rechts en keek al die pummels, één voor één, recht in de ogen. Tot ik opeens de stem hoorde van mijn maat zijn vriend. Die zei me dat die jongens tegenover ons niet de slechteriken waren, maar klasgenoten van hem en mijn buurjongen. En dus aan onze zijde stonden. Zo stond ik daar dus mooi voor aap. Belachelijk stoer te doen tegenover de verkeerde personen.

Maar ik liet die blunder niet aan mijn hart komen. En zag het grappige van de situatie wel in. Zo ook de rest van het groepje. Door dit incident was ineens ook alle spanning van ons afgevallen. En reden we in groep, gemoedelijk babbelend, huiswaarts. Die boelzoekers kwamen we op onze weg niet tegen. Waren die van op afstand getuige geweest van mijn optreden? En hadden ze daarom wijselijk beslist niet het risico te lopen slaag te krijgen van de toentertijd potige mij? Of waren ze bang van de grootte van onze groep en vreesden ze hoe dan ook het onderspit te moeten delven? Deze vragen zullen steeds onbeantwoord blijven. Het voornaamste feit was evenwel dat mijn buurjongen nooit meer van hen heeft last gehad.

*****

Datzelfde jaar heb ikzelf trouwens ook eens boel gehad met een jongen. Overigens niet zo verwonderlijk in een gemeenschap waar vele honderden jonge mannen in wording, bij wijze van spreken zitten opeengepakt.

Op de koer van de school, voor het traliehek dat het schoolterrein scheidde van het nabij gelegen park, stonden een aantal houten zitbanken. Uiteraard veel te weinig om alle leerlingen die in deze onderwijsinstelling les volgden, de mogelijkheid te bieden om er tijdens de pauzes op te verpozen.

Op een zekere dag in de lente kwamen mijn klasgenoten en ik tijdens de namiddagpauze als eersten naar buiten. Samen met een tweetal andere jongens nam ik plaats op de bank die stond opgesteld tegenover de deuropening van het schoolgebouw waar we net door waren naar buiten gekomen.

Even later kwamen ook tientallen andere kinderen, deels in groepjes, langs die deur en via de hoofdingang, de koer op. Vele onder hen, druk babbelend. En sommigen elkaar speels duwend. Eén groepje kwam recht op ons af. De twee jongens naast mij stonden direct op. Eén van de jongens die op ons waren afgestapt, keek me met zijn lelijke kop aan en sommeerde me om op te krassen. Want die bank was voorbehouden voor hem en zijn maten.

Met die jongen had ik een jaar eerder in de klas gezeten. Na de zomervakantie was hij op school gearriveerd met een inmiddels lange haardos en een ring in zijn linker oor. Wat toen erg in zwang was. Vooral bij hardrock en heavy metalfans. Van stadsgenoten van die gast had ik gehoord dat hij tijdens de zomer in aanraking was gekomen met de politie en het gerecht. En zelfs een tijdje had vast gezeten! Maar of dat waar was of (deels) verzonnen, daar heb ik het raden naar.

Nu was het mij inderdaad reeds opgevallen dat die sukkels nogal vaak op en om die bepaalde zitbank rondhingen. Maar ik was totaal niet van plan die kerel zijn bevel op te volgen. Dus antwoordde ik hem dat die bank er stond voor alle leerlingen. En ook ik dus het recht had er op uit te rusten.

Tegenspraak was dat gastje blijkbaar niet gewoon. Want zijn gezicht kleurde rood van woede. En hij stuurde een rochel richting mij. Wat ik dan weer geenszins apprecieerde. Ik veerde recht en stapte op die speekselproducent af. Welke achteruit deinsde. Dat er iets op til was, had al vlug een deel van de zich op de koer aanwezige scholieren door. Er vormde zich een ganse groep kijklustige tieners om ons heen. Opnieuw spuwde die kerel naar mij. Het slijm belandde op mijn jas. Boos trachtte ik mijn aanvaller op een wederkerige slijmsliert te trakteren. Maar spuwen was geenszins mijn specialiteit. Dus produceerde ik niet veel meer dan wat druppels mondvocht die, als uit een zeef, alle kanten, uitvlogen.

Het volgende moment kreeg ik een harde duw van dat arrogant ventje. Waarmee die kerel naar mijn normen helemaal te ver ging. Elkaar kietelen door het uitdelen van klappen met de vlakke hand, was niet aan mij besteed. Dus haalde ik uit met mijn rechtervuist en trof die kerel, met een flinke mep, vol op de kaak. Hij duizelde even en schudde zijn hoofd. Dan pas zag ik dat ik die kerel had geraakt op een plaats, net onder zijn linkeroog, waar zich net een korst had gevormd op een genezende wonde. Die nu terug bloot lag en bloedde.

Toen die kerel dat doorhad, werd hij woest. En wou hij me te lijf gaan. Maar ik zag zijn maten hem wijzen op de flink aangegroeide cirkel toeschouwers rondom ons en de naderende toezicht houdende studiemeesters. Hij gromde nog snel me na schooltijd aan het station te verwachten om het conflict af te handelen en verdween toen in de menigte. Toen ik om me heen keek zag ik dat minstens de helft van de schoolbevolking getuige was geweest van dit, voor mij toch, vervelend gebeuren.

Gedurende de overgebleven minuten van de rustpauze en zelfs tijdens de resterende twee lesuren van de dag, diende ik voortdurend te aanhoren dat men een spektakel verwachtte 's avonds aan het station. En op weg naar de fietsstalling werd ik ook, tot vervelens toe, geattendeerd op 'mijn' afspraak aan het treinstation. Nu lag die plek helemaal niet op mijn route naar huis toe en was ik totaal niet van plan mijn rijroute te wijzigen om die brutale medeleerling te plezieren. Als hij wou vechten, mij niet gelaten, maar dan wel op het schoolterrein!

Wat zulke kerels uiteraard niet doen. Want die hebben vaak al heel wat op hun kerfstok. En staan doorgaans al op een niet al te best blaadje bij de directie. Dus heb ik van die kerel achteraf geen last meer gehad. Dit ondanks het feit dat ik die namiddag gewoon huiswaarts ben gereden. Dit in tegenstelling tot een groot aantal schoolgenoten, die tevergeefs aan het treinstation mijn komst hadden afgewacht. Om me aan te moedigen? Bij een nederlaag uit te lachen? Wat kon mij dat schelen.

Die jongen zag ik daarna nog vaak. Zowel binnen de schoolpoort als daarbuiten. Stevig rokend en steeds met grieten in de buurt, die vielen op zijn type. In elk geval zag ik die jongen niet als een potentiële vriend en liet ik me dan ook niet in met hem en zijn activiteiten.

Bijna twintig jaar later heb ik die kerel nog eens terug gezien. Als klant in mijn winkel. Hij bleek toen al jaren chauffeur te zijn. Van internationaal transport. En zelfs in mijn buurt te wonen. Hij herkende mij evenwel niet meer. Maar ik hem des te meer. En ik herinnerde mij zelfs zijn naam nog. Zijn lange blonde haardos was nog intact. En er zat ook nog steeds een ring in zijn linker oorlel. Maar ze had het gezelschap gekregen van enkele piercings in de oorschelp. Ik kon in het uiterlijk van die kerel  nog steeds dat ruige ventje van weleer herkennen. Alleen was zijn huid nu versierd met allerlei tatoeages. Het plaatsen van dergelijke kunstwerken op andermans lichaam bleek overigens een activiteit te zijn waarmee hij zich in zijn vrije tijd bezig hield. Als bijverdienste. En uit ons gesprek kwam ik te weten dat hij ook nog steeds nicotineverslaafd was. Het kan inbeelding zijn geweest, maar op de door het roken verschraalde opperhuid van 's mans gezicht meende ik op zijn linkerwang, net onder het oog, een overblijfsel op te merken van het bijna twee decennia eerder voorgevallen schoolkoer incident.

Rudi, 29 april 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 13 mei 2010.

27-05-10

Heden en verleden - Het leven zoals het is

  

Vorige week was ik aanwezig in een bankkantoor waar ik tot dan toe niet als klant was gekend. De reden van mijn bezoek aldaar was het openen van een bankrekening. Zonder slag of stoot ging dat niet. Want het computersysteem weigerde in eerste instantie, en ook in tweede, mijn identiteitsgegevens te bewaren, die via mijn in een kaartlezer gestopte identiteitskaart, op het computerscherm verschenen.

Bijgevolg dienden mijn gegevens op de conventionele manier te worden ingebracht. Zijnde het inscannen van de beide zijden van mijn elektronische identiteitskaart en van mijn handtekening. Waar serieus wat tijd in kroop. Wat ik dacht in een kwartiertje geregeld te krijgen, nam uiteindelijk drie keer zoveel tijd in beslag!

En mensen, wat een massa papier ging er bij deze handeling verloren. Die registratiepapieren, in drie exemplaren, het afdrukken van de voorwaarden en zo meer. Ecologisch gezien betekent het openen van een bankrekening, op zulk een manier, ernstige roofbouw op de natuur. Papier, inkt, elektriciteit... Mijn ecologische voetafdruk bedraagt alweer een maatje meer. Helaas! Maar gedane zaken nemen geen keer, dus ga ik me voor de rest niet druk maken over dit feit.

Wat ik enigszins raar vind is dat de dame die deze formaliteiten vervulde, gegevens wou over mijn inkomen, wou weten welke inkomsten er op die net geopende rekening zullen worden gestort en ze me daarenboven, weliswaar vriendelijk, doch enigszins dwingend, de vraag stelde of ze mocht weten wat ik van plan ben om met die rekening aan te vangen.

Waarschijnlijk is dit een routinevraag, maar ze kwam bij mij nogal raar over. Alsof bijvoorbeeld een dakwerker zal zeggen dat hij op zijn nieuwe bankrekening zijn uit zwartwerk verkregen inkomsten zal storten. Of een witte boord crimineel zal verklaren dat hij er zijn frauduleus verkregen gelden op zal parkeren. Of een drugsbaas aan een bankbediende zal bekennen dat hij net een rekening opende om er de opbrengsten van zijn drugstrafiek op onder te brengen.

Voorts vind ik zulk een vraag een ernstige inbreuk op de privacy. Stel je voor dat ik aan een sollicitant, die zich bij mij aandient voor een openstaande vacature, zou vragen wat de  kandidaat zinnens is om aan te vangen met het geld dat zij of hij bij een eventuele aanwerving, bij mij kan verdienen? Ik zou ongetwijfeld nogal een hevige reacties krijgen. En mogelijks niemand vinden om voor me werken. Terecht, overigens!

Maar ik hield me, in tegenstelling tot wat mijn gewoonte is, gedeinsd. Dat ganse gedoe met al die paperassen had al zo veel tijd gekost, dat ik geen zin had om er nog meer te verspillen door een nutteloze discussie aan te gaan met iemand die vast enkel uitvoerde wat haar overste haar heeft opgedragen.

Toen die vrouwelijke bankbediende alle verkregen data opsomde riep in haar op een gegeven moment even halt toe. Want bij burgerlijke stand had ik gehoord 'ongehuwd'. Terwijl ik officieel wel al sinds 1993 ben getrouwd. Die status wijzigen was volgens de bankbediende evenwel onmogelijk, omdat het gegeven zo van mijn identiteitskaart werd gelezen. Vreemd...

*****

Enkele dagen voordien had de, volgens de aan mijn identiteitskaart gekoppelde data, niet bestaande echtgenote, op mijn herhaald verzoek, mijn nog, in wat vroeger onze gezamenlijke slaapkamer op de eerste verdieping was, aanwezige kledij, in een grote doos en een dito geruite verhuiszak gestopt. Zodat ik ze elders, in een voor mijn assistenten toegankelijke ruimte, zou kunnen onderbrengen.

Terwijl ikzelf in de woonkamer zat, op het gelijkvloers, zoals vaak voor mijn computer, was zoon Brian blijkbaar toevallig getuige van de activiteiten van zijn ma. Want ik hoorde hem plots, door het houten vloer annex plafondgewelf uitroepen 'awesome!' (formidabel!). Waarna ik hem van de, ook al houten, trap hoorde naar beneden denderen. Waar even later de deur tussen onze hal en de woonkamer open vloog, en mijn zoon door het deurgat de kamer binnen stormde. Uitgedost in een beige broek die ooit tot mijn zondagse outfit behoorde en mijn, uit een ver verleden afstammende, zware zwartlederen motorvest.

Uitgelaten en blij stond de jongen daar te draaien, zich te showen voor mij en voor zichzelf. Dat laatste was mogelijk door de weerspiegeling van zijn gedaante in het glas van een manshoge vitrinekast die in onze living staat opgesteld. Brian had deze kledij gegraaid uit die door mij ter beschikking gestelde doos. Ooit de stevige kartonnen verpakking van een groot computerbeeldscherm.

Een dag later heb ik, met de praktische hulp van mijn assistente, alle overgebleven kledij van vroegere jaren eens aan mijn gezichtsveld laten passeren en er de items uitgehaald waarvan ik vermoedde dat ze mijn kinderen zouden passen en waarin ze mogelijks zouden kunnen geïnteresseerd zijn om ze aan hun garderobe toe te voegen.

In de avonduren heb ik hen die kledingvoorraad dan naar de woonkamer laten brengen. En mochten ze hun keuze maken. Wat me een verkleedschouwspel bezorgde dat aangenaam was om te zien.

*****

Het weerzien van een deel van mijn kledij van een tijd geleden, deed me terugdenken aan mijn favoriete kledingstukken van nog vroeger. In de decade tussen mijn vijftiende en mijn vijfentwintigste levensjaar droeg ik graag strakke, nauw om het lijf spannende broeken. Waarvoor je plat achterover op je bed moest gaan liggen om ze aan te trekken. En je buik diende in te trekken om de rits gesloten en de broeksknop dicht te krijgen.

Meestal droeg ik jeans. Maar af en toe kon ook een uit een andere textielstof vervaardigde pantalon, mij bekoren. Zo had ik, ten tijde van mijn voorlaatste jaar aan de middelbare school, een witte broek. Die enkel ter hoogte van mijn onderbenen enige ruimte vrij liet tussen het kledingstuk en mijn huid.

Op het einde van het schooljaar had ik mij vrijwillig aangemeld om ter voorbereiding van het opendeur weekend, op een vrije namiddag, het elektronicalokaal van onze school op te ruimen en enigszins aantrekkelijk in te richten. De klus was bijna geklaard toen ik mij hurkte om iets op te heffen en bij deze handeling de achterkant van mijn strakke witte broek hoorde en voelde scheuren.

Snel stelde ik me recht en voelde met mijn beide handen aan mijn bibs. Mijn broek was netjes in twee gescheurd, over de gehele lengte van mijn bilspleet! Nog een geluk dat ik die ochtend een propere onderbroek had aan getrokken. Want mijn twee klasgenoten, met wie ik de werkzaamheden verrichtte, waren op het geluid van die scheurende stof en mijn daarop aansluitend gevloek afgekomen en keken grinnikend naar mijn zitvlak.

Gelukkig droeg ik een lange zwarte gebreide wollen trui, die ik zo ver als enigszins mogelijk was, over mijn poep trok om de averij zoveel als mogelijk aan het zicht van anderen te onttrekken. Volgens mijn nog steeds glimlachende maten lukte dat op die manier vrij goed.

Het afwerken van de klus in het labo liet ik over aan hen en de leerkracht die poolshoogte kwam nemen, maar aan wie ik niks over mijn gescheurde broek vertelde. Aangezien ik me er eigenlijk een beetje voor schaamde.

Spiedend stapte ik over de verlaten speelplaats, richting de boom aan de uitgang, waar ik mijn moeder haar fiets had gestald. Het gebeurde wel vaker dat ik mijn ma haar tweewieler gebruikte op momenten dat ze hem kon missen. Dat, als gevolg van de opbouw van het tweewielig vervoermiddel verplicht voorover gebogen zitten op een herenfiets vond ik immers niet zo leuk. Vandaar dat ik me liever met een damesfiets verplaatste.

Wat me nu trouwens ook uitermate goed uitkwam. Want gezeten op mijn mannenfiets had ik, tijdens de 8 kilometer lange rit huiswaarts, mijn billen nooit geheel kunnen onttrekken aan het zicht van eventuele passanten. Wat me, gezeten op mijn ma haar fiets, wel redelijk lukte. In een zo rechtop zittende houding als enigszins mogelijk was, wisselde ik voortdurend van hand om het stuur vast te houden, zodat ik met de vrije hand mijn omhoogschuivende trui naar beneden kon trekken. Allicht heb ik toen kunnen ervaren hoe het aanvoelt als je als meisje, met een ultra kort jurkje of rokje aan, met je onderbroek op het fietszadel zit.

Daar denk ik nu aan. Want toen was al mijn aandacht gericht op de vrees om bekenden tegen te komen die zouden merken wat er met mijn broek aan de hand was. En voor schut staan en mogelijks de dagen nadien door de halve schoolbevolking of een kwart van mijn dorpsgenoten uitgelachen worden, daar had ik als tiener totaal geen zin in.

Rudi, 8 maart 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 12 mei 2010.

13-05-10

Herinneringen uit mijn verleden - Blij met mijn brommer

  

Tijdens mijn kinderjaren woonde ik samen met mijn ouders, mijn twee oudere zussen, en later ook met het na mij gemaakte en op de wereld gezette broertje, op een afgelegen plek op het platteland. In een buitenwijk van een gehucht van een dorp dat in 1977 werd opgeslorpt door een naburige stad.

Het op zulk een verlaten plaats en dicht bij de natuur wonen, vond ik op zich wel prettig. Er waren evenwel een aantal nadelen aan verbonden. Ons huis stond in een straat die de verbindingsweg vormde tussen verschillende gemeenten. En was van oorsprong trouwens een onderdeel van de Romeinse heerweg tussen de steden Antwerpen en Brugge.

Derhalve werd deze lange baan druk bereden. Vaak door voertuigen waarvan de bestuurders nogal veel druk zetten op het gaspedaal. Op straat spelen was dus totaal uit den boze. Vooral ook omdat de straat ter hoogte van ons huis een dubbele bocht maakte, waardoor wij het aankomende verkeer slechts op het laatste moment konden waarnemen. Achter, en de ene kant naast ons huis, lag er landbouwgrond. Maar de eigenaars van de akkers en weiden achter ons, een trio ongehuwd gebleven ouderlingen, die het boerenbedrijf van hun ouders verder zetten, konden niet verdragen dat er in de buurt van, en zeker niet op hun grond, zich spelende kinderen ophielden. Dieper het veld in was het één en al bos. In privébezit! Overal hingen er verweerde bordjes met het opschrift: 'privaat' en/of 'verboden toegang'.

