29-06-12

Herinneringen uit mijn verleden - Hengelaarplezier & sportvisserijvertier

      

Reeds van op heel jonge leeftijd ging ik vissen. Mee met mijn pa, en meestal op paling. Eens ik als tiener, door mijn ouders oud genoeg werd bevonden, trok ik er alleen op uit. Meestal richting provinciaal domein. Een gigantisch terrein met een kasteel, bossen, bloementuinen, een dierenpark, speeltuin en enkele visvijvers. Gelegen op een kilometer of vijf van mijn ouderlijke woonst.

Toentertijd was fietsen binnen het domein niet toegelaten. En omdat de afstand tussen de ingang van het domein en de visputten, toch enkele kilometers bedroeg, had ik voor het transport van mijn spullen een karretje gemaakt. Van het onderstel van een oude kinderwagen, waarop ik een plank had bevestigd.

Het karretje plaatste ik op de bagagedrager achteraan mijn fiets. Mijn door mijn pa, met recuperatiemateriaal gemaakte houten vissersbak, kwam daar nog bovenop te staan. Met snelbinders bevestigde ik dit alles stevig aan mijn fiets. Mijn in een kokervormige stoffen tas gestopte werphengels en oude vissersparaplu, bevestigde ik, met oude lederen riempjes, aan de buis van mijn fiets.

Met al mijn visspullen op de fiets reed ik dan van thuis tot aan de ingang van het domein. En; van daar trok ik vervolgens het karretje met mijn visgerei, middels een stevig touw, tot aan de visvijver.

Het vissen was een vrij sociaal gebeuren. Rond de vijvers trof je vaak dezelfde mensen aan, waaronder ook heel wat jongelui. En bijna uitsluitend jongens en mannen. Eens geïnstalleerd op ons plekje aan het water, gingen we doorgaans bij de reeds eerder aanwezige hengelaars even gaan luisteren of ze al wat hadden gevangen. En zo het antwoord bevestigend was, keken we met graagte naar het door de visser even uit het water getilde leefnet. Om de zich daarin bevindende gevangen vis te aanschouwen. En de betreffende visser te feliciteren met zijn vangst.

Ook als we na een uur of zo turen naar onze dobber, of geduldig wachten op enig geluid van het aan onze werphengels bevestigde alarmbelletje, geen beweging of geluid waarnamen, gingen we elkaar opzoeken. Om onze nood te klagen. En onze benen te strekken. En als er iemand ‘beet’ had, dan kwamen de vissers uit diens buurt rond die gelukzak staan. Om hem bewonderend, en niet zelden met enige jalousie, de buit te zien binnenhalen. Vooral als het grote kanjers betrof, die meestal nogal wat weerwerk boden en moesten worden moe gemaakt, vooraleer te worden opgehaald, gaven nogal wat omstanders gretig hun ongevraagd en meestal ook onnodig en ongewenst advies. Gewoonlijk wel welkom was dan weer de hulp die collega-vissers boden door het reeds in het water houden van het schepnet met behulp waarvan de aan de haak van de vislijn hangende vis op de oever en dus het droge moest worden gebracht.

*****

Op een zekere dag in de vakantie, was ik met een vriend een namiddag gaan vissen in dat provinciaal domein. De buit was mager. Buiten de dikke aal die ik had gevangen. Nogal wat andere, rond de vijver verzamelde vissers, waren jaloers op mijn vangst.

Zo ook de corpulente zoon van de champetter uit een gehucht, grenzend aan de buurt waar ik woonde. Die kerel was een jaar of twee ouder dan mij. Daardoor en tevens door het feit dat we nooit bij elkaar op school hadden gezeten, kende ik de jongen slechts vaag.

Toen mijn maat en ik ons boeltje bij elkaar hadden gepakt en net op het punt stonden om ons via de, naast de vijver lopende, geasfalteerde laan, naar de uitgang van het domein te begeven, kwam die kerel, samen met zijn twee maten, op me af. En vroeg me of hij mijn vangst nog eens mocht zien.

Met enige tegenzin haalde ik de snelbinder van rond mijn op mijn karretje staande vissersbak, opende de klep ervan en haalde er het wit stoffen zakje uit waarin de door mij gevangen aal zat opgesloten. Ik loste de strop waarmee het zakje werd dicht gehouden en liet de inhoud zien: een vette paling van een centimeter of 40 lang, wel minstens 2 centimeter dik en vast minimaal 800 gram zwaar. Die lag te kronkelen in een door hemzelf geproduceerd half transparant wit slijm.

De ogen van de dikke tiener voor me puilden bijna uit hun kassen. Hij wou de aal van me afkopen. En bood er mij maar liefst 500 Belgische Franken voor aan, een goeie 12 Euro. In die tijd, eind de jaren zeventig, was dat, voor een jongere, een ferm bedrag.

Toch was mijn vangst verkopen geen optie. Die nam ik mee naar huis. Om aan mijn huisgenoten te tonen, te doden, te stropen, te kuisen en later zelf op te eten. En ik dacht er nog niet aan om dat ritueel te verbreken voor wat geld.

Die dikzak snapte dat evenwel niet. Hij bekende me dat hij thuis bij voorbaat had opgeschept over zijn visserstalent en de vangt die hij naar huis zou meebrengen. En nu dreigde hij gezichtsverlies te lijden door met kompleet lege handen weer te keren. Dus wou hij hoe dan ook mijn aal. En kwam dreigend en boos kijkend op me af toen ik het zakje weer dicht bond, wegstopte en mijn vissersbak weer aan mijn karretje vastmaakte.

Nu was ik in die tijd zelf geen hummel en best potig, maar toch vermeed ik liefst een fysieke confrontatie met die gast van minstens een kop groter dan mij en met een lichaamsvolume van wel drie keer het mijne. Dus wenkte ik mijn maat en zette het samen met hem op een lopen. Mijn karretje achter me aantrekkend.

De zoon van de champetter bleef eerst enkele seconden verbouwereerd ter plaatse staan, maar gaf toen met de palm van zijn dikke vette pollen zijn beide maten een flinke duw in de rug en zette zich samen met hen in beweging. Me onderwijl dingen toeroepend die ik niet kon verstaan. Want wij waren inmiddels al op geruime afstand van elkaar verwijderd. Met zijn logge lijf, nog verzwaard door de ballast van zijn visgerei, kon die gast trouwens mijn tempo absoluut niet aanhouden. Toen hij en zijn vrienden de uitgang van het domein bereikten, zaten mijn vriend en ik reeds op onze met het visgerei geladen fietsen en reden we gezwind weg van de fietsstelplaats. Die vetzak zonder visvangst het nakijken gevend.

Thuisgekomen toonde ik vol van trots mijn vangst aan mijn moeder. Die blij was met mijn succes. En verzekerde me dat ook mijn pa, bij thuiskomst van zijn werk, verheugd zou zijn over mijn vangst van zulk een ferme paling.

Over het conflict met de zoon van de champetter zweeg ik wijselijk. Het had geen zin om mijn ma nodeloos bezorgd te maken. Bovendien wou ik ten alle prijze vermijden dat ze me niet langer zou toelaten om alleen of met vrienden te gaan vissen.

Als steeds maakte ik zelf mijn vangst gereed om klaar te maken voor consumptie. Daar was ik goed in. Ook de buurjongens kwamen, als ze bij het vissen iets hadden gevangen, bij mij langs om hun vis te laten doden en kuisen. Dat deed ik buiten, of bij slecht weer, in onze garage.

Net onder de kop van mijn nog levende paling maakte ik met een scherp mes een snede. Waarna ik, terwijl ik met een vod de kop vasthield, met een oude platte bektang, de huid van de aal vastkneep en van diens lijf stroopte. Vervolgens sneed ik zijn buik open in de lengterichting. En haalde alle ingewanden uit het lijf door mijn duim van aan de kop tot aan de staart door het lijf te bewegen. Dan sneed ik de kop eraf en spoelde en wreef de overgebleven resten proper in een emmer met proper putwater. Dat ik middels onze oude waterpomp aan de oppervlakte had gebracht. Met keukenpapier depte ik daarna het vlees proper. En bracht het dan naar mijn ma. Die het in een zakje stopte en in de diepvries deponeerde. Om er later, samen met andere door mijn pa en mij gevangen palingen, een heerlijke maaltijd mee te bereiden.

*****

Door dat vaak uit vissen gaan naar dezelfde waterput, leerde ik er dus snel jongens kennen die daar dezelfde hobby uitoefenden. Het waren doorgaans kerels van ongeveer mijn leeftijd of enkele jaren ouder. Soms zat ieder gewoon op zijn eigen plekje en brachten we elkaar zo nu en dan een bezoekje. Om te zien wat de andere al had gevangen, maar vaak ook gewoon om een praatje te slaan en zo de tijd te doden.

Soms troepten we ook samen en zaten we allemaal naast elkaar met onze vislijnen. Door ons gestoei en gebabbel werden de vissen vast afgeschrikt, want veel werd er op die momenten doorgaans niet gevangen. Ook niet die keer dat ik als twaalfjarige met de enkele jaren oudere, aan de visput ontmoette Wouter en nog een tweetal andere gelegenheidsvrienden, aan het vissen was. Het was warm weer en we hadden dan wel nog niet eens beet gehad, de leute was er niet minder om.

Op een gegeven moment kwam er op het wandelpad, gelegen op een tiental meter van, en iets hoger dan, de visvijver, een knap blond grietje aangetrippeld. Uiteraard was Wouter de eerste uit ons groepje die het meisje had opgemerkt. De praatgrage kerel zat immers meer rondom zich te kijken dan naar de dobber van zijn vislijn. Hij maakte ons, de andere drie, met opgewonden stem, attent op die mooie verschijning. En het korte rokje dat ze droeg onder het al even weinig verhullende topje van het, voor haar vermoedelijk zowat vijftien jarige leeftijd, reeds fraai gevormde lichaam.

Wouter floot luid tussen zijn tanden. De frêle schoonheid stopte en keek ons glimlachend aan. Waarop Wouter haar uitdagend vroeg of dat rokje niet nog wat hoger kon. “Oh, jawel hoor!” zei het meisje lachend, “Ik draag er toch nog een broekje onder!” Waarop het lekker ding haar minirokje optilde en wij een nauw om haar lijf spannend bleekroos onderbroekje te zien kregen.

Wouter sprong van opwinding bijna uit zijn eigen broek. Zenuwachtig, met blozende kaken en trillende stem vroeg hij aan het meisje waar ze heen ging. De speeltuin, zo liet ze weten. En toen ze met haar lieflijke stem positief antwoordde op zijn vraag of hij mee mocht gaan met haar, was Wouter niet meer te houden. Verbaast keken we toe hoe de jongen vliegensvlug al zijn visgerij bij elkaar scharrelde, ons nog snel ten afscheid groette en vervolgens naar dat meisje toe holde.

Wij, achterblijvers, keken die twee nog even na. Wouter met zijn zware visbak middels een riem op de rug dragend, in één hand de lange smalle zak met zijn vislijnen en met de andere hand wild gebaren makend. Terwijl het naast hem stappende meisje hem, onder het verleidelijk bij elkaar nemen van haar lange sluike haar, glimlachend aankeek. Waarschijnlijk was onze maat die knappe deerne een verzonnen verhaal aan het vertellen over eerdere wonderbaarlijke visvangsten.

Wouter zagen we die dag niet meer terug. Maar een dag later was hij wel terug van de partij. En bracht de jonge kerel, onder het vissen, in geuren en kleuren verslag uit van de formidabele namiddag die hij had beleefd met die mooie, vrouwelijke leeftijdgenote.

Ru(sh)di(e), 23 oktober 2011 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 januari 2012.

08-04-12

Pasen

  

Zalig Paasfeest!


pasen,chocolade,meisje,babe,bunny,bruintje,bodypaint,paashaas,body-paint,body_paint,haas,geel,sexy,paasdag,christen,feest,liturgie,jezus,paaszondag


01-01-12

Nieuwjaar 2012

  

Enkele nieuwe teksten om te posten zijn bijna klaar.

Maar in afwachting daarvan wens ik jullie alvast een SEXY Nieuwjaar!

 

Sexy girl - 033 (in a convertable car).jpg

  

02-11-10

Heden en verleden - Damesfiets

      

Gedurende de laatste jaren van mijn middelbare schooltijd gebruikte ik vaak mijn moeder haar, toen nieuwe, bruinkleurige fiets om me naar school te verplaatsen. Ik reed immers veel liever met een damesfiets, waarop je rechtop kan zitten, dan met een herenfiets, waarop je je in een voorover gebogen zithouding voortbeweegt.

Toentertijd had ik halflang haar. En droeg ik meestal een jeansbroek. Van die nauw om je lichaam spannende exemplaren. En mijn bovenlichaam stak vaak in een trui die tot onder mijn zitvlak reikte. Of een hemd van een type dat zowel door meisjes als door jongens werd gedragen, met de lange slippen boven de broek gehangen. Met als gevolg dat ik, als fietser, zo nu en dan door jongens werd nagefloten. Die zagen mij, vanaf de rug gezien, immers aan als meisje! Toen vond ik dat helemaal niet leuk. Maar als ik daar nu aan terugdenk, vind ik dat vrij grappig.

Op de dagen dat ik met mijn ma haar fiets mijn schoolse plicht vervulde, stalde ik dit stalen ros niet in de reguliere, door de onderwijsinstelling voorziene parkeerstalling. Daar moest die immers aan een haak worden gehangen. Wat heel sletig was voor het rijwiel. En ik vond het mijn plicht om uiterste zorg te dragen voor mijn ma’s gerief. Ik was al blij dat ze die fiets zo gewillig aan mij toevertrouwde. Dus haar eigendom in goede staat houden was het minste wat mijn ma van me mocht verwachten.

Daarom plaatste ik haar mooie rijwiel tussen de bomen aan de hoofdingang van de school. Op een plek waar voortdurend volk passeerde. En netjes beveiligd met het wielslot waar ma’s velo mee was uitgerust. Een toenmalig modern gadget dat het gedoe met losse fietssloten overbodig maakte. De eerste keren dat ik met ma’s fiets naar school kwam, controleerde ik tijdens de pauzes telkenmale of hij er nog stond. Maar al snel stapte ik af van die gewoonte.

Toen ik na een examen, waarbij we de school mochten verlaten eens we ons antwoordenblad hadden afgegeven, bij de fiets arriveerde, kwam ik tot de vaststelling dat ik het sleuteltje van het fietsslot kwijt was. Ik tastte alle zakken van mijn kledij af, maar kon dat drommelse kleine ding helaas niet vinden. Was ik het dan verloren, onderweg van het klaslokaal naar de stalplaats? Ik speurde het ganse traject af, tot twee keer toe, maar kon jammer genoeg het sleuteltje niet vinden.

Dus ben ik maar in een werkplaats van de school een stevige tang gaan lenen. Een zogenoemde betonschaar. In elk van mijn pollen hield ik het uiteinde van één van die wel een halve meter lange handvatten vast. De hardstalen bekken van het werktuig plaatste ik op het stukje buis van het fietsslot dat tussen de spaken van het achterwiel stak om zodoende het ronddraaien ervan te vermijden. Met pijn in het hart bracht ik met een, vanwege het hefboomeffect, weinig benodigde kracht, mijn handen naar elkaar. Waarbij het stukje buis werd doorgeknipt en ik het vervolgens probleemloos kon verwijderen. En na het terugbrengen van dat stuk knipgereedschap, gezwind met de fiets naar huis kon rijden.

Met een ei in mijn strakke broek natuurlijk, want ik had mijn ma haar mooie, nieuwe, voor haar verplaatsingen zoals boodschappen doen zo noodzakelijk instrument, een stukje kapot gemaakt. Welks scene er zich bij mijn thuiskomst afspeelde, kan ik mij niet meer herinneren. Dus vermoed ik dat mijn ma niet al te zwaar heeft getild aan het gebeurde. Ze kende mij als een zorgzaam type persoon en wist dus dat ik dat sleuteltje niet uit onachtzaamheid zou zijn kwijtgespeeld. Dat ik een goed examen had gemaakt interesseerde haar toen vast meer. En dat ik die namiddag onbezorgd studeerde voor het examen van de dag nadien was op dat moment waarschijnlijk ook een grotere bekommernis. Vermoedelijk is moederlief, vanaf die dag, om haar rijwiel vast te zetten, terug een gewoon cijferslot uit onze collectie beginnen gebruiken.

*****

Toen mijn ma zich vele jaren later opnieuw een nieuwe fiets aanschafte, gaf ze de oude, een iets meer dan een decennium eerder soms nog door mij bereden fiets, aan mijn echtgenote cadeau. Nog steeds in goede staat, want zorgzaam onderhouden door mijn ouders. En inclusief fietszakken, die inmiddels aan het fietsstoeltje waren bevestigd. Dat wielslot bevond zich ook nog steeds in de toestand waarin ik het had gebracht. Dus onbruikbaar. Het door de fietsmaker later vervangen door een nieuw exemplaar was er blijkbaar nooit van gekomen. Of mogelijks door mijn ouders te duur bevonden.

De fiets kreeg een plaatsje toegewezen bij de andere rijwielen in onze garage. Waaronder de voorheen door mijn vrouw gebruikte tweedehands fiets. Welke werd op rust gesteld, maar behouden als reservefiets. Zo begon ma’s oude fiets aan een nieuw leven. Waarin het voortverplaatsingsmiddel heel wat minder intensief werd gebruikt. Af en toe voor een marktbezoek, nu en dan eens om brood te halen bij de bakker en hoogst zelden voor een fietstochtje.

*****

Een jaar of drie geleden kocht ik mijn beide zoons elk een moderne, sportieve herenfiets. Waarvan ze, binnen het door mij beschikbaar gestelde budget, ieder voor zich, zelf het merk en model mochten uitkiezen. Waar ze heel blij mee waren. Dit in tegenstelling tot de gevoelens die ze uitten toen ik hen naderhand een mooie, sobere maar kwalitatieve fietshelm bezorgde. Waarvan ik verwachtte dat ze die op hun hoofdje zouden zetten bij elke verplaatsing met hun nieuwe, overeenkomstig hun lichaamsgrootte, nog net iets te grote fiets.

Sinds het begin van dit jaar is één van mijn zoons begonnen met nogal vaak zijn moeders fiets te gebruiken bij zijn verplaatsingen naar school, het zwembad, de bakker of andere bestemmingen. Vooral die fietszakken vind de jongen erg praktisch en handig. Om het brood van bij de bakker in op te bergen, zijn inline skates of zwemgerei in te vervoeren bij het uit sporten gaan en zo meer.

Het rijwiel is, door een vrijwel totaal gebrek aan onderhoud, volledig doorroest en oogt helemaal niet fraai meer. Maar dat deert mijn zoon blijkbaar niet. Volgens hem bolt het oude karretje trouwens zelfs beter dan zijn door opa’s noeste arbeid nog steeds als nieuw ogende herenfiets.

Mijn zoon Brian op de van oorsprong zijn oma’s fiets… een déja vu? De kledij waarmee de jongen op de fiets zit verschilt wel wezenlijk van mijn toenmalige outfit. Hij draagt ook wel vaak jeans, maar van die net iets te grote modellen, die hij dan overeenkomstig de huidige mode, halverwege zijn poep laat hangen. Zodat minstens de helft van zijn onderbroek voor iedereen zichtbaar is. Terwijl in mijn tijd ondergoed zedig werd onttrokken aan het oog van anderen.

Lange truien of dito hemden draagt mijn zoon niet. En zijn bruine krulletjes worden meestal heel kort gehouden. Behalve als hij, zoals nu, aan het sparen is voor wat haar om er vervolgens vlechtjes in te laten leggen. Zoals menig topvoetballer, rapper of hiphopartiest.

Aangezien mijn dertienjarige zoon er dus, in tegenstelling tot zijn pa, bijna twee decennia eerder, langs geen enkele kant bekeken, ook maar een beetje vrouwelijk uitziet, zal hij allicht nimmer door jongens worden nagefloten. Tenzij het dan kerels zou betreffen die vallen voor menselijke exemplaren van hun eigen soort. Maar van dergelijke voorvallen heb ik geen weet. En ik ben er heel zeker van dat zoonlief zulks absoluut niet leuk zou vinden. En helemaal niet grappig!

Rudi, 20 mei 2010 (publicatie op mijn blog ‘Rudi’s kijk op de wereld’), revisie op 2 november 2010.

27-05-10

Heden en verleden - Het leven zoals het is

  

Vorige week was ik aanwezig in een bankkantoor waar ik tot dan toe niet als klant was gekend. De reden van mijn bezoek aldaar was het openen van een bankrekening. Zonder slag of stoot ging dat niet. Want het computersysteem weigerde in eerste instantie, en ook in tweede, mijn identiteitsgegevens te bewaren, die via mijn in een kaartlezer gestopte identiteitskaart, op het computerscherm verschenen.

Bijgevolg dienden mijn gegevens op de conventionele manier te worden ingebracht. Zijnde het inscannen van de beide zijden van mijn elektronische identiteitskaart en van mijn handtekening. Waar serieus wat tijd in kroop. Wat ik dacht in een kwartiertje geregeld te krijgen, nam uiteindelijk drie keer zoveel tijd in beslag!

En mensen, wat een massa papier ging er bij deze handeling verloren. Die registratiepapieren, in drie exemplaren, het afdrukken van de voorwaarden en zo meer. Ecologisch gezien betekent het openen van een bankrekening, op zulk een manier, ernstige roofbouw op de natuur. Papier, inkt, elektriciteit... Mijn ecologische voetafdruk bedraagt alweer een maatje meer. Helaas! Maar gedane zaken nemen geen keer, dus ga ik me voor de rest niet druk maken over dit feit.

Wat ik enigszins raar vind is dat de dame die deze formaliteiten vervulde, gegevens wou over mijn inkomen, wou weten welke inkomsten er op die net geopende rekening zullen worden gestort en ze me daarenboven, weliswaar vriendelijk, doch enigszins dwingend, de vraag stelde of ze mocht weten wat ik van plan ben om met die rekening aan te vangen.

Waarschijnlijk is dit een routinevraag, maar ze kwam bij mij nogal raar over. Alsof bijvoorbeeld een dakwerker zal zeggen dat hij op zijn nieuwe bankrekening zijn uit zwartwerk verkregen inkomsten zal storten. Of een witte boord crimineel zal verklaren dat hij er zijn frauduleus verkregen gelden op zal parkeren. Of een drugsbaas aan een bankbediende zal bekennen dat hij net een rekening opende om er de opbrengsten van zijn drugstrafiek op onder te brengen.

Voorts vind ik zulk een vraag een ernstige inbreuk op de privacy. Stel je voor dat ik aan een sollicitant, die zich bij mij aandient voor een openstaande vacature, zou vragen wat de  kandidaat zinnens is om aan te vangen met het geld dat zij of hij bij een eventuele aanwerving, bij mij kan verdienen? Ik zou ongetwijfeld nogal een hevige reacties krijgen. En mogelijks niemand vinden om voor me werken. Terecht, overigens!

Maar ik hield me, in tegenstelling tot wat mijn gewoonte is, gedeinsd. Dat ganse gedoe met al die paperassen had al zo veel tijd gekost, dat ik geen zin had om er nog meer te verspillen door een nutteloze discussie aan te gaan met iemand die vast enkel uitvoerde wat haar overste haar heeft opgedragen.

Toen die vrouwelijke bankbediende alle verkregen data opsomde riep in haar op een gegeven moment even halt toe. Want bij burgerlijke stand had ik gehoord 'ongehuwd'. Terwijl ik officieel wel al sinds 1993 ben getrouwd. Die status wijzigen was volgens de bankbediende evenwel onmogelijk, omdat het gegeven zo van mijn identiteitskaart werd gelezen. Vreemd...

*****

Enkele dagen voordien had de, volgens de aan mijn identiteitskaart gekoppelde data, niet bestaande echtgenote, op mijn herhaald verzoek, mijn nog, in wat vroeger onze gezamenlijke slaapkamer op de eerste verdieping was, aanwezige kledij, in een grote doos en een dito geruite verhuiszak gestopt. Zodat ik ze elders, in een voor mijn assistenten toegankelijke ruimte, zou kunnen onderbrengen.

Terwijl ikzelf in de woonkamer zat, op het gelijkvloers, zoals vaak voor mijn computer, was zoon Brian blijkbaar toevallig getuige van de activiteiten van zijn ma. Want ik hoorde hem plots, door het houten vloer annex plafondgewelf uitroepen 'awesome!' (formidabel!). Waarna ik hem van de, ook al houten, trap hoorde naar beneden denderen. Waar even later de deur tussen onze hal en de woonkamer open vloog, en mijn zoon door het deurgat de kamer binnen stormde. Uitgedost in een beige broek die ooit tot mijn zondagse outfit behoorde en mijn, uit een ver verleden afstammende, zware zwartlederen motorvest.

Uitgelaten en blij stond de jongen daar te draaien, zich te showen voor mij en voor zichzelf. Dat laatste was mogelijk door de weerspiegeling van zijn gedaante in het glas van een manshoge vitrinekast die in onze living staat opgesteld. Brian had deze kledij gegraaid uit die door mij ter beschikking gestelde doos. Ooit de stevige kartonnen verpakking van een groot computerbeeldscherm.

Een dag later heb ik, met de praktische hulp van mijn assistente, alle overgebleven kledij van vroegere jaren eens aan mijn gezichtsveld laten passeren en er de items uitgehaald waarvan ik vermoedde dat ze mijn kinderen zouden passen en waarin ze mogelijks zouden kunnen geïnteresseerd zijn om ze aan hun garderobe toe te voegen.

In de avonduren heb ik hen die kledingvoorraad dan naar de woonkamer laten brengen. En mochten ze hun keuze maken. Wat me een verkleedschouwspel bezorgde dat aangenaam was om te zien.

*****

Het weerzien van een deel van mijn kledij van een tijd geleden, deed me terugdenken aan mijn favoriete kledingstukken van nog vroeger. In de decade tussen mijn vijftiende en mijn vijfentwintigste levensjaar droeg ik graag strakke, nauw om het lijf spannende broeken. Waarvoor je plat achterover op je bed moest gaan liggen om ze aan te trekken. En je buik diende in te trekken om de rits gesloten en de broeksknop dicht te krijgen.

Meestal droeg ik jeans. Maar af en toe kon ook een uit een andere textielstof vervaardigde pantalon, mij bekoren. Zo had ik, ten tijde van mijn voorlaatste jaar aan de middelbare school, een witte broek. Die enkel ter hoogte van mijn onderbenen enige ruimte vrij liet tussen het kledingstuk en mijn huid.

Op het einde van het schooljaar had ik mij vrijwillig aangemeld om ter voorbereiding van het opendeur weekend, op een vrije namiddag, het elektronicalokaal van onze school op te ruimen en enigszins aantrekkelijk in te richten. De klus was bijna geklaard toen ik mij hurkte om iets op te heffen en bij deze handeling de achterkant van mijn strakke witte broek hoorde en voelde scheuren.

Snel stelde ik me recht en voelde met mijn beide handen aan mijn bibs. Mijn broek was netjes in twee gescheurd, over de gehele lengte van mijn bilspleet! Nog een geluk dat ik die ochtend een propere onderbroek had aan getrokken. Want mijn twee klasgenoten, met wie ik de werkzaamheden verrichtte, waren op het geluid van die scheurende stof en mijn daarop aansluitend gevloek afgekomen en keken grinnikend naar mijn zitvlak.

Gelukkig droeg ik een lange zwarte gebreide wollen trui, die ik zo ver als enigszins mogelijk was, over mijn poep trok om de averij zoveel als mogelijk aan het zicht van anderen te onttrekken. Volgens mijn nog steeds glimlachende maten lukte dat op die manier vrij goed.

Het afwerken van de klus in het labo liet ik over aan hen en de leerkracht die poolshoogte kwam nemen, maar aan wie ik niks over mijn gescheurde broek vertelde. Aangezien ik me er eigenlijk een beetje voor schaamde.

Spiedend stapte ik over de verlaten speelplaats, richting de boom aan de uitgang, waar ik mijn moeder haar fiets had gestald. Het gebeurde wel vaker dat ik mijn ma haar tweewieler gebruikte op momenten dat ze hem kon missen. Dat, als gevolg van de opbouw van het tweewielig vervoermiddel verplicht voorover gebogen zitten op een herenfiets vond ik immers niet zo leuk. Vandaar dat ik me liever met een damesfiets verplaatste.

