01-01-12

Nieuwjaar 2012

  

Enkele nieuwe teksten om te posten zijn bijna klaar.

Maar in afwachting daarvan wens ik jullie alvast een SEXY Nieuwjaar!

 

Sexy girl - 033 (in a convertable car).jpg

  

07-03-10

Herinneringen uit mijn verleden - Hogeschool anekdotes

  

Zoals reeds eerder door mezelf in mijn schrijfsels ootmoedig bekend gemaakt, ben ik eigenlijk altijd nogal een brave leerling, scholier & student geweest. Maar voor een kwinkslag of een grapje zat ik dus nooit verlegen.

Zo volgde ik na mijn middelbare studies een voorbereidende cursus Wiskunde aan een Vlaamse industriële hogeschool. We zaten in de klas met een 50 à 60 studenten, afkomstig uit allerlei studierichtingen en woonachtig in de ruime regio van de stad waar we deze cursus volgden.

Op een gegeven moment was onze docent bezig met een omvangrijke vergelijking. Een ingewikkelde berekening, waar integralen en differentialen aan te pas kwamen. Het gigantische krijtbord stond vol gekriebeld met formules en voor leken onduidelijke tekens.

Plots werd er aan de deur geklopt en kwam er iemand van het secretariaat het lokaal binnen. De man fluisterde onze leerkracht wat in het oor. Waarna deze laatste ons meldde er even vandoor te moeten gaan, maar dat hij zo meteen terug zou zijn. En vervolgens samen met de boodschapper het leslokaal verliet.

Ik wipte terstond van mijn stoel en liep naar het krijtbord toe. Waarop ik simpelweg in de laatst geschreven berekeningslijn één cijfertje wijzigde, waardoor de docent nooit meer tot een juiste oplossing kon komen.

Nog maar net had ik haastig mijn plaats terug ingenomen, of daar was onze leraar al terug! De man verontschuldigde zich voor de korte onderbreking en toog terug verder aan zijn arbeid, zijnde de wiskundige vergelijking op het bord.

Hij bezag zijn laatst geschreven regel en ging daarop verder met zijn berekening, waarbij hij ons middelerwijl van de nodige kundige uitleg voorzag. Enkele minuten later hield de docent evenwel ineens op met schrijven. Hij zei: "Hier klopt iets niet!"

Alhoewel ik op de eerste rij zat, voelde ik, of beeldde ik me in, dat iedereen naar mij keek. En toen de docent het gewijzigde karakter had ontdekt, en het lokaal inkeek, speurend naar de dader, proestte ik het uit. En mijn medestudenten lachten vrolijk mee. Met een, van schaamte en ingehouden spanning, bloedrood aangelopen hoofd, bekende ik schuld! En moest erkennen dat de docent, wat Wiskunde betreft, goed van wanten wist, aangezien de man heel snel doorhad dat er ergens met de cijfers was geknoeid. Of was het vooral zijn ervaring met guitige studenten die daar aan ten grondslag lag?

Nu ja, de man kon een grapje klaarblijkelijk wel appreciëren. Dat hij me bij het verbeteren van de proef, aan het einde van de cursus, weinig punten gaf, werd dan ook helemaal niet veroorzaakt door deze deugnieterij. De reden daarvan was ontegensprekelijk elders te vinden. In plaats van vlijtig te studeren spendeerde ik mogelijks te veel mijn vrije momenten door met mijn maten te kaarten. En tijdens de lessen verloor ik misschien wat al te veel aandacht voor de leerstof door het loeren naar die massa knappe wijven in mijn groep.

Omdat ik als modelstudent vooraan in het lokaal zat, op de eerste rij voor dat enorme krijtbord, moest ik trouwens steeds achterom kijken om een glimp op te vangen van mijn vrouwelijke medestudenten. Om eerlijk te zijn was dat vooraan zitten trouwens ook enkel om reden van de slechtziendheid van één van mijn maten.

Toen de cursus zo goed als ten einde was, vroeg één van onze docenten, zo langs zijn neus weg, wat onze verdere plannen waren. Welke school en opleiding we wilden volgen.

Sommige van mijn medecursisten waren al ingeschreven op de school waar we les volgden, anderen op deze met eenzelfde studieaanbod, maar van een ander onderwijsnet. Er was een jongen die het aan de universiteit ging proberen en twee meisjes die een opleiding waarin Wiskunde een belangrijk vak is, toch niet meer zagen zitten en een andere richting wilden uitgaan.

Ook ik stak mijn hand op en toen het mijn beurt was om te zeggen waar ik was ingeschreven, antwoordde ik al gekscherend: "Bij den RVA!" De ganse zaal lag plat van 't lachen! Docent incluis!

Ru(sh)di(e), 20 juni 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld' op 1 september 2009), revisie op 25 februari 2010.