Maar het ergste van al vond ik, vooral op iets oudere leeftijd, het veraf wonen van plaatsen waar iets te beleven viel. De afstand naar de dichtst bij gelegen stad was 8 kilometer. Dus best een aardig eindje rijden. Het openbaar vervoer was geen optie, omdat we, om de meest nabije opstapplaats te bereiken, al een afstand van 3 kilometer dienden te overbruggen.

Vandaar dat ik als zestienjarige het boek met de wegcode van mijn zussen leende, grondig instudeerde en een lift van mijn vader bedong om in het examencentrum te geraken. Waar ik vlotjes, met een zeer goed resultaat, het theoretisch examen aflegde, waarmee ik een bromfietsattest behaalde.

Nochtans dook er, net voor de aanvang van het groepsexamen, een probleem op. Als examinandus kreeg je op een witte doek geprojecteerde dia's, met beelden van verkeerssituaties en afbeeldingen van verkeersborden te zien. En jouw antwoord op de erbij gestelde meerkeuzevragen diende je op een voorgedrukt blad aan te kruisen. Met schrijfgerij dat blijkbaar elkeen werd verondersteld van thuis te hebben meegebracht.

Ik niet dus. Althans geen balpen. Wel een potlood! Toen ik, enigszins bedeesd, aan de examinator van dienst vroeg of ik dat schrijfmiddel mocht gebruiken, gaf de man me een blaam. Want wie gebruikte er nu een potlood om een schriftelijk examen af te leggen? Ik hield me wijselijk stil en trachtte de man zo schuldbewust als mogelijk aan te kijken. Wat werkte, want de man toverde uit zijn binnenzak een balpen, waar ik voor de duur van het examen gebruik van mocht maken.

Eens dat minuscuul geplastificeerd wit attest op zak, kon ik dus op zoek gaan naar een bromfiets. Een tweedehands exemplaar, want voor een nieuwe had ik niet genoeg geld bijeen kunnen sparen. Terstond ging ik op speurtocht. Via vrienden, annonces in allerlei kranten, reclamebladen, bij bromfietsverkopers en zo meer. Spoedig vond ik een aanbod voor een machine die dicht in de buurt kwam van wat ik voor ogen had.

Met vier man reden we, met de auto van mijn vader, op een zaterdagochtend, naar het huis van de verkoper. Mijn vader, ikzelf, de man van mijn oudste zus en diens jongere broer. Deze laatste, een jonge man van een jaar of twintig, was trouwens, in ons gezelschap, de specialist ter zake. En had zijn eigen motorhelm meegebracht, teneinde, ingeval de aangeboden gemotoriseerde tweewieler door ons allen unaniem een goede koop werd bevonden, er mee naar huis te kunnen rijden.

Eens aangekomen bij de verkoper, leidde deze ons naar een berghok, alwaar we tussen allerlei rommel die daar stond opgestapeld, onder een laagje stof, een zwarte brommer aantroffen. Een Yamaha RD met een cilinderinhoud van 50cc. En hij stond me op het eerste zicht wel aan. Enkel het stuur vond ik maar niks. Het was een naar beneden gebogen model, waardoor je met je buik bijna plat tegen de brandstoftank van deze baanmodel bromfiets moest liggen, om het stuur vast te kunnen houden.

Toen de bromfiets naar buiten was gerold en de specialist uit ons viertal de machine in gang trapte en er vervolgens als een raket mee wegstoof, was meteen duidelijk waarom er zulk een laag stuur op die zwaar opgedreven brommer was gemonteerd. 90 kilometer per uur reed dat ding! En reeds van in de eerste van de vier versnellingen reageerde de machine vinnig en trok ze heel snel op. Wat in lekentaal zoveel betekent als dat de brommer vanuit stilstand uiterst vlug een hoge snelheid bereikte.

De koop was snel gesloten. Ik kreeg, als bewijs dat ik de brommer had gekocht en betaald, van de verkoper een stuk ruitjespapier, dat allicht uit een notablok was gescheurd, en waarop hij zijn naam, adres en nog wel iets van 'verkocht aan 1.000 Frank' of zo had vermeld. Om weet ik veel welke reden niet het door mij betaalde bedrag, maar slechts een fractie daarvan, dat weet ik nog. En ook dat die kerel er was in geslaagd om in die slechts enkele woorden tekst, toch een schrijffout te maken.

Maar dat merkte ik pas later, toen ik thuis was. Want ik stond tijdens het afhandelen van het financiële luik van de transactie nogal beduusd te staren naar die oranjekleurige helm die ik bij de brommer kreeg geleverd. Daar ging ik de straat niet mee opgaan!

De broer van mijn schoonbroer reed met mijn brommer naar de woning van mijn zus. En wij verplaatsten ons met mijn pa zijn auto naar dezelfde locatie. Alwaar ik ongeduldig en opgewonden nu ook wel eens zelf met mijn brommer wou rijden.

Nu had ik daarvoor nog nooit met een via de voet geschakelde bromfiets gereden. Dus moest mij dat wel even worden bijgebracht. Maar ik had het systeem snel door. Tot schrik van mijn vader, die wel even lichtjes panikeerde toen ik er ineens, als in een flits, volle gas vandoor sjeesde.

Er werd afgesproken dat mijn zus haar schoonbroer een ander stuur op mijn bromfiets zou plaatsen en de machine aan een grondige technische controle zou onderwerpen. Waarbij hij ook de maximaal haalbare snelheid zou begrenzen. Afstellen zoals men dat toen noemde, en het wellicht ook nu nog steeds benoemd. De valhelm namen we mee naar huis. Die zou mijn pa wel in de juiste kleur spuiten, zwart dus.

Korte tijd later kon ik mijn op punt gestelde machine in gebruik nemen. Inmiddels waren ook de papieren, meer bepaald verzekering en gelijkvormigheidsattest, in orde. Zo dachten we althans. Want toen ik bij mijn eerste rit naar school, mijn papieren vergeleek met deze van mijn gemotoriseerde schoolmakkers, bleek dat mijn bromfiets was ingeschreven als 'motorvoertuig', omdat er iemand, ik weet niet meer wie, maar het was een garagist zo meen ik mij te herinneren, op de aanvraag voor het attest '50cc had opgegeven, terwijl, om als bromfiets aanzien en geregistreerd te worden, de cilinderinhoud maximaal 49cc mag zijn.

Maar in die tijd maakten wij daar geen spel van. Er werd me aangeraden even op te passen voor politiecontroles tot ik de leeftijd van 18 jaar bereikte. Op die leeftijd kon ik dan mijn rijbewijs halen, een motorplak aanvragen, de verzekering dienovereenkomstig laten aanpassen en klaar was Kees. Probleem opgelost! Wat was het leven vroeger toch eenvoudig.

Veel van mijn brommermaten hebben last gehad met de politie. Die werden bijvoorbeeld tegengehouden op weg naar huis, moesten een test op de rollen ondergaan en werden met een decibelmeter onderworpen aan een geluidssterktetest. Meestal met als gevolg een aanmaning om zich binnen een korte termijn aan te melden op het politiekantoor met een afgestelde bromfietsmotor en een goeie geluidsdemper op hun machine gemonteerd. In het slechtste geval hadden ze onmiddellijk een Proces-verbaal aan hun broek. En konden ze voor de politierechter verschijnen. Wie werd gesnapt werd doorgaans geverbaliseerd voor diverse inbreuken op de verkeerswet: rijden zonder rijbewijs, zonder geldige verzekering, zonder geldig kenteken, geluidsoverlast, overdreven snelheid, met een motor op het fietspad rijden... Een ganse boterham, met een navenant prijskaartje.

Aangezien die flikken meestal hun rollen reeds opstelden voor het einde van de schooldag, zorgde ik ervoor dat ik tijdig geseind werd van waar ze stonden, zodat ik de controle kon vermijden door langs elders huiswaarts te rijden. Er was altijd wel minstens één schoolmakker die het laatste uur, van de buiten onze school gelegen sporthal of het zwembad kwam, de opstellingswerkzaamheden opmerkte en mij hiervan op de hoogte bracht.

En als ik in het weekend uitging, dan reed ik meestal huiswaarts via kleine binnenbaantjes, waar buiten deze van de enkele daar residerende boeren, geen kat op de baan te bespeuren viel, laat staan een politiebrigade. Toch ben ik er één keer niet in geslaagd om de politie te verschalken. Samen met een maat van mij, die toen ook eenzelfde type brommer had als de mijne, maar dan een nieuw exemplaar, reed ik via een omweg naar huis. We verplaatsten ons over een hoofdweg, onreglementair, maar het minst gevaarlijk, naast elkaar op de rijbaan voor auto's. Mijn maat zijn machine was onzichtbaar omgebouwd tot een 75cc, en mijn gemotoriseerde tweewieler was inmiddels ook terug wat opgedreven, om ook bij tegenwind en bergop, vooruit te geraken.

Aangekomen ter hoogte van een brug over een natuurlijke waterweg, begon mijn kameraad op het fietspad te rijden. Maar ik bleef halsstarrig op de rijbaan rijden. Mooi in het midden van het rechtse rijvak, zodat elke automobilist me opmerkte en zeker niet tegen me aan zou knallen. Eens over de glooiing  van de brug, kwam ik tot de onaangename visuele vaststelling dat er goed honderd meter verder twee 'zwaantjes' stonden. De benaming die toentertijd in de volksmond gangbaar was voor politieagenten die zich met de motor verplaatsten.

Die mannen stonden naast hun machine, de ene met zijn lichtgevende zwaaistok in de hand, en van op het trottoir in de gaten gehouden door een aantal burgers, onze richting uit te kijken. Aan hen ontsnappen was onmogelijk. Zo vlug als ik kon stuurde ik mijn bromfiets richting fietspad. En minderde net als mijn maat vaart. Braafjes achter mijn maat reed ik de enkele tientallen meters tot aan de plaats waar de agenten stonden opgesteld. Tot mijn verbazing lieten ze mijn maat gewoon doorrijden. Maar aan mij gaven ze teken dat ik moest stoppen. Wat ik uiteraard onmiddellijk deed.

Vanzelfsprekend vermoedde ik dat ze mij gingen bekeuren omdat ik op de rijbaan en niet reglementair op het fietspad had gereden. Maar niks daarvan. Ze bekeken spiedend mijn brommer, vroegen mij om hen mijn identiteitskaart, mijn bromfietsattest en de papieren van mijn brommer te tonen, bekeken deze even vluchtig en lieten me vervolgens gewoon doorrijden. Wat ik vlug deed. Voor ze eventueel met andere plannen voor de dag zouden komen. Maar ik sloeg de eerstvolgende straat rechtsaf in. En draaide vervolgens terug rechts af, zodat ik in een straat terecht kwam, evenwijdig met die waar ik was gecontroleerd. En hield even later halt. Tussen beide straten was er enkel een parkeerruimte gelegen, zodat ik, van waar ik stond, de verdere activiteiten van de zwaantjes kon volgen. Maar meer dan de boel afkijken zag ik die mannen evenwel niet doen.

Enkele buurtjongens, die ik trouwens kende, en die daar, samen met enkele volwassenen, vlak naast de agenten diens activiteiten hadden gevolgd, waaronder het controleren van mij en mijn brommer, zagen me staan en kwamen lachend op me afgelopen. Het was verdorie één van hen die de flikken had getipt dat één van die bromfietsen was omgebouwd tot een motor. En die motoragenten hadden verondersteld dat het de mijne was, omdat die er wat anders uitzag, wegens zijnde een ouder model met meer delen in chroom, en vast ook omdat ik, in eerste instantie, op de rijbaan reed. Het was evenwel mijn maat die met een tot een 75cc omgebouwde machine onder zijn gat en tussen zijn benen zat. Maar daar kon je, zuiver op het zicht, helemaal niks van waarnemen.

Die maat van mij, inmiddels reeds lange tijd geleden overleden als gevolg van een valpartij met zijn motorfiets, op de autosnelweg, stond in onze schooltijd, eens bij de politie als 'geseind' gemeld. Omdat een politiepatrouille in een naburige gemeente hem tijdens een weekend een verbodsteken had zien negeren en langs de verkeerde kant een straat had zien inrijden met eenrichtingsverkeer. Ongelukkigerwijs werd hij enige tijd later in het centrum van de stad waar de school was gevestigd waar we les volgden, opgemerkt door een alerte politieagent. Die mijn maat prompt tot stoppen bracht, zijn identiteit- en bromfietspapieren controleerde, en hem confronteerde met de door die agent zijn  collega's van de aangrenzende politiezone doorgeseinde, vermoedelijk door hem begane verkeersinbreuken.

Mijn makker hield bij hoog en bij laag vol dat het ongetwijfeld om een vergissing ging, want hij was zogezegd al wekenlang niet meer in die gemeente geweest en verkeersinbreuken plegen was niet zijn gewoonte. De politieagent aanhoorde geduldig mijn maat zijn repliek. En zei dan laconiek dat hij een verslag van hun onderhoud zou opmaken en het voor één keer bij een waarschuwing zou laten. Maar dat hij de jongen zijn uitleg niet geloofde. Want het type brommer waarmee de jongen reed, in lichtblauwe kleur gespoten, zo reden er in de streek geen twee rond. En bovendien droeg de opgemerkte bestuurder, bovenop zijn motorjas, een mouwloos jeansvestje, met op de rug de naam van een motorclub, gevestigd in onze woonplaats en met tevens een voornaam erop aangebracht. 'Toevallig' dezelfde als degene die mijn maat bij zijn geboorte van zijn ouders had meegekregen!

Rudi, 22 februari 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 2 mei 2010.

07-05-10

Zalig zonder handen

         

Om tijdens mijn middelbare schooltijd de onderwijsinstelling te bereiken waar ik les volgde, diende ik met mijn fiets een goeie 8 kilometer af te leggen. De school bevindt zich immers in het centrum van de stad, terwijl mijn ouderlijk huis is gelegen in een deelgemeente daarvan. Mijn rijwiel was het exemplaar dat ik van mijn ouders als geschenk kreeg ter gelegenheid van mijn Plechtige Communie. Het bij deze gelegenheid schenken van een ware 'grote mensenfiets', is een traditie die, naar ik links en rechts hoor en zie, ook heden ten dage nog in voege is.

In mijn buurt woonden toentertijd slechts enkele jongeren die hetzelfde traject volgden als ik elke dag deed. Langs wegen met weinig bebouwing en veel akkers en weiden die aan de straat paalden. Van fietspaden was er helemaal geen sprake. Een groot deel van de te volgen weg was toen trouwens nog niet eens geasfalteerd, maar enkel verhard. Een ander deel bestond en bestaat nog steeds uit kasseistenen, voor de afwatering in een nogal overdreven boog aangelegd, en breder gemaakt door aan beide straatkanten een rij grote vierkantige betontegels te leggen.

Rijcomfort was er voor de zeldzame fietsers zoals ik, helemaal niet. En veilig was mijn rijroute evenmin. Want er was toen wel een stuk minder autoverkeer dan vandaag, maar op de boerenbuiten waren de landbouwers en loonwerkers ook reeds 's ochtends vroeg op weg. En hun tractors en machines waren toen doorgaans nog niet zo kolossaal groot, maar op die smalle wegen was het voor fietsers toch steeds weer opletten geblazen als er zo een landbouwvoertuig kwam aangereden.

Om tijd uit te sparen volgde ik meestal de korte weg. Waarbij de te rijden afstand behoorlijk werd ingekort door via een oude kerkwegel te rijden. Een met kiezelsteentjes verstevigd pad tussen percelen landbouwgrond, dat in vroegere tijden werd gebruikt door vooral boerenmensen, om 's zondags in het kerkgebouw te geraken om daar de eucharistieviering bij te wonen.

De toegangsweg tot het stadscentrum was dan weer een kasseibaan waar deels was over geasfalteerd en in de loop der jaren de in de rijbaan gevallen putten waren gevuld met lappen asfalt. Zodat het geheel er uitzag als een zwart/grijze lappendoek. Door die hobbelige, en ondanks alle oplapwerk nog steeds vol putten zittende straat rijden, was een ware marteling. En gevaarlijk, want aan weerszijden van de baan stonden er her en der auto's geparkeerd of gestationeerd.

Meerdere gebeurtenissen onderweg herinner ik mij, waarvan ik er hier slechts enkele in het kort zal verhalen. Zo herinner ik mij nog levendig mijn eerste fietsrit naar de middelbare school. Ik was helemaal niet gewoon om in het drukke stadsverkeer te rijden. Dus was het die eerste schooldag wennen om me in die verkeersstroom te bewegen.

Op een gegeven moment reed ik in een straat waar er, op de plaats waar deze onder de spoorweg loopt, aan de linkerkant, ook een zijstraat op uitkomt. In het midden van de straat stond er een politieagent het verkeer te regelen. Nu had ik in de lagere school wel de verkeersregels geleerd en was ik op de hoogte van de betekenis van de armsignalen van een verkeersagent. Maar die tekeningetjes in onze cursus waren steeds heel duidelijk geweest.

In de praktijk bleek dat andere koek te zijn. Die in het blauw gekostumeerde politiebeambte stond wel met zijn armen te zwaaien, maar de bewegingen die hij maakte kon ik niet direct in overeenstemming brengen met één van de ingestudeerde afbeeldingen op de stencils uit mijn verkeerscursus. Aangezien het verkeer in de zijstraat stil stond en ikzelf niet van richting veranderde, besloot ik vaart te houden en gewoon door te rijden.

Ter hoogte van die agent gekomen, zag ik hem, vanuit mijn ooghoeken, verbaast mijn richting uitkijken en met zijn ene hand een fluitje naar de mond brengen, waar hij luttele seconden later met bolle wangen op blies. Ik hield halt. De man, die gelukkig voor mij, zijn post niet kon verlaten, riep me boos toe. Of ik het verkeersreglement niet kende? En zonder op een antwoord te wachten gebood hij me terug te keren. Wat ik gedwee deed.

*****

Een ander voorval deed zich voor naar het einde van het schooljaar. Ik had dat jaar vrij snel iemand leren kennen die via dezelfde weg naar school reed. Ook een eerstejaars, maar de jongen zat wel in een andere klas dan de mijne. Meestal reden we samen naar school en huiswaarts. We passeerden daarbij dagelijks een boerderij waarvan de boer ons vaak commentaar toeriep. Dat we aan de kant van de weg moesten rijden, niet naast elkaar mochten rijden en nog meer van die dingen.

