16-06-12

Heden en verleden - Onwelkome ratten en andere muizenissen

       

Afgelopen zomer was ik, op een warme namiddag, gezeten in mijn elektrische rolstoel, rustig aan het plassen, op een plek voor mijn garage en rechts van mijn met klimop begroeide haag. Plots zag ik, voor de witte garagepoort, over de betontegels op de grond, iets razendsnel van rechts naar links bewegen. Nog net zag ik een grijs muisje ritselend verdwijnen door een gat in de klimophaag.

Muizen en ratten… ik hou niet van deze knaagdiertjes met hun lange staart. De reden daarvoor weet ik eigenlijk niet. Mogelijks is het omwille van hun enge voorkomen en hun kwalijke reputatie als ziekteverspreider. En vast ook omdat ze zo graag ongegeneerd en ongenood tuinhuisjes, berghokken, garages en zelfs woningen plachten binnen te dringen.

Al mijn confrontaties met die ongeliefde zoogdieren verhalen, zou meteen leiden tot een omslachtig boekwerk. Vandaar dat ik mij hier ga beperken tot enkele bijzondere ontmoetingen met deze gretig knagende plaagdieren. Die zowat overal opduiken waar eten aanwezig is.

Als kind zag ik vaak huismuizen en veldmuizen in de omgeving van ons huis en stallingen. Meer dan eens zelfs onze huisgevel opklimmend. Gelukkig hielden onze katten toen de aangroei van die muizenpopulatie onder controle. Door nogal dikwijls eentje te pakken te nemen en vervolgens lustig op te vreten. Alleen, of de buit delend met de eigen kroost of andere op onze hof verblijvende soortgenoten.

Spitsmuizen of dolletjes zoals wij die noemden, werden dan weer niet verorberd door onze huiskatten. Met deze diertjes speelden of dolden ze alleen maar wat. Deze insectenetende zoogdiertjes worden overigens dan wel muizen genoemd, ze zijn het niet!

Net zo min als mijn zus haar, als (buitens)huisdier gehouden steenratjes ratten waren. Cavia’s waren het. Maar ze plantten zich wel haast net zo snel voort als de bruine rat. De laatste kooi die mijn handige pa als verblijf voor die beestjes in elkaar had geknutseld, werd vele jaren na het heengaan van de laatste cavia, gebruikt als opslagplaats voor het stro waarvan regelmatig een vers deel in de schuilplaats werd gelegd van de twee vrouwtjeseenden, die in mijn ouders hun achtertuin een stukje afgebakend terrein bewoonden.

Op een zekere dag in het oogstseizoen had de boer, die eigenaar was van de akkers die gelegen waren naast mijn ouderlijke woonst, het graan dat er op werd geteeld, door loonwerkers laten maaidorsen. Waarna de op het land achtergebleven droge plantenstengels en uitgedorste aren door een andere machine werden bijeen geschraapt  en samengeperst tot rechthoekige strobalen.

Als naar gewoonte, en met instemming van de boer, raapte ik nadien de nog op het land achtergebleven resten stro bij elkaar. Toen ik, om mijn buit op te bergen, het deksel optilde van de kooi waarin voorheen de cavia’s huisden, schrok ik mij haast een ongeluk. Omdat ik daar, bovenin het opeengestapelde stro, een nest muizen aantrof. Die, als in koor, luid piepten toen het deksel was opgelicht. Van schrik liet ik het terstond los, waardoor het met een klap terug op zijn plaats kwam te liggen. Dat verzamelde stro heb ik die dag netjes in een zak naast die kooi gezet, want ik bleef toch liever uit de buurt van die kroostrijke muizenfamilie.

Later is het ook eens voorgevallen dat ik de eenden eten ging brengen en van op een afstand zag dat er precies een ander dier stond te eten aan het, een stukje boven de grond opgestelde en overdekte, voederbakje. Toen ik tot op een meter of vijf genaderd was, zag ik wie die maïsdief was: een grote bruine rat! Ze stond met haar achterpoten op de grond en de voorpoten in het zich zowat 10 centimeter boven de grond bevindende voederschaaltje. Het beest, met een heel lange staart, bleek helemaal niet bevreesd te zijn voor mij. Die perplex het schouwspel volgde. En pas terug in beweging kwam toen dat enge beest er uiteindelijk toch vandoor ging.

*****

Als kind ging ik vaak vissen. In de stilstaande waters van beken, vaarten en vijvers uit de buurt. En tevens in het getijdenwater van de in Nederland stromende Westerschelde. Van op heel jonge leeftijd trok ik mee met mijn vader. En later ging ik ook al eens alleen, of met kameraden. Normaliter visten wij, van op de oever, met de vaste hengelroede en/of de werphengel. Maar ik ben ook enkele keren met mijn pa gaan peuren. Dat is een speciale en tevens één van de oudste manieren voor het vangen van paling.

Een drijvend gemaakte afgeschreven paraplu, of zoals wij het deden, een rechthoekige bak met drie naar binnen geplooide wanden en aan één zijde verhoogd met een in een kader gevat net, wordt hierbij te water gelaten. En middels een oude hengelstok, tot op een vijftal meter van de oever gebracht. Daarnaast wordt een hengelroe gehouden, waar aan de top ervan een draad is bevestigd met een dikke dobber en aan het uiteinde een tros aaneengeregen regenwormen hangt. Die wordt verzwaard met lood. En waarvan het de bedoeling is dat deze de bodem net niet raakt. Waarna de geur van de wormen de paling moet aantrekken.

Op het moment dat je, door de beweging van je roe, of het ondergaan van de dobber, vermoed dat er een paling aan de pieren knabbelt, dien je met een vlugge, doch rustige beweging, de top van de hengelroe op te halen en de tros regenwormen zacht tegen de binnenkant van, al naargelang, het regenscherm of de netwand van de bak te kletsen. Zodanig dat de lustig wormen etende paling deze lost en in de paraplukom of bak valt. Die je vervolgens naar je toe trekt om de buit binnen te halen.

Het beste moment om deze activiteit uit te voeren is ’s nachts. Omdat aal het grootste deel van de dag op de bodem van het water ligt ingegraven en pas in de nachtelijke uren gaat jagen. Dus zaten wij daar dus in het donker aan de waterkant. Wachtend tot die palingen zouden toehappen. En de stilte van de nacht werd enkel verstoord door onze ademhaling en door het plonzen van muskusratten, die vanaf de oever het water indoken en met hun grote lijf en lange staart vlak voor onze voeten voorbij zwommen. Griezelig!

*****

Van iets minder lang geleden dateert het volgende voorval, dat plaatsvond in Afrika. Met mijn echtgenote was ik op rondreis in haar geboorteland. We bevonden ons op een gegeven moment in een dorpje aan de rand van de woestijn. In het lemen gebouwtje dat door moest gaan als restaurant, zaten we als enige klanten in het sober ingerichte etablissement. Op houten stoelen aan een houten tafeltje aten we het enige gerecht dat daar die dag verkrijgbaar was.

We waren in alle rust en stilte gemoedelijk en smakelijk aan het eten toen ik ineens, onder één van de andere tafeltjes in het vertrek, een gigantisch groot ogende, grijskleurige woestijnrat zag verschijnen. Het diertje slalomde ongehaast tussen de verschillende stoel- en tafelpoten van het meubilair in het eethuis. Vooraleer mijn echtgenote, die de rat ook had opgemerkt, en ikzelf, verbouwereerd onze mond konden openen om er iets over op te merken, was het beestje alweer door de openstaande deur naar buiten getrippeld. Geloof me vrij dat het eten ons daarna niet meer zo erg smaakte. En we spoedig afrekenden en die plek verlieten.

Later kwam ik te weten dat er hier in Europa, en mogelijk ook elders, mensen zijn die deze beestjes houden als huisdier. Omdat ze zo vriendelijk, nieuwsgierig, rustig en gemakkelijk in de omgang zijn. Dat heb ik gemerkt, ja!

*****

Toen ik nog maar pas een jaar of twee thuis was, na anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, heb ik, op eigen initiatief, een tijdlang logopedie gevolgd. Omdat ik door een verminderde long- en middenriffunctie minder krachtig kon praten. En met professionele hulp technieken wou aanleren om, uit mijn beperkte mogelijkheden, toch de maximale spraak- en zangcapaciteit te halen.

Op een zekere voormiddag waren wij, zoals dat vaak het geval was, aan het oefenen in de zitkamer van mijn woning. Mijn logopediste, gezeten op een stoel, met haar rug naar het groot terrasvenster gericht. En ik tegenover haar, gezeten in mijn onafscheidelijke elektrische rolstoel. Terwijl ik bezig was met een door haar voorgedane oefening te herhalen, zag ik buiten een vrij grote bruine rat over ons verhard tuinpad lopen. Mijn adem stokte even en een zachte rilling ging door mijn lijf. Mijn logopediste merkte dat uiteraard. En vroeg me wat er aan de hand was. Wijselijk verzweeg ik wat ik net had gezien. Ik wou immers niet het minste risico lopen dat ze niet meer zou komen, omwille van de aanwezigheid van dat ongedierte op mijn hof.