Wat me nu trouwens ook uitermate goed uitkwam. Want gezeten op mijn mannenfiets had ik, tijdens de 8 kilometer lange rit huiswaarts, mijn billen nooit geheel kunnen onttrekken aan het zicht van eventuele passanten. Wat me, gezeten op mijn ma haar fiets, wel redelijk lukte. In een zo rechtop zittende houding als enigszins mogelijk was, wisselde ik voortdurend van hand om het stuur vast te houden, zodat ik met de vrije hand mijn omhoogschuivende trui naar beneden kon trekken. Allicht heb ik toen kunnen ervaren hoe het aanvoelt als je als meisje, met een ultra kort jurkje of rokje aan, met je onderbroek op het fietszadel zit.

Daar denk ik nu aan. Want toen was al mijn aandacht gericht op de vrees om bekenden tegen te komen die zouden merken wat er met mijn broek aan de hand was. En voor schut staan en mogelijks de dagen nadien door de halve schoolbevolking of een kwart van mijn dorpsgenoten uitgelachen worden, daar had ik als tiener totaal geen zin in.

Rudi, 8 maart 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 12 mei 2010.

07-04-10

De avonturen van Rudi & Co - Opschudding in de zaal

  

Naar buiten en onder het volk komen is voor elke mens zo belangrijk. En je komt al eens 'iets' of 'iemand' tegen als je je als persoon in kwestie buitenshuis verplaatst. Dat kan eenieder getuigen, en ook ik ben daar geen uitzondering op.

Zaterdag jongstleden ben ik naar de plaatselijke Kerstmarkt geweest. Het zag er allemaal best gezellig uit. Maar voor mij is zulk een evenement iets dat je best en liefst in gezinsverband aandoet. Zelf had ik in mijn uppie ook jammer genoeg niet de kans om een warme chocomelk te drinken of van één van die aanlokkelijke warme snacks te smullen. Mijn enige, beperkt functionele hand, de linker, was immers volledig verstijfd van de kou.

Toch vond ik dit uitje de moeite waard. Al was het maar omwille van de vriendelijke begroetingen door bekenden, de burgemeester incluis, de vele vrolijke mensen, al dan niet in die toestand als gevolg van het drinken van alcoholische dranken, de sfeervolle Kerstmuziek... en vooral de artiest die op een podium ijssculpturen vervaardigde. Uit blokken ijs heb ik die man, met kettingzaagjes en beitels als gereedschap, een Kerstster (met staart) en een engeltje zien tevoorschijn toveren. Prachtig vond ik dat!

Een drietal weken eerder bezocht ik de zondagse rommelmarkt op het stationsplein van mijn woonplaats. In gezelschap die keer. Maar er waren jammer genoeg vele gelegenheidshandelaars niet komen opdagen. Allicht omwille van het toenmalig wisselvallige weer.

Toen ik op het punt stond om naar huis te rijden, maar nog even genoot van het zicht op de activiteiten op het plein, kwam een vrouw op ons af die de mij vergezellende jongedame aansprak. Ik zei de vrouw, luid en duidelijk dat, als ze iets te zeggen had, ze mij moest aanspreken. Ze bekeek me eens raar en begon toen weer te babbelen tegen het meisje naast me. Ik herhaalde wat ik ook daarvoor reeds had gezegd, maar mijn woorden mochten niet baten.

Na nog eens hetzelfde scenario kwam ik dan toch te weten dat die vrouw me weg wou van de plaats waar ik stond. Omdat haar man zo meteen ging komen met de auto, om hun spullen in te laden.

Als er nu iets is waar ik een hekel aan heb, dan is het om te worden aanzien, beschouwd en behandeld als zijnde een breinloos, onmondig, in de weg staand 'object'. Dus zei ik die vrouw dat ik mij wel zou verplaatsen op het moment dat de omstandigheden dat zouden vereisen, in casu als haar man met hun vierwieler ten tonele zou verschijnen.

De vrouw keek me dom aan. Ik keerde haar de rug toe, maar draaide me onmiddellijk terug om en zei dat ik het niet prettig vond om als een 'obstakel' te worden behandeld en dat ze het in de toekomst best zou laten om mij en anderen zo te behandelen. Als antwoord kreeg ik te horen 'een zaag' te zijn, waarna de vrouw wegliep. Ik draaide me geheel rond. Tijdens het keren was ze teruggekeerd. Toen ik haar zei dat van me weglopen wel erg laf was, stak het vrouwmens haar armen in de lucht en riep ze uit: "Ik heb het hem beleefd gevraagd, maar 'die' wil hier maar niet weggaan!" "Dat is omdat dit plein van iedereen is en niet van jou alleen" liet ik haar nog weten, waarna ik doorreed. Net op het moment dat die partner met zijn auto verscheen. Verbaast kijkend naar zijn met haar armen hemelwaarts gerichte partner.

Het vrouwmens is waarschijnlijk zwak begaafd, maar dat is naar mijn mening geen excuus. Al te vaak kom ik in contact met personen die het huis niet meer uitkomen omdat ze buitenshuis vaak 'onmenselijk' worden behandeld, of voortdurend het slachtoffer zijn van ontoegankelijkheid. Dus blijf ik tot in den treure tegen al dit onrecht ageren. In het belang van de 'mensheid' en de 'menselijkheid'! Ze hadden potverdikke die Nobelprijs voor de Vrede net zo goed aan mij kunnen geven, in plaats van aan Obama! Deze laatste, vaak verkeerdelijk als 'zwarte' aangeduid, zit er blijkbaar ook mee verveeld deze eerbetuiging (nu al) te krijgen. Dat zou ondermeer kunnen af te leiden zijn uit wat hij over zijn eigen dankrede zegde. Namelijk dat hij ze best goed vond opgemaakt, en zelfs in die mate dat hij aan het eind ervan, er bijna zichzelf mee had overtuigd dat bij die prijs wel echt heeft verdiend.

Dit najaar ben ik reeds een aantal keer op donderdagavond naar de film geweest in het Cultureel Centrum van mijn woonplaats. Hun filmplanning past goed in mijn leefschema: aanvang om kwart na acht, dus doorgaans afgelopen omstreeks tien uur. Zodat ik zonder me te hoeven haasten, terug thuis ben tegen half elf, het tijdstip waarop mijn thuisverpleegkundige me normaliter komt verzorgen en in bed helpen.

De laatste keer dat ik ging kijken, draaide men er de Franse film 'Un prophète'. Een boeiend, interessant, maar 'ruig' gevangenisdrama. Veel volk was er niet. Ik denk een honderdvijftigtal personen. En allen zaten ze op de tribune. Terwijl ik op de begane grond, in het gangpad stond, tussen de onbezette stoelen.

Toen de film, naar ik vermoed, een drietal kwartier bezig was, werd er een huiveringwekkende scène getoond. In zijn eigen cel werd een kerel, door het hoofdpersonage, met een scheermesje de keel overgesneden. Waarna je het slachtoffer op de vloer zag liggen doodbloeden, terwijl er nog een aantal keer een sluiptrekking door diens lichaam ging. Net echt!

Kort daarna hoorde ik stemmen in de zaal. En toen ik rechts van me keek, zag ik mensen de trappen afgaan en via het gangpad aan de andere kant van de zaal, zich begeven naar de uitgang aldaar. Waren die zo geschokt door dat bloedige fragment dat ze verkozen er vandoor te gaan? Maar kon dat dan niet zonder de andere bioscoopbezoekers te storen?

Terwijl ik deze overdenking maakte, en middelerwijl ook trachtte het verhaal verder te volgen, stopte men de filmspoel. Hier moest dus meer aan de hand zijn. Een dame haastte zich tot vooraan in de zaal. Om ons toe te spreken en de reden voor de onderbreking mede te delen, zo verwachtte ik. Maar het was om de lichten aan te steken. Het bleef dus gissen naar de reden van de interruptie. Misschien was men, zoals ik al een keer eerder meemaakte, de verkeerde film aan het afdraaien? Of was er ergens in de zaal brand uitgebroken? Of in de ontvangstzaal ernaast, want sommige mensen liepen de zaal waarin ik me bevond, eerst uit, en vervolgens weer in.

Gedurende het omdraaien van mijn rolstoel, teneinde de filmliefhebbers op de tribune te zien, bedacht ik ook de mogelijkheid dat er iemand onwel was geworden bij het zien van die even daarvoor vertoonde gruwelijke beelden. En, afgaande op wat mijn ogen even later te zien kregen, was dit inderdaad de oorzaak van de ongeplande en ongewenste pauze.

Een groepje mensen zat en stond omheen een ietwat corpulente heer die op een zitje zat op één van de bovenste tribunerijen en die er, gezien vanaf mijn positie, niet erg fris uitzag. Nu was het klimaat er wel naar geschapen om onpasselijk te worden: een warme zaal en op het scherm een bloederig tafereel. De nooddeuren in de zijwand werden open gezet om wat koelte en zuurstof in de zaal te brengen. Tenminste ik vermoed dat dit de intentie was, want nog steeds had niemand het initiatief genomen om alle aanwezigen in de zaal op de hoogte te stellen van wat er aan de hand was.

Verschillende mensen verlieten de zaal. Die hielden het blijkbaar voor bekeken. Omdat de inhoud van wat ze tot dan toe van de film zagen, hen niet aanstond? Omdat de interruptie hen al te lang duurde? Of omdat ook zij in katzwijm dreigden te vallen? Joost mag het weten. Maar hoeft het niet aan me door te zeggen omdat deze informatie totaal onbelangrijk is.

Alhoewel het er naar uitzag dat er niks meer aan de hand was dan een appelflauwte, werd naar hetgeen ik van op mijn plek kon horen, toch de 100 gebeld. In afwachting van de ziekenwagen, werd de 'zieke' , ondersteund door zijn gezellen, de trappen af en naar buiten geleid. Even later kwam de technisch verantwoordelijke van dienst dan melden dat hij de projectie zou laten verdergaan. Niemand protesteerde. Het incident had alles bij elkaar een twintigtal minuten oponthoud veroorzaakt.

Het vervolg van de film bleef hard en gewelddadig, maar de meest akelige scène hadden we klaarblijkelijk toch reeds gezien. Of het door de onverwachte onderbreking kwam of gewoon omwille van het feit dat een film naar mijn goesting niet al te lang mag duren, feit is dat ik een uur later een beetje ongeduldig op het einde van de prent zat te wachten. Die film bleef immers maar duren. En op een gegeven moment kreeg ik al een SMS'je van mijn verpleger met de vraag of ik reeds thuis was.

Liever het einde van de film missen, die me toch niet echt meer boeide, dan een nacht in mijn rolstoel te moeten doorbrengen. Het was trouwens niet enkel mijn thuisverpleegkundige die me thuis verwachtte. Ik had er ook op gerekend bijtijds thuis te zijn om het op een redelijk tijdstip naar bed gaan van mijn zoons te controleren!

Maar hoe zou ik voortijdig de zaal kunnen verlaten? Ik trachtte oogcontact te maken met de toeschouwers die het minst ver van me af zaten. Mogelijks door de duisternis bleef deze actie evenwel zonder succes. Alle ogen bleven op het witte doek gevestigd. Gebaren durfde ik niet te maken, want gezien hetgeen eerder die avond was gebeurd, dacht men dan mogelijks dat er ook met mij iets loos was. En ik wou het niet meemaken dat men ook voor mij, en onnodig, de filmprojectie zou stoppen.

Dus zette ik mijn lichten aan en reed zachtjes achterwaarts richting uitgang. Waar ik hoopte dat de deuren zouden openklappen als ik er zachtjes tegenaan reed. Dat lukte... deels. Halverwege kwam ik namelijk vast te zitten. Ik slaakte een zucht en gromde toen een vloek waarin de naam voorkomt van dat opperwezen waarin ik niet meer geloof. Dat hielp me wonderwel vooruit, want het woord was nog niet koud of daar stond reeds een werknemer van het Cultureel Centrum naast me, die me uit mijn benarde positie kon redden. Van die man vernam ik ook dat die film er één is die tweeëneenhalf uur duurt!

Diezelfde persoon ging ook met me mee om de dubbele draaideuren aan de toegang tot het gebouw open te houden. Waarna niks me nog in de weg stond om, na even snel telefonisch mijn komst aan te kondigen, in de stilte van de donkere nacht, gezwind huiswaarts te rijden.

Rudi, 15 december 2009 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 26 december 2009.

03-04-10

Rudi’s overdenkingen - Dubieuze getuigenissen

  

Vorige zaterdag was het Halloween. En mijn zoon Brian had het plan opgevat om, net zoals vorig jaar, met een maat de huizen in onze buurt af te gaan. Puur voor de lol en in iets mindere mate tevens om gratis aan wat lekkers en aan enkele Euro's te geraken! Vorig jaar had die activiteit hem immers ook een aardige buit opgeleverd.

De avond ervoor kwam er een vriend logeren, die net als hij eigenlijk reeds de vrijdagavond op pad wou. Daar hadden wij, de ouders, niks op tegen, zolang de jongens voorzichtig zouden zijn en terug thuis op het door ons vooropgestelde tijdstip.

Voor ze vertrokken lieten ze zich door ons keuren. In tegenstelling tot eerdere plannen had Brian geen masker opgezet, waardoor hij goed herkenbaar was. Dus had ik er geen bezwaar tegen dat hij een neppistool meenam. De buren die hij wou verrassen, kennen mijn zoon goed genoeg om niet te denken met echte overvallers te doen te hebben.

Nog geen half uur waren ze weg, toen er op de deur werd geklopt. Wij verwachtten geen bezoek, dus ik vermoedde dat het of onze eigen jongen en zijn maat waren die voor de deur stonden, of andere verklede individuen die ook niet tot de volgende dag hadden kunnen wachten vooraleer op Halloweentocht te gaan.

Lichte paniek bij mijn vrouw, want ze had niet onmiddellijk snoepjes bij de hand om af te staan. Dus ging ze maar eerst de voordeur openen. Ik hoorde wat over en weer gepraat, draaide me richting binnendeur en zag daar even later twee personen verschijnen. Verkleed... in een blauwe outfit. Een Politie-uniform. Het bleken trouwens echte agenten te zijn, of inspecteurs, want dat werd er niet bijgezegd.

Na hen verwachtte ik mijn zoon en diens maat te zien verschijnen, want ik vermoedde onmiddellijk dat dit politie was op patrouille die de jongens abusievelijk als schurken had aanzien en na verhoor van de jongens nu bij de ouders hun verhaal kwam checken.

Niks van dat evenwel. Hun bezoek had te maken met iets totaal anders. Op 15 augustus van dit jaar zijn wij met het gezin naar het Oogstfeest geweest van de plaatselijke Landelijke Gilde. Waar mijn zoon Brian 's avonds de playbackshow won.

Nu bleek daar, volgens de mannelijke helft van het politieduo, in de buurt van waar dat evenement was doorgegaan, een weiland te liggen, waar toen van die grote, ronde, in plastiek gewikkelde balen stro zouden  hebben gelegen. Waarvan er die dag enkele zouden zijn beschadigd. En een 'getuige' zou mijn vrouw hebben zien staan telefoneren op de verharde weg naast dat land, terwijl haar kinderen op die balen aan het spelen waren.

Een 'getuigenis' die uiterst dubieus is. Mijn kinderen hebben die dag niet met elkaar opgetrokken, dus kunnen nooit samen op zo een baal stro zijn gezien. Het enige dat klopt in het verhaal is dat mijn kinderen hun mama op een gegeven moment een wandeling is gaan maken. Ze meende zich inderdaad te herinneren en acht het heel waarschijnlijk dat ze toen aan het bellen is geweest. Maar van op balen stro spelende kinderen dacht ze niet iets te hebben opgemerkt.

Onze kinderen kunnen het in ieder geval niet zijn geweest, want die waren op dat moment elk op een andere plek aanwezig op het 'evenemententerrein'. En ik had daar goed zicht op want ik heb, omwille van de overdadige zonneschijnhitte die dag, de ganse tijd in de schaduw gezeten aan de rand van dat plein.

Los van de feiten vraag ik mij af welke schade spelende kinderen aan die balen kunnen hebben aangericht. Waarvoor de eigenaar nu van de 'daders' een schadevergoeding wil eisen. Volgens die politiebeambte was een deel van de plastiekfolie eromheen, kapot getrokken. Maar daar gaat dat stro toch niet van 'stuk'? En wat dan met de twee rollen ongecoate hooibalen die bij één van de spelletjes werden gebruikt? Niet goed genoeg meer als voer voor de beesten of desnoods als vloerbedekking in de stallen?

Wat een laffe en achterbakse 'pseudogetuige' overigens! Als die toen iets heeft gezien dat niet hoorde, waarom heeft die dan niet ogenblikkelijk gereageerd? Hadden mijn vrouw, ik of zelfs één van onze kinderen 'iemand' vandalenstreken zien uitrichten, dan hadden wij die lui onmiddellijk gesommeerd daarmee op te houden en bij vaststelling van schade de organisatoren van dat feest verwittigd. Want dat is toch de enige juiste reactie? Het zou mij niet verwonderen mochten jullie uit de aangebrachte data dezelfde conclusie trekken als ik doe.

*****

Zo een situaties heb ik eerder meegemaakt. Samen met mijn zonen Brian en Austin, een twee-eiige tweeling, bezocht ik jaren geleden het filiaal van een grote doe-het-zelf winkel in de buurt van onze woning. Op zoek naar een aantal spullen die ik nodig had om dingen te laten maken in en om ons huis.

Austin was een beetje, of eigenlijk nogal veel, tegen zijn goesting meegekomen en bleef dus dicht in mijn buurt rondhangen, terwijl zijn broer op stap ging om me te helpen de benodigde items bij elkaar te zoeken.

Op een bepaald moment kwam er een redelijk jonge vrouw me voorbij gestoven. Een personeelslid van de winkel, zo kon ik zien aan haar kledij. Voor ze de gelegenheid kreeg mijn zoon aan te spreken, vroeg ik haar beleefd me te vertellen wat er aan de hand was. Verbaast en verward keek ze me aan. Die vrouw was klaarblijkelijk zo gefocust geweest op mijn jongen dat ze mijn aanwezigheid niet eens had opgemerkt.

Ze vertelde mij dat ze er 'getuige' van was geweest dat die jongen, die daar, ook al verrast, stond te kijken, spullen uit de rekken had gehaald en er vervolgens mee aan de haal was gegaan. Ik kon niet volgen, want Austin was de ganse tijd in mijn gezichtsveld gebleven en ik had hem wel al naar de prijs van bepaalde producten laten kijken, maar hij had nog niet eens iets aangeraakt.

Toen verscheen Brian ten tonele. In een geheel andere outfit dan zijn broer en het haar heel kort geschoren, terwijl broerlief kleine krulletjes had. In zijn handjes had het jongetje een aantal zakjes en doosjes met spullen in waarvan hij hoopte dat dit nu eindelijk was wat ik zocht. Want het ventje was al een aantal keer tevergeefs heen en weer gehold.

De winkeldame stond perplex. Keek van de ene jongen naar de andere en vervolgens terug naar zijn broer en daarna naar mij. Ze wist duidelijk niet was zeggen, dus sprak ik maar voor haar. Dat ik concludeerde dat ze in al haar vooringenomenheid een grove flater had begaan. Maar denk je dat ze, zoals je in zulk een situatie zou durven vermoeden, haar verontschuldigingen aanbood? Neen hoor. Niks daarvan! Uit haar strot kwam slechts een goedpraten van haar fout gedrag. Want ja, er werd immers zoveel uit de winkel gestolen, door jonge kinderen.

Op mijn vraag of dat dan voor haar betekende dat alle kinderen potentiële dieven waren of enkel die met een melkchocoladen huidskleurtje, kreeg ik geen antwoord. Het groengeklede spook had zich, nog vlugger dan ze op mijn zoon was afgekomen, terug van ons weggehaast!

*****

Enkele jaren eerder, in het voor mijn gezin en mij zo noodlottig en ingrijpend jaar 2000, bracht mijn echtgenote op een gegeven moment een brief mee naar het ziekenhuis, van de autoverzekeraar van mijn vennootschap. Afkomstig van het hoofdkantoor en waarin stond dat ik werd verzocht om contact op te nemen met mijn makelaar teneinde de formaliteiten af te handelen van de aanrijding, op de parking van het ziekenhuis, tussen mijn vrachtwagen en een ook bij hen verzekerde personenauto. Waarbij de bestuurder van mijn voertuig de veroorzaker van de botsing zou zijn geweest.

Niettegenstaande ik reeds drie maanden plat op mijn rug te bed lag, viel ik bij dit bericht, pardoes uit de lucht. Dit laatste, in tegenstelling tot het eerste, uiteraard slechts figuurlijk. Gelukkig maar, want ik was er al erg genoeg aan toe na die mismeesterde nekoperatie.

Mijn vrachtauto zou dus een accident hebben veroorzaakt... Maar mijn firma bezat helemaal geen camion! Zelfs geen camionette. Enkel een kleine bestelwagen. Waar aan de zijkanten in het groot het logo, met naam en andere firmagegevens was op gekleefd. Een auto die doorgaans door mijn echtgenote werd bestuurd en waar zij zich ook geregeld mee verplaatste om me te bezoeken in het ziekenhuis.

Van een aanrijding had zij evenwel geen weet. En bovendien was ze, op de dag waarop het voorval zou hebben plaatsgevonden, niet eens bij mij geweest. Meer nog, dat bestelwagentje was die dag, om redenen die ik mij niet meer herinner en die hier trouwens ook helemaal niet ter zake doen, niet eens uit de garage geweest!

Mijn makelaar onderzocht de kwestie en kwam te weten dat er tegen de auto was gebotst van een bij dezelfde verzekeringsmaatschappij als mijn firma, aangesloten persoon. Een 'getuige' van dit malheur had een vrachtauto zien wegrijden met een naam op, die ook mijn firma draagt. De verzekeringsagent van de eigenaar van het aangereden voertuig had alle data doorgegeven aan de maatschappij en, waarschijnlijk omdat die voertuigeigenaar omnium was verzekerd, was de dossierbeheerder aldaar in het klantenbestand op zoek gegaan naar de door de 'getuige' opgegeven firmanaam en was zo uitgekomen bij mijn vennootschap. Had die domkop, die allicht van zichzelf dacht dat hij een slimme detective was, een heel klein beetje nagedacht, dan had hij zelfs alleen al op basis van het vermogen van dat wagentje van mij, kunnen concluderen dat hij met zijn vondst abuis was.

*****

Een voorval dat van nog veel vroeger dateert, betreft mijn drie jaar oudere zus,  die op het moment dat het hiernavolgende zich afspeelde, een jaar of zestien was. Het meisje volgde toen les aan een middelbare school, die was gelegen in een buurgemeente van onze woonplaats. En fietste elke ochtend naar die onderwijsinstelling. Samen met haar beste vriendin. Een meisje dat met haar ouders op een boerderij woonde, gelegen in dezelfde straat, en zelfs langs dezelfde straatkant als ons ouderlijk huis. Dat kind wachtte 's ochtends bij haar thuis mijn zus op en vanaf daar reden de meisjes samen verder.

Op een zekere ochtend, waarop mijn vader, die toen in ploegen werkte, nog thuis was en ik toevallig een vrije schooldag had, kwam er op een gegeven moment een auto op onze hof gereden. Met achter het stuur een afgeborstelde kerel, zo te zien gekleed in een maatpak en met naast hem, op de passagierszetel van de auto, een jonge gast. Nieuwsgierig wachtte ik af met wat voor een reden dit duo ons op een bezoek kwam vergasten. Want ma noch pa verwachtten die ochtend visite.

Mijn moeder ging de voordeur openen terwijl ook mijn vader zijn krant aan de kant legde en opstond uit zijn zetel. We hoorden wat gebabbel, waarna even later mijn ma de deur opende tussen de inkomhal en de living, waarin mijn pa en ik ons bevonden.

Die, inderdaad in een kostuum gestoken heer, kwam binnen, met in zijn kielzog een slungelachtige pummel. Mijn moeder meldde mijn vader dat het heerschap een verzekeringsagent was, en de jongen naast hem, een cliënt. Welke  zou hebben beweerd met zijn bromfiets te zijn gevallen, door toedoen van mijn zus, waarvan hij bij een eerder passeren had opgemerkt dat ze in ons huis woonde

Mijn ouders werden bleek om de neus, want dachten onmiddellijk dat ook zij was gevallen. Maar de verzekeraar stelde hen onmiddellijk gerust. Mijn zus was niet gewond. Waarop mijn vader dacht aan haar fiets en haar kledij. Ze had net een nieuwe groene Parka gekregen, een type jas met aangehechte kap, dat in die tijd mode was. Maar ook daar was geen schade aan, zo wist de man ons te vertellen.

Die verzekeringsagent had zich inmiddels onuitgenodigd neergezet op een stoel en zijn mapje met paperassen op een hoek van onze eettafel opengelegd. Met de pen in de hand wou die kerel mijn vader er toe overhalen een document te ondertekenen, een onderling akkoord voor de forfaitaire vergoeding van de door de jonge bromfietser geleden schade.

Dat mijn vader daar niet wou op ingaan, dat begreep die arrogante vent niet. En dat, spijts zijn geveinsde charmeoffensief, ook mijn ma niet was te overtuigen, al evenmin. Nochtans had hij een 'getuige' die alles had gezien, dus hadden mijn ouders volgens hem geen enkele reden om zijn voorstel te weigeren. Wat ze evenwel toch deden. De man en de jongen werden tegen hun zin buiten gewerkt. We aten ons middagmaal, mijn vader maakte zich klaar  om te gaan werken en vertrok, toch nog enigszins bezorgd, richting autofabriek.

Toen mijn zus in de late namiddag thuis kwam van school, inspecteerde mijn ma het meisje van kop tot teen. En was super blij dat ze geen lichamelijke letsels had. Dat ook haar jas, naar schoolse uniformnormen in lichtgroene kleur, onbeschadigd was, zag ze als bijzaak, maar was toch een meevaller. Mijn zus begreep slechts deels wat er aan de hand was. Een dame die op het schoolsecretariaat werkte had ook al aan mijn zus gemeld dat er een man op school was langs geweest die haar wou spreken, maar dat zij resoluut hadden geweigerd mijn zus uit de klas te halen. Waarop de man verontwaardigd was afgedropen.

Mijn moeder bracht haar dochter volledig op de hoogte van hetgeen wij die voormiddag hadden te horen gekregen. Mijn zus en haar vriendin hadden die jongen met zijn bromfiets die ochtend inderdaad opgemerkt. Vooral omdat die sukkel, na hen te zijn voorbijgereden, een beetje verder met zijn klikken en zijn klakken tegen de vlakte was gegaan. Ze waren nog gestopt om te vragen of ze hem konden helpen, maar dat bleek niet nodig te zijn. De jongeman was niet gewond en van bromfietstechniek, -mechanica en - carrosserie hadden de meisjes geen kaas gegeten, dus was het nog niet eens bij hen opgekomen om die bromfiets aan een onderzoek te onderwerpen. Bovendien dienden zij tijdig op school te zijn. En hadden ze die verlegen jongen, die hen nagenoeg dagelijks voorbij stak, meestal schichtig en geniepig naar de schoolmeisjes loerend, achtergelaten bij de andere omstanders.

Mijn vader was woedend toen hij 's avonds na zijn avondshift thuis kwam van zijn werk en van mijn ma de ware toedracht te horen kreeg van wat er die ochtend was voorgevallen. Nog steeds heel boos is hij de volgende ochtend naar de plek van het voorval gereden om die 'getuige' te confronteren met haar valse 'getuigenis'. Haar uitleg was even zielig als het mens zelf. Ze had de vorige ochtend de daar dagelijks voorbij fietsende meisjes opgemerkt, kort daarop een klap gehoord, was naar buiten gehold, had die meisjes naast de reeds recht geklauterde jongen en zijn deels op straat en gedeeltelijk op de fietsstrook liggende bromfiets opgemerkt en daaruit verkeerdelijk geconcludeerd dat alle drie betrokkenen waren in het accident. Meer zelfs, dat de meisjes er de oorzaak van waren!

