19-06-09

Rudi’s overdenkingen - Hemel of hel? Maakt niet uit, als het er maar warm is!

 

Sinds ik mijn Christelijk geloof heb afgezworen, en als niet-gelovige verder door het leven rij, kan ik me wat meer vrijheid veroorloven bij het schrijven over thema's als God, het geloof en in het bijzonder de Rooms- katholieke Kerk. Een club van gelovigen, waar ik overigens nog steeds lid van ben, aangezien ik me niet uit hun doopregisters heb laten schrappen. En net dat in de ban doen of excommuniceren, is een gevaar dat je bedreigt indien je als gelovige volhardt in de zonde.

En alleen reeds het verzaken aan het eerste van de 10 geboden, namelijk: 'Boven al bemin één God', kan voor de Kerk als zonde volstaan om je in de ban te doen. Nogal wiedes eigenlijk, omdat je daarmee verzaakt aan de belangrijkste pijler waarop de ganse ideologie van hun godsdienst is gebouwd. Waarschijnlijk begeef ik mij op gevaarlijk ijs, en riskeer ik een heleboel mensen voor het hoofd te stoten, maar toch ga ik hier en nu mijn gedacht zeggen over God en religie. Alsmaar meer groeit bij mij immers het vermoeden dat het bestaan van een opperwezen en een leven na de dood, ontsproten is uit de geest van enkele van onze, in hun tijd heersende, voorvaderen. Als zingeving voor het leven van de mensen en als verklaring voor toentertijd onverklaarbare gebeurtenissen en (natuur)verschijnselen. Opdat de menigte daaronder rustig zou blijven, en bovendien gemakkelijker te manipuleren en in de hand te houden. In de veronderstelling dat deze denkpiste de juiste is, en derhalve de waarheid, dan betreft dit de grootste bedriegerij ooit!

Het is mijn rationeel denken dat me tot deze vaststelling leidt. Tegen de meeste morele wetten van de godsdienst heb ik helemaal geen bezwaar. Integendeel zelfs. Morele waarden als respect, eerbied, naastenliefde... om maar enkele te noemen, kan ik volledig onderschrijven. En ik ben de laatste om mensen die geloven in een God, zoals die doorgaans wordt voorgesteld, te trachten op andere gedachten te brengen. Als zij in dat geloof troost vinden en er levenskracht uit kunnen putten, dan respecteer ik dat. Ze kunnen er maar wel bij varen. Maar ze hebben niet het recht om hun gedacht als het enige ware aan andere personen op te dringen. Men mag gerust zijn geloof prediken, maar niet van anderen verwachten, soms neigt het zelfs naar eisen, dat die hen daarin blindelings volgen. Ieder heeft recht op een eigen mening. Respect daarvoor is klaarblijkelijk een morele deugd die dikwijls ontbreekt op het lijstje van godsdienstfanaten.

In het dagelijks leven kom ik dikwijls in aanraking met personen die hun geloof hoe dan ook willen opdringen aan anderen. En die, in plaats van bij het werken aan een betere maatschappij, te starten bij zichzelf en door arbeid het door hen beoogde betere leven (lees: meer materiële welstand) te bekomen, alle vertrouwen leggen in hun geloof. Oprechte devotie en alles wordt door de goede God voor hen geregeld, is hun devies. Daar heb ik nogal wat bedenkingen bij. In de eerste plaats zijn die gelovigen blijkbaar net zozeer als de 'Almachtige' stekeblind voor alle miserie in de wereld, ook onder zeer gelovige medemensen. Voorts lijkt dit mij nogal een gemakkelijkheidoplossing: ze bidden en laten ondertussen de anderen het werk doen. Naderhand plukt men de vruchten van deze laatste hun arbeid en claimen dat dit het resultaat is van hun bidden tot God. Nogal wat zogenaamde gelovigen zijn daarenboven afgunstig van andermans bezit, wat een overtreding is van het 10de gebod!

Er schiet mij plotsklaps een mop te binnen, die ik jullie niet wil onthouden!