14-06-09

Rudi's ontboezemingen - Blind geldgewin

 

Regelmatig krijg ik berichten in mijn mailbox waarin wordt gemeld dat men mij in contact kan brengen met dames, waar wél eens de ware voor mij tussen zou kunnen zitten. Hoe men er bij komt, dat ik daar naar op zoek ben en niet misschien reeds heb gevonden, is voor mij een raadsel. Nu ja, mijn gulzige prullenbak slikt deze berichten met graagte in.

Een kennis van mij heeft ooit eens via zo een 'dating site' een 'blind date' geregeld. Een regelrecht fiasco! Die jongen had een plaatsje gereserveerd, in een stemmig restaurantje. Een vrij exclusieve, en bijgevolg dure eetgelegenheid. Maar ja, die jongeman van tegen de dertig, had een goede job en kon zich dat permitteren. En wou met deze luxe dat bijna tien jaar jonger meisje imponeren. De jongedame, waarmee hij had afgesproken, kwam echter niet opdagen! Dus zat hij daar de ganse avond aan dat tafeltje, bij kaarslicht, en helemaal allen. Absoluut niet romantisch!

Achteraf heeft hij dan vernomen wat er was gebeurd. Via de chat, want toentertijd was de aankoop van een mobieltje slechts weggelegd voor rijke mensen, zakenlui en prostituees. Dat meisje waarvan sprake, had haar weg naar de plaats van afspraak niet gevonden. De jongedame, zo bleek, was immers blind! En haar geleidehond was net die avond van haar weggelopen! Met haar witte geleidestok in zijn bek!

Mijn kennis is na het 'lezen' van die uitleg niet meer bijgekomen... van het lachen! Zijn mama, gealarmeerd door het lachsalvo, en vervolgens het geluid van een klap, komend uit die jongen zijn slaap- annex studeerkamer, vond hem dubbelgevouwen van het lachen, naast zijn bureaustoel. Hij had zich daarenboven ook nog eens een breuk gelachen. En was er dus erg aan toe.

Uiteindelijk is mijn kennis met zware hoofdwonden opgenomen in het lokale ziekenhuis. Géén idee hebbend van wat er aan de hand was, had zijn mama immers om een ziekenwagen gebeld. Toen die arriveerde, was mijn kennis evenwel al wat bekomen. En de ambulancier van dienst, een potige kerel, kon er niet mee lachen dat hij voor niks was uitgerukt. Bovendien bleek die blinde date zijn nichtje te zijn! En vond hij derhalve het gebeurde helemaal niet grappig. Mijn kennis heeft dat geweten! En zal daar blijvend aan worden herinnerd, telkens hij in de spiegel kijkt en de littekens ziet op zijn gezicht.

Eind goed, al goed, evenwel. Dat meisje is mijn kennis komen opzoeken in het hospitaal. Dat ze probleemloos vond! Neen, die hond was nog niet teruggevonden, net zo min als haar geleidestok. Ze had gewoon haar bril afgezet. En wat bleek? Dat ze kon zien! Een beetje troebel, dat wel, maar ze zag! Door dat verbouwereerd meisje op de rooster gelegd, bekende haar pleegmoeder huilend, uit vrees voor de gevolgen van haar confessie, dat zij en haar drugsverslaafde man, het blinde meisje, dat dus helemaal niet blind bleek te zijn, van kleins af aan een donkere bril hadden opgezet, zodat iedereen dacht dat het lief kind blind was, en ze derhalve dubbel kindergeld konden opstrijken!

Gedane zaken nemen géén keer. De tijd terugdraaien gaat immers (voorlopig?) nog niet. Derhalve vergaf dat meisje haar pleegouders hun zonde, en stapte met mijn kennis de boot in. Hij was in die tijd immers matroos op een binnenschip. En zonder bril zag dat jong vrouwmens mijn kennis goed zitten. Allicht omdat haar zicht toch ietwat troebel bleef; Oh ja, inderdaad: ze leefden nog veel en kregen lange kinderen.

Rudi, 6 september 2008 (revisie op 14 juni 2009)

10-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - Zware jongens

 

Bij ons, op de middelbare school, zat gedurende enkele jaren ook een jongen met een lichamelijke beperking en een spraakgebrek. Hoe hij daar was aangekomen, weet ik niet meer. Mogelijks was hij één van de laatste slachtoffers van kinderverlamming. Maar ik denk niet dat ons dat eigenlijk interesseerde. Die jongen stapte moeilijk en had géén volledige handfunctionaliteit. Maar het was een toffe knul. En als mijn maten of ik in de buurt waren, moest niemand het ook maar wagen om die jongen uit te lachen. Op zeker moment verliet hij de school en bijgevolg verloren we hem uit het oog.

Als zeventienjarige ging ik nagenoeg wekelijks uit met mijn kameraden. We spraken steeds af in onze stamkroeg en trokken van daaruit meestal naar een fuif. Op een bepaalde zaterdagavond bevonden we ons op zo een openbaar dansfeest, toen er op een gegeven moment een bende ruige motards de danstent binnen kwam. Stoere, struise bonken met lang haar, in jeans, met zware botten aan hun voeten en een lederen jas aan. Met daarboven ook nog eens een mouwloos jeansvestje. Op de achterzijde van dat vestje waren het embleem en de naam van hun 'club' bevestigd.