Maar, zo zei ze, had ze geweten dat één van de meisjes mijn vader zijn dochter was, dan zou ze geen verklaring hebben afgelegd ten overstaan van die verzekeringsagent. Pure nonsens! Uiteraard heeft mijn vader pertinent geweigerd in te stemmen met ook maar om het even welke overeenkomst. Naar ik meen heeft onze eigen verzekeringsagent die listige beroepscollega van hem, terecht gewezen en zonder buit wandelen gestuurd.

Rudi, 6 november 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

30-03-10

Rudi’s overdenkingen - Mensen, daar reken je niet op!

        

Op mensen rekenen doe ik niet meer. Neen, rekenen doe ik enkel nog op stukjes kladpapier, op een calculator op zonne-energie of in het programma Excel op mijn laptop. En wel na een spijtig voorval dat nogal betreurenswaardig was. Evenwel niet voor mij, want ik had het zelf uitgelokt. Alhoewel niet helemaal. Bij nader inzien zelfs helemaal niet, want de ander was begonnen.

Aangezien wellicht zowel de aandachtige lezers als de onoplettende haastigen, mijn uiteenzetting nu al niet meer kunnen volgen, wat hen geenszins kan kwalijk worden genomen, verklaar ik me nader.

Heel veel jaren geleden, toen ik nog niet eens stemgerechtigd was, waren er op een gegeven ogenblik verkiezingen. Ja, inderdaad, in mijn jeugd amuseerden zij, die toen bij de overheid werkten, zich daar ook al mee. Met die pesterijen van de brave burger. Maar je kon hen dat bezwaarlijk kwalijk nemen, want die mensen moesten uiteraard toch iets om handen hebben, om hun dagen mee te vullen?!

Tegenwoordig heeft het overheidspersoneel de beschikking over computers met een snelle Internetverbinding. En kunnen ze derhalve hun tijd besteden aan chatten op sociale netwerksites, een lief zoeken op datingsites of spelletjes spelen op één van de daarin gespecialiseerde websites. Maar vroeger bestond dat alles nog niet en was het zich ledig houden met het organiseren van verkiezingen een favoriete bezigheid van de overheidambtenaren. Toentertijd om ondermeer die reden, door het gewone volk ook wel eens smalend aangeduid als ambetantenaren.

Heden ten dage gebeurt bijna alles automatisch en wordt er op vele plaatsen elektronisch gestemd. Maar in mijn pubertijd was dat anders. Toen gebeurde het stemmen nog in alle bureaus manueel, en was er derhalve nogal wat werk te verrichten aan de voorbereiding ervan. Potloden scherpen en uitproberen op een stukje papier en meer van dit soort zaken. Vermoed ik, want helemaal zeker daarvan ben ik niet. Misschien waren die bureaucraten wel zo leep dat ze deze opdracht aan een externe firma toevertrouwden. Dan hadden ze meteen ook een besteding voor het overheidsgeld. Alweer een zorg minder!

Vooraleer ik hier boze reacties krijg en haatmail vind in mijn elektronische brievenbus, wens ik vlug en terloops even te melden dat hetgeen hierboven staat gewoon maar om te lachen is! Alhoewel ik het geld van de brave burger verkwisten nu niet bepaald grappig vind. Oh ja, ik ben er mij ook terdege van bewust dat verkiezingen een moeizaam verworven democratisch recht is. Dus ook daar hoeft niemand mij op te wijzen!

Dit gezegd, of eerder 'geschreven' zijnde, ga ik door met de essentie van mijn verhaal. Als ik mij dat, na al dat afwijken trouwens nog kan herinneren. Bon! Uit herlezing van het begin van dit epistel blijkt het dus over 'rekenen op' te gaan. En een jammerlijk incident dat mij er toe heeft gebracht om het op mensen rekenen uit mijn dagdagelijkse leven te bannen.

In de aanloop naar die eerder aangehaalde, door zich vervelende ambtenaren georganiseerde, naar ik mij halvelings herinner, gemeente- en provincieraadsverkiezingen, werd er lokaal nogal wat publiciteit gemaakt. Cadeautjes geven en gadgets uitdelen om stemmen te kopen... euh, ik bedoel uiteraard 'winnen' dat mocht toen nog, begin de jaren tachtig. En ook het plaatsen van huizenhoge affiches was nog toegestaan.

Eén van de kandidaten, een rijkeluiszoon, die nergens voor deugde maar een postje in de gemeentepolitiek wel zag zitten, maakte bij zijn campagne gretig gebruik van al deze promotiemiddelen. En bekostigde alles met het geld van papa. Die al lang blij was dat zoonlief eindelijk iets had gevonden dat hem interesseerde.

In mijn woonplaats en langs de toegangswegen erheen stonden of hingen affiches met zijn beeltenis en slogan. Die trouwens slim was bedacht, maar vast niet door de kandidaat zelf. Hij stapte immers naar de kiezer met de leuze: 'Op MIJ kan je rekenen!' Een slagzin waarvan de figuurlijke betekenis bij het overgrote deel van het kiespubliek de verwachtingsvolle interesse opwekte.

De politiek interesseerde mijn vrienden en mij slechts in beperkte mate. Maar toen die 'veel belovende' kandidaat een meeting organiseerde waarop hij, volgens de uitnodiging, zijn programma uit de doeken zou doen en toelichten, gaven wij toch present. Niet in her minst omdat er gratis hapjes en drank waren voorzien.

En wij waren niet de enigen die daar die avond op afkwamen. Het parochiezaaltje waar de bijeenkomst doorging, liep vol van het volk. In een mum van tijd waren alle, zorgvuldig op een rij tafels klaargezette snacks verdwenen. En de reeds in bekers gegoten drankjes werden ook in een ijltempo weg gegraaid. We stonden allemaal dicht op elkaar gepakt. En toen de kandidaat en zijn gevolg, waaronder zijn trotse ouders, hun  entree maakten, werden we zelfs op elkaar gedrukt.

Nu viel dat, wat mij betrof, helemaal niet tegen. Integendeel zelfs. Met mijn rug en schouders werd ik tegen de zachte omvangrijke boezem van de dame achter mij gedrukt. En mijn voorkant kreeg de achterkant van een welgevormd jong meisje tegen het lijf geduwd. En ze rook daarenboven zo lekker, dat langharig blondje, dat zowat een kop kleiner was dan mij, waardoor ik toch het zicht op de binnentredende verkiezingskandidaat bleef behouden.

Ondanks mijn toch wel comfortabele positie verliet ik deze, na een samenzweerderige blik te hebben uitgewisseld met mijn kameraden. De ster van de avond genoot zichtbaar van de hoge opkomst en van de aandacht die aan hem werd geschonken. Hij had inmiddels zijn jasje uitgedaan. Waarschijnlijk in de eerste plaats omdat hij het net als ons te warm had gekregen in dat met mensen volgestouwde zaaltje. Maar vast ook om met zijn campagneshirt te pronken. Een witte T-shirt met, naast het partijlogo,  in zwarte opdruk zijn naam en slogan.

Terwijl twee van mijn maten de kerel langs voren benaderden en hem bezig hielden door het stellen van enkele onzinnige vragen, waarop die kinkel dan ook nog eens idiote antwoorden gaf, ging ik, samen met een andere maat, langs achter op de kandidaat af. We namen onze, met voorbedachten rade, voor dat doel meegebrachte dikke viltstiften uit onze jaszakken en begonnen met op 's mans T-shirt becijferingen te maken. In het rood, en groot!

Door de drukte, het voortdurend deinen van de menigte en het her en der porren en geduw, duurde het even voor we werden opgemerkt. En die man zijn partijgenoten doorhadden en zagen wat wij hadden uitgericht. Zelf kon hij van ons geschrijf niet zo veel zien, maar zijn papa vertelde hem de details. Die kerel kon er niet mee lachen. Alle gestommel en gepraat was gestopt. Ieders ogen waren gericht op de kandidaat, die ons, ziedend van woede, aankeek, met een rood aangelopen gezicht. De zweetdruppels vloeiden vanaf de nat geworden, kortgeknipte haardos, over zijn wangen, langs zijn nek,  en belandden alzo op het kunstig door ons bewerkte shirt.

Op zijn bits gestelde vraag waarom wij op zijn kleren aan het cijferen waren gegaan, antwoordde mijn mededader laconiek dat wij toch wel het recht hadden om hetgeen hij als slogan gebruikte, aan de praktijk te toetsen?! Om te zien of zijn 'op mij kan je rekenen' op enige waarheid berustte. Maar de kerel stapte boos van ons weg.

Waarschijnlijk vond hij het vooral niet leuk dat we enkel maar berekeningen had uitgevoerd met nullen. 0 * 0 = 0 bijvoorbeeld. Maar geen deling door nul, want dat kan en mag niet, zo heeft mijn leerkracht Wiskunde mijn medeleerlingen en mij ooit in het hoofd geprent. "Deel nooit door 0!" zo waarschuwde hij ons. Nu ja, ik heb me daar steeds aan gehouden. Dus ook bij het bekladden van dat witte campagneshirt. Die vent en zijn partij waren er wel zelf de oorzaak van dat we hen slechts een nul waard achtten.

Mijn kameraden en ik maakten ons snel uit te voeten. We hadden daar immers toch niks meer te zoeken. Want alle spijs en drank was al op. En de te verwachten toespraak en andere prietpraat, daar hadden mijn maten en ik ook geen boodschap aan.

Gelukkig hadden de meeste van mijn wel stemgerechtigde medeburgers klaarblijkelijk ook door dat hun stem niet goed besteed zou zijn aan die rijke domkop. Zodat, spijts alle promotie en gulle schenkingen, en ondanks zijn verkiesbare plaats op de kieslijst van de partij waarvoor hij opkwam, deze kerel toch niet verkozen geraakte. Maar goed ook! Mensen zonder gevoel voor humor horen niet thuis in het politiek landschap. Geef mij maar levend geworden karikaturen zoals Freddy Willockx, diens partijgenoot Louis Tobback en CD&V'ers Jean-Luc Dehaene en Pieter De Crem. Om langs blauwe kant Guy Verhofstadt en Annemie Neys niet te vergeten. Alleen al bij het zien van hun kop, barst je uit in een onbedaarlijke lachbui!

Wie onder anderen eigenlijk ook thuishoort in het voorgaande lijstje is Frank Vandenbroucke. Maar die man is, helaas voor hem, zijn entourage en adepten, inmiddels een stille dood gestorven. Op politiek vlak welteverstaan. Want het hart van de man klopt nog altijd. Dit in tegenstelling tot dat van zijn naamgenoot, de wielrenner. Die het Afrikaanse Senegal uitkoos om er, na een laatste wip met een plaatselijke schone, het tijdige leven vaarwel te zeggen en te ruilen voor de eeuwige dood.

Rudi, 25 oktober 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

07-03-10

Herinneringen uit mijn verleden - Hogeschool anekdotes

  

Zoals reeds eerder door mezelf in mijn schrijfsels ootmoedig bekend gemaakt, ben ik eigenlijk altijd nogal een brave leerling, scholier & student geweest. Maar voor een kwinkslag of een grapje zat ik dus nooit verlegen.

Zo volgde ik na mijn middelbare studies een voorbereidende cursus Wiskunde aan een Vlaamse industriële hogeschool. We zaten in de klas met een 50 à 60 studenten, afkomstig uit allerlei studierichtingen en woonachtig in de ruime regio van de stad waar we deze cursus volgden.

Op een gegeven moment was onze docent bezig met een omvangrijke vergelijking. Een ingewikkelde berekening, waar integralen en differentialen aan te pas kwamen. Het gigantische krijtbord stond vol gekriebeld met formules en voor leken onduidelijke tekens.

Plots werd er aan de deur geklopt en kwam er iemand van het secretariaat het lokaal binnen. De man fluisterde onze leerkracht wat in het oor. Waarna deze laatste ons meldde er even vandoor te moeten gaan, maar dat hij zo meteen terug zou zijn. En vervolgens samen met de boodschapper het leslokaal verliet.

Ik wipte terstond van mijn stoel en liep naar het krijtbord toe. Waarop ik simpelweg in de laatst geschreven berekeningslijn één cijfertje wijzigde, waardoor de docent nooit meer tot een juiste oplossing kon komen.

Nog maar net had ik haastig mijn plaats terug ingenomen, of daar was onze leraar al terug! De man verontschuldigde zich voor de korte onderbreking en toog terug verder aan zijn arbeid, zijnde de wiskundige vergelijking op het bord.

Hij bezag zijn laatst geschreven regel en ging daarop verder met zijn berekening, waarbij hij ons middelerwijl van de nodige kundige uitleg voorzag. Enkele minuten later hield de docent evenwel ineens op met schrijven. Hij zei: "Hier klopt iets niet!"

Alhoewel ik op de eerste rij zat, voelde ik, of beeldde ik me in, dat iedereen naar mij keek. En toen de docent het gewijzigde karakter had ontdekt, en het lokaal inkeek, speurend naar de dader, proestte ik het uit. En mijn medestudenten lachten vrolijk mee. Met een, van schaamte en ingehouden spanning, bloedrood aangelopen hoofd, bekende ik schuld! En moest erkennen dat de docent, wat Wiskunde betreft, goed van wanten wist, aangezien de man heel snel doorhad dat er ergens met de cijfers was geknoeid. Of was het vooral zijn ervaring met guitige studenten die daar aan ten grondslag lag?

Nu ja, de man kon een grapje klaarblijkelijk wel appreciëren. Dat hij me bij het verbeteren van de proef, aan het einde van de cursus, weinig punten gaf, werd dan ook helemaal niet veroorzaakt door deze deugnieterij. De reden daarvan was ontegensprekelijk elders te vinden. In plaats van vlijtig te studeren spendeerde ik mogelijks te veel mijn vrije momenten door met mijn maten te kaarten. En tijdens de lessen verloor ik misschien wat al te veel aandacht voor de leerstof door het loeren naar die massa knappe wijven in mijn groep.

Omdat ik als modelstudent vooraan in het lokaal zat, op de eerste rij voor dat enorme krijtbord, moest ik trouwens steeds achterom kijken om een glimp op te vangen van mijn vrouwelijke medestudenten. Om eerlijk te zijn was dat vooraan zitten trouwens ook enkel om reden van de slechtziendheid van één van mijn maten.

Toen de cursus zo goed als ten einde was, vroeg één van onze docenten, zo langs zijn neus weg, wat onze verdere plannen waren. Welke school en opleiding we wilden volgen.

Sommige van mijn medecursisten waren al ingeschreven op de school waar we les volgden, anderen op deze met eenzelfde studieaanbod, maar van een ander onderwijsnet. Er was een jongen die het aan de universiteit ging proberen en twee meisjes die een opleiding waarin Wiskunde een belangrijk vak is, toch niet meer zagen zitten en een andere richting wilden uitgaan.

Ook ik stak mijn hand op en toen het mijn beurt was om te zeggen waar ik was ingeschreven, antwoordde ik al gekscherend: "Bij den RVA!" De ganse zaal lag plat van 't lachen! Docent incluis!

Ru(sh)di(e), 20 juni 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld' op 1 september 2009), revisie op 25 februari 2010.

01-03-10

De avonturen van Rudi & co - Alles kan eens mens gelukkig maken

 

Ons huis staat op enige afstand van de straat. Een meter of 10, schat ik. En de voordeur ligt ook wat hoger dan de driewegsbaan waar we op uitkijken, en die in beide rijrichtingen is voorzien van fietsstroken,

Als gevolg van het goede, warme weer stonden tijdens de afgelopen werkweek, de deuren wagenwijd open. Zowel de binnendeur tussen de living en de inkomhal, als deze om naar buiten te gaan. Excuseer, 'rijden' in mijn geval. 

Na met voldoening een werkje op de computer te hebben voltooid, wou ik nog even van de laatavondzon genieten op het terras aan de voorzijde van onze woning.

Vrolijk fluitend reed ik, vanuit de living, via de inkomhal door de openstaande deur naar buiten. Mijn ogen gericht op het klein afhellend vlak, dat daar ligt om het hoogteverschil tussen binnen en buiten te overbruggen.

Toen ik die 'stap' naar wens had beëindigd, dus zonder het ongewenste met mijn zitvlak naar voor schuiven op mijn zitkussen, richtte ik mijn hoofd op en keek recht in het lieflijk glimlachende gezicht van een jong meisje, dat al fietsend mijn woonst passeerde.

Haar (her)kennen deed ik niet, want zo goed als zeker heb ik dat mooie blondje nooit eerder ontmoet. Maar waarschijnlijk heeft ze gedacht dat het naar haar was dat ik floot. En had ik het geluk dat de deerne niet misprijzend reageerde, maar integendeel uiterst sympathiek!

Geloof me vrij dat ik, niet veel gewend, nog de ganse avond heb nagenoten van de toffe reactie van die jongedame.

Gisteren gebeurde er iets anders. Op dezelfde locatie. In de vooravond zat ik vooraan het huis mijn sandwiches op te eten. Gepositioneerd op een plekje waar nog een streepje zon was. De voorgevel staat daar ongeveer anderhalve meter meer naar voor, dan de van de rondom van een brede houten raamkozijn voorziene inkomdeur. De wind was even gaan liggen, dus was het een aangenaam vertoeven aldaar.

Nog maar net had ik mijn avondmaal verorberd, toen er ineens een hevige windstoot kwam. Vlug greep ik naar de handdoek op mijn bovenlichaam en de doek van fleece die op mijn benen lag. Teneinde deze niet geheel te laten (op)pikken door de wind. Die was er gelukkig enkel vandoor met het, nu lege zakje, waar even ervoor mijn broodjes hadden in gezeten.

Verdikke, alweer vuilnis op mijn hof, dacht ik. Want iets dat op de grond ligt kan ik immers niet zelf oprapen. Tenzij, zo dacht ik steels, dat zakje om de hoek heen zou zijn geblazen, recht in mijn inkomhal. Alwaar het dan 's avonds allicht door de verpleegkundige van dienst zou worden opgemerkt. En door deze gedienstige man vast zou worden opgeraapt en in de vuilnisbak gegooid.

Maar ik rekende niet op een dergelijk onwaarschijnlijk geluk. Draaide mijn rolstoel en keek om me heen, maar dat transparant plastieken koelkastzakje was nergens te bespeuren. Allicht reeds tussen de struiken of tot bij de buren gewaaid, dacht ik nog. En aangezien ik buiten niks meer had te zoeken of te vreten, reed ik mijn, aan de voordeur liggend hellend vlak op. En wat zag ik daar liggen, mooi aan de kant, halverwege mijn inkomhal? Inderdaad, dat zakje! En blij dat ik was! Alweer een ganse avond goed geluimd door een fabuleus boffen.

Met deze twee ogenschijnlijk oninteressante en onbenullige voorvallen is voor mij nogmaals bewezen dat het de kleine dingen zijn, de simpele gebaren of uitingen, een onverwachte meevaller... die de echte levenskwaliteit, de gemoedsstemming van een mens bepalen. Of geldt dat enkel voor mij? En ben ik een zielig ventje dat al te vlug content is? ;-) Voor mij is ieder vrij om daarover haar of zijn gedacht te hebben en dat vrijuit te melden. Je oprechte, eigen mening uiten, zal bij mij nooit kwetsend overkomen. Het is maar dat je het weet!

Rudi, 19 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 24 februari 2010.

17-01-10

De avonturen van Rudi & Co - Zonder Co

  

Neen, ik ben niet geveld door de zon of in een diepe zomerslaap gezonken. En ook niet fysiek van de aardbol verdwenen,  Karel Van Miert, Yasmine, Farrah Fawcett, Michael Jackson en een resem andere mensen en dieren achterna. Neen, het zou wat al te gortig zijn om net nu ik een nieuwe rolstoel heb en terug enigszins mobiel ben, het tijdige te ruilen voor het permanente einde.

De reden voor mijn verminderde frequentie in het verhalen van mijn belevenissen is te wijten aan het feit dat ik mijn leven een beetje moest reorganiseren, als rechtstreeks gevolg van het sinds zaterdagochtend op reis vetrekken van mijn huisgenoten. En ik mocht inderdaad niet mee. Mijn bijdrage aan hun vakantietrip blijft beperkt tot het meefinancieren van de reis. Nochtans was ik ook wel graag eens een tijdje weg 'gegaan' van mijn vaste verblijfsstek. Helaas...

Doorheen de jaren las ik in zo vele publicaties keer op keer dat ieder mens nood heeft en recht op seks en vakantie. Wat ik ervaar in mijn omgeving is dat men er blijkbaar, ter wille van de eigen gemakkelijkheid en gemoedsrust, vanuit gaat dat ik de uitzondering ben op de regel. Wat dus een totaal foute veronderstelling is. Want het is niet omdat ik met mijn willoos lichaam in een invalidenkarretje rondcross, dat ik geen noden, verlangens noch gevoelens heb. Die heb ik wel degelijk.

Maandagnamiddag reed ik naar het oudercontact op zoon Brian zijn school. Als rolstoeler had ik het zalige genoegen buiten op de koer de leerkrachten van mijn kind te mogen spreken. Het gebouw is immers helemaal niet voorzien op zich op wielen voortbewegende medemensen.

Met het prachtige weer op die dag, was die, in wezen schandelijke ontoegankelijkheid, voor één keer geen straf, geen vernedering, maar daarentegen een zegen. Ik hoefde, in tegenstelling tot andere ouders immers niet in een, allicht door de warmte bevangen gang te gaan zitten vooraleer in een wellicht even muf klaslokaal te worden ontvangen. Neen, zalig in de schaduw van een boom vond ik mijn plekje!

Toen ik, in afwachting van een onderhoud met zijn klastitularis, door een mevrouw, naar ik vermoed werkzaam op het secretariaat van de school,  het rapport van zoon Brian kreeg overhandigd, dit met een bang hart opende en er tot mijn grote vreugde het A- attest in aantrof, raakte ik zowaar geëmotioneerd.

Gelukkig waren er geen vreemden in mijn onmiddellijke buurt, want door de emotie overmand zou spreken even moeilijk zijn geweest. Had ik dit nieuws op mijn eentje thuis vernomen, ik had waarlijk gehuild van opluchting en blijdschap. Jammer dat ik deze vreugde niet onmiddellijk met een naaste kon delen.

Een dag later was Austin zijn school aan de beurt. Per e-mail had ik met zijn klastitularis afgesproken, even voor de middag, in een lokaal op het gelijkvloers. Want ook deze school blinkt uit in haar ontoegankelijkheid voor minder mobiele medemensen.

De juf stond me al op te wachten... achter een gesloten deur. Het was dus geen slecht idee geweest om niet zonder assistente te komen, want anders had ik weer schoon alleen voor de deur kunnen staan wachten tot ik een passant kon aanspreken met het verzoek die deur voor me te openen. Met het gevaar dat ik, eens binnen, met de deur achter me dichtgeklapt, als een rat in de val had gezeten als daar niemand te bespeuren viel. Maar dat doemscenario viel me dus gelukkig niet ten deel. En ook hier ving ik een A- attest. Hoera!

Dol van vreugde ging ik, vooraleer huiswaarts te keren, een ritje maken. Onderweg at ik, in een schaduwplekje bezijden een verkeersarme straat, en met uitzicht op de spoorweg, mijn meegenomen boterhammen op. Eenzaam en alleen, want mens noch dier was te bespeuren in die buurt. Maar ik was in goed gezelschap: mijn eigen zelve!

Op weg naar huis reed ik langsheen een verpauperde volksbuurt. Uit de tegenovergestelde richting kwam een wijkagent aangereden, die even nadien de straat dwarste en zijn bromfiets parkeerde ter hoogte van een rijhuisje op de hoek. Terstond hield ik halt, want mogelijks kreeg ik aanstonds wel een interessant tafereel te zien. Met mijn GSM in de hand, veinzend dat ik aan het telefoneren was, hield ik nauwlettend de agent in het oog. En was benieuwd welk schouwspel er zich zo meteen in mijn gezichtsveld zou afspelen

De man, die zijn helm op het hoofd hield, belde aan bij het hoekhuis. Ging vervolgens twee stappen achteruit en wachtte af. Niemand deed open. Anderhalve minuut later zette de politiebeambte terug een stap naar voor en drukte met gestrekte arm op de bel.

Korte tijd later ging de deur langzaam open en verscheen er in de deuropening een knappe, niet al te grote griet van naar ik schat halfweg de twintig, met het lange blonde haar opgestoken in een dot. Het naakte lichaam nauwelijks bedekt door een minuscule bikini! Blijkbaar gegeneerd hield ze één arm voor haar boezem. Nochtans had ze volgens mij weinig te verstoppen, want voor zover ik het vanuit mijn positie kon zien was het wicht aan de voorkant zo plat als een vijg. Wat evenwel niks afdoet aan haar schoonheid!

De agent wees met zijn rechterarm naar het wel een halve meter hoog staande gras en onkruid in het amper enkele vierkante meters groot voortuintje en de vele op elkaar gestapelde, barstensvolle huisvuilzakken die ook al voor de woning een plekje hadden gekregen. Het meisje maakte met haar vrije arm wat gebaren en ik zag haar ook bevestigend met het hoofd knikken. Allicht beloofde ze de wijkagent de vuilnis op te laten ruimen en de voortuin een beetje te fatsoeneren.

Blijkbaar volstond dat voor de agent, want de man kroop terug op zijn brommertje en reed er vandoor. Toen hij me gepasseerd was, borg ik mijn mobieltje weg. Dat voorwenden aan het bellen te zijn, was immers niet meer nodig. En dat schone mokkel was al lang terug in haar huurhuisje verdwenen. En lag allicht alweer te zonnen op haar terras of koertje of in haar achtertuin.

Rudi, 1 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 15 januari 2010.

13-12-09

Rudi's ontboezemingen - Regels

 

Je komt als jongeman soms nogal wat tegen met de meiden! Daar kan ik persoonlijk ook enkele pittige anekdotes over vertellen. Zoals die keer toen ik als prille twintiger eens een vriendinnetje meenam om te gaan shoppen in Maastricht. We waren daar al gearriveerd toen ze pas ontdekte dat ze haar handtas thuis op het tafeltje in de inkomhal van haar studio had laten liggen. Ik zei: "Da's niks, ik heb geld bij, een haarborstel en ook een extra zakdoek & zo" en voegde er, om te zwanzen, aan toe: "Gelukkig is het niet je onderbroek die je thuis bent vergeten!" Het meisje kleurde terstond bloedrood.

Een andere keer was ik samen met een jongedame. Ik weet niet meer juist onder welke omstandigheden, en ik herinner me ook de reden niet meer, maar ze zei in elk geval, op een bepaald moment: "Ik heb zo mijn regels!" Waarop ik antwoordde: "Ga dan maar vlug naar het toilet om een inlegkruisje in je slip te stoppen!" Dat meisje is effectief weggehold. Niet naar het toilet, maar gewoon weg van mij!

Een andere griet heeft mij dat trouwens eens, in halfdronken toestand, wankel op haar benen staand, bekend: "Schone jongen" zei je, zoals gemeld was ze zat, dus had ze vast een troebel zicht, "Ik ben weg van jou!" Onmiddellijk respondeerde ik met: "Neen, dat is niet waar, want je bent hier nog. Maar ik zou wel graag hebben dat je weg bent van mij, want je stinkt uit je bek. En bovendien hou ik niet van zatte wijven!"

"Tenzij ze jong en sexy zijn", had ik er nog aan kunnen toevoegen. Maar dat deed ik niet, want dat vrouwmens zou dat toch niet meer hebben gehoord, want ze was al weg gewaggeld en ik heb haar daarna gelukkig nooit meer teruggezien!

Het was in die tijd, de jaren tachtig, en waarschijnlijk nog steeds, trouwens niet altijd eenvoudig om een griet aan de haak te slaan. Figuurlijk dus, welteverstaan! Alhoewel ik er, als zeventienjarige, toch eens een keer in ben geslaagd om dat, ongepland, bijna letterlijk voor elkaar te krijgen.

Op de fuiven, waar ik, als rijpe tiener, in de weekends met mijn, uit jongens en meisjes bestaande vriendengroepje, heen hing, was al meer dan eens mijn oog gevallen op een knap jong meisje. Eentje met een weelderige bos krullend donkerbruin haar. Bij de toen nog populaire kusjesdans probeerde ik al eens om haar in mijn armen, en aan mijn lippen, te krijgen. Maar helaas slaagde ik daar niet in. En mijn kansen waren uiterst beperkt omdat die schoonheid meestal niet meedeed aan dat kusgedoe.