Zowel mijn schoolkameraad, nochtans zelf een boerenzoon en vast van plan om in zijn vaders voetsporen te stappen, als ikzelf, waren die voortdurende opmerkingen meer dan moe. Meer dan eens riepen wij iets terug. Iets snedig, of mogelijks eerder smerig, dat weet ik niet meer juist. Het maakte die boer in elk geval nog nijdiger!

Op een avond reed ik huiswaarts. Alleen, deze keer. Bijna aan die boer zijn bedrijf gekomen, zag ik dat daar nogal wat beweging was. Potverdorie, die waren vast van plan om de koeien van de weide aan de overkant, naar de stallen op hun erf te brengen. Een activiteit waarvoor ze, naar ik wist, de straat afspanden, zodat die beesten niet weg konden lopen.

Nu had ik er helemaal geen zin in om daar minstens een kwartier te staan koekeloeren naar die koebeestenverhuis. Dus duwde ik wat harder op mijn trappers om de versperring ten bate van die herlocatie voor te zijn. Door de snelheid die ik had, zag de boer mij pas op het laatste moment aankomen. Met die versperringskoord al in zijn ene hand, begon hij wild met zijn armen te zwaaien, ten teken dat ik moest stoppen en hem niet voorbij mocht rijden. Wat ik, onder luid sakkerend geroep van de boer, evenwel toch deed!

Had ik daar even 10 seconden geluk! Vlak nadat ik de boer was gepasseerd zag ik achter mij kijkend, in volle vaart een van de weide komende stier over de weg naar het boerenerf spurten. Het scheelde geen haartje of ik was, met fiets en al, aan dat beest zijn horens gespietst!

*****

Bij een andere boerderij waar we elke dag passeerden, liep er op het erf een hond die, van zodra hij ons in het vizier kreeg, vervaarlijk begon te grommen en te blaffen. In den beginne dachten we dat het dier dat deed ter protectie van het erf van zijn baasjes en dus om ons bang te maken. Opdat wij, voor die viervoeter potentiële boeven, het zeker niet in ons hoofd zouden halen om dat boerenhof te betreden.

Daarom hielden we ons, bij het naderen van die doening, stil en negeerden we het dier. Maar dat systeem leek niet te werken. De hond bleef dag na dag hetzelfde gedrag vertonen. Zwaar bassen en soms zelfs de bijters laten zien! Dus gooiden we het over een andere boeg. We begonnen de viervoeter, een dier van middelmatig formaat en vast het resultaat van een ongeplande kruising van verschillende rassen, te paaien door het vriendelijk toe te spreken. Maar ook dat mocht niet baten.

Buiten die hond viel er op dat boerenerf nimmer een levend wezen te bekennen. Dier noch mens waren daar ooit te zien. We hadden nochtans graag de baasjes van die boze blaffer eens aangesproken over het gedrag van hun dier, dat ons danig begon te vervelen. Bij de buren konden we ook niet terecht, want die waren er gewoonweg niet. Deze woonst stond zowat halverwege een straat, waar de dichtste buur 10 akkers en weilanden verder woonde.

Op een bepaalde ochtend reed er een derde jongen met ons mee naar school. Een klasgenoot van die nagenoeg dagelijks met me meefietsende schoolmakker. Toen we de boerderij met die razend blaffende hond naderden, en daarover ons beklag deden, zei die jongen, een nogal magere van postuur, dat je de vijand met gelijke wapens moet bekampen. Waarop de jongen met zijn fiets van ons wegreed en naar de afsluiting spurtte, waarachter die hond zat.

Nog voor hij zijn doel bereikte, begon hij zelf enorm veel kabaal te maken. Maar dat leek het beest niet te deren en zeker geen schrik aan te jagen. Toen wij bij de blaffende en schreeuwende jongen arriveerden, wezen we hem op dat feit. En merkten op dat de hond er nu nog bozer uitzag en nog luider blafte dan gewoonlijk. En dat de jongen best zou ophouden met wat hij deed, want dat anders die viervoeter wel eens over de afsluiting zou durven wippen om achter hem aan te gaan!

De jongen rolde de fiets waarop hij zat, met zijn voeten een beetje achteruit, tot hij terug op de rijweg stond en zette aan om verder te fietsten. Onderwijl ons antwoordend dat hij niks hoefde te vrezen want dat het toegangshek steeds was gesloten.

Doch die dag dus uitzonderlijk niet! Die jongen zag dat bij het passeren ook, slaakte een gil en trapte toen uit volle kracht op zijn pedalen, om daar weg te komen. De hond, die hem eerst blaffend achtervolgde aan de erfzijde van de afrastering, koos ervoor vanaf het openstaande hek zijn weg over straat te vervolgen, onze gezel achterna.

Wij waren blijven staan en sloegen met open mond het schouwspel gade. Tot daar dan toch iemand vanaf het boerenerf begon te roepen. Waarop de hond halt hield. Net voor het moment waarop wij vreesden dat het dier zijn, allicht scherpe tanden, in onze maat zijn dunne onderbeen zou zetten.

We zagen dat de hond met tegenzin terug naar het boerenerf liep, waar zijn boos baasje hem vloekend stond op te wachten. Wij hadden geen tijd om te talmen, omdat we dan vast te laat op school zouden arriveren. Iets wat toen nog niemand van ons drieën durfde te riskeren. We waren blij dat dit avontuur goed was afgelopen en haastten ons naar school. Zelfs met de beste wil van de wereld kan ik me niet meer herinneren of we die kwaaie hond naderhand nog ooit hebben teruggezien.

*****

Toen ik een jaartje ouder was reed ik huiswaarts met een buurjongen die, na een mislukt avontuur in een andere onderwijsinstelling, inmiddels ook les volgde aan dezelfde school als mij. We reden op een asfaltbaan waar we, zeker op dat tijdstip, nauwelijks andere weggebruikers tegenkwamen. Op het lange stuk rechte baan waar we ons op voortbewogen, reden we gezapig naast elkaar. Ik uiterst rechts en mijn maat links van me. Mijn handen hield ik in de zakken van mijn jas. Zo bleven ze lekker warm. En kon ik rechtop gezeten fietsen. Iets wat ik veel liever deed dan zo in een onnatuurlijke, gebogen houding zoals je normaliter op een jongensfiets hoort te zitten.

We waren druk in gesprek over de dingen die ons boeiden: motorfietsen, uitgaan, meisjes en andere typisch puberale interesses. Op een gegeven moment mompelde mijn maat iets en ging vervolgens voor me rijden. "Wat heeft die nu ineens?" dacht ik nog, terwijl ik verwonderd zijn actie gadesloeg. Waarop ik mijn hoofd naar links draaide, en daar het gezicht ontwaarde van een kerel met een kepie op het hoofd. Een politieagent, zo bleek. Die het portierraampje van, wat even later een politiecombi bleek te zijn, had naar beneden gedraaid. Manueel, want toen ging dat nog niet elektrisch.

Wel lichtjes geschrokken, maar me van geen kwaad bewust, bleef ik gewoon rustig verder fietsen... zonder handen. Tot die agent me vroeg om even halt te houden. Wat ik dan uiteraard ook terstond deed. Want de bevelen van een 'man van de wet' behoor je nu eenmaal op te volgen, zo wist ik.

Om mijn fiets af te remmen had ik uiteraard reeds de handen uit mijn zakken gehaald en op mijn fietsstuur geplaatst. De chauffeur van de camionette, een collega van de agent die me had aangesproken, zette het voertuig niet aan de kant. Neen, ze bleven gewoon stilstaan op de rijweg, naast mij. Ik keek naar de politieman, verwachtend een blaam te krijgen voor het naast elkaar rijden, maar dan hadden ze wel de verkeerde te pakken, want het was mijn maat die aan de kant van het wegverkeer had gereden. Hadden die pipo's dat dan niet gezien?

Maar de overtreding die ik had begaan en waar de agent me voor berispte was het zonder handen rijden. Verboden en gevaarlijk, zo maakte hij me diets. De kerel haalde een schriftje te voorschijn, zodat ik dacht 'prijs' te hebben, zoals wij in die tijd in onze streek het 'krijgen' van een boete cynisch uitdrukten.

Mijn naam werd me gevraagd en ook mijn adres. Braaf gaf ik die man de gevraagde en bovendien ook juiste informatie. De geüniformeerde figuur noteerde alles maar legde, tot mijn verbazing, vervolgens het boekje naast zich neer en zei me dat hij het deze keer bij een 'waarschuwing' zou laten. Maar dat ik moest ophouden met dat zonder handen te rijden. In het belang van mijn eigen veiligheid en dat van de andere weggebruikers. En ook al omdat hij de volgende keer dat hij me zou betrappen op deze verkeersovertreding, me een P.V. zou toebedelen.

Opgelucht stamelde ik iets van het te hebben begrepen en een bedankt. Waarna de agenten me nog ten afscheid groetten en terug verder reden. Ik keek de wegrijdende politiecombi na en zette vervolgens mijn fiets en daarmee ook mezelf, terug in beweging. En reed tot bij mijn maat. Die, van enkele tientallen meters verder, de gebeurtenissen nauwlettend had gevolgd. En die me nu bezorgd vroeg of ik een boete 'aan mijn rekker' had. Toen ik hem kon geruststellen enkel een verwittiging te hebben gekregen, vervolgden we beiden glimlachend onze rit. Terug naast elkaar, maar alle twee met de handen op het stuur!

Thuis durfde ik over het voorval niks te zeggen. Bang voor een uitbrander van mijn ouders. De eerstvolgende dagen liep ik evenwel rond met een bang hart. Vrezend dat die flikken hetzij me alsnog een boete zouden bezorgen, hetzij een schriftelijke bevestiging van mijn 'vergrijp' bij mijn ouders zouden laten toekomen. Wat allemaal kon, want ik had hen immers mijn naam en adres gegeven. Maar ik had geluk. Ze hielden woord, dus lieten mij met rust. En ik ben nooit meer 'gesnapt' bij het zonder handen rijden, alhoewel ik het ook nadien nog vaak heb gedaan.

*****

Ik herinner mij het door een meester in de lagere school vertelde verhaal van een jongen die, ook al fietsend zonder handen, door een politieagent werd tegengehouden. Die terstond die gast zijn stuur van de fiets haalde. Omdat die jongeman dat blijkbaar toch niet nodig had. Hij mocht zijn weg naar huis vervolgen en werd aangemaand om, samen met zijn vader, zijn fietsstuur af te komen halen op het lokaal politiekantoor.

Aangezien die jongen veel te laat thuiskwam, want hij had dat laatste stuk weg naar huis immers te voet moeten afleggen, omdat je met een fiets zonder stuur niet kan rijden, en hij daarenboven ook een verklaring moest geven voor het geamputeerd zijn van zijn tweewieler, was hij wel genoodzaakt geweest zijn ouders over het gebeurde in te lichten. De pa gaf zoonlief 'onder zijn voeten', maar bleef wijselijk weg van het politiekantoor. Er geen zin in hebbend daar een preek te moeten aanhoren over het gedrag van zijn zoon. En ook bang om alsnog een boete te krijgen voor het vergrijp. Hij verkoos het zekere voor het onzekere en ging bij de fietsenmaker een nieuw stuur kopen voor het rijwiel van de zoon. Liever opterend voor de onmiddellijke kleine kost dan het risico te lopen op een grote!

Rudi, 8 februari 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 2 mei 2010.

03-04-10

Rudi’s overdenkingen - Dubieuze getuigenissen

  

Vorige zaterdag was het Halloween. En mijn zoon Brian had het plan opgevat om, net zoals vorig jaar, met een maat de huizen in onze buurt af te gaan. Puur voor de lol en in iets mindere mate tevens om gratis aan wat lekkers en aan enkele Euro's te geraken! Vorig jaar had die activiteit hem immers ook een aardige buit opgeleverd.

De avond ervoor kwam er een vriend logeren, die net als hij eigenlijk reeds de vrijdagavond op pad wou. Daar hadden wij, de ouders, niks op tegen, zolang de jongens voorzichtig zouden zijn en terug thuis op het door ons vooropgestelde tijdstip.

Voor ze vertrokken lieten ze zich door ons keuren. In tegenstelling tot eerdere plannen had Brian geen masker opgezet, waardoor hij goed herkenbaar was. Dus had ik er geen bezwaar tegen dat hij een neppistool meenam. De buren die hij wou verrassen, kennen mijn zoon goed genoeg om niet te denken met echte overvallers te doen te hebben.

Nog geen half uur waren ze weg, toen er op de deur werd geklopt. Wij verwachtten geen bezoek, dus ik vermoedde dat het of onze eigen jongen en zijn maat waren die voor de deur stonden, of andere verklede individuen die ook niet tot de volgende dag hadden kunnen wachten vooraleer op Halloweentocht te gaan.

Lichte paniek bij mijn vrouw, want ze had niet onmiddellijk snoepjes bij de hand om af te staan. Dus ging ze maar eerst de voordeur openen. Ik hoorde wat over en weer gepraat, draaide me richting binnendeur en zag daar even later twee personen verschijnen. Verkleed... in een blauwe outfit. Een Politie-uniform. Het bleken trouwens echte agenten te zijn, of inspecteurs, want dat werd er niet bijgezegd.

Na hen verwachtte ik mijn zoon en diens maat te zien verschijnen, want ik vermoedde onmiddellijk dat dit politie was op patrouille die de jongens abusievelijk als schurken had aanzien en na verhoor van de jongens nu bij de ouders hun verhaal kwam checken.

Niks van dat evenwel. Hun bezoek had te maken met iets totaal anders. Op 15 augustus van dit jaar zijn wij met het gezin naar het Oogstfeest geweest van de plaatselijke Landelijke Gilde. Waar mijn zoon Brian 's avonds de playbackshow won.

Nu bleek daar, volgens de mannelijke helft van het politieduo, in de buurt van waar dat evenement was doorgegaan, een weiland te liggen, waar toen van die grote, ronde, in plastiek gewikkelde balen stro zouden  hebben gelegen. Waarvan er die dag enkele zouden zijn beschadigd. En een 'getuige' zou mijn vrouw hebben zien staan telefoneren op de verharde weg naast dat land, terwijl haar kinderen op die balen aan het spelen waren.

Een 'getuigenis' die uiterst dubieus is. Mijn kinderen hebben die dag niet met elkaar opgetrokken, dus kunnen nooit samen op zo een baal stro zijn gezien. Het enige dat klopt in het verhaal is dat mijn kinderen hun mama op een gegeven moment een wandeling is gaan maken. Ze meende zich inderdaad te herinneren en acht het heel waarschijnlijk dat ze toen aan het bellen is geweest. Maar van op balen stro spelende kinderen dacht ze niet iets te hebben opgemerkt.

Onze kinderen kunnen het in ieder geval niet zijn geweest, want die waren op dat moment elk op een andere plek aanwezig op het 'evenemententerrein'. En ik had daar goed zicht op want ik heb, omwille van de overdadige zonneschijnhitte die dag, de ganse tijd in de schaduw gezeten aan de rand van dat plein.

Los van de feiten vraag ik mij af welke schade spelende kinderen aan die balen kunnen hebben aangericht. Waarvoor de eigenaar nu van de 'daders' een schadevergoeding wil eisen. Volgens die politiebeambte was een deel van de plastiekfolie eromheen, kapot getrokken. Maar daar gaat dat stro toch niet van 'stuk'? En wat dan met de twee rollen ongecoate hooibalen die bij één van de spelletjes werden gebruikt? Niet goed genoeg meer als voer voor de beesten of desnoods als vloerbedekking in de stallen?

Wat een laffe en achterbakse 'pseudogetuige' overigens! Als die toen iets heeft gezien dat niet hoorde, waarom heeft die dan niet ogenblikkelijk gereageerd? Hadden mijn vrouw, ik of zelfs één van onze kinderen 'iemand' vandalenstreken zien uitrichten, dan hadden wij die lui onmiddellijk gesommeerd daarmee op te houden en bij vaststelling van schade de organisatoren van dat feest verwittigd. Want dat is toch de enige juiste reactie? Het zou mij niet verwonderen mochten jullie uit de aangebrachte data dezelfde conclusie trekken als ik doe.

*****

Zo een situaties heb ik eerder meegemaakt. Samen met mijn zonen Brian en Austin, een twee-eiige tweeling, bezocht ik jaren geleden het filiaal van een grote doe-het-zelf winkel in de buurt van onze woning. Op zoek naar een aantal spullen die ik nodig had om dingen te laten maken in en om ons huis.

Austin was een beetje, of eigenlijk nogal veel, tegen zijn goesting meegekomen en bleef dus dicht in mijn buurt rondhangen, terwijl zijn broer op stap ging om me te helpen de benodigde items bij elkaar te zoeken.

Op een bepaald moment kwam er een redelijk jonge vrouw me voorbij gestoven. Een personeelslid van de winkel, zo kon ik zien aan haar kledij. Voor ze de gelegenheid kreeg mijn zoon aan te spreken, vroeg ik haar beleefd me te vertellen wat er aan de hand was. Verbaast en verward keek ze me aan. Die vrouw was klaarblijkelijk zo gefocust geweest op mijn jongen dat ze mijn aanwezigheid niet eens had opgemerkt.

Ze vertelde mij dat ze er 'getuige' van was geweest dat die jongen, die daar, ook al verrast, stond te kijken, spullen uit de rekken had gehaald en er vervolgens mee aan de haal was gegaan. Ik kon niet volgen, want Austin was de ganse tijd in mijn gezichtsveld gebleven en ik had hem wel al naar de prijs van bepaalde producten laten kijken, maar hij had nog niet eens iets aangeraakt.

Toen verscheen Brian ten tonele. In een geheel andere outfit dan zijn broer en het haar heel kort geschoren, terwijl broerlief kleine krulletjes had. In zijn handjes had het jongetje een aantal zakjes en doosjes met spullen in waarvan hij hoopte dat dit nu eindelijk was wat ik zocht. Want het ventje was al een aantal keer tevergeefs heen en weer gehold.

De winkeldame stond perplex. Keek van de ene jongen naar de andere en vervolgens terug naar zijn broer en daarna naar mij. Ze wist duidelijk niet was zeggen, dus sprak ik maar voor haar. Dat ik concludeerde dat ze in al haar vooringenomenheid een grove flater had begaan. Maar denk je dat ze, zoals je in zulk een situatie zou durven vermoeden, haar verontschuldigingen aanbood? Neen hoor. Niks daarvan! Uit haar strot kwam slechts een goedpraten van haar fout gedrag. Want ja, er werd immers zoveel uit de winkel gestolen, door jonge kinderen.

Op mijn vraag of dat dan voor haar betekende dat alle kinderen potentiële dieven waren of enkel die met een melkchocoladen huidskleurtje, kreeg ik geen antwoord. Het groengeklede spook had zich, nog vlugger dan ze op mijn zoon was afgekomen, terug van ons weggehaast!