Die kerels bleven samengetroept aan de kant van de dansvloer staan en startten spoedig met het hijsen van pinten schuimend bier. Een van de mannen trok mijn aandacht. Ik meende er mijn voormalige manke vriend in te herkennen. Ik bleef de bende gadeslaan, en in het bijzonder die éne persoon. Hij was zowat de kleinste en rustigste van de hele groep. De anderen gedroegen zich nogal wild en gingen hardhandig met elkaar om, maar hij hield zich op de vlakte.

Van een lichamelijke beperking bleek géén sprake meer te zijn. 'Zou die dan volledig genezen zijn?' vroeg ik me af. En hoe was hij bij die bende zware jongens verzeild geraakt? Ik ging zijn richting uit, maar hij bleek mij niet (meer) te herkennen. Dus liep ik hem voorbij en bleef ik hem van op enige afstand observeren. Waarschijnlijk was dit dus toch mijn vroegere vriend niet. En toen ik de jongeman even later, zonder haperingen, hoorde spreken, wist ik dat wel zeker!

Uit mijn ondeugende geest ontsproot daarop een plannetje voor een kwajongensstreek. Ik ging tot bij één van mijn makkers, die tot dan toe alleen maar oog had gehad voor zijn lief, en die nu, aan de toog stond te wachten, allicht op een drankje voor haar en hemzelf. Ik vroeg hem of hij zich nog onze manke maat herinnerde. 'Uiteraard!' zei hij. Waarop ik hem vertelde dat ik er net een kwartier mee had staan praten. Mijn maat vergat de drankjes en wou zelf ook meteen naar onze verloren vriend gaan.

Ik wees mijn kameraad de in leder en jeans gestoken jongen aan, en zijn ogen lichtten op. Mijn maat, nogal klein van gestalte, benaderde de motard langs achteren en gaf die anderhalve kop grotere kerel, als verrassende begroeting, met de palm van zijn hand, een harde klap op de rug. De jongeman draaide zich terstond om en keek mijn maat boosaardig aan. Die stond daar, uitnodigend, met open armen en een lachende bek, in een houding van: 'herken je me nu niet meer?!' Die andere ruige motormannen kwamen, met een pint bier in minstens één hand, dreigend rond mijn maat staan, want ze dachten dat die één van hen had aangevallen!

Enfin, mijn maat had vrij snel door dat hij niet voor zich had, wie hij dacht voor zich te hebben. En dat hij er door mij was ingeluisd! Gelukkig bleek die zware jongen nog de slechtste niet te zijn, want mijn vriend kon er zich uitpraten en geraakte zonder kleerscheuren tot bij mij. Hij had me daar, op een veilige afstand van het tafereel, zien staan lachen, terwijl hij zelf toch wel eventjes angstig was geweest. Maar nu kon ook hij lachen om mijn grap.

Geloof het of niet, maar het meest verbluffende deed zich de week daarop voor. Alweer op een fuif, in dezelfde gemeente, ontmoetten we onze enige échte ex-schoolkameraad. Jammer genoeg was hem géén mirakel ten deel gevallen. Hij stapte en sprak nog steeds even slecht. Maar het weerzien was hartelijk, want hij was ook nog steeds behept met zijn zelfde, toffe persoonlijkheid.

Ru(sh)di(e), 27 april 2006 (revisie op 7 mei 2009)

30-04-09

Rudi's ontboezemingen - Flauwe plezanterik

 

Van de nood een deugd makend, durf ik de mensen die beroepsmatig bij me over de vloer komen voor mijn thuisverpleging, al eens in het ootje te nemen.

Hoe goed die mensen het immers ook menen, zij zijn een noodzakelijk kwaad, of misschien eerder een noodzakelijk 'goed'. Wat ik wil duidelijk maken is dat zij hier enkel over de vloer komen omdat hun hulp voor mij onontbeerlijk is. Met andere woorden: ik zou ze liever niet hebben, maar ik kan niet zonder ze. Dus maak ik er het beste van, voor hen, en voor mezelf.

Eigenlijk ben ik daar reeds mee begonnen tijdens mijn maandenlange revalidatie in het uz. Ook daar nam ik reeds nu en dan de verzorgenden in het ootje. Enorm veel plezier heb ik beleefd aan het volgende. In het revalidatiecentrum had ik het grootste gedeelte van mijn verblijf een kamer aan de straatzijde. Een straat die zich binnen het universiteitsterrein bevond, met aan de zijkant parkeerplaatsen voor auto's en ter hoogte van mijn kamer ook een fietsenrek. Tussen het gebouw en de weg, was er een strook groen, met een wandelpad en enkele bloemenperkjes.

