05-09-11

Herinneringen uit mijn verleden – Happy Mike

Een jaar of 16 geleden was ik volop bezig met het verbouwen van de woning, die ik toen pas had gekocht en waar we heden nog steeds in resideren. Een tweewoonst, waarvan het de bedoeling was dat één deel zou worden ingericht als handelsruimte en het andere deel als gezinswoonst. Aangezien ik het vele werk niet allemaal in mijn eentje aankon, schakelde ik voor het klaren van vele klussen familieleden en vrienden in. Enkel als het niet anders kon, kwamen er professionele werklui aan te pas. Het mij beschikbare budget liet een andere werkwijze niet toe.

Tijdens de eerste zomerperiode van de twee vernieuwbouwjaren had een vriend van mij, die ik hier Tjen zal noemen, een speciale logé. Waarmee mijn levenspartner en ik kennis maakten tijdens een etentje, in beperkte kring, in de achtertuin van Tjen zijn woonst. De gast, van wiens bestaan en aanwezigheid op het adres van mijn vriend, ik reeds eerder telefonisch was op de hoogte gebracht, was alleszins een opmerkelijk wezen.

De man, met naar ik schat een leeftijd van midden van de veertig, was niet al te groot, nogal pezig en had een bleke gelaatskleur en lang blond haar, dat bijeengehouden werd als een paardenstaart. ’s Mans hoofd was getooid met een genre cowboyhoed,  waarvan de zijranden waren omhoog gevouwen. De naam waarmee hij zichzelf voorstelde wens ik niet kenbaar te maken, maar voor de eenvoud zal ik hem benoemen als ‘Happy Mike’. Hij was naar eigen zeggen een Britse hippie, die leefde van een werkloosheidsuitkering en wat schnabbelen hier en daar. En hij zei er ook niet van terug te schrikken desnoods geld te vergaren als bedelaar.

Mijn vriend Tjen had hem opgepikt toen hij stond te liften aan een rustplaats langsheen de autostrade van de kust naar het binnenland. Tijdens het gesprek dat ze in de auto voerden, vertelde de uitsluitend Engels sprekende man dat hij gewoonlijk bij een koppel op kamers woonde, maar dat hij recentelijk hommeles had gehad met iemand uit de streek van zijn woonplaats. En hij derhalve wijselijk had beslist er voor enige tijd vanonder te muizen. En gezien hij in eigen land al zowat alle kantjes en hoekjes had gezien, had Mike beslist om nog maar eens Engeland te verlaten, de plas over te steken en een tijdje op het continent rond te dwalen.

Toen duidelijk werd dat Mike dus zomaar wat op de dool was, hopend ergens aan de bak te komen om op verplaatsing in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en onderdak te kunnen bekostigen, stelde de, toen alleen wonende Tjen voor om Mike naar zijn huis mee te nemen. Hij had immers nogal wat op te knappen klussen, waar hij, uit tijdsgebrek, zelf niet aan toe kwam, en andere, waarbij wat hulp meer dan welkom zou zijn. Hij bood Happy Mike aan om zijn tijdelijke kluspartner te worden. Tegen een gering uurloon, met daarbovenop gratis kost en inwoon. Waarmee de man dus tevreden had ingestemd.

Happy Mike kreeg een eigen slaapvertrek ter beschikking, in een gebouw dat vroeger een stal was geweest. Elke weekdag klopte hij overdag zijn uurtjes en ‘s avonds en in het weekend was hij vrij. En ging hij te voet op zoek naar een kroeg waar men Engels sprak en hij zich welkom voelde. Of anders was hij, onder invloed van het roken van wiet, gelukzalig, doch wezenloos voor zich uit kijkend, te vinden in de achtertuin van mijn vriend. Soms zelfs zittend bovenop de ronde houten dwarsbalk die deel uitmaakte van een daar opgestelde kinderschommel.

Enkele weken na het aannemen van Mike, had mijn vriend geen werk meer voor hem. Terwijl de man eigenlijk nog geen zin had om op te krassen en verder te trekken. Want hij had in een café kennis gemaakt met een alleenstaande moeder van vier kinderen. En hij genoot van de gesprekken die ze voerden en de ongeremde seks die ze bij haar thuis bedreven.

Nu wou ik de man wel werk verschaffen, want er was bij ons nog genoeg te doen, maar hem onderdak verschaffen, dat zag ik niet zitten. Tjen zat er evenwel niet mee in dat Happy Mike nog een tijdje van zijn slaapaccommodatie gebruik zou maken. We spraken af dat ik, tijdens weekdagen, in de ochtend Mike zou ophalen bij mijn vriend, wij hem ’s middags en ’s avonds te eten zouden geven en ik hem ’s avonds opnieuw aan het huis van mijn vriend zou droppen. Wat me geen extra verplaatsing opleverde, want ik moest daar toch passeren, op de weg naar mijn ouderlijk huis, alwaar toentertijd mijn handelszaak was gevestigd.

De voornaamste klus die ik in eerste instantie voor de hippie voor ogen had, was het uitgraven van de boomstronk en de daaraan bevestigde wortels van een reeds eerder gevelde boom. Die ik liet neerleggen omdat hij het zicht vanuit de living compleet belemmerde. En de nog in de grond zittende overblijfselen moesten weg omdat ik die zone wou opnemen in de nog aan te leggen parking.

Gelukkig viel het weer goed mee, die zomer. Het was droog, er was veel zonneschijn, dus lekker warm, maar toch niet overdreven heet. Ideaal weer om in buiten te werken. Bleke Mike, uitgedost in korte broek en in bloot bovenlijf kweet zich vlijtig van zijn taak en kreeg er zelfs wat kleur van. Maar opdat zijn bleke vel toch wat zou beschermd zijn, bezorgde ik hem een bus zonnemelk.

Na minstens een volle week werk aan uitgraven en wortels doorzagen en doorhakken, door Mike, trokken we, met een man of vier, de boomstronk uit de grond met de stevige lier van Tjen. Na het dempen van de ontstane put, kon ik Happy Mike een andere taak toevertrouwen. De overhangende houten dakgoot en onze stenen schouw wit verven was er één. En omdat mijn ladder daarvoor niet ver genoeg kon uitgeschoven worden en ik over geen stellage beschikte, ging Mike, voor het uitvoeren van deze klus, in de dakgoot liggen. Terwijl ik hem, veilig van op de grond, nauwlettend in het oog hield. Toen hij op een bepaald moment, door een verkeerd manoeuvre, eens bijna naar beneden donderde, vroeg hij me naderhand wat ik zou gedaan hebben zo hij daadwerkelijk naar beneden was gevallen. Hij was immers niet verzekerd. Geheel onwillig om dat doemscenario ook maar even ernstig in overweging te nemen,  antwoordde ik laconiek dat ik hem in dat geval zonder veel omhaal zou begraven hebben op de plaats waar we die boomstronk hadden weggehaald.

Inmiddels maakte Tjen plannen om op reis te gaan. En aangezien ik tevreden was met het door Happy Mike verrichtte werk, en ik hem graag nog even ‘in dienst’ wou houden, stelde ik, na overleg met mijn vrouw, aan de man voor alsnog een tijdje bij ons te komen wonen. Wijzelf verbleven toentertijd in een tijdelijk tot appartement omgebouwd etage in een deel van de tweewoonst. De kant waar later de burelen van mijn handelszaak moesten komen. Aan Mike bood ik, als tijdelijke slaapplaats, een vertrek aan op de eerste verdieping van de andere zijde van de woning. Een ruimte welke later onze slaapkamer moest worden. Ik bezorgde hem een matras, een deken, lakens en zelfs een nachtkastje. Happy Mike zag het helemaal zitten. Dus haalden we zijn spullen op bij Tjen, zodat die kon vertrekken zonder zich zorgen te moeten maken over een nog op zijn eigendom verblijvende gast.

Terwijl Mike bezig was met het bijeen scharrelen van zijn spullen voor het verkassen, nam mijn vriend me even bij de arm. Hij stopte me een gesloten envelop in de hand en vertrouwde me toe dat daarin een geldbedrag zat dat Happy Mike nog van hem tegoed had voor geleverd werk. Tjenn meldde mij dat hij aan Mike had verteld hem dat geld te zullen bezorgen bij zijn terugkeer van de reis. Maar hij zei me Mike die envelop reeds te mogen overhandigen van zodra deze zijn werkzaamheden bij mij had beëindigd en verder wou trekken. Maar niet eerder, want dan zou de man vast niet meer gemotiveerd zijn om nog voor mij te werken. En daarenboven allicht onmiddellijk alle geld zou verkwisten aan drugs, drank en vrouwen. Mijn vriend raadde mij ook aan om strenge regels te stellen: geen drank noch drugs toelaten in huis en ook niet tolereren dat Mike volk meebracht of tijdens de week dronken was.

De eerste dag hadden we al prijs. Wij wilden, vooraleer slapen te gaan, er toch zeker van zijn dat ook Mike zijn bedstee had opgezocht. Niet dus. Aangezien ik het niet wou meemaken dat die kerel al op zijn eerste nacht bij ons stomdronken zou thuiskomen, besloot ik om samen met mijn vrouw naar hem op zoek te gaan. In eerste instantie reden we naar een etablissement vlakbij ons huis. Een kleine, vervallen café. Wegens de gordijntjes voor de vensterramen, konden we daar helaas niet naar binnen loeren. Dus stapten we schoorvoetend naar binnen.

Alwaar we ogenblikkelijk constateerden dat er in de kleine verbruikszaal geen Happy Mike aanwezig was. Onverrichter zake op onze stappen terugkeren, dat konden we niet maken, zo vond ik. Dus groetten we de weinige daar aanwezige manspersonen en gingen aan een tafeltje zitten. Onder de spiedende blikken van de kroegbaas van middelbare leeftijd en zijn twee, al wat oudere klanten. Geen enkele van de drie mannen had ik ooit eerder ontmoet. De uitbater van het café wist blijkbaar wel wie ik was. Want toen hij de door ons bestelde frisdranken bracht, stelde hij ons, voor de vorm de vraag, waarop hij duidelijk een bevestigend antwoord verwachtte, of wij niet de nieuwe bewoners waren, van de witte villa wat verder in de straat.

Toen de baas terug achter zijn toog stond, waar één klant hem, gezeten op een barkruk, gezelschap hield, hervatten deze twee en de andere klant, die aan een tafeltje zat, hun gekeuvel over onbelangrijke feiten uit hun bekrompen dagdagelijks leven. En wij dronken snel ons glas leeg want we wilden onze missie verder zetten: het vinden en naar zijn slaapstee brengen van Mike.

We waren, na het verlaten van de kroeg, het in de auto stappen en verlaten van de parking, nog maar enkele honderden meters gereden, toen we aan de overkant van de straat een met vaste tred stappende Mike opmerkten. Ik draaide de auto even verder, op een veilige plek, veranderde hierdoor van rijrichting en hield stil eens we ter hoogte van Mike arriveerden. Die prompt het achterportier opende en plaats nam in de auto. Aangezien hij in dat buurtcafé enkel oude knarren had aangetroffen, die daarenboven uitsluitend hun Vlaamse dialect spraken en geen jota Engels verstonden, laat staan het konden spreken, was Happy Mike nog eens tot bij zijn vriendin langs geweest. Vijf kilometer verder! Maar die afstand had hem niet gedeerd.

Happy Mike was in nuchtere toestand een vlijtige werker, die evenwel op tijd en stond een rustpauze inlaste. En ook soms verrassend uit de hoek kwam. Zo arriveerde ik op een zekere dag in de namiddag thuis van werk en stelde vast dat hij de opstaande latten van onze tijdelijke hekjes, afwisselend bruin en wit had geverfd. Met de overschot van de verf die hij, in opdracht van mij had gebruikt voor het schilderen van enkele deuren en een raamkozijn. De ongevraagde arbeid was totaal onnodig geweest en een verkwisting van duur betaalde en ook nog elders bruikbare verf. Maar ik vond Mike’s initiatief best wel grappig. Bovendien brachten de geverfde hekjes wat kleur aan onze toen nog schraal ogende eigendom. Dus gaf ik de man in plaats van een uitbrander, een compliment. Hij straalde!

Toen hij reeds sinds enkele dagen bij ons verbleef, vroeg Happy Mike me op een gegeven moment, langs zijn neus weg, waar hij zich ergens in de buurt prikkelende lectuur kon aanschaffen. Naar hij zei om op eenzame avonden zijn lichaam wat op te warmen bij het lezen van het ophitsende leesvoer en het kijken naar de erin gepubliceerde foto’s. Ik verwees hem naar een klein krantenwinkeltje dat is gevestigd op een kilometer of twee van onze woning.

De volgende dag meldde Happy Mike me, in het winkeltje zijn gerief te hebben gevonden. Engelstalige boekjes had hij er niet kunnen bemachtigen, maar in het Nederlandstalige blad dat hij had aangekocht, was de tekst voor hem dan wel onverstaanbaar, maar de kwaliteit van de afgebeelde behaarde ‘poesjes’ was de aanschaf meer dan waard en genoot zijn waardering. Hij beloofde mij, bij zijn vertrek, het boekje voor me achter te laten. Waarop ik als antwoord even glimlachte.

Tegen het weekend aan vroeg hij me of ik hem naar Nederland wou brengen. Want tijdens zijn verblijf bij Tjen was hij eens, op aanraden van een cafévriend, al liftend, in een dorpje beland, net over de grens. En had daar verbaast vastgesteld dat achter de talloze huizen, waar de afbeelding van een indiaan met vedertooi was aangebracht op het glas van het vensterraam of op de toegangsdeur, een koffieshop schuilging. Waar je zomaar ongegeneerd en probleemloos elk type wiet kon aankopen en verbruiken. Zalig om er te vertoeven, vond Happy Mike. En hij wou ook wel wat voorraad inslaan.

Drugkoerier spelen, daar paste ik voor. Zelfs op zijn voorstel om hem tot vlak voor de landsgrens te brengen, ging ik niet in. De man aanvaardde schoorvoetend mijn houding. Hij kon ook moeilijk anders. Of, en in positief geval hoe, hij over de grens is geraakt, weet ik niet. En ik heb er hem aan het einde van dat weekend ook niet achter gevraagd. Maar zolang de man bij ons verbleef zag ik hem nimmer stoned.

In zijn vrije tijd zat hij soms in onze grote achtertuin. Maar meestal was hij uithuizig. Als we bezoek hadden gedroeg Mick zich steeds voorkomend. De meeste mensen vonden het minstens interessant dat wij zo een Engelse landloper onderdak verschaften. En hij kende de kunst om met mensen om te gaan, ze te animeren en hun sympathie voor hem op te wekken. Toen de schoonmoeder van mijn oudste zus van deze laatste te horen kreeg dat die arme drommel nauwelijks kledij had en, terwijl hij de ene set aan had, eigenhandig de andere set waste en vervolgens te drogen hing, vond ze in te moeten grijpen. Ze verzamelde een ganse vuilzak nauwelijks gedragen kleding van haar jongste zoon, die nogal graag en vaak van outfit wisselde en liet die via mijn zuster aan Happy Mike geworden. Die de spullen dankbaar in ontvangst nam. Alhoewel ik me afvroeg of ze wel zijn stijl waren. Bij een vluchtige blik in de zak ontwaarde ik immers vooral kleren in felle kleuren. Niet zo verwonderlijk aangezien ik weet had van de homofiele geaardheid van de vorige eigenaar ervan, en zijn typisch nichterige houding en vrouwelijke trekjes.

Op de momenten die we samen doorbrachten hebben we vaak gefilosofeerd over van alles en nog wat. Of verhaalden we eigen belevenissen. Happy Mike vertelde, over wat hij had meegemaakt, graag straffe verhalen. Waarvan de inhoud ongetwijfeld niet altijd volledig overeenstemde met wat er in werkelijkheid was gebeurd. Maar toch klonk alles plausibel. Zo vertelde hij eens een tijdje te hebben gewoond bij zijn volwassen zoon en diens partner, een mooie jongedame die steeds in een sexy outfit door het huis drentelde. Op een bepaald moment was Mike’s begeerte om met die griet van bil te gaan, zo groot dat het er van kwam. En die geile griet liet gewillig begaan en deed zelfs heel actief mee. Naderhand bekenden beiden hun daad aan de zoon. Die hen deze evenwel probleemloos vergaf. Meer zelfs. Van dan af mocht die vurige meid naar eigen goeddunken haar seksuele lusten botvieren op, om beurten vader en zoon.

Hoewel Happy Mike tijdens de weekdagen vaak met een stoppelbaard rondliep, was hij toch steeds verzorgd. Hij waste zich, in de tuin, net als ons, met koud water. Behalve die één of twee keer dat we hem uitnodigden om bij ons een douche te komen nemen, met kraantjeswater dat we opwarmden met een waterkoker.

Ondanks zijn nonchalante levenswijze en vrijbuiterbestaan had Happy Mike begrip voor andersdenkenden en gedroeg hij zich doorgaans als een heer. Galant en charmant. Hij toonde ten allen tijde respect voor onze privacy. En heeft ondanks zijn zwak voor vrouwen, dat ik en menige andere man deel met hem, nimmer avances gemaakt jegens mijn levenspartner of enige andere vrouw die bij ons over de vloer kwam.

Toen de jaarlijkse tiendaagse feestweek in onze woonplaats van start ging, verbleef Mike nog steeds bij ons. We spraken af dat we hem op een weekendavond mee zouden nemen naar de festiviteiten. Wat hij een prettig idee vond. Dus vertrokken we dat weekend met ons drieën, richting feestgedruis. Ik parkeerde de auto zo dicht mogelijk bij de feestzone, waarna we de mensenzee indoken.

Lang bleef Happy Mike niet bij ons lopen. Hij ging al vlug zijn eigen weg: richting een terrasje. Terwijl wij wel wat over de ganse oppervlakte van het feestterrein wilden rond kuieren. We spraken met Mike een plaats en tijdstip af waarop we elkaar opnieuw zouden treffen om naar huis te rijden.

Mijn vrouw en ik hadden een aangename avond. We genoten van de, op de diverse pleintjes ten gehore gebrachte muziek en tentoongespreide show. Het was leuk om eens een rustige avond te beleven, in een andere omgeving, na het vele werken voor mijn onderneming en aan de renovatie van ons huis. Omstreeks de overeengekomen tijd verschenen we op de afgesproken plek. En troffen daar wonderwel, in de door het nachtelijke uur sterk uitgedunde mensenmassa, ook Happy Mike aan. Eenzaam zittend op een houten vouwstoel naast een dito leeggemaakt tafeltje. En stomdronken, zo bleek.

We hielpen hem recht en ondersteunden hem op onze weg naar de auto. Hij braakte wat onzin uit, die nogal grappig klonk en waaruit we konden afleiden dat ook hij een fijne avond achter de rug had. We deponeerden dronken Mike achterin de auto, stapten zelf voorin en verlieten onze parkeerplaats, om huiswaarts te rijden.

Ondanks zijn beschonken toestand was Happy Mike toch nog alert genoeg om ons bij het passeren ervan, op eigen initiatief, de kroeg aan te wijzen, een Turks cafeetje, waar hij al menige avond had doorgebracht. Samen met de allochtone buurtbewoners. Keuvelend, pinten drinkend en wiet rokend.

We draaiden net onze parking op toen de passagier op de achterzetel te kennen gaf dat hij misselijk was. Net op tijd kon ik de elektrisch bediende achterruit van mijn auto openen, zodat zijn kots naar buiten vloog in plaats van mijn autozetel te besmeuren. Enkel een deel van het koetswerk heb ik de volgende ochtend mogen reinigen.

Op een gegeven moment gaf Mike aan te willen vertrekken. Hij zei het niet, maar ik vermoedde wel dat hij nu nog enkel wachtte op de voor het komende weekend voorziene terugkeer van mijn vriend Tjen. Om het saldo van zijn loon te incasseren. Aangezien ik evenwel wou dat Mike de klus afwerkte waar hij toen mee bezig was, verklapte ik niet dat ik dit geld reeds onder mijn hoede had gekregen.

Pas op het einde van de laatste werkdag van die week, haalde ik, na met Mike af te rekenen voor het werk dat hij voor mij had verricht, ook de envelop van mijn vriend te voorschijn. Happy Mike was boos. Want, zo zei hij, als hij had geweten dat ik dat geld in bezit had, dan was hij er al eerder vandoor gegaan. Uiteraard goot ik geen olie op het vuur door hem diets te maken dat zulks net de reden was geweest voor het tijdelijk achterhouden van dat geld. Wijselijk zweeg ik en Happy Mike telde tevreden zijn bankbriefjes en was meteen weer afgekoeld en terug zijn eigen gemoedelijke zelve.

Die avond, de laatste die hij in ons huis doorbracht, vergastte Happy Mike ons op een typisch Engelse maaltijd: zelf gesneden gebakken frietjes en spek met eieren. We lieten het ons smaken. Onderwijl nog eens luisterend naar een sterk verhaal van hem. En vervolgens keuvelend over koetjes, kalfjes en onze plannen voor de nabije toekomst. Voor hem een voorlopig zwervend bestaan.

Toen ik de volgende ochtend naar beneden kwam, zat Happy Mike al op me te wachten. Met zijn hoed op het hoofd en leunend op zijn tas met schouderriem Hij droeg een gele trui, waarvan ik vermoedde dat hij afkomstig was uit die tweedehands kledingzak.

Aangezien mijn echtgenote die zaterdag de trein wou nemen naar onze hoofdstad, om daar wat boodschappen te doen, had ik Mike aangeboden hen beiden naar het station te brengen. Alwaar Happy Mike besliste om zijn verdere tocht ook in de hoofdstad te starten. Maar hij zou de openbare bus nemen, omdat dit een goedkopere reiswijze is.

Nadat ik de auto had geparkeerd namen we afscheid op het pleintje voor het station. Mike beloofde me op mijn nakende verjaardag een kaartje te zullen sturen. En stapte vervolgens in de richting van de opstapplaatsen voor busreizigers. Mijn echtgenote en ikzelf gingen het stationsgebouw binnen. Alwaar zij zich aan het loket een retourticket aankocht voor de verplaatsing tussen onze woonplaats en de hoofdstad van ons land.

Meteen vond ik het zonde dat Mike zich niet met de trein zou verplaatsen. Omwille van een eerder gering financieel verschil. Dus stelde ik mijn vrouw voor om dit bij te passen zodat Happy Mike met haar mee kon reizen. Wat zij een goed idee vond. Dus liep ik vlug het station uit, in de richting van het bushokje waar onze ex-logee op zijn bus wachtte. Verbaast keek de man mij aan. Maar gelukkig aanvaardde hij dankbaar het extra geld voor een treinticket. Zodat hij toch iets comfortabeler kon reizen. En desgewenst onderweg nog een praatje kon slaan met mijn vrouw. We holden samen naar het station. Alwaar ik binnen in het gebouw mijn partner een afscheidskus gaf, terwijl Mike in de rij voor het loket aanschoof om zich een ticket enkele reis naar de hoofdstad, aan te schaffen. Ik zwaaide hem nog eens vriendelijk toe vooraleer me naar mijn auto te begeven.

Toen ik, terug thuis gekomen, Mike zijn voormalige slaapstee opzocht om de boel daar op te ruimen, zag ik dat hij de meeste van de gekregen kledij had laten liggen. Wat me niet verwonderde. Mensen zoals hij sleuren geen onnodige ballast mee. Die beperken zich tot het hoogst noodzakelijke. Zijn oude kledij en wat kleine rommel had hij zelf al in een plastieken boodschappentas gestopt. Zonder de inhoud te onderzoeken dumpte ik het zakje in de grijze huisvuilzak die ik, vooruitziend, naar boven had meegebracht. Het saldo van de hem geschonken kleren besloot ik te behouden. Sommige van die spullen konden immers mogelijks nog dienst doen als werkkledij.

Op de matras die Happy Mike tijdens zijn verblijf bij ons als bed had gebruikt, lag een Hollands porno magazine. Glimlachend nam ik het ter hand. Happy Mike had woord gehouden! Ik bladerde even in het blad. De foto’s van de tentoon gespreide vrouwelijke geslachtsdelen waren niet van dien aard dat ik er seksueel van opgewonden geraakte. Maar ja, er waren wel meer onderwerpen waarover Happy Mike en ik een verschillende visie hadden.

Het slaapvertrek was netjes achtergelaten. Enkel in een aanpalend kamertje vond ik wat vuile oranjebruinachtige plekken op de vloer en tegen de wand. Waar ook een onaangename reuk aan vast hing. Waarschijnlijk resten van één of ander brouwsel dat ‘onze zwerver’ daar had geproduceerd. Niks aan de hand. Deze ruimte moest immers toch nog volledig worden gerenoveerd.

Een verjaardagskaart heb ik van Happy Mike niet ontvangen. En zelf heb ik hem ook nimmer een brief of kaartje gestuurd. Sommige gebeurtenissen of ontmoetingen in je mensenleven moet je koesteren, zonder te trachten er een vaak op teleurstelling eindigend vervolg aan te breien.

Ru(sh)di(e), 5 november 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 30 maart 2011.

02-06-10

Herinneringen uit mijn verleden - Te paard

  

Als klein ventje was ik gek van 'het Wilde Westen', waar de cowboys en indianen hun dagen vulden. Vaak liep ik, dikwijls na het bekijken van een westernfilm op onze zwart/wit televisie, rond in onze tuin, verkleed als cowboy of als indiaan. Dat wisselde wel eens. Mijn voorkeur en sympathie ging eigenlijk vooral uit naar de roodhuiden, doorgaans de underdogs. Dat gegeven sprak mij aan. Alsook de lichtbruine huidskleur van deze mensen, hun lange haardos, hun kledij en het feit dat deze dappere krijgers geen nood hadden aan een zadel om hun paard te berijden.

Toch was ik ook graag cowboy. Als knaap had ik zelfs een heus cowboykostuum. Toch was het vooral het hoofddeksel van de veedrijvers dat me aansprak. Er zijn tijden geweest dat ik elk moment dat ik thuis was, een cowboyhoed op mijn hoofd had. Ik herinner me een bruin exemplaar dat ik heb gedragen tot het op de draad was versleten. Jammer genoeg kon ik me toentertijd geen echte cowboyhoed permitteren. Want het feit dat je daar, zoals ik in menige film had waargenomen, om te drinken of je te verfrissen, water mee kon scheppen uit bijvoorbeeld een rivier of regenton, zonder dat die vloeistof uit de hoed lekte of hem stuk maakte, sprak me enorm aan.

Als Verre Westen bewoner had ik uiteraard ook nood aan een vervoermiddel. En zoals het zowel een cowboy als een indiaan betaamd, was dat een rijpaard. Mijn eerste paard was een 'stokpaard'. Eigenhandig vervaardigd uit een bezemsteel waarop aan één uiteinde een paardenkop was bevestigd. Of althans iets dat werd verondersteld dit te zijn. Twee stukken aan elkaar gekleefd karton, waarop ik het voorste deel van een paard had getekend en dit met een klein schaartje had uitgeknipt. Een stukje touw dat, net onder de paardenkop, aan de bezemsteel was vastgeknoopt, fungeerde als teugel.

Met dit beestje haalde ik, zowel binnen in ons kleine huis als buitenshuis, de gekste toeren uit. Tot mijn ma ons huis wou schuren en derhalve haar bezemsteel terug eiste. Dus diende ik op zoek te gaan naar iets anders. En dat vond ik wonderwel. De houten zaagbok die achterin onze tuin stond opgesteld, en eigenlijk diende als hulpmiddel om lange stukken boomtakken te fixeren om ze gemakkelijker verder tot kleinere stukken stoofhout te verzagen, kon uitstekend dienst doen als prairiepaard!

Het was wel nodig er een (zadel)deken op te leggen, want het wippen op dat harde hout, bij het in galop rijden, deed anders te veel pijn aan mijn bibs. En ook splinters in mijn gat kon ik missen als koude pap. Een stuk touw uit onze stallingen kon ook bij dit houten paard fungeren als leidsel. En het moest lukken dat mijn, toen nog in leven zijnde grootvader langs mijn pa's kant, er ook zo eentje op zijn erf had staan. Wat maakte dat ik mijn activiteiten als cowboy of indiaan, ook kon ontplooien op momenten dat ons gezin zich ter locatie van mijn vaders ouderlijk huis bevond.

Aangezien bij ons thuis mijn pa af en toe mijn rijdier gebruikte in de functie waarvoor het eigenlijk in de wieg was gelegd, knutselde ik er vrij snel zelf één in elkaar. Niet zo mooi, sterk en stevig als het origineel, maar mijn kopie was, al zeg ik het zelf, als werk van een pretiener, best geslaagd te noemen. En zorgde ervoor dat ik nooit paardloos was.

Toen ik iets ouder werd, gingen wij zo nu en dan, tijdens het weekend, of in de vakantie, naar een buitenmanege, die zich niet zo ver verwijderd van onze woonst bevond. Aldaar kon je, tegen betaling uiteraard, ronderitjes maken op de rug van een klein paard of pony. Zo een beetje zoals je heden ten dage de paardenritten hebt op de kermis, maar dan geheel in open lucht en met een grotere stapcirkel. De ouders die hun kinderen niet dienden vast te houden tijdens de ritjes, konden tussendoor een drankje nuttigen op het buitenterras van deze uitspanning. En toen wij, ruiters in spé, de teugels van ons rijdier hadden doorgegeven aan andere, ongedurig op hun beurt wachtende kinderen, lustten wij ook wel een drankje, of een ijsje!

Wat ik mij ook herinner is dat er, naast die paarden en pony's, ook een ezel mee stapte. Of althans werd verondersteld om mee te trippelen. Want het beest deed werkelijk keer op keer zijn naam alle eer aan. Het dier weigerde immers halsstarrig mee te stappen met de andere soorten paardachtigen. Maar bleef integendeel hetzij koppig ter plaatste trappelen, hetzij tevergeefs trachtend zich achterwaarts voort te bewegen, of in de tegengestelde richting. Wat de begeleiders van de dieren uiteraard niet toelieten.

Waar ik, als jonge knul naar uitkeek, was het moment waarop ik oud genoeg zou zijn om deel te nemen aan een andere, op deze locatie georganiseerde activiteit. Namelijk het, gezeten op een groot paard, in groep, door het bij deze uitbating horende bos rijden. Om dan later, als een volleerd ruiter, op mijn eentje mijn, van deze mensen geleend paard, tussen de bomen te laten galopperen. Helaas is, vooraleer dit moment aanbrak, de 'Rijhoeve' ten ziele gegaan.

De geneugten van het berijden van een echt, levend dier, veroorzaakten bij de kleine ik, een zekere desinteresse voor de houten varianten. Gelukkig hadden de buren van naast ons, zich een schaap aangeschaft. Een dier dat luisterde naar de naam 'Miette'. Alhoewel het eigenlijk reageerde op om het even welke naam waarmee je het aansprak. En dan luid blatend, terstond jouw richting uitkwam. Althans zo ver als de ketting, waarmee de lederen halsband van het beest was verbonden met een in de grond geklopte stalen pen, het toeliet.

Het arme schaap fungeerde als alternatief voor een manuele grasmaaier, een 'stekertje', zoals wij dat noemden. Het was de bedoeling dat het dier het gazon in de voortuin van onze, in de stad opgegroeide buren, kort zou houden. Dat je, om over de ganse oppervlakte van het grasland, eenzelfde grashoogte te hebben, dat beest regelmatig moest verplaatsen, dat had de buurman over het hoofd gezien. Dus zorgde ik daar voor, op momenten dat buurman, buurvrouw en hun beide kinderen, enkele dagen afwezig waren.

Zo ging ik dan dagelijks op bezoek bij Miette. Trachtend met mijn voeten niet te trappen in de door het wolbeest geproduceerde en achterlangs afgescheiden bolletjes uitwerpselen. Ook al een element waarmee de buurman geen rekening had gehouden. En ten gevolge waarvan zijn koters niet op het grasplein mochten spelen. Terwijl dat grasperk eigenlijk in eerste instantie was aangelegd als ravotterrein voor die kindjes.

Uitgedost als een cowboy, met mijn mouwloos vestje aan, mijn wapenholster met revolver erin, vastgehecht aan mijn broeksriem en mijn cowboyhoed op het hoofd, kweet ik me vlijtig van de door mij geheel vrijwillig aanvaarde taak. En eens het arme schaap op zijn nieuwe plek was geïnstalleerd, met een oude braadketel met pompwater in, binnen bereik, ging ik naast het beest staan, zwaaide één been over de flank en rug van het dier, veerde mijn lichaam met mijn andere voet omhoog en kwam zo op de rug van het schaap te zitten. Mijn pseudopaard.

Aangezien ik slechts af en toe de beschikking had over Miette als rijpaard, reed ik noodgedwongen nog vaak op mijn eigenhandig gemaakte houten zaagbokpaard. Dat ik, de kleine blonde cowboy, heel af en toe aan de kant mocht laten staan om een ritje te maken op het kleinste van de paarden van onze overburen. Zonder zadel! Vrij in de wei. Dat was pas genieten! Yiehaaaa!!!!!!!

Rudi, 8 april 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 12 mei 2010.

13-05-10

Herinneringen uit mijn verleden - Blij met mijn brommer

  

Tijdens mijn kinderjaren woonde ik samen met mijn ouders, mijn twee oudere zussen, en later ook met het na mij gemaakte en op de wereld gezette broertje, op een afgelegen plek op het platteland. In een buitenwijk van een gehucht van een dorp dat in 1977 werd opgeslorpt door een naburige stad.

Het op zulk een verlaten plaats en dicht bij de natuur wonen, vond ik op zich wel prettig. Er waren evenwel een aantal nadelen aan verbonden. Ons huis stond in een straat die de verbindingsweg vormde tussen verschillende gemeenten. En was van oorsprong trouwens een onderdeel van de Romeinse heerweg tussen de steden Antwerpen en Brugge.

Derhalve werd deze lange baan druk bereden. Vaak door voertuigen waarvan de bestuurders nogal veel druk zetten op het gaspedaal. Op straat spelen was dus totaal uit den boze. Vooral ook omdat de straat ter hoogte van ons huis een dubbele bocht maakte, waardoor wij het aankomende verkeer slechts op het laatste moment konden waarnemen. Achter, en de ene kant naast ons huis, lag er landbouwgrond. Maar de eigenaars van de akkers en weiden achter ons, een trio ongehuwd gebleven ouderlingen, die het boerenbedrijf van hun ouders verder zetten, konden niet verdragen dat er in de buurt van, en zeker niet op hun grond, zich spelende kinderen ophielden. Dieper het veld in was het één en al bos. In privébezit! Overal hingen er verweerde bordjes met het opschrift: 'privaat' en/of 'verboden toegang'.