*****

Een maand of twee later zat ik, zoals ik op zomerse dagen nogal eens placht te doen, bij valavond voor de openstaande deur in de inkomhal, een boek te lezen. Van licht voorzien door de maan, de straatlantaarns die de rijweg verlichten en de in de hal hangende gloeilamp. Plots dook er uit de duisternis een bruine rat op die zich, onder mijn, op de steunen van mijn rolstoel geplaatste voeten door, in de richting van het voor ons huis aangelegde vijvertje voortbewoog, Alwaar het beest, vanaf de rand, met een plons het water indook. En even later met de kop weer boven kwam. Om rustig, lustig en ongegeneerd te beginnen eten van het zich dobberend in een drijvende ring bevindende visvoer.

Ru(sh)di(e), 19 december 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

06-01-11

De avonturen van Rudi & Co - Koude douche

   

Niet voor niks gaf ik mezelf op netlog de naam ‘SuperSchlemiel’ (pechvogel) toen mijn zonen me bijna tweeënhalf jaar geleden aanmoedigden om net als hen een account te openen op deze, vooral bij de jeugd populaire sociale netwerksite. Mijn zonen waarvan er, uitsluitend ten gevolge van een gebrek aan voldoende inzet en studie-ijver één slechts zeer nipt zijn schooljaar met vrucht kon afsluiten en de andere jongen met een compleet teleurstellend resultaat naar huis kwam. Waar hij trouwens zelf van is geschrokken. Hij zit nu hoog in de Zwitserse bergen, op vakantie met de ziekenbond. Hopelijk komt mijn kind morgen voldaan terug en vol goede moed om samen met zijn ouders te beslissen hoe en waar hij het volgende schooljaar gaat aanvatten.

Ongeveer anderhalve maand geleden had ik een verkoudheid. Die begon met een lopende neus, wat geen problemen opleverde. Maar later werd het vocht dat, bij het snuiten, uit mijn neus kwam, alsmaar minder liquide en veranderde in kleur van doorzichtig en wit naar geel. Wat leidde tot benarde momenten en een terechte vrees dat de slijmen taai en plakkerig zouden worden en mijn luchtwegen zouden blokkeren of dat er zich op de slijmen een virus of bacterie zou nestelen met levensbedreigende ademhalingsproblemen tot gevolg. Dat is mij immers reeds eerder overkomen.

Gelukkig bleef deze miserie me bespaard. Naar ik vermoed deels door mijn fel verbeterde fysieke conditie, waardoor mijn lichaam terug weerbaarder is geworden ten overstaan van ziektes en ik bovendien beter in staat ben geweest om de slijmen los te hoesten. Ophoesten was er nog niet bij, maar verplaatsen van luchtpijp naar slokdarm lukte wel.

Mijn ziek zijn sleepte wel een aantal weken aan, maar ik kon vrij normaal functioneren, dus die lange nasleep was niet echt belastend. Mentaal noch fysiek. De gedachte dat mijn sinds eind 2009 gestarte aangepaste leefgewoontes, met (veel) meer bewegen, gezonder en (veel) minder eten en dagelijkse ademhalingsoefeningen, me er vast ten dele voor hadden behoed zwaar ziek te worden, leverde een serieuze motivatie op om er mee door te gaan.

Op het einde van mijn ziekteperiode werd ik op zekere nacht wakker met een schok. Door de loeiharde echo van mijn ademhaling in mijn linkeroor, gepaard gaande met een enorm geruis. Nu is het zo dat mijn lichaam en ik op dat vlak wel wat gewoon zijn, want ik leid reeds sinds een kwarteeuw aan tinnitus. Maar de orkaan welke die nacht blijkbaar door mijn linker gehoororgaan raasde, daar schrokken we toch van op.

Toen tijdens de dagen die daarop volgden dat probleem zich continue bleef voortdoen, contacteerde ik mijn huisarts. Die kwam langs, keek met zijn otoscoop in mijn linker gehoorgang, zag daar wat opgepropt oorsmeer zitten en concludeerde dat dit de oorzaak was van mijn probleem. Wat ik maar al te graag aannam. Alhoewel ik toch mijn twijfels had bij deze diagnose. Maar ik volgde toch zijn advies op om de neus-, keel- en oorarts te contacteren om die oorprop weg te nemen.

Nu is het zo dat ik, met mijn grote elektrische rolstoel, niet in die specialist zijn praktijk binnen geraak. Het ongelukkig toeval wou dat, toen ik de arts contacteerde, die net de volgende dag aan een weekje vakantie begon, zodat het minstens een week zou duren vooraleer ik eventueel in het ziekenhuis bij hem op consultatie kon komen. Dus wachtte ik noodgedwongen af. En doorspartelde de dagen, voortdurend vermoeid door het continue geruis en de nagalm van mijn eigen ademhaling en gepraat.

De week erna lukte het me niet meteen om de orl- arts aan de lijn te krijgen. Tijdens het weekend dat daarop volgde bezorgde het lawaai in mijn linkeroor me bijzonder veel last. ’s Maandags contacteerde ik meteen een huisarts van wie ik vermoedde dat die mij misschien zelf verder zou kunnen helpen. De man raadde mij aan om bij de apotheker een product te halen om in mijn oor te druppelen, zodat de oorprop zou losweken, waarna hij deze dan bij mij thuis zou komen verwijderen.

De zaterdag na mijn telefonisch onderhoud met de arts, stond die ’s ochtends aan mijn voordeur. Hij vulde een spuit met kraantjeswater en spoot die leeg in mijn oor, terwijl mijn assistente, die even als doktersassistente mocht fungeren, een eetbord onder mijn oorschelp hield voor het opvangen van het terugkerende water en twee harde blokjes oorsmeer.

Het verhoopte resultaat bleef evenwel uit. Het ruisen was niet gestopt en toen ik sprak bleek ook die echo er nog steeds te zijn. De arts keek nog eens met zijn otoscoop in mijn oor, maar kon niks verdachts waarnemen. Geen obstructie te zien; mijn gehoorgang was vrij tot aan het trommelvlies. De arts achtte een mogelijke oorzaak van mijn problemen een druk te zijn van slijmen op de buis van Eustachius, de verbinding tussen het middenoor en de keel. In een poging om mij vooruit te helpen schreef de dokter een receptje voor dat de apotheker diende te bereiden en mij in pilvorm aanleveren, alsook een spray om dagelijks in mijn neus te vernevelen.

Na anderhalve week vruchteloos spuiten en pillen slikken nam ik telefonisch contact op met de voorschrijvende arts. Om hem het voor mij trieste nieuws te melden dat de door hem voorgestelde therapie helaas geen soelaas had gebracht. De arts vond dat jammer en kwam met het voorspelbaar verdict dat hij me niet verder kon helpen en diende door te verwijzen naar de NKO- arts.

Die ik dan maar terstond telefonisch contacteerde. En ik had geluk deze keer, want ik kreeg de man meteen aan de lijn en kon reeds de volgende dag bij hem terecht, op de spoedafdeling van het ziekenhuis. Waar ik me stipt op het afgesproken tijdstip aanmeldde. Waarop de arts meteen zijn otoscoop ter hand nam en na mijn hoorapparaatjes te hebben verwijderd, de gehoorgangen onderzocht en luidop vaststelde dat deze volledig rein en vrij waren.

Maar waar kwam dat geruis en die echo dan vandaan? De arts bekeek me even aandachtig en vroeg toen of ik toevallig op korte termijn veel gewicht had verloren. Waar ik, naar waarheid, bevestigend op antwoordde. Waarop de specialist me meedeelde dat de oorzaak voor mijn problemen allicht daar te vinden was. Hij meldde me dat er zich rond de buis van Eustachius gewoonlijk vetweefsel bevind, dat er voor zorgt dat de wanden van deze slappe buis tegen elkaar aan liggen. Enkel bij slikken of geeuwen gaat de buis even open. Volgens de arts is bij mij dat vet allemaal weggeslonken. Een fenomeen dat zich wel vaker voordoet bij mensen die op korte tijd veel kilo’s (vetweefsel) verliezen. Het gevolg hiervan is dat de buis van Eustachius continue open staat, met alle problematiek van dien, zoals ik ‘mag’ ervaren.

Een adequate therapie om het probleem te verhelpen zou er niet zijn. Volgens de dokter zou terug een kilo of twee bijwinnen aan gewicht mogelijks soelaas kunnen brengen. Voorts wordt er geëxperimenteerd met Chinese kruiden, maar dat leidt nogal vaak tot bijwerkingen. Dus zie ik dat NIET meteen als een optie.