*****

Enkele jaren eerder, in het voor mijn gezin en mij zo noodlottig en ingrijpend jaar 2000, bracht mijn echtgenote op een gegeven moment een brief mee naar het ziekenhuis, van de autoverzekeraar van mijn vennootschap. Afkomstig van het hoofdkantoor en waarin stond dat ik werd verzocht om contact op te nemen met mijn makelaar teneinde de formaliteiten af te handelen van de aanrijding, op de parking van het ziekenhuis, tussen mijn vrachtwagen en een ook bij hen verzekerde personenauto. Waarbij de bestuurder van mijn voertuig de veroorzaker van de botsing zou zijn geweest.

Niettegenstaande ik reeds drie maanden plat op mijn rug te bed lag, viel ik bij dit bericht, pardoes uit de lucht. Dit laatste, in tegenstelling tot het eerste, uiteraard slechts figuurlijk. Gelukkig maar, want ik was er al erg genoeg aan toe na die mismeesterde nekoperatie.

Mijn vrachtauto zou dus een accident hebben veroorzaakt... Maar mijn firma bezat helemaal geen camion! Zelfs geen camionette. Enkel een kleine bestelwagen. Waar aan de zijkanten in het groot het logo, met naam en andere firmagegevens was op gekleefd. Een auto die doorgaans door mijn echtgenote werd bestuurd en waar zij zich ook geregeld mee verplaatste om me te bezoeken in het ziekenhuis.

Van een aanrijding had zij evenwel geen weet. En bovendien was ze, op de dag waarop het voorval zou hebben plaatsgevonden, niet eens bij mij geweest. Meer nog, dat bestelwagentje was die dag, om redenen die ik mij niet meer herinner en die hier trouwens ook helemaal niet ter zake doen, niet eens uit de garage geweest!

Mijn makelaar onderzocht de kwestie en kwam te weten dat er tegen de auto was gebotst van een bij dezelfde verzekeringsmaatschappij als mijn firma, aangesloten persoon. Een 'getuige' van dit malheur had een vrachtauto zien wegrijden met een naam op, die ook mijn firma draagt. De verzekeringsagent van de eigenaar van het aangereden voertuig had alle data doorgegeven aan de maatschappij en, waarschijnlijk omdat die voertuigeigenaar omnium was verzekerd, was de dossierbeheerder aldaar in het klantenbestand op zoek gegaan naar de door de 'getuige' opgegeven firmanaam en was zo uitgekomen bij mijn vennootschap. Had die domkop, die allicht van zichzelf dacht dat hij een slimme detective was, een heel klein beetje nagedacht, dan had hij zelfs alleen al op basis van het vermogen van dat wagentje van mij, kunnen concluderen dat hij met zijn vondst abuis was.

*****

Een voorval dat van nog veel vroeger dateert, betreft mijn drie jaar oudere zus,  die op het moment dat het hiernavolgende zich afspeelde, een jaar of zestien was. Het meisje volgde toen les aan een middelbare school, die was gelegen in een buurgemeente van onze woonplaats. En fietste elke ochtend naar die onderwijsinstelling. Samen met haar beste vriendin. Een meisje dat met haar ouders op een boerderij woonde, gelegen in dezelfde straat, en zelfs langs dezelfde straatkant als ons ouderlijk huis. Dat kind wachtte 's ochtends bij haar thuis mijn zus op en vanaf daar reden de meisjes samen verder.

Op een zekere ochtend, waarop mijn vader, die toen in ploegen werkte, nog thuis was en ik toevallig een vrije schooldag had, kwam er op een gegeven moment een auto op onze hof gereden. Met achter het stuur een afgeborstelde kerel, zo te zien gekleed in een maatpak en met naast hem, op de passagierszetel van de auto, een jonge gast. Nieuwsgierig wachtte ik af met wat voor een reden dit duo ons op een bezoek kwam vergasten. Want ma noch pa verwachtten die ochtend visite.

Mijn moeder ging de voordeur openen terwijl ook mijn vader zijn krant aan de kant legde en opstond uit zijn zetel. We hoorden wat gebabbel, waarna even later mijn ma de deur opende tussen de inkomhal en de living, waarin mijn pa en ik ons bevonden.

Die, inderdaad in een kostuum gestoken heer, kwam binnen, met in zijn kielzog een slungelachtige pummel. Mijn moeder meldde mijn vader dat het heerschap een verzekeringsagent was, en de jongen naast hem, een cliënt. Welke  zou hebben beweerd met zijn bromfiets te zijn gevallen, door toedoen van mijn zus, waarvan hij bij een eerder passeren had opgemerkt dat ze in ons huis woonde

Mijn ouders werden bleek om de neus, want dachten onmiddellijk dat ook zij was gevallen. Maar de verzekeraar stelde hen onmiddellijk gerust. Mijn zus was niet gewond. Waarop mijn vader dacht aan haar fiets en haar kledij. Ze had net een nieuwe groene Parka gekregen, een type jas met aangehechte kap, dat in die tijd mode was. Maar ook daar was geen schade aan, zo wist de man ons te vertellen.

Die verzekeringsagent had zich inmiddels onuitgenodigd neergezet op een stoel en zijn mapje met paperassen op een hoek van onze eettafel opengelegd. Met de pen in de hand wou die kerel mijn vader er toe overhalen een document te ondertekenen, een onderling akkoord voor de forfaitaire vergoeding van de door de jonge bromfietser geleden schade.

Dat mijn vader daar niet wou op ingaan, dat begreep die arrogante vent niet. En dat, spijts zijn geveinsde charmeoffensief, ook mijn ma niet was te overtuigen, al evenmin. Nochtans had hij een 'getuige' die alles had gezien, dus hadden mijn ouders volgens hem geen enkele reden om zijn voorstel te weigeren. Wat ze evenwel toch deden. De man en de jongen werden tegen hun zin buiten gewerkt. We aten ons middagmaal, mijn vader maakte zich klaar  om te gaan werken en vertrok, toch nog enigszins bezorgd, richting autofabriek.

Toen mijn zus in de late namiddag thuis kwam van school, inspecteerde mijn ma het meisje van kop tot teen. En was super blij dat ze geen lichamelijke letsels had. Dat ook haar jas, naar schoolse uniformnormen in lichtgroene kleur, onbeschadigd was, zag ze als bijzaak, maar was toch een meevaller. Mijn zus begreep slechts deels wat er aan de hand was. Een dame die op het schoolsecretariaat werkte had ook al aan mijn zus gemeld dat er een man op school was langs geweest die haar wou spreken, maar dat zij resoluut hadden geweigerd mijn zus uit de klas te halen. Waarop de man verontwaardigd was afgedropen.

Mijn moeder bracht haar dochter volledig op de hoogte van hetgeen wij die voormiddag hadden te horen gekregen. Mijn zus en haar vriendin hadden die jongen met zijn bromfiets die ochtend inderdaad opgemerkt. Vooral omdat die sukkel, na hen te zijn voorbijgereden, een beetje verder met zijn klikken en zijn klakken tegen de vlakte was gegaan. Ze waren nog gestopt om te vragen of ze hem konden helpen, maar dat bleek niet nodig te zijn. De jongeman was niet gewond en van bromfietstechniek, -mechanica en - carrosserie hadden de meisjes geen kaas gegeten, dus was het nog niet eens bij hen opgekomen om die bromfiets aan een onderzoek te onderwerpen. Bovendien dienden zij tijdig op school te zijn. En hadden ze die verlegen jongen, die hen nagenoeg dagelijks voorbij stak, meestal schichtig en geniepig naar de schoolmeisjes loerend, achtergelaten bij de andere omstanders.

Mijn vader was woedend toen hij 's avonds na zijn avondshift thuis kwam van zijn werk en van mijn ma de ware toedracht te horen kreeg van wat er die ochtend was voorgevallen. Nog steeds heel boos is hij de volgende ochtend naar de plek van het voorval gereden om die 'getuige' te confronteren met haar valse 'getuigenis'. Haar uitleg was even zielig als het mens zelf. Ze had de vorige ochtend de daar dagelijks voorbij fietsende meisjes opgemerkt, kort daarop een klap gehoord, was naar buiten gehold, had die meisjes naast de reeds recht geklauterde jongen en zijn deels op straat en gedeeltelijk op de fietsstrook liggende bromfiets opgemerkt en daaruit verkeerdelijk geconcludeerd dat alle drie betrokkenen waren in het accident. Meer zelfs, dat de meisjes er de oorzaak van waren!

Maar, zo zei ze, had ze geweten dat één van de meisjes mijn vader zijn dochter was, dan zou ze geen verklaring hebben afgelegd ten overstaan van die verzekeringsagent. Pure nonsens! Uiteraard heeft mijn vader pertinent geweigerd in te stemmen met ook maar om het even welke overeenkomst. Naar ik meen heeft onze eigen verzekeringsagent die listige beroepscollega van hem, terecht gewezen en zonder buit wandelen gestuurd.

Rudi, 6 november 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

13-12-09

Rudi's ontboezemingen - Regels

 

Je komt als jongeman soms nogal wat tegen met de meiden! Daar kan ik persoonlijk ook enkele pittige anekdotes over vertellen. Zoals die keer toen ik als prille twintiger eens een vriendinnetje meenam om te gaan shoppen in Maastricht. We waren daar al gearriveerd toen ze pas ontdekte dat ze haar handtas thuis op het tafeltje in de inkomhal van haar studio had laten liggen. Ik zei: "Da's niks, ik heb geld bij, een haarborstel en ook een extra zakdoek & zo" en voegde er, om te zwanzen, aan toe: "Gelukkig is het niet je onderbroek die je thuis bent vergeten!" Het meisje kleurde terstond bloedrood.

Een andere keer was ik samen met een jongedame. Ik weet niet meer juist onder welke omstandigheden, en ik herinner me ook de reden niet meer, maar ze zei in elk geval, op een bepaald moment: "Ik heb zo mijn regels!" Waarop ik antwoordde: "Ga dan maar vlug naar het toilet om een inlegkruisje in je slip te stoppen!" Dat meisje is effectief weggehold. Niet naar het toilet, maar gewoon weg van mij!

Een andere griet heeft mij dat trouwens eens, in halfdronken toestand, wankel op haar benen staand, bekend: "Schone jongen" zei je, zoals gemeld was ze zat, dus had ze vast een troebel zicht, "Ik ben weg van jou!" Onmiddellijk respondeerde ik met: "Neen, dat is niet waar, want je bent hier nog. Maar ik zou wel graag hebben dat je weg bent van mij, want je stinkt uit je bek. En bovendien hou ik niet van zatte wijven!"

"Tenzij ze jong en sexy zijn", had ik er nog aan kunnen toevoegen. Maar dat deed ik niet, want dat vrouwmens zou dat toch niet meer hebben gehoord, want ze was al weg gewaggeld en ik heb haar daarna gelukkig nooit meer teruggezien!

Het was in die tijd, de jaren tachtig, en waarschijnlijk nog steeds, trouwens niet altijd eenvoudig om een griet aan de haak te slaan. Figuurlijk dus, welteverstaan! Alhoewel ik er, als zeventienjarige, toch eens een keer in ben geslaagd om dat, ongepland, bijna letterlijk voor elkaar te krijgen.

Op de fuiven, waar ik, als rijpe tiener, in de weekends met mijn, uit jongens en meisjes bestaande vriendengroepje, heen hing, was al meer dan eens mijn oog gevallen op een knap jong meisje. Eentje met een weelderige bos krullend donkerbruin haar. Bij de toen nog populaire kusjesdans probeerde ik al eens om haar in mijn armen, en aan mijn lippen, te krijgen. Maar helaas slaagde ik daar niet in. En mijn kansen waren uiterst beperkt omdat die schoonheid meestal niet meedeed aan dat kusgedoe.

Ook voor een slow, die altijd volgde op die kusjesdans, kon ik, ondanks herhaalde beleefde uitnodigingen daartoe, de bevallige deerne niet strikken. En dan, op een keer, toen ik me na zo een massadans, door de menigte bewoog, op zoek naar een danspartner, werd ik door de vriendin van dat meisje op de schouder getikt.

Terwijl ik verder stapte, deed het meisje me teken om achterom te kijken. Dus hield ik halt, draaide me om en keek recht in de ogen van die zo door mij begeerde brunette. Menslief, wat was ze toch knap. En nu liep zij dus achter mij aan?

Fout gedacht! Op mijn blauwe jeansvestje waren twee kleine buttons gespeld. En bij het haar ongemerkt passeren, allicht omdat ik op dat moment een ander schoon grietje in het vizier had, was ze met een deel van haar enorme haardos aan me vast komen te zitten. Vandaar die achtervolging door de rumoerige en lawaaierige danshal.

Weken- of misschien wel maanden later, heb ik toch nog eens een poging ondernomen om dat, in mijn ogen goddelijk, schepsel, aan de haak te slaan. Figuurlijk dan, deze keer! Ze zat, samen met een aantal jongens, aan een tafeltje, naast de tafels die mijn maten en ik hadden ingepalmd.

Naarmate de avond vorderde merkte ik dat het meisje nogal dikwijls alleen op haar stoel, aan dat tafeltje achterbleef. En als die kerels, van het type 'zware jongen', er toch waren, kroop geen enkele van hen dicht tegen haar aan of stelde zich amoureus tegenover haar op. Daaruit concludeerde ik dat het meisje geen vriendje had. En leek deze avond voor mij het uitgelezen moment om mijn kans te wagen om dit mooie meisje nader te leren kennen.

En ik had al een plannetje beraamd om dit prachtig schepsel der natuur te bekoren. Naderhand beschouwd een nogal ridicuul idee. Van elk beschikbaar drankje dat op die fuif was te verkrijgen, wou ik er namelijk één bestellen. En het ganse aanbod zou ik voor haar bevallige neusje plaatsen, zodat ze maar te nemen had wat ze drinken wou.

Slechts één, niet onbelangrijk, probleem doemde op. Om al die drankjes te kunnen bekostigen, had ik geld nodig. En ik had die avond al een groot deel van mijn budget gebruikt om benzine te kopen voor mijn bromfiets. En het saldo had ik aangewend als mijn aandeel in de drankpot, die inmiddels was uitgeput. Er zat dus niks anders op dan bij wat maten aan te kloppen voor een beetje geld. Die maakten daar geen probleem van. Temeer daar ik hen deel maakte van mijn plan.

Nu de voorbereidingen waren getroffen, rijgde ik de veters van mijn 'stoute' combat schoenen nog wat sterker aan, trok mijn nauwsluitende jeansbroek recht, liet mijn vingers even door mijn haren glijden, om mijn kapsel ietwat te fatsoeneren en ging vervolgens recht op de jonge vrouw af.

Ze keek op toe ik me, het lichaam voorovergebogen, voorstelde aan haar. Ze glimlachte vriendelijk en deelde me ook haar naam mee. Op mijn vraag of ik even bij haar mocht komen zitten, antwoordde het lieflijk ogend creatuurtje positief! Ze bleek met haar broers en hun maten naar deze fuif te zijn gekomen. Omdat ze wel zin had om uit te gaan, maar haar vriendin ziek was en haar ouders niet wilden dat ze alleen op stap ging. Toen ik haar zei dat ik haar een drankje zou bezorgen, reageerde het meisje onmiddellijk met de woorden: "Neen, niet nodig hoor. Ik heb deze avond reeds genoeg gedronken en heb nu echt geen zin meer in om het even welk drankje!"

De schoonheid vervolgde: "Ik zeg dat steeds liever onmiddellijk, zodat niemand haar of zijn geld besteed aan een drankje dat ik dan toch niet uitdrink." Net op dat moment kwam de ober eraan met een schaal waarop minstens 10 verschillende soorten drankjes stonden. Oei! Hoe moest ik dat hier oplossen? Zonder gezichtsverlies te lijden. Ik zei die jongen dat hij alle drankjes bij elkaar op tafel mocht zetten en dat ik dan wel voor de verdeling zou zorgen. Nadat ik de drankbezorger met het geleende geld had betaald, riep ik enkele maten bij me.

Die keken me vragend aan, want ze hadden zich gedeinsd gehouden omdat ze dachten dat ik toch liever alleen bleef zitten bij het meisje mijner dromen. En waren nog meer verbaasd, toen ik hen uitnodigde om een drankje te nemen. Erg succesvol was mijn broederlijk delen overigens niet, want mijn maten waren niet geïnteresseerd in het drinken, of zelfs maar proeven van de meeste van die daar op tafel gepresenteerde brouwsels.

Wat er daarna is gebeurd en hoe die avond is afgelopen, daar heb ik het raden naar, want ik kan het me met de beste wil van de wereld niet meer herinneren. Eén ding is zeker: dat meisje is noch die zaterdagavond, noch op een later moment, ooit de mijne geworden. In tegengesteld geval had ik die gedenkwaardige informatie zonder twijfel voor eeuwig en altijd ergens in een veilig hoekje van mijn grijze hersenmassa bewaard. Dus waarschijnlijk is onze beginnende communicatie vrij snel op een sisser uitgelopen. Mogelijk koos ik een fout moment uit om met het meisje in contact te treden. Had ze misschien haar regels?!

Ru(sh)di(e), 4 april 2009. (publicatie op de weblog 'Rudi's kijk op de wereld' op 10 juni 2009) 

29-11-09

Rudi's ontboezemingen - Vrouwen

 

Vrouwen. "Ze zijn soms zo moeilijk te begrijpen", hoor je vaak zeggen. Door mannen, vooral. "Dat is omdat die kutwijven van een andere planeet komen dan wij, fijne venten!" zo hoorde ik in mijn prille kindertijd ooit eens zeggen, toen ik mij, onopgemerkt, in het gezelschap bevond van enkele oudere buurjongens. Die reeds op een leeftijd waren aanbeland waarop ze hun eerste echte liefdesavonturen beleefden.

Dat was dus tevens het moment waarop ik te weten kwam dat wij, in tegenstelling tot wat mijn pa me had verteld, niet uit de kolen komen. Waarna ik concludeerde dat het andere verhaal over onze afkomst, dat de ronde deed, dan allicht toch geen verzinsel was, zoals mijn pa nochtans beweerde. Zouden kindjes dan toch door de ooievaar worden afgeleverd? Al naargelang het om een jongen of een meisje gaat, vanaf verschillende hemellichamen, naar de verwachtingsvolle ouders op aarde gebracht? Ferme vogels, als die veronderstelling juist zou zijn. Maar was het inderdaad zo? En hoe zou die bestelling dan in haar werk gaan? Dat vroeg ik mij af, als kleine rakker. Die grote jongens wisten vast het antwoord wel. Maar ik durfde het hen niet te vragen.