Maar het ergste van al vond ik, vooral op iets oudere leeftijd, het veraf wonen van plaatsen waar iets te beleven viel. De afstand naar de dichtst bij gelegen stad was 8 kilometer. Dus best een aardig eindje rijden. Het openbaar vervoer was geen optie, omdat we, om de meest nabije opstapplaats te bereiken, al een afstand van 3 kilometer dienden te overbruggen.

Vandaar dat ik als zestienjarige het boek met de wegcode van mijn zussen leende, grondig instudeerde en een lift van mijn vader bedong om in het examencentrum te geraken. Waar ik vlotjes, met een zeer goed resultaat, het theoretisch examen aflegde, waarmee ik een bromfietsattest behaalde.

Nochtans dook er, net voor de aanvang van het groepsexamen, een probleem op. Als examinandus kreeg je op een witte doek geprojecteerde dia's, met beelden van verkeerssituaties en afbeeldingen van verkeersborden te zien. En jouw antwoord op de erbij gestelde meerkeuzevragen diende je op een voorgedrukt blad aan te kruisen. Met schrijfgerij dat blijkbaar elkeen werd verondersteld van thuis te hebben meegebracht.

Ik niet dus. Althans geen balpen. Wel een potlood! Toen ik, enigszins bedeesd, aan de examinator van dienst vroeg of ik dat schrijfmiddel mocht gebruiken, gaf de man me een blaam. Want wie gebruikte er nu een potlood om een schriftelijk examen af te leggen? Ik hield me wijselijk stil en trachtte de man zo schuldbewust als mogelijk aan te kijken. Wat werkte, want de man toverde uit zijn binnenzak een balpen, waar ik voor de duur van het examen gebruik van mocht maken.

Eens dat minuscuul geplastificeerd wit attest op zak, kon ik dus op zoek gaan naar een bromfiets. Een tweedehands exemplaar, want voor een nieuwe had ik niet genoeg geld bijeen kunnen sparen. Terstond ging ik op speurtocht. Via vrienden, annonces in allerlei kranten, reclamebladen, bij bromfietsverkopers en zo meer. Spoedig vond ik een aanbod voor een machine die dicht in de buurt kwam van wat ik voor ogen had.

Met vier man reden we, met de auto van mijn vader, op een zaterdagochtend, naar het huis van de verkoper. Mijn vader, ikzelf, de man van mijn oudste zus en diens jongere broer. Deze laatste, een jonge man van een jaar of twintig, was trouwens, in ons gezelschap, de specialist ter zake. En had zijn eigen motorhelm meegebracht, teneinde, ingeval de aangeboden gemotoriseerde tweewieler door ons allen unaniem een goede koop werd bevonden, er mee naar huis te kunnen rijden.

Eens aangekomen bij de verkoper, leidde deze ons naar een berghok, alwaar we tussen allerlei rommel die daar stond opgestapeld, onder een laagje stof, een zwarte brommer aantroffen. Een Yamaha RD met een cilinderinhoud van 50cc. En hij stond me op het eerste zicht wel aan. Enkel het stuur vond ik maar niks. Het was een naar beneden gebogen model, waardoor je met je buik bijna plat tegen de brandstoftank van deze baanmodel bromfiets moest liggen, om het stuur vast te kunnen houden.

Toen de bromfiets naar buiten was gerold en de specialist uit ons viertal de machine in gang trapte en er vervolgens als een raket mee wegstoof, was meteen duidelijk waarom er zulk een laag stuur op die zwaar opgedreven brommer was gemonteerd. 90 kilometer per uur reed dat ding! En reeds van in de eerste van de vier versnellingen reageerde de machine vinnig en trok ze heel snel op. Wat in lekentaal zoveel betekent als dat de brommer vanuit stilstand uiterst vlug een hoge snelheid bereikte.

De koop was snel gesloten. Ik kreeg, als bewijs dat ik de brommer had gekocht en betaald, van de verkoper een stuk ruitjespapier, dat allicht uit een notablok was gescheurd, en waarop hij zijn naam, adres en nog wel iets van 'verkocht aan 1.000 Frank' of zo had vermeld. Om weet ik veel welke reden niet het door mij betaalde bedrag, maar slechts een fractie daarvan, dat weet ik nog. En ook dat die kerel er was in geslaagd om in die slechts enkele woorden tekst, toch een schrijffout te maken.

Maar dat merkte ik pas later, toen ik thuis was. Want ik stond tijdens het afhandelen van het financiële luik van de transactie nogal beduusd te staren naar die oranjekleurige helm die ik bij de brommer kreeg geleverd. Daar ging ik de straat niet mee opgaan!

De broer van mijn schoonbroer reed met mijn brommer naar de woning van mijn zus. En wij verplaatsten ons met mijn pa zijn auto naar dezelfde locatie. Alwaar ik ongeduldig en opgewonden nu ook wel eens zelf met mijn brommer wou rijden.

Nu had ik daarvoor nog nooit met een via de voet geschakelde bromfiets gereden. Dus moest mij dat wel even worden bijgebracht. Maar ik had het systeem snel door. Tot schrik van mijn vader, die wel even lichtjes panikeerde toen ik er ineens, als in een flits, volle gas vandoor sjeesde.

Er werd afgesproken dat mijn zus haar schoonbroer een ander stuur op mijn bromfiets zou plaatsen en de machine aan een grondige technische controle zou onderwerpen. Waarbij hij ook de maximaal haalbare snelheid zou begrenzen. Afstellen zoals men dat toen noemde, en het wellicht ook nu nog steeds benoemd. De valhelm namen we mee naar huis. Die zou mijn pa wel in de juiste kleur spuiten, zwart dus.

Korte tijd later kon ik mijn op punt gestelde machine in gebruik nemen. Inmiddels waren ook de papieren, meer bepaald verzekering en gelijkvormigheidsattest, in orde. Zo dachten we althans. Want toen ik bij mijn eerste rit naar school, mijn papieren vergeleek met deze van mijn gemotoriseerde schoolmakkers, bleek dat mijn bromfiets was ingeschreven als 'motorvoertuig', omdat er iemand, ik weet niet meer wie, maar het was een garagist zo meen ik mij te herinneren, op de aanvraag voor het attest '50cc had opgegeven, terwijl, om als bromfiets aanzien en geregistreerd te worden, de cilinderinhoud maximaal 49cc mag zijn.

Maar in die tijd maakten wij daar geen spel van. Er werd me aangeraden even op te passen voor politiecontroles tot ik de leeftijd van 18 jaar bereikte. Op die leeftijd kon ik dan mijn rijbewijs halen, een motorplak aanvragen, de verzekering dienovereenkomstig laten aanpassen en klaar was Kees. Probleem opgelost! Wat was het leven vroeger toch eenvoudig.

Veel van mijn brommermaten hebben last gehad met de politie. Die werden bijvoorbeeld tegengehouden op weg naar huis, moesten een test op de rollen ondergaan en werden met een decibelmeter onderworpen aan een geluidssterktetest. Meestal met als gevolg een aanmaning om zich binnen een korte termijn aan te melden op het politiekantoor met een afgestelde bromfietsmotor en een goeie geluidsdemper op hun machine gemonteerd. In het slechtste geval hadden ze onmiddellijk een Proces-verbaal aan hun broek. En konden ze voor de politierechter verschijnen. Wie werd gesnapt werd doorgaans geverbaliseerd voor diverse inbreuken op de verkeerswet: rijden zonder rijbewijs, zonder geldige verzekering, zonder geldig kenteken, geluidsoverlast, overdreven snelheid, met een motor op het fietspad rijden... Een ganse boterham, met een navenant prijskaartje.

Aangezien die flikken meestal hun rollen reeds opstelden voor het einde van de schooldag, zorgde ik ervoor dat ik tijdig geseind werd van waar ze stonden, zodat ik de controle kon vermijden door langs elders huiswaarts te rijden. Er was altijd wel minstens één schoolmakker die het laatste uur, van de buiten onze school gelegen sporthal of het zwembad kwam, de opstellingswerkzaamheden opmerkte en mij hiervan op de hoogte bracht.

En als ik in het weekend uitging, dan reed ik meestal huiswaarts via kleine binnenbaantjes, waar buiten deze van de enkele daar residerende boeren, geen kat op de baan te bespeuren viel, laat staan een politiebrigade. Toch ben ik er één keer niet in geslaagd om de politie te verschalken. Samen met een maat van mij, die toen ook eenzelfde type brommer had als de mijne, maar dan een nieuw exemplaar, reed ik via een omweg naar huis. We verplaatsten ons over een hoofdweg, onreglementair, maar het minst gevaarlijk, naast elkaar op de rijbaan voor auto's. Mijn maat zijn machine was onzichtbaar omgebouwd tot een 75cc, en mijn gemotoriseerde tweewieler was inmiddels ook terug wat opgedreven, om ook bij tegenwind en bergop, vooruit te geraken.

Aangekomen ter hoogte van een brug over een natuurlijke waterweg, begon mijn kameraad op het fietspad te rijden. Maar ik bleef halsstarrig op de rijbaan rijden. Mooi in het midden van het rechtse rijvak, zodat elke automobilist me opmerkte en zeker niet tegen me aan zou knallen. Eens over de glooiing  van de brug, kwam ik tot de onaangename visuele vaststelling dat er goed honderd meter verder twee 'zwaantjes' stonden. De benaming die toentertijd in de volksmond gangbaar was voor politieagenten die zich met de motor verplaatsten.

Die mannen stonden naast hun machine, de ene met zijn lichtgevende zwaaistok in de hand, en van op het trottoir in de gaten gehouden door een aantal burgers, onze richting uit te kijken. Aan hen ontsnappen was onmogelijk. Zo vlug als ik kon stuurde ik mijn bromfiets richting fietspad. En minderde net als mijn maat vaart. Braafjes achter mijn maat reed ik de enkele tientallen meters tot aan de plaats waar de agenten stonden opgesteld. Tot mijn verbazing lieten ze mijn maat gewoon doorrijden. Maar aan mij gaven ze teken dat ik moest stoppen. Wat ik uiteraard onmiddellijk deed.

Vanzelfsprekend vermoedde ik dat ze mij gingen bekeuren omdat ik op de rijbaan en niet reglementair op het fietspad had gereden. Maar niks daarvan. Ze bekeken spiedend mijn brommer, vroegen mij om hen mijn identiteitskaart, mijn bromfietsattest en de papieren van mijn brommer te tonen, bekeken deze even vluchtig en lieten me vervolgens gewoon doorrijden. Wat ik vlug deed. Voor ze eventueel met andere plannen voor de dag zouden komen. Maar ik sloeg de eerstvolgende straat rechtsaf in. En draaide vervolgens terug rechts af, zodat ik in een straat terecht kwam, evenwijdig met die waar ik was gecontroleerd. En hield even later halt. Tussen beide straten was er enkel een parkeerruimte gelegen, zodat ik, van waar ik stond, de verdere activiteiten van de zwaantjes kon volgen. Maar meer dan de boel afkijken zag ik die mannen evenwel niet doen.

Enkele buurtjongens, die ik trouwens kende, en die daar, samen met enkele volwassenen, vlak naast de agenten diens activiteiten hadden gevolgd, waaronder het controleren van mij en mijn brommer, zagen me staan en kwamen lachend op me afgelopen. Het was verdorie één van hen die de flikken had getipt dat één van die bromfietsen was omgebouwd tot een motor. En die motoragenten hadden verondersteld dat het de mijne was, omdat die er wat anders uitzag, wegens zijnde een ouder model met meer delen in chroom, en vast ook omdat ik, in eerste instantie, op de rijbaan reed. Het was evenwel mijn maat die met een tot een 75cc omgebouwde machine onder zijn gat en tussen zijn benen zat. Maar daar kon je, zuiver op het zicht, helemaal niks van waarnemen.

Die maat van mij, inmiddels reeds lange tijd geleden overleden als gevolg van een valpartij met zijn motorfiets, op de autosnelweg, stond in onze schooltijd, eens bij de politie als 'geseind' gemeld. Omdat een politiepatrouille in een naburige gemeente hem tijdens een weekend een verbodsteken had zien negeren en langs de verkeerde kant een straat had zien inrijden met eenrichtingsverkeer. Ongelukkigerwijs werd hij enige tijd later in het centrum van de stad waar de school was gevestigd waar we les volgden, opgemerkt door een alerte politieagent. Die mijn maat prompt tot stoppen bracht, zijn identiteit- en bromfietspapieren controleerde, en hem confronteerde met de door die agent zijn  collega's van de aangrenzende politiezone doorgeseinde, vermoedelijk door hem begane verkeersinbreuken.

Mijn makker hield bij hoog en bij laag vol dat het ongetwijfeld om een vergissing ging, want hij was zogezegd al wekenlang niet meer in die gemeente geweest en verkeersinbreuken plegen was niet zijn gewoonte. De politieagent aanhoorde geduldig mijn maat zijn repliek. En zei dan laconiek dat hij een verslag van hun onderhoud zou opmaken en het voor één keer bij een waarschuwing zou laten. Maar dat hij de jongen zijn uitleg niet geloofde. Want het type brommer waarmee de jongen reed, in lichtblauwe kleur gespoten, zo reden er in de streek geen twee rond. En bovendien droeg de opgemerkte bestuurder, bovenop zijn motorjas, een mouwloos jeansvestje, met op de rug de naam van een motorclub, gevestigd in onze woonplaats en met tevens een voornaam erop aangebracht. 'Toevallig' dezelfde als degene die mijn maat bij zijn geboorte van zijn ouders had meegekregen!

Rudi, 22 februari 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 2 mei 2010.

02-05-10

De avonturen van Rudi & Co - De fietser fietst verder

   

Vorig weekend ben ik nog eens naar buiten gekomen. Na al sinds meer dan een week de vier muren van mijn multifunctionele verblijfsruimte niet te hebben verlaten, ten gevolge van de ongunstige weersomstandigheden en staat van de weg. Zaterdag jongstleden leek het me doenbaar en die ochtend reed ik dus naar de bibliotheek om er een voorraad stripverhalen en boeken op te slaan, als leesvoer voor mijn kroost. Een assistente vergezelde mij, want in mijn eentje kan ik in de bib maar bitter weinig uitrichten. Bovendien moest ik warm ingeduffeld worden vooraleer mijn goed verwarmde leefruimte te ruilen voor de koude buitenlucht.

Op onze terugweg werden mijn achter mij fietsende assistente en ikzelf voorbijgestoken door een zich snel voortbewegende mountainbike berijder. Hij was, om zijn snelheid niet te hoeven verminderen, op een strookje gras gaan rijden, dat het fietspad scheidt van de parkeerstrook naast een drukke rijbaan. Onder het ons passeren zei hij iets dat ik evenwel niet verstond. En een meter of twee verder bleef de sportieveling met één van de wielen van zijn fiets steken in de greppel naast het betonnen fietspad en vloog van zijn rijwiel. De man, die gelukkig een helm droeg, kwam na een rolbeweging van zijn lichaam over de betonstrook, in foetushouding in de andere grasstrook naast de fietsbaan terecht en net niet in de gracht ernaast.

Ik hield halt en vroeg de man onmiddellijk naar hoe het met hem was gesteld. Hij antwoordde evenwel niet, maar veerde op, onder het slaken van een vloek, die ik echter hier niet ga herhalen. Wegens nogal godslasterend. En ik wil mijn gelovige lezers eens een keer ontzien. Die fietser stond dus recht, boog zich terstond over zijn rijwiel, dat daar werkloos het fietspad versperde. Doch slechts heel even, want de eigenaar zette het recht, schudde er eens duchtig aan, sprong gezwind op het stalen ros en reed er snel mee vandoor. Om evenwel slechts enkele meters verder terug van zijn nog bollende mountainbike te springen, gehurkt zittend aan trapper en achterwiel te rutselen en vervolgens opnieuw het mobiliteitsmiddel te bestijgen. Waarna de, in een bij deze sport horende outfit uitgedoste fietser, vrij snel uit ons gezichtsveld verdween.

Dat een fietser valt, waarbij zij of hij zichzelf doorgaans bezeerd en waarna er vaak ook materiaalpanne is, dat wens ik niemand toe. Maar ik stel vast dat er vele fietsers zijn die de valpartij zelf uitlokken, het onheil opzoeken. Dat kinderen onveilig rijden, daar is, hoe zeer ik zulks ook schuw, de verschoningsgrond van hun jeugdigheid en onervarenheid. Maar volwassenen die met hun vrijetijdsfiets geen geduld hebben om een andere fietser op een daartoe geschikte plek te passeren, maar hun fietsbel laten rinkelen en verwachten dat hun voorligger terstond naar rechts uitwijkt, zodat zij deze, zonder vaart te minderen, ongehinderd kunnen passeren, dat vind ik arrogant, onveilig en bijgevolg ontoelaatbaar!

Er is ook het fenomeen van de wielrenners of mountainbikers, amateurs of professionelen op training, die zich tegen hoge snelheid over de fietspaden voortbewegen en gedragen alsof zijn er de alleenheerser over zijn. En van iedere andere weggebruiker verwachten dat die baan ruimt op het moment dat zij in aantocht zijn. En onbeleefde opmerkingen maken tegen degene die dat niet doet, of niet snel genoeg. Als ik die domme, onbeschofte kerels, want het zijn doorgaans mannen, bezig zie, dan hoop ik steeds dat ze geen ongeval veroorzaken. Waarbij, door hun onbehoorlijk rijgedrag, onschuldige slachtoffers vallen.

Om af te sluiten met een positieve noot wens ik op te merken dat er ook veel hoffelijke personen zijn onder de verschillende types van fietser. Mensen die elkaar  spontaan ruimte bieden, fietsers die degene die voor hen rijdt vriendelijk verzoeken om deze te mogen passeren, fietsers die de persoon die hen vrije doorgang verleent danken, waarop de andere antwoord dat met graagte te hebben gedaan... Situaties waarbij ook ik soms één van de personages ben in het scenario. En wees eerlijk, je door het leven bewegen en je medemens bejegenen op een niet opgefokte manier, maar daarentegen beschaafd, gemoedelijk en aardig, is toch voor alle partijen de meest aangename omgangsvorm?!

Rudi, 21 januari 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 26 april 2010.

03-04-10

Rudi’s overdenkingen - Dubieuze getuigenissen

  

Vorige zaterdag was het Halloween. En mijn zoon Brian had het plan opgevat om, net zoals vorig jaar, met een maat de huizen in onze buurt af te gaan. Puur voor de lol en in iets mindere mate tevens om gratis aan wat lekkers en aan enkele Euro's te geraken! Vorig jaar had die activiteit hem immers ook een aardige buit opgeleverd.

De avond ervoor kwam er een vriend logeren, die net als hij eigenlijk reeds de vrijdagavond op pad wou. Daar hadden wij, de ouders, niks op tegen, zolang de jongens voorzichtig zouden zijn en terug thuis op het door ons vooropgestelde tijdstip.

Voor ze vertrokken lieten ze zich door ons keuren. In tegenstelling tot eerdere plannen had Brian geen masker opgezet, waardoor hij goed herkenbaar was. Dus had ik er geen bezwaar tegen dat hij een neppistool meenam. De buren die hij wou verrassen, kennen mijn zoon goed genoeg om niet te denken met echte overvallers te doen te hebben.

Nog geen half uur waren ze weg, toen er op de deur werd geklopt. Wij verwachtten geen bezoek, dus ik vermoedde dat het of onze eigen jongen en zijn maat waren die voor de deur stonden, of andere verklede individuen die ook niet tot de volgende dag hadden kunnen wachten vooraleer op Halloweentocht te gaan.

Lichte paniek bij mijn vrouw, want ze had niet onmiddellijk snoepjes bij de hand om af te staan. Dus ging ze maar eerst de voordeur openen. Ik hoorde wat over en weer gepraat, draaide me richting binnendeur en zag daar even later twee personen verschijnen. Verkleed... in een blauwe outfit. Een Politie-uniform. Het bleken trouwens echte agenten te zijn, of inspecteurs, want dat werd er niet bijgezegd.

Na hen verwachtte ik mijn zoon en diens maat te zien verschijnen, want ik vermoedde onmiddellijk dat dit politie was op patrouille die de jongens abusievelijk als schurken had aanzien en na verhoor van de jongens nu bij de ouders hun verhaal kwam checken.

Niks van dat evenwel. Hun bezoek had te maken met iets totaal anders. Op 15 augustus van dit jaar zijn wij met het gezin naar het Oogstfeest geweest van de plaatselijke Landelijke Gilde. Waar mijn zoon Brian 's avonds de playbackshow won.

Nu bleek daar, volgens de mannelijke helft van het politieduo, in de buurt van waar dat evenement was doorgegaan, een weiland te liggen, waar toen van die grote, ronde, in plastiek gewikkelde balen stro zouden  hebben gelegen. Waarvan er die dag enkele zouden zijn beschadigd. En een 'getuige' zou mijn vrouw hebben zien staan telefoneren op de verharde weg naast dat land, terwijl haar kinderen op die balen aan het spelen waren.

Een 'getuigenis' die uiterst dubieus is. Mijn kinderen hebben die dag niet met elkaar opgetrokken, dus kunnen nooit samen op zo een baal stro zijn gezien. Het enige dat klopt in het verhaal is dat mijn kinderen hun mama op een gegeven moment een wandeling is gaan maken. Ze meende zich inderdaad te herinneren en acht het heel waarschijnlijk dat ze toen aan het bellen is geweest. Maar van op balen stro spelende kinderen dacht ze niet iets te hebben opgemerkt.

Onze kinderen kunnen het in ieder geval niet zijn geweest, want die waren op dat moment elk op een andere plek aanwezig op het 'evenemententerrein'. En ik had daar goed zicht op want ik heb, omwille van de overdadige zonneschijnhitte die dag, de ganse tijd in de schaduw gezeten aan de rand van dat plein.

Los van de feiten vraag ik mij af welke schade spelende kinderen aan die balen kunnen hebben aangericht. Waarvoor de eigenaar nu van de 'daders' een schadevergoeding wil eisen. Volgens die politiebeambte was een deel van de plastiekfolie eromheen, kapot getrokken. Maar daar gaat dat stro toch niet van 'stuk'? En wat dan met de twee rollen ongecoate hooibalen die bij één van de spelletjes werden gebruikt? Niet goed genoeg meer als voer voor de beesten of desnoods als vloerbedekking in de stallen?

Wat een laffe en achterbakse 'pseudogetuige' overigens! Als die toen iets heeft gezien dat niet hoorde, waarom heeft die dan niet ogenblikkelijk gereageerd? Hadden mijn vrouw, ik of zelfs één van onze kinderen 'iemand' vandalenstreken zien uitrichten, dan hadden wij die lui onmiddellijk gesommeerd daarmee op te houden en bij vaststelling van schade de organisatoren van dat feest verwittigd. Want dat is toch de enige juiste reactie? Het zou mij niet verwonderen mochten jullie uit de aangebrachte data dezelfde conclusie trekken als ik doe.

*****

Zo een situaties heb ik eerder meegemaakt. Samen met mijn zonen Brian en Austin, een twee-eiige tweeling, bezocht ik jaren geleden het filiaal van een grote doe-het-zelf winkel in de buurt van onze woning. Op zoek naar een aantal spullen die ik nodig had om dingen te laten maken in en om ons huis.

Austin was een beetje, of eigenlijk nogal veel, tegen zijn goesting meegekomen en bleef dus dicht in mijn buurt rondhangen, terwijl zijn broer op stap ging om me te helpen de benodigde items bij elkaar te zoeken.

Op een bepaald moment kwam er een redelijk jonge vrouw me voorbij gestoven. Een personeelslid van de winkel, zo kon ik zien aan haar kledij. Voor ze de gelegenheid kreeg mijn zoon aan te spreken, vroeg ik haar beleefd me te vertellen wat er aan de hand was. Verbaast en verward keek ze me aan. Die vrouw was klaarblijkelijk zo gefocust geweest op mijn jongen dat ze mijn aanwezigheid niet eens had opgemerkt.

Ze vertelde mij dat ze er 'getuige' van was geweest dat die jongen, die daar, ook al verrast, stond te kijken, spullen uit de rekken had gehaald en er vervolgens mee aan de haal was gegaan. Ik kon niet volgen, want Austin was de ganse tijd in mijn gezichtsveld gebleven en ik had hem wel al naar de prijs van bepaalde producten laten kijken, maar hij had nog niet eens iets aangeraakt.

Toen verscheen Brian ten tonele. In een geheel andere outfit dan zijn broer en het haar heel kort geschoren, terwijl broerlief kleine krulletjes had. In zijn handjes had het jongetje een aantal zakjes en doosjes met spullen in waarvan hij hoopte dat dit nu eindelijk was wat ik zocht. Want het ventje was al een aantal keer tevergeefs heen en weer gehold.

De winkeldame stond perplex. Keek van de ene jongen naar de andere en vervolgens terug naar zijn broer en daarna naar mij. Ze wist duidelijk niet was zeggen, dus sprak ik maar voor haar. Dat ik concludeerde dat ze in al haar vooringenomenheid een grove flater had begaan. Maar denk je dat ze, zoals je in zulk een situatie zou durven vermoeden, haar verontschuldigingen aanbood? Neen hoor. Niks daarvan! Uit haar strot kwam slechts een goedpraten van haar fout gedrag. Want ja, er werd immers zoveel uit de winkel gestolen, door jonge kinderen.

Op mijn vraag of dat dan voor haar betekende dat alle kinderen potentiële dieven waren of enkel die met een melkchocoladen huidskleurtje, kreeg ik geen antwoord. Het groengeklede spook had zich, nog vlugger dan ze op mijn zoon was afgekomen, terug van ons weggehaast!

*****

Enkele jaren eerder, in het voor mijn gezin en mij zo noodlottig en ingrijpend jaar 2000, bracht mijn echtgenote op een gegeven moment een brief mee naar het ziekenhuis, van de autoverzekeraar van mijn vennootschap. Afkomstig van het hoofdkantoor en waarin stond dat ik werd verzocht om contact op te nemen met mijn makelaar teneinde de formaliteiten af te handelen van de aanrijding, op de parking van het ziekenhuis, tussen mijn vrachtwagen en een ook bij hen verzekerde personenauto. Waarbij de bestuurder van mijn voertuig de veroorzaker van de botsing zou zijn geweest.

Niettegenstaande ik reeds drie maanden plat op mijn rug te bed lag, viel ik bij dit bericht, pardoes uit de lucht. Dit laatste, in tegenstelling tot het eerste, uiteraard slechts figuurlijk. Gelukkig maar, want ik was er al erg genoeg aan toe na die mismeesterde nekoperatie.

Mijn vrachtauto zou dus een accident hebben veroorzaakt... Maar mijn firma bezat helemaal geen camion! Zelfs geen camionette. Enkel een kleine bestelwagen. Waar aan de zijkanten in het groot het logo, met naam en andere firmagegevens was op gekleefd. Een auto die doorgaans door mijn echtgenote werd bestuurd en waar zij zich ook geregeld mee verplaatste om me te bezoeken in het ziekenhuis.

Van een aanrijding had zij evenwel geen weet. En bovendien was ze, op de dag waarop het voorval zou hebben plaatsgevonden, niet eens bij mij geweest. Meer nog, dat bestelwagentje was die dag, om redenen die ik mij niet meer herinner en die hier trouwens ook helemaal niet ter zake doen, niet eens uit de garage geweest!

Mijn makelaar onderzocht de kwestie en kwam te weten dat er tegen de auto was gebotst van een bij dezelfde verzekeringsmaatschappij als mijn firma, aangesloten persoon. Een 'getuige' van dit malheur had een vrachtauto zien wegrijden met een naam op, die ook mijn firma draagt. De verzekeringsagent van de eigenaar van het aangereden voertuig had alle data doorgegeven aan de maatschappij en, waarschijnlijk omdat die voertuigeigenaar omnium was verzekerd, was de dossierbeheerder aldaar in het klantenbestand op zoek gegaan naar de door de 'getuige' opgegeven firmanaam en was zo uitgekomen bij mijn vennootschap. Had die domkop, die allicht van zichzelf dacht dat hij een slimme detective was, een heel klein beetje nagedacht, dan had hij zelfs alleen al op basis van het vermogen van dat wagentje van mij, kunnen concluderen dat hij met zijn vondst abuis was.

*****

Een voorval dat van nog veel vroeger dateert, betreft mijn drie jaar oudere zus,  die op het moment dat het hiernavolgende zich afspeelde, een jaar of zestien was. Het meisje volgde toen les aan een middelbare school, die was gelegen in een buurgemeente van onze woonplaats. En fietste elke ochtend naar die onderwijsinstelling. Samen met haar beste vriendin. Een meisje dat met haar ouders op een boerderij woonde, gelegen in dezelfde straat, en zelfs langs dezelfde straatkant als ons ouderlijk huis. Dat kind wachtte 's ochtends bij haar thuis mijn zus op en vanaf daar reden de meisjes samen verder.

Op een zekere ochtend, waarop mijn vader, die toen in ploegen werkte, nog thuis was en ik toevallig een vrije schooldag had, kwam er op een gegeven moment een auto op onze hof gereden. Met achter het stuur een afgeborstelde kerel, zo te zien gekleed in een maatpak en met naast hem, op de passagierszetel van de auto, een jonge gast. Nieuwsgierig wachtte ik af met wat voor een reden dit duo ons op een bezoek kwam vergasten. Want ma noch pa verwachtten die ochtend visite.

Mijn moeder ging de voordeur openen terwijl ook mijn vader zijn krant aan de kant legde en opstond uit zijn zetel. We hoorden wat gebabbel, waarna even later mijn ma de deur opende tussen de inkomhal en de living, waarin mijn pa en ik ons bevonden.

Die, inderdaad in een kostuum gestoken heer, kwam binnen, met in zijn kielzog een slungelachtige pummel. Mijn moeder meldde mijn vader dat het heerschap een verzekeringsagent was, en de jongen naast hem, een cliënt. Welke  zou hebben beweerd met zijn bromfiets te zijn gevallen, door toedoen van mijn zus, waarvan hij bij een eerder passeren had opgemerkt dat ze in ons huis woonde

Mijn ouders werden bleek om de neus, want dachten onmiddellijk dat ook zij was gevallen. Maar de verzekeraar stelde hen onmiddellijk gerust. Mijn zus was niet gewond. Waarop mijn vader dacht aan haar fiets en haar kledij. Ze had net een nieuwe groene Parka gekregen, een type jas met aangehechte kap, dat in die tijd mode was. Maar ook daar was geen schade aan, zo wist de man ons te vertellen.

Die verzekeringsagent had zich inmiddels onuitgenodigd neergezet op een stoel en zijn mapje met paperassen op een hoek van onze eettafel opengelegd. Met de pen in de hand wou die kerel mijn vader er toe overhalen een document te ondertekenen, een onderling akkoord voor de forfaitaire vergoeding van de door de jonge bromfietser geleden schade.

Dat mijn vader daar niet wou op ingaan, dat begreep die arrogante vent niet. En dat, spijts zijn geveinsde charmeoffensief, ook mijn ma niet was te overtuigen, al evenmin. Nochtans had hij een 'getuige' die alles had gezien, dus hadden mijn ouders volgens hem geen enkele reden om zijn voorstel te weigeren. Wat ze evenwel toch deden. De man en de jongen werden tegen hun zin buiten gewerkt. We aten ons middagmaal, mijn vader maakte zich klaar  om te gaan werken en vertrok, toch nog enigszins bezorgd, richting autofabriek.

Toen mijn zus in de late namiddag thuis kwam van school, inspecteerde mijn ma het meisje van kop tot teen. En was super blij dat ze geen lichamelijke letsels had. Dat ook haar jas, naar schoolse uniformnormen in lichtgroene kleur, onbeschadigd was, zag ze als bijzaak, maar was toch een meevaller. Mijn zus begreep slechts deels wat er aan de hand was. Een dame die op het schoolsecretariaat werkte had ook al aan mijn zus gemeld dat er een man op school was langs geweest die haar wou spreken, maar dat zij resoluut hadden geweigerd mijn zus uit de klas te halen. Waarop de man verontwaardigd was afgedropen.

Mijn moeder bracht haar dochter volledig op de hoogte van hetgeen wij die voormiddag hadden te horen gekregen. Mijn zus en haar vriendin hadden die jongen met zijn bromfiets die ochtend inderdaad opgemerkt. Vooral omdat die sukkel, na hen te zijn voorbijgereden, een beetje verder met zijn klikken en zijn klakken tegen de vlakte was gegaan. Ze waren nog gestopt om te vragen of ze hem konden helpen, maar dat bleek niet nodig te zijn. De jongeman was niet gewond en van bromfietstechniek, -mechanica en - carrosserie hadden de meisjes geen kaas gegeten, dus was het nog niet eens bij hen opgekomen om die bromfiets aan een onderzoek te onderwerpen. Bovendien dienden zij tijdig op school te zijn. En hadden ze die verlegen jongen, die hen nagenoeg dagelijks voorbij stak, meestal schichtig en geniepig naar de schoolmeisjes loerend, achtergelaten bij de andere omstanders.

Mijn vader was woedend toen hij 's avonds na zijn avondshift thuis kwam van zijn werk en van mijn ma de ware toedracht te horen kreeg van wat er die ochtend was voorgevallen. Nog steeds heel boos is hij de volgende ochtend naar de plek van het voorval gereden om die 'getuige' te confronteren met haar valse 'getuigenis'. Haar uitleg was even zielig als het mens zelf. Ze had de vorige ochtend de daar dagelijks voorbij fietsende meisjes opgemerkt, kort daarop een klap gehoord, was naar buiten gehold, had die meisjes naast de reeds recht geklauterde jongen en zijn deels op straat en gedeeltelijk op de fietsstrook liggende bromfiets opgemerkt en daaruit verkeerdelijk geconcludeerd dat alle drie betrokkenen waren in het accident. Meer zelfs, dat de meisjes er de oorzaak van waren!

Maar, zo zei ze, had ze geweten dat één van de meisjes mijn vader zijn dochter was, dan zou ze geen verklaring hebben afgelegd ten overstaan van die verzekeringsagent. Pure nonsens! Uiteraard heeft mijn vader pertinent geweigerd in te stemmen met ook maar om het even welke overeenkomst. Naar ik meen heeft onze eigen verzekeringsagent die listige beroepscollega van hem, terecht gewezen en zonder buit wandelen gestuurd.

Rudi, 6 november 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

14-10-09

De avonturen van Rudi & Co - Uitschot

 

De zondag voor Kerst was ik met mijn echtgenote en kinderen op de markt die elke zondagochtend wordt ingericht op de terreinen van de oude slachthuizen in wijk Kuregem, te Anderlecht. Les abattoirs de Cureghem, zoals die plaats het best is gekend door de voornamelijk Franstalige standhouders en bezoekers.