Op een zeker moment begon men daar, vlak voor mijn vensterraam, een stenen muurtje te metsen. Ik liet hier en daar horen dat ik geruchten had opgevangen dat ze daar een vijvertje van gingen maken. Het nieuws verspreide zich als een lopend vuurtje. Op een ochtend kwam er een, al wat oudere kinesist mijn kamer binnen, keek door mijn raam naar buiten, en zei me: "Ik heb daarnet gehoord dat ze daar een vijver aan het maken zijn. Zijn ze nu helemaal op hun kop gevallen? Met al die personen met lichamelijke beperkingen en sommigen met hersenletsels, is dat vragen om moeilijkheden!" Ik knikte met een ernstige blik en beaamde zijn woorden.

Er werd de volgende dagen en weken nog duchtig geredetwist omtrent de vijver. Tot op het moment dat de bak werd ... volgestampt met teelaarde en de eerste bloembollen erin werden geplant.  Toen die kinesist van in mijn kamer de werkzaamheden kwam bezien, zei hij verwondert:  "Hé!" ze gaan daar precies een bloembak van maken?!" Ik antwoordde hem:  "Ja natuurlijk, dat heb ik altijd al geweten!"

Flauwe, droge grappen die ik maak zijn bijvoorbeeld, als een verpleegster me 's avonds, na het uitkleden en in bed stoppen vraagt: "Mogen die trui en die broek gewassen worden?" Dan antwoord ik: "Jazeker, maar breng die kledingstukken dan wel ten laatste overmorgen terug mee. En dan liefst ook gestreken en opgevouwd."

Na de mobilisatie van mijn ledematen vroeg mijn kinesiste of ze nog iets voor me kon doen. "Wel ja" zei ik, "Nu je het toch vraagt. Als je voor mij de vaat kan doen en me daarna kan helpen met onze strijk. En mocht je na het verrichten van die taken nog tijd en goesting hebben, zou ik het ten zeerste appreciëren als je de living zou dweilen, want ik heb via de banden van mijn rolstoel nogal wat zand mee naar binnen gebracht." Ze lachte schamper, want dat soort hulp had ze met haar vraag uiteraard niet bedoeld.

Toen ik nog gebruik maakte van de thuisverplegingsdienst van mijn mutualiteit, was er op een gegeven moment eens een jong meisje, pas afgestudeerd en net startend in de thuisverpleging, dat er voor moest instaan om mij 's avonds in bed te leggen. Voor mij meteen een mooie gelegenheid om een grap uit te halen. Het moet, als ik het me goed herinner, die dag de vierde of vijfde keer zijn geweest dat ze bij me langs kwam. Na me op mijn zij gerold te hebben als lig positie voor de nacht, verzocht ik haar mijn bed niet meer opnieuw tegen de muur aan te rollen, maar naar het midden van de kamer, de driezit zetel van ons salonmeubilair naar de vrijgekomen plaats te verschuiven en vervolgens mijn bed te positioneren op de plaats waar voorheen de sofa stond. Naarmate mijn uitleg vorderde was de mond van dat meisje alsmaar verder open gevallen. Ze keek me bovendien aan met zo een verbaasde, vragende blik van: meent die dat nou? Uiteraard niet dus. Ik zei: "grapje!", waarop dat kind gerustgesteld glimlachte. En sindsdien steeds op haar hoede was als ik iets zei.

Dit jaar heb ik ook een geslaagde '1 april' grap uitgehaald met de persoon die aan het hoofd staat van het team van zelfstandige verpleegkundigen, waarop ik sinds eind 2002, en heden nog steeds, beroep doe voor mijn dagelijkse persoonlijke verzorging. Zij had op deze verzendertjesdag vrijaf, maar toch belde ik haar even voor acht uur op.

Quasi in paniek, meldde ik haar met een nerveuze stem dat mijn kinderen al klaar stonden om naar school te gaan, terwijl ik nog ongewassen in bed lag. Haar collega, die werd verondersteld om zeven uur bij me te zijn, was immers nog steeds niet komen opdagen.

Mijn verpleegster klonk hoorbaar verveeld met de situatie en zei onmiddellijk de andere verpleegster te zullen bellen en dan meteen ook weer mij, om me te informeren over wat er aan de hand was. En wat er ging gebeuren.

Luttele seconden later rinkelde de gsm van de verpleegster die me net had gewassen, aangekleed en in mijn rolstoel gezet. Ze stond te gniffelen, maar nam niet op. Een minuut later was het mijn mobieltje dat lawaai maakte. "Ja, sorry hoor, maar ik kan haar niet bereiken." klonk het in mijn oor, "dus zal ik maar onmiddellijk zelf komen!" Waarop ik zei: "Oké, dat is goed. Maar wil je dan eerst even bij de viswinkel passeren om iets voor me mee te brengen?"

Zonder enig spoor van argwaan in haar stem, vroeg ze: "En wat dan wel?" Terwijl haar collega, naast me, met haar vlakke hand op de mond, stond dubbel gevouwen van ingehouden pret,  spelde ik, met een nog steeds ernstige, vaste stem: "A P R I L vis!"

Nu had de gefopte dame het door, want ze begon hartelijk te lachen en zei: "Ik nam dit jaar speciaal deze dag vrij om niet verzonden te worden, en nu heb ik het potverdorie toch weer aan mijn been!"