Ook voor een slow, die altijd volgde op die kusjesdans, kon ik, ondanks herhaalde beleefde uitnodigingen daartoe, de bevallige deerne niet strikken. En dan, op een keer, toen ik me na zo een massadans, door de menigte bewoog, op zoek naar een danspartner, werd ik door de vriendin van dat meisje op de schouder getikt.

Terwijl ik verder stapte, deed het meisje me teken om achterom te kijken. Dus hield ik halt, draaide me om en keek recht in de ogen van die zo door mij begeerde brunette. Menslief, wat was ze toch knap. En nu liep zij dus achter mij aan?

Fout gedacht! Op mijn blauwe jeansvestje waren twee kleine buttons gespeld. En bij het haar ongemerkt passeren, allicht omdat ik op dat moment een ander schoon grietje in het vizier had, was ze met een deel van haar enorme haardos aan me vast komen te zitten. Vandaar die achtervolging door de rumoerige en lawaaierige danshal.

Weken- of misschien wel maanden later, heb ik toch nog eens een poging ondernomen om dat, in mijn ogen goddelijk, schepsel, aan de haak te slaan. Figuurlijk dan, deze keer! Ze zat, samen met een aantal jongens, aan een tafeltje, naast de tafels die mijn maten en ik hadden ingepalmd.

Naarmate de avond vorderde merkte ik dat het meisje nogal dikwijls alleen op haar stoel, aan dat tafeltje achterbleef. En als die kerels, van het type 'zware jongen', er toch waren, kroop geen enkele van hen dicht tegen haar aan of stelde zich amoureus tegenover haar op. Daaruit concludeerde ik dat het meisje geen vriendje had. En leek deze avond voor mij het uitgelezen moment om mijn kans te wagen om dit mooie meisje nader te leren kennen.

En ik had al een plannetje beraamd om dit prachtig schepsel der natuur te bekoren. Naderhand beschouwd een nogal ridicuul idee. Van elk beschikbaar drankje dat op die fuif was te verkrijgen, wou ik er namelijk één bestellen. En het ganse aanbod zou ik voor haar bevallige neusje plaatsen, zodat ze maar te nemen had wat ze drinken wou.

Slechts één, niet onbelangrijk, probleem doemde op. Om al die drankjes te kunnen bekostigen, had ik geld nodig. En ik had die avond al een groot deel van mijn budget gebruikt om benzine te kopen voor mijn bromfiets. En het saldo had ik aangewend als mijn aandeel in de drankpot, die inmiddels was uitgeput. Er zat dus niks anders op dan bij wat maten aan te kloppen voor een beetje geld. Die maakten daar geen probleem van. Temeer daar ik hen deel maakte van mijn plan.

Nu de voorbereidingen waren getroffen, rijgde ik de veters van mijn 'stoute' combat schoenen nog wat sterker aan, trok mijn nauwsluitende jeansbroek recht, liet mijn vingers even door mijn haren glijden, om mijn kapsel ietwat te fatsoeneren en ging vervolgens recht op de jonge vrouw af.

Ze keek op toe ik me, het lichaam voorovergebogen, voorstelde aan haar. Ze glimlachte vriendelijk en deelde me ook haar naam mee. Op mijn vraag of ik even bij haar mocht komen zitten, antwoordde het lieflijk ogend creatuurtje positief! Ze bleek met haar broers en hun maten naar deze fuif te zijn gekomen. Omdat ze wel zin had om uit te gaan, maar haar vriendin ziek was en haar ouders niet wilden dat ze alleen op stap ging. Toen ik haar zei dat ik haar een drankje zou bezorgen, reageerde het meisje onmiddellijk met de woorden: "Neen, niet nodig hoor. Ik heb deze avond reeds genoeg gedronken en heb nu echt geen zin meer in om het even welk drankje!"

De schoonheid vervolgde: "Ik zeg dat steeds liever onmiddellijk, zodat niemand haar of zijn geld besteed aan een drankje dat ik dan toch niet uitdrink." Net op dat moment kwam de ober eraan met een schaal waarop minstens 10 verschillende soorten drankjes stonden. Oei! Hoe moest ik dat hier oplossen? Zonder gezichtsverlies te lijden. Ik zei die jongen dat hij alle drankjes bij elkaar op tafel mocht zetten en dat ik dan wel voor de verdeling zou zorgen. Nadat ik de drankbezorger met het geleende geld had betaald, riep ik enkele maten bij me.

Die keken me vragend aan, want ze hadden zich gedeinsd gehouden omdat ze dachten dat ik toch liever alleen bleef zitten bij het meisje mijner dromen. En waren nog meer verbaasd, toen ik hen uitnodigde om een drankje te nemen. Erg succesvol was mijn broederlijk delen overigens niet, want mijn maten waren niet geïnteresseerd in het drinken, of zelfs maar proeven van de meeste van die daar op tafel gepresenteerde brouwsels.

Wat er daarna is gebeurd en hoe die avond is afgelopen, daar heb ik het raden naar, want ik kan het me met de beste wil van de wereld niet meer herinneren. Eén ding is zeker: dat meisje is noch die zaterdagavond, noch op een later moment, ooit de mijne geworden. In tegengesteld geval had ik die gedenkwaardige informatie zonder twijfel voor eeuwig en altijd ergens in een veilig hoekje van mijn grijze hersenmassa bewaard. Dus waarschijnlijk is onze beginnende communicatie vrij snel op een sisser uitgelopen. Mogelijk koos ik een fout moment uit om met het meisje in contact te treden. Had ze misschien haar regels?!

Ru(sh)di(e), 4 april 2009. (publicatie op de weblog 'Rudi's kijk op de wereld' op 10 juni 2009) 

29-11-09

Rudi's ontboezemingen - Vrouwen

 

Vrouwen. "Ze zijn soms zo moeilijk te begrijpen", hoor je vaak zeggen. Door mannen, vooral. "Dat is omdat die kutwijven van een andere planeet komen dan wij, fijne venten!" zo hoorde ik in mijn prille kindertijd ooit eens zeggen, toen ik mij, onopgemerkt, in het gezelschap bevond van enkele oudere buurjongens. Die reeds op een leeftijd waren aanbeland waarop ze hun eerste echte liefdesavonturen beleefden.

Dat was dus tevens het moment waarop ik te weten kwam dat wij, in tegenstelling tot wat mijn pa me had verteld, niet uit de kolen komen. Waarna ik concludeerde dat het andere verhaal over onze afkomst, dat de ronde deed, dan allicht toch geen verzinsel was, zoals mijn pa nochtans beweerde. Zouden kindjes dan toch door de ooievaar worden afgeleverd? Al naargelang het om een jongen of een meisje gaat, vanaf verschillende hemellichamen, naar de verwachtingsvolle ouders op aarde gebracht? Ferme vogels, als die veronderstelling juist zou zijn. Maar was het inderdaad zo? En hoe zou die bestelling dan in haar werk gaan? Dat vroeg ik mij af, als kleine rakker. Die grote jongens wisten vast het antwoord wel. Maar ik durfde het hen niet te vragen.

Dat het vrouwvolk een moeizaam te bevatten soort is, dat heb ik inmiddels zelf ook wel begrepen. Bij een jongedame, waar ik als rijpe twintiger een innige relatie mee had, liet ik ooit eens een gigantisch boeket rode & witte rozen bezorgen. Ter gelegenheid van haar verjaardag was dat. Maar dat meisje was nog niet content. De bloemen en het ornament er rond vond het wicht ontzettend mooi. Maar de door de koerier bijgeleverde rekening was er voor haar te veel aan.

Ja zeg, kon ik er aan doen dat ik op dat moment op zwart zaad zat omdat al mijn geld er was doorgedraaid door haar voorgangster? Zeggen ze niet: "Het is het gebaar dat telt?' En ik was in elk geval mijn liefste haar geboortedag niet vergeten! Belachelijk was het, dat ze struikelde over die futiliteit van het zelf moeten betalen van die klote bloemen.

Toen ik als adolescent eens met mijn fiets huiswaarts reed, zag ik aan de overkant van de drievaksbaan een fantastisch mooi meisje staan. En daarenboven uiterst sexy gekleed. Naar mijn normen, in elk geval. Een glanzend zwart rokje dat tot midden haar bovenbenen reikte, zwarte kniekousen, bordeaux laarsjes en een blazer in dezelfde kleur. Een zwart tasje hing op heuphoogte, op die plaats gehouden door een dunne schouderriem. De kastanjebruine steile haardos lag gedrapeerd over de schone deerne haar hals en schouders.

Potverdikke! Mijn hormonen noopten mij tot actie! Dus reed ik verder tot aan het eerstvolgende kruispunt. Alwaar ik, bij groen licht, in plaats van rechts af te slaan, richting ouderlijk huis, links de baan overstak. En rustig terug fietste in de richting van de plaats waar die wachtende schoonheid stond.

Eens ter hoogte van haar standplaats gearriveerd, hield ik halt. Richtte mij op van mijn fietsstuur en lachte het meisje, dat bij mijn aankomst een pas had achteruit gezet, liefdevol toe. Ze keek me met haar bruine ogen verbaast en vragend aan. Maar niet geschokt of verschrikt. Dat viel dus al mee. Mijn God, van dichtbij was deze griet nog veel mooier dan van veraf! Een prachtig gevormd gezichtje met een lichtbruine gelaatskleur. Geen make-up. Niet nodig! Maar ze had wel een vleugje parfum op haar welgevormde lichaam gespoten. Daardoor rook het schatje uiterst zwoel. Zelfs van op die anderhalve meter afstand die ons beiden van elkaar scheidde.

Met mijn meest vriendelijke en verleidelijke stem zei ik: "Hopelijk heb ik je niet te lang laten wachten?" Het meisje keek me niet begrijpend aan. En opende haar mond. Maar vooraleer ze iets kon zeggen, vervolgde ik: "Ik ben jouw droomprins op het witte paard. Nu ja, een stalen ros, en in een rode kleur, maar in elk geval de man die is voorbestemd om met jou het leven te delen!"

Oef! Dat was er allemaal vlot, en zonder al te veel nadenken, uitgekomen! Verwachtingsvol keek ik het meisje aan. Dat stond daar met haar lieve snoet in mijn richting te kijken, met haar mondje vol perfecte parelwitte tanden!

Een antwoord heb ik niet gekregen. En deze ontmoeting is helaas op niks uitgedraaid. Want toen dat meisje haar, naar ik vermoed echte prins, opdaagde, een nogal potige kerel met een hoekig gezicht, zich verplaatsend in een grijze Jeep, maakte ik mij snel met mijn fiets uit de voeten!

Ru(sh)di(e), 17 april 2009 (publicatie op 30 mei 2009 op de blog 'Rudi's kijk op de wereld') - revisie & aanvulling op 29 november 2009.

04-10-09

De avonturen van Rudi & Co - Avontuur in de avonduren

 

Mijn lotsbestemming blijft verrassingen voor mij in petto hebben. Veel te veel naar mijn zin. Maar als er één zekerheid is in dit aardse bestaan, dan is het wel het feit dat je het lot hoe dan ook niet kan ontlopen.

Eergisteren ben ik met Caroline, mijn echtgenote, naar de middelbare school gewseest, waar onze zoon Brian zijn eerste jaar ASO (Algemeen Secundair Onderwijs) volgt. We waren immers uitgenodigd voor een oudercontact, waarbij ons werd aangeboden, tijdens een persoonlijk gesprek met de leerkrachten, de nodige toelichting te krijgen bij de studieresultaten van onze zoon, tot op heden.

Welkom voelde ik mij bij aankomst aan de school helemaal niet. Want dat plankje, met hellend vlak, om via de hoofdingang in de school binnen te geraken, lag niet klaar. Een attente dame zorgde er evenwel voor dat twee mannen, binnen de kortste keren de ramp voor de dorpel hadden geplaatst. En, eens ik binnen was, ook terug op zijn oorspronkelijke plek legden. Anders zou ik niet tot aan de lift zijn geraakt, die we nodig hadden om in de klaslokalen te geraken, waar de leerkrachten ons te woord zouden staan.

Die lift, dat is zo een oud type, met een vaste, zware, open te draaien deur, en zonder dubbele cabine. Wat betekent dat, eens je in de ascenseur staat en deze met een druk op de knop in beweging hebt gezet, je, aan de kant waar je bent ingestapt, de wand van de liftkoker vervaarlijk aan je voorbij ziet flitsen. Gevaarlijk vind ik dat! Dat systeem zal wellicht beveiligd zijn. Maar wat als die beveiliging faalt? Dan kan je net zo goed mee naar boven worden gesleurd, met alle kwalijke gevolgen van dien.

Aangezien de liftkoker dan ook nog eens aan de kleine kant is, pas ik er alleen maar in als ik mij met mijn rolstoel schuin in deze lift positioneer. Enkel op die manier  kan ik er gebruik van maken. Maar kom, we zijn gewoon van ons plan te trekken en we zijn, met behulp van dat systeem, in ieder geval op de verdiepingen geraakt waar we zijn moesten.

Alles bij elkaar genomen hebben we tweeënhalf (2,5) uur zitten wachten om drie (3) leerkrachten gedurende een vijftal minuutjes te spreken. Die tijd uittrekken en dat wachten heb ik er absoluut voor over, om met de leerkrachten van mijn zoon eens van gedachten te wisselen. Maar er zou wel eens een efficiënter formule mogen bedacht en toegepast worden. Want ik had graag ook nog met enkele andere leraars en leraressen kennis gemaakt. Nu was daar geen mogelijkheid toe. De globaal toegewezen tijd was immers op!

Wel vijf of zes mensen heb ik gisterenavond gezien, die lid zijn van het oudercomité, waarvan ook ik deel uitmaak. Die dames (?) en heer (?) vonden mij blijkbaar niet de moeite waard om gedag tegen te zeggen. Was het misschien omdat mijn echtgenote erbij was? Die heeft namelijk een bruine huidskleur. Er waren nochtans meer ouders met een kleurtje aanwezig. De schoolbevolking is immers nogal heterogeen samengesteld. Nu ja, ik ga mijn hoofd niet breken over de oorzaak en beweegredenen van die mensen hun totaal gebrek aan elementaire beleefdheid. Ten overstaan van Caroline en mij welteverstaan, want andere mensen werden wel door hen begroet. Dus zal het allicht aan onszelf liggen. Of berust dit op een misverstand en hebben die lui mij gewoonweg niet herkend?! ;-)

De leerkrachten daarentegen, zijn vriendelijk, gemotiveerd en vol goede intenties. De ene allicht al wat meer dan de andere, maar ik heb toch de indruk dat de school een goed leerkrachtenkorps heeft. Ook een aantal leerlingen van de hogere jaren lieten zich op deze oudercontactavond van hun beste kant zien. Al heb ik wel mijn bedenkingen bij de nogal onbehouwen wijze waarop ze hun taak uitvoerden. De jongeren gingen immers, in twee ploegen, denk ik, rond om aan de leerkrachten en wachtende ouders soep te bedelen. Wat ik zag en hoorde, was een meisje met een grote, en blijkbaar zware ketel soep. Naast haar een jongen met een grote pollepel, waarvan hij de steel in de ene hand en de schep in zijn andere hand hield, bovenop een aantal van resten soep doordrongen servetten. Niet echt een appetijtelijk aanzicht.

"Moet er iemand soep hebben?" vroeg de jongen. Wie reageerde zei "neen, dank u" of bewoog het hoofd een paar keer van links naar rechts en terug om hetzelfde antwoord te geven, maar dan visueel.  Ook ik bedankte voor het aanbod, dat nochtans niet rechtstreeks tot mij was gericht. Het kan idioot lijken, maar ik zag enkel die twee jongelui en veronderstelde dus dat iedereen uit diezelfde soeplepel moest drinken. Die dan telkens gereinigd werd, vandaar die doordrenkte servetten. Maar mijn mond aan die lepel zetten, wat even voordien ook een wildvreemde had gedaan, dat zag ik helemaal niet zitten. Zulks doe ik niet als ik in Europa ben! Opeens kwamen echter nog twee andere meisjes opdagen, waarvan er eentje een mand droeg met soepkommen, lepels en servetten in. Maar niemand van de ouders kwam op haar of zijn beslissing terug. Ook ik niet.

Niet stoppen met lezen, want mijn verhaal is nog lang niet ten einde. De plot moet nog komen! Tijdens het wachten op audiëntie door de leerkracht wiskunde, merkte ik op dat de gang stilaan leegliep. Diverse leerkrachten deden hun jas aan en vertrokken. Ook de meeste, ten behoeve van de wachtende ouders, in de gang geplaatste stoelen, stonden er nu werkloos bij. Aan Caroline liet ik weten dat ik er niet gerust in was. Dat wij nog met de lift naar beneden moesten en dat ik bang was dat we vast zouden komen te zitten in de lift en alzo opgesloten en achter zouden blijven in een verlaten schoolgebouw. Mijn eega deelde deze vrees niet.

Na het onderhoud met de wiskundeleraar, repten we ons naar de lift. Teneinde van de derde verdieping, waarop we ons bevonden, terug op het gelijkvloers te geraken. Ik reed de cabine schuin in. Caroline kwam naast mij staan, sloot de deur en drukte op de '0'. Er gebeurde niks. Geen van ons beiden stond we voor het oog/de ogen die de deur beveiligen. Dat kon dus niet de oorzaak zijn van de malfunctie. Dus nogmaals geprobeerd. En nog eens. Uiteindelijk kwam de lift dan toch in beweging, om even later met een schok alweer halt te houden, tussen twee verdiepingen in. Op welke knop er ook werd gedrukt, er kwam geen beweging in dat ding. Mijn voorgevoel dreigde bewaarheid te worden!

Caroline probeerde dan maar de lift te laten bewegen door de knop ingedrukt te houden. Eureka! Dat lukte... even. Alweer was de lift met een schok stil komen te staan. De truc met het ingedrukt houden van de knop werkte deze keer niet. Wat nu gezongen? Iemand bellen? Maar wie? En het belkrediet van mijn GSM-kaart was zo goed als opgebruikt. Hopelijk dat van Caroline niet. Maar ik durfde het haar niet te vragen. Gelukkig bleef de licht in de liftcabine branden. Na even gewacht te hebben, kwam er bij het blijven ingedrukt houden van de liftknop uiteindelijk toch weer beweging in de lift en geraakten we zo, in enkele etappes, dan toch terug op de begane grond. Oef! Dat was in elk geval de laatste keer dat die lift me heeft mogen vervoeren. Het risico vast te blijven zitten, neem ik niet meer.

Helemaal buiten geraken via de voordeur was er ook niet meer bij. Vrijwilligers om dat hellend vlak te helpen verplaatsen waren er niet te bespeuren. Gelukkig was de achterdeur niet op slot en kon ik dus in het pikkedonker langs de achterzijde het gebouw verlaten. Als een dief in de nacht. En met gevaar lek te rijden op een onzichtbaar object. Leuk is anders!

Rudi, 8 november 2008 (revisie op 19 juni 2009)

 

31-08-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 2

 

In het algemeen ziekenhuis van mijn woonplaats werd alles in gereedheid gebracht om me over te brengen naar de grote partner in de provinciehoofdstad. In minder dan een uur na mijn akkoord, stonden er al twee jonge, aan dat ziekenhuis verbonden ambulanciers, aan mijn bed, om me op te halen. Mijn corpus werd op de smalle brancard getild en vastgesjord. Mijn tas met spullen kreeg ik op mijn benen gezet. En de zak met suikerwater dat middels een infuus mijn lichaam van het benodigde vocht voorzag, kwam op mijn buik te liggen. Zuurstof kreeg ik via een neusmaskertje dat verbonden werd met een kleine, aan de brancard bevestigde zuurstoffles. Weg waren we, naar de gereedstaande ziekenwagen. Het duo rolde mij met brancard en al in de vrij ruime camionette. De mannelijke helft van het ambulancekoppel kroop vooraan achter het stuur van het vehikel. Zijn vrouwelijke collega kwam gezellig naast me zitten. Een taakverdeling waarbij me niet vooraf om mijn mening was gevraagd, maar die desalniettemin mijn goedkeuring wegdroeg.

En zo verliet ik op die 14de december 2006, kort na het middaguur, het hospitaal in mijn woonplaats, om een goeie 25 kilometers verder in dat ander hospitaal, hopelijk naar voldoening te worden geholpen. De ambulanciers waren aangenaam gezelschap. Het meisje toonde me ook het aspiratietoestel dat ze aan boord hadden en verzekerde mij ervan dat ze er mee overweg kon en me in geval van nood dus zeker kon helpen om ongewenst, mijn ademhaling verstorend slijm, uit mijn luchtpijp te verwijderen. De kans dat dit nodig zou zijn was evenwel klein, want de longarts had net voor mijn vertrek mijn luchtwegen nog eens van fluimen gezuiverd middels een bronchoscopie. Die ik deze keer om God weet welke reden niet mee had mogen volgen op het scherm.

Vooraleer we op onze bestemming arriveerden, vulde mijn vrouwelijke gezel ook nog een inlichtingenblad in, met de antwoorden die ik gaf op de vragen die zij aflas van dit document.

Eens ter plaatse werd ik uit de ambulance gerold, een gebouw binnen gereden, toen de lift naar boven ingeholpen, tot ik op de juiste afdeling arriveerde: intensieve zorgen. Na de nodige plichtplegingen en uitwisseling van documenten, werd ik naar een bed gerold, losgemaakt van de brancard en vlot en probleemloos naar het hospitaalbed getransfereerd. Middels een speciaal daarvoor ontworpen hulpmiddel: een plank met een breedte van een gemiddeld mensenlichaam, waarop een, in de lengte rond deze plank verschuivende doek is bevestigd.

Het ambulanceteam nam afscheid van me en wenste me het beste. Weg geroezemoes en drukte. Maar toen pas hoorde ik een voortdurend getuit en gepiep. Vreselijk irritant. En ik was daar pas. Dat zou wat worden! Daar lag ik dan. Op mijn nieuwe verblijfplaats. Voor wie wist toen reeds hoelang? Nieuwsgierig keek ik rond. Voor zover dat mogelijk was. Zowel links al rechts van mij hing een geel gordijn. En ook voor mijn bed hing er zo één, dat evenwel deels was opzij geschoven. Mijn 'cel' was gevuld met medische apparatuur. En rechts van mijn bed stonden een toetsenbord en een computerscherm.

Aan de overzijde van het lokaal ontwaarde ik enkele cabines, waarschijnlijk identiek aan de mijne. Midden in de ruimte stonden bureaus met daarop grote computerschermen. En aan mijn rechterzijde zag ik vaag een aantal met glas afgeschermde ruimtes. Waarschijnlijk kamers met daarin ook personen die nood hadden aan intensieve verzorging, want zo nu en dan ging daar iemand naar binnen. Na eerst een lapje voor de mond te hebben gebonden en handschoenen te hebben aangedaan. En toen die persoon enkele tellen later terug buiten kwam, werden die dingen terug af- en uitgedaan en vervolgens in een prullenbak gegooid.

Er kwam eindelijk iemand naar me toe. Voorstellen was er niet bij. Mijn pyjama moest uit. Dat was de procedure. Ik weigerde, want zag daar de zin niet van in. De verpleegkundige drong niet aan maar verzekerde me dat men mij de volgende ochtend, na het ochtendtoilet dan wel van outfit zou laten wisselen. Daartegen had ik geen enkel verweer, dus ik zweeg. Ook al omdat het ademen alweer moeilijker begon te gaan. Dat verdomde slijm!

Een kinesist werd er bij gehaald om me te tapoteren op de borst. Dat is met een bepaalde techniek kloppen, om de fluimen los te krijgen. Vervolgens aspireerde hij. De jongeman kende de knepen van het vak. Hij kreeg het slijm vrij gemakkelijk uit mijn luchtpijp. Waarna ik weer wat ademruimte had. Hopelijk genoeg om de nacht door te komen.

En die nacht was vreselijk. De verlichting in de zaal werd gedimd, maar overal brandden en flikkerden er kleine en grotere gekleurde lampjes van de apparatuur verbonden aan de in de zaal geposteerde patiënten. Voortdurend weerklonk een tuten en piepen. En nu en dan ging er een alarm af. Op momenten dat één van de toestellen niet genoeg respons kreeg van het lichaam waaraan het verbonden was, vermoedde ik. En dat zou mij later uit eigen ervaring worden bevestigd. Die keren dat het alarm bij mij afging omdat het zuurstofgehalte in mijn bloed angstwekkend daalde. Doordat mijn longen niet meer gevuld raakten door dat verdomde slijm!

De volgende dag kreeg ik een kattenwas, waarbij helemaal geen rekening werd gehouden met mijn gevoelens noch verlangens. En na deze, nog niet eens de term 'half werk' waardig, activiteit werd me zo een operatieschortje aangedaan, dat veel te klein was! Voor een persoon met dwerggestalte was dat misschien net gepast. Maar allicht doet men die mensen dan een kindermodel aan. Want je aangekleed en op je gemak voelen is op een afdeling IZ blijkbaar niet toegestaan.

Dat dit schortje aanmoet om gemakkelijker de verschillende, aan apparaten verbonden elektroden op je lichaam te kunnen plaatsen is onzin. Dat gaat ook met iets meer textiel om je lijf. En het argument dat het dragen van dat shortje zogezegd is ingegeven vanuit hygiënische overwegingen, is ook nonsens. Een lapje stof dat niet eens je schouders bedekt, slechts net je intieme zone aan het zicht onttrekt en je rug en zitvlak bloot laat... een mensonwaardiger outfit bestaat niet. Verplicht exhibitionisme. En dat alles voor die verpleeglui hun gemak! Triest.

Het steeds maar naar die gele gordijnen moeten liggen turen begon danig op mijn zenuwen te werken. Welke idioot is er in God's, Allah's of wiens naam dan ook ooit op de idee gekomen om die opzichtige kleur te gebruiken? En welke, nog grotere idioten hebben er mee ingestemd en het voorstel goedgekeurd? Als straf zou men ze zelf eens een week in een geelgekleurde cel moeten opsluiten! Gek wordt je daarvan! Bij mij kon dat evenwel niet meer gebeuren, want ik was al gek... van de pijn! En ik moest telkenmale bedelen om pijndovend ijs, dat ik dan op de koop toe meestal niet eens kreeg. Ofwel negeerde men mijn aanwijzingen en plaatste het bevroren water op een plek waar het totaal geen nut had.

En om in plaats van tabletjes pijnmedicatie, via mijn infuus de veel sneller werkende vloeibare variant te krijgen toegediend, daar ging ook eerst een ganse lijdensweg aan vooraf. Onbegrijpelijk, want ik vroeg niet eens zware medicatie. Welke allicht massaal werd toegediend aan de andere personen in de ruimte. Want afgaande van wat ik er zo nu en dan van kon zien waren deze meer dood dan levend.

Af en toe gebeurde het wel eens dat er ineens een ganse resem alarmen tegelijkertijd afgingen. Komende vanuit dezelfde locatie. Dan kwam er langs alle kanten volk aangerend. De gordijnen gingen dicht, maar als de herrie van de overkant kwam, dan kon ik uit de aanvoer van materiaal op karretjes en het zenuwachtig gedoe van verpleegkundigen, artsen en al eens een kinesist, afleiden dat men de persoon in het bed aldaar hetzij trachtte in leven te houden, hetzij er terug leven in te krijgen middels allerlei reanimatietechnieken.

En als er naderhand, als de rust was weergekeerd, nagenoeg geen lichtjes meer schenen aan de overkant, veronderstelde ik dat alle pogingen vruchteloos waren geweest en Pietje de dood de strijd had gewonnen. Wat naderhand werd bevestigd door het feit dat er enkele uren later een leeg bed tegenover me stond. Wachtend op een nieuwe patiënt. En dat duurde nooit lang.