De diagnose stelde me enerzijds gerust, omdat kiezen voor een complexe chirurgische ingreep geen optie is, maar anderzijds betekent dit voor mij de zoveelste extra fysische en mentale last. En een zware bijkomende beperking van mijn levenskwaliteit. Als een koude douche krijgen op een kille winterdag was het te moeten concluderen dat mijn gezonder leven zulk een onaangename nevenconsequentie met zich meebracht. Gestraft worden ten gevolge van iets waarmee ik dacht goed bezig te zijn.

Tenminste als de therapie van opnieuw wat gewicht bijwinnen niet leidt tot een oplossing voor het probleem. Want ik ga in elk geval de komende tijd elke dag een vieruurtje eten om zo, zonder voor het overige mijn eetpatroon te hoeven wijzigen, terug een kilo of twee aan lichaamsvet aan te kweken. Waarvan zich dan hopelijk een klein beetje nestelt rond de buis van Eucharius van mijn linkeroor.

Dit probleem komt werkelijk zeer ongelegen, want ik heb al een heleboel zorgen waar ik het hoofd aan moet bieden en alweer een aantal acute problemen waar dringend een oplossing voor moet worden gevonden. De zomerperiode is voor mij dus wederom slecht gestart. Dezer dagen ben ik elke avond blij als het tijd is om mijn bed in te gaan, mijn veilige haven. Maar oh bittere ironie. Dit toevluchtsoord laat het ook al afweten, want mijn amper een jaar oud elektrisch bediend hoog-laag comfortbed is stuk!

Al die tegenslag valt me zwaar, maar ik durf er nog steeds op te hopen dat het tij wel eens zal keren. Statistisch gezien maak ik trouwens behoorlijk veel kans op voorspoedige jaren. Laat me hopen dat die statistieken nu eens uitkomen. Wat best kan, want zie, een eerste lichtpuntje werd zichtbaar toen ik daarnet voorbij het enige restaurant in onze buurt reed en vaststelde dat de uitbaters van die Chinese eettempel, aan hun toegangsdeur een hellend vlak hebben aangelegd. Wat ook mij in staat stelt er binnen te geraken. Dus plan ik er eerstdaags eens met mijn gezin te gaan eten. Wie weet kom ik er, mijn maag volgepropt met op de wok bereide etenswaar, wel buiten met wat kilo’s meer, veel minder ruis in de oren en ZONDER echo!

Ru(sh)di(e), 9 juli 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

24-03-10

Rudi’s overpeinzingen - Leve de burka!

  

Gelukkig is die figuurlijke wind nu wat gaan liggen, maar er is heel wat trammelant geweest rond het dragen van een hoofddoek op school. Nochtans hoeft dat hoofdbedeksel geen probleem te vormen. Op de school waar mijn zoon Austin het tweede jaar handel volgt, nemen de moslimmeisjes die daar school lopen, hun hoofddoek af, eens ze op school arriveren en gaat die weer op als ze door de schoolpoort de campus verlaten. Dat staat zo gestipuleerd in het schoolreglement, meen ik mij te herinneren. En er is, voor zover me bekend, daaromtrent nog nooit enig geschil geweest

Al de commotie rond die hoofddoeken van moslima's, heeft evenwel mijn verbeelding serieus aan het werk gezet. Niet om met zever voor de dag te komen, maar daarentegen met, althans naar mijn bescheiden mening, interessante, misschien zelfs realiseerbare fantasieën.

Het is immers zo dat ik al sinds vele jaren vaststel dat de jeugd van tegenwoordig, onder druk van leeftijdsgenoten, blijkbaar enkel nog tevreden is met merkkledij. Ook van kennissen met opgroeiende kinderen verneem ik eenzelfde constatering en menigmaal las ik iets in dezelfde trant op deze of gene weblog die ik frequenteer.

Zowel meisjes als jongens zijn pas tevreden met kledij en schoeisel, als het een specifiek type is, van een bepaald merk. Maar geen namaak uit een derde wereldland, hé! Het moet de echte, originele koopwaar zijn! En het jong volkje heeft blijkbaar de expertise om nep van echt te onderscheiden.

Spullen uit een budgetwinkel zijn, ondanks de vaak uitstekende kwaliteit, maar door de gigantische verkoopshoeveelheid lage prijs, helemaal uit den boze! Dat is gerief voor allochtonen en bedelaars, zo gaat het in de sociale kringen van jongeren de ronde. En de echte Belgen, Vlamingen, autochtone jeugd... wenst absoluut niet met die mensen te worden geassocieerd.

Dit maatschappelijk klimaat is terug te vinden in alle (middelbare) scholen, van alle netten en in alle studierichtingen. Dus niet langer beperkt tot uitsluitend de zogenaamde 'elitescholen'. Zoals in de jaren tachtig bijvoorbeeld het geval was met die exclusieve ski-jassen van het Franse merk 'Millet'. Toen de arrogant elitaire motieven van die enkele 'uitverkoren' jongeren, die over zo een exemplaar beschikten, trouwens door menig persoon als schokkend werden ervaren. De dragers van deze 'Millet-jassen' voelden zich namelijk verheven boven de rest.

Gelukkig loopt het nu niet zo een vaart. Toch is het een evolutie die mijns inziens best nauwlettend in het oog dient te worden gehouden. Door zowel ouders als mensen uit onderwijskringen. Zodat tijdig kan worden ingegrepen op het moment dat een (nieuwe) rage of modetrend dreigt te ontaarden in excessen.

Nu ben ik in beginsel helemaal niet van het principe dat trends dienen te worden gevolgd. Integendeel zelfs. Maar je kind de kans te laten lopen uitgesloten te worden of je tiener zich gefrustreerd door haar of zijn jonge leven zien worstelen, omwille van je eigen principes, vind ik ook onverantwoord ouderlijk gedrag.

Bij mijn zoons is de merkvereiste gelukkig beperkt tot enkel schoenen. Noodgedwongen volg ik hen in hun keuze. De afspraak is evenwel dat ze steeds een deel van de kostprijs uit eigen zak betalen. Zij zelf zitten daar niet mee in, maar ik vind het zonde dat hun zorgzaam bijeen gespaarde Euro's als het ware worden verkwist aan een simpel merklabeltje. Terwijl de inhoud van hun spaarpot naar mijn mening beter aan andere, meer interessante en nuttiger zaken zou kunnen worden besteed. Een kleurige hoofddoek voor een vriendinnetje bijvoorbeeld.

Als oplossing voor deze merkproductenrage problematiek opperde iemand uit mijn omgeving, de terugkeer naar het schooluniform. Waar ik helemaal ben voor te vinden. Maar daarmee los je het probleem van de merkschoenen niet op. En ook wat het kapsel betreft biedt dit geen uitkomst. Waardoor er dan een ongelijkheid blijft bestaan tussen jongeren die het zich kunnen permitteren, of juister uitgedrukt, wiens ouders het zich kunnen veroorloven dat zoon of dochterlief maandelijks het kapsalon aandoet en zij die hun kinderen slechts elke 3 maand of elk halfjaar op een bijgesneden of nieuwe coupe kunnen vergasten.

De door mij bedachte oplossing gaat nog net iets verder. En ik overweeg zelfs er een patent op te nemen. Dames en heren, meisjes en jongens, laat me aan jullie allen voorstellen: de 'uniseks-burka'. Geleverd door de school, in twee verschillende kleuren per school: één voor de jongens en één voor de meisjes. Dit om mistoestanden in de toiletten zoveel als mogelijk te vermijden. Alhoewel uiteraard niet valt uit te sluiten dat stouterds daar toch in zullen slagen. Of het althans zullen proberen.

Het ultieme idee vind ik evenwel het burka meegroei-exemplaar. Waarbij de naden zijn ingelegd en worden gelost navenant de evolutie van de groei van het kind. Kostenbesparend en democratisch. Gedaan met alle elitaire gedoe, ongelijkheid, discriminatie en zo meer. Is het enkel ik die voor dit briljante uitvindsel te vinden is, of volgen jullie mij hierin? Laat het me weten, ik ben één en al oor! Figuurlijk welteverstaan!

Rudi, 26 september 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

17-01-10

De avonturen van Rudi & Co - Zonder Co

  

Neen, ik ben niet geveld door de zon of in een diepe zomerslaap gezonken. En ook niet fysiek van de aardbol verdwenen,  Karel Van Miert, Yasmine, Farrah Fawcett, Michael Jackson en een resem andere mensen en dieren achterna. Neen, het zou wat al te gortig zijn om net nu ik een nieuwe rolstoel heb en terug enigszins mobiel ben, het tijdige te ruilen voor het permanente einde.

De reden voor mijn verminderde frequentie in het verhalen van mijn belevenissen is te wijten aan het feit dat ik mijn leven een beetje moest reorganiseren, als rechtstreeks gevolg van het sinds zaterdagochtend op reis vetrekken van mijn huisgenoten. En ik mocht inderdaad niet mee. Mijn bijdrage aan hun vakantietrip blijft beperkt tot het meefinancieren van de reis. Nochtans was ik ook wel graag eens een tijdje weg 'gegaan' van mijn vaste verblijfsstek. Helaas...