Het was geleden van de laatste zondag van februari van dit jaar, dat we daar nog eens waren geweest. Op deze multiculturele markt, waar je zowat alles vindt wat je nodig hebt of denkt te kunnen gebruiken. Voeding en niet-voeding. In het begin van het jaar waren we er zonder de kinderen. En deed er zich een incident voor dat me toen toch wel even boos maakte.

Vooraleer, na een ochtend kuieren, het uitgestrekte terrein te verlaten, wou mijn vrouw nog op zoek gaan naar enkele producten. Aangezien ik het enigszins beu was om me, uiterst behoedzaam en traag, tussen de mensenmassa te bewegen, stelde ik voor dat ze alleen zou gaan. Ik zou blijven wachten op de plaats waar we ons op dat moment bevonden.

Zo gezegd, zo gedaan. Mijn wederhelft verdween in de mensenzee en ik keek uit naar een plekje om op haar terugkeer te wachten. Ik bevond mij aan het begin van het marktgedeelte met de groenten en fruitstandjes. Ik positioneerde mij met mijn elektrische rolstoel schuin tegenover de hoek van een kraam waar ondermeer olijven en andere (zuiderse) vruchten werden aangeboden.

Door de positie waarin ik stond, kon enerzijds iedereen aan elk product dat op die marktstand werd verkocht en anderzijds bleef er in de gangen genoeg ruimte over voor de passanten. Ik zat daar dus goed, dacht ik. En hield me ledig met het observeren van de mensen die in mijn gezichtsveld kwamen. Zelf was ik die ochtend, als steeds, alweer door honderden mensen 'aangestaard' als ben ik een buitenaards wezen, wat naar mijn weten, nochtans niet het geval is.

Ineens stond daar die standhouder voor me, met het, in het Frans uitgesproken, dwingende en dringende 'verzoek' me elders op te stellen, want ik hinderde zijn klanten. Ik weigerde resoluut! En wees die vent op de zee van ruimte om me heen. Toch wou die kerel me nog steeds weg. Ik werd boos! En zei hem mijn gedacht. In het Nederlands! Dat was voor die kerel te veel. Iemand met een handicap die mondig Is en op de koop toe in een taal sprak waarvan hijzelf nog niet eens de basis machtig is, daar had die groentenmarchand zich helemaal niet aan verwacht! En het zich rondom ons verzamelde publiek had hij vast ook liever niet voor zijn kraam. Met mij tot kalmte aanmanende handgebaren, kroop hij terug achter zijn vijgen, olijven en andere dingen die ik niet lust kraam.

Inmiddels was Caroline terug. Maar uit koppigheid bleef ik nog vijf minuten op dezelfde plaats staan. En die vent maar vies lonken. Ik sneerde hem nog toe dat, als hij, in mijn land, in mijn hoofdstad, nog iets tegen mij wou zeggen, hij er voor moest zorgen mijn taal machtig te zijn. De man keek me toen aan als een koe die moet kalveren, of net gekalverd heeft, dus in elk geval nogal dwaas, waaruit ik afleidde dat die sukkel van mijn betoog geen jota begreep!

Dat was dus begin 2008. Nu terug naar zondag jongstleden. Als steeds, was het erg druk op de markt. We slenterden met ons vieren enkele uren rond en deden wat inkopen. Vooral kledij voor Brian en Austin. Die hebben regelmatig nieuw lichaamsbedeksel nodig. Omdat ze in de groei zitten! Zogezegd! En de ouders blijven status-quo qua grootte en moeten het dus maar stellen met de kleding die reeds in hun kast hangt! Zo gaat dat nu eenmaal als je kinderen hebt. En ik heb daar helemaal geen moeite mee.

Het was kort na de middag en we waren reeds op weg naar de uitgang van het, deels overdekte, marktterrein. Ik reed voorop. Iemand moet de leiding nemen, nietwaar?! Mijn rolstoel wiebelde een beetje. Ik dacht dat mijn zoons me aan het jennen waren, dus reageerde niet. Om hun pret te bederven. Hahaha! Er is wel wat meer nodig om me uit mijn tent te lokken!

Ineens hoorde ik hun mama iets schreeuwen. Een overdreven reactie op wat de jongens met me deden? Ik zag ineens iemand van achter mij vandaan komen, en haastig wegstappen. Neen, twee personen zelfs! En niet mijn jongens, maar wel jongelui. Een grote en een kleine. Ik stopte en wachtte op mijn gezellen, om verduidelijking te krijgen over wat er aan de hand was.

De verklaring kwam er snel. Austin had iemand betrapt terwijl die trachtte de rits van mijn rugzak te openen. Austin had onmiddellijk met zijn vlakke hand op dienen gast zijn vingers getikt! De kleinste van de twee, even voordien wegsnellende jongeren. En Caroline had hen kwaad toegeschreeuwd. Had ik onmiddellijk geweten dat die twee wegvluchtende gasten me hadden trachten te beroven, ik had ze terstond aangereden, zodat ze met hun klikken en hun klakken in een groentenkraam terecht kwamen. Met wat geluk, en liefst, in dat van die onsympathieke olijvenverkoper!

Ironisch genoeg had ik, in tegenstelling tot wat ik doorgaans altijd doe, mijn gezellen bij het betreden van de markt, deze keer NIET gewaarschuwd voor zakkenrollers, tasjesrovers en andere straatbandieten. En weerklonk er, net na dit voorval, voor het eerst die dag, uit de her en der opgehangen luidsprekers, een schel klinkende mannenstem die ons waarschuwde op onze hoede te zijn voor gauwdieven!

Je mag van me denken wat je wilt, maar ik heb mijn kinderen aangeraden om, als ze nog eens iets dergelijks zien, zulke kerels dan meteen met hun voet een flinke trap op de kin te geven. Gevolgd door een fameuze schop tussen de benen. De aanval is immers de beste verdediging! En die boeven verwachten geen verweer, weten dat zij in de fout zijn, en zullen steeds trachten er zo snel mogelijk van onder te muizen! Ze zullen vechten om andermans bezit in handen te krijgen, maar niet om hun eer. Want dat hebben die gasten niet; net zo min als normbesef. Vandaar dat het goed kan zijn ze eens een fikse rammeling te geven. Dan houden ze zich vast, op zijn minst, een tijdje gedeinsd!

Met gauwdieven en ander gespuis en uitschot, heb ik totaal geen compassie. Zelfs niet in de  Kerstperiode. Maar ik heb wel expres gewacht met dit verhaal te schrijven en te publiceren tot na Kerstmis. Want ik ben de dagen voor en na Kerstdag toch ook liever bezig met leuke, vredige gebeurtenissen. En met mij het gros der mensen, veronderstel ik. Vrede op aarde aan elkeen die met haar of zijn pollen afblijft van andermans bezit!

Rudi, 27 december 2008 (revisie op 14 oktober 2009)

10-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 3


Het exact aantal dagen dat ik doorbracht op 'I.Z.', dat kan ik me niet herinneren. Een kleine week, vermoed ik. Maar uuiteindelijk mocht ik dan toch verhuizen naar de verzorgafdeling pneumologie. Wat was ik blij weg te zijn uit dat zottenkot! Maar op de verpleegafdeling waar ik toen terecht kwam, en waar in de decoratie en aankleding van de kamers de kleur geel gelukkig niet (meer) domineerde, ging het er eigenlijk helemaal niet beter aan toe, zo zou ik spoedig merken.

Mijn oom had mijn rolstoel reeds overgebracht. En omdat ik die perse in mijn kamer wou, had men het tweede bed er uit verwijderd, zodat er wat manoeuvreerruimte was. Want gebruik maken van de techniek van de transfer middels een draaischijf, dat zagen de verpleegkundigen op die afdeling niet zitten. Sukkels! Om mij te verplaatsen van bed naar rolstoel en omgekeerd, hadden ook zij dus een tillift nodig.

Elke dag, na gewassen te zijn, en in mijn pyjama gestopt, werd in dus verplaatst van mijn bed naar mijn rolstoel. Waarin ik dan de ganse dag bleef zitten. Luisterend naar muziek, of werkend aan mijn laptop, die ik had laten meebrengen van thuis. Een televisie had ik ook ter beschikking, maar wat daarop te zien was kon me slechts zelden boeien.

Er werkten op de afdeling een aantal heel lieve verpleegkundigen, jonge en minder jonge. Maar er was daar ook een feeks van een ancien tewerk gesteld, die de werklust van haar collega's en hun aandacht voor de patiënten, niet kon waarderen. En zij zwaaide daar blijkbaar de plak. Zelf de veel jongere hoofdverpleegster had ze blijkbaar in haar macht. Een heel rare situatie vond ik dat. Verplicht lang durende koffiepauzes en verpleegsters die me stiekem kwamen helpen buiten de vaste verzorgtoer.

Met twee schoolgaande kinderen thuis en plots alleen gevallen bij het beredderen van ons huishouden en met het bijkomend probleem van de afstand tot de kliniek, kon mijn vrouw slechts nu en dan en dan telkens maar voor korte tijd, bij mij op bezoek komen. Maar toen ze er dan wel eens was, wou ik dat we rustig konden praten en samen mijn door haar meegebrachte briefwisseling doornemen. Haar belasten met het ontlasten van het ziekenhuispersoneel, was wel het laatste dat ik wou!

Maar deze laatst genoemden dachten daar anders over. Allicht onder de negatieve invloed van die eerder vermelde helleveeg. Lafaards! Tijdens zo een bezoekje moest ik op een gegeven moment plassen. Dus drukte ik op het knopje waarmee een belletje afging in mijn kamer en in het verpleeglokaal en, in de gang, het lampje boven de deur van mijn kamer, rood kleurde. Een minuut of vijf later stak een, al wat oudere verpleegster, haar domme kop binnen en vroeg verveeld of het dringend was, want ze had niet onmiddellijk tijd. Toen ze, alweer een minuut of vijf later, mogelijks waren het er zelfs tien, terug in mijn kamer kwam, zag die trut er nog steeds ontstemd uit. Ze vond het vervelend dat ik niet wou wachten op hulp tot ze een half uur later aan haar late namiddag verzorgronde zou beginnen.

Terwijl ze mijn plasser in de urinaal stopte, en ik enkele keren zachtjes op de zijkant van mijn buik klopte om de boel in gang te zetten, vroeg ze me op gedempte toon, met haar heksenkin wijzend naar mijn, ondertussen documenten invullende eega, of dat niet mijn vrouw was. Terwijl het plassen startte, beantwoorde ik haar vraag met een ja. Waarop dat wijf verontwaardigd repliceerde dat ik mij dan toch door haar had kunnen laten helpen? Waarop ik reageerde met het antwoord dat ik er nog niet aan dacht mijn vrouw, niet tewerkgesteld in die kliniek, een job te laten doen waarvoor de vrouw, die mijn plasser vast hield, werd bezoldigd! Die uitleg viel niet in goeie aarde. Maar dat zou mij een zorg wezen. Mijn echtgenote was niet naar me toe gekomen om me te verzorgen, maar om me te  bezoeken!

Dat mens werkte dan toch de klus af. Propte mijn nog nadruppelende penis in mijn pyjamabroek, zodat die vochtig werd en ging al morrend de urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er alweer niet bij. De, van de nog aan de rand hangende pis, stinkende plaskan, werd met een smak op mijn nachtkastje gedropt. Voor de verandering eens niet naast iets eetbaars. Het dom schepsel verliet boos de kamer. Mijn opmerking dat ze mijn broek had natgemaakt door ongeconcentreerd en onzorgvuldig te werk te gaan, daar antwoordde ze niet eens meer op.

Een poosje later kwam er een logistiek assistente de kamer binnen. Met mijn avondmaal. Die floot ik ook terug toen ze zei dat mevrouw me zeker wel zou helpen? "Neen" antwoordde ik, "mevrouw gaat mij niet helpen. Mevrouw gaat zo meteen naar huis, waar werk op haar ligt te wachten, dat ze zelfs niet eens kan trachten op een ander af te schuiven!" Het wicht keek me even verbaast aan en zei dan dat ze terug bij mij zou komen eens alle maaltijden waren bedeeld. Die vroeg zich wellicht af hoe het kwam dat ik reageerde alsof iets mij misvallen was, terwijl ik nog niet eens iets had gegeten!

Mensen toch, wat een rotte mentaliteit heerste daar op de afdeling! En, hoewel sommige jongere vrouwen ook in hetzelfde bedje ziek waren, betrof het vaak zo van die rijpere vrouwen, die nog net niet in de overgang zijn, en tijdens de periode van hun maandelijkse regels, de last die ze daarvan hebben, milderen voor zichzelf, door de personen die ze worden verondersteld te verzorgen en gerust te stellen, te kwellen met eigen, verzonnen regeltjes.

Of zijn het van die kakmadammen die hun slip of string te hoog hebben opgetrokken, in een ijdele poging daarmee hun loddergat een iets minder neerwaarts hangend en wat strakker aanzien te geven. En de frustratie van het falen van deze truc en de pijn die ze hebben van die snijdende randen van dat ondergoed in hun lies, spleet en reet, uitwerken  op hun patiënten. Ongehoord is dat!

Het kunnen er trouwens ook zijn die voortdurend ongemakkelijk lopen omdat ze heimelijk lesbienne zijn. En door de aanwezigheid van hun talloze vrouwelijke collega's, onophoudelijk opgewonden zijn. Wat zich uit in het steeds vochtig zijn van hun poes, waardoor deze haast onophoudelijk in een toestand verkeert van net niet verzuipen.

Zo, daarmee zijn die gedachten en gevoelens ook eens uit mijn brein gehaald en publiekelijk gemaakt. Voor alle duidelijkheid: in zowel deze kliniek, als die waar ik eerst verbleef heb ik ontzettend veel plichtsbewuste, slimme, inventieve, lieve mensen ontmoet, voor wie geen enkele moeite te veel is. Het heeft niks met leeftijd te maken. Sommige oudere verpleegsters zijn duidelijk uitgeblust, maar meestal zijn dat wel net diegenen die al gans hun carrière liever lui zijn dan moe en totaal geen inlevingsvermogen hebben. Onder de jongere heb je er ook die geen fluit waard zijn.

En soms was het echt wel van dom, dommer, domst. Zo was er een verpleegster aan wie ik uitlegde hoe ik het liefst werd gewassen. En dat ik tijdens de wasbeurt graag een badhanddoek over me heen had. "Geen sprake van" luidde haar repliek, "want dan kan ik niet zien wat ik aan het doen ben!" Het huilen stond me nader dan het lachen terwijl ik dat kalf dan toch maar rustig en geduldig uitlegde dat het lichaamsdeel dat ze waste uiteraard wel mocht worden ontbloot. Ze keek me nog steeds 'het niet begrijpend' aan. Gelukkig kwam er toen net een collega van haar mijn kamer binnen en deed die het haar even voor.

Een andere keer stonden ze met vier aan mijn bed om me te verzorgen. Een mannelijke en een vrouwelijke verpleegkundige en twee verpleegstertjes in opleiding. Zoals ik bij aanvang van dat toilet had kunnen voorspellen, ging het helemaal mis. Ze stonden gedurig in elkaars weg, of de ene wreef zeep op een lichaamsdeel dat de andere reeds had afgespoeld en afgedroogd, en bij het op mijn zij draaien werkten ze elkaar ook ongewild tegen.

Men was nog bezig met mijn verzorging toen er een vijfde collega verscheen. "Ha, jullie zijn bezig met vier", zei ze "Zoals bij hem thuis!" De mannelijke verpleger keek diep verbaast en ongelovig, eerst naar zijn collega en toen naar mij. En vroeg vervolgens of ze mij inderdaad met vier kwamen verzorgen. Zijn collega antwoordde in mijn plaats: "Dat heeft mijnheer mij toch gezegd!"

Ik had die dame inderdaad tijdens een eerdere verzorgingssessie gezegd dat er bij mij thuis vier verpleegkundigen over de vloer kwamen. Waarop zij blijkbaar verkeerdelijk had verondersteld dat die steeds allemaal samen mijn verzorging deden. Dus legde ik nu aan die domme geit en de vier anderen uit dat er inderdaad vier verpleegkundigen kwamen om mij tweemaal daags te verzorgen, maar dat ze werkten in een roulatiesysteem, waarbij er telkens slechts één van hen aan mijn bed stond.

Wat mijn fysische toestand betreft, was die ongewenste slijmvorming jammer genoeg niet weg gebleven bij het wisselen van afdeling. De frequentie van me in een toestand van ademnood bevinden was gelukkig wel reeds afgenomen Maar af en toe zaten mijn luchtwegen terug vol met taaie, hardnekkige slijmen.

Zo ook de tweede nacht van mijn verblijf op pneumologie. Ik verwittigde de verpleging middels mijn bedbelletje. De kinesist van wacht werd er bij gehaald. Die kwam pas een hele tijd later. Naar eigen zeggen omdat hij eerst nog op intensieve zorgen had moeten assisteren bij de reanimatie van een kindje. Een actie met een succesvol resultaat, overigens. Ook mij kon de man helpen. Middels tapoteren, gebruik van de kuchassistent en aspireren, verloste deze paramedicus me van de mij kwellende slijmen.

Toen ik de volgende nacht weer last had van slijmvorming, wou de nachtzuster evenwel de kinesist niet oproepen. Twee dagen na elkaar, voor hetzelfde probleem, dat kon volgens haar niet. Tenzij het echt dringend was en dus niet anders kon. Volgens haar was mijn bijna in het slijm stikken dus niet echt urgent?! Ze vond de nachtrust van de kinesist belangrijker dan mijn ademnood. En begon zelf op een amateuristische wijze te knoeien met de cough assistent en een aspiratietoestel.

De nachtverpleegster zei dat de mensen van de wachtdienst niet te veel mochten gestoord worden, want ze hadden niet graag dat ze telkens weer uit hun slaap werden gehaald. Worden die dan niet betaald om wakker te blijven? Ja, toch? Maar ik weet wel hoe dat in elkaar zit hoor. Zij hebben vaak ook een privépraktijk. En als ze dan 's nachts een wachtdienst 'lopen' zonder 'oproepen', dan kunnen ze de ganse nacht door slapen en uitgerust en met een frisse kop de job in hun privépraktijk aanvatten. En is het extra inkomen uiteraard gemakkelijk verdiend!

Op zich kan je het die mensen niet kwalijk nemen gebruik te maken van de hen aangereikte mogelijkheden. Maar dat men' hen ontziet ten nadele van de patiënten, dat vind ik helemaal niet logisch en normaal. Maar dat systeem is blijkbaar de ziekenhuiscultuur binnen geslopen en wordt als logisch aanvaard. Misschien zelfs vaak zonder dat zij die er profijt van hebben, er ook van op de hoogte zijn.

Enkele dagen na mijn aankomst op de verzorgafdeling, trachtte ik geleidelijk aan weer te eten. Het voedsel werd me gegeven door een verpleegster, een verzorgende, een logistiek assistente of een stagiaire in opleiding voor één van voornoemde beroepen. Doordat zij het eten in mijn mond stopten, kon ik mij zelf volledig concentreren op het kauwen en doorslikken van het voedsel.

Drinken zonder verslikken, dat lukte niet. Tot een vriendin van me, die verpleegster is, met de suggestie kwam om mijn drankjes middels een poeder te verdikken, en dus papperig te maken. Dus vroeg ik daar naar bij de verpleging, die een doosje van dat spul voor mij bestelde bij de centrale apotheek. Waardoor ik er reeds enkele uren later de beschikking over had.

Met dat poeder verdikt water drinken zonder me te verslikken, lukte. Maar dat papje was slecht van smaak! Koffie met dat poeder was verschrikkelijk! Enkel fruitsap was drinkbaar en behield ook enige smaak.

Toen mijn toestand nog wat meer was verbeterd mocht ik ook al eens mijn kamer verlaten. En aangezien het weekend was en mijn kroost bij me op bezoek was, kon ik met hen op 'stap'. Een kleine zuurstoffles werd in een daarvoor gemaakte rugzak gestopt, die één van mijn zoons op de rug nam. Zo bleef ik voorzien van wat extra luchttoevoer, middels een neusmasker, verbonden aan die fles. De zakken suikerwater en medicatie, die aan mijn infuus waren verbonden, werden op een mobiele, verrolbare houder bevestigd, die mijn ander zoontje voor zich uitduwde.

Aldus vertrokken we op wandel. Mijn zoon vond het rondstappen met die zuurstoffles in een tas op zijn rug best cool! Het zag eruit als de luchtvoorziening bij een duiker. Zelf vond ik de door de luchtslang teweeg gebrachte fysieke verbondenheid met en de afhankelijkheid van mijn zoontje, best aangenaam. Zou dat continue afhankelijk zijn van zuurstof trouwens mijn nieuwe toekomst zijn?

Wat mij helemaal ontstemde was het feit dat men luidop plannen maakte om me enige tijd te laten revalideren in het centrum waar ik, als jonge dertiger, na die desastreuze nekoperatie, in de jaren 2000/2001 anderhalf jaar van mijn leven doorbracht. De arts die verantwoordelijk was voor de verdieping waar ik nu verbleef was gelukkig een goeie man. Eén die luisterde naar wat ik te vertellen had en er ook naar handelde. En mij geenszins wou dwingen tot iets waar ik niet voor te vinden was.

Aangezien er blijkbaar geen enkele specialist in 'huis' was die ook maar enig idee had van wat de oorzaak was van mijn problematiek, had ik, na veel nadenken, wat geen probleem was aangezien ik alle tijd voor handen had, en grondig lezen in mijn medische encyclopedie, zelf een eigen diagnose gesteld. En hieromtrent vervolgens een theorie ontwikkeld, waarmee ik voor de dag kwam toen de arts met zijn gevolg op ronde was en daarbij mijn kamer aandeed.

Om zeker niks te vergeten zeggen of vragen, had ik alles wat ik in gedachten had, op enkele papiertjes laten noteren door mijn bezoekers en al eens een verpleegster, of een studente verpleegkunde. Zelf met een pen schrijven kan ik door die verlamming immers niet meer, en ik had geen printer bij de hand om mijn laptop te gebruiken en de daarop neergetypte ideeën dan uit te printen. Bovendien was het praktisch gezien niet steeds mogelijk om van mijn schootcomputer gebruik te maken.

De dokter kon zich vinden en was bereid me te volgen in mijn visie dat zelfs een niet medisch opgeleide patiënt, in casu ik, toch de beschikking heeft over de meeste kennis van diens eigen lichaam, het eigen medisch levensverloop en ziektebeeld, en mogelijks de juiste conclusies kan trekken uit wat hij voelt en weet, of althans de behandelende arts naar de juiste denkpiste kan leiden.

Zo kon ik dus mijn met redenen omklede opinie uit de doeken doen. Het had er naar mijn mening alle schijn van dat het niveau van mijn nekletsel zich steeds meer hogerop verplaatste. Wat ik afleidde uit de volgorde van de lichaamsfuncties die (deels) uitvielen. Er was de zindering in mijn linker arm, een verminderde werking van mijn slokdarm, middenriffunctie & longen die faalden... Waaruit ik concludeerde dat de oorzaak van mijn problematiek mogelijks zou kunnen te vinden zijn in een opeenhoping van spinaal vocht langsheen mijn ruggenmerg.

Om mijn theorie en vermoedens naar juistheid te toetsten, achtte ik het nuttig enkel gespecialiseerde onderzoeken te ondergaan. Een sliktest en röntgenfoto's, CT-scan & NMR-scan van mijn nek. De arts stemde er mee in en gaf orders aan zijn assistenten om de afspraken te regelen. Inmiddels was Kerst in aantocht. Wat de dokter betrof mocht ik deze dagen thuis doorbrengen, en daarna terug komen. Maar ik prefereerde te blijven tot alle bijkomende onderzoeken waren verricht. En ik het resultaat van de slikfunctietest door de neus-keel-oorarts zou gekregen hebben, en een onderhoud had met de neurochirurgen, om op basis van feiten, RX-foto's & CT-scan voorlopige conclusies te trekken. Want, gezien de lange wachtlijst voor dit onderzoek, zou het nog wel enkele weken duren vooraleer een NMR-scan zou kunnen genomen worden.

Ik verzocht de arts evenwel reeds het centraal katheder te laten verwijderen aangezien daar geen nood meer aan was, gezien het feit dat ik reeds sinds enkele dagen at en dronk en geen intraveneuze medicatie meer kreeg toegediend.

Tevens meldde ik de man nog steeds in afwachting te zijn van de beloofde ademhalingstherapie en hoestoefeningen. En het aanleren en geven van instructies aan de mensen uit mijn omgeving om mij te helpen met hoesten. Door het drukken op mijn borstkast bijvoorbeeld?

En dat ik een antwoord wou op de vraag wat ik, eens thuis, moest aanvangen indien ik me verslikte of als gevolg van een andere factor, in ademnood geraakte. In mijn eigen woning had ik immers geen kuchassistentietoestel, noch een aspirator. Uiteraard bleef de man me het antwoord op deze vraag schuldig. Er zou worden nagekeken waar in de buurt van mijn woning een therapeut was gevestigd die een kuchtoestel bezat en deze techniek toepaste. Hoe ik, niet over een eigen voertuig beschikkend, op God weet welk onmogelijk tijdstip dat ik er dringend nood aan had, dan tot aan die praktijk zou geraken, mocht Joost weten. Want de dokter wist het niet.

Op mijn vraag om zuurstof voor te schrijven voor bijbeademing 's nachts ging de arts niet in. Dat ik tijdig diende verwittigd te worden bij een nakend ontslag zodat ik bijtijds vervoer kon regelen, daar zou hij de hoofdverpleegster over laten waken.

Dat tot na de Kerstperiode in het ziekenhuis blijven was een foute beslissing, zo bleek achteraf. Want eens die hoofdarts, die blijkbaar tijdens de Kerstdagen vrijaf had, van het toneel was verdwenen, hadden die pestverpleegster en haar gevolg vrij spel. Nu waren ze nog pissiger omdat ik een dokter had die naar me luisterde. Wat zij klaarblijkelijk niet konden verdragen. Is het niet vanzelfsprekend dat patiënt en arts hun kennis bundelen en samen naar een oplossing zoeken? Voor sommige mensen, zelfs medisch geschoold, dus blijkbaar niet.

Begrijpen die ook niet welke trauma's hun pestgedrag bij de patiënten kan aanrichten? Mogelijks zijn de meeste van hen er zich niet terdege van bewust welke, vaak blijvende psychische schade ze toebrengen door hun houding en gedrag. Wat dit evenwel geenszins rechtvaardigt, Wordt daar in hun opleiding geen aandacht aan besteed? Of hebben die niet opgelet tijdens de colleges waarin het gedrag van de zorgverlener ten overstaan van de zorgvragende werd behandeld? Allicht durven veel mensen, omwille van hun afhankelijkheid, niks te zeggen over onbetamelijk gedrag vanwege het verzorgend personeel of anderen. En doen ze dat ook niet achteraf, eens ze de kliniek hebben verlaten. Net zoals ikzelf redeneren die mensen allicht dat het dan toch geen zin meer heeft en ze hun energie beter aanwenden voor hun verder genezingsproces. En dat ze beter die nare ervaringen vergeten dan er nog verder mee bezig te blijven, zonder dat het hen een meerwaarde oplevert.

Kerstavond bracht ik dus alweer door zonder mijn gezin. Op Kerstdag kwamen ze even op bezoek. Maar het vooruitzicht binnenkort meer te weten over de oorzaak van mijn problemen, en vervolgens hopelijk een doeltreffende remedie te vinden om er een einde aan te maken en een herhaling in de toekomst te voorkomen, verzachtte het leed van het niet gezellig thuis, in gezinsverband kunnen doorbrengen van deze feestdag.

Met mijn longarts had ik afgesproken te wachten met naar huis gaan tot de zaterdag voor oudejaarsavond, een dag die toen op een zondag viel. Hij zou dan op vrijdag een persoon bij me op de kamer laten komen met een nieuw soort van bijbeademingstoestel, dat ik dan thuis 's nachts zou moeten ophebben. Happig was ik niet op het gebruik van zulk een apparaat, want ik had er, op deze dokter zijn advies en voorschrift, jarenlang één ter beschikking gehad. Ter bestrijding van mijn slaapapneu. Dat is een kwaal die, bij hen die er aan lijden, waaronder ik dus, nachtelijke desaturatie veroorzaakt. Wat wil zeggen dat die mens gedurende het nachtelijk slapen verschillende keren stopt met ademen. Telkenmale gedurende tientallen seconden tot zelfs enkele minuten!

Die zogenoemde CPAP (Continuous Positive Airway Pressure - voortdurend positieve druk in de luchtwegen) was een luidruchtig ding, met een veel te krachtige, agressieve druk, die mij bij het gebruik ervan de slaap onmogelijk maakte en een veel te hevige luchtstroom door mijn neuskanaal stuwde, en daarbij ook nog eens mijn slijmvliezen uitdroogde. Waardoor ik al helemaal niet meer kon ademen. En fysiologisch water nodig had om daar iets aan te verhelpen.

Maar het nieuwe apparaat was beter, zo verzekerde de longarts me. Stiller werkend, met een regelbare luchtstroom en voorzien van een luchtbevochtiger.

De laatste twee onderzoeken vonden op dezelfde dag plaats. De woensdag na Kerstdag. Eén voor de middag, en één kort na de middag. Een verpleegster maakte mij klaar voor de verplaatsing per bed, door een deken op mijn lichaam te leggen om me warm te houden, en een kleine zuurstoffles aan het voeteinde van mijn bed te hangen, zodat mijn bijbeademing gegarandeerd bleef. Voor ik vertrok vertrouwde ze me nog toe dat ik er niet op moest rekenen om bij mijn terugkomst nog eens opgezet te zullen worden. Haar boosaardige collega, waar elkeen omwille van haar pestgedrag, schrik voor had, had al luidop en met een reeds bij voorbaat van pret doordrongen stemgeluid, verkondigd dat ze niet zou dulden dat één van hen de namiddagroutine zou verstoren door me in mijn rolstoel te plaatsen.

Zoals dikwijls gebeurt bij onderzoeken, diende ik nogal veel te wachten. En werden de afgesproken tijdstippen niet gehaald. Omdat er al eens een dokter werd weggeroepen, een onderzoek langer duurde dan gepland, er een technisch probleem optrad, er iemand voorrang kreeg omwille van hoogdringendheid...? Weet ik veel. Toen ik, na de onderzoeken, in de namiddag, met behulp van iemand van het patiëntenvervoer, gelegen in mijn bed, terug op de afdeling en in mijn kamer arriveerde, had de bezoektijd reeds een aanvang genomen. Mijn vrouw zat ook al op me te wachten.

Onmiddellijk drukte ik op mijn bedbelletje. En toen na enige tijd een verpleegkundige verscheen, vroeg ik haar vriendelijk om in mijn rolstoel te worden gezet, want daar had ik nu toch wel even nood aan. Als reactie kreeg ik te horen:  "Sorry, maar daar is het nu te laat voor!" En ze sprak die woorden uit vol leedvermaak. Mijn argumentatie dat mijn lichaam daar nood aan had als voorbereiding op mijn naar huis gaan, waar ik op zijn minst 14 uur na elkaar uit bed zou zijn, en ook op mentaal vlak naar enkele uurtjes opzitten verlangde, daar luisterde ze niet eens naar. Zij, noch haar collega's hadden tijd om mij uit bed te halen en in mijn rolstoel te zetten, en daarmee basta! Waarop ze snel verdween om haar collega's te gaan vervoegen in het verpleeglokaal dat zich schuin tegenover mijn ziekenhuiskamer bevond. En waarvan het geluid van de leute die ze blijkbaar hadden, doordrong tot in mijn kamer. Ziedend van woede was ik. Toen ik kort daarna de longspecialist door de gangen zag stappen, vroeg ik aan mijn echtgenote om hem achterra te gaan en de man te verzoeken even tot bij mij komen.

Kort daarop was mijn vrouw terug in mijn kamer. Met de arts. Aan wie ik, nog opgewonden, het ganse verhaal deed, inclusief mijn argumentatie. De man vergoelijkte evenwel al lachend de verpleegster. Hij dacht allicht: "die patiënt is binnen twee dagen weg, maar met die verpleegster heb ik nog langer te maken." De arts wou de verpleegster niet sommeren mij toch voor enkele uurtjes in mijn rolstoel te zetten. Die reactie en houding maakten mij zo mogelijk nog bozer. En ontnamen me terstond alle vertrouwen dat ik tot dan toe in die specialist had. Dus zei ik hem dat, als het zo zat, ik niet langer in dat ziekenhuis wou blijven. En er vandoor zou gaan van zodra ik vervoer kon vinden.

De longarts zei me enkel schamper dat ik dan wel dat beademingsapparaat niet kon testen en mee naar huis nemen. Maar dat argument was niet krachtig genoeg om me op mijn besluit te doen terugkomen. De arts kon, wat mij op dat moment betrof, de pot op met dat toestel! En met die feeks van een verpleegster erbij!

Ik belde de vervoersdienst en kreeg geregeld dat ik de volgende dag kon worden opgehaald en naar huis gebracht. Mijn echtgenote verliet het hospitaal en toen 's avonds mijn ouders bij me op bezoek kwamen, gaf ik hen reeds het grootste deel van mijn spullen mee. Zodat het ziekenhuispersoneel de volgende ochtend enkel nog mijn toiletgerief en nachtkledij bij elkaar zouden moeten rapen en in een tas stoppen om met me mee te geven naar huis.

Zo verliet ik op donderdag 28 december 2006 het grote ziekenhuis, en liet me thuis brengen met het door mij bestelde, van een chauffeur voorziene rolstoelbusje.

Het door hoofdverpleegster Fatima in elkaar gestoken eindejaarsconcert, waarop ik was uitgenodigd en dat gepland was voor de volgende dag, op vrijdag, van 15u tot 16u, zou dus doorgaan zonder mijn aanwezigheid. Alsof dat ook maar iemand iets kon schelen.

Toen ik 's avonds thuis wat bekomen was, vroeg ik hulp om mijn tassen te ledigen en stelde ik vast dat men potverdorie was 'vergeten' om me mijn medicatie mee te geven! Dus diende mijn echtgenote die avond nog naar de kliniek te rijden om mijn slaappillen en andere medicatie op te halen. Bleek dat ze die gewoon bij hun voorraad hadden gevoegd! Terwijl dat medicamenten waren die ik van thuis uit naar het ziekenhuis had meegebracht!