In tegenstelling tot de vorige I.Z.-afdeling waar ik verbleef, waren er in dit ziekenhuis slechts twee bezoekmomenten voorzien. Eén om 15u00 en één om 20u00. En kinderen moesten 14 jaar zijn vooraleer te worden toegelaten. Hier zou ik mijn kroost dus zeker niet te zien krijgen. Het was iedere keer eindeloos wachten op die bezoekmomenten. Van telkens een kwartiertje. Het waren kleine lichtpuntjes in troosteloze, en als oneindig durend aanvoelende dagen en nachten.

Inmiddels was ook mijn rolstoel overgebracht van het ziekenhuis in mijn woonplaats, naar de kliniek waar ik nu verbleef. De I.Z.-afdeling mocht die echter niet binnen. Omdat er geen plaats voor was en deze er ook niet thuishoorde, zo werd me gezegd. Dat ik een andere mening was toegedaan, dat kon niemand van het personeel een snars schelen. Ook niet dat ik bang was dat er iemand zou prutsen aan mijn onbewaakt gestalde rolstoel, in feite een mijn lichaam verplaats- en beweegbaar makende orthese. De stoel naast mijn bed plaatsen zodat ik dagelijks enkele uren zou kunnen opzitten, was helemaal uit den boze. Voor die transfers had men geen tijd en als die rolstoel naast mijn bed stond, zou men te veel moeite hebben om aan mij te werken.

Allemaal nonsens, want er werd nauwelijks naar me omgekeken. Buiten de vlugge wasbeurt 's ochtends en op gestelde tijden een bloedafname, een heraankoppelen van losgekomen elektrodes, en zo meer. Het aspireren werd overgelaten aan een kinesist, want de verpleegkundigen bakten daar niks van. En na een bezoek van de longarts, die ik al van vroeger kende, werd de 'Kuch assistent' ingeschakeld. Dat is een op elektriciteit werkend verplaatsbaar apparaat waaraan een luchtslang zit waaraan een masker is bevestigd, dat op je mond wordt geplaatst. Het toestel stimuleert een kuch door eerst een positieve druk op de luchtwegen te zetten en onmiddellijk erna een negatieve (dus onder-)druk. Waardoor je gaat kuchen. Op het einde van deze drukwissel laat de machine, gedurende een door de operator in te stellen tijd, de luchtwegen  even drukvrij. Waarna de cyclus zich herhaalt. Een aantal keer na elkaar.

Eigenlijk een technisch vrij eenvoudig apparaat, dat men uitsluitend benoemde met de Engelse term 'Cough Assistent'. Allicht om het apparaat, niet veel meer dan een omgebouwde vacuümpomp of zelfs stofzuiger, een meer bijzondere uitstraling te geven. Maar het mag worden gezegd dat ik effectief baat had bij het gebruik ervan. Zelfstandig was is helemaal niet in staat om slijmen op te hoesten, terwijl dat met behulp van dat door de kinesitherapeut bediend toestel, wel ten dele lukte.

Toen ik een keer de drang voelde om stoelgang te maken, meldde ik dat aan de verpleger van dienst. En vroeg om mij rectaal te toucheren. Dat is het manueel verwijderen van ontlasting. Men doet dat door, terwijl je met opgetrokken knieën op je zijde ligt, met de vingers de feces uit je endeldarm te lepelen. Weet je wat de aangesproken verpleegkundige zei? "Laat maar komen. We zullen dat daarna wel opkuisen!" Ik geloofde mijn eigen oren niet! Er werd van me verwacht dat ik 'gewoonweg' mezelf zou onderkakken, waarna ik, en mijn bed, zouden worden verschoond?! Dat kon hij toch niet menen? Maar hij meende het wel! Mijn bezwaren werden simpelweg weggewuifd.

Gelukkig was het loos alarm. Er kwam vrijwel niks. Maar 's avonds werd wel gans de boel ververst. En kwistig dat er werd omgesprongen met papier, lakens en handdoeken! Onverantwoord, vind ik. Hygiëne, akkoord, maar zijn 5 handdoeken, evenveel washandjes en 3 paar handschoenen gebruiken voor één wasbeurt echt nodig?

Wat die weigering om rectaal te toucheren betreft, luchtte ik mijn verontwaardiging bij de hoofdverpleegkundige. Dat was een foute zet. Want als gevolg van die klacht werd ik 's nachts afgedreigd door de nachtzuster. Ik schrok me een hoedje toen die me nors meldde dat, als ik nog een keer mijn bek zou opendoen tegen de hoofdverpleegkundige, het mijn beste dag niet zou zijn.

Daar lag ik dan met pijn en nog op tijd en stond serieuze ademnood, in een vijandige omgeving. Eigenlijk was het al vrij snel duidelijk geweest dat ik op die afdeling niet veel menselijkheid moest verwachten. Elk van de daar werkende verpleegkundigen had slechts een tweetal patiënten onder haar of zijn hoede. Allicht vaak in een toestand van balanceren op de grens tussen leven en dood. Dan zou je toch verwachten dat zij, bij aankomst op de afdeling, voor het aanvatten van hun werkshift, eens even een kijkje zouden nemen om te zien hoe het met die personen was gesteld?

Neen hoor, zij arriveerden, namen hun broodjes uit hun tas, plaatsten die in de koelkast, tokkelden wat op de computer, waar ze mogelijks wel de conditie van hun, op 5 meter daar vandaan liggende patiënt, aflazen, namen deel aan de overdracht door de ploeg voor hen, en kwamen dan een half uur na hun aankomst, tot aan je cel. Om daar wat op de, naast je bed staande computer, te tikken.

Pas toen ik hen zelf aansprak, keken ze voor het eerst mijn richting uit. Vaak een beetje geschrokken. Want gewoon praten deed het merendeel van hun patiënten niet. Die hielden zich doodstil, of waren hoogstens wat aan het ijlen. Als ze bij iemand aan bed kwamen spande dat personeel trouwens altijd eerst een maskertje voor de mond en deed men latex handschoenen aan. Ongetwijfeld noodzakelijk om de verspreiding van kwalijke bacteriën tegen te gaan, maar helemaal niet leuk om telkens zo te worden benaderd. Daar konden zij uiteraard niks aan veranderen, maar ik vermoed dat de meesten van hen daar zelf niet mee in zaten. Later hoorde ik van diverse verpleegkundigen, dat op een afdeling 'Intensieve Zorgen', vaak collega's werkzaam zijn die zich ook reeds tijdens hun studietijd kenmerkten door een asociaal gedrag.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 30 augustus 2009)

31-07-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 1


Het werd een Kerst in mineur voor schrijver dezes. Begin september 2006 raakten mijn longen geïnfecteerd door een virus. Dat zorgde voor kortademigheid. Gezien mijn longcapaciteit, als gevolg van mijn verlamming, bij een normale lichaamsconditie slechts net voldoende is om zelfstandig te kunnen ademen, had ik dus te maken met een ernstig probleem. Eén huisarts, twee specialisten, drie antibioticakuren en een griepvaccinatie verder, kwam daar nog bij dat enorme speekselfluimen in mijn luchtpijp mij bij wijlen in acute ademnood brachten. Zodat ik dreigde te stikken! Omdat ik niet de kracht had om dit slijm op te hoesten. Bovendien had ik bij het eten en drinken ook alsmaar meer moeite om het voedsel en de drank door te slikken.

En mijn lichaam reageerde uiterst heftig telkenmale deze problemen zich voordeden. Als ik door mijn verpleging of kinesist in bed werd gelegd, zette alles zich dicht,. De spieren van mijn buik en middenrif knepen als het ware mijn longen en luchtpijp samen, met als gevolg dat ik dan steeds snakte naar adem en hevig pufte van benauwdheid. Derhalve durfde ik niet meer geheel neer te liggen en trachtte ik in een half zittende positie te slapen.

Begin december ging ik op een zaterdagavond met mijn kroost naar de film. De Nederlandstalige film 'Windkracht 10' werd immers vertoond in het Cultureel Centrum van mijn woonplaats, en ik had voor kaarten gezorgd. Die dag had ik nauwelijks iets gegeten, want ik verslikte me voortdurend, wat angstaanjagend was en me dus enorm veel schrik bezorgde. Doodziek reed ik met mijn twee jongens naar die locatie. Omdat ik dacht dat de film me verstrooiing zou brengen. Tijdens de filmvoorstelling zat ik evenwel voortdurend naar adem te snakken.  En me af te vragen of ik na de voorstelling niet best meteen naar het daar dichtbijgelegen ziekenhuis zou rijden. Maar wat dan met de jongens, zo vroeg ik me af. Vandaar dat ik, na het einde van de film, samen met de fietsende zonen huiswaarts keerde.

Aangezien ik het niet aandurfde om me door mijn thuisverpleegkundige in bed te laten leggen, bracht ik de nacht door, al zittend in mijn rolstoel. Met mijn pyjamavestje aan en een deken over mijn ganse lichaam gelegd. Het was een vreselijke, slapeloze nacht, die ik al reutelend en snakkend naar adem doorspartelde. Op zondagochtend, de derde dag van de maand december 2006, liet ik me, uitgeput en ten einde raad, net voor de middag, met het busje van het rolstoelervervoer, georganiseerd door het locale O.C.M.W., naar het plaatselijke algemeen ziekenhuis brengen. Mijn éne tienjarige zoon reed mee met mij, zijn tweelingbroer en hun mama volgden met de auto. Voor mijn vertrek had ik mijn gezinsleden nog alle medicatie, toiletspullen, pyjama en zo meer in een plastic zak laten proppen.

Ik had hoge koorts en was helemaal op. Angstig, omdat nu en dan mijn luchtpijp nagenoeg volledig dichtslibde, waardoor ik geen enkele klank meer kon uitbrengen en nog nauwelijks kon ademen. Waarbij ik me bewust was van het gevaar dat er ten gevolge hiervan onvoldoende zuurstof naar mijn hersenen zou worden gestuwd, met mogelijks het afsterven van hersencellen tot gevolg. Met extra lichaamsfunctieverlies! Voorwaar geen prettige gedachte.

Daarbovenop was ik ontzettend moe door een gebrek aan slaap, het urenlang luisteren naar mijn eigen eentonige gereutel, mijn terechte vrees voor hersenbeschadiging en het onophoudelijk geconcentreerd ademen om toch nog wat hoogst noodzakelijke zuurstof in mijn corpus binnen te krijgen.

Ik ging binnen via de spoed, alwaar ik goed werd opgevangen door de verpleegkundige van dienst en het geluk had op een dokter van wacht te stoten met een grote luisterbereidheid. Geheel naar mijn wens werd ik niet op een bed gelegd en werd er, door een inderhaast opgeroepen chirurg, een centraal veneuze katheder aangebracht. Een kunststof slangetje, dat in tegenstelling tot een gewoon infuus, niet in een dunne ader in arm of been, maar in een groter bloedvat onder het sleutelbeen wordt aangebracht. Eén van de voordelen hiervan is een grotere bewegingsvrijheid.

Ik kreeg een kamer toegewezen op een verzorgafdeling. Mijn toekomstige kamergenoot keek raar op toen het naast hem staande lege bed naar buiten werd gerold en ik in mijn rolstoel in de plaats kwam.  Ik was nog maar pas geïnstalleerd of men kwam me reeds halen voor het maken van een medische beeldplaat. Er werd een Röntgenfoto genomen van mijn longen. De arts hielp zelf om dit voor elkaar te krijgen omdat deze handeling, met mij in mijn rolstoel, helemaal niet eenvoudig was.

Uiteindelijk achtte men het toch meer aangewezen om me onder te brengen in een box op de dienst intensieve zorgen. Ik kreeg een zuurstofmasker op neus en mond gedrukt, waarna ik het iets minder benauwd had en men verbond mijn lichaam aan allerlei apparaten. Zodoende kon men op allerhande schermpjes continu mijn bloeddruk, hartslag, zuurstofsaturatie en zo meer af kon lezen. Mijn antibiotica, waarvan ik, bang om er in te stikken, de laatste pillen niet meer had ingenomen, werd nu intraveneus ingebracht. Mijn gezinsleden gingen huiswaarts en ik was ervan overtuigd dat ik een dag of drie later hetzelfde zou kunnen doen.

Inmiddels was mijn toestand er uiteraard niet vanzelf op vooruit gegaan. Ik zat afwisselend te hoesten, te puffen en reutelend naar adem te snakken. Met een buisje, verbonden aan een vacuümsysteem, trachtte men via één van mijn neusgaten, of de mond en keelholte, tot bij de fluimen te komen die mijn luchtpijp afsloten, en deze zo af te zuigen. Dit, wat men in vaktermen 'aspireren' noemt, lukte evenwel niet goed. Bij de ene verpleegster ging het nog minder goed dan bij de andere. Slechts nu en dan leidde deze therapie tot enig resultaat. Meestal beschadigde men evenwel met de sonde mijn neus- en keelholte en kwam het uiteinde ervan in mijn slokdarm terecht, in plaats van in mijn luchtpijp. Of werd het pijpje binnengebracht via mijn neus en kwam het er via mijn mond opnieuw uit. Eén iemand slaagde er zelfs in om het buisje langs het éne neusgat binnen te brengen, waarna het er via het andere neusgat uitkwam en vervolgens kwam vast te zitten. 'Oesje' zei ze, 'het zit vast!' Ik talmde niet, nam het buisje uit haar hand en gaf er met alle kracht die ik nog in mijn lichaam had, een flinke ruk aan, zodat het los kwam.

De pneumoloog werd er bijgehaald. Die deed een bronchoscopie en verwijderde middelerwijl zo veel mogelijk fluimen. Meer gedetailleerd ging dit onderzoek als volgt in zijn werk. Mijn tong en keel werden verdoofd middels besproeiing met een bittere vloeistof. En ook in mijn luchtwegen werd wat verdovingsvloeistof gedruppeld. Vervolgens werd er een mondstukje tussen mijn tanden gepropt. En via het gat daarin werd een soepele buis met een diameter van zowat een halve centimeter, met daarin een videocamera en een afzuigbuisje, in mijn mond, via mijn keel, tot in mijn luchtpijp gebracht.

De arts, geassisteerd door een verpleegster, kreeg op een monitor te zien dat bijna al mijn grote luchtwegen waren dicht geslibd. En ik keek geïnteresseerd mee. En zag hoe de specialist de veroorzakers van mijn ademnood wegzoog. Een eerste deel slijmen werd opgevangen in een buisje, zodat ze aan het medisch labo konden worden overgemaakt, voor nader onderzoek. De rest werd opgevangen in een keteltje en zal allicht later bij het medisch afval zijn gedumpt.

Na deze interventie van de arts ging het ademen al beter. En durfde ik me in een bed te laten leggen. Gelukkig mocht ik kinesitherapie krijgen van de persoon die me ook thuis al sinds geruime tijd behandelde. Dat zorgde ervoor dat ik nagenoeg dagelijks toch alvast één bekende persoon aan mijn bed had. En hij deed ook mijn transfer van bed naar rolstoel. Want de nochtans eenvoudige techniek om die handeling uit te voeren middels de draaischijf, die ik van thuis had laten meebrengen, wou het verplegend personeel niet uitvoeren. Wegens 'geen ervaring', wat dan, door de wijze waarop men dit zei, eerder mocht worden geïnterpreteerd als 'geen goesting'

Dus moest ik 's avonds terug in bed met de tillift, ook wel, al dan niet smalend, de 'stalen verpleegster' genoemd. Een omslachtig systeem, waarvoor tevens nogal wat manoeuvreerruimte nodig is. En die was er in die intensieve zorgenkamer niet echt. Er wordt bij deze werkwijze een sterke doek onder je poep en rug geplaatst, de hoeken van die doek worden aan de armen van die lift bevestigd en zo wordt je lichaam dan met een pneumatisch systeem opgetild en kan je worden verplaatst, aan dat ding bengelend als een zak patatten. Een uiterst onprettig en onterend gevoel om het lijdend voorwerp te zijn bij een dergelijk manoeuvre.

En dat die procedure nogal wat tijd en ruimte in beslag nam, dat hadden mijn verzorgsters ook begrepen. Vandaar dat ze voorstelden om mij overdag een papieren luier aan te doen. In mijn eigen voordeel, zo werd me aangepraat. Dan kon ik pissen en kakken als het mij uitkwam. Zonder te moeten wachten op iemand van het verplegend personeel. Als goed verstaander begreep ik dat dit dus was om hen niet te moeten storen! Maar zij niet hoor! Ze konden mij dan wel zo ver krijgen om met een pis- & kakdoek in mijn elektrische rolstoel te zitten, maar als ik moest plassen, mochten ze opdraven met mijn plaskan! En aangezien ik geen vast voedsel at, zou het nog wel even duren vooraleer mijn lichaam ontlasting produceerde.

Waar haalt men het zich toch in het hoofd om een medemens zulk een vernederingen te laten ondergaan omwille van het eigen gemak en incompetentie?

Eten durfde ik niet en dat werd me ook door de specialist ontraden. Maar ik was kloek genoeg en via mijn infuus werden me de nodige voedingsstoffen toegediend.

Doorgaans op mijn eentje in een cel met slechts een klein buitenraampje, waardoor enkel een stukje hemel en een deel van de stam en kruin van een boom was te zien, mocht ik ervaren hoe ontzettend saai en eenzaam het is om in volle bewustzijn op zo een afdeling 'intensieve zorgen' te vertoeven. Je ligt daar in je eentje in een kooi, waarvan ze in mijn geval de glazen deur blindeerden, omdat ik anders mogelijks een glimp kon opvangen van wat zich in een andere cel of op de gang afspeelde. Aangezien ik, sinds die malafide arts mijn lichaam zo onwillig en lam maakte, aan een lichte vorm van claustrofobie lijd, was dit voorwaar niet bevorderlijk om me op mijn gemak te voelen.

Inmiddels zag het er ook niet naar uit dat ik daar spoedig weg zou zijn. En op de momenten dat ik me goed voelde verveelde ik mij enorm! Lezen lukte niet al te best. Ik kon me nogal moeilijk op de tekst concentreren. En zelfs met mijn leesbrilletje op zag ik de tekens slechts wazig. Allicht ten gevolge van de medicatie. Dus vulde ik mijn tijd vooral met het luisteren naar muziek die uit mijn MP3-speler weerklonk, het aflezen van de tijd op mijn GSM en met het wachten tot wanneer er eens iemand mijn cel betrad. Van het verplegend personeel bijvoorbeeld. Of familie, wat drie keer per dag was toegestaan. Om 11u00, om 15u00 en om 19u00. Telkens per twee, en steeds slechts voor een kwartiertje. En bezoek van kinderen onder de 12 jaar werd niet toegelaten. Dus kreeg ik mijn kroost niet te zien.

Aangezien er thuis nogal wat dringend te behandelen onafgewerkte administratie op me lag te wachten en ik ook graag instructies wou geven aan mijn huisgenoten nopens het accuraat opvolgen van mijn inkomend internetverkeer, vroeg ik aan de hoofdverpleegkundige van de afdeling toestemming om mijn vrouw eens voor een langere tijd dan dat kwartiertje te mogen ontvangen. Zodat ze alle papieren en mijn laptop mee kon brengen en ik één en ander kon afwerken en voor de rest aanwijzigen kon geven aan mijn echtgenote, zodat onbetaalde rekeningen of onbeantwoorde brieven ons geen extra problemen zouden bezorgen. Want aan die van mijn wankele gezondheid hadden we op dat moment al meer dan genoeg!

Mijn goed gefundeerde vraag werd vrijwel onmiddellijk positief beantwoord. Aangezien ik blijkbaar voorlopig over de ergste fysieke nood heen was, mocht het al onmiddellijk de volgende dag. Middels mijn mobieltje liet ik dat weten aan mijn vrouw. Dus deden we de dag erna wat gedaan moest worden. Toch alweer een zorg minder voor ons allebei!

Weer een dag later was men nogal laat gestart met me te wassen. Bovendien werkte het jonge trutje van dienst ontzettend traag. Vooral ook omdat ze mijn aanwijzingen niet wou volgen. Als je reeds 6 jaar wordt gewassen door een ander, dan weet je onderhand wel welke handelswijze de beste is. Om je tussen je lamme, spastische benen te kunnen wassen bijvoorbeeld, of om je op je zijde te draaien. Maar als ik een techniek voorstelde, dan werd die suggestie steeds weggewuifd als zijnde niet toepasbaar. Als ik hierop dan repliceerde dat mijn thuisverpleegkundigen dat systeem nochtans sinds jaren succesvol toepasten, dan werd ik de mond gesnoerd met de ridicule dooddoener: "Hier is niet thuis, dit is een hospitaal!"           In mezelf dacht ik dan, dat die locatie toch ook wel 'ziekenHUIS' werd genoemd. Maar ik zweeg stil. Wat baten immers kaars en bril als de uil niet zienen wil?

Ze was nog maar net klaar met me te helpen bij het poetsen van mijn tanden, toen mijn vrouw arriveerde voor het toegestane kwartiertje ochtendbezoek. De verpleegster liet terstond alles liggen en wou er vandoor gaan. Toen ik dat wicht zei dat ze was vergeten de spullen op te ruimen, antwoordde ze gemeen dat mijn vrouw er nu was. En die kon dat toch doen?! Verbijsterd keek ik haar aan. En zei boos en vastberaden dat zulks mijn eega haar werk niet was. Ze mocht potverdikke maar 15 minuten bij me blijven en zou dan in die belachelijke tijdspanne ook nog eens een ander haar werk moeten voltooien?! Nijdig naar ons  kijkend deed ze het dan toch maar zelf. Als ze een langere koffiepauze wou, zo dacht ik bij mezelf, dan moest ze maar leren wat sneller, efficiëntr en productiever te werken.

Vooraleer de kamer te verlaten kon die jonge verpleegkundige het niet laten me te verwijten dat ik verwaand was. Niet begrijpend wat ze bedoelde vroeg ik om uitleg. Bits zei ze daarop dat ik onterecht faciliteiten verkreeg die de andere mensen  op de afdeling niet kregen toegestaan. Zoals bijvoorbeeld het dagelijks in mijn rolstoel worden gezet en het lange bezoek door mijn vrouw, een dag eerder.

Ho maar! Die andere mensen lagen daar doorgaans wel voor slechts één à twee dagen. En meestal na geopereerd te zijn. Opzitten en werken, daar was allicht geen van hen toe in staat. Maar, in navolging van sommige van haar collega's, ontbrak haar klaarblijkelijk het beetje verstand om dat te begrijpen. Dus mijn toch nog steeds uiterst geringe adem verspillen aan dat dom wicht zou zinloos zijn geweest, dus deed ik het bijgevolg niet.

Later die dag meldde ik het voorval, bij afwezigheid van de hoofdverpleegkundige, wel aan haar secondant. Maar die vergoelijkte het gedrag van het meisje. Dat volgens hem 'slechts' te wijten was aan haar jeugdige leeftijd en onervarenheid, gekoppeld aan een te hoge werkdruk. Van dat laatste had ik in al die dagen verblijf op de afdeling nochtans niks gemerkt. Maar ik hield wijselijk mijn mond.

Net geen week na mijn opname leek het dan toch beter met me te gaan en mocht ik verhuizen naar een 'gewone' kamer. Alwaar ik een ganse namiddag bezoek mocht ontvangen. Ook van mijn jongens. En ik liet ze naar de televisie kijken, opdat ze zo lang mogelijk zouden blijven, zonder zich te vervelen. Hen in de buurt hebben deed me goed. Gelukkig was de Sint niet in de war geweest door mijn afwezigheid in huis, en had de goede man op 6 december toch hun gereedstaande schoentjes gevuld.

Méér dan één dag hield ik het niet vol op de verzorgafdeling. 's Avonds was het al weer zover. Ademnood door slijmvorming. De vrouwelijke verpleegkundige van dienst probeerde ze vruchteloos weg te zuigen middels een mobiele aspirator. Maar de taaie slijmen wilden niet lossen. Een collega werd er bij gehaald. En er kwam er nog één. Ze overlegden wat er moest gebeuren. Zouden ze de behandelende arts bellen? Ze waren het er unaniem over eens dat er geen andere optie mogelijk was. En dat er haast bij was. Zelf kon ik me niet moeien in het gesprek want mijn keel zat dicht. Angstig keek ik naar de bezorgde gezichten van de verpleegsters om me heen. Degene die er het laatst was bijgekomen hield mijn hand vast, kneep er zachtjes in en moedigde me aan om vol te houden. Naderhand vernam ik dat deze dame toen vreesde dat mijn levenseinde in zicht was omdat mijn lippen en vingers al blauw aan het verkleuren waren.

De specialist werd uit zijn bed gebeld en stond dra naast mijn, inmiddels reeds naar de behandelkamer gerolde bed. Om met dringende spoed een levensreddende bronchoscopie uit te voeren. Waarna ik terug werd overgebracht naar de divisie 'intensieve verzorging'. De eerste tijd na deze actie, voelde ik mij een stuk beter. Het ademen verliep niet meer zo moeizaam. Echter niet voor lang. Slijmvorming in mijn longen deed keer na keer mijn rechterlong compleet dichtklappen en mijn linkerlong dichtslibben. Aspireren bracht dus geen soelaas, waardoor men telkens weer de longarts diende op te trommelen om te vermijden dat mijn lichaam de geest zou geven.

Steeds weer was ik opgelucht die man te zien verschijnen. En telkenmale dankte ik hem naderhand uiterst oprecht. Maar na enkele spoedinterventies waarbij hij vrouw, kinderen en slaap moest laten om mij te komen  'redden', was deze specialist het beu en drong hij er op aan mij verder te laten behandelen in het Universitair Ziekenhuis, gelegen in onze provinciehoofdstad. Gezien het feit dat ik net in die kliniek het slachtoffer was geworden van een medische blunder die mij zwaar verlamd maakte, stond ik niet te popelen om hieraan toe te geven. Bovendien had ik mij doelbewust in de locale kliniek laten opnemen, omdat ik dan dicht bij huis was. En als ze mij wilden zien, mijn gezinsleden slechts een kleine verplaatsing dienden te maken.

Maar de arts vond dat ik beter af zou zijn in een grote, aan een universiteit verbonden kliniek, waar meer expertise voorhanden was, waarmee een permanente oplossing voor mijn problematiek kon worden gevonden. Zelf fantaseerde hij luidop over het uitvoeren van een tracheotomie. Dat is een operatie waarbij men via de hals een snede maakt in de luchtpijp en daar dan een plastic buisje in plaatst, canule genaamd. Na die medische ingreep zou het wegzuigen van fluimen uit mijn longen langs die opening kunnen gebeuren, dus veel eenvoudiger. En ook mijn kunstmatige beademing kon dan via die weg gebeuren. Allemaal troeven! Het gevaar op infecties en vooral het na de ingreep niet meer kunnen gebruiken van mijn stembanden achtte de arts nadelen van mindere orde. Volgens hem was er voor dat laatste probleem trouwens ook wel een oplossing te vinden. Een spraakmodule die zou toelaten een synthetisch stemgeluid te produceren dat de menselijke stem benadert.

Voor het eten had de specialist ook een oplossing bedacht. Het verslikprobleem kon voorkomen worden door 'gewoonweg' geen voedsel meer via de mond tot mij te nemen. En me in de plaats daarvan te laten voorzien van een permanente maagsonde. Een slangetje, dat operatief, onder algehele narcose, via de buikwand rechtstreeks in de maag wordt gebracht. Via die, in medische termen PEG genoemd, kon ik dan probleemloos (?) worden gevoed.

Bij de complicaties die dergelijk 'systeem' met zich mee kan brengen, gaande van infecties en ontstekingen, over vergroeiingen, tot buikloop, had de man blijkbaar nog niet stilgestaan. En dat ook het eet- en smaakgenot me door deze ingreep zou ontnomen worden, was voor de arts blijkbaar van ondergeschikte orde.

De mij behandelende dokter was daarenboven van mening dat, in afwachting van een definitieve remedie, er nood aan was dat ik verder zou worden behandeld in een kliniek waar de afdeling pneumologie door meer dan één arts werd bevolkt. Zodat er steeds iemand paraat zou staan om me tijdig uit stervensnood te helpen. In deze kliniek stond hij er alleen voor en derhalve achtte hij mijn verblijf aldaar absoluut niet langer haalbaar.