Tja, die malafide chirurg mag dan wel mijn lichaam om zeep hebben geholpen, mijn boosaardige geest is compleet intact gebleven.

De Mefisto voor de thuiszorg,

Ru(sh)di(e), 15 juni 2004 (revisie op 26 april 2009)

11-04-09

Belevenissen in het UZ, het achtste deel - Gedaan met feesten!

 

Meermaals heb ik het meegemaakt dat er zich spontaan groepjes vormden van patiënten die goed met elkaar konden opschieten en ook 's avond samen zaten om de tijd op een zo aangenaam mogelijke wijze te verdrijven.

Na mijn avondmaal, dat ik meestal nuttigde in het restaurant van K12, keek ik in de Tv-zaal, op de grote televisie die daar stond opgesteld, op TV1 naar Blokken en daarna, op dezelfde zender, naar het nieuws. Tegen het moment dat die uitzending was afgelopen, was het bezoek van de meeste van mijn medebewoners huiswaarts gekeerd en kwam men mij gezelschap houden.

Op deze manier had zich een groepje personen gevormd dat bijna elke avond samen doorbracht. Zonder het echt te plannen ontstond de idee om elke vrijdagavond een "Gezellig samenzijn" te houden. Dat waren echt leuke momenten. We dronken een glaasje wijn, en / of een blik bier, aten wat chips, al eens wat kaas of salami, af en toe ook Tv-worstjes. Praten, zingen, lachen, moppen tappen, anekdotes vertellen en zo nu en dan ook eens ernstig zijn. Die avonden waren steeds geslaagd.

We hebben zelfs eens carnaval gevierd, en zijn toen, getooid met petjes en maskers en blazend op fluitjes, eerst de gang opgereden om de mensen die bedlegerig waren toch ook even van de zotskapsfeer te laten snuiven.

Wat ook tof was is het feit dat iedereen elkaar hielp. We hebben dikwijls wat afgelachen. Een tetra (heeft verlammingen aan de vier ledematen) die stuntelig een lotgenoot hielp, iemand met één been die rondhuppelde om ons van drank te voorzien et cetera... Veelal was de situatie gewoonweg hilarisch! En leerde die ons ook meteen onze handicaps relativeren.

Gelukkigerwijze voor degene die het te beurt viel, maar minder plezant voor de achterblijvers, bereikte er af te toe iemand het einde van zijn of haar revalidatie en dunde ons groepje derhalve geleidelijk aan uit.

Zo zaten we op een zekere avond nog slechts met twee man, beide tetraplegiekers, bij de televisie Met voor ons, op tafel, een fles wijn, een opener, enkele plastic bekertjes, een blok vacuüm verpakte kaas en een mes. We waren wachtend tot iemand met wat méér handfunctie dan wij hebben, ons zou komen vervoegen. Om de fles te ontkurken, de wijn in de bekertjes te schenken en de kaas uit zijn verpakking te halen en in blokjes te snijden. Maar er kwam niemand opdagen.

Uiteraard hadden we iemand van de verpleging kunnen vragen om ons te helpen, maar dat was tegen de geest van zelfredzaamheid, die bij die avonden hoorde. We hebben dan maar, zo goed en kwaad als het ging, die spullen op mijn schoot gelegd en zijn naar onze kamers gereden. Dit was meteen ook het einde van de "Gezellig Samenzijn" reeks.

Die maat van me heeft trouwens ooit eens iets voorgehad na zo een feestje. De arme man zat er een beetje door die dag. Mentaal bedoel ik dus. Het ging al een tijdje niet goed met zijn therapie, hij zat ongemakkelijk in zijn stoel en hij had ook nog wel wat andere ongemakken. Was een beetje neerslachtig dus. Niet ongewoon. Je zou voor minder.

Allicht uit ervaring beter wetend, maar waarschijnlijk toch hopend dat dit hem wat zou oppeppen, had hij zich nogal tegoed gedaan aan alcoholische dranken. Vooral bier (pils) en wijn, meen ik mij te herinneren. Hij begon wat te roepen en met zijn armen te slaan, waarbij enkele bekertjes met drank op de grond belandden. De meest mobielen onder ons ruimden dat onmiddellijk op, terwijl we tevens mijn gabber trachten te kalmeren. Alhoewel ik toen dacht, en nog steeds van mening ben, dat een emotionele ontlading, zoals die zich nu bij hem voordeed, best naderhand een rustgevend effect kon hebben.