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 8 september 2009)

31-08-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 2

 

In het algemeen ziekenhuis van mijn woonplaats werd alles in gereedheid gebracht om me over te brengen naar de grote partner in de provinciehoofdstad. In minder dan een uur na mijn akkoord, stonden er al twee jonge, aan dat ziekenhuis verbonden ambulanciers, aan mijn bed, om me op te halen. Mijn corpus werd op de smalle brancard getild en vastgesjord. Mijn tas met spullen kreeg ik op mijn benen gezet. En de zak met suikerwater dat middels een infuus mijn lichaam van het benodigde vocht voorzag, kwam op mijn buik te liggen. Zuurstof kreeg ik via een neusmaskertje dat verbonden werd met een kleine, aan de brancard bevestigde zuurstoffles. Weg waren we, naar de gereedstaande ziekenwagen. Het duo rolde mij met brancard en al in de vrij ruime camionette. De mannelijke helft van het ambulancekoppel kroop vooraan achter het stuur van het vehikel. Zijn vrouwelijke collega kwam gezellig naast me zitten. Een taakverdeling waarbij me niet vooraf om mijn mening was gevraagd, maar die desalniettemin mijn goedkeuring wegdroeg.

En zo verliet ik op die 14de december 2006, kort na het middaguur, het hospitaal in mijn woonplaats, om een goeie 25 kilometers verder in dat ander hospitaal, hopelijk naar voldoening te worden geholpen. De ambulanciers waren aangenaam gezelschap. Het meisje toonde me ook het aspiratietoestel dat ze aan boord hadden en verzekerde mij ervan dat ze er mee overweg kon en me in geval van nood dus zeker kon helpen om ongewenst, mijn ademhaling verstorend slijm, uit mijn luchtpijp te verwijderen. De kans dat dit nodig zou zijn was evenwel klein, want de longarts had net voor mijn vertrek mijn luchtwegen nog eens van fluimen gezuiverd middels een bronchoscopie. Die ik deze keer om God weet welke reden niet mee had mogen volgen op het scherm.

Vooraleer we op onze bestemming arriveerden, vulde mijn vrouwelijke gezel ook nog een inlichtingenblad in, met de antwoorden die ik gaf op de vragen die zij aflas van dit document.

Eens ter plaatse werd ik uit de ambulance gerold, een gebouw binnen gereden, toen de lift naar boven ingeholpen, tot ik op de juiste afdeling arriveerde: intensieve zorgen. Na de nodige plichtplegingen en uitwisseling van documenten, werd ik naar een bed gerold, losgemaakt van de brancard en vlot en probleemloos naar het hospitaalbed getransfereerd. Middels een speciaal daarvoor ontworpen hulpmiddel: een plank met een breedte van een gemiddeld mensenlichaam, waarop een, in de lengte rond deze plank verschuivende doek is bevestigd.

Het ambulanceteam nam afscheid van me en wenste me het beste. Weg geroezemoes en drukte. Maar toen pas hoorde ik een voortdurend getuit en gepiep. Vreselijk irritant. En ik was daar pas. Dat zou wat worden! Daar lag ik dan. Op mijn nieuwe verblijfplaats. Voor wie wist toen reeds hoelang? Nieuwsgierig keek ik rond. Voor zover dat mogelijk was. Zowel links al rechts van mij hing een geel gordijn. En ook voor mijn bed hing er zo één, dat evenwel deels was opzij geschoven. Mijn 'cel' was gevuld met medische apparatuur. En rechts van mijn bed stonden een toetsenbord en een computerscherm.

Aan de overzijde van het lokaal ontwaarde ik enkele cabines, waarschijnlijk identiek aan de mijne. Midden in de ruimte stonden bureaus met daarop grote computerschermen. En aan mijn rechterzijde zag ik vaag een aantal met glas afgeschermde ruimtes. Waarschijnlijk kamers met daarin ook personen die nood hadden aan intensieve verzorging, want zo nu en dan ging daar iemand naar binnen. Na eerst een lapje voor de mond te hebben gebonden en handschoenen te hebben aangedaan. En toen die persoon enkele tellen later terug buiten kwam, werden die dingen terug af- en uitgedaan en vervolgens in een prullenbak gegooid.

Er kwam eindelijk iemand naar me toe. Voorstellen was er niet bij. Mijn pyjama moest uit. Dat was de procedure. Ik weigerde, want zag daar de zin niet van in. De verpleegkundige drong niet aan maar verzekerde me dat men mij de volgende ochtend, na het ochtendtoilet dan wel van outfit zou laten wisselen. Daartegen had ik geen enkel verweer, dus ik zweeg. Ook al omdat het ademen alweer moeilijker begon te gaan. Dat verdomde slijm!

Een kinesist werd er bij gehaald om me te tapoteren op de borst. Dat is met een bepaalde techniek kloppen, om de fluimen los te krijgen. Vervolgens aspireerde hij. De jongeman kende de knepen van het vak. Hij kreeg het slijm vrij gemakkelijk uit mijn luchtpijp. Waarna ik weer wat ademruimte had. Hopelijk genoeg om de nacht door te komen.

En die nacht was vreselijk. De verlichting in de zaal werd gedimd, maar overal brandden en flikkerden er kleine en grotere gekleurde lampjes van de apparatuur verbonden aan de in de zaal geposteerde patiënten. Voortdurend weerklonk een tuten en piepen. En nu en dan ging er een alarm af. Op momenten dat één van de toestellen niet genoeg respons kreeg van het lichaam waaraan het verbonden was, vermoedde ik. En dat zou mij later uit eigen ervaring worden bevestigd. Die keren dat het alarm bij mij afging omdat het zuurstofgehalte in mijn bloed angstwekkend daalde. Doordat mijn longen niet meer gevuld raakten door dat verdomde slijm!

De volgende dag kreeg ik een kattenwas, waarbij helemaal geen rekening werd gehouden met mijn gevoelens noch verlangens. En na deze, nog niet eens de term 'half werk' waardig, activiteit werd me zo een operatieschortje aangedaan, dat veel te klein was! Voor een persoon met dwerggestalte was dat misschien net gepast. Maar allicht doet men die mensen dan een kindermodel aan. Want je aangekleed en op je gemak voelen is op een afdeling IZ blijkbaar niet toegestaan.

Dat dit schortje aanmoet om gemakkelijker de verschillende, aan apparaten verbonden elektroden op je lichaam te kunnen plaatsen is onzin. Dat gaat ook met iets meer textiel om je lijf. En het argument dat het dragen van dat shortje zogezegd is ingegeven vanuit hygiënische overwegingen, is ook nonsens. Een lapje stof dat niet eens je schouders bedekt, slechts net je intieme zone aan het zicht onttrekt en je rug en zitvlak bloot laat... een mensonwaardiger outfit bestaat niet. Verplicht exhibitionisme. En dat alles voor die verpleeglui hun gemak! Triest.

Het steeds maar naar die gele gordijnen moeten liggen turen begon danig op mijn zenuwen te werken. Welke idioot is er in God's, Allah's of wiens naam dan ook ooit op de idee gekomen om die opzichtige kleur te gebruiken? En welke, nog grotere idioten hebben er mee ingestemd en het voorstel goedgekeurd? Als straf zou men ze zelf eens een week in een geelgekleurde cel moeten opsluiten! Gek wordt je daarvan! Bij mij kon dat evenwel niet meer gebeuren, want ik was al gek... van de pijn! En ik moest telkenmale bedelen om pijndovend ijs, dat ik dan op de koop toe meestal niet eens kreeg. Ofwel negeerde men mijn aanwijzingen en plaatste het bevroren water op een plek waar het totaal geen nut had.

En om in plaats van tabletjes pijnmedicatie, via mijn infuus de veel sneller werkende vloeibare variant te krijgen toegediend, daar ging ook eerst een ganse lijdensweg aan vooraf. Onbegrijpelijk, want ik vroeg niet eens zware medicatie. Welke allicht massaal werd toegediend aan de andere personen in de ruimte. Want afgaande van wat ik er zo nu en dan van kon zien waren deze meer dood dan levend.

Af en toe gebeurde het wel eens dat er ineens een ganse resem alarmen tegelijkertijd afgingen. Komende vanuit dezelfde locatie. Dan kwam er langs alle kanten volk aangerend. De gordijnen gingen dicht, maar als de herrie van de overkant kwam, dan kon ik uit de aanvoer van materiaal op karretjes en het zenuwachtig gedoe van verpleegkundigen, artsen en al eens een kinesist, afleiden dat men de persoon in het bed aldaar hetzij trachtte in leven te houden, hetzij er terug leven in te krijgen middels allerlei reanimatietechnieken.

En als er naderhand, als de rust was weergekeerd, nagenoeg geen lichtjes meer schenen aan de overkant, veronderstelde ik dat alle pogingen vruchteloos waren geweest en Pietje de dood de strijd had gewonnen. Wat naderhand werd bevestigd door het feit dat er enkele uren later een leeg bed tegenover me stond. Wachtend op een nieuwe patiënt. En dat duurde nooit lang.

In tegenstelling tot de vorige I.Z.-afdeling waar ik verbleef, waren er in dit ziekenhuis slechts twee bezoekmomenten voorzien. Eén om 15u00 en één om 20u00. En kinderen moesten 14 jaar zijn vooraleer te worden toegelaten. Hier zou ik mijn kroost dus zeker niet te zien krijgen. Het was iedere keer eindeloos wachten op die bezoekmomenten. Van telkens een kwartiertje. Het waren kleine lichtpuntjes in troosteloze, en als oneindig durend aanvoelende dagen en nachten.

Inmiddels was ook mijn rolstoel overgebracht van het ziekenhuis in mijn woonplaats, naar de kliniek waar ik nu verbleef. De I.Z.-afdeling mocht die echter niet binnen. Omdat er geen plaats voor was en deze er ook niet thuishoorde, zo werd me gezegd. Dat ik een andere mening was toegedaan, dat kon niemand van het personeel een snars schelen. Ook niet dat ik bang was dat er iemand zou prutsen aan mijn onbewaakt gestalde rolstoel, in feite een mijn lichaam verplaats- en beweegbaar makende orthese. De stoel naast mijn bed plaatsen zodat ik dagelijks enkele uren zou kunnen opzitten, was helemaal uit den boze. Voor die transfers had men geen tijd en als die rolstoel naast mijn bed stond, zou men te veel moeite hebben om aan mij te werken.

Allemaal nonsens, want er werd nauwelijks naar me omgekeken. Buiten de vlugge wasbeurt 's ochtends en op gestelde tijden een bloedafname, een heraankoppelen van losgekomen elektrodes, en zo meer. Het aspireren werd overgelaten aan een kinesist, want de verpleegkundigen bakten daar niks van. En na een bezoek van de longarts, die ik al van vroeger kende, werd de 'Kuch assistent' ingeschakeld. Dat is een op elektriciteit werkend verplaatsbaar apparaat waaraan een luchtslang zit waaraan een masker is bevestigd, dat op je mond wordt geplaatst. Het toestel stimuleert een kuch door eerst een positieve druk op de luchtwegen te zetten en onmiddellijk erna een negatieve (dus onder-)druk. Waardoor je gaat kuchen. Op het einde van deze drukwissel laat de machine, gedurende een door de operator in te stellen tijd, de luchtwegen  even drukvrij. Waarna de cyclus zich herhaalt. Een aantal keer na elkaar.

Eigenlijk een technisch vrij eenvoudig apparaat, dat men uitsluitend benoemde met de Engelse term 'Cough Assistent'. Allicht om het apparaat, niet veel meer dan een omgebouwde vacuümpomp of zelfs stofzuiger, een meer bijzondere uitstraling te geven. Maar het mag worden gezegd dat ik effectief baat had bij het gebruik ervan. Zelfstandig was is helemaal niet in staat om slijmen op te hoesten, terwijl dat met behulp van dat door de kinesitherapeut bediend toestel, wel ten dele lukte.

Toen ik een keer de drang voelde om stoelgang te maken, meldde ik dat aan de verpleger van dienst. En vroeg om mij rectaal te toucheren. Dat is het manueel verwijderen van ontlasting. Men doet dat door, terwijl je met opgetrokken knieën op je zijde ligt, met de vingers de feces uit je endeldarm te lepelen. Weet je wat de aangesproken verpleegkundige zei? "Laat maar komen. We zullen dat daarna wel opkuisen!" Ik geloofde mijn eigen oren niet! Er werd van me verwacht dat ik 'gewoonweg' mezelf zou onderkakken, waarna ik, en mijn bed, zouden worden verschoond?! Dat kon hij toch niet menen? Maar hij meende het wel! Mijn bezwaren werden simpelweg weggewuifd.

Gelukkig was het loos alarm. Er kwam vrijwel niks. Maar 's avonds werd wel gans de boel ververst. En kwistig dat er werd omgesprongen met papier, lakens en handdoeken! Onverantwoord, vind ik. Hygiëne, akkoord, maar zijn 5 handdoeken, evenveel washandjes en 3 paar handschoenen gebruiken voor één wasbeurt echt nodig?

Wat die weigering om rectaal te toucheren betreft, luchtte ik mijn verontwaardiging bij de hoofdverpleegkundige. Dat was een foute zet. Want als gevolg van die klacht werd ik 's nachts afgedreigd door de nachtzuster. Ik schrok me een hoedje toen die me nors meldde dat, als ik nog een keer mijn bek zou opendoen tegen de hoofdverpleegkundige, het mijn beste dag niet zou zijn.

Daar lag ik dan met pijn en nog op tijd en stond serieuze ademnood, in een vijandige omgeving. Eigenlijk was het al vrij snel duidelijk geweest dat ik op die afdeling niet veel menselijkheid moest verwachten. Elk van de daar werkende verpleegkundigen had slechts een tweetal patiënten onder haar of zijn hoede. Allicht vaak in een toestand van balanceren op de grens tussen leven en dood. Dan zou je toch verwachten dat zij, bij aankomst op de afdeling, voor het aanvatten van hun werkshift, eens even een kijkje zouden nemen om te zien hoe het met die personen was gesteld?

Neen hoor, zij arriveerden, namen hun broodjes uit hun tas, plaatsten die in de koelkast, tokkelden wat op de computer, waar ze mogelijks wel de conditie van hun, op 5 meter daar vandaan liggende patiënt, aflazen, namen deel aan de overdracht door de ploeg voor hen, en kwamen dan een half uur na hun aankomst, tot aan je cel. Om daar wat op de, naast je bed staande computer, te tikken.

Pas toen ik hen zelf aansprak, keken ze voor het eerst mijn richting uit. Vaak een beetje geschrokken. Want gewoon praten deed het merendeel van hun patiënten niet. Die hielden zich doodstil, of waren hoogstens wat aan het ijlen. Als ze bij iemand aan bed kwamen spande dat personeel trouwens altijd eerst een maskertje voor de mond en deed men latex handschoenen aan. Ongetwijfeld noodzakelijk om de verspreiding van kwalijke bacteriën tegen te gaan, maar helemaal niet leuk om telkens zo te worden benaderd. Daar konden zij uiteraard niks aan veranderen, maar ik vermoed dat de meesten van hen daar zelf niet mee in zaten. Later hoorde ik van diverse verpleegkundigen, dat op een afdeling 'Intensieve Zorgen', vaak collega's werkzaam zijn die zich ook reeds tijdens hun studietijd kenmerkten door een asociaal gedrag.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 30 augustus 2009)

14-06-09

Rudi's ontboezemingen - Blind geldgewin

 

Regelmatig krijg ik berichten in mijn mailbox waarin wordt gemeld dat men mij in contact kan brengen met dames, waar wél eens de ware voor mij tussen zou kunnen zitten. Hoe men er bij komt, dat ik daar naar op zoek ben en niet misschien reeds heb gevonden, is voor mij een raadsel. Nu ja, mijn gulzige prullenbak slikt deze berichten met graagte in.

Een kennis van mij heeft ooit eens via zo een 'dating site' een 'blind date' geregeld. Een regelrecht fiasco! Die jongen had een plaatsje gereserveerd, in een stemmig restaurantje. Een vrij exclusieve, en bijgevolg dure eetgelegenheid. Maar ja, die jongeman van tegen de dertig, had een goede job en kon zich dat permitteren. En wou met deze luxe dat bijna tien jaar jonger meisje imponeren. De jongedame, waarmee hij had afgesproken, kwam echter niet opdagen! Dus zat hij daar de ganse avond aan dat tafeltje, bij kaarslicht, en helemaal allen. Absoluut niet romantisch!

Achteraf heeft hij dan vernomen wat er was gebeurd. Via de chat, want toentertijd was de aankoop van een mobieltje slechts weggelegd voor rijke mensen, zakenlui en prostituees. Dat meisje waarvan sprake, had haar weg naar de plaats van afspraak niet gevonden. De jongedame, zo bleek, was immers blind! En haar geleidehond was net die avond van haar weggelopen! Met haar witte geleidestok in zijn bek!

Mijn kennis is na het 'lezen' van die uitleg niet meer bijgekomen... van het lachen! Zijn mama, gealarmeerd door het lachsalvo, en vervolgens het geluid van een klap, komend uit die jongen zijn slaap- annex studeerkamer, vond hem dubbelgevouwen van het lachen, naast zijn bureaustoel. Hij had zich daarenboven ook nog eens een breuk gelachen. En was er dus erg aan toe.

Uiteindelijk is mijn kennis met zware hoofdwonden opgenomen in het lokale ziekenhuis. Géén idee hebbend van wat er aan de hand was, had zijn mama immers om een ziekenwagen gebeld. Toen die arriveerde, was mijn kennis evenwel al wat bekomen. En de ambulancier van dienst, een potige kerel, kon er niet mee lachen dat hij voor niks was uitgerukt. Bovendien bleek die blinde date zijn nichtje te zijn! En vond hij derhalve het gebeurde helemaal niet grappig. Mijn kennis heeft dat geweten! En zal daar blijvend aan worden herinnerd, telkens hij in de spiegel kijkt en de littekens ziet op zijn gezicht.

Eind goed, al goed, evenwel. Dat meisje is mijn kennis komen opzoeken in het hospitaal. Dat ze probleemloos vond! Neen, die hond was nog niet teruggevonden, net zo min als haar geleidestok. Ze had gewoon haar bril afgezet. En wat bleek? Dat ze kon zien! Een beetje troebel, dat wel, maar ze zag! Door dat verbouwereerd meisje op de rooster gelegd, bekende haar pleegmoeder huilend, uit vrees voor de gevolgen van haar confessie, dat zij en haar drugsverslaafde man, het blinde meisje, dat dus helemaal niet blind bleek te zijn, van kleins af aan een donkere bril hadden opgezet, zodat iedereen dacht dat het lief kind blind was, en ze derhalve dubbel kindergeld konden opstrijken!

Gedane zaken nemen géén keer. De tijd terugdraaien gaat immers (voorlopig?) nog niet. Derhalve vergaf dat meisje haar pleegouders hun zonde, en stapte met mijn kennis de boot in. Hij was in die tijd immers matroos op een binnenschip. En zonder bril zag dat jong vrouwmens mijn kennis goed zitten. Allicht omdat haar zicht toch ietwat troebel bleef; Oh ja, inderdaad: ze leefden nog veel en kregen lange kinderen.

Rudi, 6 september 2008 (revisie op 14 juni 2009)

12-05-09

De avonturen van Rudi & Co - Weekendrelaas

 

We hebben alweer een bewogen weekend achter de rug. Bewogen in de betekenis die dat woord voor me heeft, sinds ik continue in een invalidenkarretje zit. Want vroeger lagen de criteria vooraleer er van opwinding sprake was, een stuk hoger. Maar vroeger is vroeger, en nu is nu. In onze dromen kunnen we weliswaar nog eens heuglijke feiten uit ons verleden herbeleven. Maar het is het heden dat het belangrijkst is, want daar leven we in.

Op zaterdagochtend werd mijn voetballende kroost op het voetbalveld van de eigen club verwacht, voor de laatste competitiewedstrijd van het seizoen. Drie kwartier voor de aftrap waren we ter plaatse. Terwijl mijn twee zoons de kleedkamer opzochten, hoopte ik de kantine binnen te geraken.

Gelukkig zagen enkele andere ouders me aankomen. Want niet alleen de deur moet voor me worden open gehouden. Twee maand na opening van de kantine is er bovendien nog steeds geen hellend vlak aangelegd. Dus elke keer dat ik het gebouw binnen treed of verlaat, moet iemand zijn of haar handen vuilmaken om daar een, door mij in de buurt gevonden plaat, in de deuropening te leggen.

De papa van één van mijn zoons' ploegmaatjes kon dat niet méér aanzien en bracht daarom een week of vier geleden zelf een stevige oprijplaat mee. Het enige dat men nog moest doen was ze aan de grond bevestigen. Ze staat daar, ongebruikt, naast de deur. Toen die vader op zondag iemand van de verantwoordelijken hierover interpelleerde, kreeg hij als antwoord: "We hebben nog wel andere dingen te doen, hoor!

Terug naar zaterdag. Toen volgens mij en mijn horloge het moment van spelen was aangebroken, hield ik de scheidsrechter staande. Die man wist me te vertellen dat de tegenstrever nog niet was gearriveerd. "Misschien zijn ze naar de oude terreinlocatie gereden" werd door iemand geopperd. Waarom men, in tijden waar zelfs een klein kind met een mobiele telefoon rondloopt, niet trachtte de club van de tegenstrever per GSM te bereiken, is me een raadsel.

Een half uur nadat de aftrap had moeten gegeven zijn, had er dan toch iemand het initiatief genomen om de telefoon ter hand te nemen en te bellen. En kwam men zo te weten dat de tegenstrever niet genoeg spelertjes bij elkaar had gekregen, en daarom maar had beslist om thuis te blijven. Zonder te verwittigen!

Raar volk in die voetbalclubs, als je het mij vraagt. De moderne communicatietechnieken zijn klaarblijkelijk nog niet tot in die kringen doorgedrongen. In kerkelijke middens is dat dus wel het geval. Want die middag werd me, via mijn mobieltje, gevraagd of mijn kinderen die avond konden invallen als misdienaar, voor een jongen die ziek was. Meegaand als ik ben, stemde ik natuurlijk in.

Dus zat ik daar in de late namiddag, in plaats van aan de open haard in mijn huis, warm ingeduffeld in de kille kerk. Mijn kinderen dienden een pastoor, die blijkbaar inviel voor onze eigen pastoor. Of die laatstgenoemde ziek, op retraite, op reis, of waar dan ook was, kwamen we niet te weten.

De celebrant leidde de dienst net iets anders dan de parochianen gewoon zijn, waardoor één en ander niet volledig vlekkeloos verliep, maar niemand maalde daar om. Wat mij wel pissig maakte was het feit dat die priester mij de communie niet gaf. Ik floot even, maar hij hoorde mij niet. Mijn zoon moest die vent tot bij mij sturen.

"Het lichaam van Christus," zei hij. Waarop ik antwoordde: "'t zal tijd worden." Ze prediken potverdorie dat de gelovigen oog en oor moeten hebben voor hun naaste, en vooral voor dezen die ziek zijn of een handicap hebben. Maar zelf zien ze iemand die in een rolstoel zit, niet eens staan! Vergetelheid? Menselijk? Vergeet het! Schijnheiligheid noem ik dat, en een verkeerd voorbeeld voor iedereen. En denk je dat zo een klojo zich naderhand komt verontschuldigen? Vergeet het! Die ziet niet eens in hoe vernederend zijn gedrag is voor degene die er het slachtoffer van is.

Op zondag stonden we alweer op een voetbalveld. Voor een tornooi van vier wedstrijden. En alweer had een ploeg forfait gegeven. En het team waar de kinderen de dag voordien hadden moeten tegen spelen, was er nu wel, maar ze speelden in een andere reeks. Ik trek me van alle heisa rond zulke organisaties weinig aan. Zo lang mijn zonen maar tevreden zijn en de kans krijgen om hun favoriete sport te beoefenen.

In de kantine van de gastclub kon ik natuurlijk ook niet binnen, maar twee mannen waren onmiddellijk bereid enkele planken bij elkaar te zoeken, waarmee ik mij, met de hulp van enkele andere spelersvaders, kon behelpen. Het werd wel een lange dag, want we waren al ter plaatse voor de middag, en moesten tot zeven uur 's avonds wachten om terug huiswaarts te keren. Eerder kon het rolstoelvervoer ons niet afhalen. Zo gaat dat, als je voor je mobiliteit afhankelijk bent van derden.

's Avonds keek ik op Canvas naar Panorama, waarin men een Amerikaanse reportage uitzond over leningen tegen woekerintresten. Misschien moet ik bij ons maar eens op zoek gaan naar zo een bureau, om de financiering van een eigen busje te bekostigen. Ik zal dan uiteindelijk de helft méér uitgeven dan het basisbedrag, maar zo geraak ik dan tenminste toch aan de centen. Want met bidden alleen kom ik er allicht niet. Dat levert me slechts ternauwernood een hostie op. Was het gisteren wat minder koud geweest en had het niet geregend, dan had ik misschien een persoonlijke 1 mei optocht gehouden met de eis: 'iedere rolstoeler een eigen camionette!'

Ru(sh)di(e), 2 mei 2006 (revisie op 11 mei 2009)

11-05-09

Rudi’s overdenkingen - Vooringenomenheid

 

Vooringenomenheid is een kwalijke karaktereigenschap. Personen beoordelen op basis van hun uiterlijk, hun afkomst of geruchten die over hen de ronde doen, is verwerpelijk. Ik heb de jammerlijke pech in deze materie een onderlegd ervaringsdeskundige te zijn.

Sinds ik als prille twintiger van onder mijn ouders' vleugels kon vandaan komen, heb ik mijn haren laten groeien naar het voorbeeld van Jezus Christus. Nu ja, eigenlijk had God's enig geboren zoon niks met mijn keuze te maken. Ik voel me gewoon het prettigst met lange manen. Wat ik evenwel nooit begrepen heb, is dat vele van die vrome Christenen, die dat langharig personage aan het kruis aanbidden, mijn lange haartooi verwerpelijk vinden. Een langharige waarvan men gelooft dat hij mirakels kon verrichten, is een goeie. Iemand die goed studeert, hard werkt, maar géén mirakels op zijn actief heeft staan, is tuig. Dat is hetgeen ik daaruit concludeer, maar ook helemaal niet begrijp.

En sinds ik in een rolstoel zit, moet ik constant ervaren dat de grote massa er van uitgaat dat iemand die niet meer op zijn of haar benen kan staan, ook geestelijk niet meer functioneert. Het zijn potverdorie zij, die dat denken, wiens psyche stilligt! Maar maak het hen maar eens wijs. Tracht hen daar maar eens van te overtuigen. Als het aanwezig is, zit de vooringenomenheid er zo ingebakken, dat je het niet zomaar uit die mensen hun hoofd krijgt.

Ook ten overstaan van mensen met een andere huidskleur bestaat er heel veel vooringenomenheid. In Afrika ziet men de blanke man (en vrouw) doorgaans als een rijke stinkerd, die bij hem of haar thuis in Europa of Amerika, het geld maar voor het rapen heeft, zonder er arbeid voor te moeten verrichten.

En hier bij ons, in West Europa, worden mensen met een donkerbruin kleurtje nog al te vaak aanzien als gelukzoekers, die van onze sociale voorzieningen komen profiteren. Die zijn er ongetwijfeld ook, maar dat is een minderheid. En personen met een lichtbruine huidskleur en kroezelig haar, zijn helemaal de kop van jut. Want die krijgen, zonder onderscheidt het etiket 'Marokkaan' of 'Noord-Afrikaan' opgeplakt. En meteen gestigmatiseerd als crimineel. Nu zijn er wel problemen met bepaalde groepen jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst, maar om daarom iedereen met zo een uiterlijk over dezelfde kam te scheren, dat gaat veel te ver!

Mijn echtgenote is van West-Afrikaanse oorsprong. Donderbruin dus. En nog dikwijls verbaas ik mij erover hoe mensen tegenover haar reageren, uitsluitend omwille van haar huidskleur. Ofwel wordt ze genegeerd, ofwel wordt ze geviseerd. Om een voorbeeld te geven: het gebeurt dat ze in een groep staat, waar iemand bijkomt. Iedereen wordt door deze persoon begroet en krijgt een hand, behalve dat zwartje. Alsof zij géén mens is en géén gevoelens heeft. Nog een voorbeeld: in de supermarkt stoot zij met haar karretje per ongeluk iemand aan. Nog voor ze zich kan excuseren krijgt ze een lading verwensingen over zich heen, die helemaal niet in verhouding staat tot de omvang van het gebeurde. Maar ja, de aangestoten persoon heeft mijn eega haar huidskleur gezien. Het is een 'vreemde', dus zal ze het wel expres hebben gedaan!

Onze kinderen hebben een lichtbruine huidskleur. Als gevolg daarvan worden zij dikwijls verkeerdelijk aanzien als Noord-Afrikanen en dienovereenkomstig per definitie als boefjes bejegend. Ontelbaar zijn de keren dat zij onterecht als aanstokers werden aangeduid bij conflicten waar ze dikwijls niet eens bij betrokken waren. Ik heb het in een warenhuis meegemaakt, dat één van mijn zoons zogezegd op heterdaad werd betrapt met een artikel waar ik, die enkele gangen verder rondreed, de jongen had omgestuurd. Dezelfde jongen werd, in een andere grootwinkel, eens door het personeel op de vingers getikt, terwijl hij de pakjes chips, die een groepje andere jongeren had laten vallen, terug in de rekken legde.

Het gebeurde meermaals dat blanke ouders met hun blanke kroost vertrokken, op het moment dat mijn kinderen op een speelpleintje arriveerden, een springkasteel betraden of in het ballenbad doken. Vooringenomenheid leidt tot onverdraagzaamheid, discriminatie en racisme.

Uiteraard kan men voor iedere vorm van onverdraagzaamheid op zoek gaan naar de oorsprong ervan. En die is inderdaad wel, minstens deels, te wijten aan het gedrag van bepaalde individuen uit de geviseerde groep. Maar deze gebruiken als vergoelijking voor dit foute gedrag en denkbeeld, daar ben ik het totaal niet mee eens. Ieder persoon moet er naar streven elke soortgenoot met een open geest te benaderen. Hoe moeilijk dat bij tijd en wijl ook mag zijn.

Ru(sh)di(e), 1 mei 2006 (revisie op 7 mei 2009)

08-05-09

Rudi’s overdenkingen - Russische huwelijkskandidates

 

Vele jaren geleden maakte ik geregeld op een Engelstalige site een praatje met leeftijdsgenoten uit voornamelijk de Verenigde Staten van Amerika. Toentertijd vond ik dat best leuk. We wisselden ervaringen uit op zowel persoonlijk als professioneel vlak. Door allerlei factoren kwam het er niet meer van die website te bezoeken en de contacten gingen verloren.

De voorbije winter, op een sombere, donkere dag, had ik ineens heimwee naar die tijd, naar die praatjes. De site van toen vond ik niet meer terug. Uiteindelijk kwam ik na wat googelen, terecht op de chat van een datingsite. Vooraleer te kunnen chatten moest ik een persoonlijk profiel aanmaken. Ik worstelde mij er doorheen en plaatste er zelfs een foto bij. Toen ik eindelijk met chatten kon starten, bleek echter, in geen enkele discussiegroep, het voeren van een ernstig gesprek mogelijk te zijn. Dus was ik er, enigszins teleurgesteld, snel weg.

Een goeie week na die mislukte chat-sessie, kreeg ik in mijn elektronische brievenbus de melding dat er in de mailbox, verbonden aan mijn profiel op de datingsite, een bericht was toegekomen. Nieuwsgierig ging ik vlug een kijkje nemen. Toen ik het bericht opende werd in eerste instantie mijn aandacht getrokken door de foto van een knappe, langharige blondine. Uit het in slecht Engels opgesteld berichtje kon ik opmaken dat deze achtentwintigjarige Russische dame op zoek was naar een Europese huwelijkspartner. Afgaande op mijn profiel meende ze dat ik wel eens voor haar de ware zou kunnen zijn.

Alhoewel ik onmiddellijk mijn bedenkingen had, moet ik toegeven dat ik me toch enigszins gevleid voelde. Per slot van rekening had die knappe griet mij uitgekozen uit ik weet niet hoeveel kandidaten. Allicht was ik niet de enige kanshebber, maar ik lag in ieder geval in de goede schuif. Ik besloot te reageren, teneinde iets meer te weten te komen over dit meisje en haar beweegredenen.

In mijn profiel staat dat ik gehuwd ben en kinderen heb. Dat stelde ik in mijn antwoord nog eens duidelijk. En dat ik derhalve geen potentiële huwelijkspartner was. Olga liet zich hierdoor echter niet afschrikken en liet me weten dat ze ook was geïnteresseerd in een gewone vriendschap. Ik had daar zo mijn twijfels over. We stuurden nog een aantal berichten naar elkaar. Zo kwam ik te weten dat mijn correspondente alleen woonde in een kleine flat en ondanks een universitair diploma een armzalig kantoorbaantje had. Vader was als soldaat gestorven op het slagveld. En zij wou graag in staat zijn beter te zorgen voor haar moeder en haar nog thuiswonende broer. En een beter leven voor zichzelf. Niet in Rusland waar, naar ze schreef, de mannen enkel zuipen en hun vrouw slaan. Een leven in Europa was haar doel!

Toen ik Olga voorzichtig duidelijk maakte dat het leven in West-Europa ook niet steeds over een pad van rozen loopt en dat ze bij een eventuele migratie ook het taalprobleem, het verschil in cultuur en mogelijks het opduiken van heimwee, niet over het hoofd mocht zien, kreeg ik geen respons meer. En ik vond het best zo. Ik wist genoeg.

Aangezien het me toch niks kost behield ik mijn profiel op de datingsite. Sindsdien ga ik, telkens wanneer er enkele meldingen van nieuwe berichten in mijn mailbox zijn verschenen, een kijkje nemen.

Af en toe zit er een berichtje tussen van iemand die op zoek is naar een zakenpartner. Of een persoon die handelswaar heeft aan te bieden. Maar het gros der berichten betreft dames die op zoek zijn naar de ware. Voornamelijk twintigers en dertigers. Hun toekomstige mag meestal wat ouder zijn. Dat steekt niet zo nauw. Als hij er maar warmpjes bijzit. En met de vrouwtjes wil trouwen. Want ze azen uiteraard voornamelijk op een Europees paspoort. En een onbekommerd, luxueus leven. En wie kan het hen kwalijk nemen, die meiden uit vooral Rusland. Alhoewel, af en toe glipt er wel eens iemand met een andere nationaliteit tussen.

Zoals de exotische Nigeriaanse Tamy. Die wel ver gaat in haar pogingen om in Europa een echtgenoot aan de haak te slaan. De naar eigen verklaring oprechte en vredevolle dame, zond me een foto waarop ze haar in weinig verhullende kleding gestopte ebbenhoutkleurige lichaam verleidelijk etaleert. Ze schrijft verder een man te zoeken die relaties uitermate ernstig neemt en weet hoe een vrouw te behagen.

