05-09-11

Herinneringen uit mijn verleden – Happy Mike

Een jaar of 16 geleden was ik volop bezig met het verbouwen van de woning, die ik toen pas had gekocht en waar we heden nog steeds in resideren. Een tweewoonst, waarvan het de bedoeling was dat één deel zou worden ingericht als handelsruimte en het andere deel als gezinswoonst. Aangezien ik het vele werk niet allemaal in mijn eentje aankon, schakelde ik voor het klaren van vele klussen familieleden en vrienden in. Enkel als het niet anders kon, kwamen er professionele werklui aan te pas. Het mij beschikbare budget liet een andere werkwijze niet toe.

Tijdens de eerste zomerperiode van de twee vernieuwbouwjaren had een vriend van mij, die ik hier Tjen zal noemen, een speciale logé. Waarmee mijn levenspartner en ik kennis maakten tijdens een etentje, in beperkte kring, in de achtertuin van Tjen zijn woonst. De gast, van wiens bestaan en aanwezigheid op het adres van mijn vriend, ik reeds eerder telefonisch was op de hoogte gebracht, was alleszins een opmerkelijk wezen.

De man, met naar ik schat een leeftijd van midden van de veertig, was niet al te groot, nogal pezig en had een bleke gelaatskleur en lang blond haar, dat bijeengehouden werd als een paardenstaart. ’s Mans hoofd was getooid met een genre cowboyhoed,  waarvan de zijranden waren omhoog gevouwen. De naam waarmee hij zichzelf voorstelde wens ik niet kenbaar te maken, maar voor de eenvoud zal ik hem benoemen als ‘Happy Mike’. Hij was naar eigen zeggen een Britse hippie, die leefde van een werkloosheidsuitkering en wat schnabbelen hier en daar. En hij zei er ook niet van terug te schrikken desnoods geld te vergaren als bedelaar.

Mijn vriend Tjen had hem opgepikt toen hij stond te liften aan een rustplaats langsheen de autostrade van de kust naar het binnenland. Tijdens het gesprek dat ze in de auto voerden, vertelde de uitsluitend Engels sprekende man dat hij gewoonlijk bij een koppel op kamers woonde, maar dat hij recentelijk hommeles had gehad met iemand uit de streek van zijn woonplaats. En hij derhalve wijselijk had beslist er voor enige tijd vanonder te muizen. En gezien hij in eigen land al zowat alle kantjes en hoekjes had gezien, had Mike beslist om nog maar eens Engeland te verlaten, de plas over te steken en een tijdje op het continent rond te dwalen.

Toen duidelijk werd dat Mike dus zomaar wat op de dool was, hopend ergens aan de bak te komen om op verplaatsing in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en onderdak te kunnen bekostigen, stelde de, toen alleen wonende Tjen voor om Mike naar zijn huis mee te nemen. Hij had immers nogal wat op te knappen klussen, waar hij, uit tijdsgebrek, zelf niet aan toe kwam, en andere, waarbij wat hulp meer dan welkom zou zijn. Hij bood Happy Mike aan om zijn tijdelijke kluspartner te worden. Tegen een gering uurloon, met daarbovenop gratis kost en inwoon. Waarmee de man dus tevreden had ingestemd.

Happy Mike kreeg een eigen slaapvertrek ter beschikking, in een gebouw dat vroeger een stal was geweest. Elke weekdag klopte hij overdag zijn uurtjes en ‘s avonds en in het weekend was hij vrij. En ging hij te voet op zoek naar een kroeg waar men Engels sprak en hij zich welkom voelde. Of anders was hij, onder invloed van het roken van wiet, gelukzalig, doch wezenloos voor zich uit kijkend, te vinden in de achtertuin van mijn vriend. Soms zelfs zittend bovenop de ronde houten dwarsbalk die deel uitmaakte van een daar opgestelde kinderschommel.

Enkele weken na het aannemen van Mike, had mijn vriend geen werk meer voor hem. Terwijl de man eigenlijk nog geen zin had om op te krassen en verder te trekken. Want hij had in een café kennis gemaakt met een alleenstaande moeder van vier kinderen. En hij genoot van de gesprekken die ze voerden en de ongeremde seks die ze bij haar thuis bedreven.

Nu wou ik de man wel werk verschaffen, want er was bij ons nog genoeg te doen, maar hem onderdak verschaffen, dat zag ik niet zitten. Tjen zat er evenwel niet mee in dat Happy Mike nog een tijdje van zijn slaapaccommodatie gebruik zou maken. We spraken af dat ik, tijdens weekdagen, in de ochtend Mike zou ophalen bij mijn vriend, wij hem ’s middags en ’s avonds te eten zouden geven en ik hem ’s avonds opnieuw aan het huis van mijn vriend zou droppen. Wat me geen extra verplaatsing opleverde, want ik moest daar toch passeren, op de weg naar mijn ouderlijk huis, alwaar toentertijd mijn handelszaak was gevestigd.

De voornaamste klus die ik in eerste instantie voor de hippie voor ogen had, was het uitgraven van de boomstronk en de daaraan bevestigde wortels van een reeds eerder gevelde boom. Die ik liet neerleggen omdat hij het zicht vanuit de living compleet belemmerde. En de nog in de grond zittende overblijfselen moesten weg omdat ik die zone wou opnemen in de nog aan te leggen parking.

Gelukkig viel het weer goed mee, die zomer. Het was droog, er was veel zonneschijn, dus lekker warm, maar toch niet overdreven heet. Ideaal weer om in buiten te werken. Bleke Mike, uitgedost in korte broek en in bloot bovenlijf kweet zich vlijtig van zijn taak en kreeg er zelfs wat kleur van. Maar opdat zijn bleke vel toch wat zou beschermd zijn, bezorgde ik hem een bus zonnemelk.

Na minstens een volle week werk aan uitgraven en wortels doorzagen en doorhakken, door Mike, trokken we, met een man of vier, de boomstronk uit de grond met de stevige lier van Tjen. Na het dempen van de ontstane put, kon ik Happy Mike een andere taak toevertrouwen. De overhangende houten dakgoot en onze stenen schouw wit verven was er één. En omdat mijn ladder daarvoor niet ver genoeg kon uitgeschoven worden en ik over geen stellage beschikte, ging Mike, voor het uitvoeren van deze klus, in de dakgoot liggen. Terwijl ik hem, veilig van op de grond, nauwlettend in het oog hield. Toen hij op een bepaald moment, door een verkeerd manoeuvre, eens bijna naar beneden donderde, vroeg hij me naderhand wat ik zou gedaan hebben zo hij daadwerkelijk naar beneden was gevallen. Hij was immers niet verzekerd. Geheel onwillig om dat doemscenario ook maar even ernstig in overweging te nemen,  antwoordde ik laconiek dat ik hem in dat geval zonder veel omhaal zou begraven hebben op de plaats waar we die boomstronk hadden weggehaald.

Inmiddels maakte Tjen plannen om op reis te gaan. En aangezien ik tevreden was met het door Happy Mike verrichtte werk, en ik hem graag nog even ‘in dienst’ wou houden, stelde ik, na overleg met mijn vrouw, aan de man voor alsnog een tijdje bij ons te komen wonen. Wijzelf verbleven toentertijd in een tijdelijk tot appartement omgebouwd etage in een deel van de tweewoonst. De kant waar later de burelen van mijn handelszaak moesten komen. Aan Mike bood ik, als tijdelijke slaapplaats, een vertrek aan op de eerste verdieping van de andere zijde van de woning. Een ruimte welke later onze slaapkamer moest worden. Ik bezorgde hem een matras, een deken, lakens en zelfs een nachtkastje. Happy Mike zag het helemaal zitten. Dus haalden we zijn spullen op bij Tjen, zodat die kon vertrekken zonder zich zorgen te moeten maken over een nog op zijn eigendom verblijvende gast.

Terwijl Mike bezig was met het bijeen scharrelen van zijn spullen voor het verkassen, nam mijn vriend me even bij de arm. Hij stopte me een gesloten envelop in de hand en vertrouwde me toe dat daarin een geldbedrag zat dat Happy Mike nog van hem tegoed had voor geleverd werk. Tjenn meldde mij dat hij aan Mike had verteld hem dat geld te zullen bezorgen bij zijn terugkeer van de reis. Maar hij zei me Mike die envelop reeds te mogen overhandigen van zodra deze zijn werkzaamheden bij mij had beëindigd en verder wou trekken. Maar niet eerder, want dan zou de man vast niet meer gemotiveerd zijn om nog voor mij te werken. En daarenboven allicht onmiddellijk alle geld zou verkwisten aan drugs, drank en vrouwen. Mijn vriend raadde mij ook aan om strenge regels te stellen: geen drank noch drugs toelaten in huis en ook niet tolereren dat Mike volk meebracht of tijdens de week dronken was.

De eerste dag hadden we al prijs. Wij wilden, vooraleer slapen te gaan, er toch zeker van zijn dat ook Mike zijn bedstee had opgezocht. Niet dus. Aangezien ik het niet wou meemaken dat die kerel al op zijn eerste nacht bij ons stomdronken zou thuiskomen, besloot ik om samen met mijn vrouw naar hem op zoek te gaan. In eerste instantie reden we naar een etablissement vlakbij ons huis. Een kleine, vervallen café. Wegens de gordijntjes voor de vensterramen, konden we daar helaas niet naar binnen loeren. Dus stapten we schoorvoetend naar binnen.

Alwaar we ogenblikkelijk constateerden dat er in de kleine verbruikszaal geen Happy Mike aanwezig was. Onverrichter zake op onze stappen terugkeren, dat konden we niet maken, zo vond ik. Dus groetten we de weinige daar aanwezige manspersonen en gingen aan een tafeltje zitten. Onder de spiedende blikken van de kroegbaas van middelbare leeftijd en zijn twee, al wat oudere klanten. Geen enkele van de drie mannen had ik ooit eerder ontmoet. De uitbater van het café wist blijkbaar wel wie ik was. Want toen hij de door ons bestelde frisdranken bracht, stelde hij ons, voor de vorm de vraag, waarop hij duidelijk een bevestigend antwoord verwachtte, of wij niet de nieuwe bewoners waren, van de witte villa wat verder in de straat.

Toen de baas terug achter zijn toog stond, waar één klant hem, gezeten op een barkruk, gezelschap hield, hervatten deze twee en de andere klant, die aan een tafeltje zat, hun gekeuvel over onbelangrijke feiten uit hun bekrompen dagdagelijks leven. En wij dronken snel ons glas leeg want we wilden onze missie verder zetten: het vinden en naar zijn slaapstee brengen van Mike.

We waren, na het verlaten van de kroeg, het in de auto stappen en verlaten van de parking, nog maar enkele honderden meters gereden, toen we aan de overkant van de straat een met vaste tred stappende Mike opmerkten. Ik draaide de auto even verder, op een veilige plek, veranderde hierdoor van rijrichting en hield stil eens we ter hoogte van Mike arriveerden. Die prompt het achterportier opende en plaats nam in de auto. Aangezien hij in dat buurtcafé enkel oude knarren had aangetroffen, die daarenboven uitsluitend hun Vlaamse dialect spraken en geen jota Engels verstonden, laat staan het konden spreken, was Happy Mike nog eens tot bij zijn vriendin langs geweest. Vijf kilometer verder! Maar die afstand had hem niet gedeerd.

Happy Mike was in nuchtere toestand een vlijtige werker, die evenwel op tijd en stond een rustpauze inlaste. En ook soms verrassend uit de hoek kwam. Zo arriveerde ik op een zekere dag in de namiddag thuis van werk en stelde vast dat hij de opstaande latten van onze tijdelijke hekjes, afwisselend bruin en wit had geverfd. Met de overschot van de verf die hij, in opdracht van mij had gebruikt voor het schilderen van enkele deuren en een raamkozijn. De ongevraagde arbeid was totaal onnodig geweest en een verkwisting van duur betaalde en ook nog elders bruikbare verf. Maar ik vond Mike’s initiatief best wel grappig. Bovendien brachten de geverfde hekjes wat kleur aan onze toen nog schraal ogende eigendom. Dus gaf ik de man in plaats van een uitbrander, een compliment. Hij straalde!

Toen hij reeds sinds enkele dagen bij ons verbleef, vroeg Happy Mike me op een gegeven moment, langs zijn neus weg, waar hij zich ergens in de buurt prikkelende lectuur kon aanschaffen. Naar hij zei om op eenzame avonden zijn lichaam wat op te warmen bij het lezen van het ophitsende leesvoer en het kijken naar de erin gepubliceerde foto’s. Ik verwees hem naar een klein krantenwinkeltje dat is gevestigd op een kilometer of twee van onze woning.

De volgende dag meldde Happy Mike me, in het winkeltje zijn gerief te hebben gevonden. Engelstalige boekjes had hij er niet kunnen bemachtigen, maar in het Nederlandstalige blad dat hij had aangekocht, was de tekst voor hem dan wel onverstaanbaar, maar de kwaliteit van de afgebeelde behaarde ‘poesjes’ was de aanschaf meer dan waard en genoot zijn waardering. Hij beloofde mij, bij zijn vertrek, het boekje voor me achter te laten. Waarop ik als antwoord even glimlachte.

Tegen het weekend aan vroeg hij me of ik hem naar Nederland wou brengen. Want tijdens zijn verblijf bij Tjen was hij eens, op aanraden van een cafévriend, al liftend, in een dorpje beland, net over de grens. En had daar verbaast vastgesteld dat achter de talloze huizen, waar de afbeelding van een indiaan met vedertooi was aangebracht op het glas van het vensterraam of op de toegangsdeur, een koffieshop schuilging. Waar je zomaar ongegeneerd en probleemloos elk type wiet kon aankopen en verbruiken. Zalig om er te vertoeven, vond Happy Mike. En hij wou ook wel wat voorraad inslaan.

Drugkoerier spelen, daar paste ik voor. Zelfs op zijn voorstel om hem tot vlak voor de landsgrens te brengen, ging ik niet in. De man aanvaardde schoorvoetend mijn houding. Hij kon ook moeilijk anders. Of, en in positief geval hoe, hij over de grens is geraakt, weet ik niet. En ik heb er hem aan het einde van dat weekend ook niet achter gevraagd. Maar zolang de man bij ons verbleef zag ik hem nimmer stoned.

In zijn vrije tijd zat hij soms in onze grote achtertuin. Maar meestal was hij uithuizig. Als we bezoek hadden gedroeg Mick zich steeds voorkomend. De meeste mensen vonden het minstens interessant dat wij zo een Engelse landloper onderdak verschaften. En hij kende de kunst om met mensen om te gaan, ze te animeren en hun sympathie voor hem op te wekken. Toen de schoonmoeder van mijn oudste zus van deze laatste te horen kreeg dat die arme drommel nauwelijks kledij had en, terwijl hij de ene set aan had, eigenhandig de andere set waste en vervolgens te drogen hing, vond ze in te moeten grijpen. Ze verzamelde een ganse vuilzak nauwelijks gedragen kleding van haar jongste zoon, die nogal graag en vaak van outfit wisselde en liet die via mijn zuster aan Happy Mike geworden. Die de spullen dankbaar in ontvangst nam. Alhoewel ik me afvroeg of ze wel zijn stijl waren. Bij een vluchtige blik in de zak ontwaarde ik immers vooral kleren in felle kleuren. Niet zo verwonderlijk aangezien ik weet had van de homofiele geaardheid van de vorige eigenaar ervan, en zijn typisch nichterige houding en vrouwelijke trekjes.

Op de momenten die we samen doorbrachten hebben we vaak gefilosofeerd over van alles en nog wat. Of verhaalden we eigen belevenissen. Happy Mike vertelde, over wat hij had meegemaakt, graag straffe verhalen. Waarvan de inhoud ongetwijfeld niet altijd volledig overeenstemde met wat er in werkelijkheid was gebeurd. Maar toch klonk alles plausibel. Zo vertelde hij eens een tijdje te hebben gewoond bij zijn volwassen zoon en diens partner, een mooie jongedame die steeds in een sexy outfit door het huis drentelde. Op een bepaald moment was Mike’s begeerte om met die griet van bil te gaan, zo groot dat het er van kwam. En die geile griet liet gewillig begaan en deed zelfs heel actief mee. Naderhand bekenden beiden hun daad aan de zoon. Die hen deze evenwel probleemloos vergaf. Meer zelfs. Van dan af mocht die vurige meid naar eigen goeddunken haar seksuele lusten botvieren op, om beurten vader en zoon.

Hoewel Happy Mike tijdens de weekdagen vaak met een stoppelbaard rondliep, was hij toch steeds verzorgd. Hij waste zich, in de tuin, net als ons, met koud water. Behalve die één of twee keer dat we hem uitnodigden om bij ons een douche te komen nemen, met kraantjeswater dat we opwarmden met een waterkoker.

Ondanks zijn nonchalante levenswijze en vrijbuiterbestaan had Happy Mike begrip voor andersdenkenden en gedroeg hij zich doorgaans als een heer. Galant en charmant. Hij toonde ten allen tijde respect voor onze privacy. En heeft ondanks zijn zwak voor vrouwen, dat ik en menige andere man deel met hem, nimmer avances gemaakt jegens mijn levenspartner of enige andere vrouw die bij ons over de vloer kwam.

Toen de jaarlijkse tiendaagse feestweek in onze woonplaats van start ging, verbleef Mike nog steeds bij ons. We spraken af dat we hem op een weekendavond mee zouden nemen naar de festiviteiten. Wat hij een prettig idee vond. Dus vertrokken we dat weekend met ons drieën, richting feestgedruis. Ik parkeerde de auto zo dicht mogelijk bij de feestzone, waarna we de mensenzee indoken.

Lang bleef Happy Mike niet bij ons lopen. Hij ging al vlug zijn eigen weg: richting een terrasje. Terwijl wij wel wat over de ganse oppervlakte van het feestterrein wilden rond kuieren. We spraken met Mike een plaats en tijdstip af waarop we elkaar opnieuw zouden treffen om naar huis te rijden.

Mijn vrouw en ik hadden een aangename avond. We genoten van de, op de diverse pleintjes ten gehore gebrachte muziek en tentoongespreide show. Het was leuk om eens een rustige avond te beleven, in een andere omgeving, na het vele werken voor mijn onderneming en aan de renovatie van ons huis. Omstreeks de overeengekomen tijd verschenen we op de afgesproken plek. En troffen daar wonderwel, in de door het nachtelijke uur sterk uitgedunde mensenmassa, ook Happy Mike aan. Eenzaam zittend op een houten vouwstoel naast een dito leeggemaakt tafeltje. En stomdronken, zo bleek.

We hielpen hem recht en ondersteunden hem op onze weg naar de auto. Hij braakte wat onzin uit, die nogal grappig klonk en waaruit we konden afleiden dat ook hij een fijne avond achter de rug had. We deponeerden dronken Mike achterin de auto, stapten zelf voorin en verlieten onze parkeerplaats, om huiswaarts te rijden.

Ondanks zijn beschonken toestand was Happy Mike toch nog alert genoeg om ons bij het passeren ervan, op eigen initiatief, de kroeg aan te wijzen, een Turks cafeetje, waar hij al menige avond had doorgebracht. Samen met de allochtone buurtbewoners. Keuvelend, pinten drinkend en wiet rokend.

We draaiden net onze parking op toen de passagier op de achterzetel te kennen gaf dat hij misselijk was. Net op tijd kon ik de elektrisch bediende achterruit van mijn auto openen, zodat zijn kots naar buiten vloog in plaats van mijn autozetel te besmeuren. Enkel een deel van het koetswerk heb ik de volgende ochtend mogen reinigen.

Op een gegeven moment gaf Mike aan te willen vertrekken. Hij zei het niet, maar ik vermoedde wel dat hij nu nog enkel wachtte op de voor het komende weekend voorziene terugkeer van mijn vriend Tjen. Om het saldo van zijn loon te incasseren. Aangezien ik evenwel wou dat Mike de klus afwerkte waar hij toen mee bezig was, verklapte ik niet dat ik dit geld reeds onder mijn hoede had gekregen.

Pas op het einde van de laatste werkdag van die week, haalde ik, na met Mike af te rekenen voor het werk dat hij voor mij had verricht, ook de envelop van mijn vriend te voorschijn. Happy Mike was boos. Want, zo zei hij, als hij had geweten dat ik dat geld in bezit had, dan was hij er al eerder vandoor gegaan. Uiteraard goot ik geen olie op het vuur door hem diets te maken dat zulks net de reden was geweest voor het tijdelijk achterhouden van dat geld. Wijselijk zweeg ik en Happy Mike telde tevreden zijn bankbriefjes en was meteen weer afgekoeld en terug zijn eigen gemoedelijke zelve.

Die avond, de laatste die hij in ons huis doorbracht, vergastte Happy Mike ons op een typisch Engelse maaltijd: zelf gesneden gebakken frietjes en spek met eieren. We lieten het ons smaken. Onderwijl nog eens luisterend naar een sterk verhaal van hem. En vervolgens keuvelend over koetjes, kalfjes en onze plannen voor de nabije toekomst. Voor hem een voorlopig zwervend bestaan.

Toen ik de volgende ochtend naar beneden kwam, zat Happy Mike al op me te wachten. Met zijn hoed op het hoofd en leunend op zijn tas met schouderriem Hij droeg een gele trui, waarvan ik vermoedde dat hij afkomstig was uit die tweedehands kledingzak.

Aangezien mijn echtgenote die zaterdag de trein wou nemen naar onze hoofdstad, om daar wat boodschappen te doen, had ik Mike aangeboden hen beiden naar het station te brengen. Alwaar Happy Mike besliste om zijn verdere tocht ook in de hoofdstad te starten. Maar hij zou de openbare bus nemen, omdat dit een goedkopere reiswijze is.

Nadat ik de auto had geparkeerd namen we afscheid op het pleintje voor het station. Mike beloofde me op mijn nakende verjaardag een kaartje te zullen sturen. En stapte vervolgens in de richting van de opstapplaatsen voor busreizigers. Mijn echtgenote en ikzelf gingen het stationsgebouw binnen. Alwaar zij zich aan het loket een retourticket aankocht voor de verplaatsing tussen onze woonplaats en de hoofdstad van ons land.

Meteen vond ik het zonde dat Mike zich niet met de trein zou verplaatsen. Omwille van een eerder gering financieel verschil. Dus stelde ik mijn vrouw voor om dit bij te passen zodat Happy Mike met haar mee kon reizen. Wat zij een goed idee vond. Dus liep ik vlug het station uit, in de richting van het bushokje waar onze ex-logee op zijn bus wachtte. Verbaast keek de man mij aan. Maar gelukkig aanvaardde hij dankbaar het extra geld voor een treinticket. Zodat hij toch iets comfortabeler kon reizen. En desgewenst onderweg nog een praatje kon slaan met mijn vrouw. We holden samen naar het station. Alwaar ik binnen in het gebouw mijn partner een afscheidskus gaf, terwijl Mike in de rij voor het loket aanschoof om zich een ticket enkele reis naar de hoofdstad, aan te schaffen. Ik zwaaide hem nog eens vriendelijk toe vooraleer me naar mijn auto te begeven.

Toen ik, terug thuis gekomen, Mike zijn voormalige slaapstee opzocht om de boel daar op te ruimen, zag ik dat hij de meeste van de gekregen kledij had laten liggen. Wat me niet verwonderde. Mensen zoals hij sleuren geen onnodige ballast mee. Die beperken zich tot het hoogst noodzakelijke. Zijn oude kledij en wat kleine rommel had hij zelf al in een plastieken boodschappentas gestopt. Zonder de inhoud te onderzoeken dumpte ik het zakje in de grijze huisvuilzak die ik, vooruitziend, naar boven had meegebracht. Het saldo van de hem geschonken kleren besloot ik te behouden. Sommige van die spullen konden immers mogelijks nog dienst doen als werkkledij.

Op de matras die Happy Mike tijdens zijn verblijf bij ons als bed had gebruikt, lag een Hollands porno magazine. Glimlachend nam ik het ter hand. Happy Mike had woord gehouden! Ik bladerde even in het blad. De foto’s van de tentoon gespreide vrouwelijke geslachtsdelen waren niet van dien aard dat ik er seksueel van opgewonden geraakte. Maar ja, er waren wel meer onderwerpen waarover Happy Mike en ik een verschillende visie hadden.

Het slaapvertrek was netjes achtergelaten. Enkel in een aanpalend kamertje vond ik wat vuile oranjebruinachtige plekken op de vloer en tegen de wand. Waar ook een onaangename reuk aan vast hing. Waarschijnlijk resten van één of ander brouwsel dat ‘onze zwerver’ daar had geproduceerd. Niks aan de hand. Deze ruimte moest immers toch nog volledig worden gerenoveerd.

Een verjaardagskaart heb ik van Happy Mike niet ontvangen. En zelf heb ik hem ook nimmer een brief of kaartje gestuurd. Sommige gebeurtenissen of ontmoetingen in je mensenleven moet je koesteren, zonder te trachten er een vaak op teleurstelling eindigend vervolg aan te breien.

Ru(sh)di(e), 5 november 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 30 maart 2011.

18-05-10

Belevenissen in het UZ – Liftperikelen in het UZ

      

Toen ik, in de zomer van 2000, pas in de revalidatiekliniek, het RC genoemd, was gearriveerd, keek ik wel mijn ogen uit. Van een ex-kamergenoot op de verpleegafdeling neurochirurgie, die al eerder naar het RC was getransfereerd, maar zo nu en dan nog eens terug kwam, had ik nochtans vooraf wel al te horen gekregen waar ik me aan kon verwachten.

Nogal wat mensen met een tetraplegie, dus verlamming van ondermeer de vier ledematen. Tevens een aantal personen met een paraplegie, zijnde verlamd aan de onderste ledematen. En voorts iemand met een hemiplegie, dus halfzijdig verlamd, en voorts enkele individuen die één of meerdere ledematen misten of althans een deel ervan.

Een bont allegaartje fysiek beperkte personen dus. Waarvan de meeste onder hen zich verplaatsten met gebruik van één of twee krukken, een wandelrekje of middels een rolstoel. Manueel of elektrisch. Enkele mannen waren daar evenwel nog niet aan toe en werden in hun kamer van bed naar massagetafel getransfereerd en al liggend naar de oefenzaal verplaatst.

Allen samen zouden zij de eerstvolgende tijd, die ik zo kort als mogelijk wou houden, een belangrijk deel uitmaken van mijn leefwereld. Ondanks de voorafgaandelijk verkregen informatie en spijts het feit dat ik zestien jaar eerder ook al eens een half jaar op die plek verbleef, was het toch even wennen.

De eerste keer dat ik mijn kamer werd uitgerold, gezeten in een zwartkleurige manuele rolstoel, die ik reeds op de verpleegafdeling op eigen dwingend verzoek had ter beschikking gekregen, zag ik bij het passeren van de ontspanningsruimte een vent zitten die zo uit een humoristische sketch kon zijn geplukt!

De al iets oudere heer, zat in een compacte elektrische rolstoel, met grote wielen achteraan, en iets kleinere vooraan. Met één van zijn armen in witte plaaster gestoken en, ter hoogte van de schouder, gestrekt naar voren gericht. En op die plaats en in die positie gehouden door een constructie met dunne, doch stevige metalen waterleidingsbuizen.

Dit kon toch niet echt zijn? Zulke constructies werden toch enkel in humorfilmpjes gebruikt? Het bleek evenwel geen frats te zijn. Enkele dagen later kreeg ik van de man in kwestie, die ik hier gemakshalve Jozef zal noemen, te horen, dat hij enkele maanden daarvoor, zittend in zijn auto, na een hoofdbeweging, ineens zijn lichaam niet meer kon verroeren. Waarschijnlijk ten gevolge van een bloedklonter die zich plots, ter hoogte van de nekwervels, in het ruggenmerg had vastgezet.

Zo was Jozef dus verlamd geworden aan de vier ledematen. Om zijn grotendeels willoze armen en handen toch nog enige functionaliteit te geven, zou hij een aantal heelkundige ingrepen ondergaan waarbij ondermeer pezen werden verplaatst, verkort en/of verlengd. En ik meen mij te herinneren dat die lachwekkende lichaamspositie waarin Jozef zich tijdelijk verplaatste, onderdeel was van de helingprocedure na één van die medisch-technische operaties.

Van Jozef, die helaas inmiddels reeds sinds enkele jaren is overleden, herinner ik me trouwens een incident waarin de brave man de hoofdrol speelt.

Omdat hij zelf niet op de knop kon drukken om de kokerlift aan de vragen of de automatische deuren er van te openen, diende de brave man, zo hij op dat moment de enige wachtende potentiële liftgebruiker was, steeds iemand aan te spreken om op de knop te drukken. En eens in de liftcabine, ook op de knop te drukken van de etage waar hij heen wou. Het gelijkvloers, de kelder of de eerste verdieping.

Waarna de vriendelijke helper of helpster vlug de kooi uitsprong. Want aangezien Jozef achterwaarts de lift inreed, kon hij immers, eens aangekomen op de juiste hoogte, zonder de hulp van derden, probleemloos, en zonder tegen iets of iemand aan te botsen, door de elektrische schuifdeuren, de lift uitrijden.

Nu was die lift al een sinds een jaar of dertig geïnstalleerd en begon deze ouderdomsverschijnselen te vertonen en slijtageproblemen. Waardoor hij regelmatig dienst weigerde. En iedereen diende gebruik te maken van de tweede in het gebouw aanwezige lift. Die overigens veel kleiner was dan het andere exemplaar.

Tot de gespecialiseerde herstelploeg ter plaatse kwam. Wat meestal vrij snel gebeurde. Tenminste als die, via de noodtelefoon in de liftkooi of anders telefonisch door iemand van de verpleging, paramedici, kuisploeg, refterdames... van het euvel op de hoogte werden gebracht.

Wat niet gebeurde op het moment dat de lift kwam vast te zitten met enkel en alleen Jozef erin. Want de man kon telefonisch geen alarm slaan omdat hij fysisch niet in staat was om de noodhoorn vast te nemen. En elke andere persoon die de lift wou nemen, ineens doorstapte of doorreed naar de volgende lift.

Tot er dan toch iemand dromerig en geduldig op de lift wachtte waarin Jozef vastzat. Geen notie nemend van de rode indicator die een panne aanduidt. De lift kwam niet, maar de met een goed gehoor behepte dromer hoorde wel het flauwe hulpgeroep van Jozef. De verlamming had immers ook de werking van 's man spier en pees van het middenrif aangetast. Wat dan weer een invloed had op Jozef zijn longwerking en ergo de onmogelijkheid veroorzaakte om luid te praten, laat staan te roepen. Uiteindelijk is Jozef, na minstens een half uur eenzaam opgesloten te hebben gezeten, na een dringend ingrijpen van de technische herstelploeg, uit de lift kunnen rijden.

Zelf ben ik ook ooit eens komen vast te zitten in een lift. En wel op de terugweg van een mij, via de onderaardse gangen van het ziekenhuiscomplex, in de late namiddag naar een afspraak begeven in één van de poliklinieken. Toen verplaatste ik me reeds sinds geruime tijd middels een elektrische rolstoel.

Op mijn heenweg had ik een, zich daar in die molpijpen al fietsend voortbewegend personeelslid, aangesproken om de manueel te openen liftdeur voor me open te houden, zodat ik er achterwaarts in kon rijden, de knop van de eerste etage, waar ik zijn moest, in te drukken en de deur voor me te sluiten.

Een bedankje, een groet en ik was weg, de hoogte in. Van -1, over 0, tot +1, alwaar de lift halt hield. Ik reed met mijn blauwe elektrische rolstoel zachtjes vooruit. De druk tegen de liftdeur, door mijn op de voetsteunen van mijn verplaatsingsmiddel staande onwillige stappers, liet deze op scharnieren draaiende deur open gaan, zodat ik de wachtruimte van dit dispensarium kon inrijden. Waarna de deur zachtjes achter me dichtklapte. Nog vooraleer een verbaasde, van zijn stoel opstaande, op zijn beurt wachtende persoon zijn intenties om me met de deur te helpen, had kunnen waarmaken.

Toen het consult was beëindigd, was het in de gang behoorlijk donker en was er in de wachtzaal niemand meer te bespeuren. Dus reed ik terug de gang in om een nog in het gebouw aanwezige menspersoon te zoeken die me naar beneden kon helpen. In een kantoortje waar nog licht brandde, zag ik door het half gematteerde vensterraam enige beweging. Ik tikte op het raam. Waarop een dame, met haar jas reeds aan, en een handtas in de hand, de deur opende. Zij wou me met graagte helpen en moest trouwens de kant van de lift uit. Om via de trap ernaast, naar de uitgang te stappen op het gelijkvloer. Want het sluitingsuur van het zittingslokaal voor poliklinische behandeling was reeds ruimschoots voorbij. Zodat deze dame, net zoals haar collega's die reeds vertrokken waren, ook huiswaarts mocht gaan.

De vriendelijke dame hielp me dus de lift in, drukte op de knop voor transport naar de kelderverdieping, ontving mijn dank, en sloot na onze wederzijdse afscheidsgroet, de liftdeur. Waarop de liftcel zich in beweging zette. Om even later tot stilstand te komen... tussen twee verdiepingen! De licht in de cabine ging uit. Wat nu? Een mobieltje had ik toen nog niet. Wie had ik trouwens met dat ding moeten bellen? Met wat wringen van mijn lichaam slaagde ik er in om in het duister de knop te vinden en er met de wijsvinger van mijn linkerhand zelfs op te drukken. Waarop de lift zich weer in beweging zette.

Zij die van drama houden zullen op hun honger blijven zitten, want ik ben tot in de kelderverdieping geraakt zonder dat er zich een herhaling van het probleem voordeed. Maar dit voorval was voor mij een nuttige les. Nadien ben ik, ondanks het vaak voorkomende onbegrip van derden, omwille van deze houding en dit principe, nooit meer een krappe, oude lift ingereden, zonder een andere, valide persoon bij me. De enige liften waarin ik me wel nog alleen in durf te laten verplaatsen zijn de grote, ruime exemplaren, waarin ik me probleemloos kan draaien, het bedieningspaneel kan bedienen en van de noodtelefoon gebruik kan maken. En die je voornamelijk vind in moderne, recent gebouwde ziekenhuizen, grote winkelcentra, overheidsgebouwen...

Ru(sh)di(e), 2 maart 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 2 mei 2010.

13-05-10

Herinneringen uit mijn verleden - Blij met mijn brommer

  

Tijdens mijn kinderjaren woonde ik samen met mijn ouders, mijn twee oudere zussen, en later ook met het na mij gemaakte en op de wereld gezette broertje, op een afgelegen plek op het platteland. In een buitenwijk van een gehucht van een dorp dat in 1977 werd opgeslorpt door een naburige stad.

Het op zulk een verlaten plaats en dicht bij de natuur wonen, vond ik op zich wel prettig. Er waren evenwel een aantal nadelen aan verbonden. Ons huis stond in een straat die de verbindingsweg vormde tussen verschillende gemeenten. En was van oorsprong trouwens een onderdeel van de Romeinse heerweg tussen de steden Antwerpen en Brugge.

Derhalve werd deze lange baan druk bereden. Vaak door voertuigen waarvan de bestuurders nogal veel druk zetten op het gaspedaal. Op straat spelen was dus totaal uit den boze. Vooral ook omdat de straat ter hoogte van ons huis een dubbele bocht maakte, waardoor wij het aankomende verkeer slechts op het laatste moment konden waarnemen. Achter, en de ene kant naast ons huis, lag er landbouwgrond. Maar de eigenaars van de akkers en weiden achter ons, een trio ongehuwd gebleven ouderlingen, die het boerenbedrijf van hun ouders verder zetten, konden niet verdragen dat er in de buurt van, en zeker niet op hun grond, zich spelende kinderen ophielden. Dieper het veld in was het één en al bos. In privébezit! Overal hingen er verweerde bordjes met het opschrift: 'privaat' en/of 'verboden toegang'.