Dat het vrouwvolk een moeizaam te bevatten soort is, dat heb ik inmiddels zelf ook wel begrepen. Bij een jongedame, waar ik als rijpe twintiger een innige relatie mee had, liet ik ooit eens een gigantisch boeket rode & witte rozen bezorgen. Ter gelegenheid van haar verjaardag was dat. Maar dat meisje was nog niet content. De bloemen en het ornament er rond vond het wicht ontzettend mooi. Maar de door de koerier bijgeleverde rekening was er voor haar te veel aan.

Ja zeg, kon ik er aan doen dat ik op dat moment op zwart zaad zat omdat al mijn geld er was doorgedraaid door haar voorgangster? Zeggen ze niet: "Het is het gebaar dat telt?' En ik was in elk geval mijn liefste haar geboortedag niet vergeten! Belachelijk was het, dat ze struikelde over die futiliteit van het zelf moeten betalen van die klote bloemen.

Toen ik als adolescent eens met mijn fiets huiswaarts reed, zag ik aan de overkant van de drievaksbaan een fantastisch mooi meisje staan. En daarenboven uiterst sexy gekleed. Naar mijn normen, in elk geval. Een glanzend zwart rokje dat tot midden haar bovenbenen reikte, zwarte kniekousen, bordeaux laarsjes en een blazer in dezelfde kleur. Een zwart tasje hing op heuphoogte, op die plaats gehouden door een dunne schouderriem. De kastanjebruine steile haardos lag gedrapeerd over de schone deerne haar hals en schouders.

Potverdikke! Mijn hormonen noopten mij tot actie! Dus reed ik verder tot aan het eerstvolgende kruispunt. Alwaar ik, bij groen licht, in plaats van rechts af te slaan, richting ouderlijk huis, links de baan overstak. En rustig terug fietste in de richting van de plaats waar die wachtende schoonheid stond.

Eens ter hoogte van haar standplaats gearriveerd, hield ik halt. Richtte mij op van mijn fietsstuur en lachte het meisje, dat bij mijn aankomst een pas had achteruit gezet, liefdevol toe. Ze keek me met haar bruine ogen verbaast en vragend aan. Maar niet geschokt of verschrikt. Dat viel dus al mee. Mijn God, van dichtbij was deze griet nog veel mooier dan van veraf! Een prachtig gevormd gezichtje met een lichtbruine gelaatskleur. Geen make-up. Niet nodig! Maar ze had wel een vleugje parfum op haar welgevormde lichaam gespoten. Daardoor rook het schatje uiterst zwoel. Zelfs van op die anderhalve meter afstand die ons beiden van elkaar scheidde.

Met mijn meest vriendelijke en verleidelijke stem zei ik: "Hopelijk heb ik je niet te lang laten wachten?" Het meisje keek me niet begrijpend aan. En opende haar mond. Maar vooraleer ze iets kon zeggen, vervolgde ik: "Ik ben jouw droomprins op het witte paard. Nu ja, een stalen ros, en in een rode kleur, maar in elk geval de man die is voorbestemd om met jou het leven te delen!"

Oef! Dat was er allemaal vlot, en zonder al te veel nadenken, uitgekomen! Verwachtingsvol keek ik het meisje aan. Dat stond daar met haar lieve snoet in mijn richting te kijken, met haar mondje vol perfecte parelwitte tanden!

Een antwoord heb ik niet gekregen. En deze ontmoeting is helaas op niks uitgedraaid. Want toen dat meisje haar, naar ik vermoed echte prins, opdaagde, een nogal potige kerel met een hoekig gezicht, zich verplaatsend in een grijze Jeep, maakte ik mij snel met mijn fiets uit de voeten!

Ru(sh)di(e), 17 april 2009 (publicatie op 30 mei 2009 op de blog 'Rudi's kijk op de wereld') - revisie & aanvulling op 29 november 2009.

19-10-09

Heden & verleden - Crossfiets

 

Mijn zoon Austin heeft zich een BMX aangeschaft. Met zijn eigen spaarcenten en met goedkeuring van zijn ouders. Hij was reeds enkele jaren aan het twijfelen of hij nu ging sparen voor een laptop of voor een stalen ros. Uiteindelijk is het dus een BMX geworden. Kost bovendien slechts de helft van een schootcomputer, zodat de jongen het saldo van zijn spaargeld verder kan aandikken om op een later tijdstip alsnog een laptop aan te kopen.

BMX'en is opnieuw een rage aan het worden. Jongeren, voor zover mij bekend haast uitsluitend jongens, en uit alle milieus, groepen samen om op heuvelachtig terrein te crossen, over bulten en zelf aangemaakte schansen te springen en trucjes uit te halen. Een heel sociaal gebeuren dus, en een sport die bovendien voornamelijk buiten wordt beoefend.

Het enige minpunt vind ik het feit dat die BMX'en niet volledig conform de wegcode zijn uitgerust. Een fietsbel ontbreekt bijvoorbeeld, en reflectoren eveneens. Dat er op (laten) plaatsen vinden die jongelui 'niet kunnen.' Derhalve laat ik mijn zoon slechts met tegenzin met zijn BMX over de openbare weg naar het crossterrein rijden. Maar ja, hoe moet hij er anders geraken?

Het is wel leuk om te zien hoe de jongen, vooraleer hij zich naar het lokale crossterrein begeeft, eerst op YouTube gepubliceerde filmpjes bekijkt, met daarop voorbeelden van sprongen, trucs, bewegingen... Het gebeurt ook dat Austin in onze eigen achtertuin aan het 'trainen' is en opeens naar binnen komt gelopen met het verzoek snel even op mijn laptop naar een filmpje te mogen kijken om te zien hoe een bepaalde truc of beweging alweer dient te worden uitgevoerd.

Helemaal achterin onze tuin, tussen twee rijen sparren, heeft hij, samen met zijn broer en een aantal vrienden, een eigen parcours mogen aanleggen. Met een verhoog van zowat een meter, van waarop ze starten, een aanloopzone van een meter of tien en dan een diepte van een halve meter , een hoogte van vijftig centimeter, weer een diepte en nog een hoogte. De kunst is om, met de gepaste snelheid, de BMX, bij het nemen van de eerste hoogte, zo ver de lucht in te krijgen dat de volgende diepte en hoogte, al zwevend in de lucht worden overbrugd en er, zonder vallen, veilig en wel, op twee wielen wordt geland, op het vlakke stuk grond erachter.

Tijdens mijn prille jeugdjaren had ik een zelfgemaakte crossfiets. De basis was een afgedankte, roestige witte minifiets van mijn oudste zus. Je kent dat wel, zo een compacte fiets die bovendien kon worden dubbelgevouwen. Samen met mijn pa had ik op de schuine buis de brandstoftank gemonteerd van zijn ook al afgeschreven antieke motorfiets. En als zitting had ik een lang, grijs zadel dat eveneens van een motorfiets afkomstig was. En met een aangepast hoog stuur en een grote koplamp erbij, had ik een ferme crossfiets!

Je had mij in die tijd in onze tuin moeten zien rijden. Met mijn ook ouderwetse blauwe motorhelm op met een witte middenstreep; Die had lederen oorflappen, die met een sluiting onderaan de kin het ding op mijn hoofd hielden. Mijn plastieken stofbril completeerde het geheel! Op zondagen ging ik dikwijls met mijn vader naar de motorcross kijken. We konden na de prijsuitreiking voor mij part niet snel genoeg terug thuis zijn, zodat ik met mijn crossfiets de wedstrijd kon naspelen. Ik zette zelfs heuse parcours uit. Ik klopte stalen pinnen in de grond, verbond deze met touwen en hing zelfs hier en daar lintjes.

Omstreeks het begin van de jaren tachtig werd BMX crossfietsen een tijdje populair in onze contreien. Her en der werden er teams gevormd, clubs opgericht en wedstrijden georganiseerd. Veelal kwamen de jonge sporters uit het motorcrossmilieu. Met mijn pa ben ik nog naar enkele wedstrijden gaan kijken. In het eerste jaar middelbare school had ik trouwens ook een klasgenoot die in zulke crossen meereed.

Moest mijn lichaam, heden ten dage, als gevolg van dat geklungel van die chirurg, niet zo willoos zijn, ik zou toch wel eens stiekem op Austin zijn BMX durven kruipen. Terwijl de jongen naar school of om een andere reden thuis afwezig is. Om evenwicht- en andere kunstjes uit te proberen, want zulke dingen lijken me leuk. Omwille van de eerder aangehaalde reden zal het BMX'en evenwel in mijn dromen moeten geschieden. Wat dan weer als voordeel heeft dat ik er niet mee moet wachten tot mijn zoon er een keertje niet is!

Rudi, 6 maart 2009 (revisie op 14 oktober 2009)

04-10-09

De avonturen van Rudi & Co - Avontuur in de avonduren

 

Mijn lotsbestemming blijft verrassingen voor mij in petto hebben. Veel te veel naar mijn zin. Maar als er één zekerheid is in dit aardse bestaan, dan is het wel het feit dat je het lot hoe dan ook niet kan ontlopen.

Eergisteren ben ik met Caroline, mijn echtgenote, naar de middelbare school gewseest, waar onze zoon Brian zijn eerste jaar ASO (Algemeen Secundair Onderwijs) volgt. We waren immers uitgenodigd voor een oudercontact, waarbij ons werd aangeboden, tijdens een persoonlijk gesprek met de leerkrachten, de nodige toelichting te krijgen bij de studieresultaten van onze zoon, tot op heden.

Welkom voelde ik mij bij aankomst aan de school helemaal niet. Want dat plankje, met hellend vlak, om via de hoofdingang in de school binnen te geraken, lag niet klaar. Een attente dame zorgde er evenwel voor dat twee mannen, binnen de kortste keren de ramp voor de dorpel hadden geplaatst. En, eens ik binnen was, ook terug op zijn oorspronkelijke plek legden. Anders zou ik niet tot aan de lift zijn geraakt, die we nodig hadden om in de klaslokalen te geraken, waar de leerkrachten ons te woord zouden staan.

Die lift, dat is zo een oud type, met een vaste, zware, open te draaien deur, en zonder dubbele cabine. Wat betekent dat, eens je in de ascenseur staat en deze met een druk op de knop in beweging hebt gezet, je, aan de kant waar je bent ingestapt, de wand van de liftkoker vervaarlijk aan je voorbij ziet flitsen. Gevaarlijk vind ik dat! Dat systeem zal wellicht beveiligd zijn. Maar wat als die beveiliging faalt? Dan kan je net zo goed mee naar boven worden gesleurd, met alle kwalijke gevolgen van dien.

Aangezien de liftkoker dan ook nog eens aan de kleine kant is, pas ik er alleen maar in als ik mij met mijn rolstoel schuin in deze lift positioneer. Enkel op die manier  kan ik er gebruik van maken. Maar kom, we zijn gewoon van ons plan te trekken en we zijn, met behulp van dat systeem, in ieder geval op de verdiepingen geraakt waar we zijn moesten.

Alles bij elkaar genomen hebben we tweeënhalf (2,5) uur zitten wachten om drie (3) leerkrachten gedurende een vijftal minuutjes te spreken. Die tijd uittrekken en dat wachten heb ik er absoluut voor over, om met de leerkrachten van mijn zoon eens van gedachten te wisselen. Maar er zou wel eens een efficiënter formule mogen bedacht en toegepast worden. Want ik had graag ook nog met enkele andere leraars en leraressen kennis gemaakt. Nu was daar geen mogelijkheid toe. De globaal toegewezen tijd was immers op!

Wel vijf of zes mensen heb ik gisterenavond gezien, die lid zijn van het oudercomité, waarvan ook ik deel uitmaak. Die dames (?) en heer (?) vonden mij blijkbaar niet de moeite waard om gedag tegen te zeggen. Was het misschien omdat mijn echtgenote erbij was? Die heeft namelijk een bruine huidskleur. Er waren nochtans meer ouders met een kleurtje aanwezig. De schoolbevolking is immers nogal heterogeen samengesteld. Nu ja, ik ga mijn hoofd niet breken over de oorzaak en beweegredenen van die mensen hun totaal gebrek aan elementaire beleefdheid. Ten overstaan van Caroline en mij welteverstaan, want andere mensen werden wel door hen begroet. Dus zal het allicht aan onszelf liggen. Of berust dit op een misverstand en hebben die lui mij gewoonweg niet herkend?! ;-)

De leerkrachten daarentegen, zijn vriendelijk, gemotiveerd en vol goede intenties. De ene allicht al wat meer dan de andere, maar ik heb toch de indruk dat de school een goed leerkrachtenkorps heeft. Ook een aantal leerlingen van de hogere jaren lieten zich op deze oudercontactavond van hun beste kant zien. Al heb ik wel mijn bedenkingen bij de nogal onbehouwen wijze waarop ze hun taak uitvoerden. De jongeren gingen immers, in twee ploegen, denk ik, rond om aan de leerkrachten en wachtende ouders soep te bedelen. Wat ik zag en hoorde, was een meisje met een grote, en blijkbaar zware ketel soep. Naast haar een jongen met een grote pollepel, waarvan hij de steel in de ene hand en de schep in zijn andere hand hield, bovenop een aantal van resten soep doordrongen servetten. Niet echt een appetijtelijk aanzicht.

"Moet er iemand soep hebben?" vroeg de jongen. Wie reageerde zei "neen, dank u" of bewoog het hoofd een paar keer van links naar rechts en terug om hetzelfde antwoord te geven, maar dan visueel.  Ook ik bedankte voor het aanbod, dat nochtans niet rechtstreeks tot mij was gericht. Het kan idioot lijken, maar ik zag enkel die twee jongelui en veronderstelde dus dat iedereen uit diezelfde soeplepel moest drinken. Die dan telkens gereinigd werd, vandaar die doordrenkte servetten. Maar mijn mond aan die lepel zetten, wat even voordien ook een wildvreemde had gedaan, dat zag ik helemaal niet zitten. Zulks doe ik niet als ik in Europa ben! Opeens kwamen echter nog twee andere meisjes opdagen, waarvan er eentje een mand droeg met soepkommen, lepels en servetten in. Maar niemand van de ouders kwam op haar of zijn beslissing terug. Ook ik niet.

Niet stoppen met lezen, want mijn verhaal is nog lang niet ten einde. De plot moet nog komen! Tijdens het wachten op audiëntie door de leerkracht wiskunde, merkte ik op dat de gang stilaan leegliep. Diverse leerkrachten deden hun jas aan en vertrokken. Ook de meeste, ten behoeve van de wachtende ouders, in de gang geplaatste stoelen, stonden er nu werkloos bij. Aan Caroline liet ik weten dat ik er niet gerust in was. Dat wij nog met de lift naar beneden moesten en dat ik bang was dat we vast zouden komen te zitten in de lift en alzo opgesloten en achter zouden blijven in een verlaten schoolgebouw. Mijn eega deelde deze vrees niet.

Na het onderhoud met de wiskundeleraar, repten we ons naar de lift. Teneinde van de derde verdieping, waarop we ons bevonden, terug op het gelijkvloers te geraken. Ik reed de cabine schuin in. Caroline kwam naast mij staan, sloot de deur en drukte op de '0'. Er gebeurde niks. Geen van ons beiden stond we voor het oog/de ogen die de deur beveiligen. Dat kon dus niet de oorzaak zijn van de malfunctie. Dus nogmaals geprobeerd. En nog eens. Uiteindelijk kwam de lift dan toch in beweging, om even later met een schok alweer halt te houden, tussen twee verdiepingen in. Op welke knop er ook werd gedrukt, er kwam geen beweging in dat ding. Mijn voorgevoel dreigde bewaarheid te worden!

Caroline probeerde dan maar de lift te laten bewegen door de knop ingedrukt te houden. Eureka! Dat lukte... even. Alweer was de lift met een schok stil komen te staan. De truc met het ingedrukt houden van de knop werkte deze keer niet. Wat nu gezongen? Iemand bellen? Maar wie? En het belkrediet van mijn GSM-kaart was zo goed als opgebruikt. Hopelijk dat van Caroline niet. Maar ik durfde het haar niet te vragen. Gelukkig bleef de licht in de liftcabine branden. Na even gewacht te hebben, kwam er bij het blijven ingedrukt houden van de liftknop uiteindelijk toch weer beweging in de lift en geraakten we zo, in enkele etappes, dan toch terug op de begane grond. Oef! Dat was in elk geval de laatste keer dat die lift me heeft mogen vervoeren. Het risico vast te blijven zitten, neem ik niet meer.

Helemaal buiten geraken via de voordeur was er ook niet meer bij. Vrijwilligers om dat hellend vlak te helpen verplaatsen waren er niet te bespeuren. Gelukkig was de achterdeur niet op slot en kon ik dus in het pikkedonker langs de achterzijde het gebouw verlaten. Als een dief in de nacht. En met gevaar lek te rijden op een onzichtbaar object. Leuk is anders!

Rudi, 8 november 2008 (revisie op 19 juni 2009)

 

15-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 4

 

Toen ik de kliniek verliet had ik een zuurstofsaturatie van 90%, daar waar de nnormaalwaarde voor volwassenen tussen de 93 en de 100 % ligt. Die waarde was dus te laag. Voor hen die geen medische achtergrond hebben, geef ik mee dat, simpel uitgelegd, zuurstofsaturatie het zuurstofgehalte in het bloed aangeeft. Ook het koolzuurgehalte in mijn bloed was niet goed; het lag te hoog. Eigenlijk was ik dus helemaal niet klaar voor een thuis verblijven zonder bijbeademing en medische opvolging.

Eten ging redelijk goed. Drinken deed ik alleen van met poeder papperig gemaakt fruitsap. Niet te veel evenwel, om mijn darmtransit een beetje onder controle te houden. Het ademen ging echter nog steeds moeizaam. Zuurstofgebrek was een steeds aanwezige medische klacht. Vaak ging ik, warm ingeduffeld met dekens. om geen verkoudheid te vatten, in de inkomhal van onze woning zitten om via de openstaande voordeur toch maar wat extra lucht in mijn lichaam te krijgen. Want daar snakte ik naar.

Voorts had ik te kampen met angstgevoelens. Wellicht ten dele te wijten aan dat asemtekort. En daarbovenop kwam ook nog een totale slapeloosheid. Telkens wanneer ik bijna indutte, schrok ik meteen weer wakker. Wellicht een natuurlijke reflex van mijn lichaam, dat in rust allicht nog minder zuurstof naar binnen kreeg dan wanneer ik in wakkere toestand geconcentreerd zo diep mogelijk in- en uitademde.