Maar de meeste mail is dus afkomstig van dames uit diverse lidstaten van de Russische federatie. Juliya, Alesya, Lena, Olga (nog één),.... Stuk voor stuk knappe grieten. En nagenoeg allemaal hebben ze een universitair diploma. Maar geen enkele van die intelligente modellen slaagt er in om zich in een deftig Engelstalig briefje voor te stellen. Vrij vertaald klinkt het steeds ongeveer als volgt:

"Dag, hoe jij?

Mijn naam is xxx. Tot mij, xx jaar, ik woon in Rusland, in de stad xxx.

Ik bestudeerde je structuur en wou zien dat jij de man bent die interessant genoeg is om te ontmoeten. Ik ben een harmonieuze jonge vrouw, sociaal en charmant. Ik zou graag meer verbonden worden met jou. En jou leren kennen is beter. Als je niet tegen mij bent om te communiceren, zal ik je brief verwachten.

Ik zal vooruit kijken!"

Deze kunstmatige zinsbouw, met veelal nogal wat onleesbare tekst en tekens ertussen, doet me vermoeden dat de dames geen gebenedijd woord Engels kennen en gebruik maken van vertaalrobots. Die vindt je tegenwoordig immers overal. Zelfs op het internet. Het zou me trouwens niet verbazen indien er een ganse organisatie zou schuilgaan achter die naar een huwelijk hunkerende vrouwen. Een bruidjesmaffia die gebruik maakt van de datingsite om Russische vrouwen legaal in Europa te krijgen! En die sturen wellicht berichtjes met afbeeldingen van mooie vrouwen naar alle West-Europese mannen die op de datingsite een persoonlijk profiel hebben aangemaakt. Er zal er af en toe wel één zijn die zich laat vangen, zeker?

Moeten er nog Russische bruidjes zijn? Ik heb de connecties!

Ru(sh)di(e), 14 april 2006 (revisie op 27 april 2009)

03-05-09

De avonturen van Rudi & Co - alweer een deel

 

Sinds zowat driekwart jaar oefen ik, met de hulp van een logopediste, mijn adembeheersing en spreekkwaliteit. Door die verlamming bedraagt mijn longcapaciteit immers slechts de helft van wat het voor een persoon van mijn leeftijd en gestalte zou moeten zijn, en nu tracht ik daar door oefenen en het gebruik van spreektechnieken, het maximale uit te halen.

Tijdens die stemoefeningen bleek dat ik een spraakgebrek heb. Ik was me daar totaal niet van bewust. Niemand heeft het me ooit gezegd en zelf had ik er blijkbaar nooit op gelet. Sommige letters spreek ik soms verkeerd uit: 'S' in plaats van 'Z', 'F' waar het 'V' moet zijn, en zo meer. En blijkbaar ben ik niet de enige die zulks doet.

Gisteren woonde ik, samen met mijn zoons, de eucharistieviering bij in de kerk, gelegen in het centrum van onze woonplaats. De celebrant had het er in zijn homilie over dat het tijd wordt dat gelovigen terug durven uit te komen voor hun overtuiging. Dat ze het Woord van Jezus Christus uitdragen, en dat, en hij herhaalde het een aantal keer: in naam van de 'Geilige Geest'!

Woensdag jongstleden was ik in het voetbalstadion van 'Sporting Lokeren'. Ik volgde de wedstrijd van de thuisploeg tegen Sint-Truiden in de 1/8 finale voor de 'Beker van België'. De kinderen had ik thuis gelaten, want op een schooldag horen die in bed te liggen op het uur dat de match aanving, zijnde acht uur 's avonds. Lokeren won de wedstrijd, met nogal wat geluk, en stoot als gevolg daarvan door naar de kwartfinales, waar het zal moeten optornen tegen provinciegenoot Gent.

Dat voor wat het sportieve gedeelte van de avond betreft. Ik wil immers melding maken van een incident dat plaatsvond naast de grasmat. Omdat er elders geen plaats voor me is, had ik naar gewoonte plaatsgenomen in de dug-out naast deze van de bezoekende club. Voor wie dat niet kent: een dug-out is een schuilhok met daarin (klap)stoelen, waarop doorgaans trainer(s), dokter, verzorger(s) en wisselspelers plaatsnemen, zodat ze enigszins beschut zijn tegen koude, regen en wind. In Lokeren hebben ze er dus ook zo eentje voor de 'mindervaliden'.

Toen ik arriveerde zaten er in 'het onze' reeds enkele mensen. Een oude heer in een manuele rolstoel, een valide oudere dame die zichzelf opwerpt als verantwoordelijke voor wat er in het invalidenschuilhok gebeurt en haar mentaal gehandicapte zoon van naar ik schat een jaar of vijfenveertig. Nadat ik hen gedag had gezegd en plaats had genomen voor de klapstoeltjes, kwam daar nog een dame bij met haar fysiek en mentaal beperkt zoontje, en wat later ook een jongeman met een meervoudige handicap, allen habitués.

Net voor de rust stond daar ineens die man in zijn rolstoel naast me. Die wou waarschijnlijk naar het toilet. Hij vroeg me plaats te maken, zodat hij me op de betonstrook kon passeren. Ik zag niet direct een uitweg, plaatste me een beetje schuin, zodat hij toch kon passeren, zonder op het gras te moeten rijden. Toen hij een minuut of vijf later terug kwam, ze ik: "Wacht, ik rij vooruit, dan heb je méér plaats om te passeren", maar die vent wou blijkbaar niet luisteren, want voordat ik mijn machine in beweging had gezet, reed hij me al voorbij: zijn twee linkerwielen op de betonstrook, zijn rechterwielen op het gras. Toen hij het betonvak wou oprijden, bleef zijn rolstoel steken. De man sloeg in paniek - voor zoiets idioots! - en riep om hulp. De zoon van de 'bazin' snelde meteen toe en duwde de oude in zijn kar het beton op.

Maar daar hield het niet bij op. De zoon keerde zich met een op onweer staand gezicht tot mij en brulde: "Niet profiteren, hé! Ik zal het zeggen tegen de bazen, hoor!" Ik waande me even in een kleuterschool. Ik wachtte even, verwachtend dat moeder hem tot de orde zou roepen, maar toen dat niet gebeurde, repliceerde ik dat hij zijn manieren en mond moest houden, en dat hij, als het hem niet aanstond, maar thuis moest blijven. Maar dat drong, zo denk ik, niet tot hem door.

Nu heb ik absoluut niks tegen mensen met een beperkt geestelijk vermogen. Ze kunnen er meestal zelf niet aan doen dat ze zo zijn. Maar dat geeft hen mijns inziens niet het recht om andere mensen te ambeteren. En als men weet dat zij zelf geen controle hebben over hun gedrag, dan moet hun begeleider hen maar in toom houden.

Tijdens de rust reed ik naar die man in zijn rolstoel toe en zei hem in het vervolg te wachten tot ik plaats maak, vooraleer me te passeren. De man zei dat hij me toen niet had verstaan. De moeder en de zoon, die naast de man zaten, hielden zich stil. Ik zweeg ook, want ik had geen zin in nog méér commotie. De meervoudig beperkte jongen kwam na de rust niet meer tussen ons zitten. Die nam plaats op een stoeltje, wel tien meter verder. Die vreesde allicht voor nog méér opschudding.

Ik kwam reeds eerder in aanvaring met het volk dat doorgaans de invaliden dug-out bemand. Ze zitten daar de lucht te bezoedelen met hun rookwaar, slaken oerkreten en zijn als de dood voor 'de bazen van boven': de voorzitter en zijn gevolg'. Maar als mijn zoons wat kabaal maken met hun claxons, beginnen ze te zagen. En als mijn rakkers wat staan te springen en meezingen met de leden van de spionkop, dan klagen ze ook dat ze niks zien en zijn ze, onterecht, bang dat de 'bazen van boven' hun ganse groep buiten het hek zal zetten.

Gelukkig gebeuren er ook wel eens leuke dingen als ik me onder de mensen begeef. Zoals op tweede Kerstdag, toen ik met mijn gezin een Kerstfeestje bijwoonde. We hadden ons net geïnstalleerd aan een tafeltje, toen iemand zachtjes op mijn arm tikte. Ik keek op en zag een klein meisje staan. Ze zei glimlachend "Dag mijnheer" en wuifde me toe met het handje dat me even voorheen had aangeraakt. Ik beantwoordde haar groet breed glimlachend. Ze huppelde olijk weg. Mijn echtgenote vroeg me of ze een reden had tot ongerustheid. We barstten samen in lachen uit.

Het is eens iets anders, die aandacht van kleine meisjes. Tot voor kort waren het vooral dames van rijpere leeftijd die me aandacht schonken. En ik nam daar genoegen mee. Maar daar is recentelijk dus verandering in gekomen. Zo kreeg ik eind december Kerstkaartjes van twee klasgenootjes van mijn zoons. Omdat ze weten dat ziek zijn niet leuk is en ze hopen dat ik spoedig weer beter word. IJdele hoop, helaas, maar hun gebaar ontroerde me wel. Kindjes van acht, die oog hebben voor het leed van een medemens. Het stemt me hoopvol voor de toekomst.

Ru(sh)di(e), 24 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)

24-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Eigenzinnige rolstoelen

 

Door een fout tijdens een nekoperatie, ben ik van de ene op de andere dag zwaar verlamd geraakt.

Strijdlustig als ik ben had ik, op de verzorgingsafdeling, reeds een rolstoel aan mijn bed klaarstaan op het moment dat ik zelfs nog niet eens kon rechtop zitten in mijn bed, zonder bewusteloos te vallen.

Het was een manuele rolstoel, met dubbele hoepel, aangezien ik enkel maar enige functionaliteit overheb in mijn linkerhand. Mijn eerste weken in het revalidatiecentrum maakte ik ook gebruik van dit vehikel om mij, met ontzettend veel moeite, voort te bewegen.

's Avonds zaten wij, de in het revalidatiecentrum residerende patiënten, steeds in twee rijen tegenover elkaar, onder de luifel aan de ingang van het centrum. Voornamelijk ter wille van de rokers, aangezien in het ganse gebouw een rookverbod gold. Zoals gewoonlijk werd er gepraat over van alles en nog wat.

Op een zeker ogenblik wou ik naar binnen. Dus ontgrendelde ik eerst mijn rechter en vervolgens ook mijn linker wielrem. Ik trachtte de stoel in beweging te zetten door aan de hoepels te draaien. En dat lukte. Maar in plaats van vooruit te rijden, bolde mijn wielkar achteruit! Hola, dit ging mis! Terwijl ik achterwaarts een helling afreed, waar ik blijkbaar even tevoren nog had voor gestaan, riep ik nog iets in de trant van "Help! Ik bol weg!" Met al mijn kracht omklemde ik de binnenste hoepel van mijn rolstoel, waardoor de stoel een kwartslag draaide en tot stilstand kwam in de aarde naast het pad en ik met mijn snoet in het struikgewas, maar gelukkig nog steeds in mijn stoel zittend. Een toegesnelde bezoeker bracht mij terug naar waar ik zijn moest. Gelukkig had ik, behalve enkele schrammen in mijn aangezicht, geen letsels opgelopen. 

Enkele weken later heb ik ook een manuele rolstoel met een trek- duw systeem uitgeprobeerd. Dat functioneert met een hendel die je voor en achterwaarts moet bewegen, waardoor de rolstoel in beweging komt. Besturen doe je door aan de hendel te draaien. Op een zonnige middag, na het middagmaal, wou ook ik wel eens een fris luchtje scheppen. Dus reed ik via de openstaande deur het buitenterras aan de achterzijde van het centrum op. Ik bewoog de hendel enkele malen heen en weer en bolde het terras op. Oei, het ging iets te snel. Afremmen dus maar. Maar hela, wat was dat? Dat ding kon potverdorie niet remmen! Mijn karretje meerderde nog vaart. Ik kon nipt de tenen ontwijken van iemand die daar zat uit te rusten, vooraleer met een bonk, maar zonder schade, tot stilstand te komen tegen een plastic tuinzetel die tegen een muurtje aanstond.

'k Heb ook een tijdlang met een elektrisch vehikel rondgereden dat niet erg betrouwbaar was. Zo was ik een keer via de onderaardse gangen van het universitair ziekenhuis op de terugweg van het restaurant naar het R.C., toen het ding ineens naar links afweek en tegen de muur aanreed. Gelukkig zonder erg, en ik kon wonder boven wonder mijn weg verder zetten. De rolstoel hield zich koest.

Na mijn revalidatie huurde ik een studio van de universiteit waar ik wou studeren. Toen ik nog maar pas een paar dagen in deze studio verbleef, ging de machine waarvan hiervoor sprake,  ook eens ongevraagd met me aan de haal. Het elektrisch aangedreven rolding stuurde zichzelf richting mijn werktafel. Met volle kracht bonkte ik er tegen aan. Een poot van mijn bureau vloog er van af, en het tafelblad kwam enkele centimeters omhoog en ik met stoel en al er onder. De bedieningshendel van mijn voertuig kwam vast te zitten onder het bureaublad. Daardoor bleven mijn wielen op volle kracht draaien. Die stoel wou verder rijden, maar kon niet. En ik zat in die monstermachine, gekneld tussen die stoel en mijn tafelblad.

Middels mijn mobiele telefoon één van mijn valide buren ter hulp roepen, had weinig zin, aangezien ik niet bij de deurknop kon om hen binnen te laten. De enige persoon die een  badge had waarmee hij mijn studio kon betreden, was mijn thuisverpleger. Dus belde ik die maar op. Hij was al  onderweg voor mijn avondlijke verzorging en in bed legging. Een meevaller, dus! Toen de man even later arriveerde was mijn machine net stilgevallen. Waarschijnlijk omdat inmiddels de batterijen leeg waren. De verpleger haalde me uit mijn benarde positie en duwde mijn stoel handmatig naar mijn bed. Het bedieningspaneel kreeg hij met een flinke wrong ook min of meer terug in de juiste positie. Na een nachtje laden werkte het ding alweer maar ik was nu nog meer dan voorheen op mijn hoede voor ongewenste eigenzinnige onverhoedse bewegingen van die rolstoel.

Met mijn nieuwe elektrische rolstoel heb ik eens ontzettend veel geluk gehad. Het was zaterdagnamiddag. Ik had de kinderen weggebracht, want die moesten naar een voetbaltornooi. Zelf was ik de andere kant uitgereden. Die dag had immers de 'Omloop van Het Volk' plaats, met aankomst in mijn woonplaats. Als aanloop, en in afwachting daarvan, werd een beloftewedstrijd gereden.

Ik kwam nog net op tijd om de laatste twee rondes en de aankomst hiervan te zien. En vast te stellen dat veel van die coureurs een schoon lief hebben. Daarna reed ik even naar huis, om te plassen. Ik kwam de inkomhal van onze woning binnen gereden en hoorde een stuiterend geluid. Bleek dat bolletje van de bedieningshendel van mijn rolstoel eraf gevallen te zijn. In huis was dat, door mijn vrouw, gemakkelijk terug te vinden, maar was dat op straat gebeurd, tussen al dat volk, dan was ik dat waarschijnlijk kwijt geweest en zou ik daar mooi gestaan hebben, geen kant meer uit kunnend.

Ru(sh)di(e), 5 februari 2003 (revisie op 18 april 2009)

21-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Opschudding op ons adres!

  

Wij huizen in de linkerzijde van een dubbelwoonst. In het rechter gedeelte van het gebouw was vroeger mijn handelszaak gevestigd. Met op de bovenverdieping en op de zolder de burelen en op het gelijkvloers achteraan een werkplaats en vooraan een kleine winkel, met een aparte buitendeur en ook een deur die uitkomt in de inkomhal van het woongedeelte.

Die zaterdagnamiddag stond ik achteraan in de winkel uitleg te verschaffen aan een klant, toen ik een sirene hoorde. Terwijl ik verder praatte met de klant, keek ik door het etalageraam naar buiten. Even later zag ik op straat een politieauto verschijnen met het blauwe zwaailicht aan. En het voertuig kwam onze parking opgereden! Ik vreesde onmiddellijk dat er iets aan de hand was met mijn echtgenote of één van onze kinderen, die toen een jaar of twee oud waren. Ik wou naar de verbindingsdeur snellen, maar er stonden nogal wat klanten in de zaak en mijn medewerker stond net in die hoek een volledig computersysteem in de dozen te stoppen, nadat hij, zoals bij onze service hoorde, die mensen een bondige uitleg had gegeven over de werking van hun apparatuur.

Dus excuseerde ik me bij mijn klanten en liep ik via de achterdeur langs onze tuin naar de achterdeur van het huisdeel waar we wonen en holde via de veranda en daarna de keuken, de living binnen. Mijn kindjes zaten te spelen. Oef! Met hen was er alvast niks aan de hand. Maar waar was hun mama? Achteraf bleek dat zij middelerwijl via de verbindingsdeur in de winkel naar mij op zoek was gegaan omdat ze dacht dat er bij mij in de zaak iets was gebeurd. We troffen elkaar uiteindelijk aan in de inkomhal van onze woning, waar mijn echtgenote net de voordeur opende. Er stonden twee politieagenten. Eén van hen zei dat ze naar ons adres waren gestuurd omdat er bij de alarmcentrale een telefonische oproep was binnengekomen, afkomstig vanuit ons huis.

Mijn eega en ik keken elkaar vragend aan. De dienaar van de wet, die ons twee allicht uit de lucht zag vallen, vroeg of we kinderen hadden. We knikten allebei bevestigend en zeiden een tweeling te hebben van twee. Daarop openden we de deur naar de living. We keken de ruimte in. De telefoon stond op zijn gewone plaats. Met de hoorn netjes op de haak. En op mijn vraag of zij met de telefoon hadden gespeeld, schudden mijn kindjes uiteraard ontkennend het hoofd.

En toch moet één van onze jongens van een onoplettendheid van zijn mama hebben geprofiteerd om met de telefoon te spelen en, aangezien geen enkel nummer is voorgeprogrammeerd, puur toevallig het telefoonnummer van de hulpdiensten hebben ingetoetst.

We keerden terug naar de wachtende politiemannen in onze inkomhal en verontschuldigden ons voor de valse oproep. De agent zei glimlachend dat dit wel vaker voorkomt, waarna hij en zijn collega ons nog vriendelijk gedag zegden en teruggingen naar hun dienstwagen. En ik me terug naar de wachtende klanten in mijn winkel haastte.

Een dag later is die agent nog eens terug gekomen om mijn identiteitsgegevens te noteren ten behoeve van zijn verslag. Op mijn vraag of het voorval van de dag voordien nog een staartje zou krijgen antwoordde hij negatief. Zolang dit maar eenmalig bleef, zouden wij daar niks meer van horen.

En voorlopig houden mijn zoontjes zich nog steeds gedeinsd.

Ru(sh)di(e), 6 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

19-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Middelbare schooltijd

 

Tijdens het turnuurtje op school moesten we op zekere dag een veldloop doen, voor punten. Hoe beter onze tijd, hoe hoger ons cijfer zou zijn. De turnleraar deelde ons op in twee groepen. Een eerste groep met de goede en middelmatige lopers, waartoe ik behoorde, en een tweede groep met de mindere atleten.

Het, reeds van eerdere lopen gekende parcours, werd nog eens uitgelegd en onze groep werd opgedragen om te vertrekken. Terwijl de leraar een stopwatch in werking stelde. We liepen een goed tempo. Eén van de jongens zei plots: "Laat ons een kortere weg nemen, dan moeten we minder lopen, zijn we sneller terug en krijgen we bovendien meer punten!" Hij versnelde zijn tempo en ging vooraan lopen. "Langs hier!" riep hij, onderwijl ook met zijn arm de te volgen richting aanwijzend. Hij sloeg een pad in, rechts van de bosweg die we eigenlijk dienden te volgen. We zagen het allemaal wel zitten om de route in te korten en dus volgden we hem.

We konden niet zo snel rennen want dat smalle wegeltje lag bezaaid met takken en andere natuurlijke obstakels. Op de koop toe kwamen we op een gegeven moment aan een beek. Er was geen brugje, maar we moesten er wel over, want aan de andere kant van deze waterweg lag het pad dat we dienden te volgen om weer bij onze turnleraar te geraken. En om terug te keren naar het oorspronkelijke parcours was er geen tijd, want dan kwamen we ongetwijfeld veel te laat aan en zouden we bijgevolg allemaal gebuisd zijn.

Eén jongen, laat ik hem Benny noemen, zei: "Allé jongens, da's toch geen probleem. We nemen een aanloop en springen daar zo over." Dus gingen we, met Benny voorop, allen enkele passen achteruit, namen een aanloop en sprongen... over de beek. Behalve Benny dan, die als eerste sprong en te vroeg afzette, zodat hij, net voor de oever aan de overzijde, met zijn voeten en onderbenen in het water belandde. Met een man of twee trokken we hem aan de kant. Zijn sportschoenen en kousen zaten onder de modder. We liepen vervolgens snel verder, in de hoop toch nog een respectabele tijd neer te kunnen zetten en bijgevolg ook een mooi cijfer te krijgen op ons rapport.

Hard lopend bereikten we het eindpunt, waar onze leraar gymnastiek ons stond op te wachten met één chronometer in de hand en een andere met een touwtje bevestigd rond zijn nek. "Niet denderend hé, jongens?!" zei hij tegen ons nadat alle tijden genoteerd waren en vooraleer te beginnen met deze van de tweede groep jongens op te schrijven, waarvan de snelste loper ook al arriveerde.

Toen iedereen was aangekomen en alle tijden stonden genoteerd, zei onze turnleerkracht het zeer eigenaardig te vinden dat zelfs de traagste loper van de tweede groep een snellere tijd had neergezet dan eenieder van ons, uit de eerste groep. Zeer raar, te meer daar hij ons niet had zien passeren op de controleplaats, ergens halverwege het parcours, waar hij met zijn auto was heengereden om tussentijden te noteren. Wat toch niks anders kon betekenen dan dat we zo hard hadden gelopen dat we die plek reeds waren gepasseerd vooraleer hij er arriveerde? Waren we dan in het tweede stuk volledig stilgevallen, vroeg hij zich luidop af, met een knipoog in onze richting? Nu konden we uiteraard niets anders meer doen dan het bekennen van onze poging tot bedrog. De met modder besmeurde Benny was degene die dat deed in ons aller naam. We waren eigenlijk allemaal een beetje bang dat we nu op ons maandrapport voor turnen een nul zouden krijgen. De leerkracht lichamelijke opvoeding vond onze mislukte oplichterij echter best grappig en liet ons een week later herkansen. 

Eigenlijk ben ik steeds een brave scholier geweest. Voor zover ik me kan herinneren heb ik niet zo dikwijls schelmenstreken uitgehaald. Eén keer was ik, en dan nog uiterst toevallig, betrokken bij iets 'stouts'. Tijdens de namiddagpauze stonden er enkele kinderen in een kring te konkelfoezen. Nieuwsgierig kwam ik nader en keek over hun schouders om te zien wat ze aan het doen waren. Eén van die jongens had iets in zijn handen dat qua vorm en grootte veel weg had van een bierworst.

De eigenaar van dat ding verduidelijkte dat het om een stinkbom ging en vroeg aan de gasten rondom hem of er iemand een doosje lucifers bij zich had om het projectiel mee aan te kunnen strijken. Er waren wel een aantal jongens die een aansteker bij zich hadden, omdat ze al eens een sigaretje rookten, maar geen van hen was in het bezit van een doosje stekskes.

Het toeval wou dat ik wel een pakje vlamhoutjes in mijn boekentas had zitten. Zo een dun pakje, met reclame op de flap, die bedrijven verspreiden als promotieartikel. Ik haalde dat kaartje er dus uit, die jongen streek zijn bom er tegen aan en gooide het ding vervolgens onder het afdak. Inmiddels had het belsignaal weerklonken. Ik stopte het luciferdoosje snel terug in mijn zwartlederen boekentas en spoedde mij net zoals alle andere leerlingen in de richting van mijn rij.

Een luide knal weerklonk. Even was het muisstil. Enkele kinderen keken mijn richting uit, maar ik had het gevoel te worden aankeken door alle 800 leerlingen van de school, alsook door hun leraren. Toen was er alweer geroezemoes en werden er heel veel neuzen dichtgeknepen, want de stank die de ontplofte bom verspreidde was enorm.

De onderdirecteur, geflankeerd door twee studiemeesters, kwam poolshoogte nemen. Een gast uit mijn klas zei: "Ja, nu hang je!" Ik dacht aan die lucifers in mijn tas, die als bewijs tegen mij konden aangewend worden. De rest van de dag heb ik niet op mijn gemak gezeten, want wat indien ze de bommengooier zouden vinden en deze mij zou aanwijzen als medeplichtige? Uiteindelijk bleek die vrees ongegrond te zijn.

Wat me ook eens bijna ernstig in de problemen heeft gebracht op school, is het klokhuis van een appel. Ik had de gewoonte dat restant van mijn dagelijks stuk fruit, tussen de struiken van het, naast de koer van onze school gelegen, stadspark te gooien. Die dag stond ik nogal ver van de omheining af toen ik het eetbare deel van mijn appel achter de kiezen had. En af wou van hetgeen overbleef. Ik verwijderde me twee stappen van het groepje kinderen waar ik bij stond en gooide met een flinke zwaai van mijn arm het klokhuis richting park.

Ai! Dat stuk fruitafval kwam pardoes terecht in de nek, net onder het oor, van een studiemeester, die daar met een collega rondstapte om toezicht te houden. De scholieren die het zagen gebeuren hadden uiteraard dolle pret. Een studiemeester, geveld door een klokhuis! De getroffene daarentegen vond het veel minder leuk. Waarschijnlijk dankzij mijn goede reputatie? of eerder bij gebrek aan een slechte? geloofde die man echter dat ik hem niet expres had bekogeld en aanvaardde hij mijn excuses.

Ru(sh)di(e) 20 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

16-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Nog steeds niet ten einde

 

Een week of twee geleden was het ontzettend warm weer. Zeker voor de tijd van het jaar. Bijna zomers, terwijl de lente nog maar net een aanvang had genomen. Ik had een, vorig jaar voor een prikje in de kringloopwinkel aangekocht, bed laten buiten zetten. Mijn vrouw was zo lief geweest me van mijn stoel naar dat bed te transfereren, mijn schoenen en sokken uit te trekken, en ook mijn pantalon. Genietend van de spierontspannende warme zonnestralen die mijn huid beroerden, lag ik daar, in mijn onderbroek. En dat knoopje van mijn spriet was er af, dus ze stond wat open. Maar ik zat daar niet mee in, want ik dacht immers: "hier komt toch geen kat." Vijf minuten later stonden daar echter een politieagent en een -agente aan mijn voeteinde. Die kwamen mijn verklaring opnemen met betrekking tot de aanrijding door een vrachtwagen van een week tevoren.

Gisteren, vrijdag, was het een heel stuk minder warm. Bovendien waaide er een bitse wind. Gelukkig bleef het droog. In de ochtend had ik mijn kinderen naar school gebracht en in de namiddag ging ik ze ook weer halen, na eerst naar het centrum van mijn woonplaats te zijn gereden om wat boodschappen te doen. Ik ben immers weer een stuk mobieler geworden. Mijn rolstoelleverancier heeft me een wielending ter beschikking gesteld van een nagenoeg identiek type als mijn eigen rolkar. Evenwel niet aangepast aan de noden die mijn handicap met zich meebrengt uiteraard. Dus het zitcomfort is alles behalve goed, maar ik kan me momenteel toch weer een stukje zelfstandiger voortbewegen.

Eigenlijk vind ik het toch wel erg dat ik in deze situatie totaal ben overgeleverd aan de goede wil van mijn rolstoelleverancier. Uiteraard zullen die mensen iets verdienen aan de herstelling van mijn rolstoel, maar ze hadden me net zo goed in de kou kunnen laten staan, want hun zaak zal allicht ook wel draaien zonder mij als klant. Ik zal me dus maar gelukkig prijzen dat de hersteller, nota bene toch ook een commerciële handelszaak, als enige betrokken partij toch enige menselijkheid toont. Bij de verzekeringsmaatschappijen en bij het gerecht wordt de humane factor klaarblijkelijk sowieso volledig uitgeschakeld. Oh, mijn makelaar doet zijn uiterste best voor een snelle voortgang, maar die man kan duidelijk ook niks forceren in dat onwelwillend, bureaucratisch systeem.

Goed nieuws! Voor mij althans in elk geval. Vrijdagochtend belde ik het plaatselijke OCMW naar aanleiding van de tijding die me bereikt had dat zij sinds kort zouden beschikken over een vervoermiddel voor rolstoelers. Nauwelijks een half uur later kwam hun busje reeds de voor onze woning gelegen parking opgereden. Een prachtig vehikel: ruim, met een goede (ik vermoed dubbele) vering, voorzien van een stevige, veilige lift en van een deugdelijk vastkliksysteem. Het voertuig rijdt soepel en de bestuurster is een sympathieke, praatgrage dame. Ik was haar eerste, en voorlopig ook enige klant. Ondanks het feit dat ze reeds her en der folders hadden verspreid om deze nieuwe dienst aan te prijzen, waren er nog geen ritaanvragen binnen gekomen. Het ziet er dus naar uit dat mijn mobiliteitsprobleem deels wordt verminderd. En de chauffeur gaf aan heel flexibel te zijn: avond, weekend, grote afstanden (naar de kust bijvoorbeeld)... alles is mogelijk. Voorlopig althans.

Na de avondmaaltijd werden onze kinderen afgehaald door hun meter, bij wie ze zouden overnachten. En aangezien wij voor die avond plaatsen hadden gereserveerd voor een concert in het Cultureel Centrum, verlieten ook mijn echtgenote en ikzelf even later ons huis. Mijn vrouw per auto, ik - noodgedwongen - rolstoelend. En, net zoals in de voormiddag, met aanhoudend van spasmes trillende benen en voeten. Normaliter heb ik daar niet zoveel last van, maar de vochtige lucht, en vooral de totaal verkeerde zithouding veroorzaakten dat nu. Gelukkig had ik me goed aan mijn stoel laten vastmaken met een nauwsluitende heupgordel0. Anders was ik ongetwijfeld reeds na vijf minuten uit mijn stoel gewipt.

Onderweg werd ik aangesproken door een allochtone jongen. Hij trachtte me een lotje voor één of andere tombola te verkopen, maar ik moest hem spijtig genoeg teleurstellen, want ik had totaal géén geld bij me. Dat vind ik nu zo leuk aan, vooral zeer jonge,  kinderen. Jong, oud, mooi of lelijk: die zien gewoon een mens en die gedragen zich tegenover iemand in een rolstoel ook niet anders dan ten overstaan van een valide persoon. Een oudere autochtone man,  die waarschijnlijk even daarvoor zijn geldbeugel had aangesproken om een lotje van het ventje te kopen, lachte me vanuit zijn deuropening toe en zei: "Ja, hij wil persé verkopen!".

Met onafgebroken op de voetplankjes van mijn rolstoel opwippende voeten, onderbenen en knieën zat ik even later aan de ingang van het Cultureel Centrum, gelegen achter de hoofdkerk van onze woonplaats, te wachten op mijn echtgenote. Vele passanten zullen hierdoor allicht bevestigd hebben gezien dat mensen in een rolstoel zich toch maar raar gedragen. En toen ik even later in de zaal mijn stekje aan de zijkant van de publiekszitjes had ingenomen en de artiest waarvoor we gekomen waren vooraan op het podium stond, zag ik hem tevreden mijn richting uitkijken. Die dacht waarschijnlijk: "Ha, die kerel heeft er wel zin in vanavond. Die zit al te huppelen nog vooraleer ik mijn eerste noot zing."

Zijn begeleidingsgroep heet Bamada, terwijl de man zelf Habib Koité noemt. We hebben trouwens wat gemeen, hij en ik. Niemand leerde Habib ooit gitaar spelen. Mij ook niet. Niemand leerde hem ooit zingen. Mij ook niet. Maar daar stopt de gelijkenis, want hij kan het nu wél. En goed! Ik niet. Ze zijn allen afkomstig uit Mali, een Afrikaans land, dat onze West-Europese ooievaars wel eens als overwinteringoord durven uit te kiezen. En die artiesten brachten wereldmuziek ten gehore. Niet echt mijn ding, maar voor één keer was het best te smaken.

Na enige nummers verlieten enkele toeschouwers, en even later nog een pak meer, hun zitje om voor het podium, hun lichaam te bewegen op de tonen van de muziek. Blijkbaar hoort bij dit muziekgenre tegenwoordig een zeer lachverwekende dansstijl. Mogelijks is dat altijd zo geweest, maar ben ik gewoon reeds te lang uit het festivalcircuit om mij dit te herinneren. Maar die mensen amuseerden zich en bij het aanschouwen van vrolijke mensen wordt mijn stemming doorgaans eveneens goed. Zo ook gisteren. Het kan natuurlijk ook jaloezie geweest zijn waardoor ik hun konkelend bewegen als uiterst komisch ervoer, want ik had best ook graag tussen hen in onnozel staan doen. Maar dat 'staan' 'gaat' (!) spijtig genoeg niet meer.

En ik zou bovendien zeker niet uit de toon zijn gevallen tussen die, nou ja, ik noem het toch maar, dansende meute. Net zoals een hoop van hen, heb ik een beetje, sommigen zeggen héél veel, het uiterlijk van een overjarige hippie. Enkel het ziekenfondsbrilletje ontbreekt. Nochtans heb ik er thuis zo ééntje liggen. Een zonnebril, is het eigenlijk, met van die gekleurde glazen. Een onderdeel van mijn outfit ten tijde van de New Beat. Het ding laat géén zonlicht door. Eigenlijk vrijwel totaal geen licht. En is bijgevolg niet echt aangewezen om op mijn neus te zetten als ik buiten kom.

Het ganse optreden van Habib Koité & Bamada verliep naar mijn zin een beetje te mat en te eentonig, maar er was wel enorm veel ambiance. En aan het eind van het concert kreeg Habin Koité zelfs de ganse zaal in beweging. Het publiek stond recht en bewoog handen, armen, schouders, romp, benen en voeten zoals de artiest op het podium het hen voordeed. En er werden kreten geslaakt, en enorm veel gelachen. Prachtig om te aanschouwen: allemaal vrolijke, wild bewegende mensen. Werkelijk iedereen deed mee. Behalve ik alweer, uiteraard. Want mijn spasmes waren inmiddels gestopt.