Maar het ergste van al vond ik, vooral op iets oudere leeftijd, het veraf wonen van plaatsen waar iets te beleven viel. De afstand naar de dichtst bij gelegen stad was 8 kilometer. Dus best een aardig eindje rijden. Het openbaar vervoer was geen optie, omdat we, om de meest nabije opstapplaats te bereiken, al een afstand van 3 kilometer dienden te overbruggen.

Vandaar dat ik als zestienjarige het boek met de wegcode van mijn zussen leende, grondig instudeerde en een lift van mijn vader bedong om in het examencentrum te geraken. Waar ik vlotjes, met een zeer goed resultaat, het theoretisch examen aflegde, waarmee ik een bromfietsattest behaalde.

Nochtans dook er, net voor de aanvang van het groepsexamen, een probleem op. Als examinandus kreeg je op een witte doek geprojecteerde dia's, met beelden van verkeerssituaties en afbeeldingen van verkeersborden te zien. En jouw antwoord op de erbij gestelde meerkeuzevragen diende je op een voorgedrukt blad aan te kruisen. Met schrijfgerij dat blijkbaar elkeen werd verondersteld van thuis te hebben meegebracht.

Ik niet dus. Althans geen balpen. Wel een potlood! Toen ik, enigszins bedeesd, aan de examinator van dienst vroeg of ik dat schrijfmiddel mocht gebruiken, gaf de man me een blaam. Want wie gebruikte er nu een potlood om een schriftelijk examen af te leggen? Ik hield me wijselijk stil en trachtte de man zo schuldbewust als mogelijk aan te kijken. Wat werkte, want de man toverde uit zijn binnenzak een balpen, waar ik voor de duur van het examen gebruik van mocht maken.

Eens dat minuscuul geplastificeerd wit attest op zak, kon ik dus op zoek gaan naar een bromfiets. Een tweedehands exemplaar, want voor een nieuwe had ik niet genoeg geld bijeen kunnen sparen. Terstond ging ik op speurtocht. Via vrienden, annonces in allerlei kranten, reclamebladen, bij bromfietsverkopers en zo meer. Spoedig vond ik een aanbod voor een machine die dicht in de buurt kwam van wat ik voor ogen had.

Met vier man reden we, met de auto van mijn vader, op een zaterdagochtend, naar het huis van de verkoper. Mijn vader, ikzelf, de man van mijn oudste zus en diens jongere broer. Deze laatste, een jonge man van een jaar of twintig, was trouwens, in ons gezelschap, de specialist ter zake. En had zijn eigen motorhelm meegebracht, teneinde, ingeval de aangeboden gemotoriseerde tweewieler door ons allen unaniem een goede koop werd bevonden, er mee naar huis te kunnen rijden.

Eens aangekomen bij de verkoper, leidde deze ons naar een berghok, alwaar we tussen allerlei rommel die daar stond opgestapeld, onder een laagje stof, een zwarte brommer aantroffen. Een Yamaha RD met een cilinderinhoud van 50cc. En hij stond me op het eerste zicht wel aan. Enkel het stuur vond ik maar niks. Het was een naar beneden gebogen model, waardoor je met je buik bijna plat tegen de brandstoftank van deze baanmodel bromfiets moest liggen, om het stuur vast te kunnen houden.

Toen de bromfiets naar buiten was gerold en de specialist uit ons viertal de machine in gang trapte en er vervolgens als een raket mee wegstoof, was meteen duidelijk waarom er zulk een laag stuur op die zwaar opgedreven brommer was gemonteerd. 90 kilometer per uur reed dat ding! En reeds van in de eerste van de vier versnellingen reageerde de machine vinnig en trok ze heel snel op. Wat in lekentaal zoveel betekent als dat de brommer vanuit stilstand uiterst vlug een hoge snelheid bereikte.

De koop was snel gesloten. Ik kreeg, als bewijs dat ik de brommer had gekocht en betaald, van de verkoper een stuk ruitjespapier, dat allicht uit een notablok was gescheurd, en waarop hij zijn naam, adres en nog wel iets van 'verkocht aan 1.000 Frank' of zo had vermeld. Om weet ik veel welke reden niet het door mij betaalde bedrag, maar slechts een fractie daarvan, dat weet ik nog. En ook dat die kerel er was in geslaagd om in die slechts enkele woorden tekst, toch een schrijffout te maken.

Maar dat merkte ik pas later, toen ik thuis was. Want ik stond tijdens het afhandelen van het financiële luik van de transactie nogal beduusd te staren naar die oranjekleurige helm die ik bij de brommer kreeg geleverd. Daar ging ik de straat niet mee opgaan!

De broer van mijn schoonbroer reed met mijn brommer naar de woning van mijn zus. En wij verplaatsten ons met mijn pa zijn auto naar dezelfde locatie. Alwaar ik ongeduldig en opgewonden nu ook wel eens zelf met mijn brommer wou rijden.

Nu had ik daarvoor nog nooit met een via de voet geschakelde bromfiets gereden. Dus moest mij dat wel even worden bijgebracht. Maar ik had het systeem snel door. Tot schrik van mijn vader, die wel even lichtjes panikeerde toen ik er ineens, als in een flits, volle gas vandoor sjeesde.

Er werd afgesproken dat mijn zus haar schoonbroer een ander stuur op mijn bromfiets zou plaatsen en de machine aan een grondige technische controle zou onderwerpen. Waarbij hij ook de maximaal haalbare snelheid zou begrenzen. Afstellen zoals men dat toen noemde, en het wellicht ook nu nog steeds benoemd. De valhelm namen we mee naar huis. Die zou mijn pa wel in de juiste kleur spuiten, zwart dus.

Korte tijd later kon ik mijn op punt gestelde machine in gebruik nemen. Inmiddels waren ook de papieren, meer bepaald verzekering en gelijkvormigheidsattest, in orde. Zo dachten we althans. Want toen ik bij mijn eerste rit naar school, mijn papieren vergeleek met deze van mijn gemotoriseerde schoolmakkers, bleek dat mijn bromfiets was ingeschreven als 'motorvoertuig', omdat er iemand, ik weet niet meer wie, maar het was een garagist zo meen ik mij te herinneren, op de aanvraag voor het attest '50cc had opgegeven, terwijl, om als bromfiets aanzien en geregistreerd te worden, de cilinderinhoud maximaal 49cc mag zijn.

Maar in die tijd maakten wij daar geen spel van. Er werd me aangeraden even op te passen voor politiecontroles tot ik de leeftijd van 18 jaar bereikte. Op die leeftijd kon ik dan mijn rijbewijs halen, een motorplak aanvragen, de verzekering dienovereenkomstig laten aanpassen en klaar was Kees. Probleem opgelost! Wat was het leven vroeger toch eenvoudig.

Veel van mijn brommermaten hebben last gehad met de politie. Die werden bijvoorbeeld tegengehouden op weg naar huis, moesten een test op de rollen ondergaan en werden met een decibelmeter onderworpen aan een geluidssterktetest. Meestal met als gevolg een aanmaning om zich binnen een korte termijn aan te melden op het politiekantoor met een afgestelde bromfietsmotor en een goeie geluidsdemper op hun machine gemonteerd. In het slechtste geval hadden ze onmiddellijk een Proces-verbaal aan hun broek. En konden ze voor de politierechter verschijnen. Wie werd gesnapt werd doorgaans geverbaliseerd voor diverse inbreuken op de verkeerswet: rijden zonder rijbewijs, zonder geldige verzekering, zonder geldig kenteken, geluidsoverlast, overdreven snelheid, met een motor op het fietspad rijden... Een ganse boterham, met een navenant prijskaartje.

Aangezien die flikken meestal hun rollen reeds opstelden voor het einde van de schooldag, zorgde ik ervoor dat ik tijdig geseind werd van waar ze stonden, zodat ik de controle kon vermijden door langs elders huiswaarts te rijden. Er was altijd wel minstens één schoolmakker die het laatste uur, van de buiten onze school gelegen sporthal of het zwembad kwam, de opstellingswerkzaamheden opmerkte en mij hiervan op de hoogte bracht.

En als ik in het weekend uitging, dan reed ik meestal huiswaarts via kleine binnenbaantjes, waar buiten deze van de enkele daar residerende boeren, geen kat op de baan te bespeuren viel, laat staan een politiebrigade. Toch ben ik er één keer niet in geslaagd om de politie te verschalken. Samen met een maat van mij, die toen ook eenzelfde type brommer had als de mijne, maar dan een nieuw exemplaar, reed ik via een omweg naar huis. We verplaatsten ons over een hoofdweg, onreglementair, maar het minst gevaarlijk, naast elkaar op de rijbaan voor auto's. Mijn maat zijn machine was onzichtbaar omgebouwd tot een 75cc, en mijn gemotoriseerde tweewieler was inmiddels ook terug wat opgedreven, om ook bij tegenwind en bergop, vooruit te geraken.

Aangekomen ter hoogte van een brug over een natuurlijke waterweg, begon mijn kameraad op het fietspad te rijden. Maar ik bleef halsstarrig op de rijbaan rijden. Mooi in het midden van het rechtse rijvak, zodat elke automobilist me opmerkte en zeker niet tegen me aan zou knallen. Eens over de glooiing  van de brug, kwam ik tot de onaangename visuele vaststelling dat er goed honderd meter verder twee 'zwaantjes' stonden. De benaming die toentertijd in de volksmond gangbaar was voor politieagenten die zich met de motor verplaatsten.

Die mannen stonden naast hun machine, de ene met zijn lichtgevende zwaaistok in de hand, en van op het trottoir in de gaten gehouden door een aantal burgers, onze richting uit te kijken. Aan hen ontsnappen was onmogelijk. Zo vlug als ik kon stuurde ik mijn bromfiets richting fietspad. En minderde net als mijn maat vaart. Braafjes achter mijn maat reed ik de enkele tientallen meters tot aan de plaats waar de agenten stonden opgesteld. Tot mijn verbazing lieten ze mijn maat gewoon doorrijden. Maar aan mij gaven ze teken dat ik moest stoppen. Wat ik uiteraard onmiddellijk deed.

Vanzelfsprekend vermoedde ik dat ze mij gingen bekeuren omdat ik op de rijbaan en niet reglementair op het fietspad had gereden. Maar niks daarvan. Ze bekeken spiedend mijn brommer, vroegen mij om hen mijn identiteitskaart, mijn bromfietsattest en de papieren van mijn brommer te tonen, bekeken deze even vluchtig en lieten me vervolgens gewoon doorrijden. Wat ik vlug deed. Voor ze eventueel met andere plannen voor de dag zouden komen. Maar ik sloeg de eerstvolgende straat rechtsaf in. En draaide vervolgens terug rechts af, zodat ik in een straat terecht kwam, evenwijdig met die waar ik was gecontroleerd. En hield even later halt. Tussen beide straten was er enkel een parkeerruimte gelegen, zodat ik, van waar ik stond, de verdere activiteiten van de zwaantjes kon volgen. Maar meer dan de boel afkijken zag ik die mannen evenwel niet doen.

Enkele buurtjongens, die ik trouwens kende, en die daar, samen met enkele volwassenen, vlak naast de agenten diens activiteiten hadden gevolgd, waaronder het controleren van mij en mijn brommer, zagen me staan en kwamen lachend op me afgelopen. Het was verdorie één van hen die de flikken had getipt dat één van die bromfietsen was omgebouwd tot een motor. En die motoragenten hadden verondersteld dat het de mijne was, omdat die er wat anders uitzag, wegens zijnde een ouder model met meer delen in chroom, en vast ook omdat ik, in eerste instantie, op de rijbaan reed. Het was evenwel mijn maat die met een tot een 75cc omgebouwde machine onder zijn gat en tussen zijn benen zat. Maar daar kon je, zuiver op het zicht, helemaal niks van waarnemen.

Die maat van mij, inmiddels reeds lange tijd geleden overleden als gevolg van een valpartij met zijn motorfiets, op de autosnelweg, stond in onze schooltijd, eens bij de politie als 'geseind' gemeld. Omdat een politiepatrouille in een naburige gemeente hem tijdens een weekend een verbodsteken had zien negeren en langs de verkeerde kant een straat had zien inrijden met eenrichtingsverkeer. Ongelukkigerwijs werd hij enige tijd later in het centrum van de stad waar de school was gevestigd waar we les volgden, opgemerkt door een alerte politieagent. Die mijn maat prompt tot stoppen bracht, zijn identiteit- en bromfietspapieren controleerde, en hem confronteerde met de door die agent zijn  collega's van de aangrenzende politiezone doorgeseinde, vermoedelijk door hem begane verkeersinbreuken.

Mijn makker hield bij hoog en bij laag vol dat het ongetwijfeld om een vergissing ging, want hij was zogezegd al wekenlang niet meer in die gemeente geweest en verkeersinbreuken plegen was niet zijn gewoonte. De politieagent aanhoorde geduldig mijn maat zijn repliek. En zei dan laconiek dat hij een verslag van hun onderhoud zou opmaken en het voor één keer bij een waarschuwing zou laten. Maar dat hij de jongen zijn uitleg niet geloofde. Want het type brommer waarmee de jongen reed, in lichtblauwe kleur gespoten, zo reden er in de streek geen twee rond. En bovendien droeg de opgemerkte bestuurder, bovenop zijn motorjas, een mouwloos jeansvestje, met op de rug de naam van een motorclub, gevestigd in onze woonplaats en met tevens een voornaam erop aangebracht. 'Toevallig' dezelfde als degene die mijn maat bij zijn geboorte van zijn ouders had meegekregen!

Rudi, 22 februari 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 2 mei 2010.

02-05-10

De avonturen van Rudi & Co - De fietser fietst verder

   

Vorig weekend ben ik nog eens naar buiten gekomen. Na al sinds meer dan een week de vier muren van mijn multifunctionele verblijfsruimte niet te hebben verlaten, ten gevolge van de ongunstige weersomstandigheden en staat van de weg. Zaterdag jongstleden leek het me doenbaar en die ochtend reed ik dus naar de bibliotheek om er een voorraad stripverhalen en boeken op te slaan, als leesvoer voor mijn kroost. Een assistente vergezelde mij, want in mijn eentje kan ik in de bib maar bitter weinig uitrichten. Bovendien moest ik warm ingeduffeld worden vooraleer mijn goed verwarmde leefruimte te ruilen voor de koude buitenlucht.

Op onze terugweg werden mijn achter mij fietsende assistente en ikzelf voorbijgestoken door een zich snel voortbewegende mountainbike berijder. Hij was, om zijn snelheid niet te hoeven verminderen, op een strookje gras gaan rijden, dat het fietspad scheidt van de parkeerstrook naast een drukke rijbaan. Onder het ons passeren zei hij iets dat ik evenwel niet verstond. En een meter of twee verder bleef de sportieveling met één van de wielen van zijn fiets steken in de greppel naast het betonnen fietspad en vloog van zijn rijwiel. De man, die gelukkig een helm droeg, kwam na een rolbeweging van zijn lichaam over de betonstrook, in foetushouding in de andere grasstrook naast de fietsbaan terecht en net niet in de gracht ernaast.

Ik hield halt en vroeg de man onmiddellijk naar hoe het met hem was gesteld. Hij antwoordde evenwel niet, maar veerde op, onder het slaken van een vloek, die ik echter hier niet ga herhalen. Wegens nogal godslasterend. En ik wil mijn gelovige lezers eens een keer ontzien. Die fietser stond dus recht, boog zich terstond over zijn rijwiel, dat daar werkloos het fietspad versperde. Doch slechts heel even, want de eigenaar zette het recht, schudde er eens duchtig aan, sprong gezwind op het stalen ros en reed er snel mee vandoor. Om evenwel slechts enkele meters verder terug van zijn nog bollende mountainbike te springen, gehurkt zittend aan trapper en achterwiel te rutselen en vervolgens opnieuw het mobiliteitsmiddel te bestijgen. Waarna de, in een bij deze sport horende outfit uitgedoste fietser, vrij snel uit ons gezichtsveld verdween.

Dat een fietser valt, waarbij zij of hij zichzelf doorgaans bezeerd en waarna er vaak ook materiaalpanne is, dat wens ik niemand toe. Maar ik stel vast dat er vele fietsers zijn die de valpartij zelf uitlokken, het onheil opzoeken. Dat kinderen onveilig rijden, daar is, hoe zeer ik zulks ook schuw, de verschoningsgrond van hun jeugdigheid en onervarenheid. Maar volwassenen die met hun vrijetijdsfiets geen geduld hebben om een andere fietser op een daartoe geschikte plek te passeren, maar hun fietsbel laten rinkelen en verwachten dat hun voorligger terstond naar rechts uitwijkt, zodat zij deze, zonder vaart te minderen, ongehinderd kunnen passeren, dat vind ik arrogant, onveilig en bijgevolg ontoelaatbaar!

Er is ook het fenomeen van de wielrenners of mountainbikers, amateurs of professionelen op training, die zich tegen hoge snelheid over de fietspaden voortbewegen en gedragen alsof zijn er de alleenheerser over zijn. En van iedere andere weggebruiker verwachten dat die baan ruimt op het moment dat zij in aantocht zijn. En onbeleefde opmerkingen maken tegen degene die dat niet doet, of niet snel genoeg. Als ik die domme, onbeschofte kerels, want het zijn doorgaans mannen, bezig zie, dan hoop ik steeds dat ze geen ongeval veroorzaken. Waarbij, door hun onbehoorlijk rijgedrag, onschuldige slachtoffers vallen.

Om af te sluiten met een positieve noot wens ik op te merken dat er ook veel hoffelijke personen zijn onder de verschillende types van fietser. Mensen die elkaar  spontaan ruimte bieden, fietsers die degene die voor hen rijdt vriendelijk verzoeken om deze te mogen passeren, fietsers die de persoon die hen vrije doorgang verleent danken, waarop de andere antwoord dat met graagte te hebben gedaan... Situaties waarbij ook ik soms één van de personages ben in het scenario. En wees eerlijk, je door het leven bewegen en je medemens bejegenen op een niet opgefokte manier, maar daarentegen beschaafd, gemoedelijk en aardig, is toch voor alle partijen de meest aangename omgangsvorm?!

Rudi, 21 januari 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 26 april 2010.

20-04-10

Belevenissen in het UZ – Een beetje tipsy

      

Een revalidatiegenoot, die in het centrum verbleef omdat hij een voet, onderbeen en knie was kwijtgeraakt, alle drie de lichaamsdelen gelukkig van dezelfde lichaamszijde, had mij en enkele andere revalidatiegenoten uitgenodigd om na het middagmaal in zijn kamer een glas te komen drinken.

Als ik het mij goed herinner was die man zijn ledemaat kwijt geraakt bij een arbeidsongeval. Vandaar allicht dat hij de privilege had in een eenpersoonskamer te mogen verblijven. Dat zal waarschijnlijk wel in de polis van de ongevallenverzekering van zijn werkgever zijn voorzien geweest. En de kerel kon er maar wel bij varen. Want enige privacy vermindert toch het ongemak van het verblijf in een verzorgingsinstelling.

Een uitnodiging om wat geestrijke drank in mijn lichaam te kappen, dat sloeg ik uiteraard niet af. Bovendien rekende ik erop dat het een leuk onderonsje zou worden. Het kliekje dat de brave man had geïnviteerd was gewoonlijk al een vrolijke bende. En eens we wat alcohol in ons bloed zouden hebben, werden we vast nog plezanter!

Na het eten spoedde ik me dus, al rollend uiteraard, naar die kerel zijn kamer. En kwam daar toch niet als eerste aan, want er stond al volk aan de deur. Op het punt naar binnen te gaan. Ik rolde achter hen aan de kamer in. Waar we niet in de ruimte zwommen, want onder de gasten, een vijftal, denk ik, zowel van vrouwelijke als van mannelijke kunne en van diverse leeftijden, zat het merendeel in een rolstoel. Maar enkel ik in een elektrische.

Mijn maat was goed voorzien in zijn eenpersoonskamer. Hij toverde enkele borrelglaasjes uit een kast. Uit het koelkastje naast zijn bed, haalde hij ijsblokjes en uit nog een andere kast toverde hij een fles Cointreau te voorschijn. Een Franse likeur met een alcoholpercentage van 40%. Een drank die vaak als bestanddeel in cocktails wordt gebruikt. Maar wij zouden het spul puur drinken. Met, voor wie dat wou, enkele ijsblokjes er bij in het glas.

Alleen al de geur die vrijkwam bij het geroutineerd openen van de fles door onze gabber, deed ons reeds goesting krijgen. De glazen werden gevuld en er werd geklonken op de vriendschap, een voorspoedige evolutie van onze revalidatie en een goeie start van onze voor nadien geplande activiteiten.

En het werd nog beter! Onze revalidatievriend haalde uit een boodschappentas die op zijn bed stond, een zak toasten naar boven. En kwam, uit zijn koelkastje, ook met een stuk boerenpaté voor de dag. Waarvan een dikke laag op elk van de toastjes werd gesmeerd. Lekker! En welgekomen, want ik begon, van de drank, al wat duizelig te worden.

Zo zaten we daar te genieten van spijs en drank en elkaars gezelschap. En werd er honderduit gepraat over heden, verleden en vooral de toekomst. Wat onze plannen waren voor na de revalidatie. Onze hoop, verlangens, maar ook onze angst. Alles werd ten berde gebracht. De geestrijke drank, die inmiddels reeds door onze aders stroomde, stimuleerde uiteraard de openheid van ons gesprek.

Man, dat was genieten! Gezelligheid alom. Maar hoe prettig we ons samenzijn ook vonden, we dienden er een eind aan te maken, om onze namiddagactiviteiten aan te kunnen vatten. Bij mij was dat op de eerste plaats een afspraak bij de bandagist, samen met mijn revalidatiearts!

Toen ik dat aan mijn lotgenoten vertelde, barstten ze allen samen uit in lachen. Beneveld door de inhoud van mijn, door de gastheer, geregeld gretig bijgevuld glas Cointreau, was ik immers zelf ook nogal lacherig geworden, en zag ik er naar verluidt niet meer erg fris uit. Bovendien zou, volgens hen, mijn adem ook vast naar de geconsumeerde drank ruiken!

Verdorie toch! Moest ik nu juist vandaag een afspraak met de dokter hebben? Onze traktant had evenwel klaarblijkelijk ervaring in het verdoezelen van een (lichte) beschonkenheid. Hij gaf direct een stukje kauwgum aan me, om op te knabbelen, zodat alvast de drankgeur werd weggemoffeld. Maar ik at volgens hem best ook eerst nog een toastje, om die opkomende slaperigheid te verminderen. En ook eventjes buiten wat frisse lucht gaan opsnuiven zou in deze vast helpen.

Ik volgde de man zijn goede raad op. En verorberde dus nog een laatste, super lekker toastje met een dikke laag, zeer smaakvolle paté en stak vervolgens een stukje kauwgum in mijn mond. De smaak van het knabbelblokje was aardbei. Dat viel dus nog best mee. Toch begin ik er  met enige tegenzin op te knabbelen, want dat kauwen laat ik doorgaans liever over aan de runderen, schapen, geiten en de overige herkauwers onder de zoogdieren.

De gasten dankten elkaar voor de fijne babbel en het aangenaam gezelschap en de gastheer daarbovenop ook voor de uitnodiging, het ter beschikking stellen van zijn tijdelijke woonplaats en de door hem geserveerde lekkere drank en belegde beschuitjes.

Ontzettend licht in mijn hoofd reed ik, na het verlaten van mijn maat zijn kamer, de gang in en trachtte in een rechte lijn naar de uitgang te rijden. Waar ik dankzij de automatisch openschuivende deuren, zonder de hulp van derden, naar buiten geraakte. Alwaar een aantal revalidatiecentrumbewoners een sigaret zat te roken. Om frisse lucht op te snuiven moest ik dus wat verder rijden, tot aan de autoweg, die binnen het universitair ziekenhuisterrein de verschillende gebouwen bereikbaar maakt.

Al kauwend reed ik een vijftal minuten later terug het centrum binnen. Iets minder licht in het hoofd, maar wel lichtjes zigzaggend. Want mijn coördinatie had toch wat te lijden onder mijn licht benevelde toestand. Maar toch geraakte ik, zonder ergens tegenaan te botsen, tot aan het dokterkabinet. Het geluk stond voor één keer aan mijn zijde. De secretaresse van de revalidatiearts meldde me dat haar overste was weggeroepen voor een dringende interventie. Waardoor ik op mijn eentje naar de bandagist mocht 'gaan'.

Dat 'gaan' werd een zwalpend rijden. Maar ook nu reed ik niemand onder de voet en botste ik nergens tegenaan. Nochtans niet eenvoudig in enigszins duizelige toestand en met een wazig zicht. Want in de gang die ik doormoest stonden er her en der stoelen tegen de wand, sommige met een persoon op, andere onbezet en ook nog wel wat andere obstakels, doorgaans medische hulpmiddelen. Voorts was er daar inmiddels ook al heel wat volk in beweging. Zowel residenten van het revalidatiecentrum als ambulante patiënten. Rolstoelers, personen met één of twee krukken, met een rollator...

Gelukkig hoefde ik aan het atelier niet te wachten op de bandagist, want anders was ik ongetwijfeld ter plaatse in slaap gevallen. De man was reeds aanwezig en onmiddellijk beschikbaar om met mij de reden van mijn komst te bespreken. En ik slaagde er wonderwel in om mezelf, gedurende het ganse onderhoud, wakker en deftig te houden.

Ru(sh)di(e), 9 januari 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

07-04-10

De avonturen van Rudi & Co - Opschudding in de zaal

  

Naar buiten en onder het volk komen is voor elke mens zo belangrijk. En je komt al eens 'iets' of 'iemand' tegen als je je als persoon in kwestie buitenshuis verplaatst. Dat kan eenieder getuigen, en ook ik ben daar geen uitzondering op.

Zaterdag jongstleden ben ik naar de plaatselijke Kerstmarkt geweest. Het zag er allemaal best gezellig uit. Maar voor mij is zulk een evenement iets dat je best en liefst in gezinsverband aandoet. Zelf had ik in mijn uppie ook jammer genoeg niet de kans om een warme chocomelk te drinken of van één van die aanlokkelijke warme snacks te smullen. Mijn enige, beperkt functionele hand, de linker, was immers volledig verstijfd van de kou.

Toch vond ik dit uitje de moeite waard. Al was het maar omwille van de vriendelijke begroetingen door bekenden, de burgemeester incluis, de vele vrolijke mensen, al dan niet in die toestand als gevolg van het drinken van alcoholische dranken, de sfeervolle Kerstmuziek... en vooral de artiest die op een podium ijssculpturen vervaardigde. Uit blokken ijs heb ik die man, met kettingzaagjes en beitels als gereedschap, een Kerstster (met staart) en een engeltje zien tevoorschijn toveren. Prachtig vond ik dat!

Een drietal weken eerder bezocht ik de zondagse rommelmarkt op het stationsplein van mijn woonplaats. In gezelschap die keer. Maar er waren jammer genoeg vele gelegenheidshandelaars niet komen opdagen. Allicht omwille van het toenmalig wisselvallige weer.

Toen ik op het punt stond om naar huis te rijden, maar nog even genoot van het zicht op de activiteiten op het plein, kwam een vrouw op ons af die de mij vergezellende jongedame aansprak. Ik zei de vrouw, luid en duidelijk dat, als ze iets te zeggen had, ze mij moest aanspreken. Ze bekeek me eens raar en begon toen weer te babbelen tegen het meisje naast me. Ik herhaalde wat ik ook daarvoor reeds had gezegd, maar mijn woorden mochten niet baten.

Na nog eens hetzelfde scenario kwam ik dan toch te weten dat die vrouw me weg wou van de plaats waar ik stond. Omdat haar man zo meteen ging komen met de auto, om hun spullen in te laden.

Als er nu iets is waar ik een hekel aan heb, dan is het om te worden aanzien, beschouwd en behandeld als zijnde een breinloos, onmondig, in de weg staand 'object'. Dus zei ik die vrouw dat ik mij wel zou verplaatsen op het moment dat de omstandigheden dat zouden vereisen, in casu als haar man met hun vierwieler ten tonele zou verschijnen.

De vrouw keek me dom aan. Ik keerde haar de rug toe, maar draaide me onmiddellijk terug om en zei dat ik het niet prettig vond om als een 'obstakel' te worden behandeld en dat ze het in de toekomst best zou laten om mij en anderen zo te behandelen. Als antwoord kreeg ik te horen 'een zaag' te zijn, waarna de vrouw wegliep. Ik draaide me geheel rond. Tijdens het keren was ze teruggekeerd. Toen ik haar zei dat van me weglopen wel erg laf was, stak het vrouwmens haar armen in de lucht en riep ze uit: "Ik heb het hem beleefd gevraagd, maar 'die' wil hier maar niet weggaan!" "Dat is omdat dit plein van iedereen is en niet van jou alleen" liet ik haar nog weten, waarna ik doorreed. Net op het moment dat die partner met zijn auto verscheen. Verbaast kijkend naar zijn met haar armen hemelwaarts gerichte partner.

Het vrouwmens is waarschijnlijk zwak begaafd, maar dat is naar mijn mening geen excuus. Al te vaak kom ik in contact met personen die het huis niet meer uitkomen omdat ze buitenshuis vaak 'onmenselijk' worden behandeld, of voortdurend het slachtoffer zijn van ontoegankelijkheid. Dus blijf ik tot in den treure tegen al dit onrecht ageren. In het belang van de 'mensheid' en de 'menselijkheid'! Ze hadden potverdikke die Nobelprijs voor de Vrede net zo goed aan mij kunnen geven, in plaats van aan Obama! Deze laatste, vaak verkeerdelijk als 'zwarte' aangeduid, zit er blijkbaar ook mee verveeld deze eerbetuiging (nu al) te krijgen. Dat zou ondermeer kunnen af te leiden zijn uit wat hij over zijn eigen dankrede zegde. Namelijk dat hij ze best goed vond opgemaakt, en zelfs in die mate dat hij aan het eind ervan, er bijna zichzelf mee had overtuigd dat bij die prijs wel echt heeft verdiend.

Dit najaar ben ik reeds een aantal keer op donderdagavond naar de film geweest in het Cultureel Centrum van mijn woonplaats. Hun filmplanning past goed in mijn leefschema: aanvang om kwart na acht, dus doorgaans afgelopen omstreeks tien uur. Zodat ik zonder me te hoeven haasten, terug thuis ben tegen half elf, het tijdstip waarop mijn thuisverpleegkundige me normaliter komt verzorgen en in bed helpen.

De laatste keer dat ik ging kijken, draaide men er de Franse film 'Un prophète'. Een boeiend, interessant, maar 'ruig' gevangenisdrama. Veel volk was er niet. Ik denk een honderdvijftigtal personen. En allen zaten ze op de tribune. Terwijl ik op de begane grond, in het gangpad stond, tussen de onbezette stoelen.

Toen de film, naar ik vermoed, een drietal kwartier bezig was, werd er een huiveringwekkende scène getoond. In zijn eigen cel werd een kerel, door het hoofdpersonage, met een scheermesje de keel overgesneden. Waarna je het slachtoffer op de vloer zag liggen doodbloeden, terwijl er nog een aantal keer een sluiptrekking door diens lichaam ging. Net echt!

Kort daarna hoorde ik stemmen in de zaal. En toen ik rechts van me keek, zag ik mensen de trappen afgaan en via het gangpad aan de andere kant van de zaal, zich begeven naar de uitgang aldaar. Waren die zo geschokt door dat bloedige fragment dat ze verkozen er vandoor te gaan? Maar kon dat dan niet zonder de andere bioscoopbezoekers te storen?

Terwijl ik deze overdenking maakte, en middelerwijl ook trachtte het verhaal verder te volgen, stopte men de filmspoel. Hier moest dus meer aan de hand zijn. Een dame haastte zich tot vooraan in de zaal. Om ons toe te spreken en de reden voor de onderbreking mede te delen, zo verwachtte ik. Maar het was om de lichten aan te steken. Het bleef dus gissen naar de reden van de interruptie. Misschien was men, zoals ik al een keer eerder meemaakte, de verkeerde film aan het afdraaien? Of was er ergens in de zaal brand uitgebroken? Of in de ontvangstzaal ernaast, want sommige mensen liepen de zaal waarin ik me bevond, eerst uit, en vervolgens weer in.

Gedurende het omdraaien van mijn rolstoel, teneinde de filmliefhebbers op de tribune te zien, bedacht ik ook de mogelijkheid dat er iemand onwel was geworden bij het zien van die even daarvoor vertoonde gruwelijke beelden. En, afgaande op wat mijn ogen even later te zien kregen, was dit inderdaad de oorzaak van de ongeplande en ongewenste pauze.

Een groepje mensen zat en stond omheen een ietwat corpulente heer die op een zitje zat op één van de bovenste tribunerijen en die er, gezien vanaf mijn positie, niet erg fris uitzag. Nu was het klimaat er wel naar geschapen om onpasselijk te worden: een warme zaal en op het scherm een bloederig tafereel. De nooddeuren in de zijwand werden open gezet om wat koelte en zuurstof in de zaal te brengen. Tenminste ik vermoed dat dit de intentie was, want nog steeds had niemand het initiatief genomen om alle aanwezigen in de zaal op de hoogte te stellen van wat er aan de hand was.

Verschillende mensen verlieten de zaal. Die hielden het blijkbaar voor bekeken. Omdat de inhoud van wat ze tot dan toe van de film zagen, hen niet aanstond? Omdat de interruptie hen al te lang duurde? Of omdat ook zij in katzwijm dreigden te vallen? Joost mag het weten. Maar hoeft het niet aan me door te zeggen omdat deze informatie totaal onbelangrijk is.

Alhoewel het er naar uitzag dat er niks meer aan de hand was dan een appelflauwte, werd naar hetgeen ik van op mijn plek kon horen, toch de 100 gebeld. In afwachting van de ziekenwagen, werd de 'zieke' , ondersteund door zijn gezellen, de trappen af en naar buiten geleid. Even later kwam de technisch verantwoordelijke van dienst dan melden dat hij de projectie zou laten verdergaan. Niemand protesteerde. Het incident had alles bij elkaar een twintigtal minuten oponthoud veroorzaakt.

Het vervolg van de film bleef hard en gewelddadig, maar de meest akelige scène hadden we klaarblijkelijk toch reeds gezien. Of het door de onverwachte onderbreking kwam of gewoon omwille van het feit dat een film naar mijn goesting niet al te lang mag duren, feit is dat ik een uur later een beetje ongeduldig op het einde van de prent zat te wachten. Die film bleef immers maar duren. En op een gegeven moment kreeg ik al een SMS'je van mijn verpleger met de vraag of ik reeds thuis was.

Liever het einde van de film missen, die me toch niet echt meer boeide, dan een nacht in mijn rolstoel te moeten doorbrengen. Het was trouwens niet enkel mijn thuisverpleegkundige die me thuis verwachtte. Ik had er ook op gerekend bijtijds thuis te zijn om het op een redelijk tijdstip naar bed gaan van mijn zoons te controleren!

Maar hoe zou ik voortijdig de zaal kunnen verlaten? Ik trachtte oogcontact te maken met de toeschouwers die het minst ver van me af zaten. Mogelijks door de duisternis bleef deze actie evenwel zonder succes. Alle ogen bleven op het witte doek gevestigd. Gebaren durfde ik niet te maken, want gezien hetgeen eerder die avond was gebeurd, dacht men dan mogelijks dat er ook met mij iets loos was. En ik wou het niet meemaken dat men ook voor mij, en onnodig, de filmprojectie zou stoppen.