Inmiddels had het nieuwe jaar een aanvang genomen. En had ik al anderhalve week niet meer geslapen. Dus contacteerde ik mijn huisarts. Die schreef me, als alternatief voor de 'inslaper' die ik tot dan toe 's avonds innam, antidepressiva voor als slaapmiddel. De inname ervan leverde echter geen resultaat op. Althans niet in de positieve zin. Want die pillen droogden mijn slijmvliezen uit, waardoor ik nog meer ademhalingsproblemen kreeg. Dus consulteerde ik een andere arts, die me een voorschrift bezorgde voor een slaapmedicament dat ik reeds eerder gebruikte. En waarmee ik ook nu succes had!

Slapen kon ik dus weer. Maar de slijmvorming nam wederom toe. Waardoor ik alweer vaak met een reutelende ademhaling, in de deuropening naar adem zat te snakken.

Bij de aanvang van het laatste weekend van de maand januari in kalenderjaar 2007 was ik daarbovenop alweer doodziek. De nacht van zaterdag op zondag bleef ik wederom in mijn rolstoel zitten. Zoon Brian bood spontaan aan om bij mij te blijven waken, zodat hij bij nood de hulpdiensten kon verwittigen.

Het was al na middernacht, toen op die 28ste dag van het jaar 2007, mijn luchtpijp alweer volledig was dichtgeslibd. Geluid maken, klank voortbrengen, kon ik niet meer. Aan Brian deed ik teken de 100 te bellen. Wat de jongen terstond deed. Vervolgens verwittigde hij zijn ma en broer Austin, die op de bovenverdieping van ons huis lagen te slapen.

Zij kwamen net de trap af toen de ambulance arriveerde. De ambulanciers rolden een brancard binnen. Inmiddels kon ik weer een beetje ademen. En spreken. Aan de ambulanciers maakte ik duidelijk dat ik in geen geval liggend wou vervoerd worden. En aangezien mijn rolstoel hun ziekenwagen niet in kon, stelde ik voor dat ik zelf naar het ziekenhuis zou rijden. Als zij me dan zouden volgen, konden ze mij bij ademnood zuurstof toedienen. Of het na contact met de centrale was, dat weet ik niet, maar de ambulanciers gingen akkoord met mijn voorstel.

Zij namen mijn reeds gereedstaande tas met spullen mee in hun wagen. Zelf nam ik in stilte afscheid van mijn gezin en bedekt met een deken om mijn koortsig lichaam warm te houden, vatte ik de tocht aan naar het in mijn woonplaats gevestigde ziekenhuis. De vrouwelijke ambulancier ging te voet met me mee. Haar mannelijke collega volgde ons met de ambulance.

Na enige tijd stapte de vrouw echter ook in de ziekenwagen, want de snelheid waaraan ik reed, zo een 8 kilometer per uur, was toch net iets te snel voor een stapster. Bovendien was dat naast mij stappen helemaal niet nodig. Als het fout ging met me zouden ze dat ook vanuit hun wagen zien. De buitenlucht deed evenwel goed aan mij ademhaling. Het ging moeizaam, maar minder slecht dan toen ik even daarvoor in onze living zat.

Door de verlaten straten van mijn woonplaats reed ik dus de zowat 5 kilometer, richting ziekenhuis, geëscorteerd door een ambulance. De weinige mensen die we onderweg tegen kwamen, keken raar op toen ze ons opmerkten. Ondanks mijn miserie, de benarde positie waarin ik mij bevond en het uiterst onzeker toekomstperspectief, vond ik de situatie toch wel ietwat lachwekkend.

Even na 02u00 arriveerde ik in de kliniek. En werd terstond de mij behandelende longarts uit zijn vrij weekend gebeld. Van de vorige keer had men immers onthouden dat ik enkel met een bronchoscopie kon worden geholpen. Er werd, door een reeds aanwezige chirurg, onmiddellijk een centraal infuus aangebracht en even later, door de toegesnelde longarts, een bronchoscopie uitgevoerd. Waarna ik direct in een bed werd gelegd en naar een kamer op 'Intensieve Zorgen' werd overgebracht en gekoppeld aan diverse apparaten.

De longarts liet me over aan de goede zorgen van zijn collega         van wacht en de verpleegkundigen van de dienst 'Intensieve Zorgen'. De resterende uren van de nacht bracht ik door in een toestand tussen slapen en wakker zijn. Ondanks de toegediende medicatie was ik nog steeds koortsig en voelde ik me enorm ziek.

De korte bezoekmomenten op zondag deden me deugd. Maar mijn gezondheidstoestand was niet beter. Mijn rechterlong kwam steeds weer vol fluimen te zitten en mijn linkse long slibde dicht. Een uiterst hachelijke situatie, waar het continue toedienen van zuurstof, via een mond- en neusmaker, weinig aan kon verhelpen. Het was afwachten of de medicamenten zouden aanslaan. Hoe het verder moest met mij was dus een groot vraagteken.

De ganse dag door bleef ik me ziek voelen en het lastig hebben. Inmiddels had het labo gemeld dat er in mijn slijm en bloed sporen waren gevonden van een bacterie die de longinfectie had veroorzaakt. Waarop men een intraveneuze antibioticakuur had opgestart.

Mijn lichaam deed ook langs alle kanten pijn, wegens het telkens terug te lang in eenzelfde positie te blijven liggen. Er was een te lage frequentie in het wisselen van de drukpunten. En mijn sterk verzwakt lichaam was allicht hoe dan ook gevoeliger voor pijnprikkels.

De arts had blijkbaar voorgeschreven een 'aerosolkuur' bij me op te starten. Er werd me een masker op de mond gezet, waaronder een verstuiver met medicatie was aangebracht. Eens in werking gesteld werden de vernevelde medicamentenpartikels onder hoge druk naar mijn luchtwegen en longen gestuwd. Wat een 10 à 15 minuten duurde. Als ik het mij goed herinner was het de bedoeling dat ik er elke 4 uur zo één zou krijgen. Maar mijn lichaam kon daar helemaal niet tegen. Die behandeling was veel te agressief. Na twee beurten, die mij absoluut geen deugd deden, weigerde ik de derde. De verpleegkundigen wilden evenwel maar niet begrijpen dat mijn weigering tot het verder zetten van deze therapie, gefundeerd was. En behandelden me als een onwillig koppig klein kind.

Ook op zondagnacht diende de longspecialist nog eens te worden opgeroepen om een bronchoscopie uit te voeren. Om tijd uit te sparen had men het toestel reeds naar de afdeling intensieve zorgen overgebracht. En toen de arts arriveerde, werd het mijn kamertje in gerold. Nadat hij me alweer voor een levenseinde had behoed, gaf de specialist opdacht om het toestel niet terug naar zijn vaste plek op een andere verdieping te brengen, maar buiten in de gang op te stellen, schuin tegenover mijn deur. Want hij verwachtte het spoedig opnieuw nodig te hebben.

De volgende dag, de eerste van een nieuwe werkweek, kwam de specialist, van zodra hij een mogelijkheid zag, bij me op de kamer met de melding dat ik hoe dan ook terug naar een andere kliniek moest. Want dat hij, op zijn eentje, in dit kleine stadshospitaal, onmogelijk voor mij kon blijven zorgen. Liefst zag hij me terug naar dezelfde kliniek vertrekken als waarheen ik de vorige maand was overgebracht. Maar aangezien ik daar in geen geval heen wou, ging hij trachten een plek voor me te bekomen in een andere, aan een universiteit verbonden ziekenhuis. Wat ik de arts wel duidelijk maakte was dat ik, noch in deze kliniek, noch elders in zou gaan op de tijdens mijn eerste opname voorgestelde probleemoplossing, waardoor ik zou veranderen in een half bionisch wezen.

Te ziek om ook maar iets te doen, lag ik zieltogend in mijn bed wat naar muziek te luisteren. Onderwijl naar het plafond en de muren starend en geduldig wachtend tot er eens een berichtje verscheen op mijn mobiele telefoon. Naast dat ziek zijn en de benauwdheid wegens ademtekort, had ik ook die dag veel last van pijn aan mijn gehele lichaam, maar toch vooral aan mijn benen, zitvlak en rug. Dit als gevolg van een ongemakkelijke lighouding. Het ziekenhuispersoneel had dan wel, net als bij mijn vorige opname aldaar, gezorgd voor een elektrisch bedienbaar, in hoogte en verschillende standen verplaatsbaar bed, maar de nood aan wisselhoudingen kon daarmee totaal niet worden opgevangen. Af en toe kwam er wel eens iemand van de verpleging me verleggen, en wat kussens onder mijn benen en achter mijn rug stoppen, maar te meer daar ik niet echts iets had dat mijn gedachten kon afleiden van deze pijn en dit probleem, bleef het lastig. Eten deed ik niet, waardoor ook die momenten er niet waren als verstrooiing.

Maar het meest tergend was die reutelende ademhaling van me te horen, en het voortdurend moeten naar adem snakken. Enkel bij hoge nood mocht de arts worden opgeroepen, zo was me gezegd door het verplegend personeel. De dokter had me ook persoonlijk gevraagd om te trachten het zo lang mogelijk zonder zijn hulp te stellen. Want telkens met die buis in mijn luchtwegen gaan en fluimen wegzuigen, hield diverse gevaren in. Zoals beschadiging van mijn stembanden of longen. Maar het enige dat ik kon doen was rustig blijven en zo diep mogelijk in- en uitademen. In mijn fysieke toestand was dat op zich al een ganse prestatie.

De arts was weg. Maar het feit dat ik, vanaf de plaats waar ik lag, in de gang de machine zag staan waarmee de arts, in het geval dat hij, na een oproep, bij aankomst in de kliniek, onmiddellijk de levensreddende handelingen op mij kon uitvoeren, bezorgde mij, op geestelijk vlak, enige geruststelling.

Maar het veranderde natuurlijk niks aan mijn lichamelijke toestand. Die niet stabiel bleef, maar erop achteruit boerde. En ik kon er niks aan doen. En lag reutelend naar adem te snakken, met een continue open mond, in de hoop op die manier toch maar zoveel als mogelijk zuurstof tot aan mijn longen te krijgen. Helaas, mijn lichaam hield het niet vol. Ik diende alweer op mijn bedbelletje te drukken, dat ik voortdurend in mijn hand hield om bij nood de verpleging tot aan mijn bed te kunnen krijgen.

Met twee kwamen de verpleegkundigen mijn kamer binnen. Ze zagen zelf ook wel dat ik er slecht aan toe was. Eén van hen ging onmiddellijk de dokter bellen. En bracht even later het bronchoscopietoestel mijn kamer binnen. Geluid kon ik niet meer produceren. Het begin van een verstikking was ingetreden. Nog net zag ik de arts arriveren en, na een vluchtige blik op mij te hebben geworpen, zijn kiel aandoen. Vooraleer ik, door zuurstofgebrek, het bewustzijn verloor.

Toen ik weer ontwaakte stond er een arts aan mijn bed, een cardiologe. Ze vertelde mij dat zij en haar collega, de pneumoloog, me een beetje hadden geholpen. De longarts had mij geïntubeerd, dus een buis in mijn luchtpijp aangebracht en gekoppeld aan een machine, die het werk van mijn longen had overgenomen. Spreken zou ik niet kunnen. Er was ook een blaassonde ingebracht. Mijn enige nog beperkt functionerende arm was vastgebonden. Om te vermijden, aldus de arts,  dat ik de buizen uit mijn mond en keel zou trachtten te trekken, met op zijn minst ernstige letsels en in het slechtste geval mijn dood tot gevolg.

Hoewel ik wist dat mijn longarts in de kliniek waar ik op het einde van het vorig kalenderjaar boos mijn biezen had gepakt, zijn collega in deze kliniek steeds op het hart had gedrukt nooit over te gaan tot intuberen of tot een tracheotomie (het aanbrengen van een buisje in de luchtpijp via een snede in de hals),  had deze laatste het deze keer dus wel gedaan. Allicht vrezend dat hij me anders niet in leven had kunnen houden.

Maar ik vond het allemaal best. Ik voelde me 'zalig'. En had ik in staat geweest te spreken, wat door die buizen in mijn keel dus niet kon, dan had ik mijn pneumoloog gemeld dat hij, wat mij betrof, gerust zijn eerder voorgestelde plannen ten uitvoer kon brengen. Een tracheotomie voor continue kunstmatige beademing, een canule voor praten met een spraakmodule, een sonde voor het kunstmatig voeden,... ik zag het allemaal zitten! En toen mijn hand werd vrijgemaakt bevoelde ik het systeem dat aan mijn mond vast zat wel even, maar ik dacht er nog niet aan er aan te prutsen, laat staan het te verwijderen.

Veel later ben ik pas tot het besef gekomen dat ik mij toen zo gelukzalig voelde omdat ik zwaar was gedrogeerd. Ik verkeerde ook voortdurend in een toestand tussen slaap en doezelig wakker zijn. Maar bij de pakken blijven zitten was er ook in deze toestand, bij deze conditie niet bij. Toen mijn ouders op bezoek kwamen, slaagde ik er tijdens dat kwartiertje wonderwel in hen duidelijk te maken dat ik graag zou gehad hebben dat zij op een kartonnen blad A4-formaat alle letters van het alfabet zouden plaatsen, alsook de cijfers van 0 tot 9, zodat ik middels het aanduiden ervan woorden en zinnen zou kunnen vormen, waardoor ik terug met iedereen zou kunnen communiceren!

Die brave mensen hadden het begrepen en reeds bij hun volgende bezoek hadden ze het gevraagde mee. Exact zoals ik het had gevraagd, en zelfs geplastificeerd! Ik duidde letters aan, die zij opschreven. Feilloos werkte het niet, maar het systeem functioneerde toch redelijk goed. Alhoewel er soms wel sprake was van een communicatiestoornis. Mijn 'gespreks'partner begreep op zulke momenten niet wat ik wou 'zeggen', terwijl ik langs geen kanten begreep waarom dat zo was. Ook alweer later zou ik tot het besef komen dat ik, onder invloed van de hallucinerende middelen die me werden toegediend, vaak verwarde of onzinnige taal 'sprak'.

Inmiddels werd me ook duidelijk gemaakt dat ik dringend elders heen moest. En aangezien ik niet terug naar die universitaire monsterkliniek wou, waar ik eerder verbleef, was men elders op zoek gegaan en had men inmiddels een ziekenhuis gevonden dat me kon en wou opnemen. Ook één dat is gevestigd in onze provinciehoofdstad. Met een uit  diverse specialisten bestaande dienst pneumologie.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 28 februari 2007 (revisie op 14 september 2009)

14-06-09

Rudi's ontboezemingen - Blind geldgewin

 

Regelmatig krijg ik berichten in mijn mailbox waarin wordt gemeld dat men mij in contact kan brengen met dames, waar wél eens de ware voor mij tussen zou kunnen zitten. Hoe men er bij komt, dat ik daar naar op zoek ben en niet misschien reeds heb gevonden, is voor mij een raadsel. Nu ja, mijn gulzige prullenbak slikt deze berichten met graagte in.

Een kennis van mij heeft ooit eens via zo een 'dating site' een 'blind date' geregeld. Een regelrecht fiasco! Die jongen had een plaatsje gereserveerd, in een stemmig restaurantje. Een vrij exclusieve, en bijgevolg dure eetgelegenheid. Maar ja, die jongeman van tegen de dertig, had een goede job en kon zich dat permitteren. En wou met deze luxe dat bijna tien jaar jonger meisje imponeren. De jongedame, waarmee hij had afgesproken, kwam echter niet opdagen! Dus zat hij daar de ganse avond aan dat tafeltje, bij kaarslicht, en helemaal allen. Absoluut niet romantisch!

Achteraf heeft hij dan vernomen wat er was gebeurd. Via de chat, want toentertijd was de aankoop van een mobieltje slechts weggelegd voor rijke mensen, zakenlui en prostituees. Dat meisje waarvan sprake, had haar weg naar de plaats van afspraak niet gevonden. De jongedame, zo bleek, was immers blind! En haar geleidehond was net die avond van haar weggelopen! Met haar witte geleidestok in zijn bek!

Mijn kennis is na het 'lezen' van die uitleg niet meer bijgekomen... van het lachen! Zijn mama, gealarmeerd door het lachsalvo, en vervolgens het geluid van een klap, komend uit die jongen zijn slaap- annex studeerkamer, vond hem dubbelgevouwen van het lachen, naast zijn bureaustoel. Hij had zich daarenboven ook nog eens een breuk gelachen. En was er dus erg aan toe.

Uiteindelijk is mijn kennis met zware hoofdwonden opgenomen in het lokale ziekenhuis. Géén idee hebbend van wat er aan de hand was, had zijn mama immers om een ziekenwagen gebeld. Toen die arriveerde, was mijn kennis evenwel al wat bekomen. En de ambulancier van dienst, een potige kerel, kon er niet mee lachen dat hij voor niks was uitgerukt. Bovendien bleek die blinde date zijn nichtje te zijn! En vond hij derhalve het gebeurde helemaal niet grappig. Mijn kennis heeft dat geweten! En zal daar blijvend aan worden herinnerd, telkens hij in de spiegel kijkt en de littekens ziet op zijn gezicht.

Eind goed, al goed, evenwel. Dat meisje is mijn kennis komen opzoeken in het hospitaal. Dat ze probleemloos vond! Neen, die hond was nog niet teruggevonden, net zo min als haar geleidestok. Ze had gewoon haar bril afgezet. En wat bleek? Dat ze kon zien! Een beetje troebel, dat wel, maar ze zag! Door dat verbouwereerd meisje op de rooster gelegd, bekende haar pleegmoeder huilend, uit vrees voor de gevolgen van haar confessie, dat zij en haar drugsverslaafde man, het blinde meisje, dat dus helemaal niet blind bleek te zijn, van kleins af aan een donkere bril hadden opgezet, zodat iedereen dacht dat het lief kind blind was, en ze derhalve dubbel kindergeld konden opstrijken!

Gedane zaken nemen géén keer. De tijd terugdraaien gaat immers (voorlopig?) nog niet. Derhalve vergaf dat meisje haar pleegouders hun zonde, en stapte met mijn kennis de boot in. Hij was in die tijd immers matroos op een binnenschip. En zonder bril zag dat jong vrouwmens mijn kennis goed zitten. Allicht omdat haar zicht toch ietwat troebel bleef; Oh ja, inderdaad: ze leefden nog veel en kregen lange kinderen.