Voor volgende week heb ik ook al iets gepland. Dan zullen ze mijn echtgenote en mezelf zien verschijnen op het lentediner van de politieke partij die de stad waarin in woon bestuurt. De eerste minister van dit land wordt er ook verwacht. Concludeer nu niet meteen dat ik kleur beken. Ik ben immers nogal kleurloos wat politiek betreft. Maar dit is mijns inziens een unieke gelegenheid om in contact te komen met de lokale bewindvoerders en zelfs de huidige chef van 't land. Je weet maar nooit waar dat goed voor kan zijn.

Ru(sh)di(e), 5 april 2003 (revisie op 11 april 2009)

14-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Niet klein te krijgen!

 

De vrijdagochtend na die aanrijding op maandag, heb ik alweer de kinderen naar school gebracht. Met die krakkemikkige rolstoel, waarin ik me nu verplaats. Let op, ik ben blij dat ik iets heb om me in voort te bewegen, maar in dit ding zit ik niet gemakkelijk, ik kan mijn rugleuning, noch mijn beensteunen van positie veranderen en er zit geen kantelverstelling op dit ding. Dus zit ik steeds in dezelfde oncomfortabele positie, wat voor gevolg heeft dat ik na enkele uren mijn bed in moet om te bekomen van de hoofd- en lichaamspijn die deze zithouding me bezorgt.

Maar ik wou het eigenlijk hebben over een voorval die ochtend. Er was weer eens een ongeval gebeurd op de autosnelweg, waardoor het verkeer langs  onze straat werd omgeleid. De straat waarin we wonen maakt immers deel uit van een gewestweg die twee Vlaamse provinciehoofdsteden met elkaar verbindt. Geflankeerd door mijn kinderen reed ik op het fietspad. Een assistente stapte achter ons aan, voor het geval ik op mijn terugweg hulp mocht nodig hebben, want ik betrouwde deze rolstoel niet.

Toen we aan de eerste verkeerslichten kwamen, floepte het licht voor de voetgangers net op rood. De jonge agent die aan de zijkant van de weg stond toe te kijken op het verloop van het verkeer, had ons nog kunnen laten oversteken, zo hij dat wou, maar blijkbaar wou hij dat niet.

Toen even later het voetgangerslicht terug op groen flitste wou ik ogenblikkelijk de baan oversteken, maar mijn assistente hield me met een gil tegen. Bleek dat die agent, uit mijn gezichtsveld, de straat was opgegaan om nog enkele vrachtwagens doorheen het rode licht te loodsen. Terwijl die klojo toch wel zag dat wij daar klaarstonden om over te steken?! Enkele camions draaiden angstwekkend dichtbij onze voeten de straat in. Even later konden we dan toch oversteken, maar toen we halverwege het zebrapad waren stond het voetgangerslicht alweer op rood.

Aangezien ik ervan overtuigd was dat die jongen niet bewust ons leven in gevaar had gebracht, was ik vast van plan hem hierover op mijn terugweg aan te spreken. Toen we terugkeerden stond de jongeman echter op de baan het verkeer te regelen en ik had geen tijd om te wachten tot wanneer hij naar de kant kwam, want mijn kinesist kwam nog en ik wou niet dat die op mij zou moeten wachten. 

In de namiddag liet ik een andere assistent met me meestappen naar de Brico. Niet dat ik dringend iets uit deze winkel nodig had, maar veeleer om uit te testen of ik met deze gemotoriseerde wielstoel over de brug geraakte, die loopt over de waterweg die door deze stad kronkelt. Dat bleek dus geen probleem te zijn. We keerden terug langs dezelfde weg als we gekomen waren:  op het fietspad, dat gescheiden is van de rijbaan door een pechstrook. Maar nu reed ik tegen het verkeer in.

Toen we ter hoogte waren van een tankstation, dat gevestigd is langsheen deze baan, hield een auto halt, vlak naast ons. Aan de passagierszijde werd het venster naar beneden gerold. Een dame vroeg de weg naar het Vredegerecht, daarbij uitsluitend naar mijn helper kijkend. Deze hield, zoals ik hem in geval van dergelijke situaties had opgedragen, netjes zijn mond, zodat ik op die vrouw haar vraag kon antwoorden. Ze keek een beetje dwaas en ik zag haar denken: "Waar komt dat geluid vandaan?" blijkbaar totaal uitsluitend dat het wel eens die kerel in zijn rolstoel zou kunnen zijn die net een antwoord gaf op haar vraag. Toen ze eindelijk haar hoofd naar me toe draaide herhaalde ik nogmaals hoe ze moesten rijden. De man die achter het stuur zat begreep mijn routebeschrijving. Ze dankten me beiden en reden verder.

Deze zondagochtend zijn we naar de rommelmarkt geweest, die wekelijks doorgaat op het stationsplein van mijn woonplaats. Er was een neef van mijn vrouw bij ons, en ook een nicht van haar, met haar twee kindjes: een jongen van net geen twee jaar en een drie maand oud meisje. Mijn vrouw droeg de baby van haar nicht in een draagdoek op haar rug. Blijkbaar hadden veel mensen zoiets nog nooit gezien want mijn wederhelft had enorm veel bekijks. Ik was daar eigenlijk wel verheugd over, want meestal gaat alle aandacht naar mij. Van starende, somber kijkende mensen. Terwijl nu alle ogen gericht waren op mijn eega en vooral op het kindje aan haar achterzijde. Van vrolijk en vertederd kijkende mensen. Wat een verschil!

Toen we aan het wafelkraam stonden hoorde ik een vrouw mijn echtgenote verzoeken mij te vragen om me wat meer vooruit te verplaatsen, want er wou iemand met een kleine bestelwagen het terrein oprijden en ik stond in de weg. Ze antwoordde: "Mevrouw, ik ben hier volop bezig. Hij verstaat Nederlands, dus vraag het hem zelf!" "Goed zo, meisje!" dacht ik. "Een beetje verder." zei de dame vervolgens tot me, maar ik ging pas in op haar verzoek toen ze haar vraag herhaalde in een beleefdere formulering en met een alsjeblieft erbij. Met een brede glimlach dankte ze me uitvoerig. En even later, toen ik haar standje passeerde nog een keer. Toch weer één iemand die hopelijk heeft geleerd dat fysiek gehandicapten niet noodzakelijk ook geestelijk onbekwaam zijn.

Hoe ze het voor elkaar krijgen, ik weet het niet, maar er gaat geen bezoek aan deze vlooienmarkt voorbij of mijn kroost gaat met één of ander cadeau naar huis. Ze krijgen korting op hetgeen ze kopen zonder er zelf om te vragen, kopen één boekje en krijgen er vanwege de verkoper spontaan enkele andere zomaar gratis bij. Of mogen het speelgoedje waar ze belangstelling voor hebben meenemen zonder het te betalen. Zoals ook nu weer. Mijn éne zoon kreeg een zwembril, de andere een happend balletje. En ook voor de baby had men iets. De andere jongen greep naast de prijzen want die liep op dat ogenblik met zijn mama ergens anders op de markt.

Is het omdat ze er zo schattig en verteterend uitzien, omwille van hun beleefd en geïnteresseerd gedrag ten overstaan van de standhouders , die ze trouwens ook al eens durven helpen met inpakken en opruimen als we op het eind van de markt nog aanwezig zijn. Of dan toch omdat die handelaars medelijden met hen hebben omwille van het feit dat mijn kindjes een invalide vader hebben? Ik weet het niet. En het doet er ook niet toe welke de reden is, het zijn mijns inziens allemaal goede. Oh, ik weet het wel. Het zijn allemaal kleinigheden die men geeft, maar het is het gebaar dat telt. En dat is groot en hartverwarmend!

Op onze terugweg naar huis, via het park, kwamen we nog een vrouw tegen met twee grote honden aan de leiband. Een van mijn jongens vroeg of hij de dieren mocht strelen. Dat kon. Hij mocht er zelfs één aan de leiband tot bij mij brengen. En de dame bracht ook haar andere hond dichterbij, zodat ik ze beide kon strelen. Veel had ik daar echter niet aan, met een nagenoeg gevoelloze hand, maar het voelde wel goed aan die dieren zo dicht bij me te hebben en intussen maakte ik een praatje met hun baasje. Middelerwijl kreeg mijn zoon een koekje toegestopt om aan die ene hond te geven. Voor het andere dier kreeg hij er geen, want die was goed opgeleid en afgericht, zo meldde zijn baasje vol trots, en was aangeleerd voedsel van vreemden te weigeren.

Al bij al een geslaagde dag, afgesloten met een namiddag vertoeven in de stralende lentezon. Dat laatste net iets te lang, zo blijkt, want mijn hoofd heeft de kleur aangenomen van een rode biet.

Ru(sh)di(e), 23 maart 2003 (revisie op 6 april 2009)

12-04-09

De avonuren van Rudi & Co, gedaan met de pret!

 

Hoe snel ik me, gezeten in mijn elektrisch aangedreven wielending, ook voortbeweeg, het mij immer achtervolgende noodlot haalt me steeds in, en slaat keer op keer toe.

Maandag. Het beloofde een stralende dag te worden. 's Ochtends had ik de kinderen naar school gebracht, waarna ik via een korte omweg huiswaarts was gekeerd. Ik wou immers nog iets langer in de buitenlucht vertoeven, maar moest toch tijdig thuis zijn om de afspraak met mijn kinesist niet te mislopen(!).

Na mobilisatie van mijn ledematen door de therapeut, at ik als ontbijt een toastje, dat ik doorspoelde met een tas thee. Die toast 's ochtends vind ik lekker, maar die warme thee drink ik zonder smaak en uitsluitend als opwarmer voor mijn binnenste. Vervolgens hield ik me op mijn computer bezig met het lezen van ontvangen elektronische post en het bijwerken en aanvullen van enkele reeds eerder getypte schrijfsels.

Toen het een uur of elf was, liet ik me opnieuw mijn sjaal omdoen en mijn jas en wanten aantrekken, om genietend van de voormiddagzon, een ritje te maken in de buurt van mijn woning. Op mijn terugweg naar huis moest ik op een gegeven moment over een betonnen weg rijden. En, aangezien daar geen fietspad aanwezig is, op straat!  Op een gegeven moment doemde ineens een vrachtwagen op, die rakelings naast me kwam rijden... zo dichtbij!

Onmiddellijk realiseerde ik me in wat voor een benarde positie ik mij bevond. Ik kon echter geen kant meer uit. Want had ik naar rechts gestuurd, dan was het achterstel, van mijn vehikel, als gevolg van de voorwielaandrijving van de machine, eerst naar links gezwenkt en werd ik sowieso aangereden. Het beste leek me dus te stoppen en mijn linkerhand naar mijn lichaam te brengen, zodat die niet geraakt kon worden in geval van een aanrijding, waarvan ik hoopte dat die er niet zou komen. IJdele hoop zo bleek. Minder dan een tel later hoorde ik gekraak en voelde ik meteen een schok. Het volgende ogenblik vloog ik uit mijn rolstoel en belandde op straat.

Vrij snel kwamen er mensen aangelopen. Ik zei hen dat alles oké met me was. Ik hoorde achter me iemand zeggen: "Sorry hoor, ik had je niet gezien." maar reageerde daar niet op. Enkele mannen wilden me terug in mijn rolstoel plaatsen, maar ik weerhield hen daarvan want ik had, van op de plek waar ik lag, reeds lang gezien dat die stoel door de klap onbruikbaar was geworden. In plaats daarvan liet ik me aan mijn hoofd, schouders en romp ondersteunen.

De omstanders waren bezorgd over mijn lichamelijke conditie, terwijl ik vooral inzat met de staat van mijn rolstoel en hen duidelijk maakte dat het feit dat deze om zeep was een ramp voor me betekende. "Maak je daar maar geen zorgen over", zei er één. "De verzekering van de man die je heeft aangereden zal de reparatie vergoeden!" Een andere man zei, met een opgewekte stem, en onmiskenbaar ook met de bedoeling me gerust te stellen: "Ze zullen je zelfs een nieuwe leveren!" Aardig geprobeerd, maar ik ben te nuchter en heb al te veel meegemaakt om in dat sprookje te durven geloven.

Onze wijkpostbode kwam ook aangesneld en bood aan mijn echtgenote te gaan verwittigen. Maar ik prefereerde haar zelf op te bellen middels mijn GSM. De man hielp me daarbij. Even later was ze daar, te voet, want de plaats van het ongeval was dichtbij ons huis. Ik zei "Sorry, schat.", want ik zat er enorm mee in dat ze alweer geconfronteerd werd met een extra brok ellende. Terwijl ze de laatste jaren al zo veel miserie had moeten doorstaan. Ik dacht aan allerlei praktische dingen. Ik wou de leverancier van mijn rolstoel bellen en mijn verzekeringsagent. Die laatste kwam echter al aangelopen. Was waarschijnlijk toevallig in de buurt.

Op dat ogenblik verschenen ook een ambulance en de politie. De ambulanciers wilden me meenemen, maar ik vroeg me luidop af of dat wel nodig was aangezien ik dacht niks te mankeren. En als ik toch meeging, hoe zou ik dan daarna thuis geraken? Met bemiddeling van mijn verzekeringsagent werd afgesproken dat ik na controle in het ziekenhuis, met een ziekenwagen terug naar huis zou worden gebracht. Dus werd ik op een draagberrie gelegd en was ik even later in de ziekenwagen op weg naar het stedelijk hospitaal. Ik vroeg aan de dame die naast me zat of de ambulance waarin ik vervoerd werd een gele was, want ik had zulk een type 's ochtends zien rijden. Ze zei me dat ze inderdaad reeds naar een deelgemeente van de stad waren gereden en dat ook haar collega, de bestuurder, mij toen had opgemerkt.

Eens aangekomen in de kliniek werd ik middels een rollerboard naar een hospitaalbed getransfereerd. Eén van de verpleegsters vroeg me door welke dokter ik wenste onderzocht te worden. Aangezien ik geen voorkeur had, gewoonweg omdat ik in mijn woonplaats niet echt veel dokters ken, werd me gezegd dat de dokter van wacht zou worden opgebeld. De verpleegkundige verdween.

Door de openstaande deur ving ik flarden op van een gesprek dat ontegensprekelijk over mij handelde. Even later kwam een andere verpleegster me zeggen dat een andere arts dan die van wacht, me zou komen onderzoeken. Ik heb het haar niet gevraagd, maar waarschijnlijk had de dokter van wacht geen zin om op te dagen, omdat ik waarschijnlijk toch niks mankeerde. De twee vriendelijke agenten die ik ook al op de plaats van het ongeval had gezien, kwamen kijken hoe het met me ging. Ze stelden enkele vragen omtrent de omstandigheden van het accident en zeiden dat ze later nog wel eens bij me thuis zouden langskomen. Drie kwartier na aankomst in het ziekenhuis werd ik heel summier onderzocht door een arts die me reeds na enkele minuten alweer alleen liet.

Zo, ik kon naar huis. Inmiddels was ook mijn echtgenote in het hospitaal gearriveerd. De dokter had me nog maar net een handgeschreven briefje voor mijn huisarts gebracht of daar waren ook de ambulanciers reeds om me huiswaarts te brengen. Aangezien ze daar blijkbaar uit zichzelf geen oog voor had, verzocht ik de verpleegster echter eerst een plakker op mijn elleboog te kleven, want ik had daar volgens de dokter een bloedende schaafwond en ook mijn kleding diende nog gefatsoeneerd te worden want eerst de verpleegster en toen ook de dokter hadden mijn broek naar beneden getrokken om mijn rechterknie, waar ik dacht iets te voelen, te onderzoeken op uiterlijke tekenen van een kneuzing of andere verwonding.

Toen deze beide taken waren volbracht, werd ik van het bed op een brancard gerold en naar de garage van de dienst 100 overgebracht. Ik werd in een kleine ziekenwagen geholpen, die geparkeerd stond naast de moderne grote gele waarmee ik was binnen gebracht. Terwijl haar mannelijke collega achter het stuur plaatsnam zei ik tegen de dame die bij me in de wagen kroop: "Eigenlijk ben ik hier vandaag om het wagenpark van de dienst 100 van deze stad uit te testen." Waarop die vrouw zei: "Oh, maar wij hebben ook nog een derde ambulance!" Mijn repliek hierop: "Dan zal ik dus nog iets moeten verzinnen om vandaag ook met die ambulance vervoerd te worden!" ging verloren in het lawaai van de startende motor en de neerklappende achterdeur van de ziekenwagen. Alsook door het gekraak van de garagepoort van de dienst 100, die werd geopend.

Een minuut of vijf later reden we de voor mijn woning gelegen parking op. Daar stond, onder een transparant plastic dekzeil, mijn grijze rolstoel. In het ziekenhuis had mijn vrouw me reeds verteld dat een zeer hulpvaardige heer, trouwens de man die me ook al samen met de postbode had ondersteund, thuis zijn aanhangwagen was gaan halen om mijn rijtuig naar ons huis te brengen.

Inmiddels zijn we enkele dagen verder. Na het monteren van de, wel gebarsten, maar toch nog tijdelijk bruikbare, op maat gemaakte rugleuning die ik liet recupereren van mijn aangereden vehikel, en heel wat passen en uitproberen, zit ik sinds dinsdagnamiddag alweer in een stoel. Een prehistorisch type, dat me beschikbaar werd gesteld door mijn rolstoelleverancier. Een rolstoel waarin ik niet comfortabel zit, die geen verstelbare beensteunen en rugleuning heeft, me niet toelaat grote afstanden af te leggen en waarmee ik buitenshuis zelfs sowieso niet in mijn eentje op stap kan. Het ding is eigenlijk net goed genoeg om me wat te verplaatsen in huis en in de tuin.

Aan mijn verzekeringsagent had ik gezegd dat de mentale pijn omwille van het gemis van mijn rolstoel, mijn 'vrijheid', ontzettend groot is. Nu meldde hij me contact op te hebben genomen met de dienst slachtofferhulp van de maatschappij, die beloofd had om een psycholoog op me af te sturen. Hij zei te hopen dat ik het niet erg vond dat hij uit zichzelf dit initiatief had genomen. Ik zei "Neen, hoor."

Want die brave man bedoelt het uiteraard goed en tracht me te helpen binnen zijn mogelijkheden. Maar praten met een psycholoog gaat uiteraard mijn probleem niet oplossen, dus ook mijn psychisch lijden niet verzachten. Tenzij die dame of heer me een nieuwe, comfortabele stoel meebrengt uiteraard, maar daar vrees ik voor.

En nu diezelfde agent me ook meldde dat de tegenpartij de verantwoordelijkheid betwist en in ieder geval het Proces-verbaal van het ongeval zal afwachten, wat makkelijk vier maand tot anderhalf jaar kan duren, zit ik pas echt goed in de miserie. En ik die durfde te hopen dat het niet meer erger zou worden dan het al was. Helaas!

Het zal mijn lotsbestemming wel zijn, zeker? Meteen allicht ook het einde van mijn avonturen, want in mijn living en achtertuin gebeuren immers slechts bij hoge uitzondering dingen die de moeite waard zijn om neer te typen. Tenzij Irak terugslaat met het afschieten van lange afstandsraketten op Europa, waarvan er dan ene, door bijvoorbeeld een atmosferische storing, van zijn voorgeprogrammeerde koers afwijkt en in mijn achtertuin terecht komt en gelukkigerwijs door één of ander technisch mankement niet tot ontploffing komt. Maar dat ga ik dan wel niet hier vertellen. Neen, dan verkoop ik mijn verhaal aan de krant die of het tijdschrift dat met de meeste Euro's of Dollars over de brug komt.

Ru(sh)di(e), 22 maart 2003 (revisie op 5 april 2009)

10-04-09

Rudi’s overdenkingen - Obstakels

    

Bijna dagelijks krijg ik er mee te maken: hinderlijke obstakels op de openbare weg, die mijn vrije doorgang belemmeren. En het zijn er nogal wat: reclamepanelen, bloembakken, gestalde fietsen, vlaggenmasten, palen van verkeersborden en zo meer. Maar ook dikwijls (fout) geparkeerde auto's, fietsen of motoren.

En wekelijks ook het huisvuil. Nochtans worden die bakken en zakken meestal netjes tegen de huisgevels opgesteld. Diverse factoren, zoals bijvoorbeeld de wind, veroorzaken echter dikwijls dat die zakken omvallen en zodoende de weg blokkeren. Dit is slechts een klein probleem, als het om de blauwe PMD zak gaat. Die duw ik dan gewoon met de voetsteunen van mijn rolstoel, zachtjes naar de kant. Hier en daar ligt er echter ook al eens een vuilnisbak op de stoep, al dan niet moedwillig door een belhamel tot die positie gebracht.

Reclamepanelen kunnen ook knap vervelend zijn. Zo ook mobiele verkeersborden voor bijvoorbeeld tijdelijke wegwerkzaamheden. Losliggende stenen en allerlei vuilnis zijn hindernissen die vooral een wezenlijk gevaar betekenen voor lekke banden, breuk of andere beschadigingen aan mijn rolstoel. En dan zijn er ook nog de hondendrollen. Geen echte hindernissen, maar wel enorm hinderlijk. Vooral als ik er geen erg in heb en naderhand met die besmeurde banden mijn living binnenrij.

En in de zomer heb je uiteraard nog het fenomeen van de terrasjes. De tafels en stoelen die daar, al dan niet in gebruik, bij horen, durven nogal eens de volledige breedte van het trottoir innemen. Niet enkel ik, en andere rolstoelers worden hierdoor gehinderd, maar bijvoorbeeld ook mensen met kinderwagens. Die moeten dan maar naar de rijweg uitwijken.

Vorig jaar was ik met de kinderen aan het rijden in het centrum van mijn woonplaats. Eentje zat op mijn schoot, de andere stond op de rand van mijn rolstoel, aan mijn linkerzijde. Aan een populair café stonden voor ons enkele tafels en stoelen in de weg. Naar links kon ik niet uitwijken, want daar stonden auto's geparkeerd. Enkele mensen stonden recht, verzetten hun stoelen en schoven de tafeltjes naar rechts om ons doorgang te verlenen. Eén, nogal corpulente heer, maakte echter geen aanstalten om op te staan. Dus trachtte ik voorzichtig te passeren. Ik raakte nipt het tafeltje, waardoor die persoon een flinke geut koffie op zijn schoot kreeg... en zich terstond bij me excuseerde. Vermoedelijk omdat hij inzag dat het gebeurde eigenlijk zijn eigen fout was.

Dat verontschuldigen gebeurt trouwens ook dikwijls als men tegen mijn rolstoel aanloopt. Meestal tegen mijn voetsteunen. Uit noodzaak genot purend uit onnozelheden, vind ik dat trouwens eigenlijk best grappig, want ik word door hun onoplettendheid dan wel een beetje door elkaar geschud bij zulk een botsing, maar zij zijn degenen die veelal 's avonds een blauwe plek op hun hiel of scheenbeen zullen aantreffen. En dan verwensen ze me hoogst waarschijnlijk!

Terug naar de stoep. Sommige terrasjesmensen zijn echt volhardend. Als mijn kinderen naast me stappen weiger ik, uit veiligheidsoverwegingen, ter wille van het gemak van een ander op straat te gaan rijden, en blijf dus net zo lang wachten tot men opstaat en de stoelen aan de kant schuift. En dat kan soms behoorlijk lang duren, en gebeurt dan meestal nog pas na aandringen van anderen.

Vele mensen zijn zich allicht niet bewust van de hinder die ze kunnen veroorzaken. Anderen zijn dat wel, maar die malen er niet om. Zo hield tegenover een videotheek een auto halt op het fiets- en voetpad toen ik er net aankwam. Een dame (?) stapte uit. Inmiddels was ik op straat gaan rijden om haar voertuig te ontwijken. Ik dwong mezelf haar te zeggen: "Ook niet netjes van u, hier te parkeren, mevrouw!" Ze keek me even minachtend aan, trok haar neus op, stak de straat over en stapte de videotheek binnen.

Anderzijds gebeurt het ook wel dat mensen uit bijvoorbeeld een winkel komen gelopen als ze mij zien passeren omdat ze denken dat hun wagen, die ze even verder in alle haast half op het trottoir hebben geparkeerd, mij zou kunnen hinderen. Of personen die uit zichzelf fietsen verzetten die me de weg versperren. Of werklui die spontaan hun spullen aan de kant schuiven als ze me zien aankomen en merken dat ik wil passeren waar zij aan het arbeiden zijn.

De stoep. Naast mogelijke obstakels, heb je bovendien nog het feit dat die trottoirs niet vlak worden aangelegd, maar afhellen naar één zijde, meestal de straatkant. Dat wordt zo gedaan ten behoeve van een goede afwatering naar de rioolputjes, maar maakt het rijden voor een rolstoeler hoogst onaangenaam. Je zit immers continue schuin, wat bij mij en lotgenoten pijn in de nek veroorzaakt. Tevens laat het je stoel steeds neigen van de boordstenen te rijden, zodat je continue moet bijsturen. Met mijn elektrische machine valt dat nog mee, maar voor mensen met een manuele rolstoel is dat knap lastig. En dan zwijg ik nog over de niveauverschillen in de trottoirs ter hoogte van garagepoorten.

Om voormelde obstakels en moeilijkheden te vermijden rijd ik bij verplaatsingen over de openbare weg dan ook meestal op het fietspad, en anders op de rijbaan, maar dan veelal tegen het verkeer in, zodat ik alle voertuigen zie afkomen en hun bestuurders mij!

In het centrum van Gent ben ik op een avond toch eens de stoep opgereden om mij naar een afspraak te begeven. Tientallen meters ging dat vrij goed, laverend langsheen de vuilnisbakken en de pakken papier en karton, want waarschijnlijk was er ook daarvoor de volgende dag een ophalen gepland. Tot plots: niks meer! Die stoep liep gewoon dood op een blinde muur! En daar je in zo een geval logischerwijs zou verwachten dat men op zo een plaats dan een hellend vlak maakt om van het trottoir te rijden, was dat hier niet zo. Aangezien het hoogteverschil tussen de stoep en de straat, een vijftiental centimeter, te groot was om daar met mijn toenmalige rolstoel veilig van af te rijden, en de stoepbreedte te beperkt om mijn vehikel te draaien, diende ik een tiental meter achteruit te rijden, vooraleer ter hoogte van een toegang tot een privégarage, veilig op straat te geraken. Ik kan jullie verzekeren dat dit, zo zonder achteruitkijkspiegel, geen sinecure was voor mij, gezien ik fysisch niet meer in staat ben mijn hoofd te draaien om achterom te kijken.

Een maand of drie geleden heb ik mijn zorgzaam bijeengesprokkelde spaarcenten uitgegeven om een busje te huren, waardoor ik eindelijk nog eens in staat was met mijn ganse gezin een daguitstap te maken... buiten mijn woonplaats. Door mijn echtgenote en een assistent liet ik me op de passagierszetel van het voertuig hijsen, waarna mijn rolstoel via twee houten balken uit mijn stal, langs achteraan de bus werd ingereden. Mijn kinderen waren in hun nopjes: een uitje met papa en eindelijk nog eens dicht tegen hun vader aanzitten zonder hinderlijke delen van zijn rolkar, en met een wijds zicht over de weg.

We zijn die dag na wat omzwervingen uiteindelijk in Hasselt aanbeland. In mijn ogen een paradijs voor rolstoelers. De voetpaden zijn meestal breed, de overgang tussen voetpad en rijweg op bijvoorbeeld oversteekplaatsen, is nauwelijks voelbaar. Bovendien heerst in die stad ook een positieve ingesteldheid ten overstaan van rolstoelers. Er zijn ontzettend veel winkels, drankgelegenheden en eethuizen toegankelijk (gemaakt) voor minder mobielen.

Hier waar ik woon valt het in de meeste straten ook nog redelijk mee. Maar het zou in ieder geval nog stukken beter kunnen, mocht de lokale overheid, vooraleer beslissingen te nemen, ten rade gaan bij (echte) deskundigen: ons, de gebruikers dus. Maar ik denk niet dat zulks ooit zal gebeuren

Ru(sh)di(e), 4 februari 2003 (revisie op 5 april 2009)

06-04-09

De avonturen van Rudi & Co, alweer een nieuwe aflevering

 

Het weekend is alweer voorbij. En het was voorwaar niet eens zo saai als gewoonlijk het geval is. Op zaterdag was ik reeds van in de voormiddag op stap met de jongens teneinde optimaal van het, in het laatste weerbericht aangekondigde, zonnige weer te genieten. Wat deerlijk tegenviel, want reeds vanaf kort na de middag werd de zon enorm gehinderd door een wolkendek, wat de temperatuur ook niet echt toeliet hoge toppen te scheren. Maar het was toch te doen, en voldoende warm om urenlang buiten te zitten. Maar niet zo aangenaam als ik had gehoopt. 's Avonds werd koers gezet naar het Cultureel Centrum van mijn woonplaats, voor een optreden van Paul Michiels. Mijn echtgenote had immers kaarten voor dit optreden. Ik had haar die de vrijdag voordien, met Valentijn, cadeau gedaan.

Het was een puik optreden, met nieuw werk van Paul Michiels en covers van zijn muzikale helden. Er werd een sfeer en een ambiance opgebouwd en het ganse concert was tot in de puntjes verzorgd en afgewerkt. Inclusief het duidelijk reeds vooraf geplande bis- aanhangsel. Alhoewel ik niks anders had verwacht van een man met zoveel talent en zulk een ervaring op diverse podia, en die met zijn muziek, indertijd met zijn kompaan Jan Leyers, als Soulsister zelfs doordrong tot hoog in de Amerikaanse hitlijsten.

Bij de telefonische reservatie had ik melding gemaakt van mijn rolstoelafhankelijkheid. De dame aan de andere kant van de lijn verzekerde me dat ik een aangepaste zitruimte zou toegewezen krijgen. Dus toen ik de kaarten afhaalde en, na betaling van de verschuldigde som, tickets met de nummers H10 en H12 kreeg toegeschoven, dacht ik dat de H stond voor 'handicap'. Ik had dus enigszins verwacht in een rij met al dan niet rolstoelende kreupelen, verlamden en andere gehandicapten terecht te komen en begon die avond bij betreding van de zaal dan ook onmiddellijk naar zo een rij met zielenpoten te speuren. Inmiddels had mijn vrouw echter al lang de ons toegewezen plaatsen gevonden. Het was gewoon rij H, de stoelenlijn achter deze met de letter G, en voor deze met de letter I. Die H was dus gewoon toeval. Onze plaatsen waren echter reeds ingenomen door een koppeltje dat, zo bleek toen ze hun tickets naar boven haalden, verondersteld werd de plaatsen 10 en 12 op rij O te bezetten. Mijn eega stuurde hen dan ook vriendelijk, doch kordaat daarheen. Zelf bleef ik met mijn vehikel in het gangpad staan en ik stond daar best goed, met zelfs een mooi zicht op het podium, zonder het gezichtsveld van de toeschouwers achter mij te belemmeren. Nog een gelukkig toeval was het feit dat de bevallige achtergrondzangeressen aan onze zijde van de bühne stonden! En ik stond schuin tegenover mijn wederhelft, zodat ik ook haar continue zag en we bij intieme liedjes elkaars hand konden vasthouden.

Dit geslaagde avondlijke uitje volgde dus nadat ik de dag met mijn kroost in de buitenlucht had doorgebracht. Reeds van in de late voormiddag was ik met de kinderen naar een buurtpleintje gestapt. Dat bestaat uit een grasvlakte waarop twee goals staan neergepoot, een zitbank en een speeltuig met twee schommelzitjes. We hadden ballen meegebracht, en ook onze lunch, zodat we konden picknicken. Mijn kindjes doen dat immers ontzettend graag. En ik ook!

Omstreeks het middaguur waren mijn jongens aan het schommelen toen twee volwassen mannen met een zuiders uiterlijk en drie vrij kleine kinderen, over het grasplein, in onze richting kwamen aangestapt. Eén van de mannen keek me aan en vroeg: "Maroccain?" Ik schudde ontkennend het hoofd. "Belge?" Nu knikte ik bevestigend. Het volgende dat ik zag was dat die kerel mijn jongens van de zitjes haalde om zijn kinderen te laten schommelen. Hola! Dit kon ik niet zomaar laten gebeuren! Hoog tijd om die vent het haar op mijn tanden te laten zien!

Ik zei hem: "Excuseer, mijnheer, maar zo gaat de vlieger hier niet op. Als je jouw kinderen wilt laten schommelen, moeten jullie je beurt afwachten, zoals ieder fatsoenlijk mens doet." Inmiddels zaten die kinderen wel reeds te schommelen. En de mijne stonden er beteuterd naast, want meestal lieten zij spontaan andere kinderen aan de beurt, en ze waren absoluut niet gewoon door volwassenen van een speeltuig te worden gerukt.

Die kerel begon in het Frans tegen me te praten, maar ik snoerde hem de mond door hem te zeggen dat hij zich in Vlaanderen bevond en derhalve in het Nederlands tegen me moest praten en als hij dat niet kon, dan moest hij dat maar eens dringend leren!

Die andere volwassene kwam er bij en zei, ook in het Frans, dat ze in Brussel woonden en slechts hier op bezoek waren. Potverdorie! Nog erger! Die woonden zelfs niet eens in de buurt en dachten zich toch zomaar het recht toe te kunnen eigenen andere (buurt)kinderen weg te jagen, op het moment dat de heren hun kroost wilden laten spelen.

De neiging onderdrukkend hen in het Frans de reden van mijn onbehagen duidelijk te maken, zei ik in het Nederlands hun houding absoluut niet te tolereren en te verlangen dat ze hun kinderen van de schommels zouden halen en alsnog hun beurt af te wachten. Ze dropen af. Ik vond het spijtig voor die kindjes, maar zag mijn optreden als de enige juiste manier van handelen. De daaropvolgende uren hebben mijn jongens nog gevoetbald en gespeeld met wat allochtone buurtkinderen, terwijl ik hen van op enige afstand in het oog hield.

Een dag later ging ik 's ochtends met mijn ene zoon naar het voetbalpleintje achter de kerk, voor een vriendenmatch, terwijl mijn andere zoon als doelman bij de nationale ploeg van de eerstejaars duiveltjes van Sporting Lokeren, met de spelersbus naar Bergen was. Toen ik hem na de middag met zijn broer ging ophalen aan het stadion, bleek er naast de feestzaal van het stadioncomplex een speeldorp te staan opgesteld met allerlei springkastelen en een grote trampoline.

De aantrekkingskracht daarheen was voor mijn kinderen enorm, en aangezien wij niet dringend thuis werden verwacht, trokken we erheen. Aan de verkleedde dame aan de ingang vroeg ik wat er aan de gang was en of dit speeldorp voor iedereen toegankelijk was. Er bleek een playback wedstrijd bezig te zijn in de feestzaal en zij waren ingehuurd om de kinderen van de (would be?) artiesten en hun toeschouwers bezig te houden. En dat waren er nogal wat.