Dus zette ik mijn lichten aan en reed zachtjes achterwaarts richting uitgang. Waar ik hoopte dat de deuren zouden openklappen als ik er zachtjes tegenaan reed. Dat lukte... deels. Halverwege kwam ik namelijk vast te zitten. Ik slaakte een zucht en gromde toen een vloek waarin de naam voorkomt van dat opperwezen waarin ik niet meer geloof. Dat hielp me wonderwel vooruit, want het woord was nog niet koud of daar stond reeds een werknemer van het Cultureel Centrum naast me, die me uit mijn benarde positie kon redden. Van die man vernam ik ook dat die film er één is die tweeëneenhalf uur duurt!

Diezelfde persoon ging ook met me mee om de dubbele draaideuren aan de toegang tot het gebouw open te houden. Waarna niks me nog in de weg stond om, na even snel telefonisch mijn komst aan te kondigen, in de stilte van de donkere nacht, gezwind huiswaarts te rijden.

Rudi, 15 december 2009 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 26 december 2009.

30-03-10

Rudi’s overdenkingen - Mensen, daar reken je niet op!

        

Op mensen rekenen doe ik niet meer. Neen, rekenen doe ik enkel nog op stukjes kladpapier, op een calculator op zonne-energie of in het programma Excel op mijn laptop. En wel na een spijtig voorval dat nogal betreurenswaardig was. Evenwel niet voor mij, want ik had het zelf uitgelokt. Alhoewel niet helemaal. Bij nader inzien zelfs helemaal niet, want de ander was begonnen.

Aangezien wellicht zowel de aandachtige lezers als de onoplettende haastigen, mijn uiteenzetting nu al niet meer kunnen volgen, wat hen geenszins kan kwalijk worden genomen, verklaar ik me nader.

Heel veel jaren geleden, toen ik nog niet eens stemgerechtigd was, waren er op een gegeven ogenblik verkiezingen. Ja, inderdaad, in mijn jeugd amuseerden zij, die toen bij de overheid werkten, zich daar ook al mee. Met die pesterijen van de brave burger. Maar je kon hen dat bezwaarlijk kwalijk nemen, want die mensen moesten uiteraard toch iets om handen hebben, om hun dagen mee te vullen?!

Tegenwoordig heeft het overheidspersoneel de beschikking over computers met een snelle Internetverbinding. En kunnen ze derhalve hun tijd besteden aan chatten op sociale netwerksites, een lief zoeken op datingsites of spelletjes spelen op één van de daarin gespecialiseerde websites. Maar vroeger bestond dat alles nog niet en was het zich ledig houden met het organiseren van verkiezingen een favoriete bezigheid van de overheidambtenaren. Toentertijd om ondermeer die reden, door het gewone volk ook wel eens smalend aangeduid als ambetantenaren.

Heden ten dage gebeurt bijna alles automatisch en wordt er op vele plaatsen elektronisch gestemd. Maar in mijn pubertijd was dat anders. Toen gebeurde het stemmen nog in alle bureaus manueel, en was er derhalve nogal wat werk te verrichten aan de voorbereiding ervan. Potloden scherpen en uitproberen op een stukje papier en meer van dit soort zaken. Vermoed ik, want helemaal zeker daarvan ben ik niet. Misschien waren die bureaucraten wel zo leep dat ze deze opdracht aan een externe firma toevertrouwden. Dan hadden ze meteen ook een besteding voor het overheidsgeld. Alweer een zorg minder!

Vooraleer ik hier boze reacties krijg en haatmail vind in mijn elektronische brievenbus, wens ik vlug en terloops even te melden dat hetgeen hierboven staat gewoon maar om te lachen is! Alhoewel ik het geld van de brave burger verkwisten nu niet bepaald grappig vind. Oh ja, ik ben er mij ook terdege van bewust dat verkiezingen een moeizaam verworven democratisch recht is. Dus ook daar hoeft niemand mij op te wijzen!

Dit gezegd, of eerder 'geschreven' zijnde, ga ik door met de essentie van mijn verhaal. Als ik mij dat, na al dat afwijken trouwens nog kan herinneren. Bon! Uit herlezing van het begin van dit epistel blijkt het dus over 'rekenen op' te gaan. En een jammerlijk incident dat mij er toe heeft gebracht om het op mensen rekenen uit mijn dagdagelijkse leven te bannen.

In de aanloop naar die eerder aangehaalde, door zich vervelende ambtenaren georganiseerde, naar ik mij halvelings herinner, gemeente- en provincieraadsverkiezingen, werd er lokaal nogal wat publiciteit gemaakt. Cadeautjes geven en gadgets uitdelen om stemmen te kopen... euh, ik bedoel uiteraard 'winnen' dat mocht toen nog, begin de jaren tachtig. En ook het plaatsen van huizenhoge affiches was nog toegestaan.

Eén van de kandidaten, een rijkeluiszoon, die nergens voor deugde maar een postje in de gemeentepolitiek wel zag zitten, maakte bij zijn campagne gretig gebruik van al deze promotiemiddelen. En bekostigde alles met het geld van papa. Die al lang blij was dat zoonlief eindelijk iets had gevonden dat hem interesseerde.

In mijn woonplaats en langs de toegangswegen erheen stonden of hingen affiches met zijn beeltenis en slogan. Die trouwens slim was bedacht, maar vast niet door de kandidaat zelf. Hij stapte immers naar de kiezer met de leuze: 'Op MIJ kan je rekenen!' Een slagzin waarvan de figuurlijke betekenis bij het overgrote deel van het kiespubliek de verwachtingsvolle interesse opwekte.

De politiek interesseerde mijn vrienden en mij slechts in beperkte mate. Maar toen die 'veel belovende' kandidaat een meeting organiseerde waarop hij, volgens de uitnodiging, zijn programma uit de doeken zou doen en toelichten, gaven wij toch present. Niet in her minst omdat er gratis hapjes en drank waren voorzien.

En wij waren niet de enigen die daar die avond op afkwamen. Het parochiezaaltje waar de bijeenkomst doorging, liep vol van het volk. In een mum van tijd waren alle, zorgvuldig op een rij tafels klaargezette snacks verdwenen. En de reeds in bekers gegoten drankjes werden ook in een ijltempo weg gegraaid. We stonden allemaal dicht op elkaar gepakt. En toen de kandidaat en zijn gevolg, waaronder zijn trotse ouders, hun  entree maakten, werden we zelfs op elkaar gedrukt.

Nu viel dat, wat mij betrof, helemaal niet tegen. Integendeel zelfs. Met mijn rug en schouders werd ik tegen de zachte omvangrijke boezem van de dame achter mij gedrukt. En mijn voorkant kreeg de achterkant van een welgevormd jong meisje tegen het lijf geduwd. En ze rook daarenboven zo lekker, dat langharig blondje, dat zowat een kop kleiner was dan mij, waardoor ik toch het zicht op de binnentredende verkiezingskandidaat bleef behouden.

Ondanks mijn toch wel comfortabele positie verliet ik deze, na een samenzweerderige blik te hebben uitgewisseld met mijn kameraden. De ster van de avond genoot zichtbaar van de hoge opkomst en van de aandacht die aan hem werd geschonken. Hij had inmiddels zijn jasje uitgedaan. Waarschijnlijk in de eerste plaats omdat hij het net als ons te warm had gekregen in dat met mensen volgestouwde zaaltje. Maar vast ook om met zijn campagneshirt te pronken. Een witte T-shirt met, naast het partijlogo,  in zwarte opdruk zijn naam en slogan.

Terwijl twee van mijn maten de kerel langs voren benaderden en hem bezig hielden door het stellen van enkele onzinnige vragen, waarop die kinkel dan ook nog eens idiote antwoorden gaf, ging ik, samen met een andere maat, langs achter op de kandidaat af. We namen onze, met voorbedachten rade, voor dat doel meegebrachte dikke viltstiften uit onze jaszakken en begonnen met op 's mans T-shirt becijferingen te maken. In het rood, en groot!

Door de drukte, het voortdurend deinen van de menigte en het her en der porren en geduw, duurde het even voor we werden opgemerkt. En die man zijn partijgenoten doorhadden en zagen wat wij hadden uitgericht. Zelf kon hij van ons geschrijf niet zo veel zien, maar zijn papa vertelde hem de details. Die kerel kon er niet mee lachen. Alle gestommel en gepraat was gestopt. Ieders ogen waren gericht op de kandidaat, die ons, ziedend van woede, aankeek, met een rood aangelopen gezicht. De zweetdruppels vloeiden vanaf de nat geworden, kortgeknipte haardos, over zijn wangen, langs zijn nek,  en belandden alzo op het kunstig door ons bewerkte shirt.

Op zijn bits gestelde vraag waarom wij op zijn kleren aan het cijferen waren gegaan, antwoordde mijn mededader laconiek dat wij toch wel het recht hadden om hetgeen hij als slogan gebruikte, aan de praktijk te toetsen?! Om te zien of zijn 'op mij kan je rekenen' op enige waarheid berustte. Maar de kerel stapte boos van ons weg.

Waarschijnlijk vond hij het vooral niet leuk dat we enkel maar berekeningen had uitgevoerd met nullen. 0 * 0 = 0 bijvoorbeeld. Maar geen deling door nul, want dat kan en mag niet, zo heeft mijn leerkracht Wiskunde mijn medeleerlingen en mij ooit in het hoofd geprent. "Deel nooit door 0!" zo waarschuwde hij ons. Nu ja, ik heb me daar steeds aan gehouden. Dus ook bij het bekladden van dat witte campagneshirt. Die vent en zijn partij waren er wel zelf de oorzaak van dat we hen slechts een nul waard achtten.

Mijn kameraden en ik maakten ons snel uit te voeten. We hadden daar immers toch niks meer te zoeken. Want alle spijs en drank was al op. En de te verwachten toespraak en andere prietpraat, daar hadden mijn maten en ik ook geen boodschap aan.

Gelukkig hadden de meeste van mijn wel stemgerechtigde medeburgers klaarblijkelijk ook door dat hun stem niet goed besteed zou zijn aan die rijke domkop. Zodat, spijts alle promotie en gulle schenkingen, en ondanks zijn verkiesbare plaats op de kieslijst van de partij waarvoor hij opkwam, deze kerel toch niet verkozen geraakte. Maar goed ook! Mensen zonder gevoel voor humor horen niet thuis in het politiek landschap. Geef mij maar levend geworden karikaturen zoals Freddy Willockx, diens partijgenoot Louis Tobback en CD&V'ers Jean-Luc Dehaene en Pieter De Crem. Om langs blauwe kant Guy Verhofstadt en Annemie Neys niet te vergeten. Alleen al bij het zien van hun kop, barst je uit in een onbedaarlijke lachbui!

Wie onder anderen eigenlijk ook thuishoort in het voorgaande lijstje is Frank Vandenbroucke. Maar die man is, helaas voor hem, zijn entourage en adepten, inmiddels een stille dood gestorven. Op politiek vlak welteverstaan. Want het hart van de man klopt nog altijd. Dit in tegenstelling tot dat van zijn naamgenoot, de wielrenner. Die het Afrikaanse Senegal uitkoos om er, na een laatste wip met een plaatselijke schone, het tijdige leven vaarwel te zeggen en te ruilen voor de eeuwige dood.

Rudi, 25 oktober 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

21-03-10

Rudi’s overdenkingen - Waar een toevallige ontmoeting mijn gedachten al niet heen kan leiden

  

Met het prachtige nazomerweer waarop we de afgelopen dagen werden getrakteerd, liet ik geen enkel vrij moment of kans onbenut om buiten te vertoeven. Toen ik dondermiddag, onder een stralende zon, onderweg was, kwam er, voor ik een straat rechts wou inslaan, vanuit de andere richting een fietser aangereden, die me vriendelijk begroette, vooraleer net voor mij dezelfde straat in te rijden. Toen pas merkte ik dat het de oud-burgemeester van mijn woonplaats betrof. De man, die vast op weg was naar huis, kreeg van mij een hartelijke groet terug. "Leuk dat hij me nog herkent", dacht ik even. Want het was, naar ik mij herinnerde, toch reeds lange tijd geleden sinds we elkaar voor het laatst hadden gezien.

Maar onmiddellijk daarop realiseerde ik me dat die herkenning uiteraard vooral te wijten was aan die vier wielen onder mijn poep en de rest van dat prachtig toestel waarmee ik mij voortbeweeg. Het klinkt allicht ongeloofwaardig, maar toch is het zo dat ik vaak vergeet dat ik in een rolstoel zit.

Anderzijds gebeurt het soms dat ik voor het eerst met iemand afspreek en die persoon naar me toekomt, zeggend dat zij of hij me meteen herkende. Waarop ik dan reageer door te zeggen dat zulks niet moeilijk is. En terwijl die ander knikt en er een verlegen glimlach op diens gezicht verschijnt, zeg ik dan: "Door mijn lange haren, hé?!" Dan zie ik de gelaatsspieren van de persoon tegenover me in beweging komen en mijn gespreksgenoot denken, terwijl die ongemakkelijk op diens benen balanceert: "Zal ik het hem zeggen of niet?" Maar lang laat ik de vrouw of man in kwestie niet twijfelen, door snel zelf te zeggen: "En mijn rolstoel droeg allicht ook bij tot de herkenning?!" Waarna we dan doorgaans beiden hartelijk lachen. En ook meteen het ijs is gebroken.

Tja, een vos verliest zijn haren, maar niet zijn streken. Gelukkig dat eerste enkel figuurlijk, want ik zou niet graag vroegtijdig mijn weelderige haardos kwijt geraken. En deze integendeel zelfs het liefst van al behouden tot wanneer ik mijn laatste levensadem uitblaas. Een punt dat ik ooit al eens heel dicht benaderde, zoals in eerdere schrijfsels staat te lezen.

Een vos ben ik overigens ook niet. Tijdens mijn jeugd was deze roofdiersoort ook niet te vinden in mijn geboortedorp. De enige vossen die daar toentertijd verbleven waren de gezinsleden van de in mijn toenmalige woonplaats residerende familie De Vos. Tegenwoordig is dat evenwel anders. In de velden en bossen achter mijn ouderlijk huis leven al sinds geruime tijd tal van vossen. En sinds enkele jaren ook herten. In hrt wild, in de vrije natuur, hé! En die dieren planten zich daar vrolijk voort

Wie weet komen er, door de opwarming van de aarde, daar, en elders, misschien ook wel opnieuw diersoorten tot leven, die reeds op aarde ronddwaalden voor de eerste ijstijd een aanvang nam. Maar die ongelukkigerwijs de laatste ijstijd niet overleefden. De mammoet bijvoorbeeld, of de sabeltandtijger.

Dat opwarmen van de aarde, daar hoef ik niet voor te vrezen. Mijn voeten verbranden aan die opwarmende aardkorst kan niet gebeuren, want mijn onwillige stappers staan op een voetplankje, op enige afstand van de grond, dus veilig. Alhoewel? Als mijn banden smelten... Maar laat me aan dat doemscenario niet denken.

Mijn geest laat me immers al vrezen voor die potentiële, door de klimaatswijziging veroorzaakte heropstanding van gevaarlijke grote beesten Die blijven best nog even weg. Want ik heb schrik dat, als ik er, om wat voor reden dan ook, tijdens een boswandeling, zo één achter me aan krijg, ik mij nooit snel genoeg uit de voeten zal kunnen maken. Derhalve ben ik dus liefst, vooraleer dat die kolossen terug ten tonele verschijnen, de pijp uit.

Rudi, 20 september 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

19-03-10

De avonturen van Rudi & Co - Dienst 100, altijd paraat!

  

Samen met mijn twee zonen was ik ergens heen geweest. En op de weg naar huis hadden de jongens zich nogal vervelend gedragen. Zulks gebeurt nu eenmaal en is eigen aan opgroeiende, zich een weg door het leven zoekende jongelui. Maar, zoals het een ouder betaamd, had ik hen een aantal keren berispt. Wat me door mijn 'lieverds' niet in dank werd afgenomen.

Toen we thuis arriveerden en ik mijn kroost om hulp verzocht om me iets rechter in mijn rolstoel te positioneren, omdat ik onder het rijden wat onderuit was geschoven, namen zij hun kans op vergelding te baat door dit botweg te weigeren. Ik werd boos en zei dat, als zij het niet deden, ik met mijn mobieltje de 100 zou bellen. En, eens ze hier waren gearriveerd, het wel aan hen zou vragen. Waarop ik wegreed, en vanuit een ooghoek de jongens onze woning zag betreden.

Ik plaatste me met mijn rolstoel aan de kant van de straat, tussen onze haag en het fietspad. En kantelde mijn zitting en rugleuning, zodat ik in een liggende positie lag. En mijn lichaam de kans kreeg om even te bekomen van de rit. Lang bleef ik daar evenwel niet staan, want die onmin met mijn kroost moest worden opgelost.

Veel was daar niet voor nodig. We hadden zo een systeem waarbij, als ik het even tevoren stout of ongehoorzaam zijn van de kinderen ter sprake bracht, ze prompt naar me toe kwamen en met volle kracht lucht op mijn voorhoofd bliezen, om alle slechte herinneringen uit mijn geheugen te laten verdwijnen. Een dikke zoen op mijn wang vervolledigde deze 'alles vergeven en daarbovenop ook vergeten' procedure. Die op de koop toe, en goed voor hen, nog werkte ook!

Dus toen ik ons huis binnen reed en tegen mijn daar rondhangende nakomelingen begon te 'zagen' pasten zij snel de geijkte methode toe. En hielpen me vervolgens spontaan met het verbeteren van mijn zitpositie. Waarna de kinderen hun bezigheden hervatten en ik genoot van het kijken ernaar.

Ik zat met mijn gezicht naar onze achtertuin gericht, toen plots de deurbel weerklonk. De jongens keken op van de plaats waar ze zaten en ik zag hun verbijsterde gezichten.

"Dus jij hebt werkelijk de '100' gebeld?" vroeg één van hen me. Vooraleer ik, nu zelf ten zeerste verbaast, ontkennend kon antwoorden, was de jongen reeds de voordeur gaan openen. En stond hij even later, terwijl ik me inmiddels een kwartslag had gedraaid, voor me, met naast hem een ambulancier. Dat kon ik zien aan diens outfit en aan het feit dat zijn functie ook op de borstzakjes en bovenaan de mouwen van zijn jas was gedrukt.

"Ik hoorde het net van je zoon, en wij dachten zelf ook al dat er niks aan de hand was" zo begon de man. "Maar iemand die met zijn auto voorbij je huis passeerde had een man in een rolstoel zien liggen, met de ogen gesloten, en belde het noodnummer omdat hij dacht dat die persoon onwel was geworden en derhalve in nood verkeerde. Toen we de locatie hoorden, vermoedden we onmiddellijk dat jij het was, die even zat te dutten voor je woning. Maar we konden evenwel geen risico nemen, dus rukten we toch uit."

Verbluft door dat verhaal en de toevalligheid van het samengaan met mijn dreigement, kon ik niet meer uitstamelen dan een dankjewel. Waarna de man afscheid nam en vlug verdween. Door me nog een kwartslag verder te draaien kon ik door het vensterraam in de voorgevel van ons huis, nog net de gele ziekenwagen zien wegrijden, richting stalplaats, het stedelijk algemeen ziekenhuis.

Dat de ambulanciers onnodig waren uitgerukt vond ik uiteraard jammer. Maar de ganse situatie op zich was geweldig grappig. En de stomverbaasde gezichten van mijn zoons staan allicht tot het einde mijner dagen in mijn geheugen gegrift!

Rudi, 27 augustus 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 februari 2010.

14-03-10

De avonturen van Rudi & Co - Mooie liedjes blijven niet duren

  

Misschien maar best ook, want op de duur zou dat ook vervelen. En het tekort aan slaap moet ook eens kunnen worden ingehaald! Niet wat mezelf betreft, want voor mij is het een kalme week geweest. Waarin ik, op een tweetal dagen na, steeds vrij vroeg de feestzone verliet. Om de afspraak met mijn thuisverpleegkundige niet te missen, om in bed te geraken. Dit jaar kon ik immers de energie niet opbrengen om al liggend in mijn rolstoel, de nacht door te brengen.

Veel schoon volk gezien. En hoe warmer het overdag was geworden, hoe schaarser het vrouwvolk gekleed ging. Dus de in de feestzone aanwezige liefhebbers hebben 10 dagen lang hun ogen ruimschoots de kost kunnen geven. In de centrumstraten binnen het feestgebied en op de diverse terreinen.

Mede door het warme, droge weer was er steeds redelijk wat, tot heel veel volk op de been en aanwezig op de locaties waar de optredens plaats vonden. In de tent van de Polifonics bijvoorbeeld. Die, als naar gewoonte, stond opgesteld in het Prinses Josephine Charlottepark. Wegens de te geringe bewegingsvrijheid door ondermeer de vele tafeltjes en stoelen, voor mij niet zo een leuke plek om te vertoeven.

Nog meer aanwezigen waren er op de Grote Kaai, waar de Lokerse Feesten hun feestplein keer op keer bijna, of volledig zagen vollopen. Goed voor 15.000 zielen. Toen ik daar de sfeer ging opsnuiven, en van de gelegenheid gebruik maakte om naar wat groepjes te luisteren, deed ik dat van op het platform dat daar, ten behoeve van rolstoelers en andere invaliden, in een hoek aan de ingang stond opgesteld. Net niet buiten de omheining. Verder weg van het podium kon niet. Voor mijn gezelschap was dat op het verhoog zitten leuk,  want daar waren stoelen aanwezig. En je overzag het terrein en had goed zicht op het podium in de verte. Maar opgenomen in de uitgelatenheid van de meute was je helemaal niet. En het voortdurend heen en weer geloop van mensen, onderaan het platform, was enorm storend. Want niet alleen de in- en uitgangen waren daar vlakbij, maar ook één van de toiletlocaties,

Het toilet voor de rolstoelers stond trouwens opgesteld net naast het hellend vlak om op het rolstoelerbalkon te geraken. Zo moesten die mensen bij hoge en dringende nood niet ver 'lopen'! Die toiletten zijn jammer genoeg sinds jaar en dag niet omvangrijk genoeg voor grote mensen zoals ik in grote elektrische rolstoelen. Die blijven dus meestal thuis, waardoor organisatoren en verhuurders van dergelijk sanitair er geen nood aan voelen ook voor hen degelijke faciliteiten te voorzien. Een jammerlijke spiraal zonder einde.

In het programmaboekje van de Fonnefeesten, die zoals steeds plaatsvonden op de Oude Vismijn, omdat het petieterige Fonneplein veel te klein is om gans die accommodatie te herbergen, had ik iets gelezen over het beschikbaar zijn van een aangepast toilet en zelfs een ADL-assistent(e) (Activiteit Dagelijks Leven) die hulp zou bieden bij praktische zaken zoals gebruik van toilet, zich verplaatsen, eten...

Wat ik niet gelezen had, of inmiddels vergeten was, is dat je die hulp op voorhand diende aan te vragen op het secretariaat. Wat ik dus NIET had gedaan! Voor de organisatoren is het blijkbaar evident dat je als zorgbehoevende op voorhand dag en tijdstip weet waarop je moet plassen of  kakken of wanneer je zin hebt in een snack. En dat je komst naar de activiteit mogelijks afhankelijk is van het weer en nog een resem niet ver vooraf te voorziene andere factoren, daar hebben zij blijkbaar ook nog niet bij stil gestaan.

Soit, op een gegeven moment aan het begin van de feestperiode, voelde ik een redelijke druk op mijn blaas. En dacht ik dat ik, in plaats van eens heen en terug naar huis te rijden, wat riskant was met die kapotte batterijen, waarover ik het straks nog zal hebben, gebruik te maken van de ter plaatse voorziene sanitaire voorzieningen en de ADL-assistent(e). Maar waar zou ik die vinden? Bij de mensen van het Vlaamse Kruis misschien?

Dus toog ik naar hun tentje, aan de zijingang, vlakbij het podium. De jongedame die ik eerst aansprak viel uit de lucht. Figuurlijk wel te verstaan. En ging ten rade bij haar oudere collega. Aan wie ik mijn vraag herhaalde op zoek te zijn naar een toegankelijk toilet met assistentie. Ook deze dame wist van niks. Maar wees mij de plaats aan op het terrein waar ik alvast een toilet kon vinden voor rolstoelers. Haar aanbod om met me mee te gaan wees ik vriendelijk van de hand. Ik heb immers een hekel aan zulk een 'begeleide' verplaatsing door de menigte.

Na een tussenstop op een andere toiletlocatie waar men niet eens op de hoogte was van het bestaan van een rolstoelertoilet, arriveerde ik daar waar ik wezen moest. De persoon die de kassa deed aan de toiletten, hoorde niet goed. Dus vroeg ik aan de toiletdame zelf naar die ADL-assistentie. De dame wist van niks, maar offreerde onmiddellijk om navraag te doen op het secretariaat van de feesten, gevestigd in twee op elkaar geplaatste bureaucontainers, die stonden opgesteld vlak naast de toiletten.

Even later stonden er twee dames van het Vlaamse Kruis voor me. Andere dan deze die ik voorheen aansprak. Dus mocht ik opnieuw mijn uitleg doen. Mijn plasser in een urinaal houden zagen de vrouwen niet zitten. Dat was mannenwerk! Dus werd een mannelijke collega opgeroepen. Die kwam, en omdat we inmiddels hadden vastgesteld dat die toiletcabine enkele maten te klein was voor mij, verdwenen we allen achter de omheining. Waar er ook geen privacy was, want geregeld kwam daar volk langs. Maar dat probleem werd verholpen door de twee dames die een deken naast mij hielden, terwijl de man me hielp. De medewerkers van het Vlaamse Kruis zagen naderhand in dat deze manier en plek van handelen verre van ideaal was. En beloofden me dat ik een volgende keer van hun tent gebruik zou mogen maken. Tof!

Wat een gedoe dus! Dat veel mensen die eenzelfde lot beschoren zijn als mij allicht weerhoudt van het deelnemen aan activiteiten als dit. Mij houdt dat evenwel niet tegen. Dus bracht ik toch het grootste deel van mijn tijd door op het terrein van de Fonnefeesten. Het is en blijft elk jaar tijdens de feestweek mijn favoriete vertoefplek. Alwaar ik via de zijingang gemakkelijk tot aan een plekje op enige afstand van het podium geraak. En er ook vrijwel moeiteloos en snel weer weg geraak. Het is enkel oppassen geblazen voor glasscherven, want op dit terrein serveert men (helaas) de drank in glazen.

En een lekke band kon ik wel missen. Want reeds de tweede dag van de feesten had ik al te maken met materiaalpech. Op de terugweg naar huis, van een namiddagfeestje bij kenissen, vielen de batterijen van mijn elektrische rolstoel uit. Op een brug over de ijzeren weg. Met veel moeite en aan een slakkengang geraakte ik thuis. Ik liet mijn accu's onmiddellijk bijladen, maar durfde het risico niet aan om nog naar het centrum te rijden.

De volgende dag reed ik wel naar het plein, maar met een bang hart. En de dag erna ook. Maar daarna werden er nieuwe batterijen geleverd door de firma waarvoor ik dag in, dag uit, reclame maak doordat hun firmanaam in het groot te lezen staat op de rugzak die achteraan mijn machine hangt.  

Qua zichtbaarheid van het podium en al wie er op stond, had ik doorgaans niet meer hinder dan gelijk welke andere persoon. Soms had ik het genoegen te kunnen vaststellen dat attente jongedames en -heren er continue voor zorgden dat ik steeds vrij zicht had op wat zich afspeelde op het podium. Mij hoeft men al lang niet meer te overtuigen dat er wel degelijk nog 'mooie' mensen bestaan. Mijn ervaring is, en werd alweer tijdens deze ganse 10-daagse bevestigd, dat je waar veel volk is,  je als hulpbehoevende nooit hulpbehoevend bent. En er ook altijd personen zijn die je mee opnemen in hun plezier, niet uit medeleven, maar als gelijkwaardige.

De aangeboden 'weed' heb ik evenwel systematisch geweigerd. Na even op, of aan de rand van één van de feestterreinen te hebben vertoefd, was ik immers al halvelings 'high' van de ingeademde rookslierten die werden geproduceerd door overal aanwezige gebruikers. Er werd trouwens ook serieus wat ander spul gerookt, gespoten, gedronken en gesnoven. Van horen zeggen heb ik het volgende. Op het feestterrein van de Lokerse Feesten, tijdens het optreden van dance-pioniers Orbital, zag een rijpe veertiger, een manspersoon die toch wel af en toen buiten komt en dus geenszins wereldvreemd is, een jonge kerel iets uit een klein glazen flesje, bij zijn frisdrankje gieten. Hij vroeg de jongeman wat die aan het doen was. Die keek hem vragend aan en vroeg: "Zijde gij dom ofwa?" En, terwijl hij zijn blik opnieuw op zijn bezigheden richtte, vervolgde de, zoals zou blijken, junk: "Da's 'gewoon' vloeibare XTC, man!"

Soms had ik wel eens pech met mijn uitzicht op het podium. Zo stonden er, tussen de meute voor mij, eens op een avond twee mannen van meer dan 2 meter lang. Ze staken met kop en schouder boven de rest uit. Ik stond centraal, één van het stond uiterst links, de andere nagenoeg uiterst rechts van het podium. Naarmate het optreden vorderde, schoven die kerels, allebei met een vrouwelijke gezel aan hun zijde, meer op naar het midden van het terrein. Tot ze elkaar bereikten en op dat punt bleven stilstaan. Vlak voor mijn neus! Vervelend, maar ook grappig. Ik heb me gewoon verplaatst. En gelukkig zijn ze me niet gevolgd!

Tijdens het eerste optreden op de laatste dag zat iedereen neer op een stoel. Behalve één man. En je raadt het uiteraard al. Hij schoof beetje bij beetje op om uiteindelijk halt te houden vlak voor waar ik zat. En bleef staan, tot ik hem vriendelijk verzocht een beetje op te schuiven. Wat hij, onder het uiten van verontschuldigingen, prompt deed. Wie niet spreekt kan niet worden gehoord.

Je ziet op zulk een festiviteiten enorm veel diverse figuren. Waaronder een hoop rare kwieten. Die doorgaans geen of slechts een beetje last bezorgen. Of integendeel zelfs voor een, lekker meegenomen, extra attractie zorgen. Soms wordt ik ook aanzien als zo een personage. Dan staat men mij aan te staren, allicht tot ik een kunstje uithaal. Wat dus vergeefse moeite is, want veel meer dan eens vriendelijk lachen naar de mensen, of mijn ogen laten rollen, doe ik niet. Misschien moet ik volgend jaar toch maar mijn mondorgel meenemen naar het plein. En een schaaltje om de gulle schenkingen in te verzamelen. Wie weet geraak ik zo nog aan geld om een busje te kopen.

Karikaturale, clichés bevestigende  types dagen ook vaak op. Om één voorbeeld te geven. Een groepje zware jongens kwam vroeg op de avond langs de zijkant het terrein opgestapt. Kerels met lang haar en tatoeages op hun armen en in hun nek. En waarschijnlijk ook op hun schouders. Maar dat kon je niet zien door die verschillende mouwloze vestjes die ze in lagen boven elkaar aanhadden. En welke hen ook een breedgeschouderd aanzien gaf. En hen er onterecht indrukwekkend en gevaarlijk deed uitzien. Allemaal visueel bedrog!

Samen met hun vrouwelijk gezelschap verplaatsten ze zich recht richting toog. Je had toch niks anders verwacht?! Enkele minuten later stonden ze daar allemaal, hun grieten inclusief, met een glas schuimend bier in de hand. Of één in elke hand. Afhankelijk van hoe warm ze het hadden of hoe dorstig ze waren, veronderstel ik.

Een uur later stonden die daar nog steeds. Nu allicht niet meer van de dorst, maar van de goesting, met een verse pint in de hand. Of één in elke hand. Om in evenwicht te blijven, vermoed ik. De grieten stonden met elkaar te praten en gluurden in elkaars boezem. Alhoewel ik van dat laatste niet geheel zeker ben. Mogelijks speelt mijn fantasie me hier parten.

Weer een uur later zag je nog steeds hetzelfde tafereel. Alleen was de schikking wat veranderd. En er was er al één die wat heen en weer waggelde, en enkele anderen stonden niet meer recht, maar hingen nu letterlijk aan de toog. Eén deugniet had één van zijn zware pollen onder het korte rokje van allicht zijn partner, gestoken en je zag hem duidelijk onder de dunne stof haar billen kneden. "Ze kunnen er maar deugd van hebben" denk ik steeds bij zulk een taferelen.

Nog een uur later zag ik wel nog hun volle en halfvolle glazen op de toog staan, maar niet meer de personen aan wie deze toebehoorden. Niet omdat die individuen weg waren! Neen die waren daar nog! Maar lagen nu onderaan de toog. Of waren even gaan pissen of kotsen. In één of ander tuintje of  brievenbus! Want gebruik maken van één van de talloze, nochtans 'gratis' ter beschikking staande urinoirs, zien zulke kerels immers als iets voor mietjes!

Hun vrouwelijk gezelschap lag nog niet plat. Dat zal pas voor de volgende dag geweest zijn. Denk ik, want hun kerels zullen allicht bij thuiskomst niet meer in staat zijn geweest om nog iets te presteren in bed. Of op een andere locatie. Die meiden stonden daar wel nog met een pint in de hand. Half leeg en waarschijnlijk nog steeds dezelfde als aan het begin van de avond, Want alle schuim was er af en de glasrand zat vol lippenstift. Van aan dat drankje te nippen uiteraard!

Mensen, wat waren twee derden van hen mooie wijven! Misschien moet ik mij in het vervolg ook maar eens in mijn oude motorvest en mouwloos jeansvestje uitdossen. En met een lint rond mijn hoofd en wat stempels op mijn armen en in mijn nek, zal ik er dan vast ook 'ruig' uitzien. En vallen die meisjes niet voor mij, dan mogelijks wel voor mijn racemachine. Desnoods kan ik deze nog 'gebruiken' om dit, zij het dan letterlijk, te bewerkstelligen. ;-) Maar als ik ook mijn mondorgel in 't zicht hou is dat allicht niet nodig. Omdat er dan mogelijks wordt gedacht dat ik een muzikant ben. Waardoor de dames als groupies aan mijn voeten komen liggen!

Wat ik jullie ook niet wens te onthouden, is de voor mij meest opmerkelijke tekstpassage, gezongen door de zanger van één van die groepjes die hun opwachting maakten op het Fonnepodium. Hij zong het in het Engels, maar vrij vertaald naar het Nederlands klonk het ongeveer als volgt: "Als ik 's ochtends wakker wordt, grijp ik naar een biertje. Wat de toekomst brengt, dat weet ik niet, maar van één ding ben ik zeker: er is altijd bier!"

Wat moet dat een geruststelling zijn geweest voor de zuipschuiten onder het daar toen aanwezige publiek! Uiteraard in de veronderstelling dat die kerel gelijk heeft. Tot het tegendeel is bewezen geef ik de man evenwel graag het voordeel van de twijfel!

Op de laatste feestavond was er traditioneel 10 minuutjes vuurwerk. Mooi, en dat lieten de vele honderden, wellicht duizenden, mensen die opeengepakt deze attractie, aan de boorden van de Durme aanschouwden, ook horen. Met 'ah's', 'oh's' en handengeklap na afloop. Het moment ook waarop iedereen dringend elders heen wou. En de kant waar de massa naar toe wou was niet de mijne. Dus begaf ik mij tegenstroom die mensenzee in. En omdat de mensen dan ruimte scheppen voor mij, waardoor het lijkt alsof de menigte splijt, voel ik me op zo een moment Mozes die het volk van Israël door de Rietzee leidt. Want er zijn inderdaad steeds een aantal slimmeriken die me in het kielzog volgen.