Doorheen de jaren las ik in zo vele publicaties keer op keer dat ieder mens nood heeft en recht op seks en vakantie. Wat ik ervaar in mijn omgeving is dat men er blijkbaar, ter wille van de eigen gemakkelijkheid en gemoedsrust, vanuit gaat dat ik de uitzondering ben op de regel. Wat dus een totaal foute veronderstelling is. Want het is niet omdat ik met mijn willoos lichaam in een invalidenkarretje rondcross, dat ik geen noden, verlangens noch gevoelens heb. Die heb ik wel degelijk.

Maandagnamiddag reed ik naar het oudercontact op zoon Brian zijn school. Als rolstoeler had ik het zalige genoegen buiten op de koer de leerkrachten van mijn kind te mogen spreken. Het gebouw is immers helemaal niet voorzien op zich op wielen voortbewegende medemensen.

Met het prachtige weer op die dag, was die, in wezen schandelijke ontoegankelijkheid, voor één keer geen straf, geen vernedering, maar daarentegen een zegen. Ik hoefde, in tegenstelling tot andere ouders immers niet in een, allicht door de warmte bevangen gang te gaan zitten vooraleer in een wellicht even muf klaslokaal te worden ontvangen. Neen, zalig in de schaduw van een boom vond ik mijn plekje!

Toen ik, in afwachting van een onderhoud met zijn klastitularis, door een mevrouw, naar ik vermoed werkzaam op het secretariaat van de school,  het rapport van zoon Brian kreeg overhandigd, dit met een bang hart opende en er tot mijn grote vreugde het A- attest in aantrof, raakte ik zowaar geëmotioneerd.

Gelukkig waren er geen vreemden in mijn onmiddellijke buurt, want door de emotie overmand zou spreken even moeilijk zijn geweest. Had ik dit nieuws op mijn eentje thuis vernomen, ik had waarlijk gehuild van opluchting en blijdschap. Jammer dat ik deze vreugde niet onmiddellijk met een naaste kon delen.

Een dag later was Austin zijn school aan de beurt. Per e-mail had ik met zijn klastitularis afgesproken, even voor de middag, in een lokaal op het gelijkvloers. Want ook deze school blinkt uit in haar ontoegankelijkheid voor minder mobiele medemensen.

De juf stond me al op te wachten... achter een gesloten deur. Het was dus geen slecht idee geweest om niet zonder assistente te komen, want anders had ik weer schoon alleen voor de deur kunnen staan wachten tot ik een passant kon aanspreken met het verzoek die deur voor me te openen. Met het gevaar dat ik, eens binnen, met de deur achter me dichtgeklapt, als een rat in de val had gezeten als daar niemand te bespeuren viel. Maar dat doemscenario viel me dus gelukkig niet ten deel. En ook hier ving ik een A- attest. Hoera!

Dol van vreugde ging ik, vooraleer huiswaarts te keren, een ritje maken. Onderweg at ik, in een schaduwplekje bezijden een verkeersarme straat, en met uitzicht op de spoorweg, mijn meegenomen boterhammen op. Eenzaam en alleen, want mens noch dier was te bespeuren in die buurt. Maar ik was in goed gezelschap: mijn eigen zelve!

Op weg naar huis reed ik langsheen een verpauperde volksbuurt. Uit de tegenovergestelde richting kwam een wijkagent aangereden, die even nadien de straat dwarste en zijn bromfiets parkeerde ter hoogte van een rijhuisje op de hoek. Terstond hield ik halt, want mogelijks kreeg ik aanstonds wel een interessant tafereel te zien. Met mijn GSM in de hand, veinzend dat ik aan het telefoneren was, hield ik nauwlettend de agent in het oog. En was benieuwd welk schouwspel er zich zo meteen in mijn gezichtsveld zou afspelen

De man, die zijn helm op het hoofd hield, belde aan bij het hoekhuis. Ging vervolgens twee stappen achteruit en wachtte af. Niemand deed open. Anderhalve minuut later zette de politiebeambte terug een stap naar voor en drukte met gestrekte arm op de bel.

Korte tijd later ging de deur langzaam open en verscheen er in de deuropening een knappe, niet al te grote griet van naar ik schat halfweg de twintig, met het lange blonde haar opgestoken in een dot. Het naakte lichaam nauwelijks bedekt door een minuscule bikini! Blijkbaar gegeneerd hield ze één arm voor haar boezem. Nochtans had ze volgens mij weinig te verstoppen, want voor zover ik het vanuit mijn positie kon zien was het wicht aan de voorkant zo plat als een vijg. Wat evenwel niks afdoet aan haar schoonheid!

De agent wees met zijn rechterarm naar het wel een halve meter hoog staande gras en onkruid in het amper enkele vierkante meters groot voortuintje en de vele op elkaar gestapelde, barstensvolle huisvuilzakken die ook al voor de woning een plekje hadden gekregen. Het meisje maakte met haar vrije arm wat gebaren en ik zag haar ook bevestigend met het hoofd knikken. Allicht beloofde ze de wijkagent de vuilnis op te laten ruimen en de voortuin een beetje te fatsoeneren.

Blijkbaar volstond dat voor de agent, want de man kroop terug op zijn brommertje en reed er vandoor. Toen hij me gepasseerd was, borg ik mijn mobieltje weg. Dat voorwenden aan het bellen te zijn, was immers niet meer nodig. En dat schone mokkel was al lang terug in haar huurhuisje verdwenen. En lag allicht alweer te zonnen op haar terras of koertje of in haar achtertuin.

Rudi, 1 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 15 januari 2010.

15-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 4

 

Toen ik de kliniek verliet had ik een zuurstofsaturatie van 90%, daar waar de nnormaalwaarde voor volwassenen tussen de 93 en de 100 % ligt. Die waarde was dus te laag. Voor hen die geen medische achtergrond hebben, geef ik mee dat, simpel uitgelegd, zuurstofsaturatie het zuurstofgehalte in het bloed aangeeft. Ook het koolzuurgehalte in mijn bloed was niet goed; het lag te hoog. Eigenlijk was ik dus helemaal niet klaar voor een thuis verblijven zonder bijbeademing en medische opvolging.

Eten ging redelijk goed. Drinken deed ik alleen van met poeder papperig gemaakt fruitsap. Niet te veel evenwel, om mijn darmtransit een beetje onder controle te houden. Het ademen ging echter nog steeds moeizaam. Zuurstofgebrek was een steeds aanwezige medische klacht. Vaak ging ik, warm ingeduffeld met dekens. om geen verkoudheid te vatten, in de inkomhal van onze woning zitten om via de openstaande voordeur toch maar wat extra lucht in mijn lichaam te krijgen. Want daar snakte ik naar.

Voorts had ik te kampen met angstgevoelens. Wellicht ten dele te wijten aan dat asemtekort. En daarbovenop kwam ook nog een totale slapeloosheid. Telkens wanneer ik bijna indutte, schrok ik meteen weer wakker. Wellicht een natuurlijke reflex van mijn lichaam, dat in rust allicht nog minder zuurstof naar binnen kreeg dan wanneer ik in wakkere toestand geconcentreerd zo diep mogelijk in- en uitademde.

Inmiddels had het nieuwe jaar een aanvang genomen. En had ik al anderhalve week niet meer geslapen. Dus contacteerde ik mijn huisarts. Die schreef me, als alternatief voor de 'inslaper' die ik tot dan toe 's avonds innam, antidepressiva voor als slaapmiddel. De inname ervan leverde echter geen resultaat op. Althans niet in de positieve zin. Want die pillen droogden mijn slijmvliezen uit, waardoor ik nog meer ademhalingsproblemen kreeg. Dus consulteerde ik een andere arts, die me een voorschrift bezorgde voor een slaapmedicament dat ik reeds eerder gebruikte. En waarmee ik ook nu succes had!

Slapen kon ik dus weer. Maar de slijmvorming nam wederom toe. Waardoor ik alweer vaak met een reutelende ademhaling, in de deuropening naar adem zat te snakken.

Bij de aanvang van het laatste weekend van de maand januari in kalenderjaar 2007 was ik daarbovenop alweer doodziek. De nacht van zaterdag op zondag bleef ik wederom in mijn rolstoel zitten. Zoon Brian bood spontaan aan om bij mij te blijven waken, zodat hij bij nood de hulpdiensten kon verwittigen.

Het was al na middernacht, toen op die 28ste dag van het jaar 2007, mijn luchtpijp alweer volledig was dichtgeslibd. Geluid maken, klank voortbrengen, kon ik niet meer. Aan Brian deed ik teken de 100 te bellen. Wat de jongen terstond deed. Vervolgens verwittigde hij zijn ma en broer Austin, die op de bovenverdieping van ons huis lagen te slapen.