Mits betaling van slechts twee Euro per kind konden ook mijn kinderen de ganse namiddag onbeperkt spelen. Dus even later was ik op zoek naar een plekje in de zon, met zicht op mijn rakkers, die inmiddels al lang hun schoenen hadden uitgedaan en met volle overgave aan het springen waren. Centraal op het door springkastelen in alle vormen, kleuren en maten omzoomd terreintje stond ook nog een soort van boksring waarin de kinderen, het hoofd beschermd door een helm en de handen in overmaatse bokshandschoenen gestoken, elkaar konden bekampen.

Zo. Ik had mijn kinderen naar een amusementsoord gebracht en zou nu geduldig wachten tot ze waren uitgespeeld. Correctie: tot wanneer ik besliste dat het tijd was om huiswaarts te keren, want die rekels weten nooit van ophouden! Mijn eigen amusement bestond uit het aanschouwen van de spelende kinderen. En het af en toe lonken naar de jongedames die verkleed de jonge meute entertainden: een fee (of beeldde ze een prinses uit?), een heks die voor de prijs van 1 Euro kindergezichtjes schminkte en een clown, die aan elk kind dat een toegangsbewijs kon voorleggen, een drankje of snoepje cadeau gaf.

Plots kwam één van hen naar me toe: de clown. Ik dacht nog: tja, dat meisje verveelt zich misschien en komt een praatje met me maken. Vrijwel onmiddellijk daarna bracht ik mezelf tot de realiteit: maak je toch geen illusies, die heeft waarschijnlijk enkel medelijden met dat zielig ventje in zijn rolstoel. Met een Zeeuws accent raadde ze me aan ter hoogte van het tentje aan de toegang te gaan zitten omdat de zonnestralen daar het felst waren. En verder zei ze dat ik zeker niet te beschaamd moest zijn om hulp te vragen, mocht ik die nodig hebben. Helaas, dus... of neen, toch niet? Toen ik even later haar raad opvolgde en postvatte naast het tentje, kwam ze op me toe en offreerde me een tasje koffie uit haar thermos. Ik antwoordde dat ik heel graag op haar aanbod in zou willen gaan, maar enige hulp nodig had bij het drinken. Die wou ze me evenwel graag aanbieden. Dus stond daar luttele minuten later die clown naast me met een tas warme koffie. Terwijl we wachtten tot het drankje voldoende zou zijn afgekoeld om drinkbaar te zijn, begon ik met haar een gesprek over ondermeer springkastelen en kinderen.

Toen ik daar zo zat te zitten is er trouwens nog iets grappigs voorgevallen. Die clown was alweer we en ik zat, een beetje voorover gebogen, in gedachten verzonken, toen ik een kinderstem hoorde roepen: "Mijnheer! Mijnheer!" Ik keek op en zag een klein ventje, zittend op de voorkant van een springkasteel, mijn kant uitkijkend, naar ik dacht de aandacht vragend van één van de mannen van het speeldorp, die daar rondliepen, en duidelijk te herkennen waren aan hun rode, met zwarte tekst bedrukte T-shirt. Ik liet mijn hoofd opnieuw zakken. Onmiddellijk weerklonk alweer dat stemmetje: "Mijnheer! Mijnheer!" Tiens, was die jongen zijn geroep dan toch voor mij bestemd? Ik richtte mijn hoofd weer op en glimlachte even naar dat glunderende mannetje, waarop hij opgewekt naar me begon te wuiven. Dat jongentje dacht voorzeker dat ik bij de attracties hoorde! Naderhand heeft die vlegel trouwens, op momenten dat ik de andere kant uitkeek, tot twee maal toe getracht mijn rolstoel te verplaatsen middels de bedieningspook. Gelukkig telkens met een te bruuske beweging, waardoor mijn wagentje, door een ingebouwde veiligheid, helemaal niet reageerde, en de snaak dus telkenmale in zijn opzet faalde.

Ru(sh)di(e), 24 februari 2003 (revisie op 4 april 2009) 

02-04-09

Rudi’s ontboezemingen - Mirakel

 

Wat zou ik graag nog steeds, of opnieuw, een gezond, normaal functionerend lichaam hebben. Gedaan met het ellendige, passieve bestaan vol kommer, kwel, pijn en verveling. In plaats daarvan een leven als actieve valide mens, met ongetwijfeld nog steeds de problemen van alledag, maar wel in de mogelijkheid daar zelf iets aan te doen. Om dat te bekomen heb ik echter op zijn minst een mirakel nodig. Of 'gewoon'weg een nieuw leven. Beide werden me trouwens reeds aangeboden.

Een familielid langs de zijde van mijn echtgenote, is pastor bij een protestantse kerk. De man is er heilig van overtuigd dat je door veel te bidden alles kan gedaan krijgen en alle problemen kan oplossen. Waarom er dan nog zoveel honger in de wereld is, vraag ik me af. Er moet toch een massa gelovigen zijn die dagelijks bidden en de Heer smeken om dat voedselprobleem te verhelpen? Maar ja, die uitgemergelde kindjes in de derdewereldlanden, met hun hongerbuikjes, zijn allicht zelf niet godsvruchtig genoeg om dat wonder te laten geschieden.

Enfin, bij afloop van zijn sporadische bezoekjes aan me, in het ziekenhuis en naderhand thuis, wou hij steeds samen met me bidden. Aan het einde van dat gebed dankte hij de Heer steevast bij voorbaat om mij voor het eind van de week weer op de been te krijgen. Toen dat, uiteraard, zo durf ik te typen, keer op keer zonder resultaat bleef, weet hij dat aan het feit dat ik zelf niet genoeg geloofde in de mogelijkheid van een wonderbaarlijke genezing. Dat ik verkoos de realiteit van mijn niet meer verbeterbare conditie onder ogen te zien in plaats van te rekenen op een mirakel en ik mezelf door die houding wou behoeden voor een wegzinken in neerslachtigheid als dat wonder zou uitblijven, dat wou blijkbaar niet echt doordringen tot in de grijze hersencellen van de, overigens goede, man.

Op een zekere winterse zaterdag stond hij, onaangekondigd, voor de deur van mijn woning. Mijn kinderen waren bij hun doopmeter en mijn vrouw was ook weg, boodschappen doen. Met veel moeite slaagde ik erin de voordeur te openen om hem binnen te laten. Hij bleek vergezeld te zijn van twee andere mannen, die, naar hij me meedeelde, ook pastors bij zijn geloofsgemeenschap bleken te zijn. Ik liet hen allen binnen. Drie imposante figuren, met scherpe gelaatstrekken, in grijze kledij en met dikke lange jassen aan.

Ik bood hen aan plaats te nemen in onze sofa, waar ze op ingingen, en we startten een nagenoeg inhoudsloze conversatie. In het Engels, want die twee onbekende gasten spraken waarschijnlijk geen Nederlands. Korte tijd na hun binnenkomst wilden ze samen met me bidden. Ik had daar geen bezwaar tegen. Ze stonden alle drie recht en kwamen voor me staan. Ze begonnen met een gezamenlijk gebed en hielden toen om beurten met erg veel overtuiging en bezieling een preek, waarbij de anderen zo nu en dan een instemmend "Halleluja!", "Praise the Lord!" of "Amen!" lieten horen.

Ineens weerklonk het geluid van de deurbel. De heren waren klaarblijkelijk zo zeer in hun predicatie opgegaan, dat ze niet reageerden. En zelfs niet eens opkeken!  Zodat ik er hen zelf maar op attendeerde en hen verzocht de deur te openen voor degene(n) die aanbelde(n). Het bleken twee buurmeisjes te zijn. Ik bood hen aan binnen  te komen, wat ze deden, en vertelde hen wat er aan de gang was en dat ze even geduld zouden moeten hebben vooraleer ik met hen kon praten. Maar dat hadden ze.

Eén van die pastors nodigde de meisjes uit om tussen hen in plaats te komen nemen en mee te bidden. De zussen bedankten echter voor de eer en keken vanuit een hoek van de woonkamer toe op het schouwspel dat toen volgde. Het trio kwam weer rond me staan en hernam het bidden. Toen kwam wat wellicht de apotheose van hun seance had moeten worden. Terwijl twee van hen één of andere psalm neurieden, kwam de derde voor me staan, nam mijn beide handen vast en - met een in volume toenemende stem smeekte hij tot God, de almachtige, me toen en daar, terstond weer te laten opstaan! Inmiddels vastberaden aan mijn armen trekkend. Maar het wonder bleef, spijtig genoeg, uit.

Ze zijn zo nog een tijdje blijven doorgegaan, tot ik er zelf een einde aan maakte, want mijn lichaam begon onderhand pijn te doen en ik was bovendien bang dat ze me, in al hun enthousiasme, uit mijn stoel zouden sleuren, met alle mogelijke kwalijke gevolgen van dien.

Sinds dat bezoek, inmiddels reeds méér dan een jaar geleden, heb ik de man niet meer gezien. Maar hij belt me nog wel geregeld! Klaarblijkelijk is hij uiteindelijk toch tot de conclusie gekomen dat ik, ook voor hem en zijn religie, een hopeloos geval ben. Waarschijnlijk heeft hij, met uitsluitend goede bedoelingen, zijn actieterrein verlegd naar iemand bij wie hij hopelijk, voor hem, maar veel meer nog voor die persoon in kwestie, meer kans heeft op slagen.

Toen ik nog maar pas thuis was, na anderhalf jaar onafgebroken afwezigheid wegens mijn noodgedwongen verblijf in het ziekenhuis, en ik één van de eerste keren mijn kinderen van school had afgehaald, stopte er, op het moment dat we bijna thuis waren, plots een auto achter ons en hoorde ik een stem mijn voornaam uitspreken. Dus hield ik halt en wachtte af, want mijn hoofd omdraaien kan ik niet. De kinderen zeiden dat er een man uit het voertuig was gestapt en dat deze persoon nu op ons kwam toe gestapt.

Het bleek een man te zijn die jarenlang een trouwe klant was geweest van mijn computerzaak. Een sympathieke kerel, met een (tegen mij toch steeds) vriendelijke vrouw en toffe kinderen, zo herinnerde ik me. Ik vroeg dus geïnteresseerd hoe zij het maakten, waarop ik te horen kreeg waar zijn gezinsleden mee bezig waren. Hij vroeg hoe het nu met me ging en ik gaf hem een eerlijk antwoord. Een droef gezicht trekkend zei hij me het erg te vinden dat ik me in een dergelijke situatie bevind. "Maar weet je wat?" zei hij vragend, en nu met een stralend gezicht, "Ik heb goed nieuws voor je. Heel spoedig komt de Heer terug op aarde en verandert het hier opnieuw in een paradijs. Een wereld waarin iedereen gelukkig is en niemand gebreken heeft en waarin ook JIJ opnieuw zal kunnen stappen, lopen en springen zoals iedereen!"

Ja, zo herinnerde ik me ook alweer, deze kerel is een Jehova's getuige. Hij sprak verder: "Echter, enkel wie Zijn komst voorbereidt, zal tot de uitverkorenen behoren die deze nieuwe wereld zullen bevolken." Ik dacht: "sorry, maar daar pas ik voor. Een God die slechts goed wil zijn en doen voor een elite, dat kan nooit de mijne zijn. Die zal nooit door mij worden aanbeden. Als mijn handicap kan worden ongedaan gemaakt, en ik zo een nieuw leven krijg, dan heeft naar mijn mening ook elke andere persoon daar recht op, of die nu al dan niet tot een bepaalde geloofsgroep behoort." Ik zei echter niks. Maar was teleurgesteld. Nu sprak er me eindelijk eens iemand aan, maar was het verdorie voornamelijk om te polsen naar mijn interesse in toetreding tot zijn geloofsclub.

Het stil blijven staan begon mijn kleuters danig te vervelen en toen ze me vroegen of ze die tien overblijvende meters naar huis mochten hollen, gaf ik hen terstond mijn toestemming. Want daar blijven staan op het fietspad, langsheen een drukke verkeersweg, was ook niet zonder gevaar. Ik zei die getuige dat ik mijn rakkers wou volgen, waarop hij me verzocht nog even te wachten, want hij wou me iets geven. Ik ging akkoord, waarna hij naar zijn auto holde. Even later werden me twee luxueuze boekjes overhandigd. Hij moedigde me aan om deze te lezen en zou me dan eerdaags contacteren. Ik heb echter naderhand niks meer van de man gehoord.

Ru(sh)di(e), 25 januari 2003 (revisie op 28 maart 2009)

30-03-09

Herinneringen uit mijn verleden - Trouwe viervoeter

 

Jarenlang ging ik vrijwel nergens heen zonder mijn hond, een Schotse Collie. Da's een langharige, middelgrote herdershond, zoals Lassie, bekend van de films en televisieseries waarin deze hond de hoofdrol speelde.

Inmiddels is mijn lieve huisdier reeds bijna drie jaar overleden, maar ik denk nog heel vaak aan haar. Gezien ik de warmte en liefde die zij me gaf nu moet ontberen en de schier eindeloze reeks aangename herinneringen die ik heb aan mijn leven met haar. Enkele bijzondere daaruit wil ik hier graag met jullie delen.

Tijdens haar eerste levensjaren ging ik nagenoeg dagelijks met haar wandelen in het veld achter de woning van mijn ouders, waar ik toen nog woonde. Haar halsband was verbonden met een oprolbaar snoer, dat haar een ruime bewegingsvrijheid gaf, zonder dat ik de controle over het dier verloor, want het uiteinde hield ik stevig vast in mijn hand. Tijdens één van onze tochten dienden we over een gracht te geraken. Deze was niet erg breed, en ook niet heel diep, maar er stond wel wat vies water in. Hoe zeer ik mijn Collie ook aanzette daartoe, het dier wou niet springen. Dus besloot ik eerst zelf te springen en dan, vanaf de overkant, door aan de leiband te trekken en haar met mijn stem aan te moedigen, het dier er toe te bewegen om hetzelfde te doen.

Ik nam een aanloop, zette mijn voeten af aan de rand van de waterweg en sprong. Op het moment dat ik zowat halverwege die gracht hing kwam er ineens met een plof iets op mijn rug en schouders terecht. Het was mijn hond. Ze had alsnog besloten te springen... bovenop mij! Gevolg: ik lag daar met mijn klieken en mijn klakken in de sloot, en kwam met water in de schoenen en een bevuilde, natte broek aan de overkant, terwijl mijn hond vrolijk kwispelend en met droge poten op de oever rondhuppelde.

Skipper maakte trouwens haar pootjes niet graag nat of vuil en kon echt afkeurend kijken en haar neus optrekken als ze buiten moest voor haar natuurlijke behoeften, of om te wandelen, terwijl de tuin er nat en modderig bijlag.

Gedurende enkele jaren ben ik met haar als enige gezel, op reis gegaan. Steevast kreeg ik toen in de hotels waarin ik verbleef de lelijkste kamers toegewezen. Men ging er blijkbaar van uit dat wij de ruimte zouden bevuilen, terwijl ik de kamer steeds netjes hield en mijn dier haar pootjes steeds reinigde bij het betreden van het logementhuis. Daarom huurde ik meestal een studio, tenzij ik slechts voor enkele dagen ter plaatse bleef.

Alleen blijven in de kamer deed mijn hond niet graag. Dan begon ze veelal te janken of te blaffen. In een hotel aan de Moezel in Duitsland had ik haar toch eens alleen gelaten terwijl ik iets ging regelen aan de receptie op het gelijkvloers. Toen ik daarna de lift wou nemen naar de verdieping waar ik verbleef, kwam mijn hond kwispelstaartend uit de ascenseur gestapt. Hoe het dier daar was in geraakt zal wel eeuwig een raadsel blijven. Mijn kamerdeur, die ik niet op slot had gedaan, stond wagenwijd open. Die had Skipper wellicht geopend door met haar poten op de klink te springen en daarna met een duw van haar snoet volledig open te stellen. Daar was ze een kei in.

In winkels nam ik mijn hond nooit mee naar binnen. Ik bond haar leiband aan mijn rugzak en gebood haar dan aan de ingang te blijven zitten of te liggen en op mij te wachten. En dat deed ze ook.

Ergens in, als ik me niet vergis, Oostenrijk, waren we aan het wandelen over een pad, dat naast een bergweide liep, waarop koeien stonden te grazen. Skipper liep los en kwam, één of ander spoor volgend, nogal dicht tegen de schrikdraad. Ik gebood haar bij me te komen, maar de geur van waarschijnlijk een haas of konijn was blijkbaar te aantrekkelijk om onmiddellijk op mijn bevel te reageren. En ja: plots weerklonk een luid kajiet, waarna ik het arme dier met een bliksemvaart aan me voorbij zag hollen. Ik lachte luid. Dat kwam er van als ze niet naar haar baasje luisterde!

Tien minuten later dienden we, als ik de op mijn stafkaart aangeduide weg wou blijven volgen, een omheind weiveld te doorkruisen. Ik zwaaide mijn ene been de lucht in en gebruikte mijn linkerhand om de draad naar beneden te duwen, teneinde het over de omheining stappen te vergemakkelijken. "Auw!" Ik sprong op één been in één keer wel twee meter achteruit en viel op mijn bibs. Zat daar potverdorie ook stroom op die draad!

Terwijl ik langzaam opstond en enigszins aan het bekomen was van de schok, kwam Skipper kwispelstaartend aangelopen. Was het inbeelding, want een dier kan dat toch niet?  Of zag ik daar toch wel een spottende blik verschijnen op dat beest haar aangezicht?

In noord Frankrijk heb ik eens een agent achter me aan gehad, toen we met de hond ergens wandelden waar het niet was toegelaten. Mijn vriendin en ik slenterden langsheen de waterlijn aan de Noordzeekust. Skipper liep los voor ons uit. Op een zeker ogenblik kwam daar een jonge agent in korte broek en met een lachwekkende kepie op zijn hoofd op ons afgelopen. Hij zei "Bonjour", wees naar mijn hond en deed een ganse uitleg. Ik verstond die, zoals even later zou blijken, totaal verkeerd. Waarschijnlijk was die agent een uitgeweken Waal of anders was het dan toch ik die niet zo goed Frans verstond als ik op dat moment dacht te verstaan. Of mogelijks een combinatie van beide.

Want ik ging er van uit dat hij zei dat ik mijn hond aan de leiband moest houden. Dus zei ik: "Oui, oui, d'accord, monsieur le gendarme", nam de leiband uit mijn jaszak en bevestigde die gehurkt aan mijn dier haar halsband. Die agent was inmiddels terug op weg naar zijn controlepost. Hand in hand met mijn geliefde, en daar tussenin de hond, vervolgden we onze weg.

Even later weerklonk het scherpe geluid van een fluitje. Skipper haar oren gingen rechtop staan en wij keerden ons hoofd in de richting van waar het geluid vandaan kwam. Het was die politieagent alweer. Hij kwam, met een rood aangelopen gezicht en ontzettend boos kijkend, in onze richting gehold. Mijn verbaasde blik kalmeerde hem echter terstond en hij bleek echt te geloven dat ik niet van kwade wil was en nu pas begreep dat wandelen met een hond aldaar helemaal niet was toegelaten. We keerden ons dus maar om en stapten terug in de richting van waar we vandaan kwamen. We hadden in ieder geval intussen een mooie wandeling gemaakt!

Zo een dier maakt sociaal contact trouwens ook een stuk eenvoudiger. Kinderen kwamen Skipper vaak strelen en ook veel volwassenen werden aangetrokken door het prachtige dier. Dikwijls begonnen ze dan te praten over hun eigen huisdier of over dieren in het algemeen, waarna vervolgens veelal op een ander onderwerp werd overgeschakeld.

Met enige schroom beken ik bij deze ook, toen ik nog vrijgezel was, meermaals het lieve dier misbruikt te hebben om mijn kansen bij de andere sekse te peilen. Als ik ergens een mooi meisje zag lopen, waarmee ik contact wou, dan floot ik eens kort ("Fwiet"), om haar aandacht te trekken. Draaide ze glimlachend, verlegen of neutraal kijkend haar hoofdje opzij, dan toonde ik haar mijn liefste glimlach, zei dag, en heel uitzonderlijk slaagde ik er vervolgens in met de deerne in kwestie een praatje te slaan.

Als de nagefloten schoonheid echter een boze blik in mijn richting stuurde, dan floot ik nogmaals, en riep vervolgens "Skipper!" en iets van "Allé jong, meisje, waar was je nu?" Lafhartig, ik geef het toe, maar liever dat dan een krijsend meisje met een zwaaiende handtas achter me aan.

Ru(sh)di(e), 16 januari 2003 (revisie op 23 maart 2009)

27-03-09

Herinneringen uit mijn verleden – Mee-eter(s)

 

Het volgende verhaal speelt zich af in de tijd toen onze kinderen nog baby's waren. Het was een mooie zomerochtend. Ik verliet als eerste het bed waarin ik samen met mijn echtgenote de nacht had doorgebracht, keek even in de bedjes van de kinderen, die toen nog bij ons in de slaapkamer stonden, verfriste me in de badkamer, kleedde me aan en wandelde gezwind de trappen af naar de gelijkvloerse verdieping van ons huis.

Onze hond richtte lui de kop op. Die was blijkbaar nog moe! Toch stond ze op, rekte zich uit en kwam toen kwispelend naar me toe. Terwijl ik haar door de woonkamer, via de keuken en veranda, naar buiten vergezelde voor haar ochtendplas en -kak, , herinnerde ik me plots dat we de avond tevoren stoofschotel met 'zwarte ogen' bonen hadden gegeten, mijn lievelingskost. En ik herinnerde me ook dat we de pot niet hadden leeggegeten. Er was dus ongetwijfeld nog een restje overgebleven, dat ik nu zou kunnen nuttigen als ontbijt. Lekker!

Inmiddels was ik terug in de keuken aanbeland en zag ik de bewuste pot op een bekken op het kookvuur staan. Maar het deksel lag ernaast en wat ik toen vreesde, werd mij luttele seconden later door mijn ogen bevestigd. De pot was leeg! Blijkbaar was mijn eega me voor geweest. Gisterenavond nog? Of deze nacht met honger wakker geworden? Ze moest in alle geval veel honger hebben gehad, want de ketel was compleet leeg.

Toen mijn vrouw iets later ten tonele verscheen merkte ik schamper op dat ze wel erg egoïstisch was geweest door de overgebleven stoofschotel integraal zelf te verorberen en zelfs geen klein restje voor mij over te houden.

Mijn wederhelft keek me enorm verbaast aan en verzekerde mij NIET aan ons eten te hebben geraakt. Met open mond bekeken we vervolgens samen de lege pot. Met opengesperde ogen keken we elkaar aan. Als WIJ het resterende voedsel NIET hadden verorberd, WIE dan wel? Hadden we misschien onverwacht bezoek? Was er deze nacht iemand ons huis binnengekomen, op zoek naar eten en onderdak? Niet dat iets dergelijks reeds eerder was voorgevallen, maar het kon dus wel. Wij zijn nogal sociaal bewogen en wie ons kent weet dat men in nood steeds bij ons terecht kan. En noch de hekkens bezijden onze woning, noch onze achterdeur en verandadeur werden toentertijd 's nachts op slot gedaan.

Dus ik naar boven, op zoek naar die onbekende gast. In de logeerkamer was niemand te vinden. Net zo min als in de tweede slaapkamer, noch in de bergruimte, of op de zolder. Vervolgens ging ik naar de kelder en speurde ik ook doorheen elke plaats in het handelsgedeelte van ons huis, een tweewoonst. Onderwijl ging mijn echtgenote op onderzoek uit in de garages en in de stal. We vonden evenwel niemand. En zagen ook geen enkel spoor van iemands aanwezigheid.

Toch raar dat ook onze hond niks had gemerkt. Anders had die ongetwijfeld geblaft!  Vol onbeantwoorde vragen en met een vreemd, ongemakkelijk gevoel, begonnen we aan onze dagelijkse activiteiten.

Toen ik 's middags terugkwam van werk bij een klant, vond ik een vleesloos beentje aan het hek. Uit onze stoofpot? Had die mysterieuze eter deze nacht, opnieuw onze woning verlaten, onder het knabbelen aan een boutje? En na zijn peuzelwerk het overgebleven bot hier neergegooid? Raar.

Die avond waren we tijdens het avondmaal net opnieuw aan het discuteren over wie dan wel de afgelopen nacht met ons voedsel kon gaan lopen zijn geweest, toen de telefoon rinkelde. Het bleek een vriendin van mijn eega te zijn. Ze kreeg meteen het verhaal over de mysterieuze voedselverdwijning te horen.

Toen hun gesprek ten einde was, en de telefoon terug op de hoorn lag, wou ik wel eens weten wat die vriendin over het eigenaardige voorval dacht. "Ze vroeg of we een kat hebben." kreeg ik te horen. Tja, wij niet, maar onze buren wel, twee exemplaren zelfs. En die liepen ook geregeld door onze tuin. Maar die konden ons huis toch niet in?

Op dat moment ging er echter bij ons beiden een lichtje branden. Onze houten keukendeur, die uitgeeft op de veranda, waarvan de deur 's zomers open bleef staan, is voorzien van twaalf kleine venstertjes, waarvan één van de onderste twee na breuk, verwijderd was. Dus zo was die kat (of beide?) binnen geraakt, had waarschijnlijk met veel smaak de pot leeggegeten om vervolgens met haar krachtige, spitse tong de pot leeg te likken. En dat teruggevonden, door scherpe tanden afgeknaagd beentje, was ongetwijfeld een naar buiten gesleept restant van de buit. Toch was het raar dat de hond niks had gemerkt.

Een jaar of twee eerder woonden we ook reeds in hetzelfde gebouw. Aangezien we toen nog volop aan het verbouwen waren in het woongedeelte, verbleven we op de eerste verdieping van de andere huiszijde, boven de ruimte die later als winkel zou fungeren. Mijn zaak was inmiddels nog op het adres van mijn ouders gevestigd.

Toen ik die avond, na sluitingstijd, huiswaarts keerde, kwam mijn moeder met een doos versgebakken ronde cakejes aangestapt. Ze wist immers dat haar schoondochter daar dol op is, en ik eveneens. Ik dankte mijn ma voor de gift en verzocht haar de gebakjes in mijn tas te stoppen, bovenop mijn paperassen, terwijl ik onderwijl de rest van mijn spullen in de auto laadde.

Eens thuis plaatste ik alle meegebrachte waren, alsook de tas, in wat later de winkel zou worden en liep de trap op om mijn liefste te melden dat ik was thuisgekomen. Onze hond begroette mij enthousiast als eerste, en ook mijn echtgenote scheen tevreden dat ik thuis was. Ik vertelde haar over de gebakjes van haar schoonmama en vroeg haar me even te helpen om al mijn spullen naar boven te brengen. Dat wou ze. Wij dus naar beneden.

Ik nam een deel van de goederen ter hand, terwijl ik zag dat mijn schattebout vooreerst de inhoud van mijn tas inspecteerde. Op mijn aangezicht verscheen een glimlach. Mijn honnepon kon blijkbaar niet wachten tot we boven waren om een aanvang te nemen aan het verorberen van die koekjes.

"Wel, waar zijn ze?" kreeg ik te horen. "Hier zit niks in!" Ik dacht dat mijn wederhelft me in het ootje wou nemen, maar dat bleek niet zo. Ik nam de tas over van haar en bekeek de inhoud. Ik haalde er een dekselloze witte ijscrème- doos uit. Was dit niet de doos waarin mijn ma de cakejes had verpakt? Maar waar waren ze dan heen?

We keken rond in de ruimte. Op de grond waren geen koekjes te bespeuren. We zagen wel een likkebaardende hond. Zij zou toch niet...? Maar waar waren de papiertjes dan gebleven?

En toch! Het dier moet, afgaande op de aantrekkelijke geur van de ovenverse gebakjes, haar snuit in mijn tas hebben gestopt en,wetende dat het eigenlijk niet mocht en dat ook ik zeer spoedig naar beneden zou komen, uiterst snel alle gebakjes, inclusief verpakking, naar binnen hebben gespeeld.

Ru(sh)di(e), 7 december 2002 (revisie op 23 maart 2009)

26-03-09

Rudi’s ontboezemingen, een nieuw deel

 

Het was weer dik in orde vandaag. De verpleegster had twee maal moeten aanbellen heden ochtend, omdat mijn echtgenote bij hoge uitzondering nog niet klaarstond bij de deur om haar binnen te laten. Bijgevolg had hare doorluchtige hoogheid anderhalve minuut aan de voordeur moeten wachten vooraleer zij binnen kon komen. En daarom was ze boos.

"Er al eens aan gedacht dat ik ELKE dag moet wachten tot jij ergens tussen kwart na acht en negen uur opdaagt?" vroeg ik voorzichtig. Toen was het hek pas helemaal van de dam. Door vervolgens op haar dooddoener "Ik heb ook nog andere patiënten" te repliceren dat zulks haar bekommernis was en niet de mijne en ik dat argument bijgevolg dus niet accepteerde, was de ruimte helemaal te klein. Mijn slaapkamer, die tevens dienst doet als kantoor, living, eetkamer, badkamer en toilet, daverde op haar grondvesten toen mijn benen spastisch begonnen te trillen onder de giftige blik die mijn verzorgster me toewierp.

Tja, ze heeft vorige zomer al eens een tijd thuisgezeten omdat ze uitgeblust was. En nu hebben ze haar een patiënt gegeven die al eens een kritische opmerking durft te maken. En vindt dat ze de tijd die ze besteed aan zijn reclameblad te lezen, met de familiehulp te roddelen of kinderachtig te doen tegen zijn kroost, beter zou besteden aan dagelijks zijn voeten en onderbenen wassen.

Ze had reeds geruime tijd niet veel krediet meer, maar het voor mij helemaal verkorven door afgelopen week tijdens mijn wekelijkse haarwasbeurt de opmerking te maken dat ik mij gelukkig mocht prijzen zo te worden verwend. En maar niet wou inzien dat ik daar geen verwennerij in zag. In bed, met mijn nek ongemakkelijk in een kuip gelegen, handelingen te laten ondergaan die ik veel liever zelf zou doen.

Reeds tweeëneenhalf jaar moet ik het ontberen, maar toch kan ik me nog levendig herinneren hoe goed het aanvoelde mijn haar te wassen onder een keiharde, warme douchestraal. Dat was pas verwennerij! En ik had er geen verpleegster, noch familiale hulp bij nodig. En bijgevolg bleef ik toen ook gespaard van het geleuter tussen die twee. Als ik lawaai wou zette ik gewoon de radio aan!

Ook het dagelijks gewassen worden in bed, met een kommetje water, kan in mijn ogen bezwaarlijk als verwennerij worden aanzien. Maar dat dringt bij sommige uitgebluste thuisverpleegkundigen blijkbaar niet door.

Een mens zou van minder neerslachtig worden. Gelukkig zorgen onze kinderen met hun dikwijls grappige uitspraken, voor een vrolijke noot in huis. En wordt een wegzinken in mistroostigheid dientengevolge voorkomen. Om even een voorbeeld te geven. Voor hen zijn er twee soorten personen: kleine en grote 'kinderen' en 'mensen', volwassenen dus.

Vanuit deze gedachtegang concludeerden zij onlangs dat mijn kinesiste, een jong meisje, nadat ze hen had vertelt meestal bij haar vriend, maar ook nog een beetje bij haar ouders te wonen, dus eigenlijk nog geen mens was. Zij moest om die uitspraak hartelijk lachen, en ik evenzeer!

Op een zondagnamiddag, eind mei, zat ons gezin gezellig samen aan tafel in de veranda, met zicht op de tuin. We keken naar een koppeltje tortelduiven dat bovenop de schommel van de kinderen zat te flikflooien. Eén van mijn kleuters zei: "Kijk papa, die duifjes zoenen elkaar, die zijn verliefd!" Ik knikte bevestigend. Ineens sprong die ene bovenop de andere en begonnen de duifjes te paren.

Enigszins verveeld door het schouwspel, probeerde ik de aandacht van de kinderen af te leiden. Tevergeefs. Dan zei één van hen: "Hoe lief. De ene vogel krabt de andere. Die eerste heeft waarschijnlijk jeuk!" Ik glimlachte en dacht: "Ja, allicht!"

Ru(sh)di(e), 3 augustus 2002 (revisie op 23 maart 2009)

24-03-09

De avonturen van Rudi & Co, het vervolg

 

Het was weer woensdag. Dan is er in de voormiddag een openbare markt in mijn woonplaats, een middelgrote provinciestad in Vlaanderen. Nu ik de thuisverplegingsdienst van mijn ziekenbond aan de deur had gezet, nadat ik een verpleegteam had gevonden dat mij wél op een deftig uur wou komen verzorgen en uit bed halen, kon ik ook eens op een fatsoenlijk uur naar deze markt afzakken. Voornamelijk als verzet, maar toch ook om enige aankopen te doen. Ondermeer verse wortels voor het paard van de Sint. De goede man zou immers, volgens mijn kinderen althans, twee dagen later bij ons langskomen.

De markt dus. Mijn echtgenote ergerde zich alweer enorm aan het voortdurend staren van heel veel mensen. Individuen die me - veelal ongegeneerd - starogend aankeken. Niet om me te groeten, maar gewoon om te zien wie of wat er in dat rollend gevaarte zat. En, ik moet toegeven, die dag was het echt wel enorm. Ook toen ik alleen aan de ingang van het plaatselijk kantoor van een financiële instelling zat te wachten, terwijl mijn wettige wederhelft binnen in het gebouw enkele bankverrichtingen ging uitvoeren, werd ik door de éne na de andere persoon aangegaapt. Mannen, vrouwen, jong, maar vooral oud, allen passeerden de revue. Het kon me niet echt deren. Maar ik wou wel wat afleiding. Dus ik zei, tot één van die personages die maar niet ophield me te bezien, met een zo krachtig mogelijke stem: "Alles in orde, mevrouw?" De vrouwspersoon in kwestie schrok op. Die dacht waarschijnlijk: "Oei, 'het' spreekt." Ze keek me enkel verbaast aan, dus liet ik er, gebruikmakend van het uiterste van mijn beperkte longcapaciteit en stemvolume, op volgen: "Is er iets?" Terwijl ze onderwijl iets nader kwam, zei ze in haar dialect: "Neen, neen."  Waarop ik repliceerde: "Oef! Ik dacht al dat ik iets aanhad van u." Hierop droop die vrouw beschaamd af.

Een dag eerder had één van mijn zoons me ook reeds op de man af gevraagd waarom al die mensen me steeds zo aankijken. Ik antwoordde toen iets in de trant van: "Misschien omdat ze me zulk een knappe gast vinden?" Maar de andere jongen ontnuchterde mij door te zeggen: "Maar neen, papa, dat is omdat je gehandicapt bent."