Mijn afsluiter van de feesten was 'The Pimps of Dazzle', een negenkoppig groove- en musicicollectief met roots uit de jazz, funk, pop, r&b, soul... Die energiek het publiek opzweepten met een muzikale mix van humor, groove en seksualiteit! Voor wie het optreden niet zag: twee schone meiden, aan wiens voeten ik mij vlak voor het podium ophield, namen het grootste deel van de zang voor zich. Een formidabel slot voor mijn 10-daagse!

Rudi, 9 augustus 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 februari 2010.

07-03-10

Herinneringen uit mijn verleden - Hogeschool anekdotes

  

Zoals reeds eerder door mezelf in mijn schrijfsels ootmoedig bekend gemaakt, ben ik eigenlijk altijd nogal een brave leerling, scholier & student geweest. Maar voor een kwinkslag of een grapje zat ik dus nooit verlegen.

Zo volgde ik na mijn middelbare studies een voorbereidende cursus Wiskunde aan een Vlaamse industriële hogeschool. We zaten in de klas met een 50 à 60 studenten, afkomstig uit allerlei studierichtingen en woonachtig in de ruime regio van de stad waar we deze cursus volgden.

Op een gegeven moment was onze docent bezig met een omvangrijke vergelijking. Een ingewikkelde berekening, waar integralen en differentialen aan te pas kwamen. Het gigantische krijtbord stond vol gekriebeld met formules en voor leken onduidelijke tekens.

Plots werd er aan de deur geklopt en kwam er iemand van het secretariaat het lokaal binnen. De man fluisterde onze leerkracht wat in het oor. Waarna deze laatste ons meldde er even vandoor te moeten gaan, maar dat hij zo meteen terug zou zijn. En vervolgens samen met de boodschapper het leslokaal verliet.

Ik wipte terstond van mijn stoel en liep naar het krijtbord toe. Waarop ik simpelweg in de laatst geschreven berekeningslijn één cijfertje wijzigde, waardoor de docent nooit meer tot een juiste oplossing kon komen.

Nog maar net had ik haastig mijn plaats terug ingenomen, of daar was onze leraar al terug! De man verontschuldigde zich voor de korte onderbreking en toog terug verder aan zijn arbeid, zijnde de wiskundige vergelijking op het bord.

Hij bezag zijn laatst geschreven regel en ging daarop verder met zijn berekening, waarbij hij ons middelerwijl van de nodige kundige uitleg voorzag. Enkele minuten later hield de docent evenwel ineens op met schrijven. Hij zei: "Hier klopt iets niet!"

Alhoewel ik op de eerste rij zat, voelde ik, of beeldde ik me in, dat iedereen naar mij keek. En toen de docent het gewijzigde karakter had ontdekt, en het lokaal inkeek, speurend naar de dader, proestte ik het uit. En mijn medestudenten lachten vrolijk mee. Met een, van schaamte en ingehouden spanning, bloedrood aangelopen hoofd, bekende ik schuld! En moest erkennen dat de docent, wat Wiskunde betreft, goed van wanten wist, aangezien de man heel snel doorhad dat er ergens met de cijfers was geknoeid. Of was het vooral zijn ervaring met guitige studenten die daar aan ten grondslag lag?

Nu ja, de man kon een grapje klaarblijkelijk wel appreciëren. Dat hij me bij het verbeteren van de proef, aan het einde van de cursus, weinig punten gaf, werd dan ook helemaal niet veroorzaakt door deze deugnieterij. De reden daarvan was ontegensprekelijk elders te vinden. In plaats van vlijtig te studeren spendeerde ik mogelijks te veel mijn vrije momenten door met mijn maten te kaarten. En tijdens de lessen verloor ik misschien wat al te veel aandacht voor de leerstof door het loeren naar die massa knappe wijven in mijn groep.

Omdat ik als modelstudent vooraan in het lokaal zat, op de eerste rij voor dat enorme krijtbord, moest ik trouwens steeds achterom kijken om een glimp op te vangen van mijn vrouwelijke medestudenten. Om eerlijk te zijn was dat vooraan zitten trouwens ook enkel om reden van de slechtziendheid van één van mijn maten.

Toen de cursus zo goed als ten einde was, vroeg één van onze docenten, zo langs zijn neus weg, wat onze verdere plannen waren. Welke school en opleiding we wilden volgen.

Sommige van mijn medecursisten waren al ingeschreven op de school waar we les volgden, anderen op deze met eenzelfde studieaanbod, maar van een ander onderwijsnet. Er was een jongen die het aan de universiteit ging proberen en twee meisjes die een opleiding waarin Wiskunde een belangrijk vak is, toch niet meer zagen zitten en een andere richting wilden uitgaan.

Ook ik stak mijn hand op en toen het mijn beurt was om te zeggen waar ik was ingeschreven, antwoordde ik al gekscherend: "Bij den RVA!" De ganse zaal lag plat van 't lachen! Docent incluis!

Ru(sh)di(e), 20 juni 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld' op 1 september 2009), revisie op 25 februari 2010.

05-03-10

De avonturen van Rudi & Co - Ontmoeting met een oud-bekende

  

Een jaar na mijn geheel ongepland en ononderbroken anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, was ik thuis eindelijk in die mate georganiseerd dat ik mijn toen zesjarige tweeling elke ochtend naar school kon brengen.

Doorgaans zat er dan één van hen op mijn schoot, terwijl de andere op mijn voeten zat, op één van mijn armsteunen of zich liet vervoeren door achteraan op het chassis van mijn zware elektrische rolstoel te gaan staan. En soms stapten mijn jongens gewoon allebei naast me mee. Met één handje de leuning van die voor mij zo onontbeerlijke machine vasthoudend. Mensen, wat genoot ik ervan deze taak te kunnen uitvoeren. Je kinderen naar school begeleiden zie ik trouwens niet zozeer als een plicht, maar eerder en vooral als een voorrecht!

De weg naar huis legde ik af tegen het verkeer in. De 3-vaks rijweg oversteken ter hoogte van onze woning was immers onverantwoord wegens levensgevaarlijk door het snelle, vaak roekeloze auto-, motor- en vrachtverkeer.

Tijdens één van die eerste terugritten botste ik bijna tegen een fietsende dame aan. Die wel in de juiste richting reed! Ze zat voorovergebogen op haar, vooraan het stuur van een mandje voorziene, conventionele damesfiets. En duwde met haar voeten naarstig op de trappers. Waarschijnlijk was die gehaast om tijdig op haar werk te verschijnen.

Was het daardoor dat ze geen teken van herkenning uitte? Volgens mij was dit immers de moeder van een schoolvriend uit mijn kinderjaren. Zelf knikte ik haar vriendelijk toe, maar van de dame haar gezicht, half verscholen achter een lange, enigszins krullende en vrij warrige haardos, was geen enkele expressie af te lezen.

Wat een verschil met vroeger! Want naar ik mij herinnerde was dat een heel praatgrage dame. Die steeds met luide stem elkeen die ze kende, van verre toeriep. En als ze, tussen haar steeds weer gehaast met de fiets van hot naar her rijden voor werk, boodschappen, familiebezoek of wat dan ook, zelfs maar even de tijd had, dan liet ze deze gelegenheid nooit onbenut om een praatje te slaan.

Maar mogelijks was er daar met het ouder worden enige verandering in gekomen. Niet erg waarschijnlijk en vanzelfsprekend, maar klaarblijkelijk toch wel het geval. Tijden veranderen en zo soms ook mensen. En aangezien mijn voorlaatste ontmoeting met mijn jeugdvriend zijn moeder reeds van misschien wel 20 jaar eerder dateerde, kon er in die tijdspanne veel zijn gebeurd, dat had geleid tot een plotse, of geleidelijke gedragswijziging. En ook lichamelijke wijziging. Want ze leek me kleiner dan in mijn herinneringen. Maar dat kon zijn omdat ik toen zelf een klein mannetje was, en dan lijkt elke volwassene een reus. Of anders kwam dat misschien omdat ze inmiddels van ouderdom was gekrompen, of allicht een combinatie van deze factoren, aangevuld met een niet geheel juiste memorie.

Vanaf die dag zag ik de vrouw vrij vaak. Meestal 's ochtends omstreeks half negen, maar soms ook op andere tijdstippen. En telkens weer zei ik haar vriendelijk gedag, of lachte haar op zijn minst beleefd toe of knikte met mijn hoofd. Altijd leek ze gehaast. En me aanspreken deed ze nimmer. Maar na enkele passages, waarbij we elkaar kruisten, vertoonde ze uiteindelijk toch tekens van herkenning en begon ze mijn begroeting te beantwoorden. Non-verbaal evenwel.

Raar is het feit dat ik deze vrouw nooit elders tegenkwam en zich nimmer anders voortbewegend zag dan op haar blijkbaar onafscheidelijke fiets. Dus wat er in al die jaren nooit gebeurde was bijvoorbeeld haar aantreffen terwijl ze te voet door de straten slenterde op de wekelijkse openbare marktdag. Of met een winkelkarretje struinend door de gangen van één van onze lokale supermarkten of een andere winkel, waar ik mezelf met mijn vehikel kon in voortbewegen.

Maar zo verwonderlijk was dat dan ook weer niet. Want de dame was steeds nogal sociaal geëngageerd geweest in het dorp waar ik mijn jeugd doorbracht. Een deelgemeente van de stad waar ik woon en leef, sinds ik 'groot' ben. Mogelijks deed zij al haar inkopen lokaal en kwam ze slechts naar 'de grote stad' om haar werk uit te oefenen. Kuisen bij particulieren of op scholen, zo meende ik mij te herinneren.

Enkele jaren na die hiervoor beschreven hernieuwde ontmoeting reed ik, op een zonnige lentedag, aan een gezapig tempo, over het marktplein van mijn woonplaats, toen ik iemand mijn voornaam hoorde roepen. Een uiterst herkenbare zware vrouwenstem. Ik draaide mij met mijn rolstoel in de richting van waar het geluid afkomstig was. En daar stond ze dan!  Mijn jeugdvriend zijn ma! Maar niet in de gedaante van de persoon van wie ik reeds sinds jaren aannam dat zij het was. Het plaatje klopte nochtans redelijk goed. Een warrige haardos en de fiets aan de hand! Maar ze was niet gekrompen. En haar fiets was weliswaar ook een oud model, maar zonder mandje aan het stuur. Het vehikel was evenwel uitgerust met twee flinke fietstassen. Eén aan elke zijde van het fietsstoeltje, zoals het hoort.

Mijn oud-maat zijn ma was nog even joviaal als in mijn verste herinneringen. Ze vroeg me hoe ik het stelde. In dat sappige, gekke dialect van haar. Niet de streektaal van de gemeente waar ze toen reeds sinds tientallen jaren woonde, maar in deze van de plaats van waar ze oorspronkelijk vandaan komt en haar jeugd doorbracht.

In antwoord op mijn vraag, bracht ze me op de hoogte van de toenmalige conditie van haar zoon en daarna wisselden we nog wat woorden uit. Maar veel tijd om te babbelen had ze niet, want ze had net gedaan met haar dagelijkse werk als kuisvrouw in een middelbare school in de buurt en moest er snel vandoor om nog vlug wat boodschappen te doen en toch tijdig thuis te zijn en klaar met het bereiden van het avondeten, tegen het moment dat haar man zou thuiskomen van zijn werk.

Bij het wat later naar huis rijden moest het toch wel lukken dat, toen ik bijna de oprit van mijn woning had bereikt, vanuit de tegenovergestelde richting die dame kwam aangespurt, waarvan ik tot dan toe abusievelijk had aangenomen dat het de mama was van mijn vroegere school- en speelkameraad.

Tegen het moment dat ik had beslist of ik die dame nu zou blijven groeten als was het een oud-bekende, wat ze, zoals een goed uur daarvoor was bewezen, duidelijk niet was, of haar vanaf nu straal zou negeren, was het vrouwmens me al lang gepasseerd. Ze had me bij het voorbijrijden slechts een zuinige glimlach toegeworpen en vroeg zich nu waarschijnlijk af waarom ik haar voor het eerst in al die jaren geen gedag zei.

Tot op de dag van vandaag rijdt de fietsende dame nog regelmatig voorbij mijn huis. Wie ze is, waar ze woont en naar welke bestemming ze zich dan telkens weer zo haastig spoedt, daar heb ik het raden naar. En het interesseert mij ook helemaal niet. Maar na die ene dag, waarop de verwarring mij even in haar greep hield, ben ik deze onbekende fietsster, op momenten dat ze mijn pad kruist, iets minder uitbundig, maar toch gewoonweg beleefd, gedag blijven knikken.

Rudi, 27 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 februari 2010.

01-03-10

De avonturen van Rudi & co - Alles kan eens mens gelukkig maken

 

Ons huis staat op enige afstand van de straat. Een meter of 10, schat ik. En de voordeur ligt ook wat hoger dan de driewegsbaan waar we op uitkijken, en die in beide rijrichtingen is voorzien van fietsstroken,

Als gevolg van het goede, warme weer stonden tijdens de afgelopen werkweek, de deuren wagenwijd open. Zowel de binnendeur tussen de living en de inkomhal, als deze om naar buiten te gaan. Excuseer, 'rijden' in mijn geval. 

Na met voldoening een werkje op de computer te hebben voltooid, wou ik nog even van de laatavondzon genieten op het terras aan de voorzijde van onze woning.

Vrolijk fluitend reed ik, vanuit de living, via de inkomhal door de openstaande deur naar buiten. Mijn ogen gericht op het klein afhellend vlak, dat daar ligt om het hoogteverschil tussen binnen en buiten te overbruggen.

Toen ik die 'stap' naar wens had beëindigd, dus zonder het ongewenste met mijn zitvlak naar voor schuiven op mijn zitkussen, richtte ik mijn hoofd op en keek recht in het lieflijk glimlachende gezicht van een jong meisje, dat al fietsend mijn woonst passeerde.

Haar (her)kennen deed ik niet, want zo goed als zeker heb ik dat mooie blondje nooit eerder ontmoet. Maar waarschijnlijk heeft ze gedacht dat het naar haar was dat ik floot. En had ik het geluk dat de deerne niet misprijzend reageerde, maar integendeel uiterst sympathiek!

Geloof me vrij dat ik, niet veel gewend, nog de ganse avond heb nagenoten van de toffe reactie van die jongedame.

Gisteren gebeurde er iets anders. Op dezelfde locatie. In de vooravond zat ik vooraan het huis mijn sandwiches op te eten. Gepositioneerd op een plekje waar nog een streepje zon was. De voorgevel staat daar ongeveer anderhalve meter meer naar voor, dan de van de rondom van een brede houten raamkozijn voorziene inkomdeur. De wind was even gaan liggen, dus was het een aangenaam vertoeven aldaar.

Nog maar net had ik mijn avondmaal verorberd, toen er ineens een hevige windstoot kwam. Vlug greep ik naar de handdoek op mijn bovenlichaam en de doek van fleece die op mijn benen lag. Teneinde deze niet geheel te laten (op)pikken door de wind. Die was er gelukkig enkel vandoor met het, nu lege zakje, waar even ervoor mijn broodjes hadden in gezeten.

Verdikke, alweer vuilnis op mijn hof, dacht ik. Want iets dat op de grond ligt kan ik immers niet zelf oprapen. Tenzij, zo dacht ik steels, dat zakje om de hoek heen zou zijn geblazen, recht in mijn inkomhal. Alwaar het dan 's avonds allicht door de verpleegkundige van dienst zou worden opgemerkt. En door deze gedienstige man vast zou worden opgeraapt en in de vuilnisbak gegooid.

Maar ik rekende niet op een dergelijk onwaarschijnlijk geluk. Draaide mijn rolstoel en keek om me heen, maar dat transparant plastieken koelkastzakje was nergens te bespeuren. Allicht reeds tussen de struiken of tot bij de buren gewaaid, dacht ik nog. En aangezien ik buiten niks meer had te zoeken of te vreten, reed ik mijn, aan de voordeur liggend hellend vlak op. En wat zag ik daar liggen, mooi aan de kant, halverwege mijn inkomhal? Inderdaad, dat zakje! En blij dat ik was! Alweer een ganse avond goed geluimd door een fabuleus boffen.

Met deze twee ogenschijnlijk oninteressante en onbenullige voorvallen is voor mij nogmaals bewezen dat het de kleine dingen zijn, de simpele gebaren of uitingen, een onverwachte meevaller... die de echte levenskwaliteit, de gemoedsstemming van een mens bepalen. Of geldt dat enkel voor mij? En ben ik een zielig ventje dat al te vlug content is? ;-) Voor mij is ieder vrij om daarover haar of zijn gedacht te hebben en dat vrijuit te melden. Je oprechte, eigen mening uiten, zal bij mij nooit kwetsend overkomen. Het is maar dat je het weet!

Rudi, 19 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 24 februari 2010.

17-01-10

De avonturen van Rudi & Co - Zonder Co

  

Neen, ik ben niet geveld door de zon of in een diepe zomerslaap gezonken. En ook niet fysiek van de aardbol verdwenen,  Karel Van Miert, Yasmine, Farrah Fawcett, Michael Jackson en een resem andere mensen en dieren achterna. Neen, het zou wat al te gortig zijn om net nu ik een nieuwe rolstoel heb en terug enigszins mobiel ben, het tijdige te ruilen voor het permanente einde.

De reden voor mijn verminderde frequentie in het verhalen van mijn belevenissen is te wijten aan het feit dat ik mijn leven een beetje moest reorganiseren, als rechtstreeks gevolg van het sinds zaterdagochtend op reis vetrekken van mijn huisgenoten. En ik mocht inderdaad niet mee. Mijn bijdrage aan hun vakantietrip blijft beperkt tot het meefinancieren van de reis. Nochtans was ik ook wel graag eens een tijdje weg 'gegaan' van mijn vaste verblijfsstek. Helaas...

Doorheen de jaren las ik in zo vele publicaties keer op keer dat ieder mens nood heeft en recht op seks en vakantie. Wat ik ervaar in mijn omgeving is dat men er blijkbaar, ter wille van de eigen gemakkelijkheid en gemoedsrust, vanuit gaat dat ik de uitzondering ben op de regel. Wat dus een totaal foute veronderstelling is. Want het is niet omdat ik met mijn willoos lichaam in een invalidenkarretje rondcross, dat ik geen noden, verlangens noch gevoelens heb. Die heb ik wel degelijk.

Maandagnamiddag reed ik naar het oudercontact op zoon Brian zijn school. Als rolstoeler had ik het zalige genoegen buiten op de koer de leerkrachten van mijn kind te mogen spreken. Het gebouw is immers helemaal niet voorzien op zich op wielen voortbewegende medemensen.

Met het prachtige weer op die dag, was die, in wezen schandelijke ontoegankelijkheid, voor één keer geen straf, geen vernedering, maar daarentegen een zegen. Ik hoefde, in tegenstelling tot andere ouders immers niet in een, allicht door de warmte bevangen gang te gaan zitten vooraleer in een wellicht even muf klaslokaal te worden ontvangen. Neen, zalig in de schaduw van een boom vond ik mijn plekje!

Toen ik, in afwachting van een onderhoud met zijn klastitularis, door een mevrouw, naar ik vermoed werkzaam op het secretariaat van de school,  het rapport van zoon Brian kreeg overhandigd, dit met een bang hart opende en er tot mijn grote vreugde het A- attest in aantrof, raakte ik zowaar geëmotioneerd.

Gelukkig waren er geen vreemden in mijn onmiddellijke buurt, want door de emotie overmand zou spreken even moeilijk zijn geweest. Had ik dit nieuws op mijn eentje thuis vernomen, ik had waarlijk gehuild van opluchting en blijdschap. Jammer dat ik deze vreugde niet onmiddellijk met een naaste kon delen.

Een dag later was Austin zijn school aan de beurt. Per e-mail had ik met zijn klastitularis afgesproken, even voor de middag, in een lokaal op het gelijkvloers. Want ook deze school blinkt uit in haar ontoegankelijkheid voor minder mobiele medemensen.

De juf stond me al op te wachten... achter een gesloten deur. Het was dus geen slecht idee geweest om niet zonder assistente te komen, want anders had ik weer schoon alleen voor de deur kunnen staan wachten tot ik een passant kon aanspreken met het verzoek die deur voor me te openen. Met het gevaar dat ik, eens binnen, met de deur achter me dichtgeklapt, als een rat in de val had gezeten als daar niemand te bespeuren viel. Maar dat doemscenario viel me dus gelukkig niet ten deel. En ook hier ving ik een A- attest. Hoera!

Dol van vreugde ging ik, vooraleer huiswaarts te keren, een ritje maken. Onderweg at ik, in een schaduwplekje bezijden een verkeersarme straat, en met uitzicht op de spoorweg, mijn meegenomen boterhammen op. Eenzaam en alleen, want mens noch dier was te bespeuren in die buurt. Maar ik was in goed gezelschap: mijn eigen zelve!

Op weg naar huis reed ik langsheen een verpauperde volksbuurt. Uit de tegenovergestelde richting kwam een wijkagent aangereden, die even nadien de straat dwarste en zijn bromfiets parkeerde ter hoogte van een rijhuisje op de hoek. Terstond hield ik halt, want mogelijks kreeg ik aanstonds wel een interessant tafereel te zien. Met mijn GSM in de hand, veinzend dat ik aan het telefoneren was, hield ik nauwlettend de agent in het oog. En was benieuwd welk schouwspel er zich zo meteen in mijn gezichtsveld zou afspelen

De man, die zijn helm op het hoofd hield, belde aan bij het hoekhuis. Ging vervolgens twee stappen achteruit en wachtte af. Niemand deed open. Anderhalve minuut later zette de politiebeambte terug een stap naar voor en drukte met gestrekte arm op de bel.

Korte tijd later ging de deur langzaam open en verscheen er in de deuropening een knappe, niet al te grote griet van naar ik schat halfweg de twintig, met het lange blonde haar opgestoken in een dot. Het naakte lichaam nauwelijks bedekt door een minuscule bikini! Blijkbaar gegeneerd hield ze één arm voor haar boezem. Nochtans had ze volgens mij weinig te verstoppen, want voor zover ik het vanuit mijn positie kon zien was het wicht aan de voorkant zo plat als een vijg. Wat evenwel niks afdoet aan haar schoonheid!

De agent wees met zijn rechterarm naar het wel een halve meter hoog staande gras en onkruid in het amper enkele vierkante meters groot voortuintje en de vele op elkaar gestapelde, barstensvolle huisvuilzakken die ook al voor de woning een plekje hadden gekregen. Het meisje maakte met haar vrije arm wat gebaren en ik zag haar ook bevestigend met het hoofd knikken. Allicht beloofde ze de wijkagent de vuilnis op te laten ruimen en de voortuin een beetje te fatsoeneren.

Blijkbaar volstond dat voor de agent, want de man kroop terug op zijn brommertje en reed er vandoor. Toen hij me gepasseerd was, borg ik mijn mobieltje weg. Dat voorwenden aan het bellen te zijn, was immers niet meer nodig. En dat schone mokkel was al lang terug in haar huurhuisje verdwenen. En lag allicht alweer te zonnen op haar terras of koertje of in haar achtertuin.

Rudi, 1 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 15 januari 2010.

17-11-09

Herinneringen uit mijn verleden - bevoorrading

 

Mijn ouderlijk huis is gelegen in een gehucht van wat vroeger een klein dorp was. Wij woonden werkelijk in een boerengat. Veel van onze buren waren boeren met, zoals dat nu heet, een gemengd bedrijf, waarin dus zowel aan landbouw als aan veeteelt werd gedaan. Op heel kleine schaal weliswaar. Absoluut niet te vergelijken met de huidige omvangrijke boerenbedrijven.

De meeste andere buren waren arbeiders en hier en daar al eens iemand met een zelfstandige activiteit. Een metser of een schrijnwerker. En het merendeel van hen woonde, net zoals wij, op een voormalig boerenerf. In de stallen stonden dat wel geen koeien of varkens meer, maar dikwijls hield men nog wel wat kleinvee. Bij ons waren dat kippen en konijnen.

Onze inkopen deden we grotendeels in de buurtwinkels. En met 'we' doel ik op mijn ma, mijn zussen en mezelf. Want shoppen is mijn pa pas beginnen doen vanaf het moment dat wij een auto hadden, begin de jaren zeventig, tevens het moment dat er aan de rand van alle grote steden supermarkten opdoken. Waar alles op één adres te krijgen was, en bovendien veel goedkoper!

Maar de jaren voorheen werd alles wat wij nodig hadden, in onze eigen buurt gekocht. Zo kwam ons brood van bij de bakker uit onze straat. Wiens helper zelfs een keer of drie per week op ronde ging om ons aan huis van vers brood te voorzien. Die man sprak enkel over het weer. Goed weer, slecht weer, geen weer... iets anders kwam er niet uit dienen mens zijn spraakorgaan.

Toen, op café, iemand het eens aandurfde om hem te vragen naar het waarom ervan, antwoordde de man simpelweg dat hij, door over niks anders dan het weer te spreken, hij ook niks verkeerds kon zeggen. Hij zag veel, hoorde ontzettend veel, was van veel gebeurtenissen, vaak ongewild getuige. Maar roddelen was niet aan de man besteed. Zo vermeed hij extra twisten en hield de kerel iedereen te vriend.

Ons vlees en onze charcuterie gingen we halen bij de beenhouwer aan 't kapelletje, het centrum van onze buurt. Als ik meeging met mij ma, dan kregen wij vaak de onverkoopbare restjes van de salami's mee naar huis. Ik was daar verlekkerd op! Toen ik al wat ouder was, zond mijn ma me al eens alleen naar die winkel. Dat deed ik graag. Alleen boodschappen doen, zoals een grote mens! Fantastisch vond ik dat!

Mijn ma gaf me dan altijd een briefje mee, waarop stond geschreven wat ik behoorde mee te brengen. Tijdens de fietsrit naar de beenhouwerij leerde ik dat dan van buiten. Want als een klein ventje de gewenste boodschappen van een briefje aflezen, dat vond ik maar niks. Daar voelde ik mij veel te groot voor!

Op een zekere dag stond ik in die winkel, te wachten tot het mijn beurt was. Het was er nogal druk. Er stond al wat volk in de zaak op het moment dat ik er arriveerde, en na mij waren er nog enkele personen binnen gekomen. Allemaal mensen uit de buurt. Want ander volk kwam daar niet. Toen het eindelijk mijn beurt was, wist ik niet meer wat er ook alweer op dat briefje stond geschreven. Verdikke!

Dus bestelde ik maar vast iets dat mijn ma meestal meebracht. Terwijl de beenhouwersvrouw bezig was met het snijden en wegen van dat ordertje, trachtte ik zo onopvallend mogelijk dat papiertje te bekijken dat mijn ma me had meegegeven. Het eerste lijntj e kon ik duidelijk lezen en bestelde ik. Maar terwijl ik op de winkelierster haar vraag of het iets meer mocht zijn dan het gevraagde gewicht, positief antwoordde, brak ik tezelfdertijd mijn hoofd over wat er in Gods naam verder op dat boodschappenlijstje  te lezen stond.

Het briefje aan de verkoopster te lezen geven, zoals mijn ma me steeds opdroeg te doen bij twijfel, daar dacht ik nog niet eens aan. Mij daar, met al dat volk in de winkel, belachelijk maken, was wel het laatste dat ik zinnes was. De roddeltantes die in dit oord overal pertinent aanwezig waren, zouden ongetwijfeld hun 'werk' doen en de eerstvolgende schooldag zou ik dan vast worden uitgelachen als het ventje dat bij het boodschappen doen mama's lijstje aan de verkoopster moest overhandigen, omdat ik zogezegd onbekwaam, achterlijk of dom zou zijn. Dat kende ik. Pesten was in die tijd in die bekrompen gemeenschap dagelijkse kost.

Om dat onheil te vermijden bestelde ik dus maar, op goed komen uit, zoals wij dat toen uitdrukten, wat fijne vleeswaren en ook een halve kilo gehakt. Dat laatste weet ik nog heel goed. Nochtans was ik absoluut niet zeker of dat item of iets wat daar van benaming op leek, ook op mijn ma's lijstje voorkwam. Maar ik had wel zin in gehaktballen, en dit, wat wij noemden 'gekapt' was daarvoor een onmisbaar bestanddeel.

Eens afgerekend reed ik rechtstreeks naar huis, want al dat vlees moest zo snel mogelijk de koelkast in. Want veel ervan kon snel bederven. Of sloeg een lelijke kleur uit, en dan was het op zijn minst niet lekker meer. En vaak zelfs helemaal oneetbaar. Zo wist ik van mijn ma. In die tijd luisterden kinderen immers nog naar hetgeen hun ouders hen, vaak tot vervelens toe, vertelden of uitlegden.

Mijn lieve ma was hoogst verbaast toen ze de boodschappen uit de tas haalde. Ze keek mij aan en begreep maar niet hoe die beenhouwersvrouw zich zo vergist kon hebben, te meer daar zulks nooit eerder was voorgevallen. Zelf vergoelijkte ik de beenhouwersvrouw door mijn ma te vertellen dat er toch wel een grote drukte heerste in de zaak en de dame allicht daardoor één en ander verkeerd van het briefje had afgelezen.

In mijn kindertijd moesten wij trouwens niet ver lopen om aan drank, voeding of om het even wat te geraken dat we thuis, in de huishouding konden nodig hebben. Schuin over onze deur was er een klein winkeltje. Naast en in hetzelfde gebouw gevestigd als een café, waarvan de uitbaatster, de cafébazin, ook de winkelierster was. Zulke gecombineerde uitbatingen, kwamen in die tijd veel voor in Vlaanderen. In onze, nochtans dunbevolkte buurt waren er zo zelf twee!

En voor zowat alles kon je daar terecht. Snoep, drank, koekjes, beschuiten, confituur en andere voedingsmiddelen, sigaretten, kaarsen, batterijen, kruidenierswaren, speelgoed... Als ik het mij goed herinner een aanbod dat een beetje vergelijkbaar is met hetgeen heden ten dage sommige nachtwinkels aanbieden. Maar in winkeloppervlakte waren ze doorgaans kleiner, en vaak nog meer volgepropt met allerlei spullen. Van bijna op de vloer tot haast aan het plafond.

In het winkeltje waar wij steeds aankopen deden kon je bonnetjes sparen, waarmee je dan uiteindelijk een geschenk bekwam. Zo zijn mijn ouders ooit aan een, toentertijd in elke huiskamer te vinden, op elektriciteit draaiende windmolen geraakt. Een lichtbruine, met lichtjes! En er speelde een muziekje terwijl de wieken draaiden! Het plastieken ding, signatuur 'made in Hongkong', waarvan ik toen de betekenis nog niet snapte, niemand uit ons dorp trouwens, was het pronkstuk onder de ornamenten die onze buffetkast sierden. Voor een tijdje althans. Want zulke prullen vervelen alras, zodat het object al vlug een plaatsje kreeg op een antieke, van een overleden familielid geërfde wastafel die in de traphal, annex voorraadkamer, annex mijn slaapplaats stond opgesteld. Inderdaad, in dat zowat anderhalve eeuw oude huisje waarin we woonden, was multifunctionaliteit een noodzaak. Lang voordat het woord werd uitgevonden!

Eens per week, meer bepaald op donderdag, kwam de visboer langs. Als je iets van hem wou kopen, dan moest je een emmertje aan je hekstijl hangen. Dan stopte de man sowieso voor je woonst. Je kon ook aan het hek staan wachten tot wanneer die venter met zijn viskraam opdaagde. En je hoorde hem van ver komen, want hij kraamde een in al die jaren nimmer wijzigende slogan uit. Zeker van de inhoud van zijn slagzin ben ik nooit geweest, maar het ging ongeveer als volgt: "Rauwe haring, bakharing,tarbot & kabeljauw! Steur, schar, zalm & schol! Hele grote mosselen! Goeie verse mosselen!" En geen bandje hé! Maar helemaal live!

En als hij je onderweg tegenkwam, riep hij je aan door zijn megafoon. Mij noemde de man steevast 'wittekop'. Niet toevallig omdat ik in die tijd qua haarkleur inderdaad nogal veel weg had van de witte van Zichem.

Die vismarchand heeft trouwens ooit eens slechte mosselen aan ons geleverd. Die werden in huis gebracht middels dat emmertje dat tot aan 's mans verschijnen aan het tuinhek hing. Want overal zakjes bij geven was toen nog niet in trek. Ofwel konden milieuactivisten, vanuit hun, naar wat later bleek, terechte vrees te worden overspoeld door die plastieken zakjes, toen de verspreiding nog even tegen houden.

Als je boodschappen deed laadde je alles meteen in je eigen, van huis meegebrachte kabas. Of, in dit geval bij de visverkoper, in je emmertje. Mosselen althans. Hoe die andere vis van dat kraam tot in huis werd gebracht, dat herinner ik mij niet meer. Bij die vraag krijg ik helaas geen informatie terug vanwege mijn grijze hersenmassa.

Van die slechte mosselen ben ik dus wel goed ziek geweest! Mijn ogen zwollen op in zulke ernstige mate dat ik nog nauwelijks iets kon zien. Het ziekenhuis moest ik er niet voor in. Wel binnen blijven en in de zetel blijven zitten of liggen. Want ik zou overal tegenaan zijn gebotst, met die opgezwollen, etterende ogen. Dit voorval heeft er toe geleid dat ik jarenlang niet meer van die schelpdieren heb gegeten.

Ook onze melkboer had een vaste wekelijkse ronde. Als je melk, yoghurt of een ander zuivelproduct uit die mens zijn aanbod wou, dan werd van je verwacht dat je de lege, herbruikbare flessen aan de straatkant voor je huis zette. Dan wist die persoon dat je iets nodig had en kwam die aankloppen aan de achterdeur. Veelal had hij toen al bij wat we doorgaans bestelden. Dat bespaarde hem het extra heen en weer stappen naar zijn zwaar beladen camionette.

Bij de brouwer werd hetzelfde systeem toegepast. Alhoewel we, wanneer we bijvoorbeeld  een bak bier wilden, we niet het ganse krat met lege flesjes aan de straat zetten. Want dan bestond immers het gevaar dat een onverlaat er mee aan de haal zou gaan. Omwille van het leeggoed. Er werd in die tijd veel meer met hervulbare flessen en statiegeld gewerkt. Onze limonade werd ook zo aangeleverd. In zware glazen literflessen. Waarmee je, zo gewenst, gerust een volwassen mens de kop kon inkloppen. Wat naar mijn weten trouwens nooit is gebeurd. Maar zeker is dat niet. Want toen was de media nog niet zo uitgebreid.

En bij ons thuis werd ook niet met die flessen op elkanders hoofd geklopt. Waar mijn ma ze wel voor gebruikte, was voor het verpulveren van beschuiten. Door er met zo een zware glazen frisdrankfles over te rollen maakte ze daar chapelure van. Naast gehakt en ei, een onontbeerlijk ingrediënt om gehaktballen te maken. Mijn pa had die graag in de uiensaus, maar dat vond ik vies en daarom bereidde mijn ma die van mij steeds apart. Welke bereiding mijn zussen prefereerden, dat herinner ik mij niet.

Al de drank die de brouwer kwam slijten was afkomstig van de familiale Belgische brouwerij Roman. Die trouwens op heden nog steeds actief is, en voor zover mij bekend is, met de 12de generatie Roman aan het roer, of toepasselijker gezegd de 'vaten', vooral bezig is met het brouwen van speciale bieren.

In de zomer kwam dan ook wel een keer of twee per week, en in de schoolvakantie nog vaker, vermoed ik, de ijscrèmekar langs. Van het type dat ook nu, sinds de laatste tien jaar, weer vaker in de straten opduikt. Een kleine bestelwagen die rondtoerde en middels een genre scheepsbel, van ver uit de buurt reeds zijn komst aankondigde.