Zij kwamen net de trap af toen de ambulance arriveerde. De ambulanciers rolden een brancard binnen. Inmiddels kon ik weer een beetje ademen. En spreken. Aan de ambulanciers maakte ik duidelijk dat ik in geen geval liggend wou vervoerd worden. En aangezien mijn rolstoel hun ziekenwagen niet in kon, stelde ik voor dat ik zelf naar het ziekenhuis zou rijden. Als zij me dan zouden volgen, konden ze mij bij ademnood zuurstof toedienen. Of het na contact met de centrale was, dat weet ik niet, maar de ambulanciers gingen akkoord met mijn voorstel.

Zij namen mijn reeds gereedstaande tas met spullen mee in hun wagen. Zelf nam ik in stilte afscheid van mijn gezin en bedekt met een deken om mijn koortsig lichaam warm te houden, vatte ik de tocht aan naar het in mijn woonplaats gevestigde ziekenhuis. De vrouwelijke ambulancier ging te voet met me mee. Haar mannelijke collega volgde ons met de ambulance.

Na enige tijd stapte de vrouw echter ook in de ziekenwagen, want de snelheid waaraan ik reed, zo een 8 kilometer per uur, was toch net iets te snel voor een stapster. Bovendien was dat naast mij stappen helemaal niet nodig. Als het fout ging met me zouden ze dat ook vanuit hun wagen zien. De buitenlucht deed evenwel goed aan mij ademhaling. Het ging moeizaam, maar minder slecht dan toen ik even daarvoor in onze living zat.

Door de verlaten straten van mijn woonplaats reed ik dus de zowat 5 kilometer, richting ziekenhuis, geëscorteerd door een ambulance. De weinige mensen die we onderweg tegen kwamen, keken raar op toen ze ons opmerkten. Ondanks mijn miserie, de benarde positie waarin ik mij bevond en het uiterst onzeker toekomstperspectief, vond ik de situatie toch wel ietwat lachwekkend.

Even na 02u00 arriveerde ik in de kliniek. En werd terstond de mij behandelende longarts uit zijn vrij weekend gebeld. Van de vorige keer had men immers onthouden dat ik enkel met een bronchoscopie kon worden geholpen. Er werd, door een reeds aanwezige chirurg, onmiddellijk een centraal infuus aangebracht en even later, door de toegesnelde longarts, een bronchoscopie uitgevoerd. Waarna ik direct in een bed werd gelegd en naar een kamer op 'Intensieve Zorgen' werd overgebracht en gekoppeld aan diverse apparaten.

De longarts liet me over aan de goede zorgen van zijn collega         van wacht en de verpleegkundigen van de dienst 'Intensieve Zorgen'. De resterende uren van de nacht bracht ik door in een toestand tussen slapen en wakker zijn. Ondanks de toegediende medicatie was ik nog steeds koortsig en voelde ik me enorm ziek.

De korte bezoekmomenten op zondag deden me deugd. Maar mijn gezondheidstoestand was niet beter. Mijn rechterlong kwam steeds weer vol fluimen te zitten en mijn linkse long slibde dicht. Een uiterst hachelijke situatie, waar het continue toedienen van zuurstof, via een mond- en neusmaker, weinig aan kon verhelpen. Het was afwachten of de medicamenten zouden aanslaan. Hoe het verder moest met mij was dus een groot vraagteken.

De ganse dag door bleef ik me ziek voelen en het lastig hebben. Inmiddels had het labo gemeld dat er in mijn slijm en bloed sporen waren gevonden van een bacterie die de longinfectie had veroorzaakt. Waarop men een intraveneuze antibioticakuur had opgestart.

Mijn lichaam deed ook langs alle kanten pijn, wegens het telkens terug te lang in eenzelfde positie te blijven liggen. Er was een te lage frequentie in het wisselen van de drukpunten. En mijn sterk verzwakt lichaam was allicht hoe dan ook gevoeliger voor pijnprikkels.

De arts had blijkbaar voorgeschreven een 'aerosolkuur' bij me op te starten. Er werd me een masker op de mond gezet, waaronder een verstuiver met medicatie was aangebracht. Eens in werking gesteld werden de vernevelde medicamentenpartikels onder hoge druk naar mijn luchtwegen en longen gestuwd. Wat een 10 à 15 minuten duurde. Als ik het mij goed herinner was het de bedoeling dat ik er elke 4 uur zo één zou krijgen. Maar mijn lichaam kon daar helemaal niet tegen. Die behandeling was veel te agressief. Na twee beurten, die mij absoluut geen deugd deden, weigerde ik de derde. De verpleegkundigen wilden evenwel maar niet begrijpen dat mijn weigering tot het verder zetten van deze therapie, gefundeerd was. En behandelden me als een onwillig koppig klein kind.

Ook op zondagnacht diende de longspecialist nog eens te worden opgeroepen om een bronchoscopie uit te voeren. Om tijd uit te sparen had men het toestel reeds naar de afdeling intensieve zorgen overgebracht. En toen de arts arriveerde, werd het mijn kamertje in gerold. Nadat hij me alweer voor een levenseinde had behoed, gaf de specialist opdacht om het toestel niet terug naar zijn vaste plek op een andere verdieping te brengen, maar buiten in de gang op te stellen, schuin tegenover mijn deur. Want hij verwachtte het spoedig opnieuw nodig te hebben.

De volgende dag, de eerste van een nieuwe werkweek, kwam de specialist, van zodra hij een mogelijkheid zag, bij me op de kamer met de melding dat ik hoe dan ook terug naar een andere kliniek moest. Want dat hij, op zijn eentje, in dit kleine stadshospitaal, onmogelijk voor mij kon blijven zorgen. Liefst zag hij me terug naar dezelfde kliniek vertrekken als waarheen ik de vorige maand was overgebracht. Maar aangezien ik daar in geen geval heen wou, ging hij trachten een plek voor me te bekomen in een andere, aan een universiteit verbonden ziekenhuis. Wat ik de arts wel duidelijk maakte was dat ik, noch in deze kliniek, noch elders in zou gaan op de tijdens mijn eerste opname voorgestelde probleemoplossing, waardoor ik zou veranderen in een half bionisch wezen.

Te ziek om ook maar iets te doen, lag ik zieltogend in mijn bed wat naar muziek te luisteren. Onderwijl naar het plafond en de muren starend en geduldig wachtend tot er eens een berichtje verscheen op mijn mobiele telefoon. Naast dat ziek zijn en de benauwdheid wegens ademtekort, had ik ook die dag veel last van pijn aan mijn gehele lichaam, maar toch vooral aan mijn benen, zitvlak en rug. Dit als gevolg van een ongemakkelijke lighouding. Het ziekenhuispersoneel had dan wel, net als bij mijn vorige opname aldaar, gezorgd voor een elektrisch bedienbaar, in hoogte en verschillende standen verplaatsbaar bed, maar de nood aan wisselhoudingen kon daarmee totaal niet worden opgevangen. Af en toe kwam er wel eens iemand van de verpleging me verleggen, en wat kussens onder mijn benen en achter mijn rug stoppen, maar te meer daar ik niet echts iets had dat mijn gedachten kon afleiden van deze pijn en dit probleem, bleef het lastig. Eten deed ik niet, waardoor ook die momenten er niet waren als verstrooiing.

Maar het meest tergend was die reutelende ademhaling van me te horen, en het voortdurend moeten naar adem snakken. Enkel bij hoge nood mocht de arts worden opgeroepen, zo was me gezegd door het verplegend personeel. De dokter had me ook persoonlijk gevraagd om te trachten het zo lang mogelijk zonder zijn hulp te stellen. Want telkens met die buis in mijn luchtwegen gaan en fluimen wegzuigen, hield diverse gevaren in. Zoals beschadiging van mijn stembanden of longen. Maar het enige dat ik kon doen was rustig blijven en zo diep mogelijk in- en uitademen. In mijn fysieke toestand was dat op zich al een ganse prestatie.

De arts was weg. Maar het feit dat ik, vanaf de plaats waar ik lag, in de gang de machine zag staan waarmee de arts, in het geval dat hij, na een oproep, bij aankomst in de kliniek, onmiddellijk de levensreddende handelingen op mij kon uitvoeren, bezorgde mij, op geestelijk vlak, enige geruststelling.

Maar het veranderde natuurlijk niks aan mijn lichamelijke toestand. Die niet stabiel bleef, maar erop achteruit boerde. En ik kon er niks aan doen. En lag reutelend naar adem te snakken, met een continue open mond, in de hoop op die manier toch maar zoveel als mogelijk zuurstof tot aan mijn longen te krijgen. Helaas, mijn lichaam hield het niet vol. Ik diende alweer op mijn bedbelletje te drukken, dat ik voortdurend in mijn hand hield om bij nood de verpleging tot aan mijn bed te kunnen krijgen.

Met twee kwamen de verpleegkundigen mijn kamer binnen. Ze zagen zelf ook wel dat ik er slecht aan toe was. Eén van hen ging onmiddellijk de dokter bellen. En bracht even later het bronchoscopietoestel mijn kamer binnen. Geluid kon ik niet meer produceren. Het begin van een verstikking was ingetreden. Nog net zag ik de arts arriveren en, na een vluchtige blik op mij te hebben geworpen, zijn kiel aandoen. Vooraleer ik, door zuurstofgebrek, het bewustzijn verloor.