Rudi, 6 september 2008 (revisie op 14 juni 2009)

10-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - Zware jongens

 

Bij ons, op de middelbare school, zat gedurende enkele jaren ook een jongen met een lichamelijke beperking en een spraakgebrek. Hoe hij daar was aangekomen, weet ik niet meer. Mogelijks was hij één van de laatste slachtoffers van kinderverlamming. Maar ik denk niet dat ons dat eigenlijk interesseerde. Die jongen stapte moeilijk en had géén volledige handfunctionaliteit. Maar het was een toffe knul. En als mijn maten of ik in de buurt waren, moest niemand het ook maar wagen om die jongen uit te lachen. Op zeker moment verliet hij de school en bijgevolg verloren we hem uit het oog.

Als zeventienjarige ging ik nagenoeg wekelijks uit met mijn kameraden. We spraken steeds af in onze stamkroeg en trokken van daaruit meestal naar een fuif. Op een bepaalde zaterdagavond bevonden we ons op zo een openbaar dansfeest, toen er op een gegeven moment een bende ruige motards de danstent binnen kwam. Stoere, struise bonken met lang haar, in jeans, met zware botten aan hun voeten en een lederen jas aan. Met daarboven ook nog eens een mouwloos jeansvestje. Op de achterzijde van dat vestje waren het embleem en de naam van hun 'club' bevestigd.

Die kerels bleven samengetroept aan de kant van de dansvloer staan en startten spoedig met het hijsen van pinten schuimend bier. Een van de mannen trok mijn aandacht. Ik meende er mijn voormalige manke vriend in te herkennen. Ik bleef de bende gadeslaan, en in het bijzonder die éne persoon. Hij was zowat de kleinste en rustigste van de hele groep. De anderen gedroegen zich nogal wild en gingen hardhandig met elkaar om, maar hij hield zich op de vlakte.

Van een lichamelijke beperking bleek géén sprake meer te zijn. 'Zou die dan volledig genezen zijn?' vroeg ik me af. En hoe was hij bij die bende zware jongens verzeild geraakt? Ik ging zijn richting uit, maar hij bleek mij niet (meer) te herkennen. Dus liep ik hem voorbij en bleef ik hem van op enige afstand observeren. Waarschijnlijk was dit dus toch mijn vroegere vriend niet. En toen ik de jongeman even later, zonder haperingen, hoorde spreken, wist ik dat wel zeker!

Uit mijn ondeugende geest ontsproot daarop een plannetje voor een kwajongensstreek. Ik ging tot bij één van mijn makkers, die tot dan toe alleen maar oog had gehad voor zijn lief, en die nu, aan de toog stond te wachten, allicht op een drankje voor haar en hemzelf. Ik vroeg hem of hij zich nog onze manke maat herinnerde. 'Uiteraard!' zei hij. Waarop ik hem vertelde dat ik er net een kwartier mee had staan praten. Mijn maat vergat de drankjes en wou zelf ook meteen naar onze verloren vriend gaan.

Ik wees mijn kameraad de in leder en jeans gestoken jongen aan, en zijn ogen lichtten op. Mijn maat, nogal klein van gestalte, benaderde de motard langs achteren en gaf die anderhalve kop grotere kerel, als verrassende begroeting, met de palm van zijn hand, een harde klap op de rug. De jongeman draaide zich terstond om en keek mijn maat boosaardig aan. Die stond daar, uitnodigend, met open armen en een lachende bek, in een houding van: 'herken je me nu niet meer?!' Die andere ruige motormannen kwamen, met een pint bier in minstens één hand, dreigend rond mijn maat staan, want ze dachten dat die één van hen had aangevallen!

Enfin, mijn maat had vrij snel door dat hij niet voor zich had, wie hij dacht voor zich te hebben. En dat hij er door mij was ingeluisd! Gelukkig bleek die zware jongen nog de slechtste niet te zijn, want mijn vriend kon er zich uitpraten en geraakte zonder kleerscheuren tot bij mij. Hij had me daar, op een veilige afstand van het tafereel, zien staan lachen, terwijl hij zelf toch wel eventjes angstig was geweest. Maar nu kon ook hij lachen om mijn grap.

Geloof het of niet, maar het meest verbluffende deed zich de week daarop voor. Alweer op een fuif, in dezelfde gemeente, ontmoetten we onze enige échte ex-schoolkameraad. Jammer genoeg was hem géén mirakel ten deel gevallen. Hij stapte en sprak nog steeds even slecht. Maar het weerzien was hartelijk, want hij was ook nog steeds behept met zijn zelfde, toffe persoonlijkheid.

Ru(sh)di(e), 27 april 2006 (revisie op 7 mei 2009)

22-04-09

Rudi's ontboezemingen - Hooghartigheid en arrogantie

 

Voor mijn ene zoontje diende ik een afspraak te regelen met een geneesheer - specialist die me door onze huisarts was aanbevolen. Dus belde ik die dokter op en vroeg hem wanneer ik de jongen met zijn mama kon laten langskomen. Ja, zelf zou ik niet meekunnen, want volgens mijn huisdokter was er aan de ingang naar het kabinet van zijn collega een trapje. Naar ik verstond zei die man dat het de volgende week kon, op woensdag, maar voor vijf uur. "Kan het dan eventueel op een andere dag?" vroeg ik, "Mijn zoontje voetbalt immers en heeft op woensdag training."

Die man vloog terstond tegen me uit. En vroeg me snauwend wat ik het belangrijkste vond: mijn zoon zijn gezondheid of een voetbaltraining? Ik schrok van deze reactie en had in eerste instantie de neiging om de telefoonhoorn op de haak te gooien. Maar ik trachtte mezelf tot kalmte te dwingen, waarin ik slechts gedeeltelijk slaagde. Dus repliceerde ik met enigszins trillende stem: "Mijnheer, daar gaat het toch niet om. Er zijn vijf werkdagen in de week. Het zou dus toch best mogelijk kunnen zijn dat u ook op een andere dag consultaties doet, zodat mijn zoon zijn training niet hoeft te missen."

Hierop begon hij me een beschrijving te geven van zijn weekplanning. Er was iets met een vergadering, operaties, ander werk in het ziekenhuis... Ik luisterde slechts met de helft van een half oor, want ik had eigenlijk totaal geen interesse in deze man zijn agenda. Toen hij klaar was met zijn opsomming, zei ik hem dat mijn zoontje op woensdag en donderdag voetbaltraining volgde, maar dat het uiteraard geen ramp was als hij eens een oefendag mistte. En als die afspraak enkel op woensdag kon, ikzelf daar dus totaal geen probleem mee had.

Ik had de indruk dat de arts inzag dat zijn overhaaste conclusie fout was geweest, want hij lachte en vroeg om welk uur de training was afgelopen. Uiteindelijk bleek dat ik hem bij de aanvang van ons gesprek verkeerd had verstaan en dat die afspraak voor de week daarop NIET voor vijf uur kon. Er werd dus afgesproken dat ze om twintig na zes op consultatie zouden komen.

Toen ik het voorval 's avonds aan mijn thuisverpleegkundige verhaalde, was ze, nadat ik 's mans naam vernoemde, totaal niet verbaast. Zij kende die dokter en wist me te vertellen dat hij ook tegenover verpleegkundigen doorgaans nogal uit de hoogte doet. En ongetwijfeld geen tegenspraak gewoon is. Maar de man had wel de reputatie een goed arts te zijn.

Nu ik het toch over arrogantie heb. Bij aanvang van het voetbalseizoen hadden mijn kinderen, na betaling van hun lidgeld, recht op een spelerspakket. Ze hadden daartoe een boekje met bonnetjes gekregen waarvoor ze bij inlevering in de clubwinkel de erop vermeldde kledij zouden ontvangen.

Toen we naar die winkel gingen kon voor zowat de helft van de bonnetjes geen kledij worden geleverd, wegens niet in voorraad. De daaropvolgende maanden toog ik meermaals met mijn tweeling naar de sportwinkel van de club om de rest van die kledij in ontvangst te nemen. Maar telkens kreeg ik te horen dat de items nog niet geleverd waren. Tot op een gegeven moment, zowat een maand geleden, de winkeldame me simpelweg meedeelde dat die spullen niet meer binnen zouden komen omdat de club haar samenwerking met de leverancier van deze kledij had stopgezet. Ze gaf me de naam en het telefoonnummer van het bestuurslid dat verantwoordelijk was voor deze zaken en raadde me aan die man op te bellen met de vraag hoe hij dit probleem ging oplossen. Te meer daar ik, na zes maand en terwijl het seizoen al volop aan zijn tweede helft bezig was, ook vond dat het onderhand wel welletjes was geworden, nam ik enkele dagen later, met behulp van mijn echtgenote, mijn telefoon ter hand en belde die kerel op.

Toen de telefoon werd opgenomen met een simpel "Hallo" vroeg ik voor de zekerheid of ik de persoon aan de lijn had die ik spreken wou en toen dat inderdaad het geval bleek te zijn zei ik mijn naam en vertelde die man de vader te zijn van twee eerstejaars duiveltjes. Vervolgens vertelde ik hem de reden van mijn oproep.

Oh, maar ze hadden dat net tijdens een bestuursvergadering besproken, zo zei hij met een blasé stem. Ja, allicht, dacht ik. Er zou ter compensatie van de ontbrekende stukken in de uitrusting een paar schoenen worden geleverd. Ik vertelde die man vriendelijk dat mijn jongens op dit ogenblik niet echt behoefte hadden aan een paar nieuwe schoenen. Onmiddellijk beet die klier me toe dat ik dan maar schoenen van een paar maten groter moest nemen en dat ik al blij mocht zijn dat ze bereid waren iets te geven. Ik kon me met dat antwoord uiteraard niet verzoenen.

Die kerel wou van me af en zei me dat hij zou bekijken of er niet ook nog een training kon worden bijgeleverd en dat ik op de eerstvolgende trainingsdag zeker aanwezig moest zijn want dat na afloop ervan deze kwestie zou geregeld worden. Toen wou hij ons gesprek afsluiten maar ik zei nog: "Nu ik u toch aan de lijn heb, wens ik van de gelegenheid gebruik te maken om u te melden dat ik enigszins teleurgesteld ben in uw organisatie." Hola! Dat kwam blijkbaar verkeerd aan, want ik kreeg ogenblikkelijk de wind van voren. En in plaats van te vragen wat er volgens mij dan wel aan schortte, snauwde hij me hooghartig toe dat er zo velen waren die hun jeugdwerking en hun trainers wel goed vonden, maar dat ze uiteraard niet voor iedereen goed konden doen.

Ik zei die kwal, om enkele voorbeelden te geven, dat steeds wisselende trainers en het feit dat de kinderen daarbovenop de helft van de tijd slechts werden bezig gehouden door twee schooljongens - één van een jaar of zestien en zijn broer van amper veertien - die zelf nog moesten leren voetballen, toch bezwaarlijk kon worden aanzien als de professionele begeleiding die je van een eersteklasserclub zou verwachten en die ons trouwens bij de aanvang van het seizoen werd voorgespiegeld. Kinderen in een leeftijd van zes, zeven jaar hebben nood aan regelmaat en leiding door gezag mensen met enige opvoedkundige capaciteiten. De chaos waarin mijn jongens tijdens het anderhalf uur training (?) veelal verzeild raakten, beviel me niet. Als ik niet tevreden was, dan moest ik maar naar een andere club gaan was de repliek van die naarling.

Zo gaat dat dus. Ze beloven je bij aanvang van het seizoen een professionele begeleiding en een uitrusting. Vervolgens incasseren ze het lidgeld, waarna je naar het beloofde kan fluiten. En als je er dan een terechte opmerking over durft te maken vertellen ze je simpelweg dat je kan oprotten. Moest ik durven, ik zou schrijven dat dit mijns inziens gevaarlijk veel weg heeft van oplichterij.

Toen ik die etter dus zei dat zulks dus wel een heel gemakkelijk, doch niet acceptabel antwoord was, vertelde hij nog een hoop onzin totdat hij, in de hoek gedreven door mijn weerwoorden, uiteindelijk toch toegaf dat ze die jonge snaken als trainers lieten opdraven omdat ze niemand anders vonden. Om van me af te zijn zei hij nog: "Je hebt je zegje nu gehad. Ik zal zien wat ik kan doen. Is dat genoeg?" Neen, dat was het niet, maar toch sloot ik af, want met deze kerel viel toch niet te praten.

Aldus neer getypt door een zich snel voortbewegende rebel, die het nodig acht ook ten strijde te trekken tegen elkeen die denkt omwille van zijn titel of positie meer waard te zijn dan een ander.

Ru(sh)di(e), 6 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

03-04-09

Belevenissen in het UZ, het zesde deel

 

Herinner mij net iets van uit de tijd toen ik pas een goeie, ik denk anderhalve maand in het revalidatiecentrum, doorgaans kortweg RC genoemd, verbleef.

Als kamergenoot had ik sinds kort een jonge gast, die net zoals mij tetraplegisch (noot) is. En die al vanaf zijn eerste dag verblijf in het centrum, niet erg hield van het in de refter geserveerde voedsel, en dus regelmatig wat liet meebrengen van thuis of telefonisch bestelde pizza of frieten op zijn kamer liet afleveren.

Die avond lagen we elk in ons bed, een beetje te praten, toen hij voorstelde nog een pitta te bestellen. Ik had ook nog wel zin in iets, maar wel eerder in een pakje friet. Via het belletje aan ons bed riepen we de hulp in van een verpleegkundige om een patiënt te vinden die het telefoonnummer had van een pittazaak die aan huis leverde, en ook frieten in het gamma had. Die persoon werd gevonden, en had bovendien zelf ook wel zin in een snack. Ik trakteerde, want mijn kamergenoot had me reeds enkele keren laten meesmullen van door zijn mama meegebrachte spijzen.

Reeds een half uurtje later stond een meisje daar met onze hapjes. Aangezien ik dit zelf niet kon, liet ik haar het tegoed voor de geleverde mondkost uit mijn portemonnee nemen.

Toen die juffrouw onze kamer had verlaten wensten we elkaar smakelijk eten toe en begon ik aan die verpakking te prutsen. Dat liep niet van een leien dakje. Ik had immers over het hoofd gezien dat ik bijna geen handfunctie had. Lag ik daar, met mijn eten op mijn buik, kon ik verdorie nog niet eens het zilverpapier van rond mijn snack halen. En mijn maat had hetzelfde probleem. Honger, en nog véél méér goesting, maar niet bij machte die verpakking van zijn pitta te halen!

Uiteindelijk hebben we de hulp van de nachtverpleegkundige ingeroepen om de verpakkingen te openen en mijn frietjes in mijn mond te stoppen (want dat lukte me ook niet eigenhandig). Een lieve verpleegster overigens, alhoewel onze relatie enkele weken daarvoor slecht was gestart. En de reden daarvoor wordt hierna verklaard.

Nu gebruiken we een ander systeem voor mijn transfer vanuit de rolstoel naar het bed en omgekeerd, maar toen had men daar nog een tilift voor nodig. Normaliter liet ik mij steeds vrij vroeg op de avond in bed leggen, maar die avond had mijn kamergenoot veel bezoek en ik wou die mensen niet wegjagen en bleef dus wachten tot iedereen weg was, en dat was redelijk laat, na middernacht. Ik belde voor de verpleging, die echter maar niet kwam opdagen. Ik begon echt wel moe te worden en had bovendien pijn van het lange zitten. Toen daar eindelijk één van de vaste nachtzusters verscheen, maakte ik haar mijn ongenoegen kenbaar. "Ha, dan heb je jouw lesje wél geleerd." zei ze. "Wie laat wil opzitten, moet wachten om geholpen te worden tot de eerste nachtronde gedaan is."

Gewoonweg belachelijk. In plaats van bij aanvang simpelweg elkeen hun regels uit te leggen, en ons zodoende op zijn minst in onze eigenwaarde te laten, passen ze daar een systeem toe dat, mijns inziens, zelfs in een internaat voor kleuters verkeerd zou zijn. Enfin, naderhand konden we dus eigenlijk best goed opschieten met elkaar.

Om terug te komen op mijn kamergenoot. Vrij spoedig kwam aan de oppervlakte dat hij een verwent nest bleek te zijn. Een typisch product van een vrije 'opvoeding' (?): onbeschoft, respectloos en super egocentrisch. Hij heeft trouwens minder dan een jaar later een stoot uitgehaald, waarvan ik hiernavolgend verslag uitbreng.

Zekere namiddag had hij, als egotherapeutische bezigheid, met behulp van een stagiair, een cake gebakken. Hij had geopteerd voor een 'spacecake' en die stagiair had niet durven weigeren. Voor ouden van dagen en andere onwetenden: dat is een gebak waarin marihuana is verwerkt; een drugskoek dus als het ware.

Dat baksel kwam uit de oven en jawel hoor, de cake was gelukt! Die jongen ging zijn maten halen en begon vlijtig te delen met zijn vrienden. Eén ervan was een Italiaan, een dertiger, die zich steeds voordeed als een man van de wereld. Hij vroeg zich een groot stuk, want de spietjes die de anderen tot zich namen vond hij maar te min.

Toen hij, na het snel verorberen van het eerste, om nog een tweede stuk verzocht, vroeg de bakker van dienst hem voor de zekerheid of hij toch wel wist wat hij aan het opknabbelen was. Die macho deed alsof hij zich door die vraag beledigd voelde en verzekerde allen aan tafel dat hij uiteraard wist wat zij tot zich aan het nemen waren.

Die kerel moet even later onwel zijn geworden, waarna men hem naar de dokter op de dienst spoedgevallen heeft gebracht. Als ik mij goed herinner heeft men hem twee dagen ter observatie op intensieve zorgen gehouden. Bleek naderhand dat die vent nog nooit drugs tot zich had genomen en ook geen notie had van wat een spacecake was.

Die Italiaan heeft er uiteindelijk niks aan overgehouden, maar deze historie kon uiteraard niet zonder gevolg blijven. Resultaat: de kok van dienst kon zijn boeltje (laten) pakken. Het diensthoofd van het centrum kon er, in tegenstelling tot ons, niet mee lachen.

Euh, moet er nog cake zijn?

Ru(sh)di(e), 28 juni 2002 (revisie op 31 maart 2009)

Noot: tetraplegie: beschadiging van het ruggenmerg ter hoogte van de nek, met ondermeer, al dan niet volledige, verlamming in alle vier de ledematen en de romp tot gevolg.

25-03-09

Belevenissen in het UZ, het derde deel

 

Volgende gebeurtenissen meen ik mij te herinneren uit mijn eerste verblijfsperiode in het Gentse revalidatiecentrum. Dat was midden de jaren tachtig. Toen was ik daar terecht gekomen na een zwaar verkeersongeval en had ik ook even nood aan een (manuele) rolstoel aangezien de botten in mijn onderbenen gebroken waren.