Er reed ook een ijsventer rond op een soort van gemotoriseerde bakfiets. Een tripoteur werd dat bij ons genoemd. Niemand uit mijn directe omgeving sprak de Franse taal. Maar er werden geen twee zinnen uitgesproken of er zat wel een Frans woord tussen. Dit ter zijde. Die ijsjesventer zijn bak was uiteraard een diepvries. En boven de ganse lengte van zijn vehikel was een scherm aangebracht zodat zijn klanten, bij felle zonneschijn, in de schaduw konden staan. Neen, tegen de regen diende dat dak niet. Wegens niet sterk en waterdicht genoeg. Als het regende reed die kerel trouwens niet rond. Want wie loopt er nu buiten en heeft zin in een bolletje roomijs als de regensluizen open staan?

Ondanks zijn bijzonder en aantrekkelijk voertuig had deze ijsjesverkoper toch minder cliënteel dan de anderen. Het is allicht moeilijk om zo vele decennia later alsnog de reden voor 's mans geringere populariteit te achterhalen. Wat zou die kennis ons ten andere opbrengen, dat de moeite getroosten om dit toch te achterhalen, kan rechtvaardigen? Mocht je het antwoord weten, dan wens ik je proficiat voor je wijsheid en veel succes ermee!

Eens ook in de uithoek waar wij woonden, het bestaan van de diepvries bekend was geworden en de meeste inwoners zo een vriezer hadden in huis gehaald, daalde de populariteit en navenant de omzet van die ijsjesverkopers enorm. En ook hun frequentie van verschijnen nam gestaag af.

Anderzijds kende de huis-aan-huis diepvriesroomijs verkoop dan weer een steile opmars. Op vaste tijdstippen kwamen die mannen met hun vrachtwagen langs om te vragen of wij soms roomijs moesten hebben. Soms wel ja. Maar meestal zei mijn ma dat we die vent moesten zeggen voorlopig verder te kunnen. Wat meestal gelogen was, want ondanks het feit dat die aan huis bestelde ijscrème het lekkerst was, kochten mijn ouders die toch liever in de supermarkt. Want daar was die veel goedkoper. En sinds we een auto hadden, een witte vijfdeurs Simca 1100 zelfs, met een grote koffer, prefereerden mijn ouders het merendeel van hun inkopen in het grootwarenhuis te doen. Waardoor we telkenmale met een koffer vol spullen, geladen in gratis beschikbaar gestelde, voor eenmalig gebruik bestemde, bruine papieren zakken met aan de buitenkant in grote letters het logo van de winkel erop.

Maar de lokale groenten- en fruitboer, met winkel in de dorpskern, raakte wel zijn waar nog kwijt aan ons. Tenminste hetgeen mijn ouders niet zelf kweekten in hun uitgebreide moestuin. Die man kwam rond met zijn rijdende winkel, waar je langs een trapje achterin de wagen naar binnen stapte. Deze groentenmarchand mocht voornamelijk dames verwelkomen en bedienen. Die gingen steevast de groentekar binnen met in hun ene hand hun geldbeugel en hun eigen boodschappentas aan de gevouwen arm. De andere hand gebruikten ze om bij het binnentreden hun lichaam in evenwicht te houden.

Dergelijke deur-aan-deur winkeliers droegen toentertijd enorm bij aan het onderhoud van de sociale contacten. Want wie buiten kwam tot aan het kraam, ontmoette niet enkel de verkoper, maar steevast ook enkele buren die ook één en ander nodig hadden. En zo werden nieuwsfeiten uitgewisseld en kon men palaveren over van alles en nog wat.

Vroeger gebeurde het ook wel vaker dat je bij de buren over de vloer kwam. Om bijvoorbeeld een pakje boter te lenen of enkele klontjes suiker, tot je zelf tot aan de winkel geraakte. Of om te telefoneren als je, zoals bij ons het geval was, niet zelf over een telefoonverbinding beschikte. Of bij de boer om hooi te halen voor mijn ma haar konijnen. Of aardappelen. Of eieren van de scharrelkippen. Met een kan, verse melk halen bij één van onze 'boerenburen' deden we niet, want in ons gezin was er niemand die deze melk lustte.

Op geregelde tijdstippen kwamen aan huis ook de kolenmarchand en de verhuurder van gasflessen. Ten behoeve van het in ons achterhuis opgestelde, op gas werkend kookvuur. Van die grote, zware donkerblauwe bidons waren dat! De verkoper van textiel aan huis, heb ik enkel als heel kleine jongen weten langskomen. Inderdaad met handdoeken, zakdoeken, dweilen en zo meer.

Allicht vergeet ik in dit schrijfsel nog enkele leveranciers. Want er kwam ook van tijd tot tijd een messenslijper bij ons langs En er was geregeld een bloemist die, van deur tot deur, zijn waar aanbood. Onze krant werd heel vroeg in de achtend aan huis bezorgd door een gespecialiseerde bezorger, op een brommertje. Wij noemden dat een Mobylette, maar ik ben er vrij zeker van dat die man zijn bromfiets van een ander merk was. Toen mijn zussen de pubertijd instapten, leverde die man ons dan ook nog eens elke week een Joepie, een muziektijdschrift dat wonderwel ook de dag van vandaag nog bestaat.

Die gazettenman schakelde in de zomer trouwens schooljongens in om tijdens de gerenommeerde 'Ronde van Frankrijk', de dagelijks, ogenblikkelijk na de koers gedrukte speciale kranteneditie betreffende deze wielerwedstrijd, aan de man te brengen. Die jongens, met een koerspet op het hoofd, waarop als reclame, de naam van de krant stond gedrukt, reden per twee, ieder aan één straatkant, met hun fiets doorheen het dorp en de invalswegen. En bliezen, om hun in aantocht zijn, te melden, op een fluitje en schreeuwden er dan ook nog eens bij: "'Het Volk! Met de uitslag van de Ronde van Frankrijk!'"

De, voornamelijk mannen en jongens, werden zo hun woning uitgelokt. En alhoewel de meesten van ons de voorbije wedstrijdetappe live op Tv hadden gevolgd, waren we er toch tuk op om ons zo een krantje aan te schaffen. Om de hoogtepunten uit de wedstrijd te herzien op zwart/wit foto's, nabeschouwingen te lezen en interessante weetjes te achterhalen.

Het was mijn ambitie om, eens ik oud en groot genoeg zou zijn, ook  met zo een schoudertas over mijn hals gehangen, per fiets die krantjes te bedelen. In functie daarvan oefende ik al voor de job, in onze tuin. En reed op mijn koersfietsje, met een pet op het hoofd, de wegels door, zo nu en dan blazend op een fluitje dat met een touwtje rond mijn nek hing, regelmatig de slogan uitroepend en bruusk stoppend als mijn bereidwillig mee'spelende' ma of zus, teken deden dat ze een krant wilden kopen. Waarbij ik één van de eerder aangekochte kranten uit mijn schoudertas toverde, met de glimlach aan de koopster overhandigde en dankbaar het onzichtbare geld in ontvangst nam.

Voorbereid en geoefend was ik derhalve voldoende. Maar jammer genoeg is de traditie van die rondekrantjes reeds ter ziele gegaan vooraleer ik de leeftijd had bereikt waarop ik deze kranten had kunnen venten.

Uiteraard kwam ook in die tijd de postbode, ofte facteur reeds dagelijks langs. Dat waren nog echte, die tijd mochten maken voor de mensen. En voor zichzelf. Want ook die van ons ging dagelijks een druppel of een pintje drinken in het café van onze buren. En wellicht ook in de andere, voor een kleine buurt, groot in aantal zijnde kroegen.

En niet enkel leveren aan huis gebeurde. Ook afhalen. Zo deed de oud ijzerman geregeld zijn ronde. Waarbij je dikwijls nog een mooie prijs kreeg betaald voor het koper of ander waardevol metaal dat je de man kon aanbieden. En tegen het einde van elk jaar kwam er ook iemand langs die mijn ma betaalde om wat takken af te mogen snijden van de Hulst in onze achtertuin. Er stonden verschillende van deze groenblijvende loofbomen in de haag die zorgde voor de omzoming van onze achtertuin met logting, zoals wij onze moestuin noemden. De Hulst heeft leerachtige getande en van stekels voorziene bladeren en rode bessen. Welke ook  in die tijd reeds vaak werden gebruikt in Kerststukjes. En aangezien die boomsoort blijkbaar niet in groten getale overal te vinden was, kwam die heer elk jaar bij ons terecht om zich van een voldoende voorraad te voorzien. Wat mijn ma, zonder dat ze er arbeid voor diende te verrichten, toch een aardig extraatje opleverde.

Rudi, 17 mei 2009 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld') - revisie & aanvulling op 16 november 2009.

30-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 5

 

Een dag later, op dinsdag, de 30ste dag van kalendermaand januari 2007, werd ik, iets na 17u00, met infuus, zuurstoffles, kunstlong, beademing en al de rest dat er bij hoort, op een brancard gelegd, het ziekenhuis uit en een klaar staande ziekenwagen in gerold. En weg waren we, richting provinciehoofdstad. Waar we een kleine drie kwartuur later ter bestemming arriveerden: het algemeen ziekenhuis met de naam van een heilige, die tot voor die benoeming, actief was als evangelist. Waren de vooruitzichten rooskleuriger geweest, dan had ik me vast gevoeld als een medewerker van één of andere consumentenorganisatie, die een vergelijkend onderzoek doet naar de kwaliteit van de Vlaamse ziekenhuizen.

Veel kon ik niet zien van op die van wieltjes voorziene draagbaar, waar ik, door middel van riemen, veilig lag op vast gebonden. Maar ik merkte het wel toen we arriveerden op de plaats waar ik werd verwacht: de afdeling 'intensieve zorgen'. Ook hier allemaal cellen. Maar iets rustgevender dan die waar ik eerder in verbleef. Wat ik zag waren allemaal kleine glazen kamertjes met een, ook al glazen deur in het midden. En een achterwand vol apparatuur.

In één van die hokjes werd ik binnen gerold, en naar het aldaar aanwezige bed getransfereerd. In de hoek rechts van mij stond een computerscherm waarop ik, zoals ik later merkte, een aantal data van de aan mijn lijf gekoppelde toestellen kon aflezen. En rechts bovenaan ontwaarde ik zowaar een groot digitaal televisietoestel. Dat zou vast nog van pas komen om de te verwachten sleur van de komende dagen te breken.

Op een wandklok kon ik aflezen dat het intussen even na 18u00 was geworden. De ontvangst op deze dienst was vrij hartelijk. Of het inbeelding was of niet, dat weet ik, niet, maar het voelde er aan alsof er, in de mate dat dit kan op zulk een afdeling, toch een goede sfeer heerste. Middels mijn letters annex cijferkaart probeerde ik met het personeel te communiceren. Sommigen voelden zich daar onwennig bij, maar deden toch hun best om me te verstaan. Anderen hadden niet het geduld om er aan mee te werken. Gelukkig behoorde die laatste groep tot de minderheid.

De volgende dag kwam één van de longartsen naar me toe. Een vriendelijke, zich eenvoudig gedragende man. Hij stelde zichzelf voor en zei dat hij begreep dat ik van die longmachine af wou en terug wou proberen zelfstandig te ademen vooraleer andere opties in overweging te nemen. Ik knikte van ja.

De arts zij dat er haast bij was! Want hoe langer men wachtte met me opnieuw zelfstandig te laten ademen, hoe kleiner mijn kans op slagen werd. De arts vroeg me op een gemoedelijke toon: "Gaan we het proberen?" Uiteraard knikte ik enthousiast van ja. De man legde me de procedure uit. Hij zou, geassisteerd door een verpleegkundige, eerst nog een bronchoscopie uitvoeren om zoveel mogelijk fluimen uit mijn luchtwegen te verwijderen. Vervolgens zou hij de tubes uit mijn keel halen, waarna men mij maximaal ging beademen met een mond/neusmasker. De eerste 24 uur zouden cruciaal zijn. Het was afwachten of mijn longen in staat zouden zijn om hun taak weer op zich te nemen.

De die dag voor mij verantwoordelijke verpleegster positioneerde me, met de hulp van een stagiaire, zo rechtop mogelijk in bed. Nadat, met een mobiel apparaat, de bronchoscopie was uitgevoerd, begon de dokter met het losmaken van de banden waarmee de tubes in mijn ademhalingskanaal, aan mijn hoofd waren vastgemaakt. De verpleegster hield reeds een masker op mijn neus. De zuurstofstroom voelde hard en koel aan. Bij de volgende handeling van de arts werd een ganse buisconstructie uit mijn mond en keel gehaald en kreeg ik het zuurstofmasker op de mond gedrukt. Met maximale luchttoevoer. En ik begon weer zelf te ademen! Nogal gejaagd, ondanks het feit dat ik innerlijk erg rustig was. Mijn lichaam zou zich moeten aanpassen aan de vernieuwde situatie en een aangepast, rustig ademritme moeten zoeken en hopelijk vinden. Zelf had ik daar weinig invloed op.  Mijn zoveelste strijd was begonnen.

Toen ik een tijdje alleen werd gelaten, trok ik mijn zuurstofmasker enkele centimeters weg van mijn gezicht en probeerde mijn stem uit. Dat lukte. Ik kon weer spreken! Met een rauwe stem weliswaar, maar daar had de longarts me voor verwittigd. En dat zou tijdelijk zijn. Dus baarde mij dit helemaal geen zorgen.

Een tijdje later stond de verpleegster alweer aan mijn bed. Met de bedoeling me een aerosolbehandeling te geven. Mijn bezwaren, gezien mijn negatieve ervaringen ermee in de stadskliniek van mijn woonplaats, werden echter weggewuifd. Op voorschrift van de dokter had ik dit nodig, zo zei ze kordaat, en dus moest en zou ik de kuur krijgen toegediend. Einde discussie!

En ik had er helaas opnieuw dezelfde slechte ervaring mee. Of eerder nog slechter! Wellicht omdat mijn lichaam nog zwaarder verzwakt was geworden. De tweede aerosolbeurt, een uur of vier later, liet ik nog toe, maar toen was het voor mij genoeg geweest. De dokter, waar men na mijn weigering heen holde, deed helemaal niet moeilijk en liet me overschakelen op een andere therapie. Die me niet zo een fysieke last bezorgde.

De eerste avond, nacht en volgende dag waren afschuwelijk. En afmattend! Zelfstandig ademen, zelfs met behulp van die grote hoeveelheid zuivere zuurstof, was geen sinecure. Geconcentreerd moest ik trachtten rustig in en uit te ademen. Op het computerscherm in mijn kamertje kon ik het zuurstofgehalte in mijn bloed volgen. Telkens mijn ademritme even stokte, ging die waarde onrustwekkend naar beneden. Aan slapen kwam ik helemaal niet toe. Eenzaam en alleen lag ik daar te vechten in de hoop deze hel te overleven en in de toekomst alsnog een beetje een menswaardig leven te kunnen leiden. Niet afhankelijk van machines.

Zoals voor mijn opname beloofd, en ook al om de tijd de doden, stuurde ik met mijn mobiele telefoon berichtjes naar mijn thuisverpleegkundigen, kinesist en assistenten. Waarin ik hen op de hoogte bracht van mijn huidige fysieke toestand en de vooruitzichten die er waren. Uitgeput en bang, zoals ik op dat moment was, wond ik er, als naar gewoonte, geen doekjes om en zond ik hen een Sms'je met de melding dat 'mijn toestand uitzichtloos leek en dat ik ten einde raad was'.

Buiten de zorgen over mijn gezondheid was ik ook bevreesd om, na mijn beoogd herstel, bij thuiskomst niet meer in mijn geleidelijk opgebouwde normale routine, met afgesproken tijdstippen van verzorging, therapie en hulp, te kunnen vallen. Omdat bijvoorbeeld mijn vaste momenten inmiddels waren ingenomen door andere personen. Want mijn thuisverzorgers en - assistentes konden toch niet blijven gaten open houden en eindeloos wachten op mijn terugkeer?

Tegen de middag aan deed de dokter zijn ronde. Met in zijn kielzog de hoofdverpleegkundige, de verpleegkundige die me die ochtend had verzorgd, een kinesitherapeut  en nog enkele andere personen. De dokter kwam, samen met zijn gevolg, uiteraard ook bij mij langs. En leek opgetogen over het feit dat ik het eerste etmaal zonder kunstmatige beademing, in medisch opzicht, quasi probleemloos was door gesparteld. Hij gaf orders aan de kinesist om een intensieve therapie op te starten. Vier keer kiné per dag, zo zei de arts. De kinesist knikte braaf instemmend. Maar, zo werd naderhand vlug duidelijk, in de praktijk zou daar weinig van terecht komen. Ik mocht al blij zijn met één behandeling per dag. Wat trouwens bleek te volstaan. Want meer was nogal belastend voor mijn lichaam. Ik was tevreden met een dagelijkse mobilisatie van mijn ledematen en een beetje tapoteren op de borstkast om mijn luchtwegen vrij te houden.

Enkel de eerste paar dagen diende de arts mijn slijmen weg te nemen met zijn mobiel bronchoscopietoestel. Daarna kon ik het nog resterende slijm, waaruit alle slechte beestjes waren verdwenen, ophoesten met, en ook vaak zonder de hulp van de kinesist. De hoeveelheid extra zuurstof werd geleidelijk aan afgebouwd en ik kreeg ze toegediend via een neusmaskertje, wat me meer comfort gaf. Om te spreken bijvoorbeeld. Of om te trachten iets te eten of te drinken.

Toen het artsenteam eens gezamenlijk bijeen tot aan mijn bed kwam en samen met mij mijn toestand besprak, gaf hun nederig gedrag mij een goed gevoel, kwam hun menselijkheid duidelijk naar boven en leek het erop alsof ook zij overtuigd waren van het gegeven dat een patiënt een specialist kan zijn in zijn eigen specifieke problematiek. Verwijzend naar het gemak waarmee ik een bronchoscopie liet uitvoeren zei één van deze specialisten,  al gekscherend: "Binnenkort doet hij alles zelf." Wat ons allen deed glimlachen.

Door de televisie aan te zetten trachtte ik wat kleur en afwisseling te brengen in dat ellendige, eenzame verblijf op "intensieve zorgen'. Maar geen van de programma's kon me ooit boeien. En het nieuws, alsook het weerrapport konden me al helemaal gestolen worden. Steeds weer was het uitkijken naar de bezoekuren. Om 15u en om 19u. Telkens voor maximaal twee personen, ouder van 14 jaar en voor niet langer dan een half uurtje.

Gelukkig kregen we van de hoofdverpleegkundige van de afdeling de toestemming om mijn toen tienjarige zoons tijdens het eerste weekend van februari even bij me op bezoek te laten komen. De jongens keken beduusd en onder de indruk rondom zich en achter mij, naar al die toestellen, knopjes, lampjes, slangen, schermen en zo meer. Mij deed het goed hen even te zien. Per slot van rekening waren zij, sinds die noodlottige operatie in mei 2000, mijn enige motivatie om, ondanks dat verlamde, willoze lichaam, toch verder te gaan met mijn leven. Actief participerend in de maatschappij. Of dat althans voortdurend proberend.

Vaak lag ik 's nachts te ijlen en had ik nachtmerries. De fysieke pijn en het psychisch leed door het missen van de kinderen en mijn onzekere toekomst lagen aan de basis hiervan. Alsook allicht de mij toegediende medicatie. En fantasie en werkelijkheid waren in deze angstdromen dikwijls met elkaar vermengd.

Langzaamaan begon ik terug te eten en te drinken. Eerst een potje natuuryoghurt, later al eens een boterham, en vervolgens ook warm eten. Kleine hapjes die me werden aangereikt door een verpleegkundige, een logistiek assistente of een stagiaire. En waar ik goed op knabbelde, waarna ik het voedsel behoedzaam inslikte... zonder verslikken!

Van papperige drankjes stapte ik af. Want ook het drinken leverde niet langer problemen op. Het was wel even wennen. En ik dronk met kleine slokjes en uiterst omzichtig. Maar ook dat zelfs zonder ook maar de neiging tot verslikken. Oef!

Eens ik wat beter was liet ik ook mijn schootcomputer overbrengen. Op het Internet gaan kon ik niet, maar teksten schrijven en mijn correspondentie en administratie doen, dat ging wel. En alle twee dagen gaf ik mijn laptop mee met mijn namiddagbezoekers, die bij mij thuis het e-mailverkeer uitwisselden, om dan mijn machine met bijgewerkte post, via mijn bezoekers van 's avonds terug aan mij te bezorgen. Een mens moet zijn plan trekken in het leven, hé?!

De dag na mijn aankomst in deze kliniek, werd ook mijn rolstoel overgebracht. En hier mocht die wel in mijn cel staan. Eens ik door de slechtste periode heen was, dus vanaf enkele dagen na mijn aankomst, werd ik er na mijn ochtendtoilet en mobilisatie; steeds in gezet en bleef ik er in zitten tot 's avonds.

Dagelijks werd bloed afgenomen via een permanente naald in een slagader van mijn pols. Met het aldus verkregen bloedstaal werden de bloedgassen gecontroleerd. Een test om de verhouding zuurstof (O2) en koolstofdioxide (CO2) in het bloed te bepalen en het zuur-base evenwicht te controleren.

Bij een gunstig evenwicht verminderde men stelselmatig de hoeveelheid zuurstof die me werd toegediend. Soms drong ik zelf aan op een snellere vermindering van de bijbeademing. Maar als men daarop inging gebeurde het wel eens dat mijn zuurstofsaturatie een duikvlucht nam en ook de bloedgassen slecht waren.

Maar uiteindelijk kwam alles op een aanvaardbaar niveau te staan. De bijbeademing gebeurde, zoals voormeld, dus inmiddels enkel nog via een neusmaskertje dat, tijdens het verzorgen, zelfs werd afgezet. Al moet ik bekennen dat ik naderhand steeds blij was dat ding dat zuurstof aanvoerde, weer terug op mijn neus te hebben. Ondertussen had gelukkig ook de overdreven slijmvorming opgehouden zich te manifesteren.

Op 6 februari 2007 mocht ik naar de verzorgafdeling pneumologie worden overgebracht. Als ik het mij goed herinner heb ik dat gedaan op eigen krachten, dus me verplaatsend middels mijn elektrische rolstoel. Eens buiten mijn kamertje zag ik pas goed de omvang en inrichting van de afdeling I.Z., waar ik een week had doorgebracht.

Op pneumologie kreeg ik een tweepersoonskamer toegewezen voor mij alleen. Want men had ruimte nodig om naast mijn bed ook een tillift en mijn rolstoel een plaats te geven. Mijn kamer was voorzien van een koelkastje en een Tv, en had een groot raam, met zicht op de hemel en enkele boomkruinen. Een allesbehalve spectaculair panorama, maar alleszins veel beter dan die totale geslotenheid op de afdeling waar ik vandaan kwam.

In den beginne was ik niet erg op mijn gemak, zo zonder dat continue toezicht op mijn fysieke toestand, middels allerlei aan mijn lichaam gekoppelde apparatuur en ook visueel. Daarom had ik ook het liefst dat mijn kamerdeur bleef open staan op momenten dat ik er alleen in aanwezig was.

Bezoek kon ik nu dagelijks ontvangen van 14u tot 20u. Buiten mijn naaste familie kwam er evenwel niet veel volk over de vloer. Aan meer visite had ik trouwens ook helemaal geen behoefte.

De pneumoloog die me tot dan toe, tot mijn volle tevredenheid en met een gunstig resultaat, had behandeld, liet de zorg over mij over aan één van zijn collega's, een vrouwelijke arts, die naast pneumologe, ook interniste is, en ooit assistente, of althans een studente was van de longarts die me behandelde in die andere, door mij liefst te mijden kliniek.

Deze arts liet een slaaptest op me uitvoeren, waarna ze me een compact, digitaal bestuurd bijbeademingstoestel voorstelde. Eén met een dubbele werking, en een regelbare luchtstroom, zodat het mijn natuurlijk longmechanisme en ademhalingsritme kon volgen. Het zou voor ondersteuning zorgen bij zowel het inademen als bij het uitademen, zodat het moeiteloos mijn ademhalingspatroon, kon volgen en mij meer comfort bezorgen.

Slapen met het toestel ging eigenlijk vanaf de eerste nacht reeds prima. Het was wel even slikken toen me werd diets gemaakt dat ik wellicht tot op het einde mijner levensdagen van een dergelijk toestel zou afhankelijk zijn. Steeds slapen gaan met een groot masker op mijn neus was geen prettig vooruitzicht. Maar aangezien mijn wettige echtgenote reeds jarenlang geen interesse meer vertoonde om met mij het bed te delen, was er in elk geval geen partnerprobleem. Het was enkel maar te hopen dat mijn tienerzoons, die af en toe nog eens een nacht doorbrachten in de woonkamer, alwaar mijn bed staat opgesteld, niet door mijn masker zouden worden afgeschrikt.

De kinesitherapeut probeerde een hulpapparaat uit van begin de jaren tachtig: de Vibrax. Een alternatief voor het op de borstkast trommelen met de handen. Het is een toestel dat het uitzicht heeft van een vlakschuurmachine. Het wordt op de thorax gezet en genereert vibraties. Die waren evenwel te agressief, voor mij. Vele uren na de behandeling deed mijn borstkast nog pijn, en voelde ik het in mijn binnenste nog steeds natrillen. Slecht nieuws voor de kinesist wiens job, bij gebruik van dat ding, minder inspanning vergde.

In deze kliniek was de manier waarop het personeel me benaderde en behandelde veel beter dan in het hospitaal waar ik de vorige keer verbleef. Toch moest ik me ook hier dikwijls inhouden om te reageren op stomme uitspraken door verplegend personeel of paramedici. Of opmerkingen te maken over hun wijze van handelen.

Tijdens die talloze, eenzame momenten, overdacht ik de afgelopen nare periode. En diende helaas te concluderen dat ik het hier wel het minst slecht van overal had. Maar dat ik toch in elke kliniek, op elke afdeling, af en toe kreeg te maken met medisch geschoold personeel dat ofwel onkundig was, of onvoldoende geïnformeerd, of cru, of uitblonk door een totaal gebrek aan inlevingsvermogen. Buiten hetgeen reeds eerder aan bod kwam in dit verhaal, hierna nog een aantal voorbeelden om dit te illustreren.

Als ik wil urineren, dient men mijn penis vast te houden en er een plaskan ofte urinaal onder te houden. Ze deden dan handschoenen aan. Omwille van de hygiëne. Eens mijn blaas was geleegd, ging men de gebruikte urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er meestal niet bij. Tenzij ik daar uitdrukkelijk om verzocht. Vervolgens werd de plaskan nogal vaak netjes gedeponeerd tussen de pralines en de fruitmand. Hygiënisch?

En als ik hen niet vroeg om mijn piemel na het plassen af te deppen, dan stopten ze gegarandeerd mijn nog nadruppelende jongeheer zonder meer in mijn broek. De lust bekroop me dan om hen te vragen of zij hun spleet ook nooit afkuisen nadat ze hebben geürineerd. En of het daar dan naar de avond toe niet ontzettend erg gaat jeuken... en stinken? Maar ik beheerste me telkenmale, want ik was afhankelijk van hen.

Dat ik het verzoek om me te (her)positioneren in bed niet keer op keer vroeg om moeilijk te doen, maar uit noodzaak, om spierpijnen te doen ophouden en doorligwonden te voorkomen, dat kon ik sommigen ook niet aan het verstand brengen. Terwijl anderen net mee nadachten over manieren om me zoveel mogelijk comfort en zo weinig mogelijk fysieke last te bezorgen.

Het fenomeen 'spasmen' was ook iets waar velen blijkbaar niks van afwisten. Dan gaf ik meestal geduldig een bondige uitleg over de oorzaak van deze bij de meeste 'verlamde' personen optredende ongecontroleerde spiersamentrekkingen. Terwijl ik me afvroeg of ze dat dan niet leerden op school? Of waren ze het dan alweer vergeten?

Schort er wat aan de opleiding? Of is die wel compleet en ligt het aan de desinteresse van die individuen? Zelf weet ik het antwoord niet, maar iemand anders misschien wel.

Waar ik ook moeite mee heb is dat, als het eten arriveert terwijl je bezoek hebt, er als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat zij je dus wel zullen helpen. Maar dat wil ik niet! En als ik hierop commentaar leverde, dan kreeg ik steeds de wind van voor. En werd ik in een verdedigende positie geduwd. Maar ik zie niet in waarom ik telkens met mijn gefundeerde redenen voor de dag zou moeten gekomen zijn. Deze zijn mijns inziens immers niet van belang. Ik wil het niet, punt uit.

Uiteindelijk kwam het moment er aan dat mijn artsen me zegden dat, wat hen betrof, ik het hospitaal mocht verlaten, vanaf het moment dat ik mij er zelf toe in staat voelde. Die toch wel 'veilige', 'geborgen' omgeving inruilen voor mijn plekje thuis... het gedacht eraan bezorgde me gemengde gevoelens. Want ik was continue uitgeput en moe, ondanks voldoende slaap. En ik kon de reden hiervan maar niet achterhalen. En ook de artsen noch verpleegkundigen hadden enig idee.

Toch begon ik, als voorbereiding op mijn terug naar huis gaan, op eigen initiatief met het afbouwen van mijn zuurstofafhankelijkheid. Twee opeenvolgende uurtjes zonder, werden er drie, vervolgens vijf. Tot het moment aanbrak waarop ik de arts meldde dat ik inmiddels had bepaald wanneer ik naar huis wou. Een voorschrift voor zuurstof thuis kreeg ik niet. Mijn toestel voor 's nachts moest volstaan.

Wat uiteindelijk de oorzaak is geweest van mijn ganse problematiek, zal ik nooit te weten komen. Maar allicht en vooral hopelijk, kan ik een herhaling ervan voorkomen door veel te drinken, vooral ook na de maaltijden, 's nachts te slapen in een positie waarbij mijn lichaam met de benen omhoog ligt en het hoofd naar beneden, zodat het sinds 25 augustus 2000 in mijn lichaam geplaatste pompje, dat overtollig hersenvocht in mijn nekstreek, rechtstreeks afvoert  naar mijn hart, zijn werk kan doen. En zo voorkomt dat mijn ruggenmerg in verdrukking komt, met functieverlies als gevolg. En tot slot zal ongetwijfeld ook bijzonder preventief werken, het gebruik van het toestel dat me 's nachts helpt zo veel longblaasjes als mogelijk met lucht te vullen en derhalve te laten functioneren. Wat hoe dan ook bevorderlijk zal zijn voor mijn lichamelijke conditie. En maar hopen nooit geen snotvalling, verkoudheid of andere (vies) slijm producerende ziekte op te lopen!

Op woensdag 14 februari 2007 verliet ik de kliniek. Op Valentijnsdag. Een mooi moment om naar thuis te komen. Waar ik in de late voormiddag arriveerde. Met een via de mutualiteit besteld rolstoelvervoer. Uiterst moe en uitgeput. Juist op tijd om samen met de andere leden van mijn gezin, het middagmaal te nuttigen.

Gelukkig kon mijn verpleegkundige en paramedische verzorging nog steeds gebeuren op dezelfde tijdstippen als voor mijn ziekenhuisopname. Terug in mijn eigen omgeving zijn deed me goed. Maar zo helemaal zonder extra zuurstof ademen deed raar en maakte mij onzeker. Zou ik het blijven redden zonder bijbeademing? En die loomheid bleef ook de volgende dagen in mijn lijf zitten. Koorts had ik niet. Maar mijn urine en ontlasting waren donker gekleurd. En mijn huid kleurde gelig.

De eerste dagen zat ik alweer vaak in de inkomhal van ons huis. Want daar kon ik naar wat extra zuurstof snakken. Soms liet ik ook mijn bijbeademingstoestel overdag over mijn neus plaatsen. Om toch maar wat extra zuurstof in mijn longen te krijgen. Want de slijmvorming behoorde dan wel tot het verleden, maar mijn luchtwegen hadden de afgelopen maanden enorm afgezien en hadden tijd nodig om er weer bovenop te komen, zich te herstellen naar de toestand van voordat die problematiek optrad!

Omdat ik me elke dag meer vermoeid voelde en mijn urine en stoelgang een uiterst rare kleur hadden, belde ik mijn huisarts op met de vraag om eens langs te komen. Wat gebeurde. Een bloedonderzoek bevestigde een dag later zijn, en eigenlijk ook mijn vermoeden en dat van mijn thuisverpleging. Ik had Hepatitis, een virale leverontsteking.

Eens die diagnose was gesteld, en de vereiste medicatiekuur was gestart, voelde ik me meer gerust. Maar ik was wel totaal uitgeput. En elke dag manifesteerde het uiterlijk kenmerk van de ziekte, de zogenaamde geelzucht, zich meer en meer. In de kliniek hadden ze zich daar geen vragen bij gesteld. En de donkere urine en dito ontlasting hadden, bij de verpleegkundigen aldaar, eigenaardig genoeg, ook geen belletje doen rinkelen. Uiteindelijk is het, dankzij de nodige en juiste medicatie, dus terug in orde gekomen met mijn lever en kreeg ik naderhand ook mijn normale, blanke huidskleur terug. En door ook deze ziekte te doorstaan en te overleven was ik in staat tot het doorvertellen van het ganse verhaal, waarvan dit de laatste woorden zijn.

Ru(sh)di(e), 28 februari 2007 (revisie op 30 september 2009)

10-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 3


Het exact aantal dagen dat ik doorbracht op 'I.Z.', dat kan ik me niet herinneren. Een kleine week, vermoed ik. Maar uuiteindelijk mocht ik dan toch verhuizen naar de verzorgafdeling pneumologie. Wat was ik blij weg te zijn uit dat zottenkot! Maar op de verpleegafdeling waar ik toen terecht kwam, en waar in de decoratie en aankleding van de kamers de kleur geel gelukkig niet (meer) domineerde, ging het er eigenlijk helemaal niet beter aan toe, zo zou ik spoedig merken.

Mijn oom had mijn rolstoel reeds overgebracht. En omdat ik die perse in mijn kamer wou, had men het tweede bed er uit verwijderd, zodat er wat manoeuvreerruimte was. Want gebruik maken van de techniek van de transfer middels een draaischijf, dat zagen de verpleegkundigen op die afdeling niet zitten. Sukkels! Om mij te verplaatsen van bed naar rolstoel en omgekeerd, hadden ook zij dus een tillift nodig.

Elke dag, na gewassen te zijn, en in mijn pyjama gestopt, werd in dus verplaatst van mijn bed naar mijn rolstoel. Waarin ik dan de ganse dag bleef zitten. Luisterend naar muziek, of werkend aan mijn laptop, die ik had laten meebrengen van thuis. Een televisie had ik ook ter beschikking, maar wat daarop te zien was kon me slechts zelden boeien.

Er werkten op de afdeling een aantal heel lieve verpleegkundigen, jonge en minder jonge. Maar er was daar ook een feeks van een ancien tewerk gesteld, die de werklust van haar collega's en hun aandacht voor de patiënten, niet kon waarderen. En zij zwaaide daar blijkbaar de plak. Zelf de veel jongere hoofdverpleegster had ze blijkbaar in haar macht. Een heel rare situatie vond ik dat. Verplicht lang durende koffiepauzes en verpleegsters die me stiekem kwamen helpen buiten de vaste verzorgtoer.

Met twee schoolgaande kinderen thuis en plots alleen gevallen bij het beredderen van ons huishouden en met het bijkomend probleem van de afstand tot de kliniek, kon mijn vrouw slechts nu en dan en dan telkens maar voor korte tijd, bij mij op bezoek komen. Maar toen ze er dan wel eens was, wou ik dat we rustig konden praten en samen mijn door haar meegebrachte briefwisseling doornemen. Haar belasten met het ontlasten van het ziekenhuispersoneel, was wel het laatste dat ik wou!