Deze argumentatie en mijn vrees dat de arts me bij een volgend acuut ademhalingsprobleem op eigen initiatief tot een half kunstmatig wezen zou omtoveren door het ten uitvoer brengen van zijn ideeën, deed me uiteindelijk zwichten. Evenwel niet nadat ik allerhande alternatieven had overwogen, zijnde andere ziekenhuizen dan het voorgestelde UZ. Dat ik toch akkoord ging met dit, in mijn herinnering 'onheilsoord', kwam te  meer door het feit dat daar een pneumoloog werkzaam is die mijn voorgeschiedenis kende en bij wie ik, op aanraden van zijn collega in de kliniek van mijn woonplaats, ook in november reeds op consultatie was geweest en op wiens dienst ik toen tevens een longfunctietest had ondergaan.

Inmiddels was het reeds 14 december. En in die 12 dagen verblijf in het ziekenhuis was er reeds heel veel gebeurd, en had ik reeds heel wat meegemaakt. Slechte ervaringen, maar ook goede. Zo was ik tijdens mijn laatste twee dagen aldaar terug wat vast voedsel beginnen eten. En een verpleegster had speciaal voor mij voor wat lekkers gezorgd. Dat deed me wel iets. Persoonlijk vind ik trouwens dat zo een kleine kliniek ook zijn voordelen heeft. Meer en nauwere onderlinge contacten tussen de verschillende afdelingen bijvoorbeeld. En zij kunnen even kwalitatief werk leveren als de grotere broers, al is hun personeel daar vaak zelf niet van overtuigd. Zij schatten mijns inziens zichzelf en hun kliniek vaak veel te laag in.

Tot daar deze randbedenking, die toen door mijn hoofd spookte. En ik vreesde dat er nog veel zulke overdenkingen zouden volgen, want het einde van mijn lijden leek bij lange na nog niet in zicht.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 30 juli 2009)

14-06-09

Rudi's ontboezemingen - Blind geldgewin

 

Regelmatig krijg ik berichten in mijn mailbox waarin wordt gemeld dat men mij in contact kan brengen met dames, waar wél eens de ware voor mij tussen zou kunnen zitten. Hoe men er bij komt, dat ik daar naar op zoek ben en niet misschien reeds heb gevonden, is voor mij een raadsel. Nu ja, mijn gulzige prullenbak slikt deze berichten met graagte in.

Een kennis van mij heeft ooit eens via zo een 'dating site' een 'blind date' geregeld. Een regelrecht fiasco! Die jongen had een plaatsje gereserveerd, in een stemmig restaurantje. Een vrij exclusieve, en bijgevolg dure eetgelegenheid. Maar ja, die jongeman van tegen de dertig, had een goede job en kon zich dat permitteren. En wou met deze luxe dat bijna tien jaar jonger meisje imponeren. De jongedame, waarmee hij had afgesproken, kwam echter niet opdagen! Dus zat hij daar de ganse avond aan dat tafeltje, bij kaarslicht, en helemaal allen. Absoluut niet romantisch!

Achteraf heeft hij dan vernomen wat er was gebeurd. Via de chat, want toentertijd was de aankoop van een mobieltje slechts weggelegd voor rijke mensen, zakenlui en prostituees. Dat meisje waarvan sprake, had haar weg naar de plaats van afspraak niet gevonden. De jongedame, zo bleek, was immers blind! En haar geleidehond was net die avond van haar weggelopen! Met haar witte geleidestok in zijn bek!

Mijn kennis is na het 'lezen' van die uitleg niet meer bijgekomen... van het lachen! Zijn mama, gealarmeerd door het lachsalvo, en vervolgens het geluid van een klap, komend uit die jongen zijn slaap- annex studeerkamer, vond hem dubbelgevouwen van het lachen, naast zijn bureaustoel. Hij had zich daarenboven ook nog eens een breuk gelachen. En was er dus erg aan toe.

Uiteindelijk is mijn kennis met zware hoofdwonden opgenomen in het lokale ziekenhuis. Géén idee hebbend van wat er aan de hand was, had zijn mama immers om een ziekenwagen gebeld. Toen die arriveerde, was mijn kennis evenwel al wat bekomen. En de ambulancier van dienst, een potige kerel, kon er niet mee lachen dat hij voor niks was uitgerukt. Bovendien bleek die blinde date zijn nichtje te zijn! En vond hij derhalve het gebeurde helemaal niet grappig. Mijn kennis heeft dat geweten! En zal daar blijvend aan worden herinnerd, telkens hij in de spiegel kijkt en de littekens ziet op zijn gezicht.

Eind goed, al goed, evenwel. Dat meisje is mijn kennis komen opzoeken in het hospitaal. Dat ze probleemloos vond! Neen, die hond was nog niet teruggevonden, net zo min als haar geleidestok. Ze had gewoon haar bril afgezet. En wat bleek? Dat ze kon zien! Een beetje troebel, dat wel, maar ze zag! Door dat verbouwereerd meisje op de rooster gelegd, bekende haar pleegmoeder huilend, uit vrees voor de gevolgen van haar confessie, dat zij en haar drugsverslaafde man, het blinde meisje, dat dus helemaal niet blind bleek te zijn, van kleins af aan een donkere bril hadden opgezet, zodat iedereen dacht dat het lief kind blind was, en ze derhalve dubbel kindergeld konden opstrijken!

Gedane zaken nemen géén keer. De tijd terugdraaien gaat immers (voorlopig?) nog niet. Derhalve vergaf dat meisje haar pleegouders hun zonde, en stapte met mijn kennis de boot in. Hij was in die tijd immers matroos op een binnenschip. En zonder bril zag dat jong vrouwmens mijn kennis goed zitten. Allicht omdat haar zicht toch ietwat troebel bleef; Oh ja, inderdaad: ze leefden nog veel en kregen lange kinderen.

Rudi, 6 september 2008 (revisie op 14 juni 2009)

10-06-09

Rudi's ontboezemingen - Gewonnen!

 

Het ziet er naar uit dat mijn levenslot een ernstige wending gaat nemen. In de positieve zin, wel te verstaan! Alle begrip voor jullie ongeloof, want ik kan het zelf ook nauwelijks geloven. Het is namelijk zo dat ik op deze dag, vandaag dus, maar liefst drie (3!) unieke meldingen kreeg van financiële buitenkansen!

En het betreft hier niet een gratis plaatsing op ebay, en ook geen gratis fotoprints bij Extrafilm, of een kortingbon bij Yves Rocher Winkels. Neen! Met alle respect voor de waarde van dergelijke voornoemde aanbiedingen, maar wat mij ten deel valt is veel aanzienlijker!

Het begon bij het openen van mijn elektronische brievenbus, deze ochtend omstreeks 8 uur. Daarin vond ik, zoals gewoonlijk, in de eerste plaats de berichten van de kranten met de hoofdlijnen uit het nieuws van de dag. Voorts ook enige spam en andere junkmail, die door de mazen van mijn beveiligingsmuur waren geglipt. En naast de persoonlijke en zakelijke berichten, waarvoor ik die elektronische brievenbus in eerste instantie heb en gebruik, waren er ook enkele berichten met aanbiedingen in de trant van de eerder vermelde.

Mijn aandacht werd echter getrokken door een bericht dat niet echt thuishoorde in het hoger genoemde lijstje. Een jongedame, met een niet uitspreekbare familienaam, meldde me, in niet geheel correct Engels, er naar te 'verlangen' om een zakenrelatie met mij te beginnen. Ze uitte begrip voor mijn vanzelfsprekende verwondering, omtrent haar verzoek, aangezien we niet eerder contact hadden met elkaar, en begon vervolgens haar verhaal. De genaamde Zaina Ishaaqismail blijkt enig kind te zijn van een Ivoriaanse handelaar in goud en cacao (wat een combinatie!), met vestigingen in Accra (Ghana) en Abidjan (Ivoorkust). Het (figuurlijk) arme schaap haar pa werd recent, tijdens een zakenreis, vermoord. Door zijn zakenpartners! Met vergif!

Jongens toch, waar gaat de wereld heen? Soit. Op zijn sterbed heeft de onfortuinlijke man, met een laatste ademstoot, dochterlief nog net kunnen vertellen dat hij wat geld heeft veilig gesteld, op een bankrekening in Abidjan. Op haar naam. Een bedrag van maar liefst 6.500.000 USD. Reken uit, dat is wel bijna 4,5 miljoen Euro, hé! Hoe ik dat meisje kan helpen, staat nergens te lezen. Net zo min als hoeveel ik daar concreet mee kan rapen. Maar zelfs als ik voor alle moeite slechts 1 (één) luttel procentje ontvang, dan krijg ik toch nog 45.000 Euro toebedeeld! Zaina vroeg me, na het lezen van het bericht, haar terstond te contacteren op haar privé e-mail adres, dat ze erbij vermeldde.

En daar hield het vandaag niet bij op. Een ander Engelstalig bericht, van een zekere mevrouw Angela Jones, bracht de tijding dat 'mijn e-mail adres' één van de 50 gelukkigen is die zijn geselecteerd om een bedrag te ontvangen van 1.200.000 Euro. Gewonnen met 'El Gordo de la Primitiva'! Een loterij, veronderstel ik. En dat zomaar, zonder dat ik heb meegespeeld of erom heb gevraagd! Wel een beetje raar dat mijn contactpersoon een zekere Dr. Robert Brook is. En de e-mail adressen van het 'claim departement' nogal dubieus ogen. Maar er staat ook een telefoonnummer bij, met de Spaanse landcode als voorvoegsel. Laat mij daar maar aanstonds eens naar bellen, want volgens het bericht is er haast bij!

Het volgende bericht, ook al opgesteld in het Engels, of althans iets dat daar waarschijnlijk voor moet doorgaan, liet mij, in het onderwerp weten, dat ik 'in totaal 610.000 Euro heb gewonnen. Ik keek mis en dacht dat het 'slechts' 10.000 flappen waren.  Maar wat bleek, eens ik het bericht had geopend? Dat ik maar liefst 610.000 Euro heb gewonnen. Dringend mijn tussenpersoon  contacteren, een zekere Frank P., met een Spaans e-mail adres. Dat is wat me werd aangeraden door de ondertekenaar van de kennisgeving, een zekere mevrouw G. Alonso, Zeg nu nog eens dat de vrouwen mij niet graag zien!

Mijn geluk kan dus blijkbaar niet op vandaag! Dit allemaal slechts één etmaal nadat ik de rekeningen ontving, voor de recente herstellingen aan mijn invalidenkarretje. Een goeie 1.100 Euro! Maar uiteindelijk slechts een kleinigheidje, nu het er naar uitziet dat ik spoedig rijk zal zijn!

Was het leven maar zo rooskleurig als sommigen ons willen doen geloven. Kon men maar zo gemakkelijk prijzen winnen, geld vergaren, rijk worden... Het zou wat zijn! Vele mensen zouden dan trouwens nog niet tevreden zijn. Want 'veel' hebben doet verlangen naar 'méér' en zelfs naar 'nog veel méér'. Maar dat wist je wellicht reeds.

Dat fabeltjes geloven en hopen op fabelachtige winsten door niks meer te presteren, dan ingaan op een e-mail bericht, dat zulks suggereert, laat ik aan anderen over. Zelf blijf ik liever met beide voeten op de steunen zitten van mijn elektrisch aangedreven zitstoel. En herhaal bij deze mijn oproep voor financiële steun om mij een busje aan te kunnen kopen, voor het vergroten van mijn mobiliteit. Of had ik dat nog niet eerder gevraagd? Het ziet er jandorie naar uit dat ik me toch nog laat meeslepen in illusies!

Rudi, 3 september 2008 (revisie op 9 juni 2009)

08-05-09

Rudi’s overdenkingen - Russische huwelijkskandidates

 

Vele jaren geleden maakte ik geregeld op een Engelstalige site een praatje met leeftijdsgenoten uit voornamelijk de Verenigde Staten van Amerika. Toentertijd vond ik dat best leuk. We wisselden ervaringen uit op zowel persoonlijk als professioneel vlak. Door allerlei factoren kwam het er niet meer van die website te bezoeken en de contacten gingen verloren.

De voorbije winter, op een sombere, donkere dag, had ik ineens heimwee naar die tijd, naar die praatjes. De site van toen vond ik niet meer terug. Uiteindelijk kwam ik na wat googelen, terecht op de chat van een datingsite. Vooraleer te kunnen chatten moest ik een persoonlijk profiel aanmaken. Ik worstelde mij er doorheen en plaatste er zelfs een foto bij. Toen ik eindelijk met chatten kon starten, bleek echter, in geen enkele discussiegroep, het voeren van een ernstig gesprek mogelijk te zijn. Dus was ik er, enigszins teleurgesteld, snel weg.

Een goeie week na die mislukte chat-sessie, kreeg ik in mijn elektronische brievenbus de melding dat er in de mailbox, verbonden aan mijn profiel op de datingsite, een bericht was toegekomen. Nieuwsgierig ging ik vlug een kijkje nemen. Toen ik het bericht opende werd in eerste instantie mijn aandacht getrokken door de foto van een knappe, langharige blondine. Uit het in slecht Engels opgesteld berichtje kon ik opmaken dat deze achtentwintigjarige Russische dame op zoek was naar een Europese huwelijkspartner. Afgaande op mijn profiel meende ze dat ik wel eens voor haar de ware zou kunnen zijn.

Alhoewel ik onmiddellijk mijn bedenkingen had, moet ik toegeven dat ik me toch enigszins gevleid voelde. Per slot van rekening had die knappe griet mij uitgekozen uit ik weet niet hoeveel kandidaten. Allicht was ik niet de enige kanshebber, maar ik lag in ieder geval in de goede schuif. Ik besloot te reageren, teneinde iets meer te weten te komen over dit meisje en haar beweegredenen.

In mijn profiel staat dat ik gehuwd ben en kinderen heb. Dat stelde ik in mijn antwoord nog eens duidelijk. En dat ik derhalve geen potentiële huwelijkspartner was. Olga liet zich hierdoor echter niet afschrikken en liet me weten dat ze ook was geïnteresseerd in een gewone vriendschap. Ik had daar zo mijn twijfels over. We stuurden nog een aantal berichten naar elkaar. Zo kwam ik te weten dat mijn correspondente alleen woonde in een kleine flat en ondanks een universitair diploma een armzalig kantoorbaantje had. Vader was als soldaat gestorven op het slagveld. En zij wou graag in staat zijn beter te zorgen voor haar moeder en haar nog thuiswonende broer. En een beter leven voor zichzelf. Niet in Rusland waar, naar ze schreef, de mannen enkel zuipen en hun vrouw slaan. Een leven in Europa was haar doel!

Toen ik Olga voorzichtig duidelijk maakte dat het leven in West-Europa ook niet steeds over een pad van rozen loopt en dat ze bij een eventuele migratie ook het taalprobleem, het verschil in cultuur en mogelijks het opduiken van heimwee, niet over het hoofd mocht zien, kreeg ik geen respons meer. En ik vond het best zo. Ik wist genoeg.

Aangezien het me toch niks kost behield ik mijn profiel op de datingsite. Sindsdien ga ik, telkens wanneer er enkele meldingen van nieuwe berichten in mijn mailbox zijn verschenen, een kijkje nemen.

Af en toe zit er een berichtje tussen van iemand die op zoek is naar een zakenpartner. Of een persoon die handelswaar heeft aan te bieden. Maar het gros der berichten betreft dames die op zoek zijn naar de ware. Voornamelijk twintigers en dertigers. Hun toekomstige mag meestal wat ouder zijn. Dat steekt niet zo nauw. Als hij er maar warmpjes bijzit. En met de vrouwtjes wil trouwen. Want ze azen uiteraard voornamelijk op een Europees paspoort. En een onbekommerd, luxueus leven. En wie kan het hen kwalijk nemen, die meiden uit vooral Rusland. Alhoewel, af en toe glipt er wel eens iemand met een andere nationaliteit tussen.

Zoals de exotische Nigeriaanse Tamy. Die wel ver gaat in haar pogingen om in Europa een echtgenoot aan de haak te slaan. De naar eigen verklaring oprechte en vredevolle dame, zond me een foto waarop ze haar in weinig verhullende kleding gestopte ebbenhoutkleurige lichaam verleidelijk etaleert. Ze schrijft verder een man te zoeken die relaties uitermate ernstig neemt en weet hoe een vrouw te behagen.

Maar de meeste mail is dus afkomstig van dames uit diverse lidstaten van de Russische federatie. Juliya, Alesya, Lena, Olga (nog één),.... Stuk voor stuk knappe grieten. En nagenoeg allemaal hebben ze een universitair diploma. Maar geen enkele van die intelligente modellen slaagt er in om zich in een deftig Engelstalig briefje voor te stellen. Vrij vertaald klinkt het steeds ongeveer als volgt:

"Dag, hoe jij?

Mijn naam is xxx. Tot mij, xx jaar, ik woon in Rusland, in de stad xxx.

Ik bestudeerde je structuur en wou zien dat jij de man bent die interessant genoeg is om te ontmoeten. Ik ben een harmonieuze jonge vrouw, sociaal en charmant. Ik zou graag meer verbonden worden met jou. En jou leren kennen is beter. Als je niet tegen mij bent om te communiceren, zal ik je brief verwachten.

Ik zal vooruit kijken!"

Deze kunstmatige zinsbouw, met veelal nogal wat onleesbare tekst en tekens ertussen, doet me vermoeden dat de dames geen gebenedijd woord Engels kennen en gebruik maken van vertaalrobots. Die vindt je tegenwoordig immers overal. Zelfs op het internet. Het zou me trouwens niet verbazen indien er een ganse organisatie zou schuilgaan achter die naar een huwelijk hunkerende vrouwen. Een bruidjesmaffia die gebruik maakt van de datingsite om Russische vrouwen legaal in Europa te krijgen! En die sturen wellicht berichtjes met afbeeldingen van mooie vrouwen naar alle West-Europese mannen die op de datingsite een persoonlijk profiel hebben aangemaakt. Er zal er af en toe wel één zijn die zich laat vangen, zeker?

Moeten er nog Russische bruidjes zijn? Ik heb de connecties!

Ru(sh)di(e), 14 april 2006 (revisie op 27 april 2009)

03-05-09

De avonturen van Rudi & Co - alweer een deel

 

Sinds zowat driekwart jaar oefen ik, met de hulp van een logopediste, mijn adembeheersing en spreekkwaliteit. Door die verlamming bedraagt mijn longcapaciteit immers slechts de helft van wat het voor een persoon van mijn leeftijd en gestalte zou moeten zijn, en nu tracht ik daar door oefenen en het gebruik van spreektechnieken, het maximale uit te halen.

Tijdens die stemoefeningen bleek dat ik een spraakgebrek heb. Ik was me daar totaal niet van bewust. Niemand heeft het me ooit gezegd en zelf had ik er blijkbaar nooit op gelet. Sommige letters spreek ik soms verkeerd uit: 'S' in plaats van 'Z', 'F' waar het 'V' moet zijn, en zo meer. En blijkbaar ben ik niet de enige die zulks doet.

Gisteren woonde ik, samen met mijn zoons, de eucharistieviering bij in de kerk, gelegen in het centrum van onze woonplaats. De celebrant had het er in zijn homilie over dat het tijd wordt dat gelovigen terug durven uit te komen voor hun overtuiging. Dat ze het Woord van Jezus Christus uitdragen, en dat, en hij herhaalde het een aantal keer: in naam van de 'Geilige Geest'!

Woensdag jongstleden was ik in het voetbalstadion van 'Sporting Lokeren'. Ik volgde de wedstrijd van de thuisploeg tegen Sint-Truiden in de 1/8 finale voor de 'Beker van België'. De kinderen had ik thuis gelaten, want op een schooldag horen die in bed te liggen op het uur dat de match aanving, zijnde acht uur 's avonds. Lokeren won de wedstrijd, met nogal wat geluk, en stoot als gevolg daarvan door naar de kwartfinales, waar het zal moeten optornen tegen provinciegenoot Gent.

Dat voor wat het sportieve gedeelte van de avond betreft. Ik wil immers melding maken van een incident dat plaatsvond naast de grasmat. Omdat er elders geen plaats voor me is, had ik naar gewoonte plaatsgenomen in de dug-out naast deze van de bezoekende club. Voor wie dat niet kent: een dug-out is een schuilhok met daarin (klap)stoelen, waarop doorgaans trainer(s), dokter, verzorger(s) en wisselspelers plaatsnemen, zodat ze enigszins beschut zijn tegen koude, regen en wind. In Lokeren hebben ze er dus ook zo eentje voor de 'mindervaliden'.

Toen ik arriveerde zaten er in 'het onze' reeds enkele mensen. Een oude heer in een manuele rolstoel, een valide oudere dame die zichzelf opwerpt als verantwoordelijke voor wat er in het invalidenschuilhok gebeurt en haar mentaal gehandicapte zoon van naar ik schat een jaar of vijfenveertig. Nadat ik hen gedag had gezegd en plaats had genomen voor de klapstoeltjes, kwam daar nog een dame bij met haar fysiek en mentaal beperkt zoontje, en wat later ook een jongeman met een meervoudige handicap, allen habitués.

Net voor de rust stond daar ineens die man in zijn rolstoel naast me. Die wou waarschijnlijk naar het toilet. Hij vroeg me plaats te maken, zodat hij me op de betonstrook kon passeren. Ik zag niet direct een uitweg, plaatste me een beetje schuin, zodat hij toch kon passeren, zonder op het gras te moeten rijden. Toen hij een minuut of vijf later terug kwam, ze ik: "Wacht, ik rij vooruit, dan heb je méér plaats om te passeren", maar die vent wou blijkbaar niet luisteren, want voordat ik mijn machine in beweging had gezet, reed hij me al voorbij: zijn twee linkerwielen op de betonstrook, zijn rechterwielen op het gras. Toen hij het betonvak wou oprijden, bleef zijn rolstoel steken. De man sloeg in paniek - voor zoiets idioots! - en riep om hulp. De zoon van de 'bazin' snelde meteen toe en duwde de oude in zijn kar het beton op.

Maar daar hield het niet bij op. De zoon keerde zich met een op onweer staand gezicht tot mij en brulde: "Niet profiteren, hé! Ik zal het zeggen tegen de bazen, hoor!" Ik waande me even in een kleuterschool. Ik wachtte even, verwachtend dat moeder hem tot de orde zou roepen, maar toen dat niet gebeurde, repliceerde ik dat hij zijn manieren en mond moest houden, en dat hij, als het hem niet aanstond, maar thuis moest blijven. Maar dat drong, zo denk ik, niet tot hem door.

Nu heb ik absoluut niks tegen mensen met een beperkt geestelijk vermogen. Ze kunnen er meestal zelf niet aan doen dat ze zo zijn. Maar dat geeft hen mijns inziens niet het recht om andere mensen te ambeteren. En als men weet dat zij zelf geen controle hebben over hun gedrag, dan moet hun begeleider hen maar in toom houden.

Tijdens de rust reed ik naar die man in zijn rolstoel toe en zei hem in het vervolg te wachten tot ik plaats maak, vooraleer me te passeren. De man zei dat hij me toen niet had verstaan. De moeder en de zoon, die naast de man zaten, hielden zich stil. Ik zweeg ook, want ik had geen zin in nog méér commotie. De meervoudig beperkte jongen kwam na de rust niet meer tussen ons zitten. Die nam plaats op een stoeltje, wel tien meter verder. Die vreesde allicht voor nog méér opschudding.

Ik kwam reeds eerder in aanvaring met het volk dat doorgaans de invaliden dug-out bemand. Ze zitten daar de lucht te bezoedelen met hun rookwaar, slaken oerkreten en zijn als de dood voor 'de bazen van boven': de voorzitter en zijn gevolg'. Maar als mijn zoons wat kabaal maken met hun claxons, beginnen ze te zagen. En als mijn rakkers wat staan te springen en meezingen met de leden van de spionkop, dan klagen ze ook dat ze niks zien en zijn ze, onterecht, bang dat de 'bazen van boven' hun ganse groep buiten het hek zal zetten.

Gelukkig gebeuren er ook wel eens leuke dingen als ik me onder de mensen begeef. Zoals op tweede Kerstdag, toen ik met mijn gezin een Kerstfeestje bijwoonde. We hadden ons net geïnstalleerd aan een tafeltje, toen iemand zachtjes op mijn arm tikte. Ik keek op en zag een klein meisje staan. Ze zei glimlachend "Dag mijnheer" en wuifde me toe met het handje dat me even voorheen had aangeraakt. Ik beantwoordde haar groet breed glimlachend. Ze huppelde olijk weg. Mijn echtgenote vroeg me of ze een reden had tot ongerustheid. We barstten samen in lachen uit.

Het is eens iets anders, die aandacht van kleine meisjes. Tot voor kort waren het vooral dames van rijpere leeftijd die me aandacht schonken. En ik nam daar genoegen mee. Maar daar is recentelijk dus verandering in gekomen. Zo kreeg ik eind december Kerstkaartjes van twee klasgenootjes van mijn zoons. Omdat ze weten dat ziek zijn niet leuk is en ze hopen dat ik spoedig weer beter word. IJdele hoop, helaas, maar hun gebaar ontroerde me wel. Kindjes van acht, die oog hebben voor het leed van een medemens. Het stemt me hoopvol voor de toekomst.

Ru(sh)di(e), 24 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)

27-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Schoon volk over de vloer

 

Jarenlang had ik een computerzaak. Tijdens de week was de aan deze onderneming verbonden winkel steeds tot acht uur 's avonds geopend. Op een zekere avond, ergens kort na zes uur zat ik, zoals nogal dikwijls omstreeks die tijd, op een comfortabele bureaustoel, achter de toonbank, wat administratie te verrichten. Buiten mezelf was er niemand in de shop aanwezig. Tot plots de deurbel weerklonk ten teken dat er iemand binnen kwam. Ik keek even op en zag dat door de geopende deur een ontzettend knap jong meisje de winkel binnenstapte.

Ze glimlachte me toe. Ik groette haar. Onmiddellijk begon ze de tentoongestelde waar te bekijken. Dus liet ik haar rustig rondneuzen en concentreerde me terug op mijn werk. Ik had echter het gevoel bekeken te worden. Dus richtte ik mijn hoofd op en... inderdaad: dat schoon kind stond me aan te staren. Alweer liet ze die glimlach zien. Ik glimlachte terug. Ze wendde haar blik terug af en ik toog opnieuw aan het werk.

Even later keek ik, bij het nadenken over iets, een moment op. En stelde vast dat het meisje me daar, met die stralende glimlach van haar, alweer schalks stond aan te kijken! Deze keer vroeg ik of ik haar ergens mee kon helpen. Ze bleek eigenlijk op zoek te zijn naar een complete computer. Ik stelde haar de geijkte vragen met betrekking tot de beoogde toepassingen om te weten welk systeem ik haar diende voor te stellen. Tijdens mijn uitleg bleef ze me op een bepaalde manier aankijken. Kon het zijn dat dit meisje me trachtte te verleiden? Of was dat inbeelding?

Dit was ik niet gewoon. Was ik nog iets jonger geweest, en niet gehuwd, dan had ik deze situatie ongetwijfeld leuk en opwindend gevonden. Maar nu wist ik eigenlijk niet goed hoe op de aandacht van dit schoon kind te reageren. Ze leek immers meer geïnteresseerd te zijn in mijn persoon dan in de informatie die ik haar bezorgde. Dit gaf me een onbehagelijk gevoel.

Uiteindelijk kwam die schoonheid over de brug met een verklaring voor haar gluren. "Je herkent me niet méér, hé?" zei het meisje. Ik dacht koortsachtig na. Een oud lief kon het niet zijn. Daarvoor was het schepseltje dat hier voor me stond veel te jong. Trouwens, zo veel vriendinnen heb ik in mijn leven niet gehad en eentje met een uiterlijk zoals dat van haar kon ik onmogelijk vergeten zijn.

Ze bleek dus het 'kleine' zusje te zijn van één van mijn beste jeugdvrienden. We hebben die avond nog heel wat gepraat over vroeger, over wat er van haar was geworden, en over haar ouders en broers.

Met een pak documentatie in de handen en nog steeds die stralende, ondeugende glimlach op haar gezicht, verliet het mooie meisje mijn winkel. En ze is nooit meer teruggekeerd.

Ru(sh)di(e), 1 mei 2004 (revisie op 25 april 2009)

14-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Niet klein te krijgen!