Toen ik weer ontwaakte stond er een arts aan mijn bed, een cardiologe. Ze vertelde mij dat zij en haar collega, de pneumoloog, me een beetje hadden geholpen. De longarts had mij geïntubeerd, dus een buis in mijn luchtpijp aangebracht en gekoppeld aan een machine, die het werk van mijn longen had overgenomen. Spreken zou ik niet kunnen. Er was ook een blaassonde ingebracht. Mijn enige nog beperkt functionerende arm was vastgebonden. Om te vermijden, aldus de arts,  dat ik de buizen uit mijn mond en keel zou trachtten te trekken, met op zijn minst ernstige letsels en in het slechtste geval mijn dood tot gevolg.

Hoewel ik wist dat mijn longarts in de kliniek waar ik op het einde van het vorig kalenderjaar boos mijn biezen had gepakt, zijn collega in deze kliniek steeds op het hart had gedrukt nooit over te gaan tot intuberen of tot een tracheotomie (het aanbrengen van een buisje in de luchtpijp via een snede in de hals),  had deze laatste het deze keer dus wel gedaan. Allicht vrezend dat hij me anders niet in leven had kunnen houden.

Maar ik vond het allemaal best. Ik voelde me 'zalig'. En had ik in staat geweest te spreken, wat door die buizen in mijn keel dus niet kon, dan had ik mijn pneumoloog gemeld dat hij, wat mij betrof, gerust zijn eerder voorgestelde plannen ten uitvoer kon brengen. Een tracheotomie voor continue kunstmatige beademing, een canule voor praten met een spraakmodule, een sonde voor het kunstmatig voeden,... ik zag het allemaal zitten! En toen mijn hand werd vrijgemaakt bevoelde ik het systeem dat aan mijn mond vast zat wel even, maar ik dacht er nog niet aan er aan te prutsen, laat staan het te verwijderen.

Veel later ben ik pas tot het besef gekomen dat ik mij toen zo gelukzalig voelde omdat ik zwaar was gedrogeerd. Ik verkeerde ook voortdurend in een toestand tussen slaap en doezelig wakker zijn. Maar bij de pakken blijven zitten was er ook in deze toestand, bij deze conditie niet bij. Toen mijn ouders op bezoek kwamen, slaagde ik er tijdens dat kwartiertje wonderwel in hen duidelijk te maken dat ik graag zou gehad hebben dat zij op een kartonnen blad A4-formaat alle letters van het alfabet zouden plaatsen, alsook de cijfers van 0 tot 9, zodat ik middels het aanduiden ervan woorden en zinnen zou kunnen vormen, waardoor ik terug met iedereen zou kunnen communiceren!

Die brave mensen hadden het begrepen en reeds bij hun volgende bezoek hadden ze het gevraagde mee. Exact zoals ik het had gevraagd, en zelfs geplastificeerd! Ik duidde letters aan, die zij opschreven. Feilloos werkte het niet, maar het systeem functioneerde toch redelijk goed. Alhoewel er soms wel sprake was van een communicatiestoornis. Mijn 'gespreks'partner begreep op zulke momenten niet wat ik wou 'zeggen', terwijl ik langs geen kanten begreep waarom dat zo was. Ook alweer later zou ik tot het besef komen dat ik, onder invloed van de hallucinerende middelen die me werden toegediend, vaak verwarde of onzinnige taal 'sprak'.

Inmiddels werd me ook duidelijk gemaakt dat ik dringend elders heen moest. En aangezien ik niet terug naar die universitaire monsterkliniek wou, waar ik eerder verbleef, was men elders op zoek gegaan en had men inmiddels een ziekenhuis gevonden dat me kon en wou opnemen. Ook één dat is gevestigd in onze provinciehoofdstad. Met een uit  diverse specialisten bestaande dienst pneumologie.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 28 februari 2007 (revisie op 14 september 2009)

14-06-09

Rudi's ontboezemingen - Blind geldgewin

 

Regelmatig krijg ik berichten in mijn mailbox waarin wordt gemeld dat men mij in contact kan brengen met dames, waar wél eens de ware voor mij tussen zou kunnen zitten. Hoe men er bij komt, dat ik daar naar op zoek ben en niet misschien reeds heb gevonden, is voor mij een raadsel. Nu ja, mijn gulzige prullenbak slikt deze berichten met graagte in.

Een kennis van mij heeft ooit eens via zo een 'dating site' een 'blind date' geregeld. Een regelrecht fiasco! Die jongen had een plaatsje gereserveerd, in een stemmig restaurantje. Een vrij exclusieve, en bijgevolg dure eetgelegenheid. Maar ja, die jongeman van tegen de dertig, had een goede job en kon zich dat permitteren. En wou met deze luxe dat bijna tien jaar jonger meisje imponeren. De jongedame, waarmee hij had afgesproken, kwam echter niet opdagen! Dus zat hij daar de ganse avond aan dat tafeltje, bij kaarslicht, en helemaal allen. Absoluut niet romantisch!

Achteraf heeft hij dan vernomen wat er was gebeurd. Via de chat, want toentertijd was de aankoop van een mobieltje slechts weggelegd voor rijke mensen, zakenlui en prostituees. Dat meisje waarvan sprake, had haar weg naar de plaats van afspraak niet gevonden. De jongedame, zo bleek, was immers blind! En haar geleidehond was net die avond van haar weggelopen! Met haar witte geleidestok in zijn bek!

Mijn kennis is na het 'lezen' van die uitleg niet meer bijgekomen... van het lachen! Zijn mama, gealarmeerd door het lachsalvo, en vervolgens het geluid van een klap, komend uit die jongen zijn slaap- annex studeerkamer, vond hem dubbelgevouwen van het lachen, naast zijn bureaustoel. Hij had zich daarenboven ook nog eens een breuk gelachen. En was er dus erg aan toe.

Uiteindelijk is mijn kennis met zware hoofdwonden opgenomen in het lokale ziekenhuis. Géén idee hebbend van wat er aan de hand was, had zijn mama immers om een ziekenwagen gebeld. Toen die arriveerde, was mijn kennis evenwel al wat bekomen. En de ambulancier van dienst, een potige kerel, kon er niet mee lachen dat hij voor niks was uitgerukt. Bovendien bleek die blinde date zijn nichtje te zijn! En vond hij derhalve het gebeurde helemaal niet grappig. Mijn kennis heeft dat geweten! En zal daar blijvend aan worden herinnerd, telkens hij in de spiegel kijkt en de littekens ziet op zijn gezicht.

Eind goed, al goed, evenwel. Dat meisje is mijn kennis komen opzoeken in het hospitaal. Dat ze probleemloos vond! Neen, die hond was nog niet teruggevonden, net zo min als haar geleidestok. Ze had gewoon haar bril afgezet. En wat bleek? Dat ze kon zien! Een beetje troebel, dat wel, maar ze zag! Door dat verbouwereerd meisje op de rooster gelegd, bekende haar pleegmoeder huilend, uit vrees voor de gevolgen van haar confessie, dat zij en haar drugsverslaafde man, het blinde meisje, dat dus helemaal niet blind bleek te zijn, van kleins af aan een donkere bril hadden opgezet, zodat iedereen dacht dat het lief kind blind was, en ze derhalve dubbel kindergeld konden opstrijken!

Gedane zaken nemen géén keer. De tijd terugdraaien gaat immers (voorlopig?) nog niet. Derhalve vergaf dat meisje haar pleegouders hun zonde, en stapte met mijn kennis de boot in. Hij was in die tijd immers matroos op een binnenschip. En zonder bril zag dat jong vrouwmens mijn kennis goed zitten. Allicht omdat haar zicht toch ietwat troebel bleef; Oh ja, inderdaad: ze leefden nog veel en kregen lange kinderen.

Rudi, 6 september 2008 (revisie op 14 juni 2009)

10-06-09

Rudi's ontboezemingen - Gewonnen!

 

Het ziet er naar uit dat mijn levenslot een ernstige wending gaat nemen. In de positieve zin, wel te verstaan! Alle begrip voor jullie ongeloof, want ik kan het zelf ook nauwelijks geloven. Het is namelijk zo dat ik op deze dag, vandaag dus, maar liefst drie (3!) unieke meldingen kreeg van financiële buitenkansen!

En het betreft hier niet een gratis plaatsing op ebay, en ook geen gratis fotoprints bij Extrafilm, of een kortingbon bij Yves Rocher Winkels. Neen! Met alle respect voor de waarde van dergelijke voornoemde aanbiedingen, maar wat mij ten deel valt is veel aanzienlijker!