Maar deze laatst genoemden dachten daar anders over. Allicht onder de negatieve invloed van die eerder vermelde helleveeg. Lafaards! Tijdens zo een bezoekje moest ik op een gegeven moment plassen. Dus drukte ik op het knopje waarmee een belletje afging in mijn kamer en in het verpleeglokaal en, in de gang, het lampje boven de deur van mijn kamer, rood kleurde. Een minuut of vijf later stak een, al wat oudere verpleegster, haar domme kop binnen en vroeg verveeld of het dringend was, want ze had niet onmiddellijk tijd. Toen ze, alweer een minuut of vijf later, mogelijks waren het er zelfs tien, terug in mijn kamer kwam, zag die trut er nog steeds ontstemd uit. Ze vond het vervelend dat ik niet wou wachten op hulp tot ze een half uur later aan haar late namiddag verzorgronde zou beginnen.

Terwijl ze mijn plasser in de urinaal stopte, en ik enkele keren zachtjes op de zijkant van mijn buik klopte om de boel in gang te zetten, vroeg ze me op gedempte toon, met haar heksenkin wijzend naar mijn, ondertussen documenten invullende eega, of dat niet mijn vrouw was. Terwijl het plassen startte, beantwoorde ik haar vraag met een ja. Waarop dat wijf verontwaardigd repliceerde dat ik mij dan toch door haar had kunnen laten helpen? Waarop ik reageerde met het antwoord dat ik er nog niet aan dacht mijn vrouw, niet tewerkgesteld in die kliniek, een job te laten doen waarvoor de vrouw, die mijn plasser vast hield, werd bezoldigd! Die uitleg viel niet in goeie aarde. Maar dat zou mij een zorg wezen. Mijn echtgenote was niet naar me toe gekomen om me te verzorgen, maar om me te  bezoeken!

Dat mens werkte dan toch de klus af. Propte mijn nog nadruppelende penis in mijn pyjamabroek, zodat die vochtig werd en ging al morrend de urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er alweer niet bij. De, van de nog aan de rand hangende pis, stinkende plaskan, werd met een smak op mijn nachtkastje gedropt. Voor de verandering eens niet naast iets eetbaars. Het dom schepsel verliet boos de kamer. Mijn opmerking dat ze mijn broek had natgemaakt door ongeconcentreerd en onzorgvuldig te werk te gaan, daar antwoordde ze niet eens meer op.

Een poosje later kwam er een logistiek assistente de kamer binnen. Met mijn avondmaal. Die floot ik ook terug toen ze zei dat mevrouw me zeker wel zou helpen? "Neen" antwoordde ik, "mevrouw gaat mij niet helpen. Mevrouw gaat zo meteen naar huis, waar werk op haar ligt te wachten, dat ze zelfs niet eens kan trachten op een ander af te schuiven!" Het wicht keek me even verbaast aan en zei dan dat ze terug bij mij zou komen eens alle maaltijden waren bedeeld. Die vroeg zich wellicht af hoe het kwam dat ik reageerde alsof iets mij misvallen was, terwijl ik nog niet eens iets had gegeten!

Mensen toch, wat een rotte mentaliteit heerste daar op de afdeling! En, hoewel sommige jongere vrouwen ook in hetzelfde bedje ziek waren, betrof het vaak zo van die rijpere vrouwen, die nog net niet in de overgang zijn, en tijdens de periode van hun maandelijkse regels, de last die ze daarvan hebben, milderen voor zichzelf, door de personen die ze worden verondersteld te verzorgen en gerust te stellen, te kwellen met eigen, verzonnen regeltjes.

Of zijn het van die kakmadammen die hun slip of string te hoog hebben opgetrokken, in een ijdele poging daarmee hun loddergat een iets minder neerwaarts hangend en wat strakker aanzien te geven. En de frustratie van het falen van deze truc en de pijn die ze hebben van die snijdende randen van dat ondergoed in hun lies, spleet en reet, uitwerken  op hun patiënten. Ongehoord is dat!

Het kunnen er trouwens ook zijn die voortdurend ongemakkelijk lopen omdat ze heimelijk lesbienne zijn. En door de aanwezigheid van hun talloze vrouwelijke collega's, onophoudelijk opgewonden zijn. Wat zich uit in het steeds vochtig zijn van hun poes, waardoor deze haast onophoudelijk in een toestand verkeert van net niet verzuipen.

Zo, daarmee zijn die gedachten en gevoelens ook eens uit mijn brein gehaald en publiekelijk gemaakt. Voor alle duidelijkheid: in zowel deze kliniek, als die waar ik eerst verbleef heb ik ontzettend veel plichtsbewuste, slimme, inventieve, lieve mensen ontmoet, voor wie geen enkele moeite te veel is. Het heeft niks met leeftijd te maken. Sommige oudere verpleegsters zijn duidelijk uitgeblust, maar meestal zijn dat wel net diegenen die al gans hun carrière liever lui zijn dan moe en totaal geen inlevingsvermogen hebben. Onder de jongere heb je er ook die geen fluit waard zijn.

En soms was het echt wel van dom, dommer, domst. Zo was er een verpleegster aan wie ik uitlegde hoe ik het liefst werd gewassen. En dat ik tijdens de wasbeurt graag een badhanddoek over me heen had. "Geen sprake van" luidde haar repliek, "want dan kan ik niet zien wat ik aan het doen ben!" Het huilen stond me nader dan het lachen terwijl ik dat kalf dan toch maar rustig en geduldig uitlegde dat het lichaamsdeel dat ze waste uiteraard wel mocht worden ontbloot. Ze keek me nog steeds 'het niet begrijpend' aan. Gelukkig kwam er toen net een collega van haar mijn kamer binnen en deed die het haar even voor.

Een andere keer stonden ze met vier aan mijn bed om me te verzorgen. Een mannelijke en een vrouwelijke verpleegkundige en twee verpleegstertjes in opleiding. Zoals ik bij aanvang van dat toilet had kunnen voorspellen, ging het helemaal mis. Ze stonden gedurig in elkaars weg, of de ene wreef zeep op een lichaamsdeel dat de andere reeds had afgespoeld en afgedroogd, en bij het op mijn zij draaien werkten ze elkaar ook ongewild tegen.

Men was nog bezig met mijn verzorging toen er een vijfde collega verscheen. "Ha, jullie zijn bezig met vier", zei ze "Zoals bij hem thuis!" De mannelijke verpleger keek diep verbaast en ongelovig, eerst naar zijn collega en toen naar mij. En vroeg vervolgens of ze mij inderdaad met vier kwamen verzorgen. Zijn collega antwoordde in mijn plaats: "Dat heeft mijnheer mij toch gezegd!"

Ik had die dame inderdaad tijdens een eerdere verzorgingssessie gezegd dat er bij mij thuis vier verpleegkundigen over de vloer kwamen. Waarop zij blijkbaar verkeerdelijk had verondersteld dat die steeds allemaal samen mijn verzorging deden. Dus legde ik nu aan die domme geit en de vier anderen uit dat er inderdaad vier verpleegkundigen kwamen om mij tweemaal daags te verzorgen, maar dat ze werkten in een roulatiesysteem, waarbij er telkens slechts één van hen aan mijn bed stond.

Wat mijn fysische toestand betreft, was die ongewenste slijmvorming jammer genoeg niet weg gebleven bij het wisselen van afdeling. De frequentie van me in een toestand van ademnood bevinden was gelukkig wel reeds afgenomen Maar af en toe zaten mijn luchtwegen terug vol met taaie, hardnekkige slijmen.

Zo ook de tweede nacht van mijn verblijf op pneumologie. Ik verwittigde de verpleging middels mijn bedbelletje. De kinesist van wacht werd er bij gehaald. Die kwam pas een hele tijd later. Naar eigen zeggen omdat hij eerst nog op intensieve zorgen had moeten assisteren bij de reanimatie van een kindje. Een actie met een succesvol resultaat, overigens. Ook mij kon de man helpen. Middels tapoteren, gebruik van de kuchassistent en aspireren, verloste deze paramedicus me van de mij kwellende slijmen.

Toen ik de volgende nacht weer last had van slijmvorming, wou de nachtzuster evenwel de kinesist niet oproepen. Twee dagen na elkaar, voor hetzelfde probleem, dat kon volgens haar niet. Tenzij het echt dringend was en dus niet anders kon. Volgens haar was mijn bijna in het slijm stikken dus niet echt urgent?! Ze vond de nachtrust van de kinesist belangrijker dan mijn ademnood. En begon zelf op een amateuristische wijze te knoeien met de cough assistent en een aspiratietoestel.

De nachtverpleegster zei dat de mensen van de wachtdienst niet te veel mochten gestoord worden, want ze hadden niet graag dat ze telkens weer uit hun slaap werden gehaald. Worden die dan niet betaald om wakker te blijven? Ja, toch? Maar ik weet wel hoe dat in elkaar zit hoor. Zij hebben vaak ook een privépraktijk. En als ze dan 's nachts een wachtdienst 'lopen' zonder 'oproepen', dan kunnen ze de ganse nacht door slapen en uitgerust en met een frisse kop de job in hun privépraktijk aanvatten. En is het extra inkomen uiteraard gemakkelijk verdiend!

Op zich kan je het die mensen niet kwalijk nemen gebruik te maken van de hen aangereikte mogelijkheden. Maar dat men' hen ontziet ten nadele van de patiënten, dat vind ik helemaal niet logisch en normaal. Maar dat systeem is blijkbaar de ziekenhuiscultuur binnen geslopen en wordt als logisch aanvaard. Misschien zelfs vaak zonder dat zij die er profijt van hebben, er ook van op de hoogte zijn.

Enkele dagen na mijn aankomst op de verzorgafdeling, trachtte ik geleidelijk aan weer te eten. Het voedsel werd me gegeven door een verpleegster, een verzorgende, een logistiek assistente of een stagiaire in opleiding voor één van voornoemde beroepen. Doordat zij het eten in mijn mond stopten, kon ik mij zelf volledig concentreren op het kauwen en doorslikken van het voedsel.

Drinken zonder verslikken, dat lukte niet. Tot een vriendin van me, die verpleegster is, met de suggestie kwam om mijn drankjes middels een poeder te verdikken, en dus papperig te maken. Dus vroeg ik daar naar bij de verpleging, die een doosje van dat spul voor mij bestelde bij de centrale apotheek. Waardoor ik er reeds enkele uren later de beschikking over had.

Met dat poeder verdikt water drinken zonder me te verslikken, lukte. Maar dat papje was slecht van smaak! Koffie met dat poeder was verschrikkelijk! Enkel fruitsap was drinkbaar en behield ook enige smaak.

Toen mijn toestand nog wat meer was verbeterd mocht ik ook al eens mijn kamer verlaten. En aangezien het weekend was en mijn kroost bij me op bezoek was, kon ik met hen op 'stap'. Een kleine zuurstoffles werd in een daarvoor gemaakte rugzak gestopt, die één van mijn zoons op de rug nam. Zo bleef ik voorzien van wat extra luchttoevoer, middels een neusmasker, verbonden aan die fles. De zakken suikerwater en medicatie, die aan mijn infuus waren verbonden, werden op een mobiele, verrolbare houder bevestigd, die mijn ander zoontje voor zich uitduwde.

Aldus vertrokken we op wandel. Mijn zoon vond het rondstappen met die zuurstoffles in een tas op zijn rug best cool! Het zag eruit als de luchtvoorziening bij een duiker. Zelf vond ik de door de luchtslang teweeg gebrachte fysieke verbondenheid met en de afhankelijkheid van mijn zoontje, best aangenaam. Zou dat continue afhankelijk zijn van zuurstof trouwens mijn nieuwe toekomst zijn?

Wat mij helemaal ontstemde was het feit dat men luidop plannen maakte om me enige tijd te laten revalideren in het centrum waar ik, als jonge dertiger, na die desastreuze nekoperatie, in de jaren 2000/2001 anderhalf jaar van mijn leven doorbracht. De arts die verantwoordelijk was voor de verdieping waar ik nu verbleef was gelukkig een goeie man. Eén die luisterde naar wat ik te vertellen had en er ook naar handelde. En mij geenszins wou dwingen tot iets waar ik niet voor te vinden was.

Aangezien er blijkbaar geen enkele specialist in 'huis' was die ook maar enig idee had van wat de oorzaak was van mijn problematiek, had ik, na veel nadenken, wat geen probleem was aangezien ik alle tijd voor handen had, en grondig lezen in mijn medische encyclopedie, zelf een eigen diagnose gesteld. En hieromtrent vervolgens een theorie ontwikkeld, waarmee ik voor de dag kwam toen de arts met zijn gevolg op ronde was en daarbij mijn kamer aandeed.

Om zeker niks te vergeten zeggen of vragen, had ik alles wat ik in gedachten had, op enkele papiertjes laten noteren door mijn bezoekers en al eens een verpleegster, of een studente verpleegkunde. Zelf met een pen schrijven kan ik door die verlamming immers niet meer, en ik had geen printer bij de hand om mijn laptop te gebruiken en de daarop neergetypte ideeën dan uit te printen. Bovendien was het praktisch gezien niet steeds mogelijk om van mijn schootcomputer gebruik te maken.

De dokter kon zich vinden en was bereid me te volgen in mijn visie dat zelfs een niet medisch opgeleide patiënt, in casu ik, toch de beschikking heeft over de meeste kennis van diens eigen lichaam, het eigen medisch levensverloop en ziektebeeld, en mogelijks de juiste conclusies kan trekken uit wat hij voelt en weet, of althans de behandelende arts naar de juiste denkpiste kan leiden.

Zo kon ik dus mijn met redenen omklede opinie uit de doeken doen. Het had er naar mijn mening alle schijn van dat het niveau van mijn nekletsel zich steeds meer hogerop verplaatste. Wat ik afleidde uit de volgorde van de lichaamsfuncties die (deels) uitvielen. Er was de zindering in mijn linker arm, een verminderde werking van mijn slokdarm, middenriffunctie & longen die faalden... Waaruit ik concludeerde dat de oorzaak van mijn problematiek mogelijks zou kunnen te vinden zijn in een opeenhoping van spinaal vocht langsheen mijn ruggenmerg.

Om mijn theorie en vermoedens naar juistheid te toetsten, achtte ik het nuttig enkel gespecialiseerde onderzoeken te ondergaan. Een sliktest en röntgenfoto's, CT-scan & NMR-scan van mijn nek. De arts stemde er mee in en gaf orders aan zijn assistenten om de afspraken te regelen. Inmiddels was Kerst in aantocht. Wat de dokter betrof mocht ik deze dagen thuis doorbrengen, en daarna terug komen. Maar ik prefereerde te blijven tot alle bijkomende onderzoeken waren verricht. En ik het resultaat van de slikfunctietest door de neus-keel-oorarts zou gekregen hebben, en een onderhoud had met de neurochirurgen, om op basis van feiten, RX-foto's & CT-scan voorlopige conclusies te trekken. Want, gezien de lange wachtlijst voor dit onderzoek, zou het nog wel enkele weken duren vooraleer een NMR-scan zou kunnen genomen worden.

Ik verzocht de arts evenwel reeds het centraal katheder te laten verwijderen aangezien daar geen nood meer aan was, gezien het feit dat ik reeds sinds enkele dagen at en dronk en geen intraveneuze medicatie meer kreeg toegediend.

Tevens meldde ik de man nog steeds in afwachting te zijn van de beloofde ademhalingstherapie en hoestoefeningen. En het aanleren en geven van instructies aan de mensen uit mijn omgeving om mij te helpen met hoesten. Door het drukken op mijn borstkast bijvoorbeeld?

En dat ik een antwoord wou op de vraag wat ik, eens thuis, moest aanvangen indien ik me verslikte of als gevolg van een andere factor, in ademnood geraakte. In mijn eigen woning had ik immers geen kuchassistentietoestel, noch een aspirator. Uiteraard bleef de man me het antwoord op deze vraag schuldig. Er zou worden nagekeken waar in de buurt van mijn woning een therapeut was gevestigd die een kuchtoestel bezat en deze techniek toepaste. Hoe ik, niet over een eigen voertuig beschikkend, op God weet welk onmogelijk tijdstip dat ik er dringend nood aan had, dan tot aan die praktijk zou geraken, mocht Joost weten. Want de dokter wist het niet.

Op mijn vraag om zuurstof voor te schrijven voor bijbeademing 's nachts ging de arts niet in. Dat ik tijdig diende verwittigd te worden bij een nakend ontslag zodat ik bijtijds vervoer kon regelen, daar zou hij de hoofdverpleegster over laten waken.

Dat tot na de Kerstperiode in het ziekenhuis blijven was een foute beslissing, zo bleek achteraf. Want eens die hoofdarts, die blijkbaar tijdens de Kerstdagen vrijaf had, van het toneel was verdwenen, hadden die pestverpleegster en haar gevolg vrij spel. Nu waren ze nog pissiger omdat ik een dokter had die naar me luisterde. Wat zij klaarblijkelijk niet konden verdragen. Is het niet vanzelfsprekend dat patiënt en arts hun kennis bundelen en samen naar een oplossing zoeken? Voor sommige mensen, zelfs medisch geschoold, dus blijkbaar niet.

Begrijpen die ook niet welke trauma's hun pestgedrag bij de patiënten kan aanrichten? Mogelijks zijn de meeste van hen er zich niet terdege van bewust welke, vaak blijvende psychische schade ze toebrengen door hun houding en gedrag. Wat dit evenwel geenszins rechtvaardigt, Wordt daar in hun opleiding geen aandacht aan besteed? Of hebben die niet opgelet tijdens de colleges waarin het gedrag van de zorgverlener ten overstaan van de zorgvragende werd behandeld? Allicht durven veel mensen, omwille van hun afhankelijkheid, niks te zeggen over onbetamelijk gedrag vanwege het verzorgend personeel of anderen. En doen ze dat ook niet achteraf, eens ze de kliniek hebben verlaten. Net zoals ikzelf redeneren die mensen allicht dat het dan toch geen zin meer heeft en ze hun energie beter aanwenden voor hun verder genezingsproces. En dat ze beter die nare ervaringen vergeten dan er nog verder mee bezig te blijven, zonder dat het hen een meerwaarde oplevert.

Kerstavond bracht ik dus alweer door zonder mijn gezin. Op Kerstdag kwamen ze even op bezoek. Maar het vooruitzicht binnenkort meer te weten over de oorzaak van mijn problemen, en vervolgens hopelijk een doeltreffende remedie te vinden om er een einde aan te maken en een herhaling in de toekomst te voorkomen, verzachtte het leed van het niet gezellig thuis, in gezinsverband kunnen doorbrengen van deze feestdag.

Met mijn longarts had ik afgesproken te wachten met naar huis gaan tot de zaterdag voor oudejaarsavond, een dag die toen op een zondag viel. Hij zou dan op vrijdag een persoon bij me op de kamer laten komen met een nieuw soort van bijbeademingstoestel, dat ik dan thuis 's nachts zou moeten ophebben. Happig was ik niet op het gebruik van zulk een apparaat, want ik had er, op deze dokter zijn advies en voorschrift, jarenlang één ter beschikking gehad. Ter bestrijding van mijn slaapapneu. Dat is een kwaal die, bij hen die er aan lijden, waaronder ik dus, nachtelijke desaturatie veroorzaakt. Wat wil zeggen dat die mens gedurende het nachtelijk slapen verschillende keren stopt met ademen. Telkenmale gedurende tientallen seconden tot zelfs enkele minuten!

Die zogenoemde CPAP (Continuous Positive Airway Pressure - voortdurend positieve druk in de luchtwegen) was een luidruchtig ding, met een veel te krachtige, agressieve druk, die mij bij het gebruik ervan de slaap onmogelijk maakte en een veel te hevige luchtstroom door mijn neuskanaal stuwde, en daarbij ook nog eens mijn slijmvliezen uitdroogde. Waardoor ik al helemaal niet meer kon ademen. En fysiologisch water nodig had om daar iets aan te verhelpen.

Maar het nieuwe apparaat was beter, zo verzekerde de longarts me. Stiller werkend, met een regelbare luchtstroom en voorzien van een luchtbevochtiger.

De laatste twee onderzoeken vonden op dezelfde dag plaats. De woensdag na Kerstdag. Eén voor de middag, en één kort na de middag. Een verpleegster maakte mij klaar voor de verplaatsing per bed, door een deken op mijn lichaam te leggen om me warm te houden, en een kleine zuurstoffles aan het voeteinde van mijn bed te hangen, zodat mijn bijbeademing gegarandeerd bleef. Voor ik vertrok vertrouwde ze me nog toe dat ik er niet op moest rekenen om bij mijn terugkomst nog eens opgezet te zullen worden. Haar boosaardige collega, waar elkeen omwille van haar pestgedrag, schrik voor had, had al luidop en met een reeds bij voorbaat van pret doordrongen stemgeluid, verkondigd dat ze niet zou dulden dat één van hen de namiddagroutine zou verstoren door me in mijn rolstoel te plaatsen.

Zoals dikwijls gebeurt bij onderzoeken, diende ik nogal veel te wachten. En werden de afgesproken tijdstippen niet gehaald. Omdat er al eens een dokter werd weggeroepen, een onderzoek langer duurde dan gepland, er een technisch probleem optrad, er iemand voorrang kreeg omwille van hoogdringendheid...? Weet ik veel. Toen ik, na de onderzoeken, in de namiddag, met behulp van iemand van het patiëntenvervoer, gelegen in mijn bed, terug op de afdeling en in mijn kamer arriveerde, had de bezoektijd reeds een aanvang genomen. Mijn vrouw zat ook al op me te wachten.

Onmiddellijk drukte ik op mijn bedbelletje. En toen na enige tijd een verpleegkundige verscheen, vroeg ik haar vriendelijk om in mijn rolstoel te worden gezet, want daar had ik nu toch wel even nood aan. Als reactie kreeg ik te horen:  "Sorry, maar daar is het nu te laat voor!" En ze sprak die woorden uit vol leedvermaak. Mijn argumentatie dat mijn lichaam daar nood aan had als voorbereiding op mijn naar huis gaan, waar ik op zijn minst 14 uur na elkaar uit bed zou zijn, en ook op mentaal vlak naar enkele uurtjes opzitten verlangde, daar luisterde ze niet eens naar. Zij, noch haar collega's hadden tijd om mij uit bed te halen en in mijn rolstoel te zetten, en daarmee basta! Waarop ze snel verdween om haar collega's te gaan vervoegen in het verpleeglokaal dat zich schuin tegenover mijn ziekenhuiskamer bevond. En waarvan het geluid van de leute die ze blijkbaar hadden, doordrong tot in mijn kamer. Ziedend van woede was ik. Toen ik kort daarna de longspecialist door de gangen zag stappen, vroeg ik aan mijn echtgenote om hem achterra te gaan en de man te verzoeken even tot bij mij komen.

Kort daarop was mijn vrouw terug in mijn kamer. Met de arts. Aan wie ik, nog opgewonden, het ganse verhaal deed, inclusief mijn argumentatie. De man vergoelijkte evenwel al lachend de verpleegster. Hij dacht allicht: "die patiënt is binnen twee dagen weg, maar met die verpleegster heb ik nog langer te maken." De arts wou de verpleegster niet sommeren mij toch voor enkele uurtjes in mijn rolstoel te zetten. Die reactie en houding maakten mij zo mogelijk nog bozer. En ontnamen me terstond alle vertrouwen dat ik tot dan toe in die specialist had. Dus zei ik hem dat, als het zo zat, ik niet langer in dat ziekenhuis wou blijven. En er vandoor zou gaan van zodra ik vervoer kon vinden.

De longarts zei me enkel schamper dat ik dan wel dat beademingsapparaat niet kon testen en mee naar huis nemen. Maar dat argument was niet krachtig genoeg om me op mijn besluit te doen terugkomen. De arts kon, wat mij op dat moment betrof, de pot op met dat toestel! En met die feeks van een verpleegster erbij!

Ik belde de vervoersdienst en kreeg geregeld dat ik de volgende dag kon worden opgehaald en naar huis gebracht. Mijn echtgenote verliet het hospitaal en toen 's avonds mijn ouders bij me op bezoek kwamen, gaf ik hen reeds het grootste deel van mijn spullen mee. Zodat het ziekenhuispersoneel de volgende ochtend enkel nog mijn toiletgerief en nachtkledij bij elkaar zouden moeten rapen en in een tas stoppen om met me mee te geven naar huis.

Zo verliet ik op donderdag 28 december 2006 het grote ziekenhuis, en liet me thuis brengen met het door mij bestelde, van een chauffeur voorziene rolstoelbusje.

Het door hoofdverpleegster Fatima in elkaar gestoken eindejaarsconcert, waarop ik was uitgenodigd en dat gepland was voor de volgende dag, op vrijdag, van 15u tot 16u, zou dus doorgaan zonder mijn aanwezigheid. Alsof dat ook maar iemand iets kon schelen.

Toen ik 's avonds thuis wat bekomen was, vroeg ik hulp om mijn tassen te ledigen en stelde ik vast dat men potverdorie was 'vergeten' om me mijn medicatie mee te geven! Dus diende mijn echtgenote die avond nog naar de kliniek te rijden om mijn slaappillen en andere medicatie op te halen. Bleek dat ze die gewoon bij hun voorraad hadden gevoegd! Terwijl dat medicamenten waren die ik van thuis uit naar het ziekenhuis had meegebracht!

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 8 september 2009)

14-06-09

Rudi's ontboezemingen - Blind geldgewin

 

Regelmatig krijg ik berichten in mijn mailbox waarin wordt gemeld dat men mij in contact kan brengen met dames, waar wél eens de ware voor mij tussen zou kunnen zitten. Hoe men er bij komt, dat ik daar naar op zoek ben en niet misschien reeds heb gevonden, is voor mij een raadsel. Nu ja, mijn gulzige prullenbak slikt deze berichten met graagte in.

Een kennis van mij heeft ooit eens via zo een 'dating site' een 'blind date' geregeld. Een regelrecht fiasco! Die jongen had een plaatsje gereserveerd, in een stemmig restaurantje. Een vrij exclusieve, en bijgevolg dure eetgelegenheid. Maar ja, die jongeman van tegen de dertig, had een goede job en kon zich dat permitteren. En wou met deze luxe dat bijna tien jaar jonger meisje imponeren. De jongedame, waarmee hij had afgesproken, kwam echter niet opdagen! Dus zat hij daar de ganse avond aan dat tafeltje, bij kaarslicht, en helemaal allen. Absoluut niet romantisch!

Achteraf heeft hij dan vernomen wat er was gebeurd. Via de chat, want toentertijd was de aankoop van een mobieltje slechts weggelegd voor rijke mensen, zakenlui en prostituees. Dat meisje waarvan sprake, had haar weg naar de plaats van afspraak niet gevonden. De jongedame, zo bleek, was immers blind! En haar geleidehond was net die avond van haar weggelopen! Met haar witte geleidestok in zijn bek!

Mijn kennis is na het 'lezen' van die uitleg niet meer bijgekomen... van het lachen! Zijn mama, gealarmeerd door het lachsalvo, en vervolgens het geluid van een klap, komend uit die jongen zijn slaap- annex studeerkamer, vond hem dubbelgevouwen van het lachen, naast zijn bureaustoel. Hij had zich daarenboven ook nog eens een breuk gelachen. En was er dus erg aan toe.

Uiteindelijk is mijn kennis met zware hoofdwonden opgenomen in het lokale ziekenhuis. Géén idee hebbend van wat er aan de hand was, had zijn mama immers om een ziekenwagen gebeld. Toen die arriveerde, was mijn kennis evenwel al wat bekomen. En de ambulancier van dienst, een potige kerel, kon er niet mee lachen dat hij voor niks was uitgerukt. Bovendien bleek die blinde date zijn nichtje te zijn! En vond hij derhalve het gebeurde helemaal niet grappig. Mijn kennis heeft dat geweten! En zal daar blijvend aan worden herinnerd, telkens hij in de spiegel kijkt en de littekens ziet op zijn gezicht.

Eind goed, al goed, evenwel. Dat meisje is mijn kennis komen opzoeken in het hospitaal. Dat ze probleemloos vond! Neen, die hond was nog niet teruggevonden, net zo min als haar geleidestok. Ze had gewoon haar bril afgezet. En wat bleek? Dat ze kon zien! Een beetje troebel, dat wel, maar ze zag! Door dat verbouwereerd meisje op de rooster gelegd, bekende haar pleegmoeder huilend, uit vrees voor de gevolgen van haar confessie, dat zij en haar drugsverslaafde man, het blinde meisje, dat dus helemaal niet blind bleek te zijn, van kleins af aan een donkere bril hadden opgezet, zodat iedereen dacht dat het lief kind blind was, en ze derhalve dubbel kindergeld konden opstrijken!

Gedane zaken nemen géén keer. De tijd terugdraaien gaat immers (voorlopig?) nog niet. Derhalve vergaf dat meisje haar pleegouders hun zonde, en stapte met mijn kennis de boot in. Hij was in die tijd immers matroos op een binnenschip. En zonder bril zag dat jong vrouwmens mijn kennis goed zitten. Allicht omdat haar zicht toch ietwat troebel bleef; Oh ja, inderdaad: ze leefden nog veel en kregen lange kinderen.

Rudi, 6 september 2008 (revisie op 14 juni 2009)

12-05-09

De avonturen van Rudi & Co - Weekendrelaas

 

We hebben alweer een bewogen weekend achter de rug. Bewogen in de betekenis die dat woord voor me heeft, sinds ik continue in een invalidenkarretje zit. Want vroeger lagen de criteria vooraleer er van opwinding sprake was, een stuk hoger. Maar vroeger is vroeger, en nu is nu. In onze dromen kunnen we weliswaar nog eens heuglijke feiten uit ons verleden herbeleven. Maar het is het heden dat het belangrijkst is, want daar leven we in.

Op zaterdagochtend werd mijn voetballende kroost op het voetbalveld van de eigen club verwacht, voor de laatste competitiewedstrijd van het seizoen. Drie kwartier voor de aftrap waren we ter plaatse. Terwijl mijn twee zoons de kleedkamer opzochten, hoopte ik de kantine binnen te geraken.

Gelukkig zagen enkele andere ouders me aankomen. Want niet alleen de deur moet voor me worden open gehouden. Twee maand na opening van de kantine is er bovendien nog steeds geen hellend vlak aangelegd. Dus elke keer dat ik het gebouw binnen treed of verlaat, moet iemand zijn of haar handen vuilmaken om daar een, door mij in de buurt gevonden plaat, in de deuropening te leggen.

De papa van één van mijn zoons' ploegmaatjes kon dat niet méér aanzien en bracht daarom een week of vier geleden zelf een stevige oprijplaat mee. Het enige dat men nog moest doen was ze aan de grond bevestigen. Ze staat daar, ongebruikt, naast de deur. Toen die vader op zondag iemand van de verantwoordelijken hierover interpelleerde, kreeg hij als antwoord: "We hebben nog wel andere dingen te doen, hoor!

Terug naar zaterdag. Toen volgens mij en mijn horloge het moment van spelen was aangebroken, hield ik de scheidsrechter staande. Die man wist me te vertellen dat de tegenstrever nog niet was gearriveerd. "Misschien zijn ze naar de oude terreinlocatie gereden" werd door iemand geopperd. Waarom men, in tijden waar zelfs een klein kind met een mobiele telefoon rondloopt, niet trachtte de club van de tegenstrever per GSM te bereiken, is me een raadsel.

Een half uur nadat de aftrap had moeten gegeven zijn, had er dan toch iemand het initiatief genomen om de telefoon ter hand te nemen en te bellen. En kwam men zo te weten dat de tegenstrever niet genoeg spelertjes bij elkaar had gekregen, en daarom maar had beslist om thuis te blijven. Zonder te verwittigen!

Raar volk in die voetbalclubs, als je het mij vraagt. De moderne communicatietechnieken zijn klaarblijkelijk nog niet tot in die kringen doorgedrongen. In kerkelijke middens is dat dus wel het geval. Want die middag werd me, via mijn mobieltje, gevraagd of mijn kinderen die avond konden invallen als misdienaar, voor een jongen die ziek was. Meegaand als ik ben, stemde ik natuurlijk in.

Dus zat ik daar in de late namiddag, in plaats van aan de open haard in mijn huis, warm ingeduffeld in de kille kerk. Mijn kinderen dienden een pastoor, die blijkbaar inviel voor onze eigen pastoor. Of die laatstgenoemde ziek, op retraite, op reis, of waar dan ook was, kwamen we niet te weten.

De celebrant leidde de dienst net iets anders dan de parochianen gewoon zijn, waardoor één en ander niet volledig vlekkeloos verliep, maar niemand maalde daar om. Wat mij wel pissig maakte was het feit dat die priester mij de communie niet gaf. Ik floot even, maar hij hoorde mij niet. Mijn zoon moest die vent tot bij mij sturen.

"Het lichaam van Christus," zei hij. Waarop ik antwoordde: "'t zal tijd worden." Ze prediken potverdorie dat de gelovigen oog en oor moeten hebben voor hun naaste, en vooral voor dezen die ziek zijn of een handicap hebben. Maar zelf zien ze iemand die in een rolstoel zit, niet eens staan! Vergetelheid? Menselijk? Vergeet het! Schijnheiligheid noem ik dat, en een verkeerd voorbeeld voor iedereen. En denk je dat zo een klojo zich naderhand komt verontschuldigen? Vergeet het! Die ziet niet eens in hoe vernederend zijn gedrag is voor degene die er het slachtoffer van is.

Op zondag stonden we alweer op een voetbalveld. Voor een tornooi van vier wedstrijden. En alweer had een ploeg forfait gegeven. En het team waar de kinderen de dag voordien hadden moeten tegen spelen, was er nu wel, maar ze speelden in een andere reeks. Ik trek me van alle heisa rond zulke organisaties weinig aan. Zo lang mijn zonen maar tevreden zijn en de kans krijgen om hun favoriete sport te beoefenen.

In de kantine van de gastclub kon ik natuurlijk ook niet binnen, maar twee mannen waren onmiddellijk bereid enkele planken bij elkaar te zoeken, waarmee ik mij, met de hulp van enkele andere spelersvaders, kon behelpen. Het werd wel een lange dag, want we waren al ter plaatse voor de middag, en moesten tot zeven uur 's avonds wachten om terug huiswaarts te keren. Eerder kon het rolstoelvervoer ons niet afhalen. Zo gaat dat, als je voor je mobiliteit afhankelijk bent van derden.

's Avonds keek ik op Canvas naar Panorama, waarin men een Amerikaanse reportage uitzond over leningen tegen woekerintresten. Misschien moet ik bij ons maar eens op zoek gaan naar zo een bureau, om de financiering van een eigen busje te bekostigen. Ik zal dan uiteindelijk de helft méér uitgeven dan het basisbedrag, maar zo geraak ik dan tenminste toch aan de centen. Want met bidden alleen kom ik er allicht niet. Dat levert me slechts ternauwernood een hostie op. Was het gisteren wat minder koud geweest en had het niet geregend, dan had ik misschien een persoonlijke 1 mei optocht gehouden met de eis: 'iedere rolstoeler een eigen camionette!'

Ru(sh)di(e), 2 mei 2006 (revisie op 11 mei 2009)

11-05-09

Rudi’s overdenkingen - Vooringenomenheid

 

Vooringenomenheid is een kwalijke karaktereigenschap. Personen beoordelen op basis van hun uiterlijk, hun afkomst of geruchten die over hen de ronde doen, is verwerpelijk. Ik heb de jammerlijke pech in deze materie een onderlegd ervaringsdeskundige te zijn.