Een verpleegster sterft en, als resultaat van haar vrome aardse leven, verzeilt ze in de hemel. Alwaar ze wordt verwelkomt door Sint Pieter. Die is, na zijn jobs van achtereenvolgens apostel van Jezus en (eerste) katholieke paus, uiteindelijk voor eeuwig aangesteld als hemelpoortbewaarder.

Terwijl de dame, of in ieder geval haar ziel, met Sint Pieter de toegangsformaliteiten regelt en verslag uitbrengt over haar net beëindigde leven op aarde, ziet ze over de schouder van Sint Pieter heen een man zitten met een stethoscoop om de nek. Opgewonden vraagt ze: "Die man daar achter u, is dat een dokter?" Sint Pieter kijkt even op, lacht schamper en antwoord: "Neen, mevrouw, helemaal niet. Dat is God. Die denkt alleen maar dat hij mensen kan helen!"

Wat de Heer betreft, heb ik overigens nog een paar opmerkingen. Hoogmoed is de zonde der zonden, staat ergens in de bijbel geschreven. Deze zonde zou trouwens ook aan de basis liggen van de transformatie van God zijn perfecte engel Lucifer tot Satan, voor wie de hel werd geschapen. Dit terwijl God, alsook zijn enig geboren zoon Jezus Christus, naar mijn bescheiden mening, zelf ook niet vrij waren van enige zelfverheffing!

En de organisatie van die zondvloed, daar stel ik toch ook enkele vraagtekens bij. God zag dat zijn creaties zich niet gedroegen zoals Hij had verhoopt, gaf aan Noach opdracht een ark te bouwen, van elk levend wezen een paar aan boord te nemen, en toen dat geregeld was ging de Schepper over tot executie van alle overige levende wezens. Door hen te laten verzuipen!

Van zo een daden komt ook in deze moderne tijd zo nu en dan iets in het nieuws. Gezinsdrama's waarbij een ouder zijn kind van het leven beroofd, omdat het een handicap heeft. Of een jongeman die op straat een aantal mensen neerknalt omdat ze niet de huidskleur hebben die hij prefereert of die Duitser, zijn naam ontglipt me even, die bepaalde groepen mensen van een bepaalde afkomst of geaardheid ook liefst, en bij voorkeur gruwelijk, elimineerde. Naar hun eigen normen, hebben ze allen een geldige reden voor hun daad of daden. De samenleving denkt daar evenwel anders over. In deze gevallen noemt de maatschappij de dader doorgaans (massa)moordenaar!

Na al het voorgaande geschrijf, maak ik op dit ogenblik wellicht weinig kans om na mijn overlijden, voorbij de hemelpoort te geraken. Is daar ten andere al iets gedaan aan de infrastructuur, met het oog op de toegankelijkheid voor de overleden fysiek beperkte personen? Of mag die rolstoel na zo veel jaren trouwe dienst, de ziel van de rolstoeler niet vergezellen bij het ten hemel stijgen? Hem of haar vervoeren naar diens nieuwe en tevens laatste verblijfplaats? Nu ja, het heeft geen zin me daar het hoofd over te breken. Voor een ketter als mij blijft de boel daar ongetwijfeld sowieso potdicht. Jammer? Dat weet ik niet zozeer. Alle dagen rijstepap eten spreekt mij niet direct aan. En steeds met gouden lepels eten is ook niet zonder gevaar. Want als daar door veelvuldig gebruik schilfers van loskomen, dan kan je vergiftigd raken en behoorlijk ziek worden. Dat weet ik uit ervaring. Bij de overgang naar het nieuwe millennium heb ik een ganse fles champagne met goudschilfers leeggedronken. Zat werd ik er niet van, maar wel ziek! Een ganse week zelfs. En wat die engelen betreft. Ze kunnen dan misschien wel mooi en lieftallig ogen, maar ze zijn volgens bepaalde bronnen geslachtloos, dus veel valt daar dan toch niet mee aan te vangen! ;-)

Trouwens daar hoog in de wolken is het vast bitter koud, en ik hou net van de warmte. Dus laat mij gerust terechtkomen in de hel. Daar kan ik dan ook nog wat lol beleven bij het trekken aan de duivel zijn rattenstaart. Dan heb ik toch nog een beetje plezier gehad vooraleer ik opbrand in het vagevuur. Onder het beluisteren van kermismuziek die weerklinkt uit de luidsprekers van de, naar verluidt in de onderwereld geïnstalleerde jukebox!