 

De vrijdagochtend na die aanrijding op maandag, heb ik alweer de kinderen naar school gebracht. Met die krakkemikkige rolstoel, waarin ik me nu verplaats. Let op, ik ben blij dat ik iets heb om me in voort te bewegen, maar in dit ding zit ik niet gemakkelijk, ik kan mijn rugleuning, noch mijn beensteunen van positie veranderen en er zit geen kantelverstelling op dit ding. Dus zit ik steeds in dezelfde oncomfortabele positie, wat voor gevolg heeft dat ik na enkele uren mijn bed in moet om te bekomen van de hoofd- en lichaamspijn die deze zithouding me bezorgt.

Maar ik wou het eigenlijk hebben over een voorval die ochtend. Er was weer eens een ongeval gebeurd op de autosnelweg, waardoor het verkeer langs  onze straat werd omgeleid. De straat waarin we wonen maakt immers deel uit van een gewestweg die twee Vlaamse provinciehoofdsteden met elkaar verbindt. Geflankeerd door mijn kinderen reed ik op het fietspad. Een assistente stapte achter ons aan, voor het geval ik op mijn terugweg hulp mocht nodig hebben, want ik betrouwde deze rolstoel niet.

Toen we aan de eerste verkeerslichten kwamen, floepte het licht voor de voetgangers net op rood. De jonge agent die aan de zijkant van de weg stond toe te kijken op het verloop van het verkeer, had ons nog kunnen laten oversteken, zo hij dat wou, maar blijkbaar wou hij dat niet.

Toen even later het voetgangerslicht terug op groen flitste wou ik ogenblikkelijk de baan oversteken, maar mijn assistente hield me met een gil tegen. Bleek dat die agent, uit mijn gezichtsveld, de straat was opgegaan om nog enkele vrachtwagens doorheen het rode licht te loodsen. Terwijl die klojo toch wel zag dat wij daar klaarstonden om over te steken?! Enkele camions draaiden angstwekkend dichtbij onze voeten de straat in. Even later konden we dan toch oversteken, maar toen we halverwege het zebrapad waren stond het voetgangerslicht alweer op rood.

Aangezien ik ervan overtuigd was dat die jongen niet bewust ons leven in gevaar had gebracht, was ik vast van plan hem hierover op mijn terugweg aan te spreken. Toen we terugkeerden stond de jongeman echter op de baan het verkeer te regelen en ik had geen tijd om te wachten tot wanneer hij naar de kant kwam, want mijn kinesist kwam nog en ik wou niet dat die op mij zou moeten wachten. 

In de namiddag liet ik een andere assistent met me meestappen naar de Brico. Niet dat ik dringend iets uit deze winkel nodig had, maar veeleer om uit te testen of ik met deze gemotoriseerde wielstoel over de brug geraakte, die loopt over de waterweg die door deze stad kronkelt. Dat bleek dus geen probleem te zijn. We keerden terug langs dezelfde weg als we gekomen waren:  op het fietspad, dat gescheiden is van de rijbaan door een pechstrook. Maar nu reed ik tegen het verkeer in.

Toen we ter hoogte waren van een tankstation, dat gevestigd is langsheen deze baan, hield een auto halt, vlak naast ons. Aan de passagierszijde werd het venster naar beneden gerold. Een dame vroeg de weg naar het Vredegerecht, daarbij uitsluitend naar mijn helper kijkend. Deze hield, zoals ik hem in geval van dergelijke situaties had opgedragen, netjes zijn mond, zodat ik op die vrouw haar vraag kon antwoorden. Ze keek een beetje dwaas en ik zag haar denken: "Waar komt dat geluid vandaan?" blijkbaar totaal uitsluitend dat het wel eens die kerel in zijn rolstoel zou kunnen zijn die net een antwoord gaf op haar vraag. Toen ze eindelijk haar hoofd naar me toe draaide herhaalde ik nogmaals hoe ze moesten rijden. De man die achter het stuur zat begreep mijn routebeschrijving. Ze dankten me beiden en reden verder.

Deze zondagochtend zijn we naar de rommelmarkt geweest, die wekelijks doorgaat op het stationsplein van mijn woonplaats. Er was een neef van mijn vrouw bij ons, en ook een nicht van haar, met haar twee kindjes: een jongen van net geen twee jaar en een drie maand oud meisje. Mijn vrouw droeg de baby van haar nicht in een draagdoek op haar rug. Blijkbaar hadden veel mensen zoiets nog nooit gezien want mijn wederhelft had enorm veel bekijks. Ik was daar eigenlijk wel verheugd over, want meestal gaat alle aandacht naar mij. Van starende, somber kijkende mensen. Terwijl nu alle ogen gericht waren op mijn eega en vooral op het kindje aan haar achterzijde. Van vrolijk en vertederd kijkende mensen. Wat een verschil!

Toen we aan het wafelkraam stonden hoorde ik een vrouw mijn echtgenote verzoeken mij te vragen om me wat meer vooruit te verplaatsen, want er wou iemand met een kleine bestelwagen het terrein oprijden en ik stond in de weg. Ze antwoordde: "Mevrouw, ik ben hier volop bezig. Hij verstaat Nederlands, dus vraag het hem zelf!" "Goed zo, meisje!" dacht ik. "Een beetje verder." zei de dame vervolgens tot me, maar ik ging pas in op haar verzoek toen ze haar vraag herhaalde in een beleefdere formulering en met een alsjeblieft erbij. Met een brede glimlach dankte ze me uitvoerig. En even later, toen ik haar standje passeerde nog een keer. Toch weer één iemand die hopelijk heeft geleerd dat fysiek gehandicapten niet noodzakelijk ook geestelijk onbekwaam zijn.

Hoe ze het voor elkaar krijgen, ik weet het niet, maar er gaat geen bezoek aan deze vlooienmarkt voorbij of mijn kroost gaat met één of ander cadeau naar huis. Ze krijgen korting op hetgeen ze kopen zonder er zelf om te vragen, kopen één boekje en krijgen er vanwege de verkoper spontaan enkele andere zomaar gratis bij. Of mogen het speelgoedje waar ze belangstelling voor hebben meenemen zonder het te betalen. Zoals ook nu weer. Mijn éne zoon kreeg een zwembril, de andere een happend balletje. En ook voor de baby had men iets. De andere jongen greep naast de prijzen want die liep op dat ogenblik met zijn mama ergens anders op de markt.

Is het omdat ze er zo schattig en verteterend uitzien, omwille van hun beleefd en geïnteresseerd gedrag ten overstaan van de standhouders , die ze trouwens ook al eens durven helpen met inpakken en opruimen als we op het eind van de markt nog aanwezig zijn. Of dan toch omdat die handelaars medelijden met hen hebben omwille van het feit dat mijn kindjes een invalide vader hebben? Ik weet het niet. En het doet er ook niet toe welke de reden is, het zijn mijns inziens allemaal goede. Oh, ik weet het wel. Het zijn allemaal kleinigheden die men geeft, maar het is het gebaar dat telt. En dat is groot en hartverwarmend!

Op onze terugweg naar huis, via het park, kwamen we nog een vrouw tegen met twee grote honden aan de leiband. Een van mijn jongens vroeg of hij de dieren mocht strelen. Dat kon. Hij mocht er zelfs één aan de leiband tot bij mij brengen. En de dame bracht ook haar andere hond dichterbij, zodat ik ze beide kon strelen. Veel had ik daar echter niet aan, met een nagenoeg gevoelloze hand, maar het voelde wel goed aan die dieren zo dicht bij me te hebben en intussen maakte ik een praatje met hun baasje. Middelerwijl kreeg mijn zoon een koekje toegestopt om aan die ene hond te geven. Voor het andere dier kreeg hij er geen, want die was goed opgeleid en afgericht, zo meldde zijn baasje vol trots, en was aangeleerd voedsel van vreemden te weigeren.

Al bij al een geslaagde dag, afgesloten met een namiddag vertoeven in de stralende lentezon. Dat laatste net iets te lang, zo blijkt, want mijn hoofd heeft de kleur aangenomen van een rode biet.

Ru(sh)di(e), 23 maart 2003 (revisie op 6 april 2009)

13-04-09

Belevenissen in het UZ, het negende deel

 

Enkele weken geleden kreeg ik vanwege één van mijn lezers de vraag gesteld wanneer ik nu eindelijk boven water ging komen met mijn seksbelevenissen in het UZ. Hij wenste dus inzage in de weergave van mijn seksuele escapades in de schoot van die kliniek. De zogenaamde seX-files. Met ronkende titels als 'In bad met de revalidatiearts', 'Met de prof onder de lakens' of 'Patiënten doen het met... elkaar'.

Spijtig voor hem en voor elke ander persoon geïnteresseerd in onverbloemde verslagen van wilde seksuele uitspattingen, maar ik moet ze op hun honger laten zitten. Ik heb me immers gedurende die achttien maanden uiterst zedig gedragen, ben trouw gebleven aan mijn echtgenote en heb ook nooit oneerbare voorstellen gekregen.

Alhoewel! Eén keer kwam er een mooi meisje naar me toe toen ik in de sportzaal aan het oefenen was. Ik lag in een kooi, bezig mijn benen te trainen. Het meisje was een stagiaire kinesitherapie. Met een lieve snoet vroeg ze me: "Mag ik je kussen?" Enigszins beduusd door dit onverwacht verzoek, en daardoor allicht een beetje kleurend, zei ik toch glimlachend: "Ja, uiteraard!", haar middelerwijl mijn wang aanbiedend, want ik nam aan dat ze me zo publiekelijk niet een tong wou draaien. Luttele seconden later trok ze mijn kussen onder me vandaan, waardoor ik onzacht met mijn hoofd op de harde moes van de oefentafel terecht kwam. Dat had ik dus verkeerd begrepen! Ze zei nog "Dank je!" en toen "Sorry" en even later stopte ze het kussen achter de rug van een andere patiënt.

Dat vorige is trouwens niet echt gebeurd hoor, maar een uit mijn geest ontsproten verzinsel. Het dichtste dat ik ooit in de buurt kwam van seks in 't RC, verhaal ik hierna.

Het was zondagnamiddag. Mijn kamergenoot was op weekend naar huis. Ik lag in mijn bed een boekje te lezen. Plots kwamen daar twee verpleegkundigen mijn kamer binnen. Een man en een vrouw. Hij: een ietwat kalende veertiger, met een snorretje; getrouwd, maar als gezonde vent absoluut niet vies van het kijken naar ander vrouwelijk schoon. Zij: een vlot meisje van midden de twintig, die naar ik wist, ook een vaste vriend had. Ze keken me zwijgend aan en zeiden toen tegen elkaar: "We zullen deze jongeman eens op een show vergasten."

De man ging naar mijn kamerdeur, keek de gang in (allicht speurend of er nergens een rood lampje boven een deur knipperde, als teken dat hun assistentie was gewenst), knipte mijn deurlampje op wit als aanduiding dat men in deze kamer 'bezig' was en sloot de gordijnen voor het vensterraam. Onderwijl had het meisje ook het gordijn tussen de twee bedden reeds dicht geschoven, zodat onverhoedse passanten, die ondanks het brandende witte lampje boven de deur, deze toch zouden openen, niet direct zicht zouden hebben op hetgeen zich rond mijn bed afspeelde.

De twee verpleegkundigen gingen naast mijn bed tegenover elkaar staan. Hij frunnikte wat aan haar bloes. Zij opende enkele knopjes en liet me haar blote schouder zien. Alhoewel ik niet echt verwachte getuige te zullen zijn van de seksuele uitspattingen van deze twee, begon ik het toch wat warmer te krijgen. Want wat indien ze voor mijn ogen dan toch van bil zouden gaan?

Terwijl allerlei gedachten door me heen gingen, werden alle gordijnen echter alweer met één ruk geopend en even snel als ze gekomen waren, verdwenen die twee weer terug de gang op. Die hadden dus getracht me in het ootje te nemen en waren daar potverdorie ook nog gedeeltelijk in geslaagd

Dat verpleegstertje speelt trouwens ook de hoofdrol in het hiernavolgend relaas waarin nog maar eens wordt aangetoond hoe een dubbeltje rollen kan.

Op een zekere avond zaten we met een hele groep patiënten samen op het terras. Een flesje wijn krakend en voornamelijk nonsens aan elkaar vertellend. De échte levensgenieters daar bovenop lurkend aan een kankerstokje en daarmee ijverig proberend hun longen zo snel mogelijk om zeep te helpen en hun leven derhalve danig in te korten.

Op een gegeven ogenblik vroeg het meisje naast me: "Hoe is dat nu afgelopen met dat meisje dat verliefd op je was?" Bijna viel ik uit mijn van vier wielen voorziene stoel! Een meisje, verliefd op mij? En ik wist nergens van! Dus zei ik: "Wablief?" Waarop die juffrouw: "Wel ja, dat nieuwe verpleegstertje." Mijn vragende blik beantwoordend begon ze een beschrijving te geven van de persoon in kwestie. Vrij snel werd duidelijk om wie het ging. De schouders ontblotende jongedame waar ik het hiervoor over had. Zij? Verliefd op mij? Ik vroeg de deerne naast me van wie ze die informatie had gekregen. Ze gaf me de naam van een jongen, iemand van vooraan in de twintig. Tot enkele weken daarvoor was die ook nog patiënt geweest op onze afdeling.

En toen begon het bij me te dagen. Eén van de laatste zaterdagen dat die jongen bij ons resideerde, kwam hij mijn kamer binnen toen dat verpleegstertje, alweer samen met diezelfde collega, bij me bezig was, maar bijna klaar met mijn avondverzorging. Hij hengelde naar een afspraakje met haar. Ze had hem al verteld een vriend te hebben en bovendien eerder op dertigers te vallen, maar die wetenschap kon er hem blijkbaar niet van weerhouden achter haar aan te blijven rollen. Dus bleef hij aandringen, waarop die verpleger tot hem zei: "Je bent te laat makker. Die kerel hier - onderwijl naar mij wijzend - is je voor. Die heeft reeds een afspraakje beet voor heden avond." De jongen keek me vragend aan en ik zei: "Inderdaad, zo is dat!" Even voordien had ik immers aangekondigd naar de Gentse Feesten te trekken, waarop die verpleegster gekscherend had voorgesteld om met me mee te gaan. Na deze tijding was die verpleegster haar amoureuze belager kwijt, terwijl deze laatste moet hebben geconcludeerd dat het meisje een oogje op me had, en hij die totaal onjuiste informatie bovendien ook nog her en der was gaan rondbazuinen. 

Ru(sh)di(e), 13 maart 2003 (revisie op 5 april 2009)

06-04-09

De avonturen van Rudi & Co, alweer een nieuwe aflevering

 

Het weekend is alweer voorbij. En het was voorwaar niet eens zo saai als gewoonlijk het geval is. Op zaterdag was ik reeds van in de voormiddag op stap met de jongens teneinde optimaal van het, in het laatste weerbericht aangekondigde, zonnige weer te genieten. Wat deerlijk tegenviel, want reeds vanaf kort na de middag werd de zon enorm gehinderd door een wolkendek, wat de temperatuur ook niet echt toeliet hoge toppen te scheren. Maar het was toch te doen, en voldoende warm om urenlang buiten te zitten. Maar niet zo aangenaam als ik had gehoopt. 's Avonds werd koers gezet naar het Cultureel Centrum van mijn woonplaats, voor een optreden van Paul Michiels. Mijn echtgenote had immers kaarten voor dit optreden. Ik had haar die de vrijdag voordien, met Valentijn, cadeau gedaan.

Het was een puik optreden, met nieuw werk van Paul Michiels en covers van zijn muzikale helden. Er werd een sfeer en een ambiance opgebouwd en het ganse concert was tot in de puntjes verzorgd en afgewerkt. Inclusief het duidelijk reeds vooraf geplande bis- aanhangsel. Alhoewel ik niks anders had verwacht van een man met zoveel talent en zulk een ervaring op diverse podia, en die met zijn muziek, indertijd met zijn kompaan Jan Leyers, als Soulsister zelfs doordrong tot hoog in de Amerikaanse hitlijsten.

Bij de telefonische reservatie had ik melding gemaakt van mijn rolstoelafhankelijkheid. De dame aan de andere kant van de lijn verzekerde me dat ik een aangepaste zitruimte zou toegewezen krijgen. Dus toen ik de kaarten afhaalde en, na betaling van de verschuldigde som, tickets met de nummers H10 en H12 kreeg toegeschoven, dacht ik dat de H stond voor 'handicap'. Ik had dus enigszins verwacht in een rij met al dan niet rolstoelende kreupelen, verlamden en andere gehandicapten terecht te komen en begon die avond bij betreding van de zaal dan ook onmiddellijk naar zo een rij met zielenpoten te speuren. Inmiddels had mijn vrouw echter al lang de ons toegewezen plaatsen gevonden. Het was gewoon rij H, de stoelenlijn achter deze met de letter G, en voor deze met de letter I. Die H was dus gewoon toeval. Onze plaatsen waren echter reeds ingenomen door een koppeltje dat, zo bleek toen ze hun tickets naar boven haalden, verondersteld werd de plaatsen 10 en 12 op rij O te bezetten. Mijn eega stuurde hen dan ook vriendelijk, doch kordaat daarheen. Zelf bleef ik met mijn vehikel in het gangpad staan en ik stond daar best goed, met zelfs een mooi zicht op het podium, zonder het gezichtsveld van de toeschouwers achter mij te belemmeren. Nog een gelukkig toeval was het feit dat de bevallige achtergrondzangeressen aan onze zijde van de bühne stonden! En ik stond schuin tegenover mijn wederhelft, zodat ik ook haar continue zag en we bij intieme liedjes elkaars hand konden vasthouden.

Dit geslaagde avondlijke uitje volgde dus nadat ik de dag met mijn kroost in de buitenlucht had doorgebracht. Reeds van in de late voormiddag was ik met de kinderen naar een buurtpleintje gestapt. Dat bestaat uit een grasvlakte waarop twee goals staan neergepoot, een zitbank en een speeltuig met twee schommelzitjes. We hadden ballen meegebracht, en ook onze lunch, zodat we konden picknicken. Mijn kindjes doen dat immers ontzettend graag. En ik ook!

Omstreeks het middaguur waren mijn jongens aan het schommelen toen twee volwassen mannen met een zuiders uiterlijk en drie vrij kleine kinderen, over het grasplein, in onze richting kwamen aangestapt. Eén van de mannen keek me aan en vroeg: "Maroccain?" Ik schudde ontkennend het hoofd. "Belge?" Nu knikte ik bevestigend. Het volgende dat ik zag was dat die kerel mijn jongens van de zitjes haalde om zijn kinderen te laten schommelen. Hola! Dit kon ik niet zomaar laten gebeuren! Hoog tijd om die vent het haar op mijn tanden te laten zien!

Ik zei hem: "Excuseer, mijnheer, maar zo gaat de vlieger hier niet op. Als je jouw kinderen wilt laten schommelen, moeten jullie je beurt afwachten, zoals ieder fatsoenlijk mens doet." Inmiddels zaten die kinderen wel reeds te schommelen. En de mijne stonden er beteuterd naast, want meestal lieten zij spontaan andere kinderen aan de beurt, en ze waren absoluut niet gewoon door volwassenen van een speeltuig te worden gerukt.

Die kerel begon in het Frans tegen me te praten, maar ik snoerde hem de mond door hem te zeggen dat hij zich in Vlaanderen bevond en derhalve in het Nederlands tegen me moest praten en als hij dat niet kon, dan moest hij dat maar eens dringend leren!

Die andere volwassene kwam er bij en zei, ook in het Frans, dat ze in Brussel woonden en slechts hier op bezoek waren. Potverdorie! Nog erger! Die woonden zelfs niet eens in de buurt en dachten zich toch zomaar het recht toe te kunnen eigenen andere (buurt)kinderen weg te jagen, op het moment dat de heren hun kroost wilden laten spelen.

De neiging onderdrukkend hen in het Frans de reden van mijn onbehagen duidelijk te maken, zei ik in het Nederlands hun houding absoluut niet te tolereren en te verlangen dat ze hun kinderen van de schommels zouden halen en alsnog hun beurt af te wachten. Ze dropen af. Ik vond het spijtig voor die kindjes, maar zag mijn optreden als de enige juiste manier van handelen. De daaropvolgende uren hebben mijn jongens nog gevoetbald en gespeeld met wat allochtone buurtkinderen, terwijl ik hen van op enige afstand in het oog hield.

Een dag later ging ik 's ochtends met mijn ene zoon naar het voetbalpleintje achter de kerk, voor een vriendenmatch, terwijl mijn andere zoon als doelman bij de nationale ploeg van de eerstejaars duiveltjes van Sporting Lokeren, met de spelersbus naar Bergen was. Toen ik hem na de middag met zijn broer ging ophalen aan het stadion, bleek er naast de feestzaal van het stadioncomplex een speeldorp te staan opgesteld met allerlei springkastelen en een grote trampoline.

De aantrekkingskracht daarheen was voor mijn kinderen enorm, en aangezien wij niet dringend thuis werden verwacht, trokken we erheen. Aan de verkleedde dame aan de ingang vroeg ik wat er aan de gang was en of dit speeldorp voor iedereen toegankelijk was. Er bleek een playback wedstrijd bezig te zijn in de feestzaal en zij waren ingehuurd om de kinderen van de (would be?) artiesten en hun toeschouwers bezig te houden. En dat waren er nogal wat.

Mits betaling van slechts twee Euro per kind konden ook mijn kinderen de ganse namiddag onbeperkt spelen. Dus even later was ik op zoek naar een plekje in de zon, met zicht op mijn rakkers, die inmiddels al lang hun schoenen hadden uitgedaan en met volle overgave aan het springen waren. Centraal op het door springkastelen in alle vormen, kleuren en maten omzoomd terreintje stond ook nog een soort van boksring waarin de kinderen, het hoofd beschermd door een helm en de handen in overmaatse bokshandschoenen gestoken, elkaar konden bekampen.

Zo. Ik had mijn kinderen naar een amusementsoord gebracht en zou nu geduldig wachten tot ze waren uitgespeeld. Correctie: tot wanneer ik besliste dat het tijd was om huiswaarts te keren, want die rekels weten nooit van ophouden! Mijn eigen amusement bestond uit het aanschouwen van de spelende kinderen. En het af en toe lonken naar de jongedames die verkleed de jonge meute entertainden: een fee (of beeldde ze een prinses uit?), een heks die voor de prijs van 1 Euro kindergezichtjes schminkte en een clown, die aan elk kind dat een toegangsbewijs kon voorleggen, een drankje of snoepje cadeau gaf.

Plots kwam één van hen naar me toe: de clown. Ik dacht nog: tja, dat meisje verveelt zich misschien en komt een praatje met me maken. Vrijwel onmiddellijk daarna bracht ik mezelf tot de realiteit: maak je toch geen illusies, die heeft waarschijnlijk enkel medelijden met dat zielig ventje in zijn rolstoel. Met een Zeeuws accent raadde ze me aan ter hoogte van het tentje aan de toegang te gaan zitten omdat de zonnestralen daar het felst waren. En verder zei ze dat ik zeker niet te beschaamd moest zijn om hulp te vragen, mocht ik die nodig hebben. Helaas, dus... of neen, toch niet? Toen ik even later haar raad opvolgde en postvatte naast het tentje, kwam ze op me toe en offreerde me een tasje koffie uit haar thermos. Ik antwoordde dat ik heel graag op haar aanbod in zou willen gaan, maar enige hulp nodig had bij het drinken. Die wou ze me evenwel graag aanbieden. Dus stond daar luttele minuten later die clown naast me met een tas warme koffie. Terwijl we wachtten tot het drankje voldoende zou zijn afgekoeld om drinkbaar te zijn, begon ik met haar een gesprek over ondermeer springkastelen en kinderen.

Toen ik daar zo zat te zitten is er trouwens nog iets grappigs voorgevallen. Die clown was alweer we en ik zat, een beetje voorover gebogen, in gedachten verzonken, toen ik een kinderstem hoorde roepen: "Mijnheer! Mijnheer!" Ik keek op en zag een klein ventje, zittend op de voorkant van een springkasteel, mijn kant uitkijkend, naar ik dacht de aandacht vragend van één van de mannen van het speeldorp, die daar rondliepen, en duidelijk te herkennen waren aan hun rode, met zwarte tekst bedrukte T-shirt. Ik liet mijn hoofd opnieuw zakken. Onmiddellijk weerklonk alweer dat stemmetje: "Mijnheer! Mijnheer!" Tiens, was die jongen zijn geroep dan toch voor mij bestemd? Ik richtte mijn hoofd weer op en glimlachte even naar dat glunderende mannetje, waarop hij opgewekt naar me begon te wuiven. Dat jongentje dacht voorzeker dat ik bij de attracties hoorde! Naderhand heeft die vlegel trouwens, op momenten dat ik de andere kant uitkeek, tot twee maal toe getracht mijn rolstoel te verplaatsen middels de bedieningspook. Gelukkig telkens met een te bruuske beweging, waardoor mijn wagentje, door een ingebouwde veiligheid, helemaal niet reageerde, en de snaak dus telkenmale in zijn opzet faalde.

Ru(sh)di(e), 24 februari 2003 (revisie op 4 april 2009) 

05-04-09

Weerloos slachtoffer - Eerste van gelukkig slechts twee delen

 

Nagenoeg elke zondagnamiddag kwam mijn echtgenote met de kinderen bij me op bezoek . Op één van die dagen maakte zij, terwijl ik met onze bengels bezig was, van deze haar aangereikte vrijheid gebruik om haar nagels van een nieuw kleurtje te voorzien.

Toen mijn gezin terug huiswaarts was gekeerd, merkte ik dat mijn wederhelft haar flesje donkerrode nagellak had laten staan. Geen probleem, ze had dat dus niet onmiddellijk terug nodig en kon het bij haar volgende wekelijkse bezoek terug meenemen.

Enkele dagen later werd de avonddienst verzorgd door twee jongedames. Gediplomeerde verpleegkundigen uiteraard. Nadat ze me voor de nacht hadden geprepareerd, bleven ze nog even in mijn kamer rondhangen, allicht omdat ik nog om een drankje had verzocht of zo. Eén van de verpleegsters zag plots die flacon nagellak, nam het op en begon er wat mee te spelen, terwijl ik haar uitlegde dat het iets was dat mijn vrouw per vergissing had laten staan.

Dat één meisje vroeg of ze mijn linkerduimnagel mocht verven. Meestal bereid een spelletje mee te spelen, liet ik het gedwee toe. Ook de nagel van mijn rechterduim moest er aan geloven. Dan wou die andere deerne ook wel eens het penseeltje ter hand nemen. Dat kwastje van die nagellak welteverstaan. Ze stelde voor om ook de nagels van mijn dikke tenen van een kleurtje te voorzien. Eén ervan was immers blauw. Allicht had iemand, op het einde van mijn valide bestaan, daar op getrapt. En na dat verven met die nagellak, zouden mijn grote teennagels weer allebei hetzelfde kleurtje hebben. Ik protesteerde slechts even. Want tegen twee vrouwen had ik immers totaal geen verweer. Even later bleek dat het vrouwelijke duo allemaal mijn teennagels had geverfd! Op het voorstel van hen om dan ook maar de rest van mijn vingernagels rood te kleuren, om het werkje af te maken, ging ik dan ook maar in.

Daar lag ik dan: een volwassen vent met roodgeverfde nagels. Ik voelde me net een travestiet en dat beviel me niet echt. De twee lachende verzorgenden (!) verzekerden mij echter dat ik de volgende morgen voor het ochtendtoilet dezelfde verpleger zou hebben als die dag. Een man die, zo wist ik ook, hartelijk zou lachen als hij me zo in mijn bed zou aantreffen. Dat stelde me gerust. Ik kon me reeds zijn verbaasde blik en zijn vervolgens lachende reactie voorstellen. Dat zou gieren worden!

De volgende ochtend werd er op de deur geklopt en meteen daarop kwam er een verpleger, het verzorgingstafeltje voor zich uit rollend, mijn kamer binnengestapt. Niet die van de dag ervoor, maar een andere man. Eén van wie ik wist dat hij NIET van zulke grappen hield. Die dekselse meiden hadden me goed liggen!