Sinds ik als prille twintiger van onder mijn ouders' vleugels kon vandaan komen, heb ik mijn haren laten groeien naar het voorbeeld van Jezus Christus. Nu ja, eigenlijk had God's enig geboren zoon niks met mijn keuze te maken. Ik voel me gewoon het prettigst met lange manen. Wat ik evenwel nooit begrepen heb, is dat vele van die vrome Christenen, die dat langharig personage aan het kruis aanbidden, mijn lange haartooi verwerpelijk vinden. Een langharige waarvan men gelooft dat hij mirakels kon verrichten, is een goeie. Iemand die goed studeert, hard werkt, maar géén mirakels op zijn actief heeft staan, is tuig. Dat is hetgeen ik daaruit concludeer, maar ook helemaal niet begrijp.

En sinds ik in een rolstoel zit, moet ik constant ervaren dat de grote massa er van uitgaat dat iemand die niet meer op zijn of haar benen kan staan, ook geestelijk niet meer functioneert. Het zijn potverdorie zij, die dat denken, wiens psyche stilligt! Maar maak het hen maar eens wijs. Tracht hen daar maar eens van te overtuigen. Als het aanwezig is, zit de vooringenomenheid er zo ingebakken, dat je het niet zomaar uit die mensen hun hoofd krijgt.

Ook ten overstaan van mensen met een andere huidskleur bestaat er heel veel vooringenomenheid. In Afrika ziet men de blanke man (en vrouw) doorgaans als een rijke stinkerd, die bij hem of haar thuis in Europa of Amerika, het geld maar voor het rapen heeft, zonder er arbeid voor te moeten verrichten.

En hier bij ons, in West Europa, worden mensen met een donkerbruin kleurtje nog al te vaak aanzien als gelukzoekers, die van onze sociale voorzieningen komen profiteren. Die zijn er ongetwijfeld ook, maar dat is een minderheid. En personen met een lichtbruine huidskleur en kroezelig haar, zijn helemaal de kop van jut. Want die krijgen, zonder onderscheidt het etiket 'Marokkaan' of 'Noord-Afrikaan' opgeplakt. En meteen gestigmatiseerd als crimineel. Nu zijn er wel problemen met bepaalde groepen jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst, maar om daarom iedereen met zo een uiterlijk over dezelfde kam te scheren, dat gaat veel te ver!

Mijn echtgenote is van West-Afrikaanse oorsprong. Donderbruin dus. En nog dikwijls verbaas ik mij erover hoe mensen tegenover haar reageren, uitsluitend omwille van haar huidskleur. Ofwel wordt ze genegeerd, ofwel wordt ze geviseerd. Om een voorbeeld te geven: het gebeurt dat ze in een groep staat, waar iemand bijkomt. Iedereen wordt door deze persoon begroet en krijgt een hand, behalve dat zwartje. Alsof zij géén mens is en géén gevoelens heeft. Nog een voorbeeld: in de supermarkt stoot zij met haar karretje per ongeluk iemand aan. Nog voor ze zich kan excuseren krijgt ze een lading verwensingen over zich heen, die helemaal niet in verhouding staat tot de omvang van het gebeurde. Maar ja, de aangestoten persoon heeft mijn eega haar huidskleur gezien. Het is een 'vreemde', dus zal ze het wel expres hebben gedaan!

Onze kinderen hebben een lichtbruine huidskleur. Als gevolg daarvan worden zij dikwijls verkeerdelijk aanzien als Noord-Afrikanen en dienovereenkomstig per definitie als boefjes bejegend. Ontelbaar zijn de keren dat zij onterecht als aanstokers werden aangeduid bij conflicten waar ze dikwijls niet eens bij betrokken waren. Ik heb het in een warenhuis meegemaakt, dat één van mijn zoons zogezegd op heterdaad werd betrapt met een artikel waar ik, die enkele gangen verder rondreed, de jongen had omgestuurd. Dezelfde jongen werd, in een andere grootwinkel, eens door het personeel op de vingers getikt, terwijl hij de pakjes chips, die een groepje andere jongeren had laten vallen, terug in de rekken legde.

Het gebeurde meermaals dat blanke ouders met hun blanke kroost vertrokken, op het moment dat mijn kinderen op een speelpleintje arriveerden, een springkasteel betraden of in het ballenbad doken. Vooringenomenheid leidt tot onverdraagzaamheid, discriminatie en racisme.

Uiteraard kan men voor iedere vorm van onverdraagzaamheid op zoek gaan naar de oorsprong ervan. En die is inderdaad wel, minstens deels, te wijten aan het gedrag van bepaalde individuen uit de geviseerde groep. Maar deze gebruiken als vergoelijking voor dit foute gedrag en denkbeeld, daar ben ik het totaal niet mee eens. Ieder persoon moet er naar streven elke soortgenoot met een open geest te benaderen. Hoe moeilijk dat bij tijd en wijl ook mag zijn.

Ru(sh)di(e), 1 mei 2006 (revisie op 7 mei 2009)

09-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - voertuigperikelen en andere ervaringen

 

Mijn middelbare schooltijd bracht ik door op een tamelijk grote school. Nogal wat leerlingen kwamen daar met de fiets naar school. Derhalve waren een aantal oude fabrieksgebouwen tegenover de school, aangekocht door de inrichtende macht van deze onderwijsinstelling, en ingericht als fietsenbergplaats.

Op zekere dag liep ik, na schooltijd, met enkele van mijn klasgenoten, druk pratend en in een uitgelaten stemming, richting fietsenstalling. Mijn makkers hadden al snel hun fiets te pakken, riepen nog iets ten afscheid en bolden naar buiten, huiswaarts.

Ik daarentegen liep voor de zoveelste keer alle gangen op en af, zonder mijn rijwiel te vinden. Iedereen haalde zijn fiets van de haak waaraan deze was opgehangen, zodat de opbergplaats vrij snel leeg begon te raken. Slechts enkel hier en daar was nog een opgehangen fiets te bemerken en de eigenaar die zich er heen bewoog.

Ik begon lichtjes in paniek te geraken. Tot ik mij dan toch herinnerde die dag met de bromfiets naar school te zijn gekomen. En dat gemotoriseerd stalen ros had ik aan het station geparkeerd.

Tja, zoiets kan gebeuren als je een verstrooid persoon bent, in het bezit van een derdehands motorvoertuig, dat meer op stal staat omwille van alweer een panne, dan dat je er gebruik van kan maken om je te verplaatsen.

Dat was trouwens nogal eens een tijd. Telkens als ik er met mijn brommer op uit trok, nam ik een heel arsenaal werktuigen en hulpmiddelen mee. Weggestopt in de ruimte onder mijn zadel, en in de zakken van mijn motorvest. Schroevendraaiers, een els, een bougiesleutel. Schuurpapier, een stuk ijzerdraad en reservelampjes. Die laatste had ik dikwijls nodig want mijn bromfietslampen sprongen nogal gewillig. Geregeld stond ik aan de kant van de weg te prutsen aan mijn machine. Maar altijd ben ik er mee thuis geraakt!

Als prille twintiger kon ik me gelukkig de aankoop van een nieuwe auto permitteren. Niks wees er toen op dat ik tien jaar later ook gedurig aan dit voertuig zou moeten sleutelen om het op de baan te houden. Maar dat is een ander verhaal. Voor een volgende keer.

Gedurende zowat een half jaar betrok ik met mijn vriendin een appartement in een Belgische provinciehoofdstad. Op zekere doordeweekse avond, besloten we naar de bioscoop te gaan. We reden met de auto vanaf onze verblijfplaats in de randstad, tot in het centrum.

In de centrumstraten vond ik niet meteen een parkeerplaats. Daarom reed ik binnen in een ondergrondse parkeergarage, in de buurt van het station. We kozen een aardige film uit. Welke dat was, kan ik me niet meer herinneren. Allicht viel ik, als naar gewoonte, halverwege de vertoning in slaap. Niet uit verveling, maar van vermoeidheid. Toentertijd had ik immers een bijzonder druk beroepsleven.

Na de film was ik in ieder geval klaarwakker, want ik stelde mijn partner voor om ergens in een café nog een slaapmutsje te gaan drinken. Toen ik een tweede drankje bestelde, attendeerde mijn vriendin me op het sluitingsuur van de ondergrondse autostalling. Ik was er echter van overtuigd dat die voor middernacht niet dicht ging.

Toen we een half uurtje later de gezellige, warme kroeg verlieten en we in de koele avondlucht terechtkwamen, overviel me een onheilspellend gevoel. Samen met mijn liefste spoedde ik mij door de verlaten straten, in de richting van de parkeergarage.

Het geluk lachte ons toe... dacht ik. Een auto kwam uit de garage gereden. De laatste voor die avond, zo werd even later duidelijk. Wij geraakten er niet méér binnen, laat staan dat ik de auto er buiten zou krijgen. Ik had me wel degelijk vergist. Op weekdagen was deze publieke garage bijlange na niet zo lang open als in het weekend, het moment waarop ik er dikwijls gebruik van maakte.

Dan maar met de tram naar huis, zei mijn partner. De auto stond daar veilig. We zouden die de volgende dag wel komen ophalen. Er zou wel veel moeten betaald worden, maar er zat niks anders op. We haastten ons dus in de richting van de dichtstbijzijnde tramhalte. Wat een geluk: daar stond net een tramstel. Maar tegen het moment dat we er aankwamen, was dat helaas al terug doorgereden.

En het was onze laatste kans geweest, zo bleek bij het overlopen van het in het tramhokje opgehangen rittenrooster. Er zat dus niks anders op dan te voet naar huis te keren. Dat had uiteraard ook zijn charme. We hadden onze avond evenwel liever op een andere manier afgesloten.

De volgende ochtend waren we vroeg uit de veren. We namen aan de halte, vlak voor onze deur, de tram naar het centrum en reden een dik half uur later met de auto de parkeergarage uit.

In zo een grote stad zie je trouwens soms rare dingen gebeuren. Zo zat ik eens op een zondagochtend in de auto te wachten, terwijl mijn partner bij de bakker stond aan te schuiven voor broodjes. Ik had er eerst géén erg in, maar toen ik op een raam een foto zag hangen van een halfnaakte dame met pluimen in haar achterste, realiseerde ik me dat we ons in een buurt bevonden waarin nogal wat cabaretzaken zijn gevestigd. Dat zijn trouwens veelal verdoken bordelen. Weet ik 'van horen zeggen'.

Plots zag ik daar, op de eerste verdieping van zo een etablissement, een raam open gaan. Een schichtig kijkende kerel verscheen in het vizier. Met zijn jas in de hand. Hij keek snel naar links en rechts, en vervolgens naar onder. Toen gooide de man één been naar buiten en wrong daarna ook zijn tweede been door de raamopening, zodat hij op de vensterbank kwam te zitten. Eén tel later duwde hij zich af en belandde meteen daarna op het trottoir.

De kerel stelde zich recht, stofte zijn kleren af en deed zijn jas aan. Hij keek nog één maal rondom zich en dan naar de gevel en het raam waarlangs hij het gebouw had verlaten. Vervolgens ging de man er haastig van door. De vraag of naderhand de achtervolging werd ingezet door iemand van het variététheater, moet ik helaas onbeantwoord laten, want inmiddels was mijn lief daar al, met een zak zalig ruikende verse broodjes, die we zo snel mogelijk thuis wilden gaan verorberen.

Ru(sh)di(e), 23 april 2006 (revisie op 1 mei 2009)

07-05-09

Rudi’s overdenkingen - Rijkswacht, politie, justitie & (on)gerechtigheid

 

Vorige week ontving ik een bruine envelop met als afzender het Parket van de procureur des Konings. Het angstzweet brak me uit! Wat voor nare tijding zou hier weer uit te voorschijn komen? Van een foutieve bestelling door de postbode was in alle geval geen sprake. In sierlijke letters stond wel degelijk mijn adres op de envelop geschreven.

Het viel nog mee! In de envelop bleek een brief te steken met een antwoord op mijn schrijven van een viertal maanden ervoor. Ik had daarin de heer procureur verzocht me te melden hoe ver het onderzoek stond inzake een verduistering van goederen, waarvan ik het slachtoffer was. Feiten die dateren van medio oktober 2000 en waarvan ik sinds het neerleggen van de klacht niks meer had vernomen.

En nu liet de voornoemde mij via zijn adjunct secretaris weten dat hij de eer had mij mede te delen dat hij besloten had het dossier te seponeren. De reden van deze beslissing: andere prioriteiten bij vervolgings- en opsporingsbeleid! Zo staat dat daar, zwart op wit. Voor zover mij bekend werd geen enkele onderzoeksdaad verricht, en dat terwijl de dader bekend is!

In die brief staat nog dat mij toestemming wordt verleend tot inzage van het strafdossier. Maar wat heb ik daar aan? Kosten maken voor een zaak die ik reeds heb verloren?

Een andere nare kennismaking met politie en gerecht betreft een voorval van een tiental jaar geleden. Op zekere dag stapten in mijn computerzaak twee individuen binnen. Een kleine geblokte en een lange magere. Neen, geen grap, geen verborgen camera; dit is realiteit!. De twee jongemannen stelden honderduit vragen en kochten voor een relatief beperkt bedrag aan computeronderdelen. Ze betaalden met een zakencheque, wat me niet verwonderde, want ik had door de etalageruit gezien dat die twee zich met een busje verplaatsten. En ze waren nogal sjofel gekleed, alsof ze op dit late namiddaguur recht van een bouwwerf kwamen. De leveringsbon werd getekend en ik noteerde tevens hun beider naam en adres, met het oog op het hen toesturen van mijn periodieke infofolder.

Een dikke week later werd het eerder bijgeschreven bedrag van de cheque, terug van mijn rekening gehaald. Reden: geen provisie! Ik vroeg de cheque op bij mijn bank en achterhaalde naam en adres van de uitschrijver. Vervolgens was het een koud kunstje om bij de inlichtingendienst van de telefoonmaatschappij het telefoonnummer van de betrokkene te achterhalen.

De man die mijn oproep beantwoordde kwam met de melding dat zijn cheques een week of twee eerder werden gestolen. Hij vond het vreemd dat iemand met één ervan handelswaar had gekocht in mijn winkel.

Hup, ik met cheque, leveringsbon en alle informatie die ik had naar de Rijkswacht, omdat ik van mening was dat ik bij hen nog het best af zou zijn om resultaat te boeken. Ik werd ontvangen door een vriendelijke inspecteur aan wie ik de bewuste cheque overhandigde. Het object werd onmiddellijk in beslag genomen. De inspecteur luisterde naar mijn verhaal en typte er op zijn computer een verslag over neer in een Proces verbaal, met vermelding van alle details die ik ter beschikking had.

Maanden, mogelijks zelfs een jaar, later, werd ik opgebeld door iemand van de Rijkswachtzone waarin de eigenaar der cheques zijn woonplaats had en die zodoende deze zaak in handen had. Of ik eens bij hen langs kon komen? Omdat dat voor mij niet onmiddellijk mogelijk was, werd voorgesteld dat zij zelf tot bij mij zouden komen. Daar kon ik uiteraard niks op tegen hebben.

Nog diezelfde dag stonden er twee vriendelijke Rijkswachters in mijn zaak. Ze hadden het volledige dossier mee, waaruit ze enkele foto's haalden. Of die personen me bekend waren? Ik antwoordde ontkennend. Dat verbaasde hen niks. Het waren foto's van de personen die beantwoorden aan de naam- en adresgegevens die de uitschrijvers van de gestolen cheque me hadden opgegeven. Valse data dus. Die mensen waren ondervraagd geweest door Rijkswachters van alweer een ander district en de uitgetypte verslagen daarvan waren opgenomen in het dossier dat daar op mijn receptietoog lag. Zij bleken met de ganse zaak geen uitstaans te hebben. Ik was trouwens niet het enige slachtoffer van de oplichterij. Bij een hele reeks handelaars langsheen de weg waar ook mijn zaak was gevestigd, en die door meerdere gemeentes loopt, werden diezelfde dag aankopen gedaan met gestolen cheques.

Ik vroeg aan de heren van de Rijkswacht of ze de eigenaar van die cheques hadden ondervraagd. En of ze van die persoon geen foto bij zich hadden? Op beide vragen volgde een ontkennend antwoord. Misschien zat die kerel er zelf wel voor iets tussen, opperde ik. Want hij had toch wel eigenaardig gereageerd toen ik hem aan de telefoon had. Zover hadden de mannen van de Rijkswacht nog niet gedacht.

Een week of zo later, het kunnen er ook twee geweest zijn, kreeg ik weer een Rijkswachtinspecteur aan de lijn met de vraag of ze nog eens langs mochten komen met wat foto's. Ik had daar uiteraard niks op tegen. Een uur later reed een Rijkswachtcombi mijn parking op en even later stonden terug die twee Rijkswachters voor me. Met een A4-blad waarop met heel wat goede wil, kris kras door elkaar, zwart-wit kopijen vielen te ontwaren van diverse manspersonen. Of ik in één van de afgebeelde figuren, één van de personen herkende die toentertijd in mijn winkel waren geweest? Die kleine zag ik onmiddellijk, van die grote was ik niet zeker. Toch juist gezien! De uitschrijver van de cheques was de eigenaar ervan! Die had 's ochtends aangifte gedaan van diefstal van zijn cheques en ze vervolgens de rest van de dag op diverse plaatsen verzilverd.

Die kerel was trouwens niet aan zijn proefstuk toe, zo werd me gezegd. Hij bleek al één en ander op zijn kerfstok te hebben. Een ware beroepsmisdadiger. En bovendien moeilijk te klissen. De Rijkswachters zegden me dat, zolang ze géén materiële bewijzen hadden, ze die kerel niet tot een ondervraging konden dwingen. Ze nodigden die uit voor een ondervraging in het kader van een onderzoek, maar zulke kerels stuurden meestal hun kat en oppakken bleek niet te zijn toegestaan.

Toen ik op zeker moment bericht kreeg dat de zaak voor de rechtbank van eerste aanleg kwam, heb ik die tijding gewoon naast me neergelegd. Kosten maken voor een (dure) advocaat en een hoop administratie om iets dat waarschijnlijk toch op niks zou uitdraaien? Mij niet gezien! Het klungelige onderzoek had mijn vertrouwen in Rijkswacht, politie & justitie geen deugd gedaan.

Van méér recent dateert de kwestie rond een strafklacht met burgerlijke partijstelling. Mijn raadsman legde die klacht neer bij de procureur begin mei vorig jaar. Kort daarna stonden twee politieagenten aan mijn deur om dit te verifiëren. Dat gaat goed, én snel, dacht ik. Wat ik minder vond was dat ik aan mijn advocaat een provisie moest betalen, die hij diende door te storten aan het parket, want zonder centen beginnen die onderzoekers niet aan hun werk, zo werd me gemeld. Dus wie arm is kan via justitie geen gerechtigheid bekomen?

Toen ik begin dit jaar nog steeds niet het genoegen (?) had gehad een onderzoeksrechter bij me over de vloer te krijgen, informeerde ik bij mijn raadsman naar de stand van zaken. Bleek dat de procureur geweigerd had de strafklacht ontvankelijk te verklaren, omdat de zaak volgens hem was verjaard!

Inmiddels had mijn advocaat een specialist ingeschakeld om met bewijzen van het tegendeel voor de dag te kunnen komen en was hij zelf op zoek gegaan naar precedenten. In een omstandige brief werd dit alles ongeveer een maand geleden aan de procureur bezorgd als bewijs dat hij fout was! En nu maar wachten op actie. Waar gaat dat heen?

Vertrouwen in justitie? Gerechtigheid? Ik geloof er al lang niet meer in!

Ru(sh)di(e), 6 april 2006 (revisie op 27 april 2009)

04-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - Vrome Christen mens

 

Een held ben ik hoegenaamd niet. Soms gedraag ik me evenwel als één. Mijn rechtvaardigheids- en eergevoel zijn immers véle keren groter en sterker dan mijn lafheid. Dat is altijd al zo geweest en het zal waarschijnlijk steeds zo blijven.

Zo was ik op zeventienjarige leeftijd, op een zaterdagavond, als naar gewoonte, met mijn vrienden en vriendinnen aanwezig op een fuif, in een buurtgemeente van de stad waar ik toen woonde en trouwens nog steeds woon. De organisatie was in handen van een professionele mobiele muziekstudio, die ook de lichtshow verzorgde. Het gebeuren vond plaats in een sporthal, die bijna wekelijks werd verhuurd voor de inrichting van wat wij toen noemden 'TD's.'

Na enig dansen op de dansvloer ging ik met enkele vrienden voor het podium staan, waarop de muziekinstallatie stond opgesteld. Vanuit die positie hadden we een excellent zicht op wat er zich op de dansvloer afspeelde en konden we bovendien meisjes spotten, met wie we later die avond wel eens een trage wilden dansen. We stonden daar eigenlijk nog maar net, toen één van de deejays aan de ganse rij vooraan kwam verzoeken om niet meer op het podium te gaan zitten of er tegen aan te leunen. Blijkbaar waren enkele jongens even daarvoor nogal wild te keer gegaan, wat problemen veroorzaakte met de naalden van de platenspelers. Toentertijd werden immers nog steeds vooral vinylschijfjes gedraaid.

Sommige jongeren gingen elders staan. Mijn vrienden, ik en een aantal anderen zetten gewoon een flinke stap vooruit. Een roodharige kerel, van naar ik schatte vooraan in de twintig, en daarmee een flink stuk ouder dan het gros der fuifbeesten, die ik even daarvoor had opgemerkt, leunend tegen het podium, kwam zwalpend op me af. Met dubbele tong, als gevolg van overmatig drankgebruik, zei hij dat ik van het podium weg moest gaan. Ik repliceerde dat ik het podium niet aanraakte. En, om hem dit als het ware aan te wijzen, keek ik in de richting van de leegte tussen mijn corpus en het podium. Op het moment dat ik mijn gezicht langzaam terugdraaide, haalde hij uit met zijn rechtervuist en een tel later incasseerde ik een flinke mep op mijn linkerwang. Het duizelde even voor mijn ogen en ik wankelde op mijn benen.

Mijn eerste gedacht was om die kerel terug te slaan. Ik maakte zelfs aanstalten daartoe, maar mijn vrienden hielden me tegen. Die kerel lachte inmiddels schamper en liet uitdagend zijn vuisten zien. Nagenoeg iedereen die op de fuif aanwezig was, troepte samen rondom ons. Mijn grijze hersencellen, licht beneveld door de enkele glaasjes bier die ik die avond reeds had gedronken, trachtten een oplossing te bedenken om een einde te maken aan deze voorstelling, zonder de avond helemaal te bederven.

Die andere ook een klap geven betekende geheid oorlog. Droop ik af, dan zou ik een enorm gezichtsverlies lijden en in de toekomst de boksbal zijn van elke klootzak die zich eens wou uitleven. Gelukkig kreeg ik de fantastische ingeving om me uit de handen van mijn vrienden los te werken, uitdagend voor die kerel te gaan staan en hem stoer, met de kin omhoog, mijn andere wang aan te bieden, door er met mijn rechter wijsvinger naar te wijzen. Mijn aanpak werkte: die kerel droop grijnzend af.

De volgende ochtend, in de praktijk reeds enkele uren na mijn avondje uit, woonde ik, devote Christen, slaapdronken de vroegmis bij in onze dorpskerk. Op zeker moment hoorde ik de celebrant volgende woorden uitspreken: "Jezus zegt: 'als iemand je een klap in je gezicht geeft, biedt hem dan ook de andere wang aan.'" Meteen was ik klaarwakker.

De voorganger vervolgde: "Want is er een krachtiger manier om de werkelijkheid van deze wereld te ontkennen dan door je andere wang aan te bieden? Je zegt dan: 'een klap in mijn gezicht is niet belangrijk. Met mij, het bewustzijn van liefde, is niets gebeurd. En dus is de klap niet belangrijk.' En zo vergeef jij je broeder die nog niet zoveel weet als jij, en ben je in staat om, ondanks de klap, met hem in éénheid te treden. Is er een krachtiger manier dan dit om deze wereld te ontkennen en je zo klaar te maken voor de wereld van God?" Ik dacht: "Allé, als het van God, Jezus en onze pastoor afhangt, ben ik dus goed bezig!"

Een tweetal weken later was ik terug aanwezig op een fuif, in dezelfde gemeente, op dezelfde locatie en met alweer dezelfde mensen die voor de muzikale omlijsting zorgden. Ik was, vlak naast de dansvloer, gezellig met enkele vrienden aan het babbelen, toen ik ineens die rosse terug op me af zag komen. Ik hield mij aanstonds gereed om een aanval af te slaan en balde mijn vuisten om zelf meppen uit te kunnen delen, want ondanks alles zou ik me deze keer niet laten aftroeven. Liever een slechte Christen, dan een goeie met een blauw oog of een bloedneus.

Die man, blijkbaar nuchter deze keer, opende echter zijn armen, toverde een brede glimlach op zijn gelaat en kwam zo tot vlak voor me staan. Hij nam me vast en bracht zijn hoofd dicht tot bij het mijne. Even vreesde ik dat het voorgaande show was geweest om me nu een flinke kopstoot te kunnen verkopen, maar die vrees bleek ongegrond. Die kerel hield met zijn beide handen mijn bovenarmen stevig beet, terwijl hij, boven de muziek uit, in het plaatselijke dialect, in mijn oor brulde: "Jij bent mijn vriend, hé?! Jij bent mijn vriend!", waarna hij mij enigszins verbaast achterliet en als gelukzalig knikkend zijn eigen kliekje opzocht. De man heeft mijn vrienden en mij daarna nooit meer lastiggevallen.

Ru(sh)di(e), 24 januari 2006 (revisie op 27 april 2009)

03-05-09

De avonturen van Rudi & Co - alweer een deel

 

Sinds zowat driekwart jaar oefen ik, met de hulp van een logopediste, mijn adembeheersing en spreekkwaliteit. Door die verlamming bedraagt mijn longcapaciteit immers slechts de helft van wat het voor een persoon van mijn leeftijd en gestalte zou moeten zijn, en nu tracht ik daar door oefenen en het gebruik van spreektechnieken, het maximale uit te halen.

Tijdens die stemoefeningen bleek dat ik een spraakgebrek heb. Ik was me daar totaal niet van bewust. Niemand heeft het me ooit gezegd en zelf had ik er blijkbaar nooit op gelet. Sommige letters spreek ik soms verkeerd uit: 'S' in plaats van 'Z', 'F' waar het 'V' moet zijn, en zo meer. En blijkbaar ben ik niet de enige die zulks doet.

Gisteren woonde ik, samen met mijn zoons, de eucharistieviering bij in de kerk, gelegen in het centrum van onze woonplaats. De celebrant had het er in zijn homilie over dat het tijd wordt dat gelovigen terug durven uit te komen voor hun overtuiging. Dat ze het Woord van Jezus Christus uitdragen, en dat, en hij herhaalde het een aantal keer: in naam van de 'Geilige Geest'!

Woensdag jongstleden was ik in het voetbalstadion van 'Sporting Lokeren'. Ik volgde de wedstrijd van de thuisploeg tegen Sint-Truiden in de 1/8 finale voor de 'Beker van België'. De kinderen had ik thuis gelaten, want op een schooldag horen die in bed te liggen op het uur dat de match aanving, zijnde acht uur 's avonds. Lokeren won de wedstrijd, met nogal wat geluk, en stoot als gevolg daarvan door naar de kwartfinales, waar het zal moeten optornen tegen provinciegenoot Gent.

Dat voor wat het sportieve gedeelte van de avond betreft. Ik wil immers melding maken van een incident dat plaatsvond naast de grasmat. Omdat er elders geen plaats voor me is, had ik naar gewoonte plaatsgenomen in de dug-out naast deze van de bezoekende club. Voor wie dat niet kent: een dug-out is een schuilhok met daarin (klap)stoelen, waarop doorgaans trainer(s), dokter, verzorger(s) en wisselspelers plaatsnemen, zodat ze enigszins beschut zijn tegen koude, regen en wind. In Lokeren hebben ze er dus ook zo eentje voor de 'mindervaliden'.

Toen ik arriveerde zaten er in 'het onze' reeds enkele mensen. Een oude heer in een manuele rolstoel, een valide oudere dame die zichzelf opwerpt als verantwoordelijke voor wat er in het invalidenschuilhok gebeurt en haar mentaal gehandicapte zoon van naar ik schat een jaar of vijfenveertig. Nadat ik hen gedag had gezegd en plaats had genomen voor de klapstoeltjes, kwam daar nog een dame bij met haar fysiek en mentaal beperkt zoontje, en wat later ook een jongeman met een meervoudige handicap, allen habitués.

Net voor de rust stond daar ineens die man in zijn rolstoel naast me. Die wou waarschijnlijk naar het toilet. Hij vroeg me plaats te maken, zodat hij me op de betonstrook kon passeren. Ik zag niet direct een uitweg, plaatste me een beetje schuin, zodat hij toch kon passeren, zonder op het gras te moeten rijden. Toen hij een minuut of vijf later terug kwam, ze ik: "Wacht, ik rij vooruit, dan heb je méér plaats om te passeren", maar die vent wou blijkbaar niet luisteren, want voordat ik mijn machine in beweging had gezet, reed hij me al voorbij: zijn twee linkerwielen op de betonstrook, zijn rechterwielen op het gras. Toen hij het betonvak wou oprijden, bleef zijn rolstoel steken. De man sloeg in paniek - voor zoiets idioots! - en riep om hulp. De zoon van de 'bazin' snelde meteen toe en duwde de oude in zijn kar het beton op.

Maar daar hield het niet bij op. De zoon keerde zich met een op onweer staand gezicht tot mij en brulde: "Niet profiteren, hé! Ik zal het zeggen tegen de bazen, hoor!" Ik waande me even in een kleuterschool. Ik wachtte even, verwachtend dat moeder hem tot de orde zou roepen, maar toen dat niet gebeurde, repliceerde ik dat hij zijn manieren en mond moest houden, en dat hij, als het hem niet aanstond, maar thuis moest blijven. Maar dat drong, zo denk ik, niet tot hem door.

Nu heb ik absoluut niks tegen mensen met een beperkt geestelijk vermogen. Ze kunnen er meestal zelf niet aan doen dat ze zo zijn. Maar dat geeft hen mijns inziens niet het recht om andere mensen te ambeteren. En als men weet dat zij zelf geen controle hebben over hun gedrag, dan moet hun begeleider hen maar in toom houden.

Tijdens de rust reed ik naar die man in zijn rolstoel toe en zei hem in het vervolg te wachten tot ik plaats maak, vooraleer me te passeren. De man zei dat hij me toen niet had verstaan. De moeder en de zoon, die naast de man zaten, hielden zich stil. Ik zweeg ook, want ik had geen zin in nog méér commotie. De meervoudig beperkte jongen kwam na de rust niet meer tussen ons zitten. Die nam plaats op een stoeltje, wel tien meter verder. Die vreesde allicht voor nog méér opschudding.

Ik kwam reeds eerder in aanvaring met het volk dat doorgaans de invaliden dug-out bemand. Ze zitten daar de lucht te bezoedelen met hun rookwaar, slaken oerkreten en zijn als de dood voor 'de bazen van boven': de voorzitter en zijn gevolg'. Maar als mijn zoons wat kabaal maken met hun claxons, beginnen ze te zagen. En als mijn rakkers wat staan te springen en meezingen met de leden van de spionkop, dan klagen ze ook dat ze niks zien en zijn ze, onterecht, bang dat de 'bazen van boven' hun ganse groep buiten het hek zal zetten.

Gelukkig gebeuren er ook wel eens leuke dingen als ik me onder de mensen begeef. Zoals op tweede Kerstdag, toen ik met mijn gezin een Kerstfeestje bijwoonde. We hadden ons net geïnstalleerd aan een tafeltje, toen iemand zachtjes op mijn arm tikte. Ik keek op en zag een klein meisje staan. Ze zei glimlachend "Dag mijnheer" en wuifde me toe met het handje dat me even voorheen had aangeraakt. Ik beantwoordde haar groet breed glimlachend. Ze huppelde olijk weg. Mijn echtgenote vroeg me of ze een reden had tot ongerustheid. We barstten samen in lachen uit.

Het is eens iets anders, die aandacht van kleine meisjes. Tot voor kort waren het vooral dames van rijpere leeftijd die me aandacht schonken. En ik nam daar genoegen mee. Maar daar is recentelijk dus verandering in gekomen. Zo kreeg ik eind december Kerstkaartjes van twee klasgenootjes van mijn zoons. Omdat ze weten dat ziek zijn niet leuk is en ze hopen dat ik spoedig weer beter word. IJdele hoop, helaas, maar hun gebaar ontroerde me wel. Kindjes van acht, die oog hebben voor het leed van een medemens. Het stemt me hoopvol voor de toekomst.

Ru(sh)di(e), 24 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)

29-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Heel goede en erg kwade dagen

 

Enkele dagen geleden gaf een veehoudster uit de buurt me haar telefoonnummer, met de melding dat ik maar moet bellen mocht ik ooit in panne staan en niet thuis geraken. Zij of haar man zullen me dan komen halen met hun bestelwagen. Een aardige geste.

Gelukkig ben ik de laatste tijd verstoken gebleven van defecten aan mijn rolstoel. Het ding is wel nog steeds niet geheel hersteld na die aanrijding in maart vorig jaar, maar ik kan me behelpen voor mijn dagelijkse activiteiten.

Zo heb ik me weer tien dagen in het feestgewoel gestort in Lokeren, op heden nog steeds mijn woonplaats. Géén nachtenlange zwalppartijen dit jaar. Neen, de jongens gingen meestal mee en dus keerden we steeds op een deftig uur huiswaarts. 'k Heb overigens ook een verpleegster die me 's avonds in bed legt, dus ook zij bepaalde eigenlijk mede het uur waarop ik thuis moest zijn.

Als je je dan zo dikwijls midden zo veel mensen bevindt, gebeurt er af te toe wel eens iets. En soms is dat iets grappigs. Zoals bijvoorbeeld op die dag dat ik me, met in mijn kielzog mijn kroost, doorheen de menigte op de kermis bewoog, als steeds trachtend niemand aan te rijden met mijn vehikel.

Op een zeker moment was er daar een gans gezin dat nog net voor mij van de ene kant van de doorgang naar de andere wou crossen. Dus stopte ik om hen door te laten. Luttele seconden later stonden ze allemaal links van mij. Behalve één jongen, die rechts van me bleef staan. Zijn ouders riepen hem toe en deden teken dat ook hij hun kant moest opkomen. Die jongen antwoordde iets, maar zijn woorden werden overstemt door de geluiden van de kermis.

Inmiddels bleef ik geduldig staan. Die vader daarentegen werd ongeduldig en kwam zijn zoon halen, onderwijl nerveus vragend waarom hij niet met de rest was meegekomen. Het ventje wees met beide handen naar beneden en opende tevens zijn mond om iets te zeggen. De handgebaren lieten het me reeds vermoeden en nu hoorde ik ook wat hij zei: hij kon zich niet verplaatsen want ik stond met mijn voorwiel op zijn linkervoet.

Ik reed een klein beetje vooruit zodat die jongen zijn vrijheid terugkreeg. Hij lachte schaapachtig, deed een stap opzij, en ging naar zijn ouders, broer en zus toe die hem verbijsterd aankeken. Allicht vroegen die zich af  hoe het kwam dat die jongen géén pijn had.

Het is inderdaad zo dat stappers het nauwelijks voelen als ik met mijn 200 kilogram over hun voeten rij of er op ga staan. Zelfs kindjes niet. Dat zal allicht wel te maken hebben met de verdeling van het gewicht over de vier wielen en het feit dat ik met luchtbanden rij.

Schoon vrouwvolk dat daar trouwens in de ganse feestzone flaneerde. Niet te doen. Luchtig gekleed bovendien, gezien het zwoele weer. En wij, rolstoelers, zitten op een bevoorrechte hoogte om, zonder dat het opvalt, al die fraai gevormde derrières te bewonderen.