De nachtzusters hadden het tumult gehoord en kwamen kijken wat er aan de hand was. In plaats van hem even te laten betijen, wilden ze mijn vriend perse naar zijn kamer brengen. Desnoods hardhandig en tegen zijn zin. Ze trachtten de remmen van zijn rolstoel los te zetten, zodat ze met hem konden wegrijden, maar hij sloeg naar hen met zijn handen en liet daar bovenop zijn tanden zien en waarschuwde hen dat, als ze hem niet met rust zouden laten, hij hen zou bijten! Wat hij ook probeerde toen ze, zijn waarschuwing in de wind slaand, toch probeerden zijn rolstoel, met hem erin uiteraard, richting gang te duwen. Hilariteit alom! Allemaal toch in min of meerdere mate enigszins door geestrijke drank beneveld, genoten we van het schouwspel van een happende patiënt en twee krijsende verpleegsters. Uiteindelijk heb ik hem toch tot aan zijn kamer mogen begeleiden en konden de verpleegkundigen hem zonder verdere problemen in bed stoppen.

De volgende maandag hoorde ik dat er, omwille van het voorval met mijn maat enkele avonden voordien,  in spoed een multidisciplinair team was bijeengeroepen. Dat bestaat normaliter uit het diensthoofd, de revalidatiearts, de hoofdverpleger, een kinesist, een ergotherapeut, de sociaal verpleegkundige en de psycholoog. Alhoewel ik me niet kan herinneren of ze in dit geval ook effectief allemaal aanwezig waren; ik vermoed van niet.

Ik dacht: "Da's fijn. Ze gaan mijn vriend zijn problemen nu eindelijk eens ernstig, en zelfs in groep, bekijken en aanpakken" en was oprecht blij voor de man. Dus toen ik hem later die voormiddag het vergaderlokaal zag uitrijden zoefde ik onmiddellijk zijn richting uit, om met een brede grijns op mijn gezicht te vragen: "En, alles uitgeklaard? Gaan ze een aangepast programma voor je opstellen en de problemen met je stoel oplossen?" Waarop mijn maat meesmuilend antwoordde: "Jij gelooft zeker ook nog in sprookjes? Ze hebben me gewoon simpelweg gezegd dat, als ik me nog eens misdraag, ik aan de deur zal worden gezet. Op staande voet!" Een verlamde! Hoe gingen ze dat doen?

Ru(sh)di(e) 7 februari 2003 (revisie op 5 april 2009)

07-04-09

Weerloos slachtoffer - Tweede en gelukkig meteen ook laatste deel

 

Nog zo een grap die een personeelslid van het R.C. met me uithaalde wordt verhaald in hetgeen volgt. Na een bioscoopbezoek waren we, zoals gewoonlijk, nog even afgezakt naar de kroeg, gelegen tegenover de hoofdingang van het U.Z..

Een dame, van een jaar of vijftig, had nogal veel interesse voor mij. Ze ging gedurig rond mijn nek, zeggende dat ze het zo triest vond en meer van dat en ik moest zelfs enkele zoenen op mijn wangen incasseren. Toen ze me op zeker moment moed insprak en, om haar woorden kracht bij te zetten, me op één van mijn schouders klopte, riep de organisator van het uitje, met een ernstig gezicht, dat ze moest oppassen met me daar aan te raken, want daar zat mijn pacemaker! De dame trok verschrikt haar hand terug en verontschuldigde zich. En iedereen maar lachen, ik incluis.

Nog was dat vrouwtje niet bij me weg te krijgen. Verliet ze wel even het strijdtoneel, dan kwam ze toch weer terug, nu om me een drankje aan te bieden. Ik sloeg haar aanbod beleefd af. Wie weet wat ze in ruil daarvoor van mij verwachtte? Mogelijk niks, maar ik nam toch liever geen risico. En iedereen plezier hebben. Let op, ik lachte ook... groen. Neen, echt, ik vond de situatie ook wel best grappig en heb trouwens onlangs, toen ik op stap was met vrienden, iets gelijkaardigs meegemaakt, ook met een oudere dame, maar toch... Was het nu een jong mokske geweest, dan had ik haar misschien wel op mijn schoot genomen, maar deze hier....

De volgende ochtend, op een moment dat ik nog op mijn kamer was, wachtend op een verpleegkundige om mij in mijn wielkar te helpen, komt een kinesist mijn kamer binnen gestapt. Met een ernstig gezicht deelt hij me mede even daarvoor, ter hoogte van de receptie te zijn aangesproken door een al wat oudere dame die een bezoekje wou brengen aan een jongen in een blauwe rolstoel, die ze de vorige avond had ontmoet. Hij zei me de vrouw te hebben gevraagd in de wachtzaal tegenover de receptie plaats te nemen, terwijl hij me zou verwittigen.

Maar ik zei: "Ah ja, jij hebt al gehoord van dat voorval gisteren natuurlijk, en wilt me in de luren leggen!" Waarop die therapeut, met een uitgestreken gezicht zei: "Voorval, gisteren... is er iets gebeurd dan?" Zijn onschuldig gezicht en dito antwoord kon mij niet overtuigen. Toch was ik niet zeker. Zou die madam hier misschien toch echt zijn? Dit kon toch niet waar zijn?!