Mijn vrouw en ik flaneerden die woensdag dus gemoedelijk over de markt, langsheen de diverse kramen. Aangezien we toch in de buurt waren, wenste ik van de gelegenheid gebruik te maken om naar de natuurwinkel te gaan, gelegen in een in kasseistenen aangelegd, autovrij straatje, bezijden de kerk. Zakjes Sint-Janskruidenthee had ik nodig. Ik drink daar dagelijks een tas van, met de bedoeling mijn inactieve lichaam tijdens de koude maanden van binnenuit te (trachten te) verwarmen. Naar 't schijnt heeft dat als interessante bijwerking ook een goede invloed op het humeur van degene die het tot zich neemt, maar daar heb ik tot op heden nog niks van gemerkt. Mijn goede luim dien ik elders  vandaan te halen.

Daar de twintig centimeter hoge deurdorpel niet echt uitnodigde tot een bezoek aan de winkel door rolstoelers, bleef ik noodgedwongen buiten 'staan', in de kille decemberlucht, en begon wat te mijmeren. Plotsklaps werd ik echter door elkaar geschud. En hoorde tezelfdertijd iemand gedempt vloeken. Toen ik mijn hoofd naar links draaide, voor zover ik daartoe in staat ben, zag ik een figuur met een donkere bril op, in een ijltempo zigzaggend naast mij passeren. Was ik verdorie bijna onder de voet gelopen door een blinde! Ik vond het voorval enorm grappig. Trok ik, naast miserie, nu ook al blinden aan?

Trouwens bewonderenswaardig hoe snel die man zich hernam. Hij had echter nogal wat moeite om zijn blindenstok in bedwang te houden. Hoe zeer hij ook trachtte, met beide handen het ding omklemmend, het hulpstuk onder controle te krijgen, het bleef zich wild van links naar rechts bewegen, steeds - irritant - de straatstenen aantikkend, en zelfs de muurgevel diende eraan te geloven! Zou de man niet beter overwegen zich een goed getrainde geleidehond aan te schaffen?

Oeps! Nu lach ik met een handicap en dat is, geloof ik, maatschappelijk niet erg correct. Nochtans wordt zulk een humor meestal wel gesmaakt. Ik heb immers een hele resem moppen over gehandicapten opgeslagen liggen in de duistere kamers van de grijze hersenmassa, die in mijn hoofd verscholen ligt, en op momenten dat ik ze via mijn spraakorganen ten gehore breng, oogst ik steeds veel bijval.

Op deze marktdag werd ik trouwens door een recordaantal mensen aangesproken. Drie (3) om precies te zijn. Vooreerst door mijn dooppeter, die ook al bijna tegen me aanbotste, en zich dus verplicht zag me te begroeten. Vervolgens door de vriend van een jonge vrouw, die ik in het revalidatiecentrum heb leren kennen. En daarna door een oud-werkmakker van mijn vader, die vergezeld was van zijn echtgenote. Mijn vader heeft tientallen jaren lang samen met die man de hengelsport beoefend. En ik was daar in mijn kinder- en jeugdjaren haast altijd bij.

Maar ik had die persoon sinds, ik denk minstens twintig jaar, niet meer gezien. Derhalve zou ik die man bij God niet meer hebben herkend. Maar hij mij blijkbaar wel. Na al die jaren! Ben ik in al die tijd qua uiterlijk dan zo weinig veranderd? Of zou het toch iets te maken hebben met het feit dat ik in zo een wielending zit en vergezeld was van mijn Afrikaanse echtgenote, en bijgevolg dus gemakkelijk herkenbaar?

Sympathieke mensen trouwens. De man vist naar eigen zeggen nog steeds. Ik niet. Althans niet met een hengel. En geenszins op al dan niet geschubde waterdieren.Maar jammerlijk genoeg figuurlijk wel al te vaak achter het net. Wenkbrouw ophalen

Ru(sh)di(e), 6 december 2002 (revisie op 23 maart 2009)

22-03-09

De avonturen van Rudi & Co, we gaan er mee door

 

Zaterdag jongstleden ging ik met mijn echtgenote en twee bengels iets drinken in een theehuisje in het centrum van de stad waar we wonen. Kwestie van eens buiten te zijn. Ikzelf was nog nooit eerder in de verbruikszaak in kwestie geweest, maar bij een toevallige passage had ik, van op een afstand, reeds gezien dat het etablissement goed toegankelijk voor me was en er bovendien een ruime speelruimte was voorzien voor kinderen, een niet te versmaden gegeven voor wie met twee overactieve jongens op stap gaat.

Als eerste drankje namen wij, 'mannen', een warme chocolademelk; de mama een Coca Cola. Na een half uurtje door de koele buitenlucht te hebben gereden, deed die warme drank me deugd. Vervolgens wou ik wel eens iets met alcohol tot me nemen, en graag hetzelfde als mijn eega. Ik prefereerde een rosé wijntje. Mijn wederhelft ging akkoord met die keuze, onder de voorwaarde dat het een tamelijk zoete wijn zou zijn. Dus riep ik de kelner en vroeg hem of hun rosé wijn zoet was. Antwoordde die jonge snaak: "Ik zou het niet weten, mijnheer, ik drink nooit wijn."

Voor de rest overigens geen slecht woord over dat koffiehuis, behalve dan misschien het feit dat ze geen servetten gaven bij de warme toastjes. Vriendelijke mensen, en heel kindvriendelijk. Lang geleden dat ik me met mijn gezin nog eens ergens zo welkom heb gevoeld. Tijdens ons verblijf in de zaak kregen alle aanwezige kinderen trouwens ook nog eens een tweetal keren een snoepje aangeboden vanwege de uitbaters.

Een week of twee geleden was ik, na schooltijd, met mijn rakkers op weg, richting centrum. Als naar gewoonte stapte er eentje links van me, en eentje rechts. Met één hand hielden ze mijn rolstoel vast. Zo hou ik hen onder controle. We verplaatsten ons over het tamelijk toegankelijk voet- en fietspad. Op een gegeven moment kwamen er enkele fietsers achter ons aan. Zoals ik hen geleerd had, ging mijn kroost spontaan achter me aan stappen, kwestie van ruimte te geven aan die andere weggebruikers. Ze bleven wel ook mijn rolstoel vasthouden.

Hoorde ik opeens achter mij: "Pas op mannekes, ik zal het wel even van jullie overnemen!", maar dan uitgesproken in het plaatselijk dialect. Het volgende moment voelde ik een warme adem in mijn nek en rook ik een alcoholgeur. En hoorde ik één van mijn zoons zeggen: "Mijnheer, dit is wel een elektrische rolstoel hoor!" Bleek dat er een oude man tegen mijn rolstoel aan het duwen was. Die dacht dat de kinderen mij vooruit duwden (dat hadden we reeds eerder meegemaakt!) en wou dat klaarblijkelijk ook wel eens doen. Met blozende kaken (die hij waarschijnlijk reeds had door een teveel aan geestrijke drank in zijn corpus) liet hij mijn voertuig terug los. Hahaha... wat hebben we gelachen!

Wat me begin september, op een warme nazomerdag, voorviel was minder lollig. Samen met een assistente ging ik enige aankopen doen in de Aldi in onze buurt. Een filiaal van die Duitse warenhuisketen, waar ik voor die desastreuze heelkundige ingreep - die mijn ganse leven veranderde - ook reeds geregeld over de vloer kwam, en mijn echtgenote nog steeds, nagenoeg wekelijks.

Terwijl mijn assistente onze aankopen in een doos deponeerde, kwam de kassierster, met de naam "Van Branden", op haar afgestapt. Ik werd straal genegeerd, hoogstwaarschijnlijk vanuit een vooringenomenheid dat mensen in een rolstoel sowieso ook mentaal gehandicapt en onmondig zijn. Aangezien mijn toenmalige assistente de Nederlandse taal niet machtig is, begreep ze niet wat het vrouwelijk personeelslid zei. Het meisje verwees haar naar mij en ik vroeg wat er aan de hand was. De kassierster, zichtbaar verbaast dat ik kon spreken, zei boosaardig dat ze een volle fles water zag liggen in de tas die aan de achterzijde van mijn rolstoel is bevestigd. Ik vertelde haar onthutst dat het uiteraard mijn eigen drank betrof, meegebracht van thuis, en steeds aanwezig in die opbergzak, voor het geval ik er nood aan had. "Ja maar, dat is van een merk dat wij hier verkopen." beet ze me hooghartig toe. "Nogal wiedes, want hier aangekocht door mijn echtgenote" repliceerde ik. Met een blik vol ongeloof zei ze dat ik dat dan bij betreding van de handelsruimte aan haar had moeten melden. Dat vond ik onredelijk. Dit kon ze toch niet menen? Bovendien wist ik trouwens - om een voor de hand liggende reden zo dacht ik toch - niet eens wat zich exact allemaal in mijn tas bevond, zo zei ik haar. Dan zou ik het telkens ik de Aldi betrad door hen moeten laten controleren, kreeg ik als antwoord. Ik was totaal verbouwereerd. Me vanuit haar ooghoeken nog steeds spiedend aankijkend, ging zij opnieuw achter haar kassa zitten. En wij verlieten de winkel.

Het voorval ergerde me enorm. Ik vermoedde immers dat de houding van die caissière ook zodanig was omwille van de bruine gelaatskleur van mijn (jonge) assistente. Dat onnozel Aldi wicht met haar bekrompen geest veronderstelde vanuit haar stupide vooringenomenheid allicht dat het Afrikaanse meisje het had aangedurfd met een gehandicapte man op dievenpad te gaan. Met zo'n klein tasje? En zonder het dicht te doen? En een fles water van nog geen 25 Eurocent? Domme mensen gaan er blijkbaar vanuit dat elk ander individu even dwaas is als zijzelf.

Net buiten, en enigszins bekomen, keerde ik me terug om en verzocht die trut, die inmiddels met een collega stond te konkelfoezen, tot bij me te komen. Dat deed ze, evenwel met tegenzin, en vergezeld van die werkgenote. Ik vertelde hen die houding van die ene niet te waarderen. Ze vond er zelf niks verkeerd aan en bleef bij haar standpunt dat ik elke keer ik hun winkel betrad, mijn tas door hen zou moeten laten controleren. Die andere trad haar daarin bij. Dat ik, wat zij van mij verlangden, als uiterst vernederend ervoer, en gezien de drukte die meestal in de winkel heerst, dit zelfs praktisch nagenoeg onmogelijk te realiseren viel, kon hen beide niet deren.

Ik zei nog te begrijpen dat er een regel was dat je in principe niet met een tas de winkel in mag, maar ze moesten toch begrijpen dat ik onmogelijk mijn rolstoel, met een niet verwijderbare tas, of enkel de tas, aan de ingang van hun winkel kon laten staan. Bovendien vond ik dat een doorzoeken van mijn tas - met als inhoud voor mij noodzakelijke dingen, waar zij mijns inziens totaal geen zaken mee hebben - een aantasting is van mijn privacy. Doch die argumenten vonden bij hen geen gehoor.

Achteraf bekeken kan je zeggen dat deze hele situatie had kunnen vermeden worden als die assistente mijn tas voor het binnenrijden van de winkel had dichtgedaan. Maar wie niks te verbergen heeft, denkt daar gewoonweg niet aan en verwacht geen perikelen als deze. Dus dat meisje treft, wat mij betreft, geen blaam. Mijn conclusie uit dit voorval is gewoonweg dat ik in die Aldi niet welkom ben. Niks aan te doen. Het is - spijtig genoeg - nu eenmaal zo dat de menselijkheid soms ver te zoeken is in onze hedendaagse maatschappij.

Ru(sh)di(e), 2 december 2002 (revisie op 22 maart 2009)

18-03-09

De lotgevallen van een rolstoeler, tweede en nu echt wel allerlaatste aflevering

 

Eureka! Ik heb mogelijks een manier gevonden om de verlamming van mijn benen ongedaan te maken.

Gisterenochtend is de huisdokter bij me langs geweest en die heeft hij me ondermeer een antibioticum voorgeschreven. Toen mijn echtgenote in de namiddag met de medicatie thuiskwam las ik, als naar gewoonte, de bijsluiter. En wat zag mijn lodderig oog als zijnde één van de mogelijke bijwerkingen: 'wankel op de benen lopen.'

Ik ben sinds gisterenavond met de inname van die pillen begonnen en hoop spoedig geconfronteerd te worden met die bijwerking. Wankel of niet, als ik maar vooruit geraak!

Dat ik reeds meermaals ondervond dat je mensen zo gemakkelijk blaasjes kan wijsmaken, heb ik reeds eerder verteld. Vorige week is het me alweer gelukt iets uitermate onwaarschijnlijk voor waar te laten aannemen. Ja, een mens moet ergens zijn pleziertjes uit halen.

De zon scheen en er heerste een aangename temperatuur. Wel een beetje wind, maar dat kon me niet deren. Ik vertrok een half uurtje vroeger dan nodig om mijn kinderen af te halen van school, zodat ik eerst nog eens een toertje kon maken in de wijk achter onze woning.

Ik genoot van het zicht van de tuinen en tuintjes vol groeiende en bloeiende planten en bloemen. Het ene perkje nog mooier aangelegd dan het andere. Nogmaals overdacht ik hoe zeer ik had uitgekeken naar het moment waarop ik voldoende tijd zou hebben gehad om zelf mijn eigen tuin te kunnen onderhouden. En hoe triest het eigenlijk was dat ik nu wel alle tijd had, maar nooit aan tuinieren zou kunnen toekomen. Het ergste van al vond ik het feit dat mijn kinderen mij nooit in de tuin zouden bezig zien en ik dientengevolge de interesse en de kennis van het groenwerk, niet aan mijn kroost zou kunnen doorgeven, zoals ik van jongs af aan het tuinieren van mijn ouders had gezien en geleerd. Soit, gedane zaken nemen geen keer. Ik kon mijmeren zoveel ik wou, het zou niks wijzigen aan mijn situatie.

Op een gegeven ogenblik passeerde ik een tuin waarin een man net de inhoud van de opvangbak van zijn grasmachine in een kruiwagen kiepte. De heer keek op en ik knikte hem gedag. "Lekker weertje hè" zei hij me vriendelijk glimlachend, onderwijl mijn richting uit komend. Ik hield even stil. Die manspersoon - een zestiger denk ik - had duidelijk zin in een praatje en ik zag het ook wel zitten om enige woorden met hem te wisselen.

Hij vroeg me of ik reeds lang in een rolstoel zat en of mijn toestand, zoals hij vermoedde, het gevolg was van een verkeersongeval. Enfin, de geijkte vragen dus. En ik legde hem geduldig, en zeer in het kort, de oorzaak van mijn rolstoelafhankelijkheid uit. Die persoon luisterde heel aandachtig en zijn gelaatsuitdrukking werd zeer ernstig, bijna droevig. Hij vond, zeker omdat ik er nog zo jong uitzie, mijn toestand uitermate erg.

"Tja" zei ik, "Dat vind ik ook, maar de situatie is nu eenmaal onomkeerbaar, dus moet ik er maar zien het beste van te maken." Die ingesteldheid vond hij tof. Er verscheen alweer een glimlach op de grijzende man zijn aangezicht. "Gelukkig kan ik dat nog wat jij nu aan het doen bent." zo zei ik.  De man keek me niet begrijpend aan. "Het gras van mijn gazon afrijden bedoel ik dus" verklaarde ik me nader. Waarop hij: "Hoe doe je dat dan?" Ik repliceerde: "Met mijn rolstoel. Ik heb daar een aparte module voor. Mijn echtgenote klikt dat ding onderaan vast en klaar is Kees!"

De man keek me ongelovig aan, maar ik voegde er met een ernstig gezicht toch nog aan toe: "Was wel niet goedkoop, en allemaal uit eigen zak te betalen. Maar ja, een grasmachine kost ook geld en dan moet ik nog iemand vinden om er achter te lopen, terwijl ik zelf alle tijd heb."

De brave man maar knikken. Daar kon hij inkomen. Ondertussen bekeek hij spiedend mijn gemotoriseerde zitstoel. "En hoe krijgt de motor van die messen stroom?" kreeg ik te horen. Ik wees naar de zware batterij achteraan mijn rolstoel en zei, voordat de brave man nog meer technische vragen op me af kon vuren, dat hij me moest excuseren, maar dat ik dringend verder moest om mijn kinderen van school af te halen. Ik begon terug te rijden en terwijl die heer, nog steeds met een ernstig en vragend gezicht naar mijn machine keek, zei ik nog, breed lachend nu: "'t Is niet waar, hoor!" Die mens had het terstond door, en begon hard te lachen. En langdurig, want toen ik de straat uit was, en een andere in, richting de school van mijn bengels, hoorde ik nog steeds zijn gelach. Voila, mijn dag was geslaagd!

Aan de school was de situatie, als steeds, minder succesvol. De allerkleinsten, zijnde de kinderen uit de zes kleuterklassen, moeten worden afgehaald in de speelzaal. De toegangsdeur van de gang naar deze zaal wordt pas even voor de schooldag ten einde is, ontgrendeld. Met als gevolg dat er steeds een massa ouders en grootouders aan de toegangsdeur staan te wachten tot wanneer deze wordt geopend.

En als het dan zo ver is, wil iedereen als eerste naar binnen en is het een dringen van jewelste. Eigenlijk ongehoord, mijns inziens. Nadat ik - als enige - de moeders met kinderwagen voorrang heb gegeven, rijd ik steevast als allerlaatste doorheen het deurgat. En dat is niet zo eenvoudig, aangezien op dat ogenblik reeds de eerste (groot)ouders met afgehaald(e) kind(eren) langs diezelfde deur terug naar buiten komen. Menselijkerwijze zou je toch verwachten dat men plaats zou maken voor die persoon in zijn rolwagen (ik dus). Maar neen hoor, ongelooflijk maar waar, met de bedoeling me voor te zijn duwen de volwassenen hun (klein)kind voor zich uit. Ze gaan er waarschijnlijk van uit dat ik niet tegen die kleintjes hun schenen zal aanrijden.

En dat doe ik inderdaad ook niet. Ik hoed me er trouwens sowieso voor om tegen mensen aan te rijden. Dus meestal wacht ik dus gewoon gedwee tot wanneer ik ruimte heb om te rijden.

Het valt mij trouwens op hoe weinig respect mensen heden ten dage hebben voor hun zwakkere soortgenoten, als daar onder anderen zijn: kinderen, bejaarden en gehandicapten.

En nu doel ik niet speciaal op jongeren hoor, want daar heb ik persoonlijk nog de minst slechte ervaringen mee.

Neen dus, vooral volwassenen en dan zelfs veelal vrouwen en ook mannen van midden de vijftig, pregepensioneerden naar ik vermoed. Zo werden we ook deze dag, terwijl we bij groen licht en ik op het zebrapad rijdende, met mijn kinderen links en rechts van me, netjes met één hand mijn stoel vasthoudend - naar gewoonte aldaar - bijna overhoop gereden door een haastige bestuurster die waarschijnlijk bewust negeerde dat je bij rood licht eigenlijk moet stoppen.

Om dan toch met een vrolijke noot te eindigen, het volgende:

Ik moest gisteren namiddag in het centrum van de stad zijn waar ik woon. Ik reed gezwind op het mooi betegelde, vlot berijdbare fietspad. Op een gegeven ogenblik stopte ik even en boog me voorover om mijn bil- en bovenbeenspieren tijdelijk te ontlasten. Onmiddellijk stopte daar een dame haar auto en vroeg door het geopende portierraam of ze me kon helpen. Nog een andere auto hield stil. En ook een fietsende dame hield halt. Een oudere dame die zo een boodschappentas op wieltjes achter zich aantrok was er van overtuigd dat ik onwel was geworden. Uiteindelijk slaagde ik erin iedereen te verzekeren dat ik niet in nood verkeerde en bijgevolg ook geen hulp nodig had. Het was wel eens leuk om zien, al die bezorgde gezichten. Mijn vrouw, die bij me was, drukte het uit als volgt: "Lokeren wordt wakker!" We zijn dat hier immers niet gewoon, zo een attent gedrag.

Ik moest in het stadhuis zijn, om mijn reeds twee jaar vervallen identiteitskaart te hernieuwen. (even terzijde: mijn pasfoto's zijn goed gelukt en ik heb er nog twee over, dus als er fans zijn met interesse in een gesigneerd exemplaar...'t is het moment!)

De dame achter het loket herkende me nog van vroeger. Ze had ooit in mijn zaak één en ander aangekocht, samen met en voor haar dochter en zei dat ze veronderstelde dat het hard moest zijn om als levendige, steeds in de weer zijnde persoon, zoals ze me voorheen had gekend, noodgedwongen een inactief leven te gaan leiden.

Het deed deugd te merken dat er dan blijkbaar toch nog mensen zijn met een beetje inlevingsvermogen en dan ook nog het lef hebben dat te uiten.

Maar het toppunt van al speelde zich af in het Kruidvat. We moesten daar zijn om ondermeer haargel voor ondergetekende aan te schaffen. Jazeker dames en heren, jongens en meisjes. Naast wat deodorant onder de oksels, enige gezichtscrème op wangen, voorhoofd en neus en een vleugje aftershave op bovenlip, kin en kaken, heb ik ook dagelijks wat gel nodig om mijn haar enigszins in model te houden.

Terwijl mijn echtgenote de benodigde waar ging uitzoeken, bleef ik noodgedwongen aan de ingang van de winkel staan. Verder geraakte ik niet wegens de met allerlei spullen gevulde bakken die tussen de rijen winkelrekken stonden opgesteld, en me bijgevolg de doorgang belemmerden. Dus keek ik maar wat rond, naar de bussen haarlak, allerlei flacons met kleurspoelingen, haarverstevigers en zo mee. Ter afwisseling staarde ik net zo lang en indringend terug als sommige passanten naar mij staarden. En opeens merkte ik daar volgende aankondiging in de winkel: 'vanaf maandag aanstaande, in de solden, massa's kerstversiering aan - 50 %.' Aan het begin van de zomer zit elkeen daar toch op te wachten, niet? Dus: op 1 juli allen daarheen!

Ru(sh)di(e), 28 juni 2002 (revisie op 15 maart 2009)

14-03-09

Rudi's overpeinzingen - Kinderen

 

Na de desastreuze medische blunder, waarbij een misdadige chirurg mijn lichaam, en derhalve ook mijn leven totaal verwoestte, verbleef ik gedurende anderhalf jaar in het ziekenhuis, waarvan vijftien maand op de afdeling revalidatie.

Terwijl hun mama thuis onze winkel open hield, kwamen mijn zoontjes, die toen zowat vier jaar jong waren, me, vergezeld door mijn ouders,  elke zaterdagnamiddag bezoeken, in het revalidatiecentrum waar ik verbleef.

We zaten allen samen in mijn kamer, toen één van mijn rakkers meldde te moeten plassen. Mijn moeder stelde zich onmiddellijk recht om de jongen naar het toilet te begeleiden. Zijn tweelingbroertje wou uiteraard ook meegaan.

Even later kwam één van mijn zoontjes het toilet uitgehold en botste bijna op een patiënt in een rolstoel. Toen hij merkte dat die heer slechts één been had proestte hij het uit. Eén handje op de mond en met het andere de arme man aanwijzend, schaterde hij: "Hihihi, mémé, kijk! Die mijnheer heeft maar één been." Mijn moeder voelde zich erg verveeld met de situatie en verontschuldigde zich aanstonds bij die man.

Toen ze alle drie terug in mijn kamer waren, en mijn ma me hetgeen was gebeurd verhaalde, trachtte ik de kleuter duidelijk te maken dat hij dat niet meer mocht doen. Dat die mijnheer waarschijnlijk veel verdriet had omdat hij een been kwijt was - en nét die man leed er ontzettend erg onder, zo wist ik - maar het jongentje was het voorval reeds vergeten. Die was alweer met zijn autootjes aan het spelen. Het was gewoon een spontane reactie geweest; die zag - voor het eerst in zijn nog jonge leven - een man met maar één been en vond dat komisch.

Zo zijn kinderen: oprecht en daardoor ook wel eens kwetsend. Dat moet je er bijnemen.

Ik heb in ieder geval graag van die jonge snuiters om me heen, met al hun vragen, waarop ze dan ook nog eens een eenvoudig antwoord verwachten.

Alhoewel kinderen ook knap lastig kunnen zijn; maar ja, het zijn dan ook (al) mensen.

Het valt me trouwens op dat kinderen tegenwoordig nagenoeg nooit bevreesd zijn als ik met mijn gevaarte kom aangereden. Allicht doordat ze nu minder verlegen zijn, mondiger en veel meer gewoon. Ik herinner mij immers van toen ik me, midden de jaren tachtig, ook eens een jaar lang in een (mechanische, toen) rolstoel moest verplaatsen, peuters en kleuters dikwijls van me wegliepen. En ik zag er in die tijd heus niet nog lelijker uit dan nu het geval is.

Nu nog kijken de meeste kinderen eerst op enige afstand toe, maar als ik hen wenk om dichterbij te komen, doen ze dat meestal gezwind.

Ik laat ze dan zelf een deel van de knopjes op mijn bedieningspaneel beroeren: lichten én bovenal claxon en knipperlichten! Dat vinden ze uitermate leuk.

En de bedieningshendel van mijn karretje hanteren en naast mij stappend het voertuig, mij inclusief, voortbewegen is voor de meeste kinderen het ultieme amusement.

Eerst zachtjes, en als ze het systeem onder de knie hebben mogen ze van mij zelfs iets sneller rijden, zodat ze naast me moeten mee 'lopen'. Dit leidt meestal tot hilariteit.

Vooral jongens voelen zich tot de techniek van mijn vehikel aangetrokken, maar nu en dan ook een meisje.

En als het genoeg is geweest laat ik hen stoppen, want de meeste kinderen weten uit zichzelf niet van ophouden.

Oudere kinderen vragen me wel eens hoe het komt dat ik in zo een karretje zit en of ik het leuk vind en waarom dan wel niet. En ik antwoord dan in zo eenvoudig mogelijke bewoordingen.

En mijn rakkers zijn trots dat het hun papa is die met zo een machine rondtoert.

Zij hebben bovendien het voorrecht om, gezeten op mijn schoot, of op één van de armsteunen, met me mee te rijden. Nu het nog kan, want ze worden snel groot.

Anderzijds beseffen ze ook wel dat een valide papa, die met hen kan fietsen, voetballen en rollebollen over het gras, eigenlijk toch nog leuker zou zijn.

Ru(sh)di(e), 28 mei 2002 (revisie op 10 maart 2009)

09-03-09

De avonturen van Rudi & Co, aflevering twaalfenveertig

 

Mijn kinderen zijn dol op voetbal. Zowel zelf spelen, als er live of op de televisie naar kijken.

Toen we op een woensdagnamiddag, na een lange, hen deugddoende wandeling, op zeker moment een aantal jongentjes, in voetbalkledij, met de auto gebracht door ma of pa, en anderen per fiets, een veldweg zagen inrijden, wou mijn kroost er meteen achteraan, want er kon volgens hen geen twijfel over bestaan dat daar ging gevoetbald worden!

Ik meldde hen dat die kinderen waarschijnlijk géén match gingen spelen, maar zich naar hun voetbaltraining begaven, maar dat klonk mijn rakkers blijknaar nog aantrekkelijker in de oren, want die begonnen van "Allé papa!" en met gevouwen handjes, door hun knietjes zakkend, smekend "Alsjeblief." Tja, wat doe je dan als vader? Toegeven uiteraard! Met veel plezier trouwens.

Zo wij dus die steeg in waar we al die jonge voetballertjes in hadden zien verdwijnen. Aan het eind van de weg bevond zich een hek in twee delen, vastgeklonken aan elkaar met een zware ketting, voorzien van een hangslot. Naast dat hek, een overdekte opening in een soort van L-vorm, breed genoeg om als voetganger of zelfs met een fiets te kunnen passeren, maar onmogelijk mijn omvangrijke rolstoel daar doorheen te manoeuvreren. Door het hekwerk heen zagen we, op het plein, de jongens aan hun oefeningen beginnen. Ik bedacht plots dat er nog een andere entree moest zijn, want ik was ooit wel eens eerder op dat voetbalplein geweest, en niet langs hier.

Dus wij terug die steeg uit, de hoofdstraat op, en een heel eind verder, een andere zijstraat in. Een ganse omweg, maar mét resultaat. Na doorheen een openstaande poort te zijn gestapt / gereden, bereikten we een eerste sportveld, en zagen we - enkele blokken verder - de spelertjes aan het werk.

Via het zijpad naast de sportterreinen belandden we waar we wezen wilden. De kinderen keken enige tijd geïnteresseerd naar de baloefeningen en kregen toen van de trainer een bal ter beschikking zodat ze ook wat konden shotten... en dat deden ze, met volle overgave!

Toen de kleinsten hun training hadden beëindigd, was inmiddels reeds een groepje jongvolwassenen, onder aanvoering van een ook nog jonge, zuiders ogende man, op een ander veld beginnen oefenen. Mijn rakkers, die inmiddels de bal hadden teruggegeven, keken gefascineerd toe. Vooral de trainer was een echte balvirtuoos.

Onderwijl het broodje, dat we onderweg hadden gekocht, als avondmaal verorberend, bleven mijn twee voetbalfanaten toekijken tot ook deze training was afgelopen. Terwijl de voetballers zich omkleedden - douches zijn daar niet aanwezig - begaven wij ons in een gezapig tempo richting uitgang.

Verdorie! Bleek die poort inmiddels gesloten te zijn. Ik vroeg aan één van mijn kinderen te controleren of ze ook op slot was en dat bleek inderdaad zo te zijn. "Wat nu?" vroeg mijn kroost in koor. Uiterlijk zelfzeker, maar innerlijk toch wel licht panikerend, zei ik: "We keren snel terug  naar het veld; die trainer heeft mogelijks een sleutel!"

Dus wij onmiddellijk rechtsomkeer gemaakt en in ijltempo terug. Ik hotsend en botsend in mijn karretje, de jongens lopend naast mij. Het pad naast het eerste sportveld oprijdend zag ik in de verte - naar even later bleek - net de laatste persoon door het slop wegrijden.

Daar stonden we dan. Een koude rilling ging door me heen. Jakkes, ernstig probleem! We zouden hier alleszins niet moeten overnachten. Twee vijfjarigen om hulp sturen vond ik onverantwoord, maar ik had mijn GSM bij me en kon dus altijd moeder de vrouw nog bellen. Maar vooraleer de helft van de buurt op zijn kop te laten zetten om iemand met een sleutel van de poort of het hek te vinden, wou ik toch even bezien of er géén andere uitweg was. Dat overdekt L- gangetje naast het hekwerk was, in elk geval, ook vanaf deze kant niet voor mij toegankelijk.

Kwam mijn ene zoon met de vraag of we niet door het veld opnieuw de straat konden bereiken. Dus wij het uiterste sportveld rondgereden, zoekend naar een manier om weg te komen. En die vonden we gelukkig! Aan het eind van het terrein was een verweerde afrastering, waarin de jongens een opening vonden waar ik, een beetje hobbelend, gezien de oneffen ondergrond, toch doorheen kon  Vervolgens bereikten we via een braakliggend terrein een veldweg, en konden we aan het uiteinde hiervan, via de oprit van een bedrijfsgebouw, terug de straat bereiken en een tijdje later ook ons huis.

Ik maak met mijn lieverds soms wel leuke dingen mee. Toen we een keer in het park waren, de jongens wat rondcrossend om me heen, zag ik ineens, ter hoogte van de vijver, twee eenden met hun snavels tegen elkaar schuren en riep naar mijn rakkers: "Kijk daar, kussende eenden!" Tja, dat had ik beter niet gedaan, want op het ogenblik dat mijn bengels hun ogen op het koppeltje watervogels hadden gericht, sprong de ene canard achterop de andere om 'je weet wel wat' te doen. En mijn kinderen, met wijd opengesperde, vragende oogjes: "Wat doen ze nu, papa?" Waarop ik, zo snel niet in staat iets beter, dus geloofwaardiger, te verzinnen: "Heu, die spelen maar wat; paardjerijden, hè." De snuiters wierpen me een blik vol ongeloof toe, en keken verder naar het schouwspel. Waarop één van hen uitriep: "Papa, ik weet het! Die zijn aan het vrijen!"

Ja, kinderen. Heb de indruk dat ze tegenwoordig, op allerlei vlak, van méér zaken op de hoogte zijn op vijfjarige leeftijd dan ik toen ik vijftien was! Daar zal de media, en meer bepaald vooral de televisie, wel voor iets tussen zitten, zéker?

Bij die laatste uitstap was trouwens ook één van mijn persoonlijke assistentes aanwezig, een Afrikaanse van vooraan in de twintig, die aan de Gentse universiteit een Engelstalige cursus volgt en tijdens de vakanties wat bijverdient door me te helpen. Dat meisje heeft een donkerbruine huidskeur, net zoals de mama van mijn bengels.

Op de terugweg naar huis kwam plots een buurman op ons afgelopen. Voorheen hadden we regelmatig contact, maar sinds ik in het hospitaal was binnen gegaan, nagenoeg twee jaar daarvoor, had mijn gezin nimmer iets van hem, noch van zijn echtgenote, gehoord. Hij vroeg hoe het met me ging en nodigde me uit één van de volgende dagen eens bij hen een tas koffie te komen drinken.

Ik dacht: "Ja moe; we hebben het reeds al die tijd zonder hen gered en nu ze wel eens het fijne van mijn lotgevallen willen weten, ben ik ineens welkom; vergeet het!", maar zei vriendelijk: "Ik zal je uitnodiging in gedachten houden" en concentreerde mijn aandacht vervolgens op de kinderen, die wat al te ver van me waren weggelopen.

Die kerel begon dan maar, in het Nederlands, tegen mijn assistente te praten. Ik ving flarden op uit zijn monoloog. Enfin, eigenlijk vuurde hij een resem vragen op haar af, terwijl zij hem lief, maar onbegrijpend aankeek, en hij, zichtbaar verbaast, zich waarschijnlijk afvroeg waarom hij géén antwoord kreeg. Die 'herkende' in dat meisje mijn vrouw. Hahaha!

Dus ik, met een uitgestreken gezicht: "Euh, er zal weinig respons komen hoor, want de jongedame hier aan mijn zijde, spreekt en verstaat enkel Engels en Frans." En, terwijl de teint van die kerel zijn gelaat kleurde van blank over zalmroze tot wanneer zijn kop leek veranderd te zijn in een vuurrode boei, zei ik tot mijn kinderen: "Kom jongens, we gaan naar mama." En tot hem kort "dag" en liet die man vervolgens, met zijn rijpe tomaat voor wie en wat hij was.

Ru(sh)di(e), 29 mei 2002 (revisie op 8 maart 2009)