In die tijd verbleven de personen met een verlamming, dezen met een polytrauma en mensen met een niet-aangeboren hersenletsel nog op dezelfde verdieping.

Op een zeker moment werd een psychiatrische patiënt die, om ik weet niet welke reden, nood had aan een intensieve kinesitherapie, op onze afdeling opgenomen.

Er werden meteen de wildste verhalen over die jongeman rondgestrooid. Ik veronderstelde dat het waarschijnlijk grotendeels verzinsels en leugens betrof, maar er kwam in ieder geval toch uit naar voor dat die jongeman niet ongevaarlijk was en ik nam me dan ook voor om zo ver mogelijk uit zijn buurt te blijven.

Op zekere dag, zowat een week na zijn aankomst, reed ik na het middagmaal genuttigd te hebben, de lift in, richting mijn kamer. Net voordat de schuifdeuren zich automatisch achter me zouden sluiten, sprong er nog snel iemand naast me. Ik keek op. Het was die kerel.

Mijn hart ging meteen wat sneller slaan. Niet van opwinding omdat het zulk een mooie jongen was, want ik viel ook toen al enkel voor vrouwelijke aardbewoners, maar wel van de schrik. Heel vriendelijk vroeg hij me of ik ook naar het eerste moest en, niet in staat iets te zeggen, knikte ik maar van ja.

Een dag later heeft die kerel, in zijn nakie, om God weet welke ridicule reden, een verzorger belaagd met één of ander scherp voorwerp en hebben ze de jongeman terstond teruggestuurd naar K13.

De laatste maanden van mijn verblijf bracht ik door in een rustige, enigszins afgelegen tweepersoonskamer, die ik op het moment van het hierna beschreven voorval, alleen bewoonde. Het was kort na de middag en ik lag op mijn bed te rusten. Plots hoorde ik een bonk en vervolgens vloog de deur van mijn 'residentie' open. Een patiënt kwam, gezeten in een mechanische rolstoel, met zijn benen trippelend, de ruimte in. De man zat in een dwangbuis, en was vastgebonden op zijn rolstoel, naar ik wist omdat hij reeds een aantal keer had getracht er van onder te muizen.

Hij bleef daar gewoon in de deuropening staan en begon, mij totaal negerend, wild heen en weer te bewegen in een poging om uit die dwangbuis te geraken. Op mijn vriendelijk verzoek de kamer opnieuw te verlaten reageerde de man gewoonweg niet. Ik drukte een keer op mijn belletje. En toen er na enkele minuten nog steeds niemand opdaagde, nog enkele keren kort na elkaar. Maar er verscheen niemand van het personeel. Dit was niet uitzonderlijk. Het gebeurde wel vaker dat ik vrij lang op een verzorgende moest wachten, maar nu irriteerde het me wel mateloos.

Intussen begon die man wonderwel, Houdini achterna, vorderingen te maken. Er diende dus dringend ingegrepen te worden! Want wie weet wat hij, eens bevrijdt, zinnes was?

Enfin, uiteindelijk kwamen op mijn alarmerende continue bellen, dan toch twee verpleegkundigen af! Die de, hevig tegenstribbelende man, meenamen naar, ik vermoed, zijn eigen kamer.

Na zijn ontslag uit het revalidatiecentrum, heb ik die heer, in maatpak, en vergezeld van zijn vrouw, nog eens teruggezien. Hij gedroeg zich volkomen normaal en zei vriendelijk gedag. Waarschijnlijk deed die daarvoor zo raar onder invloed van medicatie of zo.

Ru(sh)di(e), 12 juni 2002 (revisie op 23 maart 2003)

24-03-09

De avonturen van Rudi & Co, het vervolg

 

Het was weer woensdag. Dan is er in de voormiddag een openbare markt in mijn woonplaats, een middelgrote provinciestad in Vlaanderen. Nu ik de thuisverplegingsdienst van mijn ziekenbond aan de deur had gezet, nadat ik een verpleegteam had gevonden dat mij wél op een deftig uur wou komen verzorgen en uit bed halen, kon ik ook eens op een fatsoenlijk uur naar deze markt afzakken. Voornamelijk als verzet, maar toch ook om enige aankopen te doen. Ondermeer verse wortels voor het paard van de Sint. De goede man zou immers, volgens mijn kinderen althans, twee dagen later bij ons langskomen.

De markt dus. Mijn echtgenote ergerde zich alweer enorm aan het voortdurend staren van heel veel mensen. Individuen die me - veelal ongegeneerd - starogend aankeken. Niet om me te groeten, maar gewoon om te zien wie of wat er in dat rollend gevaarte zat. En, ik moet toegeven, die dag was het echt wel enorm. Ook toen ik alleen aan de ingang van het plaatselijk kantoor van een financiële instelling zat te wachten, terwijl mijn wettige wederhelft binnen in het gebouw enkele bankverrichtingen ging uitvoeren, werd ik door de éne na de andere persoon aangegaapt. Mannen, vrouwen, jong, maar vooral oud, allen passeerden de revue. Het kon me niet echt deren. Maar ik wou wel wat afleiding. Dus ik zei, tot één van die personages die maar niet ophield me te bezien, met een zo krachtig mogelijke stem: "Alles in orde, mevrouw?" De vrouwspersoon in kwestie schrok op. Die dacht waarschijnlijk: "Oei, 'het' spreekt." Ze keek me enkel verbaast aan, dus liet ik er, gebruikmakend van het uiterste van mijn beperkte longcapaciteit en stemvolume, op volgen: "Is er iets?" Terwijl ze onderwijl iets nader kwam, zei ze in haar dialect: "Neen, neen."  Waarop ik repliceerde: "Oef! Ik dacht al dat ik iets aanhad van u." Hierop droop die vrouw beschaamd af.

Een dag eerder had één van mijn zoons me ook reeds op de man af gevraagd waarom al die mensen me steeds zo aankijken. Ik antwoordde toen iets in de trant van: "Misschien omdat ze me zulk een knappe gast vinden?" Maar de andere jongen ontnuchterde mij door te zeggen: "Maar neen, papa, dat is omdat je gehandicapt bent."

Mijn vrouw en ik flaneerden die woensdag dus gemoedelijk over de markt, langsheen de diverse kramen. Aangezien we toch in de buurt waren, wenste ik van de gelegenheid gebruik te maken om naar de natuurwinkel te gaan, gelegen in een in kasseistenen aangelegd, autovrij straatje, bezijden de kerk. Zakjes Sint-Janskruidenthee had ik nodig. Ik drink daar dagelijks een tas van, met de bedoeling mijn inactieve lichaam tijdens de koude maanden van binnenuit te (trachten te) verwarmen. Naar 't schijnt heeft dat als interessante bijwerking ook een goede invloed op het humeur van degene die het tot zich neemt, maar daar heb ik tot op heden nog niks van gemerkt. Mijn goede luim dien ik elders  vandaan te halen.

Daar de twintig centimeter hoge deurdorpel niet echt uitnodigde tot een bezoek aan de winkel door rolstoelers, bleef ik noodgedwongen buiten 'staan', in de kille decemberlucht, en begon wat te mijmeren. Plotsklaps werd ik echter door elkaar geschud. En hoorde tezelfdertijd iemand gedempt vloeken. Toen ik mijn hoofd naar links draaide, voor zover ik daartoe in staat ben, zag ik een figuur met een donkere bril op, in een ijltempo zigzaggend naast mij passeren. Was ik verdorie bijna onder de voet gelopen door een blinde! Ik vond het voorval enorm grappig. Trok ik, naast miserie, nu ook al blinden aan?

Trouwens bewonderenswaardig hoe snel die man zich hernam. Hij had echter nogal wat moeite om zijn blindenstok in bedwang te houden. Hoe zeer hij ook trachtte, met beide handen het ding omklemmend, het hulpstuk onder controle te krijgen, het bleef zich wild van links naar rechts bewegen, steeds - irritant - de straatstenen aantikkend, en zelfs de muurgevel diende eraan te geloven! Zou de man niet beter overwegen zich een goed getrainde geleidehond aan te schaffen?

Oeps! Nu lach ik met een handicap en dat is, geloof ik, maatschappelijk niet erg correct. Nochtans wordt zulk een humor meestal wel gesmaakt. Ik heb immers een hele resem moppen over gehandicapten opgeslagen liggen in de duistere kamers van de grijze hersenmassa, die in mijn hoofd verscholen ligt, en op momenten dat ik ze via mijn spraakorganen ten gehore breng, oogst ik steeds veel bijval.

Op deze marktdag werd ik trouwens door een recordaantal mensen aangesproken. Drie (3) om precies te zijn. Vooreerst door mijn dooppeter, die ook al bijna tegen me aanbotste, en zich dus verplicht zag me te begroeten. Vervolgens door de vriend van een jonge vrouw, die ik in het revalidatiecentrum heb leren kennen. En daarna door een oud-werkmakker van mijn vader, die vergezeld was van zijn echtgenote. Mijn vader heeft tientallen jaren lang samen met die man de hengelsport beoefend. En ik was daar in mijn kinder- en jeugdjaren haast altijd bij.

Maar ik had die persoon sinds, ik denk minstens twintig jaar, niet meer gezien. Derhalve zou ik die man bij God niet meer hebben herkend. Maar hij mij blijkbaar wel. Na al die jaren! Ben ik in al die tijd qua uiterlijk dan zo weinig veranderd? Of zou het toch iets te maken hebben met het feit dat ik in zo een wielending zit en vergezeld was van mijn Afrikaanse echtgenote, en bijgevolg dus gemakkelijk herkenbaar?

Sympathieke mensen trouwens. De man vist naar eigen zeggen nog steeds. Ik niet. Althans niet met een hengel. En geenszins op al dan niet geschubde waterdieren.Maar jammerlijk genoeg figuurlijk wel al te vaak achter het net. Wenkbrouw ophalen

Ru(sh)di(e), 6 december 2002 (revisie op 23 maart 2009)

23-03-09

Belevenissen in het UZ, het tweede deel

 

Op een zekere middag stonden we met enkele patiënten in de gang, toen we plots in het toilet iemand hoorden kreunen. Alert en hulpvaardig als we zijn, reed één van ons onmiddellijk richting verpleging met de melding dat er waarschijnlijk iemand in nood was.

Even later klopte een verpleegkundige op de WC- deur van waarachter het gekerm had weerklonken. Met daarbij de vraag of ze hulp kon bieden. Naar verluidt werd haar door een mannenstem verzekerd dat alles in orde was. Met deze melding stelde zij ook ons gerust en schouderophalend ging ze vervolgens terug aan het werk.

Terwijl de rest van ons gezelschap zich naar de oefenzaal repte, kon ik niet nalaten nog even in de buurt te blijven rondhangen. Luttele minuten later kwam uit de toiletten een koppeltje te voorschijn. Met een beetje een blozend gelaat, hun kledij fatsoenerend.

Het mafste verhaal dat ik ooit heb gehoord, is het volgende. Met Gaston, een medepatiënt uit het R.C. (RevalidatieCentrum), ging ik 's avonds regelmatig eten in het restaurant, gelegen op de 14de verdieping van kliniekgebouw K12. Die mogelijkheid werd ons geboden als alternatief voor het benutten van het avondmaal in de kale refter van het RC.

In het restaurant hadden we kennis gemaakt met twee patiënten, ook rolstoelers, die ieder op een verschillende afdeling en dus verdieping, van K12 verbleven, maar regelmatig samen naar boven kwamen om een sigaretje te roken en een pintje te drinken. Laat ik ze Walter en Alain noemen.

Op een zekere avond kwamen Gaston en ik eten in het restaurant. En zagen Walter daar zitten. Alleen. Ik vroeg hem waar zijn maat was. "Die hebben ze in zijn kamer gehouden" gaf hij als antwoord en begon vervolgens een amusant relaas te vertellen over wat zich die namiddag had afgespeeld.

Walter en Alain zaten samen op het 14de, toen een vriend van Alain ten tonele verscheen. Type schooier en duidelijk onder invloed van verdovende middelen. Na eerst een pint voor hun drieën te hebben gehaald, zette die kerel zich bij, en begon wat met Alain te praten. Walter hied zich discreet afzijdig.

Op zeker moment verdwenen Alain, zelf ook al een junk, en diens vriend, richting toiletten. Toen ze beiden even later terugkeerden was meteen duidelijk wat Walter reeds vermoedde: ze hadden een shot gezet.

Die spuit had Alain's vriend blijkbaar geen deugd gedaan want hij zag er nog beroerder uit dan toen hij in het restaurant arriveerde. Ze besloten om met zijn allen naar Alain's kamer te gaan. Diens kamergenoot werd die ochtend geopereerd en was nog niet terug.

Alain's kameraad voelde zich echt niet lekker en was moe. Waarop de eerst genoemde voorstelde aan de andere een tukje te doen in de zetel in diens kamer, terwijl hij met Walter in de taverne beneden nog een glas zou gaan drinken. Die kerel nam dat aanbod gretig aan en kroop in die fauteuil.

Toen Alain en Walter zowat anderhalf uur later terug op de afdeling verschenen, was er van de junkie geen spoor meer te bekennen. Alain's kamergenoot was terug, maar aan het slapen, dus kon die hen op dat moment geen informatie verstrekken. Kennelijk absoluut niet zinnens zich zorgen te maken over het lot van zijn gabber, veronderstelt Alain: "Allicht naar huis."

Niks van, echter. Want later bleek dat, toen Alain's kamergenoot terug naar zijn kamer werd gebracht, men had geprobeerd om die in de zetel slapende vriend wakker te maken, omdat de sofa waar hij in lag in de weg stond om dat bed naar zijn plaats te manoeuvreren. Toen dat niet lukte werd er een verpleegster bijgehaald, die op haar beurt een dokter ter hulp riep. Enfin, uiteindelijk hebben ze die man toch bij zijn positieven kunnen laten komen, onderzocht en overgebracht naar kliniekgebouw K13, psychiatrie. Mogelijks resideert hij daar nog steeds.

Een leuke vind ik zelf het verhaal van een patiënt die me zei dat hij, aan het begin van zijn adolescentie, een operatie had ondergaan - als ik mij goed herinner een liesbreuk - waarvoor een deel van zijn schaamhaar diende te worden weggeschoren. De charmante verpleegster die dat werkje zou uitvoeren had de assistentie van een knappe, jonge, uiterst lieve stagiaire.

Op aanwijzing van de verpleegkundige hield dat meisje die jongen zijn piemel in haar handpalm zodat eerstgenoemde probleemloos het haar op zijn onderbuik zou kunnen verwijderen. De warme meisjeshand veroorzaakte bij de jongeling echter een reactie die iets met hormonen heeft te maken. Enigszins verveelt om hetgeen gebeurde, maar ondanks alles toch ad rem genoeg om zich op een laconieke wijze uit deze situatie  te redden, zei die jongeman tegen de stagiaire: "Euh juffrouw, je mag je handje wel wegnemen hoor, hij kan nu niet meer vallen."

Ru(sh)di(e), 25 mei 2002  (revisie op 22 maart 2009)

11-03-09

Vertelselkes # 1

 

Zowat twee maand geleden kreeg ik per e-mail een berichtje van een andere rolstoeler, in verband met een voorstel van een lokale politicus, ergens in het oosten van dit land, die het idee had gelanceerd om aan gehandicapten een jaarlijks budget ter beschikking te stellen om, in bedekte termen uitgedrukt, gebruik te maken van de services van professionele seksuele dienstverleners, in mannelijke of vrouwelijke uitvoering.


Aangespoord door deze tijding ging ik op het internet op zoek naar meer informatie hieromtrent. Mét resultaat! En 's avonds hebben ze daar ook iets over laten zien in '10 minuten', het kortnieuwsjournaal op de (inmiddels Vlaamse) zender VT4. Een item van een goeie twee minuten, waarvan zowat de helft 'gevuld' met beelden van wulpse dames achter vensterglas.


Seksseks... euh, ik bedoel sekscheques, of sjeks zoals een geïnterviewde minder valide dame het noemde. Zij wou echter meer dan dat en liever een vaste 'alles in' relatie. Net zoals die andere ten toneel gevoerde jongen, die echter middelerwijl een wip af en toe, wél zag zitten.


Persoonlijk heb ik die nacht wel dertig (30) keer naar de herhaling gekeken; dus dertig (30!) minuten - wat niet minder is dan een half uur - kunnen kijken naar de Limburgse dames van lichte zeden in hun vitrines. Niet mis voor iemand zoals ik die, gezien mijn verplaatsingsproblematiek ten gevolge van mijn onverbiddelijke afhankelijkheid van een elektrische rolstoel, door mijn handicap, daar in het echte leven nooit toe zou komen. 


Trouwens, dat meisje dat het nieuws las was ook de moeite van het bekijken en beluisteren waard! Wat het leed wegens het verplicht telkens weer opnieuw hetzelfde nieuws aanhoren en aanzien tot wanneer de schaars geklede vrouwen (terug) te bewonderen waren, toch enigszins verlichtte.


Inderdaad, objectief gezien stelt, wat ik die nacht uitvoerde, op amusementsniveau bitter weinig voor. Maar als paria van deze maatschappij ben ik echter (noodgedwongen) heel snel tevreden, vandaar.


Cheques om naar de hoeren te gaan. Best wel een mooi initiatief. Nu moet die man nog zijn collega - bewindvoeders zien te overtuigen. En daarna ook mijn echtgenote! Knipogen


Ru(sh)di(e), 27 mei 2002 (revisie op 8 maart 2009) 

08-03-09

Rudi's ontboezemingen, deel zoveel + 1

 

Een woensdagnamiddag in de maand mei. Ik bevind me met mijn kinderen op het sportterrein.


Zeker moment zie ik een jongen - in sportkledij - komen aangelopen, met naast hem een meisje op een fiets.

Ze stoppen. Het meisje zet haar tweewieler op zijn pikkel en vleit zich - in een verleidelijke pose - neer in het gras, in de zon.

En wat doet die jongen?

Die gaat wat in de schaduw van een boom gaan staan om te... stretchen!

Joggen, stretchen... met zo een weer! Met zo een lief!


Met tegenzin, want ik beledig niet graag dieren, en vooral niet als het nog zo een kleintjes zijn: UILSKUIKEN!

Allé, dat vind ik er van.

Alhoewel, sporten is gezond naar 't schijnt. Vrees alleen dat die kerel dan wel gezond is en blijft, maar binnenkort misschien  wel eens zijn knap lief kwijt zou kunnen zijn aan een ander, die met haar terrasjes doet in plaats van dit.

Zoniet is ook zij een UILSKUIKEN!


Ru(sh)di(e), 26 mei 2002 (revisie op 5 maart 2009)