Ik heb het, denk ik, niemand ooit gezegd, maar ik ben even later, met volle snelheid de wachtruimte voorbijgeraasd, met één oog loerend of dat vrouwmens er effectief zat. Er was daar volk aanwezig maar ik kon niemand onderscheiden. Zo snel als mogelijk reed ik  de veilige (?) refter in. Met een bang hartje, twijfelend en hopend dat men aan het trachten was mij in het ootje te nemen. Want gestalkt worden door een dame met een leeftijd dat ze mijn moeder had kunnen zijn, kon ik wel missen. Ik bleef extra lang aan de ontbijttafel zitten, om me daarna, terug supersnel, en zonder in de richting van de receptie, ingang en wachtzaal te (durven) kijken, naar de oefenzaal te reppen. Toen ik deze even later inreed merkte ik meteen aan de glimlach en de opmerking van mijn kinesist dat zijn verhaal was verzonnen en deed ik alsof ik hem van in den beginne door had.

Eigenlijk een gemene streek van die paramedicus, mij zo veel schrik aanjagen! Maar net datgene waar ik een goed gevoel aan heb overgehouden. Dit soort grappen brengt patiënten, verzorgenden en paramedici dichter bij elkaar, en maakt het maandenlage verblijf in het centrum een stuk draaglijker.

Ru(sh)di(e), 5 juni 2002 (revisie op 5 april 2009)

31-03-09

Belevenissen in het UZ, het vijfde deel

 

Als resident van het revalidatiecentrum waar ik verbleef, kliniekgebouw 7 (K7), werd ons de mogelijkheid geboden om het avondmaal te nuttigen in het restaurant van het hoofdgebouw, K12, veertien hoog, en met een prachtig uitzicht over het ganse terrein en zelfs een deel van Gent en (bij helder weer) zijn wijde omgeving.

Meestal was er een warm gerecht, met, tijdens de week, als alternatief een koude schotel. Aangezien ik na verloop van tijd de 's middag in het centrum aangeboden warme maaltijden meer dan beu was en dus meestal niet eens de moeite nam om zelfs maar het deksel van mijn plateau te lichten, maakte ik dankbaar gebruik van dit alternatief en reed nagenoeg elke avond richting kliniekgebouw K12. Liefst in het gezelschap van anderen, want alleen is maar alleen.

Die dag had ik als gezellen een bevallige jongedame, laat ik haar Anneleen noemen, en een man, voor dit verhaal Gaston genoemd, zich beiden voort verplaatsend in een mechanische rolstoel.

Gezien het feit dat er geen regen viel te bespeuren en het bovendien vrij warm weer was, besloten we niet via de keldergangen te rijden, maar langs buiten.

Op het gelijkvloers van kliniekgebouw 12 namen we de directe lift, richting 14de etage.

Als naar gewoonte reed ik achterwaarts de lift in. Charmante Anneleen volgde mijn voorbeeld en kwam met haar karretje naast me staan. Eigenzinnige Gaston daarentegen reeds voorwaarts naar binnen. De schuifdeur sloot zich automatisch achter hem.

Toen we op het veertiende waren gearriveerd zei Gaston: "We zijn er! Komaan, volg mij!", waarop hij fors aan zijn hoepels sleurde, waarschijnlijk met de bedoeling gezwind uit de ascenseur te rijden, maar in plaats daarvan lag hij twee tellen later met stoel en al op zijn rug.

Anneleen en ik keken elkaar verschrikt aan en reden terstond de lift uit om te zien wat we voor Gaston konden doen. Ik stelde voor aan Gaston, die zich inmiddels uit zijn rolstoel had laten rollen, om in het restaurant hulp te gaan halen en maande hem aan inmiddels gewoon te blijven liggen.

Daar had Gaston echter geen oren naar. Op mijn bezorgde vraag of hij geen pijn had, antwoordde hij: "Alles in orde! Niks aan de hand." En trok vervolgens wild zijn rolstoel tot bij zich en terug recht en trachtte er terug in te geraken. Met een air van 'ik heb dit hier volkomen onder controle', maar visueel wel op een erg onbeholpen manier.

De tevredenheid en opluchting dat alles oké was met Gaston, gecombineerd met de show die hij nu opvoerde, activeerde onze lachspieren. Anneleen en ik begonnen onbedaarlijk te lachen.

Er kwamen enkele mensen uit de lift. Die wilden Gaston in eerste instantie helpen. Tot ze zijn eigenlijk totaal ongepaste, stoere houding, vaststelden. Toen keken ze naar een lachende Anneleen en mij, gniffelden, om vervolgens Gaston op zichzelf verder te laten stuntelen. Wat er voor zorgde dat wij nog harder lachten en andere passanten ook lachend het schouwspel aanzagen en daarna hun weg vervolgden. Een ontzettend komisch tafereel.

Anneleen en ik zaten werkelijk in een deuk van het lachen. Dit sloeg werkelijk alles. Er wordt aan rolstoelers aangeleerd hoe ze, zonder hulp, vlot terug in hun stoel kunnen komen na dergelijk voorval. Maar wat Gaston aan het doen was leek meer op een opname van een sketch voor een komische film of een passage uit een Tv-programma met verborgen camera.