Het begon bij het openen van mijn elektronische brievenbus, deze ochtend omstreeks 8 uur. Daarin vond ik, zoals gewoonlijk, in de eerste plaats de berichten van de kranten met de hoofdlijnen uit het nieuws van de dag. Voorts ook enige spam en andere junkmail, die door de mazen van mijn beveiligingsmuur waren geglipt. En naast de persoonlijke en zakelijke berichten, waarvoor ik die elektronische brievenbus in eerste instantie heb en gebruik, waren er ook enkele berichten met aanbiedingen in de trant van de eerder vermelde.

Mijn aandacht werd echter getrokken door een bericht dat niet echt thuishoorde in het hoger genoemde lijstje. Een jongedame, met een niet uitspreekbare familienaam, meldde me, in niet geheel correct Engels, er naar te 'verlangen' om een zakenrelatie met mij te beginnen. Ze uitte begrip voor mijn vanzelfsprekende verwondering, omtrent haar verzoek, aangezien we niet eerder contact hadden met elkaar, en begon vervolgens haar verhaal. De genaamde Zaina Ishaaqismail blijkt enig kind te zijn van een Ivoriaanse handelaar in goud en cacao (wat een combinatie!), met vestigingen in Accra (Ghana) en Abidjan (Ivoorkust). Het (figuurlijk) arme schaap haar pa werd recent, tijdens een zakenreis, vermoord. Door zijn zakenpartners! Met vergif!

Jongens toch, waar gaat de wereld heen? Soit. Op zijn sterbed heeft de onfortuinlijke man, met een laatste ademstoot, dochterlief nog net kunnen vertellen dat hij wat geld heeft veilig gesteld, op een bankrekening in Abidjan. Op haar naam. Een bedrag van maar liefst 6.500.000 USD. Reken uit, dat is wel bijna 4,5 miljoen Euro, hé! Hoe ik dat meisje kan helpen, staat nergens te lezen. Net zo min als hoeveel ik daar concreet mee kan rapen. Maar zelfs als ik voor alle moeite slechts 1 (één) luttel procentje ontvang, dan krijg ik toch nog 45.000 Euro toebedeeld! Zaina vroeg me, na het lezen van het bericht, haar terstond te contacteren op haar privé e-mail adres, dat ze erbij vermeldde.

En daar hield het vandaag niet bij op. Een ander Engelstalig bericht, van een zekere mevrouw Angela Jones, bracht de tijding dat 'mijn e-mail adres' één van de 50 gelukkigen is die zijn geselecteerd om een bedrag te ontvangen van 1.200.000 Euro. Gewonnen met 'El Gordo de la Primitiva'! Een loterij, veronderstel ik. En dat zomaar, zonder dat ik heb meegespeeld of erom heb gevraagd! Wel een beetje raar dat mijn contactpersoon een zekere Dr. Robert Brook is. En de e-mail adressen van het 'claim departement' nogal dubieus ogen. Maar er staat ook een telefoonnummer bij, met de Spaanse landcode als voorvoegsel. Laat mij daar maar aanstonds eens naar bellen, want volgens het bericht is er haast bij!

Het volgende bericht, ook al opgesteld in het Engels, of althans iets dat daar waarschijnlijk voor moet doorgaan, liet mij, in het onderwerp weten, dat ik 'in totaal 610.000 Euro heb gewonnen. Ik keek mis en dacht dat het 'slechts' 10.000 flappen waren.  Maar wat bleek, eens ik het bericht had geopend? Dat ik maar liefst 610.000 Euro heb gewonnen. Dringend mijn tussenpersoon  contacteren, een zekere Frank P., met een Spaans e-mail adres. Dat is wat me werd aangeraden door de ondertekenaar van de kennisgeving, een zekere mevrouw G. Alonso, Zeg nu nog eens dat de vrouwen mij niet graag zien!

Mijn geluk kan dus blijkbaar niet op vandaag! Dit allemaal slechts één etmaal nadat ik de rekeningen ontving, voor de recente herstellingen aan mijn invalidenkarretje. Een goeie 1.100 Euro! Maar uiteindelijk slechts een kleinigheidje, nu het er naar uitziet dat ik spoedig rijk zal zijn!

Was het leven maar zo rooskleurig als sommigen ons willen doen geloven. Kon men maar zo gemakkelijk prijzen winnen, geld vergaren, rijk worden... Het zou wat zijn! Vele mensen zouden dan trouwens nog niet tevreden zijn. Want 'veel' hebben doet verlangen naar 'méér' en zelfs naar 'nog veel méér'. Maar dat wist je wellicht reeds.

Dat fabeltjes geloven en hopen op fabelachtige winsten door niks meer te presteren, dan ingaan op een e-mail bericht, dat zulks suggereert, laat ik aan anderen over. Zelf blijf ik liever met beide voeten op de steunen zitten van mijn elektrisch aangedreven zitstoel. En herhaal bij deze mijn oproep voor financiële steun om mij een busje aan te kunnen kopen, voor het vergroten van mijn mobiliteit. Of had ik dat nog niet eerder gevraagd? Het ziet er jandorie naar uit dat ik me toch nog laat meeslepen in illusies!

Rudi, 3 september 2008 (revisie op 9 juni 2009)

06-05-09

Rudi’s ontboezemingen - struisvogeltactiek

 

Enkele dagen terug las ik enkele artikels met betrekking tot enerzijds mensen die hun kind of partner verloren door een ziekte of ongeval en anderzijds personen met een handicap en hoe hun omgeving daarop reageert. Er zijn heel wat parallellen te trekken tussen beide situaties. Alles kwam me weer nogal bekend voor. Omdat ik reeds eerder dergelijke verhalen hoorde en las en tevens omdat ze zo gelijklopend zijn met wat ikzelf continue ervaar.

Mensen die een familielid verliezen door om het even welke oorzaak, moeten dat van zich afzetten, verder gaan met hun leven. Eens melancholisch terugblikken op één van die zalige momenten samen, met het overleden familielid, of herinneringen ophalen uit die tijd, wordt door hun omgeving doorgaans niet getolereerd. Praten over wijlen kind, vader, oma of partner wordt aanzien als een teken van onverwerkt verdriet, en daar kan de omgeving niet mee omgaan, dus mag het niet!

Een zelfde fenomeen doet zich voor bij mensen met een handicap of ouders van een gehandicapt kind. Men vraagt wel hoe het met hen gaat, maar 'slecht' is een ongeaccepteerd antwoord. Je beklag doen over allerlei fysische kwalen, of praktische problemen als gevolg van de handicap, mag niet. Er zelfs naar waarheid gewoon melding van maken wordt niet geduld. Neen, dat wordt aanzien als een teken dat de handicap nog niet is verwerkt en daar kan de omgeving niet mee omgaan, dus mag het niet!

Ondertussen moeten zij die de leegte voelen die de afgestorvene heeft achtergelaten en zij die gebukt gaan onder de last van het beperkt functionerend lichaam van zichzelf of van hun kind, wel gedurig de klaagzang aanhoren van futiele lichamelijke kwalen waar hun gesprekspartner of iemand uit diens omgeving door wordt 'geplaagd'. Een zere rug, een aanhoudende verkoudheid, de pijnlijke wratten van oom Albert of de oh zo verschrikkelijke migraine van de bejaarde buurvrouw.

De grote massa kan niet omgaan met de gevoelens en uitingen die gepaard gaan met het verlies van een persoon of van lichamelijke of geestelijke functies. Dus moet er over gezwegen worden.  Liever stopt men zijn of haar kop in het zand en doet men alsof er niks aan de hand is. Hoe erg moet het niet zijn als je jouw levensgezel verloor en daar nooit meer eens met iemand over kan praten. Of als mama van een gehandicapt kind moeten ervaren dat men doet alsof je kind niks mankeert. Want het ziet er toch goed uit?! In plaats van die mensen te steunen door hen aan te zetten tot het luchten van hun hart. En bij personen met fysieke beperkingen, zo ervaar ik zelf, wordt de last ook voelbaar minder als men eens over zijn of haar handicap kan praten. Maar het aantal mensen bij wie dit kan is doorgaans uiterst beperkt. Zelf kan ik gelukkig veel kwijt in mijn schrijfsels. Veel van mijn lotgenoten beschikken echter jammer genoeg niet over zulk een uitlaatklep.

Ru(sh)di(e), 4 april 2006 (revisie op 27 april 2009)

20-03-09

Belevenissen in het UZ, deel één van ik weet nog niet hoeveel

 

Ik had het al aangekondigd en voel me dus moreel verplicht er een aanvang mee te nemen: het verhalen over mijn wedervaren in de behandelinrichting ofte kliniek waar ik twee verjaardagen zag passeren. De gebouwen en terreinen van een complex dat in zijn totaliteit 'het universitair ziekenhuis van Gent' wordt genoemd.

Toen ik nog maar pas een kleine maand na die desastreuze ingreep, op de verzorgingsafdeling 'neurochirurgie' van het ziekenhuis verbleef, kreeg ik op een bepaald moment een nieuwe kamergenoot. De zoveelste op rij. Laat ik hem Felix noemen. De man was net geopereerd.