Als God dan evenwel toch zou bestaan, wat ik niet uitsluit, want iedereen kan zich vergissen, hoop ik wel dat Hij niet de menselijke gedaante heeft van een blanke man met lang wit haar en dito baard, maar dat Zij een volslanke sexy zwarte vrouw is met een prachtig rastakapsel!

En die verdraagzame God zal me maar al te graag mijn niet-gelovig zijn vergeven en Sint Pieter opdracht geven om me, met zin of tegenzin, te redden van de verdoemenis, zodat  God me tegen Haar boezem kan drukken. En ik op die manier ook aan de begeerde warmte geraak.

Rudi, 10 november 2008 (revisie op 19 juni 2009)

 

30-04-09

Rudi's ontboezemingen - Flauwe plezanterik

 

Van de nood een deugd makend, durf ik de mensen die beroepsmatig bij me over de vloer komen voor mijn thuisverpleging, al eens in het ootje te nemen.

Hoe goed die mensen het immers ook menen, zij zijn een noodzakelijk kwaad, of misschien eerder een noodzakelijk 'goed'. Wat ik wil duidelijk maken is dat zij hier enkel over de vloer komen omdat hun hulp voor mij onontbeerlijk is. Met andere woorden: ik zou ze liever niet hebben, maar ik kan niet zonder ze. Dus maak ik er het beste van, voor hen, en voor mezelf.

Eigenlijk ben ik daar reeds mee begonnen tijdens mijn maandenlange revalidatie in het uz. Ook daar nam ik reeds nu en dan de verzorgenden in het ootje. Enorm veel plezier heb ik beleefd aan het volgende. In het revalidatiecentrum had ik het grootste gedeelte van mijn verblijf een kamer aan de straatzijde. Een straat die zich binnen het universiteitsterrein bevond, met aan de zijkant parkeerplaatsen voor auto's en ter hoogte van mijn kamer ook een fietsenrek. Tussen het gebouw en de weg, was er een strook groen, met een wandelpad en enkele bloemenperkjes.

Op een zeker moment begon men daar, vlak voor mijn vensterraam, een stenen muurtje te metsen. Ik liet hier en daar horen dat ik geruchten had opgevangen dat ze daar een vijvertje van gingen maken. Het nieuws verspreide zich als een lopend vuurtje. Op een ochtend kwam er een, al wat oudere kinesist mijn kamer binnen, keek door mijn raam naar buiten, en zei me: "Ik heb daarnet gehoord dat ze daar een vijver aan het maken zijn. Zijn ze nu helemaal op hun kop gevallen? Met al die personen met lichamelijke beperkingen en sommigen met hersenletsels, is dat vragen om moeilijkheden!" Ik knikte met een ernstige blik en beaamde zijn woorden.

Er werd de volgende dagen en weken nog duchtig geredetwist omtrent de vijver. Tot op het moment dat de bak werd ... volgestampt met teelaarde en de eerste bloembollen erin werden geplant.  Toen die kinesist van in mijn kamer de werkzaamheden kwam bezien, zei hij verwondert:  "Hé!" ze gaan daar precies een bloembak van maken?!" Ik antwoordde hem:  "Ja natuurlijk, dat heb ik altijd al geweten!"

Flauwe, droge grappen die ik maak zijn bijvoorbeeld, als een verpleegster me 's avonds, na het uitkleden en in bed stoppen vraagt: "Mogen die trui en die broek gewassen worden?" Dan antwoord ik: "Jazeker, maar breng die kledingstukken dan wel ten laatste overmorgen terug mee. En dan liefst ook gestreken en opgevouwd."