Toen onze gabber eindelijk in zijn rolstoel was aanbeland, en wij even later van eten voorzien aan tafel zaten, en Gaston hadden uitgelegd hoe grappig de ganse vertoning was geweest, hebben we alle drie samen nog eens hartelijk gelachen om het voorval.

Ter wille van de bezorgde lezers: Gaston heeft aan dit gebeuren niks overgehouden dat hij niet reeds vooraf had. Die enkele blauwe plekken waren na een goeie week verdwenen.

Met Gaston heb ik trouwens ook nog andere avonturen beleefd. En het moet gezegd: hoewel nogal opdringerig en veelal niet door anderen begrepen, en soms ook niet door mij, was hij erg genereus en vol goede bedoelingen.

Ru(sh)di(e), 31 mei 2002 (revisie op 24 maart 2009)

17-03-09

Rudi’s ontboezemingen, nog een deel

 

Deze ochtend werd ik opgebeld door een kennis uit mijn revalidatietijd. Op diens vraag hoe alles met me was antwoordde ik: "Veel hoofdpijn en een pijnlijke neus." Hij vroeg: "Ook teveel kopzorgen zoals bij mij?" Waarop ik: "Dat ook ja, maar ik ben uit mijn bed getuimeld deze ochtend. Werd wakker en wou opstaan, maar was vergeten dat ik niet meer op mijn benen kan staan, dus ben pardoes op mijn bakkes gevallen."

Als ik het huis uitkom en toevallig een bekende ontmoet, krijg ik - zoals zo velen - meestal de geijkte vraag gesteld: "En, hoe is het?". Aangezien ik een bloedhekel heb aan doen alsof alles in orde is, terwijl het niet zo is, antwoord ik dan dikwijls - geheel naar waarheid - iets als "Hm, nogal véél hoofdpijn" of "Krampen spelen me parten". Veelal volgt dan de repliek: "Ha, goed om dat te horen. Met mij is ook alles oké!"

En hebben ze wel naar mijn wederwoord geluisterd, dan maken ze zich dikwijls snel uit de voeten, waarschijnlijk omdat ze bang zijn dat ik een klaagzang zal beginnen over mijn leed, pijn en smart. Die vrees is echter ongegrond; ik zing immers normaliter niet in het openbaar.

Het is gewoon een feit dat mensen meestal niet weten hoe om te gaan met iemand die in de misérie zit. Negeren en die persoon ontwijken is dus de gemakkelijkste oplossing.

En ik begrijp dat wel hoor. Buiten een paar uitzonderlijk gelukkige zielen heeft ieder voor zich al genoeg problemen dat men niet nog eens het risico wil lopen de rotzooi van een ander daar bovenop te moeten nemen, of zelfs maar te aanhoren.

En het is onweerlegbaar zo dat langdurig zieken en gehandicapte mensen - nogal dikwijls sociaal geïsoleerd - op het moment dat ze dan toch eens onder de mensen komen, tegenover de zeldzame personen die zich de moeite getroosten hen aan te spreken, veelal beginnen te weeklagen. Dat is volkomen normaal. Ik heb daar alle begrip voor wegens zelf ook de neiging - die ik evenwel onderdruk - maar het bezorgt 'onze soort' wel een slechte reputatie.

Om terug te komen op het oorspronkelijke onderwerp. Stelt men mij per e-mail de vraag: "Hoe 'gaat' het?" dan durf ik daarop nogal eens volgend antwoord te formuleren: "Zoals je weet willen mijn benen niet meer mee, maar die elektrische wielstoel nam gelukkig de taak gretig van ze over. Het 'gaat' met andere woorden dus niet, maar het 'loopt' wel op wieltjes." Wordt diezelfde vraag me verbaal gesteld door een kennis, dan durf ik wel eens geënsceneerd boos te zeggen: "Allé, zoiets vraag je toch niet aan iemand wiens benen verlamd zijn!" Dat is vooral leuk als er ook mensen in de buurt zijn die me niet kennen, die denken dus dat ik echt kwaad ben. Je ziet dan aan hun gelaatsuitdrukking dat ze gespannen afwachten wat er verder gaat gebeuren. Tot we beginnen te lachen en ze uiteraard terstond - opgelucht - door hebben dat het niet gemeend is.

Ja, lollig doen, en laten doen,  rond de eigen handicap; voor mij en sommige anderen is dat een soort van therapie. Een tijd geleden had ik in een gezelschap een aantal - succesvolle - humoristische interventies gedaan, waarop iemand uit de groep zei dat ik niet zou 'misstaan' als 'stand up' comedian. Dat vond ik zelf zo grappig en goed gevonden dat ik die kerel terstond een 'staande' ovatie wou geven. Helaas...

Als ik 's avonds een e-mail berichtje stuur naar een lotgenoot durf ik - Sonja Barend indachtig - al eens te eindigen met de woorden: "En nu slapen, en morgenochtend gezond weer op.", met op de lijn daaronder: "Ja, kon dat voor ons maar eens waar zijn."

Ru(sh)di(e), 1 juli 2002 (revisie op 11 maart 2009)