De Reggae avond was een topper. Er was veel volk op de been en het was derhalve niet zo eenvoudig een plekje voor het podium te vinden. Ik stond daar op enige afstand van de dranghekkens, met een vrij goed zicht op hetgeen zich op het podium afspeelde. Kwam daar toch wel een griet vlak voor me staan zéker! Een knap Hollands blondje weliswaar. Vanaf dan zag ik van die gasten op het podium niks meer, maar daarentegen, welbeschouwd als niet onaardig alternatief, een schoonheid die haar mooie ranke lichaam van alle kanten aan me etaleerde. Ja, het was de moeite, al had ze wel wat meer vlees op haar heupen en bibs mogen hebben. Perfectie is echter niet van deze wereld. Oh ja, en de muziek die het Gentse JAMAN ondertussen ten gehore bracht mocht er ook best wezen, alhoewel veel nummers leken op een doorslagje van elkaar.

Tussen bezoekjes aan de kermis op de markt, de Fonne-, de Lokerse en nog iets met een andere naam Feesten, organiseerde ik ook nog een uitje naar het alternatieve Nederlandse theaterpark ''t land van Ooit'. Best leuk. Dat park pakt graag uit met zijn toegankelijkheid en speciale aandacht voor mensen met een beperking, maar daar heb ik helaas bitter weinig van gemerkt. Twee voorstellingen hebben we bijgewoond: eentje in de arena en één in de manege, en telkens moest ik in de doorgang zitten, dus voor de tribune waarop al het andere volk zat, zo ook mijn gezelschap, en niet tussen hen in, zoals ik prefereer. Bij het binnen rijden in de manege werd me trouwens op het hart gedrukt mijn stoel niet te schuin te plaatsen, teneinde de andere bezoekers niet te veel te hinderen.

Ik had graag met een positieve noot willen eindigen, kwestie van de balans een beetje in evenwicht te houden, maar dat wordt moeilijk. De lift van dat busje waarmee ik naar Ooit werd gevoerd, werkte bij thuiskomst niet meer, van het slotvuurwerk van de Lokerse Feesten heb ik nauwelijks iets gezien, door de warmte laat mijn stem het al een tweetal weken afweten, één van mijn hoorapparaatjes is stuk en zo gaat er de laatste tijd nog wel één en ander mis.

Dan maar iets van op de Gentse Feesten, eind vorige maand, toen het onheil allicht reeds in de lucht hing, maar nog niet was neergedaald. Mijn echtgenote en ik waren daar de nacht van die hevige wolkbreuk. We schuilden eerst onder de tuinparasols voor en vervolgens in het overdekt terras van een eethuis, waar we een drankje bestelden. De serveuse plaatste de kop warme, dampende thee voor mijn neus, terwijl mijn wederhelft mijn glas witte wijn kreeg geserveerd. Ik zei haar: "Je ziet alweer wie hier als dronkaard wordt aanzien." De dienster hoorde dat, draaide zich weer om, en zei: "Oh, was ik verkeerd?" En terwijl dat meisje de drankjes wisselde liet ze er, quasi ernstig, op volgen: "Maar u zou niet mogen drinken, mijnheer, u moet immers nog rijden!" Waarop we alledrie in lachen uitbarstten.

Ru(sh)di(e), 12 augustus 2004 (revisie op 26 april 2009)

26-04-09

Belevenissen in het UZ, het tiende deel

 

Nog iets van toen ik in het revalidatiecentrum verbleef. Op zeker moment kreeg ik een nieuwe kamergenoot. Een toffe manspersoon, met vriendelijke ogen, wild krullend haar en een enigszins woeste baard. Een figuur met het uiterlijk van een kabouter dus, maar veel groter dan deze bosbewoners.

Toen we reeds zowat een week de kamer deelden liet die man bij enkele medebewoners ontvallen: "Die kamergenoot van mij is toch een rare. Gewoonlijk groet hij me, en maken we een praatje, maar als ik 's avonds, als we reeds in ons bed liggen, een gesprek met hem wil starten, negeert hij me meestal gewoonweg." Men verzekerde de man dat ik, naar hun ervaring,  best sociaal van aard ben en dat men die houding van me dus niet begreep. Dit moest om een misverstand gaan. Niemand kwam blijkbaat op de idee om mij gewoonweg om een verklaring te vragen.

Op een avond, ik lag reeds in mijn bed, aan de vensterkant, keek ik op zeker moment links van me omdat ik dacht een geluid te hebben waargenomen. Ik zag mijn buurman zijn lippen bewegen. Dus ik zei: "Ik hoop dat je niet tegen mij aan het praten bent, want ik hoor niet al te best." Waarop hij antwoordde: "Toch wel verdorie!" en hij barste glimlachend los en vertelde mij over zijn onbegrip ten overstaan van mijn manier van doen. En ik informeerde hem wat gedetailleerder over mijn gehoorproblemen. Wat hebben we toen gelachen met dit misverstand! En nu nog komt, telkens we elkaar weerzien, het voorval opnieuw ter sprake.

Tijdens dat anderhalf jaar verblijf in het hospitaal heb ik kennis gemaakt met creaturen van diverse pluimage. Zo was er bijvoorbeeld Lorenzo. Deze jongeman was een typisch product van een medische blunder. Ongetwijfeld werd bij de geboorte de baby abusievelijk bij het medisch afval gedeponeerd, terwijl de nageboorte weerhouden werd en van een naam voorzien. Triest hoor, om met zo een gezicht door het leven te moeten gaan. Normaal lach ik niet met het uiterlijk van een ander, maar in dit geval maak ik graag een uitzondering. We hadden bij deze kerel immers ook te maken met absolute leeghoofdigheid en de totale onwil van de persoon (?) in kwestie om daar iets aan te doen. Later heb ik gehoord dat die jongen een tijdje verkering heeft gehad met een meisje dat een hersenletsel had opgelopen, dat ze zelfs aan trouwen dachten, maar dat die relatie alsnog op een sisser is uitgelopen.

Dit even terzijde. Soms kwam ik in de kliniek ook wel eens in een benarde situatie terecht. Bangelijk en vervelend op dat moment, maar achteraf beschouwd twee keer niks en veelal lachwekkend.

Zoals die eerste keer dat ik met mij lamme lichaam alleen op het toilet zat, om stoelgang te maken. Ik werd op de pot gezet, met een touwtje in mijn buurt om te bellen wanneer de grote boodschap afgerond was. Mijn voeten stonden op de grond. Links was er een steun, rechts van me stond mijn rolstoel. Dus zijwaarts vallen kon ik niet. Voor mij, maar op enige afstand, was er ook een steun, en daar hield ik me met mijn enige, beperkt functionele hand, zo stevig als mogelijk, aan vast. Onder die steun stond een vuilnisbakje, met ledige flesjes olie, gebruikte latex handschoenen, gebruikt toiletpapier, gevulde tamponzakjes en zo meer.

Het wou maar niet lukken. Dus liet ik mijn bovenlichaam iets meer naar voren overhellen om de druk op mijn darmen te vergroten. Oeps, mijn hand gleed uit van de steun en mijn bovenlichaam viel voorover. Mijn hoofd verdween in die vuilbak. Wat moest ik nu aanvangen? Het was niet makkelijk helder na te denken met mijn kop in de troep. Zachtjes riep ik om hulp. Ik hoorde voeten voorbij schuifelen, riep iets luider "Hallo!" maar niemand reageerde. Het was weer stil. Even later een opengaande deur. Zo hard ik kon riep ik: "Help!" Eindelijk een stem: "Heb je hulp nodig?" Met schorre stem zei ik: "Ja, alsjeblieft. En snel graag!" Vrij spoedig waren daar twee verpleegkundigen die me terug rechtop hielpen.

Naar toilet gaan bleef eigenlijk altijd een verschrikking voor me. We hadden er geen in onze eigen kamer, dus moest het steeds gebeuren in de, voor iedereen, dus ook voor bezoekers, toegankelijke toiletten op de gang. Zelf de deur op bezet draaien kon ik niet, zodat er geregeld  een totaal vreemde persoon, onbeleefd, wegens niet eerst even op de deur te hebben geklopt, zodat ik "bezet" had kunnen roepen, bij me in het hokje stond. Waar ik, met de broek op mijn enkels, met blote bips, op de pot zat.

Ru(sh)di(e), 10 mei 2004 (revisie op 23 april 2009)

20-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Een blauwgekleurd weekend

 

Zaterdag jongstleden ben ik dus naar dat lentediner geweest. Georganiseerd door de politieke partij die deze stad bestuurt, maar waarop alle burgers van deze plaats waren uitgenodigd. Als ze bereidt waren de voor dit festijn gevraagde som te betalen tenminste, welteverstaan.

Ik had het busje van het OCMW besteld. Om me te brengen en naderhand ook weer  huiswaarts te voeren. De, blijkbaar immer goed gezinde chauffeur, was ruim op tijd aanwezig. Mijn echtgenote was op dat ogenblik nog volop bezig me te prepareren. Zelf zag ze er overigens beeldig uit, mijn eega. Ze was nochtans doodziek.

Tijdens het korte ritje naar de plaats van afspraak bleek dat ik de vorige keer wat al te voorbarig ben geweest in mijn bejubeling van de vering van dat voertuig. Want ik heb tijdens deze rit enorm zitten wippen en bij elke put in de weg moest ik alle moeite van de wereld doen, om met mijn bovenlichaam niet voorover te slaan. Tegen de volgende keer dat ik met dit vervoermiddel meerijd, moet ik, naast de reeds aanwezige heupgordel, zeker ook mijn schoudergordels op de momenteel gebruikte rolstoel laten monteren.

We kwamen ongeveer een kwartiertje voor het vermeldde aanvangsuur ter bestemming aan. Op enkele auto's na was de ruime parkeerplaats totaal verlaten. Daardoor vreesde ik even me van plaats of datum te hebben vergist. Dus verzocht ik mijn vrouw om binnen toch maar eens te gaan informeren. We bleken juist te zijn, zowel wat locatie, dag als uur betrof. Dus reed ik tot op het liftplatform om uit het busje en op de begane grond te geraken.

Aan de toegangsdeur tot het hotel, met restaurant en feestzaal, werd ik geconfronteerd met een, vrij hoge, drempel. Bij inschrijving had ik wel laten vermelden dat bij mijn persoon een grote, elektrische rolstoel hoort, maar ik had expres niet zelf contact opgenomen met het hotel om te informeren naar de toegankelijkheid. Ik wou achterhalen of de organisatoren uit zichzelf voor de nodige voorziening zouden zorgen. Niet dus.

Een oude man - de maître? - stond in de deuropening en stelde voor om met de bus tot net voor de deur te rijden om op die manier de drempel te overschrijden, maar dit bleek vrij snel niet zo een goed idee te zijn. Uiteindelijk ging die man, op vraag van mijn echtgenote en mezelf, een plank halen, waardoor ik even later probleemloos het prachtige gebouw kon binnen rijden.

De avond verliep overigens voortreffelijk. Door mijn slechte zithouding in dat onaangepast elektrisch aangedreven wielending, had ik wel een Dafalgan mét Codeïne nodig om in staat te zijn de achterhoofdpijn op een enigszins te verdragen niveau te houden. De inname van dat pijnstillend medicijn wordt trouwens een dagelijkse noodzaak. De farmaceutische industrie kan er maar wel bij varen! Door die medicatie kon ik spijtig genoeg slechts even nippen aan de bij het voedsel geserveerde wijnen: witte bij het voorgerecht en rode bij het hoofdgerecht.

In de prachtige gotische zaal had men voor mij een plaatsje gereserveerd aan de hoek van de laatste tafel, dichtst bij de toegangsdeur. Dit allicht met de bedoeling zo weinig mogelijk mensen te kunnen hinderen. Maar daardoor stond ik wel op een plaats waar niemand omheen kon zonder me opgemerkt te hebben. Mijn echtgenote en ik kregen aan de dis het gezelschap van vier - naar spoedig bleek - sympathieke dames. Er bevond zich maar één tafel tussen de onze en deze van de prominenten. Aan die ronde tafel zaten onder anderen de burgemeester, zijn voorganger (tevens zijn vader), de premier, de eerste burger van het land en de nationale partijvoorzitter. 

Aan het eind van zijn korte, duidelijke en krachtige toespraak, zei de eerste minister, die spreker en eregast was, iets in de trant van: "Ik weet dat ik op jullie kan rekenen, want anders zouden jullie hier niet zijn!" Tja, eigenlijk had ik op dat ogenblik mijn arm in de hoogte moeten stoppen om de premier er op te wijzen dat ik persoonlijk daar geheel vrijblijvend ter plaatse aanwezig was. Echter, los van het feit dat ik gezien mijn handicap niet echt tot zulks in staat ben, zou de premier allicht toch mijn poging tot het opheffen van mijn arm niet gemerkt hebben, want hij stond min of meer met zijn rug naar me toegekeerd. Het spreekgestoelte stond immers opgesteld aan de verbindingsdeur met een andere zaal, waar ook een deel van het gezelschap zat. Die éne zaal waar wij zaten was immers niet groot genoeg om alle deelnemers aan dit diner een plaatsje te geven.

Ik ontmoette deze avond enkele mensen die ik kende van vroeger. Wat het notabel volk betreft kan ik melden dat koele Karel niemand zag staan, dus uiteraard mij incluis, en Guy enkel tijd had voor een vluchtige groet. Herman daarentegen kwam naar me toe en ook onze burgervader kwam een praatje slaan. Plus een hele resem kandidaten die zich aan elkeen kwamen voorstellen en steun vragen met het oog op de nakende nationale verkiezingen.

Het eten was lekker. Dat mocht ook wel voor de prijs die we er voor betaalden. Er was iets met vis als voorgerecht en kalfsvlees met groentjes en kroketten als hoofdschotel. De sabayon werd nog net op tijd geserveerd om uitgelepeld (in mijn geval uitgedronken) te worden, maar voor het laatste item van het menu, koffie met versnaperingen, hebben we moeten passen, want het was toen onderhand middernacht en mijn taxi stond reeds te wachten. Zo gaat dat als je afhankelijk bent van derden. Je vrijheid wordt enorm beknot. De openingsdans door de lokale voorzitster van de partij hebben we ook gemist. Op dat moment stonden wij al aan de ingang, te wachten tot er eindelijk iemand zou verschijnen om onze jassen terug te geven. Blijkbaar waren alle hens aan dek geblazen om de koffie te serveren, want het heeft wel een tiental minuten geduurd voor we eindelijk konden vertrekken.

Zo, nu heb ik kennis gemaakt met blauw Vlaanderen. En zij ook met mij!

Ru(sh)di(e), 14 april 2003 (revisie op 15 april 2009)

19-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Middelbare schooltijd

 

Tijdens het turnuurtje op school moesten we op zekere dag een veldloop doen, voor punten. Hoe beter onze tijd, hoe hoger ons cijfer zou zijn. De turnleraar deelde ons op in twee groepen. Een eerste groep met de goede en middelmatige lopers, waartoe ik behoorde, en een tweede groep met de mindere atleten.

Het, reeds van eerdere lopen gekende parcours, werd nog eens uitgelegd en onze groep werd opgedragen om te vertrekken. Terwijl de leraar een stopwatch in werking stelde. We liepen een goed tempo. Eén van de jongens zei plots: "Laat ons een kortere weg nemen, dan moeten we minder lopen, zijn we sneller terug en krijgen we bovendien meer punten!" Hij versnelde zijn tempo en ging vooraan lopen. "Langs hier!" riep hij, onderwijl ook met zijn arm de te volgen richting aanwijzend. Hij sloeg een pad in, rechts van de bosweg die we eigenlijk dienden te volgen. We zagen het allemaal wel zitten om de route in te korten en dus volgden we hem.

We konden niet zo snel rennen want dat smalle wegeltje lag bezaaid met takken en andere natuurlijke obstakels. Op de koop toe kwamen we op een gegeven moment aan een beek. Er was geen brugje, maar we moesten er wel over, want aan de andere kant van deze waterweg lag het pad dat we dienden te volgen om weer bij onze turnleraar te geraken. En om terug te keren naar het oorspronkelijke parcours was er geen tijd, want dan kwamen we ongetwijfeld veel te laat aan en zouden we bijgevolg allemaal gebuisd zijn.

Eén jongen, laat ik hem Benny noemen, zei: "Allé jongens, da's toch geen probleem. We nemen een aanloop en springen daar zo over." Dus gingen we, met Benny voorop, allen enkele passen achteruit, namen een aanloop en sprongen... over de beek. Behalve Benny dan, die als eerste sprong en te vroeg afzette, zodat hij, net voor de oever aan de overzijde, met zijn voeten en onderbenen in het water belandde. Met een man of twee trokken we hem aan de kant. Zijn sportschoenen en kousen zaten onder de modder. We liepen vervolgens snel verder, in de hoop toch nog een respectabele tijd neer te kunnen zetten en bijgevolg ook een mooi cijfer te krijgen op ons rapport.

Hard lopend bereikten we het eindpunt, waar onze leraar gymnastiek ons stond op te wachten met één chronometer in de hand en een andere met een touwtje bevestigd rond zijn nek. "Niet denderend hé, jongens?!" zei hij tegen ons nadat alle tijden genoteerd waren en vooraleer te beginnen met deze van de tweede groep jongens op te schrijven, waarvan de snelste loper ook al arriveerde.

Toen iedereen was aangekomen en alle tijden stonden genoteerd, zei onze turnleerkracht het zeer eigenaardig te vinden dat zelfs de traagste loper van de tweede groep een snellere tijd had neergezet dan eenieder van ons, uit de eerste groep. Zeer raar, te meer daar hij ons niet had zien passeren op de controleplaats, ergens halverwege het parcours, waar hij met zijn auto was heengereden om tussentijden te noteren. Wat toch niks anders kon betekenen dan dat we zo hard hadden gelopen dat we die plek reeds waren gepasseerd vooraleer hij er arriveerde? Waren we dan in het tweede stuk volledig stilgevallen, vroeg hij zich luidop af, met een knipoog in onze richting? Nu konden we uiteraard niets anders meer doen dan het bekennen van onze poging tot bedrog. De met modder besmeurde Benny was degene die dat deed in ons aller naam. We waren eigenlijk allemaal een beetje bang dat we nu op ons maandrapport voor turnen een nul zouden krijgen. De leerkracht lichamelijke opvoeding vond onze mislukte oplichterij echter best grappig en liet ons een week later herkansen. 

Eigenlijk ben ik steeds een brave scholier geweest. Voor zover ik me kan herinneren heb ik niet zo dikwijls schelmenstreken uitgehaald. Eén keer was ik, en dan nog uiterst toevallig, betrokken bij iets 'stouts'. Tijdens de namiddagpauze stonden er enkele kinderen in een kring te konkelfoezen. Nieuwsgierig kwam ik nader en keek over hun schouders om te zien wat ze aan het doen waren. Eén van die jongens had iets in zijn handen dat qua vorm en grootte veel weg had van een bierworst.

De eigenaar van dat ding verduidelijkte dat het om een stinkbom ging en vroeg aan de gasten rondom hem of er iemand een doosje lucifers bij zich had om het projectiel mee aan te kunnen strijken. Er waren wel een aantal jongens die een aansteker bij zich hadden, omdat ze al eens een sigaretje rookten, maar geen van hen was in het bezit van een doosje stekskes.

Het toeval wou dat ik wel een pakje vlamhoutjes in mijn boekentas had zitten. Zo een dun pakje, met reclame op de flap, die bedrijven verspreiden als promotieartikel. Ik haalde dat kaartje er dus uit, die jongen streek zijn bom er tegen aan en gooide het ding vervolgens onder het afdak. Inmiddels had het belsignaal weerklonken. Ik stopte het luciferdoosje snel terug in mijn zwartlederen boekentas en spoedde mij net zoals alle andere leerlingen in de richting van mijn rij.

Een luide knal weerklonk. Even was het muisstil. Enkele kinderen keken mijn richting uit, maar ik had het gevoel te worden aankeken door alle 800 leerlingen van de school, alsook door hun leraren. Toen was er alweer geroezemoes en werden er heel veel neuzen dichtgeknepen, want de stank die de ontplofte bom verspreidde was enorm.

De onderdirecteur, geflankeerd door twee studiemeesters, kwam poolshoogte nemen. Een gast uit mijn klas zei: "Ja, nu hang je!" Ik dacht aan die lucifers in mijn tas, die als bewijs tegen mij konden aangewend worden. De rest van de dag heb ik niet op mijn gemak gezeten, want wat indien ze de bommengooier zouden vinden en deze mij zou aanwijzen als medeplichtige? Uiteindelijk bleek die vrees ongegrond te zijn.

Wat me ook eens bijna ernstig in de problemen heeft gebracht op school, is het klokhuis van een appel. Ik had de gewoonte dat restant van mijn dagelijks stuk fruit, tussen de struiken van het, naast de koer van onze school gelegen, stadspark te gooien. Die dag stond ik nogal ver van de omheining af toen ik het eetbare deel van mijn appel achter de kiezen had. En af wou van hetgeen overbleef. Ik verwijderde me twee stappen van het groepje kinderen waar ik bij stond en gooide met een flinke zwaai van mijn arm het klokhuis richting park.

Ai! Dat stuk fruitafval kwam pardoes terecht in de nek, net onder het oor, van een studiemeester, die daar met een collega rondstapte om toezicht te houden. De scholieren die het zagen gebeuren hadden uiteraard dolle pret. Een studiemeester, geveld door een klokhuis! De getroffene daarentegen vond het veel minder leuk. Waarschijnlijk dankzij mijn goede reputatie? of eerder bij gebrek aan een slechte? geloofde die man echter dat ik hem niet expres had bekogeld en aanvaardde hij mijn excuses.

Ru(sh)di(e) 20 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

18-04-09

Rudi's ontboezemingen, het deel na het vorige

 

Het was een bitter koude woensdagavond in de maand december. Ik bevond mij in de sporthal, die gesitueerd is op zowat anderhalve kilometer van onze woning. Mijn jongens waren bezig aan hun voetbaltraining. Tijdens de wintermaanden wordt er immers af en toe in de sporthal getraind. Omwille van het mogelijks slechte weer, en vooral om de oefenterreinen buiten een beetje te sparen, zo werd me medegedeeld. De training, die gewoonlijk in de namiddag plaats vindt, van drie uur tot half vijf, werd verplaatst naar de avonduren, van zes uur tot half acht. Dit terwijl de training op donderdagavond, van half zes tot zeven, gewoon buiten doorging. Begrijpe wie dit begrijpen kan. Ik niet, dus.

Gezeten in mijn gemotoriseerd invalidenwagentje, aanschouwde ik van achter de zijlijn mijn voetballende kroost. Rechts van mij bevond zich, zittend op een tafeltje, mijn assistent. Met naast hem de grootvader van een spelertje. Die man heeft blijkbaar steeds veel te vertellen. Aan mijn assistent tenminste. Want mij ziet opa nimmer staan.

Op een bepaald moment passeerde me een man, die zich vervolgens links van me positioneerde. Ik keek hem aan. En hij mij ook... dacht ik. Vervolgens maakte hij een opmerking over het weer. Ik glimlachte breed. Niet zo zeer omdat zijn, allicht grappig bedoelde uitspraak, werkelijk geslaagd was, maar veeleer omdat ik blij was bij de gedachte dat ik eindelijk eens door iemand werd aangesproken. Niet dus! Dat werd me duidelijk toen mijn assistent die man een antwoord gaf, waaruit bleek dat de opmerking van net daarvoor, tot hem was gericht geweest.

Wordt ik vergezeld door een blanke man of vrouw, dan worden steevast zij aangesproken. Dat gebeurt zelfs met mensen aan wie ik reeds meermaals heb bewezen dat een normale communicatie met mij mogelijk is. En zelfs mijn eigen familie gedraagt zich zo! Ongelooflijk irritant! Ben ik in het gezelschap van mijn echtgenote, of een andere persoon met eenzelfde bruine huidskleur, dan worden we gewoonweg beiden genegeerd.

Om even terug te komen op het voetballen van mijn nageslacht. Na een jaar zeuren, zijn ze sinds eind augustus van vorig jaar ingeschreven bij een voetbalclub, wiens eerste elftal nationaal in de eerste klasse van het betaald voetbal speelt. Zoals hierboven aangehaald trainen ze in de winter soms binnen, maar normaliter vindt de training plaats op de jeugdterreinen, gelegen achter het stadion waar de eerste ploeg haar wedstrijden speelt. Twee keer per week trekken we daarheen. Regen, wind, noch koude deren ons.

Ook daar wordt ik dus door het merendeel der trainers, ouders en grootouders straalweg genegeerd. Een nagenoeg identieke situatie als aan de schoolpoort. Onderhand ben ik dan ook maar gestopt met iedereen steeds vriendelijk gedag te knikken. Het voelt immers ontzettend stom aan als het steeds van één kant moet komen en het is ergerlijk telkenmale te merken dat je blik wordt ontweken.

In den beginne was er een moeder van één van de spelertjes uit mijn jongens hun ploeg, die me steeds gedag zei. Tot ze me, in dronken toestand, op een lokale kermis eens aansprak en aan haar praten tegen mij ineens geen einde meer kwam. Niks pikant hoor, gewoon wat feiten over haarzelf en haar gezin. Het type zaken dat ik ook in nuchtere toestand aan mensen zou vertellen. Sindsdien mijdt de dame me echter angstvallig. Uit schroom? Bang omdat ze denkt iets verkeerd gezegd te hebben, maar niet wetend wat? Geen idee, en het kan me eigenlijk ook geen zier schelen.

In de maand januari ging er een tornooi door in de sporthal, waarover ik het reeds eerder in dit stukje had. Vijf weken na elkaar werd er telkens tegen een andere regionale club gespeeld. Op één van die tornooidagen was er ook een dame, die ik elke week op de training zie, en die me normaal nooit groet. Maar die me nu aansprak. Behalve de wartaal die ze uitkraamde, kwam vooral een sterke alcoholgeur uit haar mond. Blijkbaar moeten dames eerst goed zat zijn vooraleer ze iets tegen mij durven te zeggen, dacht ik toen. Wat was ik benieuwd om te vernemen of ze me de woensdag daarna op de training ook zou komen groeten. Dat gebeurde dus uiteraard niet en... inderdaad, ik geef er niet om.

Een week later werd ik bij het binnenrijden van het sportcomplex hartelijk begroet door alweer een andere moeder van een spelertje. En toen ik even later mijn positie aan de zijkant van het speelveld had ingenomen, was er ook nog een andere dame die me een hand kwam geven en het beste wenste voor het nieuwe jaar. "Hé", dacht ik, "wat is hier aan de hand?" Wat kon er nu aan mij zijn veranderd, waardoor ik opeens door het vrouwvolk werd opgemerkt? Ha! Geloof het of niet, maar die ochtend was mijn haar door een kapster aan huis bijgeknipt. Alhoewel, zouden die dames dat hebben opgemerkt? En vooral: was ik daardoor zoveel knapper geworden? Allicht toeval dus. Dat bleek ook de daaropvolgende zaterdagen, toen ik als vanouds, wederom lucht was voor de meeste daar aanwezige mannen en vrouwen.

Toch één lichtpunt: bij afloop van het tornooi heeft men ter wille van mij de trofee-uitreiking verplaatst van de, op de eerste verdieping gelegen en enkel per trap bereikbare, cafetaria, naar de sportzaal. Zo was ik in staat mijn éne zoontje zijn trofee van beste doelman van het tornooi in ontvangst te zien nemen. Die dag zijn we trouwens onder de neerdwarrelende vlokken door een ettelijke centimeters dik sneeuwtapijt huiswaarts gekeerd.

Ru(sh)di(e), 21 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

14-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Niet klein te krijgen!

 

De vrijdagochtend na die aanrijding op maandag, heb ik alweer de kinderen naar school gebracht. Met die krakkemikkige rolstoel, waarin ik me nu verplaats. Let op, ik ben blij dat ik iets heb om me in voort te bewegen, maar in dit ding zit ik niet gemakkelijk, ik kan mijn rugleuning, noch mijn beensteunen van positie veranderen en er zit geen kantelverstelling op dit ding. Dus zit ik steeds in dezelfde oncomfortabele positie, wat voor gevolg heeft dat ik na enkele uren mijn bed in moet om te bekomen van de hoofd- en lichaamspijn die deze zithouding me bezorgt.

Maar ik wou het eigenlijk hebben over een voorval die ochtend. Er was weer eens een ongeval gebeurd op de autosnelweg, waardoor het verkeer langs  onze straat werd omgeleid. De straat waarin we wonen maakt immers deel uit van een gewestweg die twee Vlaamse provinciehoofdsteden met elkaar verbindt. Geflankeerd door mijn kinderen reed ik op het fietspad. Een assistente stapte achter ons aan, voor het geval ik op mijn terugweg hulp mocht nodig hebben, want ik betrouwde deze rolstoel niet.

Toen we aan de eerste verkeerslichten kwamen, floepte het licht voor de voetgangers net op rood. De jonge agent die aan de zijkant van de weg stond toe te kijken op het verloop van het verkeer, had ons nog kunnen laten oversteken, zo hij dat wou, maar blijkbaar wou hij dat niet.

Toen even later het voetgangerslicht terug op groen flitste wou ik ogenblikkelijk de baan oversteken, maar mijn assistente hield me met een gil tegen. Bleek dat die agent, uit mijn gezichtsveld, de straat was opgegaan om nog enkele vrachtwagens doorheen het rode licht te loodsen. Terwijl die klojo toch wel zag dat wij daar klaarstonden om over te steken?! Enkele camions draaiden angstwekkend dichtbij onze voeten de straat in. Even later konden we dan toch oversteken, maar toen we halverwege het zebrapad waren stond het voetgangerslicht alweer op rood.

Aangezien ik ervan overtuigd was dat die jongen niet bewust ons leven in gevaar had gebracht, was ik vast van plan hem hierover op mijn terugweg aan te spreken. Toen we terugkeerden stond de jongeman echter op de baan het verkeer te regelen en ik had geen tijd om te wachten tot wanneer hij naar de kant kwam, want mijn kinesist kwam nog en ik wou niet dat die op mij zou moeten wachten. 

In de namiddag liet ik een andere assistent met me meestappen naar de Brico. Niet dat ik dringend iets uit deze winkel nodig had, maar veeleer om uit te testen of ik met deze gemotoriseerde wielstoel over de brug geraakte, die loopt over de waterweg die door deze stad kronkelt. Dat bleek dus geen probleem te zijn. We keerden terug langs dezelfde weg als we gekomen waren:  op het fietspad, dat gescheiden is van de rijbaan door een pechstrook. Maar nu reed ik tegen het verkeer in.

Toen we ter hoogte waren van een tankstation, dat gevestigd is langsheen deze baan, hield een auto halt, vlak naast ons. Aan de passagierszijde werd het venster naar beneden gerold. Een dame vroeg de weg naar het Vredegerecht, daarbij uitsluitend naar mijn helper kijkend. Deze hield, zoals ik hem in geval van dergelijke situaties had opgedragen, netjes zijn mond, zodat ik op die vrouw haar vraag kon antwoorden. Ze keek een beetje dwaas en ik zag haar denken: "Waar komt dat geluid vandaan?" blijkbaar totaal uitsluitend dat het wel eens die kerel in zijn rolstoel zou kunnen zijn die net een antwoord gaf op haar vraag. Toen ze eindelijk haar hoofd naar me toe draaide herhaalde ik nogmaals hoe ze moesten rijden. De man die achter het stuur zat begreep mijn routebeschrijving. Ze dankten me beiden en reden verder.

Deze zondagochtend zijn we naar de rommelmarkt geweest, die wekelijks doorgaat op het stationsplein van mijn woonplaats. Er was een neef van mijn vrouw bij ons, en ook een nicht van haar, met haar twee kindjes: een jongen van net geen twee jaar en een drie maand oud meisje. Mijn vrouw droeg de baby van haar nicht in een draagdoek op haar rug. Blijkbaar hadden veel mensen zoiets nog nooit gezien want mijn wederhelft had enorm veel bekijks. Ik was daar eigenlijk wel verheugd over, want meestal gaat alle aandacht naar mij. Van starende, somber kijkende mensen. Terwijl nu alle ogen gericht waren op mijn eega en vooral op het kindje aan haar achterzijde. Van vrolijk en vertederd kijkende mensen. Wat een verschil!

Toen we aan het wafelkraam stonden hoorde ik een vrouw mijn echtgenote verzoeken mij te vragen om me wat meer vooruit te verplaatsen, want er wou iemand met een kleine bestelwagen het terrein oprijden en ik stond in de weg. Ze antwoordde: "Mevrouw, ik ben hier volop bezig. Hij verstaat Nederlands, dus vraag het hem zelf!" "Goed zo, meisje!" dacht ik. "Een beetje verder." zei de dame vervolgens tot me, maar ik ging pas in op haar verzoek toen ze haar vraag herhaalde in een beleefdere formulering en met een alsjeblieft erbij. Met een brede glimlach dankte ze me uitvoerig. En even later, toen ik haar standje passeerde nog een keer. Toch weer één iemand die hopelijk heeft geleerd dat fysiek gehandicapten niet noodzakelijk ook geestelijk onbekwaam zijn.

Hoe ze het voor elkaar krijgen, ik weet het niet, maar er gaat geen bezoek aan deze vlooienmarkt voorbij of mijn kroost gaat met één of ander cadeau naar huis. Ze krijgen korting op hetgeen ze kopen zonder er zelf om te vragen, kopen één boekje en krijgen er vanwege de verkoper spontaan enkele andere zomaar gratis bij. Of mogen het speelgoedje waar ze belangstelling voor hebben meenemen zonder het te betalen. Zoals ook nu weer. Mijn éne zoon kreeg een zwembril, de andere een happend balletje. En ook voor de baby had men iets. De andere jongen greep naast de prijzen want die liep op dat ogenblik met zijn mama ergens anders op de markt.

Is het omdat ze er zo schattig en verteterend uitzien, omwille van hun beleefd en geïnteresseerd gedrag ten overstaan van de standhouders , die ze trouwens ook al eens durven helpen met inpakken en opruimen als we op het eind van de markt nog aanwezig zijn. Of dan toch omdat die handelaars medelijden met hen hebben omwille van het feit dat mijn kindjes een invalide vader hebben? Ik weet het niet. En het doet er ook niet toe welke de reden is, het zijn mijns inziens allemaal goede. Oh, ik weet het wel. Het zijn allemaal kleinigheden die men geeft, maar het is het gebaar dat telt. En dat is groot en hartverwarmend!

Op onze terugweg naar huis, via het park, kwamen we nog een vrouw tegen met twee grote honden aan de leiband. Een van mijn jongens vroeg of hij de dieren mocht strelen. Dat kon. Hij mocht er zelfs één aan de leiband tot bij mij brengen. En de dame bracht ook haar andere hond dichterbij, zodat ik ze beide kon strelen. Veel had ik daar echter niet aan, met een nagenoeg gevoelloze hand, maar het voelde wel goed aan die dieren zo dicht bij me te hebben en intussen maakte ik een praatje met hun baasje. Middelerwijl kreeg mijn zoon een koekje toegestopt om aan die ene hond te geven. Voor het andere dier kreeg hij er geen, want die was goed opgeleid en afgericht, zo meldde zijn baasje vol trots, en was aangeleerd voedsel van vreemden te weigeren.

Al bij al een geslaagde dag, afgesloten met een namiddag vertoeven in de stralende lentezon. Dat laatste net iets te lang, zo blijkt, want mijn hoofd heeft de kleur aangenomen van een rode biet.

Ru(sh)di(e), 23 maart 2003 (revisie op 6 april 2009)