Na de mobilisatie van mijn ledematen vroeg mijn kinesiste of ze nog iets voor me kon doen. "Wel ja" zei ik, "Nu je het toch vraagt. Als je voor mij de vaat kan doen en me daarna kan helpen met onze strijk. En mocht je na het verrichten van die taken nog tijd en goesting hebben, zou ik het ten zeerste appreciëren als je de living zou dweilen, want ik heb via de banden van mijn rolstoel nogal wat zand mee naar binnen gebracht." Ze lachte schamper, want dat soort hulp had ze met haar vraag uiteraard niet bedoeld.

Toen ik nog gebruik maakte van de thuisverplegingsdienst van mijn mutualiteit, was er op een gegeven moment eens een jong meisje, pas afgestudeerd en net startend in de thuisverpleging, dat er voor moest instaan om mij 's avonds in bed te leggen. Voor mij meteen een mooie gelegenheid om een grap uit te halen. Het moet, als ik het me goed herinner, die dag de vierde of vijfde keer zijn geweest dat ze bij me langs kwam. Na me op mijn zij gerold te hebben als lig positie voor de nacht, verzocht ik haar mijn bed niet meer opnieuw tegen de muur aan te rollen, maar naar het midden van de kamer, de driezit zetel van ons salonmeubilair naar de vrijgekomen plaats te verschuiven en vervolgens mijn bed te positioneren op de plaats waar voorheen de sofa stond. Naarmate mijn uitleg vorderde was de mond van dat meisje alsmaar verder open gevallen. Ze keek me bovendien aan met zo een verbaasde, vragende blik van: meent die dat nou? Uiteraard niet dus. Ik zei: "grapje!", waarop dat kind gerustgesteld glimlachte. En sindsdien steeds op haar hoede was als ik iets zei.

Dit jaar heb ik ook een geslaagde '1 april' grap uitgehaald met de persoon die aan het hoofd staat van het team van zelfstandige verpleegkundigen, waarop ik sinds eind 2002, en heden nog steeds, beroep doe voor mijn dagelijkse persoonlijke verzorging. Zij had op deze verzendertjesdag vrijaf, maar toch belde ik haar even voor acht uur op.

Quasi in paniek, meldde ik haar met een nerveuze stem dat mijn kinderen al klaar stonden om naar school te gaan, terwijl ik nog ongewassen in bed lag. Haar collega, die werd verondersteld om zeven uur bij me te zijn, was immers nog steeds niet komen opdagen.

Mijn verpleegster klonk hoorbaar verveeld met de situatie en zei onmiddellijk de andere verpleegster te zullen bellen en dan meteen ook weer mij, om me te informeren over wat er aan de hand was. En wat er ging gebeuren.

Luttele seconden later rinkelde de gsm van de verpleegster die me net had gewassen, aangekleed en in mijn rolstoel gezet. Ze stond te gniffelen, maar nam niet op. Een minuut later was het mijn mobieltje dat lawaai maakte. "Ja, sorry hoor, maar ik kan haar niet bereiken." klonk het in mijn oor, "dus zal ik maar onmiddellijk zelf komen!" Waarop ik zei: "Oké, dat is goed. Maar wil je dan eerst even bij de viswinkel passeren om iets voor me mee te brengen?"

Zonder enig spoor van argwaan in haar stem, vroeg ze: "En wat dan wel?" Terwijl haar collega, naast me, met haar vlakke hand op de mond, stond dubbel gevouwen van ingehouden pret,  spelde ik, met een nog steeds ernstige, vaste stem: "A P R I L vis!"

Nu had de gefopte dame het door, want ze begon hartelijk te lachen en zei: "Ik nam dit jaar speciaal deze dag vrij om niet verzonden te worden, en nu heb ik het potverdorie toch weer aan mijn been!"

Tja, die malafide chirurg mag dan wel mijn lichaam om zeep hebben geholpen, mijn boosaardige geest is compleet intact gebleven.

De Mefisto voor de thuiszorg,

Ru(sh)di(e), 15 juni 2004 (revisie op 26 april 2009)