Die brave man wenste me een goede ochtend, knipte het licht aan en duwde het roltafeltje tot naast mijn bed. Toen ging hij met het wasbekken naar de lavabo, vroeg of het water warm, dan wel koud moet zijn, of toch liefs lauw. Waarop ik antwoordde: "Goed warm, maar liefst niet te nat." Hij glimlachte even en stond een paar tellen later terug naast mijn bed.

Die, toch ook wel goede ziel, sloeg het bovenste gedeelte van mijn lakens weg, zodat mijn bovenlichaam, armen en handen zichtbaar werden en deed terstond een stap achteruit, sloeg met de palm van zijn rechterhand tegen zijn voorhoofd en riep uit "Potverdikke, wat is dat hier?", en vervolgens: "Daar begin ik niet aan, hoor!"

Ik legde hem uit hoe dat gekomen was. Hij zei dat hij zo meteen iemand zou halen om dat te reinigen, en dat hij inmiddels mijn onderste lichaamsgedeelte reeds zou wassen. Terwijl hij dat zei verwijderde hij het bovenlaken van mijn benen, zodat ook mijn voeten met roodgelakte teennagels zichtbaar werden. "Oh neen! Die ook al!" schreeuwde de man uit, en verliet mijn kamer, ondertussen meewarig zijn hoofd schuddend.

Uiteindelijk kwam de secretaresse van de afdeling, die ook verpleegkundige is, de verf met in Acceton gedrenkte wattendoekjes van mijn nagels verwijderen. Deze dame vond de situatie wel enigszins grappig. Op enkele minuten tijd was de klus geklaard en waren mijn nagels terug rein. Alhoewel... twee weken later waren er nog sporen van de rode lak te zien.  En zag ik me genoodzaakt om telkens weer de ganse historie te vertellen aan iedereen wiens oog er op viel: verzorgenden, paramedici, ...

Ru(sh)di(e), 5 juni 2002 (revisie op 4 april 2009)

03-04-09

Belevenissen in het UZ, het zesde deel

 

Herinner mij net iets van uit de tijd toen ik pas een goeie, ik denk anderhalve maand in het revalidatiecentrum, doorgaans kortweg RC genoemd, verbleef.

Als kamergenoot had ik sinds kort een jonge gast, die net zoals mij tetraplegisch (noot) is. En die al vanaf zijn eerste dag verblijf in het centrum, niet erg hield van het in de refter geserveerde voedsel, en dus regelmatig wat liet meebrengen van thuis of telefonisch bestelde pizza of frieten op zijn kamer liet afleveren.

Die avond lagen we elk in ons bed, een beetje te praten, toen hij voorstelde nog een pitta te bestellen. Ik had ook nog wel zin in iets, maar wel eerder in een pakje friet. Via het belletje aan ons bed riepen we de hulp in van een verpleegkundige om een patiënt te vinden die het telefoonnummer had van een pittazaak die aan huis leverde, en ook frieten in het gamma had. Die persoon werd gevonden, en had bovendien zelf ook wel zin in een snack. Ik trakteerde, want mijn kamergenoot had me reeds enkele keren laten meesmullen van door zijn mama meegebrachte spijzen.

Reeds een half uurtje later stond een meisje daar met onze hapjes. Aangezien ik dit zelf niet kon, liet ik haar het tegoed voor de geleverde mondkost uit mijn portemonnee nemen.

Toen die juffrouw onze kamer had verlaten wensten we elkaar smakelijk eten toe en begon ik aan die verpakking te prutsen. Dat liep niet van een leien dakje. Ik had immers over het hoofd gezien dat ik bijna geen handfunctie had. Lag ik daar, met mijn eten op mijn buik, kon ik verdorie nog niet eens het zilverpapier van rond mijn snack halen. En mijn maat had hetzelfde probleem. Honger, en nog véél méér goesting, maar niet bij machte die verpakking van zijn pitta te halen!

Uiteindelijk hebben we de hulp van de nachtverpleegkundige ingeroepen om de verpakkingen te openen en mijn frietjes in mijn mond te stoppen (want dat lukte me ook niet eigenhandig). Een lieve verpleegster overigens, alhoewel onze relatie enkele weken daarvoor slecht was gestart. En de reden daarvoor wordt hierna verklaard.

Nu gebruiken we een ander systeem voor mijn transfer vanuit de rolstoel naar het bed en omgekeerd, maar toen had men daar nog een tilift voor nodig. Normaliter liet ik mij steeds vrij vroeg op de avond in bed leggen, maar die avond had mijn kamergenoot veel bezoek en ik wou die mensen niet wegjagen en bleef dus wachten tot iedereen weg was, en dat was redelijk laat, na middernacht. Ik belde voor de verpleging, die echter maar niet kwam opdagen. Ik begon echt wel moe te worden en had bovendien pijn van het lange zitten. Toen daar eindelijk één van de vaste nachtzusters verscheen, maakte ik haar mijn ongenoegen kenbaar. "Ha, dan heb je jouw lesje wél geleerd." zei ze. "Wie laat wil opzitten, moet wachten om geholpen te worden tot de eerste nachtronde gedaan is."

Gewoonweg belachelijk. In plaats van bij aanvang simpelweg elkeen hun regels uit te leggen, en ons zodoende op zijn minst in onze eigenwaarde te laten, passen ze daar een systeem toe dat, mijns inziens, zelfs in een internaat voor kleuters verkeerd zou zijn. Enfin, naderhand konden we dus eigenlijk best goed opschieten met elkaar.

Om terug te komen op mijn kamergenoot. Vrij spoedig kwam aan de oppervlakte dat hij een verwent nest bleek te zijn. Een typisch product van een vrije 'opvoeding' (?): onbeschoft, respectloos en super egocentrisch. Hij heeft trouwens minder dan een jaar later een stoot uitgehaald, waarvan ik hiernavolgend verslag uitbreng.

Zekere namiddag had hij, als egotherapeutische bezigheid, met behulp van een stagiair, een cake gebakken. Hij had geopteerd voor een 'spacecake' en die stagiair had niet durven weigeren. Voor ouden van dagen en andere onwetenden: dat is een gebak waarin marihuana is verwerkt; een drugskoek dus als het ware.

Dat baksel kwam uit de oven en jawel hoor, de cake was gelukt! Die jongen ging zijn maten halen en begon vlijtig te delen met zijn vrienden. Eén ervan was een Italiaan, een dertiger, die zich steeds voordeed als een man van de wereld. Hij vroeg zich een groot stuk, want de spietjes die de anderen tot zich namen vond hij maar te min.

Toen hij, na het snel verorberen van het eerste, om nog een tweede stuk verzocht, vroeg de bakker van dienst hem voor de zekerheid of hij toch wel wist wat hij aan het opknabbelen was. Die macho deed alsof hij zich door die vraag beledigd voelde en verzekerde allen aan tafel dat hij uiteraard wist wat zij tot zich aan het nemen waren.

Die kerel moet even later onwel zijn geworden, waarna men hem naar de dokter op de dienst spoedgevallen heeft gebracht. Als ik mij goed herinner heeft men hem twee dagen ter observatie op intensieve zorgen gehouden. Bleek naderhand dat die vent nog nooit drugs tot zich had genomen en ook geen notie had van wat een spacecake was.

Die Italiaan heeft er uiteindelijk niks aan overgehouden, maar deze historie kon uiteraard niet zonder gevolg blijven. Resultaat: de kok van dienst kon zijn boeltje (laten) pakken. Het diensthoofd van het centrum kon er, in tegenstelling tot ons, niet mee lachen.

Euh, moet er nog cake zijn?

Ru(sh)di(e), 28 juni 2002 (revisie op 31 maart 2009)

Noot: tetraplegie: beschadiging van het ruggenmerg ter hoogte van de nek, met ondermeer, al dan niet volledige, verlamming in alle vier de ledematen en de romp tot gevolg.

01-04-09

Schelmenstreken in het UZ – 1 april

 

Eén april 2001. Een zondag. En, wegens mijn verblijf in het hospitaal, had ik een ideaal publiek voorhanden om een geslaagde 1 aprilgrap bij uit te halen.

Naar wekelijkse gewoonte ging ik, in plaats van in mijn kamer in bed te worden gewassen, op deze dag des Heren, op de douchebrancard, richting badkamer. Een vast personeelslid en, bij hoge uitzondering realiseer ik mij ineens, want die werken normaal niet tijdens het weekend, een stagiaire, kweten zich van deze taak.

Terug in mijn kamer aanbeland, kwam daar nog een extra verpleegkundige bij, die net gedaan had met het verzorgen van zijn patiënten en bijgevolg de stielgenoot in mijn kamer, en de stagiaire, een handje kwam toesteken.

Nadat ik was aangekleed, verzocht ik de stagiaire die tube met gelaatscrème te nemen uit de doos met toiletartikelen die stond opgesteld op het wandtafeltje aan de andere kant van mijn kamer. Dat meisje deed gedwee wat ik haar vroeg. Ze kwam terug met iets, maar ik zei: "Neen, neen, die witte tube", en,  terwijl ze al weer op weg was naar dat tafeltje, en met een vette knipoog naar één van de verplegers: "Die met dat vierkant rond dopje op!"

Dat meisje zocht naar het gevraagde, maar het arme schaap vond dat uiteraard niet. Dus schoten die verplegers, die het blijkbaar ook niet doorhadden, haar ter hulp. En ik zei: "Allé, een witte tube met een vierkant rond afsluitdopje, daar kan je toch niet overheen kijken?!" Edoch, het ganse doosje werd leeggehaald en elke tube, tot zelfs de tandpasta toe, werd aan mij getoond. Maar het gezochte item werd vanzelfsprekend niet gevonden.

Dus maakte ik van mijn neus, zeggende dat het altijd hetzelfde was en dat mijn spullen na gebruik nooit op de juiste plaats werden teruggelegd. Hierop gingen zij die verpleger gaan halen die de dag voordien had ingestaan voor mijn ochtendtoilet. De arme man, door zijn collega op de hoogte gebracht van het probleem dat zich stelde, en duidelijk verveeld met de beschuldiging, want absoluut zeker van het feit dat hem niks te verwijten viel, kwam mijn kamer binnen, zette zijn bril op zijn neus en begon onmiddellijk in die doos te snuffelen. Op zoek naar die tube met dat vierkant rond dopje!

Ik had het niet meer. Dit was te gek om los te lopen. En net op het moment dat ik over (april)vissen wou beginnen, hadden ze ineens allemaal door dat ik er hen net zo eentje op de mouw had gespeld!

We hebben allen samen hartelijk gelachen, al had de grijns op mijn verzorgers hun gelaat eerder de kleur van gras. Want ja, ze waren er met zijn allen ingetuind. In een klassieker, waarvan ik het niet voor mogelijk had gehouden dat iemand daar ooit nog in zou lopen.

Fopperkesdag 2001 was, wat mij betrof, volledig geslaagd!

Ru(sh)di(e), 26 mei 2002 (revisie op 24 maart 2009)

30-03-09

Herinneringen uit mijn verleden - Trouwe viervoeter

 

Jarenlang ging ik vrijwel nergens heen zonder mijn hond, een Schotse Collie. Da's een langharige, middelgrote herdershond, zoals Lassie, bekend van de films en televisieseries waarin deze hond de hoofdrol speelde.

Inmiddels is mijn lieve huisdier reeds bijna drie jaar overleden, maar ik denk nog heel vaak aan haar. Gezien ik de warmte en liefde die zij me gaf nu moet ontberen en de schier eindeloze reeks aangename herinneringen die ik heb aan mijn leven met haar. Enkele bijzondere daaruit wil ik hier graag met jullie delen.

Tijdens haar eerste levensjaren ging ik nagenoeg dagelijks met haar wandelen in het veld achter de woning van mijn ouders, waar ik toen nog woonde. Haar halsband was verbonden met een oprolbaar snoer, dat haar een ruime bewegingsvrijheid gaf, zonder dat ik de controle over het dier verloor, want het uiteinde hield ik stevig vast in mijn hand. Tijdens één van onze tochten dienden we over een gracht te geraken. Deze was niet erg breed, en ook niet heel diep, maar er stond wel wat vies water in. Hoe zeer ik mijn Collie ook aanzette daartoe, het dier wou niet springen. Dus besloot ik eerst zelf te springen en dan, vanaf de overkant, door aan de leiband te trekken en haar met mijn stem aan te moedigen, het dier er toe te bewegen om hetzelfde te doen.

Ik nam een aanloop, zette mijn voeten af aan de rand van de waterweg en sprong. Op het moment dat ik zowat halverwege die gracht hing kwam er ineens met een plof iets op mijn rug en schouders terecht. Het was mijn hond. Ze had alsnog besloten te springen... bovenop mij! Gevolg: ik lag daar met mijn klieken en mijn klakken in de sloot, en kwam met water in de schoenen en een bevuilde, natte broek aan de overkant, terwijl mijn hond vrolijk kwispelend en met droge poten op de oever rondhuppelde.

Skipper maakte trouwens haar pootjes niet graag nat of vuil en kon echt afkeurend kijken en haar neus optrekken als ze buiten moest voor haar natuurlijke behoeften, of om te wandelen, terwijl de tuin er nat en modderig bijlag.

Gedurende enkele jaren ben ik met haar als enige gezel, op reis gegaan. Steevast kreeg ik toen in de hotels waarin ik verbleef de lelijkste kamers toegewezen. Men ging er blijkbaar van uit dat wij de ruimte zouden bevuilen, terwijl ik de kamer steeds netjes hield en mijn dier haar pootjes steeds reinigde bij het betreden van het logementhuis. Daarom huurde ik meestal een studio, tenzij ik slechts voor enkele dagen ter plaatse bleef.

Alleen blijven in de kamer deed mijn hond niet graag. Dan begon ze veelal te janken of te blaffen. In een hotel aan de Moezel in Duitsland had ik haar toch eens alleen gelaten terwijl ik iets ging regelen aan de receptie op het gelijkvloers. Toen ik daarna de lift wou nemen naar de verdieping waar ik verbleef, kwam mijn hond kwispelstaartend uit de ascenseur gestapt. Hoe het dier daar was in geraakt zal wel eeuwig een raadsel blijven. Mijn kamerdeur, die ik niet op slot had gedaan, stond wagenwijd open. Die had Skipper wellicht geopend door met haar poten op de klink te springen en daarna met een duw van haar snoet volledig open te stellen. Daar was ze een kei in.

In winkels nam ik mijn hond nooit mee naar binnen. Ik bond haar leiband aan mijn rugzak en gebood haar dan aan de ingang te blijven zitten of te liggen en op mij te wachten. En dat deed ze ook.

Ergens in, als ik me niet vergis, Oostenrijk, waren we aan het wandelen over een pad, dat naast een bergweide liep, waarop koeien stonden te grazen. Skipper liep los en kwam, één of ander spoor volgend, nogal dicht tegen de schrikdraad. Ik gebood haar bij me te komen, maar de geur van waarschijnlijk een haas of konijn was blijkbaar te aantrekkelijk om onmiddellijk op mijn bevel te reageren. En ja: plots weerklonk een luid kajiet, waarna ik het arme dier met een bliksemvaart aan me voorbij zag hollen. Ik lachte luid. Dat kwam er van als ze niet naar haar baasje luisterde!

Tien minuten later dienden we, als ik de op mijn stafkaart aangeduide weg wou blijven volgen, een omheind weiveld te doorkruisen. Ik zwaaide mijn ene been de lucht in en gebruikte mijn linkerhand om de draad naar beneden te duwen, teneinde het over de omheining stappen te vergemakkelijken. "Auw!" Ik sprong op één been in één keer wel twee meter achteruit en viel op mijn bibs. Zat daar potverdorie ook stroom op die draad!

Terwijl ik langzaam opstond en enigszins aan het bekomen was van de schok, kwam Skipper kwispelstaartend aangelopen. Was het inbeelding, want een dier kan dat toch niet?  Of zag ik daar toch wel een spottende blik verschijnen op dat beest haar aangezicht?

In noord Frankrijk heb ik eens een agent achter me aan gehad, toen we met de hond ergens wandelden waar het niet was toegelaten. Mijn vriendin en ik slenterden langsheen de waterlijn aan de Noordzeekust. Skipper liep los voor ons uit. Op een zeker ogenblik kwam daar een jonge agent in korte broek en met een lachwekkende kepie op zijn hoofd op ons afgelopen. Hij zei "Bonjour", wees naar mijn hond en deed een ganse uitleg. Ik verstond die, zoals even later zou blijken, totaal verkeerd. Waarschijnlijk was die agent een uitgeweken Waal of anders was het dan toch ik die niet zo goed Frans verstond als ik op dat moment dacht te verstaan. Of mogelijks een combinatie van beide.

Want ik ging er van uit dat hij zei dat ik mijn hond aan de leiband moest houden. Dus zei ik: "Oui, oui, d'accord, monsieur le gendarme", nam de leiband uit mijn jaszak en bevestigde die gehurkt aan mijn dier haar halsband. Die agent was inmiddels terug op weg naar zijn controlepost. Hand in hand met mijn geliefde, en daar tussenin de hond, vervolgden we onze weg.

Even later weerklonk het scherpe geluid van een fluitje. Skipper haar oren gingen rechtop staan en wij keerden ons hoofd in de richting van waar het geluid vandaan kwam. Het was die politieagent alweer. Hij kwam, met een rood aangelopen gezicht en ontzettend boos kijkend, in onze richting gehold. Mijn verbaasde blik kalmeerde hem echter terstond en hij bleek echt te geloven dat ik niet van kwade wil was en nu pas begreep dat wandelen met een hond aldaar helemaal niet was toegelaten. We keerden ons dus maar om en stapten terug in de richting van waar we vandaan kwamen. We hadden in ieder geval intussen een mooie wandeling gemaakt!

Zo een dier maakt sociaal contact trouwens ook een stuk eenvoudiger. Kinderen kwamen Skipper vaak strelen en ook veel volwassenen werden aangetrokken door het prachtige dier. Dikwijls begonnen ze dan te praten over hun eigen huisdier of over dieren in het algemeen, waarna vervolgens veelal op een ander onderwerp werd overgeschakeld.

Met enige schroom beken ik bij deze ook, toen ik nog vrijgezel was, meermaals het lieve dier misbruikt te hebben om mijn kansen bij de andere sekse te peilen. Als ik ergens een mooi meisje zag lopen, waarmee ik contact wou, dan floot ik eens kort ("Fwiet"), om haar aandacht te trekken. Draaide ze glimlachend, verlegen of neutraal kijkend haar hoofdje opzij, dan toonde ik haar mijn liefste glimlach, zei dag, en heel uitzonderlijk slaagde ik er vervolgens in met de deerne in kwestie een praatje te slaan.

Als de nagefloten schoonheid echter een boze blik in mijn richting stuurde, dan floot ik nogmaals, en riep vervolgens "Skipper!" en iets van "Allé jong, meisje, waar was je nu?" Lafhartig, ik geef het toe, maar liever dat dan een krijsend meisje met een zwaaiende handtas achter me aan.

Ru(sh)di(e), 16 januari 2003 (revisie op 23 maart 2009)

26-03-09

Rudi’s ontboezemingen, een nieuw deel

 

Het was weer dik in orde vandaag. De verpleegster had twee maal moeten aanbellen heden ochtend, omdat mijn echtgenote bij hoge uitzondering nog niet klaarstond bij de deur om haar binnen te laten. Bijgevolg had hare doorluchtige hoogheid anderhalve minuut aan de voordeur moeten wachten vooraleer zij binnen kon komen. En daarom was ze boos.

"Er al eens aan gedacht dat ik ELKE dag moet wachten tot jij ergens tussen kwart na acht en negen uur opdaagt?" vroeg ik voorzichtig. Toen was het hek pas helemaal van de dam. Door vervolgens op haar dooddoener "Ik heb ook nog andere patiënten" te repliceren dat zulks haar bekommernis was en niet de mijne en ik dat argument bijgevolg dus niet accepteerde, was de ruimte helemaal te klein. Mijn slaapkamer, die tevens dienst doet als kantoor, living, eetkamer, badkamer en toilet, daverde op haar grondvesten toen mijn benen spastisch begonnen te trillen onder de giftige blik die mijn verzorgster me toewierp.

Tja, ze heeft vorige zomer al eens een tijd thuisgezeten omdat ze uitgeblust was. En nu hebben ze haar een patiënt gegeven die al eens een kritische opmerking durft te maken. En vindt dat ze de tijd die ze besteed aan zijn reclameblad te lezen, met de familiehulp te roddelen of kinderachtig te doen tegen zijn kroost, beter zou besteden aan dagelijks zijn voeten en onderbenen wassen.

Ze had reeds geruime tijd niet veel krediet meer, maar het voor mij helemaal verkorven door afgelopen week tijdens mijn wekelijkse haarwasbeurt de opmerking te maken dat ik mij gelukkig mocht prijzen zo te worden verwend. En maar niet wou inzien dat ik daar geen verwennerij in zag. In bed, met mijn nek ongemakkelijk in een kuip gelegen, handelingen te laten ondergaan die ik veel liever zelf zou doen.

Reeds tweeëneenhalf jaar moet ik het ontberen, maar toch kan ik me nog levendig herinneren hoe goed het aanvoelde mijn haar te wassen onder een keiharde, warme douchestraal. Dat was pas verwennerij! En ik had er geen verpleegster, noch familiale hulp bij nodig. En bijgevolg bleef ik toen ook gespaard van het geleuter tussen die twee. Als ik lawaai wou zette ik gewoon de radio aan!

Ook het dagelijks gewassen worden in bed, met een kommetje water, kan in mijn ogen bezwaarlijk als verwennerij worden aanzien. Maar dat dringt bij sommige uitgebluste thuisverpleegkundigen blijkbaar niet door.

Een mens zou van minder neerslachtig worden. Gelukkig zorgen onze kinderen met hun dikwijls grappige uitspraken, voor een vrolijke noot in huis. En wordt een wegzinken in mistroostigheid dientengevolge voorkomen. Om even een voorbeeld te geven. Voor hen zijn er twee soorten personen: kleine en grote 'kinderen' en 'mensen', volwassenen dus.

Vanuit deze gedachtegang concludeerden zij onlangs dat mijn kinesiste, een jong meisje, nadat ze hen had vertelt meestal bij haar vriend, maar ook nog een beetje bij haar ouders te wonen, dus eigenlijk nog geen mens was. Zij moest om die uitspraak hartelijk lachen, en ik evenzeer!

Op een zondagnamiddag, eind mei, zat ons gezin gezellig samen aan tafel in de veranda, met zicht op de tuin. We keken naar een koppeltje tortelduiven dat bovenop de schommel van de kinderen zat te flikflooien. Eén van mijn kleuters zei: "Kijk papa, die duifjes zoenen elkaar, die zijn verliefd!" Ik knikte bevestigend. Ineens sprong die ene bovenop de andere en begonnen de duifjes te paren.

Enigszins verveeld door het schouwspel, probeerde ik de aandacht van de kinderen af te leiden. Tevergeefs. Dan zei één van hen: "Hoe lief. De ene vogel krabt de andere. Die eerste heeft waarschijnlijk jeuk!" Ik glimlachte en dacht: "Ja, allicht!"

Ru(sh)di(e), 3 augustus 2002 (revisie op 23 maart 2009)

23-03-09

Belevenissen in het UZ, het tweede deel

 

Op een zekere middag stonden we met enkele patiënten in de gang, toen we plots in het toilet iemand hoorden kreunen. Alert en hulpvaardig als we zijn, reed één van ons onmiddellijk richting verpleging met de melding dat er waarschijnlijk iemand in nood was.

Even later klopte een verpleegkundige op de WC- deur van waarachter het gekerm had weerklonken. Met daarbij de vraag of ze hulp kon bieden. Naar verluidt werd haar door een mannenstem verzekerd dat alles in orde was. Met deze melding stelde zij ook ons gerust en schouderophalend ging ze vervolgens terug aan het werk.

Terwijl de rest van ons gezelschap zich naar de oefenzaal repte, kon ik niet nalaten nog even in de buurt te blijven rondhangen. Luttele minuten later kwam uit de toiletten een koppeltje te voorschijn. Met een beetje een blozend gelaat, hun kledij fatsoenerend.

Het mafste verhaal dat ik ooit heb gehoord, is het volgende. Met Gaston, een medepatiënt uit het R.C. (RevalidatieCentrum), ging ik 's avonds regelmatig eten in het restaurant, gelegen op de 14de verdieping van kliniekgebouw K12. Die mogelijkheid werd ons geboden als alternatief voor het benutten van het avondmaal in de kale refter van het RC.

In het restaurant hadden we kennis gemaakt met twee patiënten, ook rolstoelers, die ieder op een verschillende afdeling en dus verdieping, van K12 verbleven, maar regelmatig samen naar boven kwamen om een sigaretje te roken en een pintje te drinken. Laat ik ze Walter en Alain noemen.

Op een zekere avond kwamen Gaston en ik eten in het restaurant. En zagen Walter daar zitten. Alleen. Ik vroeg hem waar zijn maat was. "Die hebben ze in zijn kamer gehouden" gaf hij als antwoord en begon vervolgens een amusant relaas te vertellen over wat zich die namiddag had afgespeeld.

Walter en Alain zaten samen op het 14de, toen een vriend van Alain ten tonele verscheen. Type schooier en duidelijk onder invloed van verdovende middelen. Na eerst een pint voor hun drieën te hebben gehaald, zette die kerel zich bij, en begon wat met Alain te praten. Walter hied zich discreet afzijdig.

Op zeker moment verdwenen Alain, zelf ook al een junk, en diens vriend, richting toiletten. Toen ze beiden even later terugkeerden was meteen duidelijk wat Walter reeds vermoedde: ze hadden een shot gezet.

Die spuit had Alain's vriend blijkbaar geen deugd gedaan want hij zag er nog beroerder uit dan toen hij in het restaurant arriveerde. Ze besloten om met zijn allen naar Alain's kamer te gaan. Diens kamergenoot werd die ochtend geopereerd en was nog niet terug.

Alain's kameraad voelde zich echt niet lekker en was moe. Waarop de eerst genoemde voorstelde aan de andere een tukje te doen in de zetel in diens kamer, terwijl hij met Walter in de taverne beneden nog een glas zou gaan drinken. Die kerel nam dat aanbod gretig aan en kroop in die fauteuil.

Toen Alain en Walter zowat anderhalf uur later terug op de afdeling verschenen, was er van de junkie geen spoor meer te bekennen. Alain's kamergenoot was terug, maar aan het slapen, dus kon die hen op dat moment geen informatie verstrekken. Kennelijk absoluut niet zinnens zich zorgen te maken over het lot van zijn gabber, veronderstelt Alain: "Allicht naar huis."

Niks van, echter. Want later bleek dat, toen Alain's kamergenoot terug naar zijn kamer werd gebracht, men had geprobeerd om die in de zetel slapende vriend wakker te maken, omdat de sofa waar hij in lag in de weg stond om dat bed naar zijn plaats te manoeuvreren. Toen dat niet lukte werd er een verpleegster bijgehaald, die op haar beurt een dokter ter hulp riep. Enfin, uiteindelijk hebben ze die man toch bij zijn positieven kunnen laten komen, onderzocht en overgebracht naar kliniekgebouw K13, psychiatrie. Mogelijks resideert hij daar nog steeds.

Een leuke vind ik zelf het verhaal van een patiënt die me zei dat hij, aan het begin van zijn adolescentie, een operatie had ondergaan - als ik mij goed herinner een liesbreuk - waarvoor een deel van zijn schaamhaar diende te worden weggeschoren. De charmante verpleegster die dat werkje zou uitvoeren had de assistentie van een knappe, jonge, uiterst lieve stagiaire.

Op aanwijzing van de verpleegkundige hield dat meisje die jongen zijn piemel in haar handpalm zodat eerstgenoemde probleemloos het haar op zijn onderbuik zou kunnen verwijderen. De warme meisjeshand veroorzaakte bij de jongeling echter een reactie die iets met hormonen heeft te maken. Enigszins verveelt om hetgeen gebeurde, maar ondanks alles toch ad rem genoeg om zich op een laconieke wijze uit deze situatie  te redden, zei die jongeman tegen de stagiaire: "Euh juffrouw, je mag je handje wel wegnemen hoor, hij kan nu niet meer vallen."

Ru(sh)di(e), 25 mei 2002  (revisie op 22 maart 2009)