Het klikte meteen tussen ons twee, ondanks het feit dat we een probleem hadden. Of eigenlijk twee. Het was en is immers zo dat ik niet goed hoor en dat Felix niet luid kon en kan praten. Er was dus in zekere zin een moeilijkheid in communicatie.

Mijn ouders kwamen in de late namiddag op bezoek, en die hadden op mijn verzoek - ik wou wel eens iets lekkers eten - toastjes en toespijs voor me meegebracht. Felix lag te lonken. Die brave ziel had een verschrikkelijke honger, maar mocht van de verpleegkundigen, op doktersadvies, zo kort na de operatie, nog niks eten. Ik had nochtans met veel plezier mijn spijs met hem gedeeld. Ondanks dat liet ik het me toch smaken.

Die avond kwam er ook nog een meisje bij me op bezoek en die had een doosje pralines voor me meegebracht. Nadat ik ze de ronde had laten gaan, liet ik dat doosje op mijn nachtkastje plaatsen, rechts van mijn hoofdeinde, tussen de twee bedden in. Toen alle bezoek naar huis was, zei ik aan Felix dat, mocht hij zin hebben in een chocolaatje, hij gerust mocht toetasten. Een enkele praline was immers geen echt eten, en we waren inmiddels ook alweer enkele uren verder in de tijd.

De volgende dag, nadat ik was gewassen en had ontbeten, herinnerde ik mij ineens die chocolaatjes en verzocht de verpleegkundige van dienst, om me een bonbon te geven uit dat doosje op mijn nachtkastje. Dat meisje zei me wel een doosje te zien staan, evenwel zonder inhoud. Waarop ik dat lieve kind verzocht het me te laten zien. Het was het juiste doosje, maar inderdaad compleet leeg!

Inmiddels lag er daar iemand te gniffelen in dat ander bed in de ziekenhuiskamer. Bleek dat Felix die nacht zo hongerig was geweest dat hij stuk voor stuk de ganse resterende inhoud van die doos pralines achter de kiezen had gespeeld! Lachen

Ru(sh)di(e), 13 juni 2002 (revisie op 15 maart 2009)

15-03-09

De lotgevallen van een rolstoeler, eerste en meteen ook laatste aflevering

 

Hoe onwaarschijnlijker hetgeen je vertelt is, hoe makkelijker het er bij de mensen ingaat. Dat ondervond ik ook ten tijde van het hierna volgende voorval. Ik sjeesde toen nog rond met mijn blauwe LMD van het Nederlandse merk Ligtvoet.

Zeker moment kwam ik onder de baan een man tegen van middelbare leeftijd die erg geïnteresseerd was in mijn rolstoel. Hij wou wel eens weten waartoe al die knoppen, met een kleine afbeelding erboven, op mijn bedieningspaneel, toe dienden. Geduldig gaf ik hem uitleg en demonstreerde elke functie. De heer luisterde aandachtig en keek geanimeerd.

En dan, wijzend naar de toets, met een tekeningske waarop de zetel op enige afstand boven het onderstel stond afgebeeld - de knop voor het activeren van de hoog / laag verstelling van de rolstoel, een functie die op mijn exemplaar niet was geïnstalleerd - vroeg hij me: "En waar dient dat knopje voor?"

Ik schreeuwde: "Afblijven!" waarop die man - zichtbaar geschrokken van mijn uitroep - haastig zijn hand terugtrok. Ik zei: "Ja sorry, maar als je daar op drukt, schiet mijn zetel de lucht in!"

Terwijl die man me met grote ogen en open mond aanstaarde, vervolgde ik met: "Da's voor als ik bijvoorbeeld in panne val bij het oversteken van een weg en er met volle vaart een auto op me afkomt."

Voorwaar, die vent zijn oren kwamen recht toen ik er nog aan toevoegde: "Zo kom ik dan toch veilig weg. Ik heb dat speciaal laten maken, want veiligheid primeert." Er vervolgens: "Ze moeten enkel nog de parachute bevestigen."

En die man, deze scherts voor waar nemend, zei héél serieus: "Amai, de techniek is toch al ver gevorderd, hé?!"

Een andere keer stond ik aan de verkeerslichten, dicht bij de Overpoort, de Gentse studentenbuurt,  te wachten op groen licht om de baan over te steken, toen een jong meisje vroeg of ze mij kon helpen.

Waarop ik: "Jazeker, maar dan moet je eerst mijn stoel op manueel zetten."

En zij, onderwijl met haar ogen de zijkant van mijn rolstoel afspeurend: "Zeg maar; waar staat dat knopje?"

Ik heb dat braaf schepsel - met tegenzin - glimlachend gezegd dat ik haar hulpvaardigheid apprecieerde, maar dat het wel zou lukken, waarop ze nog eens naar me zwaaide en vervolgens vertrok.

Soms duikt er wel eens opportuniteit op, en die grijp je dan best aan, als er tenminste geen (echt) morele bezwaren zijn. Ik deed en doe dat nog steeds. Ten tijde van mijn revalidatie bijvoorbeeld heb ik me wel eens laten eten geven door een frisse, jonge, vrouwelijke stagiair verpleegkundige, terwijl ik dat normaliter eigenlijk reeds zelf kon. Slechts één keer was er een iets oudere patiënt, waarschijnlijk - naar mijn mening misplaatst - jaloers omwille van de aandacht die me te beurt viel, die het meisje dat me voedde zei dat ik het ook zonder hulp kon. Dat lieve kind antwoordde: "En dan?", en deed vervolgens verder, die opmerking van die man voor het overige straal negerend. Zo waren er wel meer: toffe, uiterst gemotiveerde stagiaires, van mannelijke en vrouwelijke kunne. Alhoewel ik - nogal wiedes voor wie me een beetje kent - het liefs de juffrouwen had, daar waren er overigens ook het meest van.

Als ik uitga wordt ik ook regelmatig getrakteerd door totaal vreemden die het tof vinden dat ik de moed opbreng om ondanks mijn handicaps toch nog buiten te komen. Anderzijds wordt ik ook al eens ongewenst lastig gevallen door mensen die waarschijnlijk denken: die heeft tijd zat en zal wel luisteren en die me vervolgens de helft van hun levensverhaal vertellen en alle problemen waar ze mee te kampen hebben.

Naar verluid wordt er op straat ook enorm naar me gestaard, maar ik merk dat eigenlijk niet. Waarschijnlijk omdat ik moet opletten waar ik rij. De meeste mensen die met me meegaan vinden dat turen echter enorm vervelend. Alsof ik een attractie ben, terwijl ook ik gewoon een mens ben van vlees en bloed, enkel met de enorme pech dat ik me moet voortbewegen middels een elektrisch aangedreven wielkar.

Onlangs was er bij ons de aankomst van een wielerwedstrijd voor beroepsrenners.  Ik had totaal géén zin om minstens een half uur te staan wachten om dan die coureurs in een flits te zien passeren, maar moest die namiddag wél in het centrum zijn om iets administratiefs te regelen.

Op een gegeven moment moest ik een straat oversteken waar een massa mensen stond opgesteld. Dus ging die koers daar waarschijnlijk passeren. Ik zag daar een politieagent staan, deed teken dat ik de baan over wou, maar werd straal genegeerd. Ik reed dan maar - op het zebrapad - de straat over. En die flik, ineens wél oog hebbend voor mij, riep: "Hela manneken, kom eens terug!" waarop ik niet reageerde. Het meisje dat die dag bij me was, kwam achter me aangehold en zei dat die agent heel kwaad was en wou dat ik terugkwam. Ik zei: "Dat hij me dan komt halen!" En we vervolgden onze weg. Zonder achtervolgd te worden door de politie. Lachen

Ik zou het eigenlijk wel eens willen meemaken, dat ze mij met rolstoel en al in hun camionette stoppen. Hahaha! Lachen

Heb trouwens even gedacht dat zwaar gehandicapten de gevangenis niet hoefden te vrezen, tot een vriendin me er op wees dat ook wij wel degelijk de bajes in kunnen vliegen.

Later heb ik een rolstoelende jongen ontmoet die een tijdje in de gevangenis had gezeten. Het was een drugsverslaafde, die samen met een vriend besloten had er een einde aan te maken. Ze spoten zich beiden een overdosis in. Zijn vriend overleed, maar hij overleefde de shot. En, alsof dat al niet erg genoeg was, stopten ze hem op de koop toe de nor in omdat hij géén bijstand had verleend aan een medemens in nood!

Daar is een rechtszaak van gekomen, die jongen werd veroordeeld en heeft geruime tijd vast gezeten. Blijkbaar géén lachertje. Als die - bij het luchten - niemand vond om hem, de trappen af, naar buiten te dragen, zat hij de ganse dag vast in zijn cel, want de cipiers hielpen hem niet.

Ru(sh)di(e), 24 juni 2002 (revisie op 11 maart 2009)