02-05-10

De avonturen van Rudi & Co - De fietser fietst verder

   

Vorig weekend ben ik nog eens naar buiten gekomen. Na al sinds meer dan een week de vier muren van mijn multifunctionele verblijfsruimte niet te hebben verlaten, ten gevolge van de ongunstige weersomstandigheden en staat van de weg. Zaterdag jongstleden leek het me doenbaar en die ochtend reed ik dus naar de bibliotheek om er een voorraad stripverhalen en boeken op te slaan, als leesvoer voor mijn kroost. Een assistente vergezelde mij, want in mijn eentje kan ik in de bib maar bitter weinig uitrichten. Bovendien moest ik warm ingeduffeld worden vooraleer mijn goed verwarmde leefruimte te ruilen voor de koude buitenlucht.

Op onze terugweg werden mijn achter mij fietsende assistente en ikzelf voorbijgestoken door een zich snel voortbewegende mountainbike berijder. Hij was, om zijn snelheid niet te hoeven verminderen, op een strookje gras gaan rijden, dat het fietspad scheidt van de parkeerstrook naast een drukke rijbaan. Onder het ons passeren zei hij iets dat ik evenwel niet verstond. En een meter of twee verder bleef de sportieveling met één van de wielen van zijn fiets steken in de greppel naast het betonnen fietspad en vloog van zijn rijwiel. De man, die gelukkig een helm droeg, kwam na een rolbeweging van zijn lichaam over de betonstrook, in foetushouding in de andere grasstrook naast de fietsbaan terecht en net niet in de gracht ernaast.

Ik hield halt en vroeg de man onmiddellijk naar hoe het met hem was gesteld. Hij antwoordde evenwel niet, maar veerde op, onder het slaken van een vloek, die ik echter hier niet ga herhalen. Wegens nogal godslasterend. En ik wil mijn gelovige lezers eens een keer ontzien. Die fietser stond dus recht, boog zich terstond over zijn rijwiel, dat daar werkloos het fietspad versperde. Doch slechts heel even, want de eigenaar zette het recht, schudde er eens duchtig aan, sprong gezwind op het stalen ros en reed er snel mee vandoor. Om evenwel slechts enkele meters verder terug van zijn nog bollende mountainbike te springen, gehurkt zittend aan trapper en achterwiel te rutselen en vervolgens opnieuw het mobiliteitsmiddel te bestijgen. Waarna de, in een bij deze sport horende outfit uitgedoste fietser, vrij snel uit ons gezichtsveld verdween.

Dat een fietser valt, waarbij zij of hij zichzelf doorgaans bezeerd en waarna er vaak ook materiaalpanne is, dat wens ik niemand toe. Maar ik stel vast dat er vele fietsers zijn die de valpartij zelf uitlokken, het onheil opzoeken. Dat kinderen onveilig rijden, daar is, hoe zeer ik zulks ook schuw, de verschoningsgrond van hun jeugdigheid en onervarenheid. Maar volwassenen die met hun vrijetijdsfiets geen geduld hebben om een andere fietser op een daartoe geschikte plek te passeren, maar hun fietsbel laten rinkelen en verwachten dat hun voorligger terstond naar rechts uitwijkt, zodat zij deze, zonder vaart te minderen, ongehinderd kunnen passeren, dat vind ik arrogant, onveilig en bijgevolg ontoelaatbaar!

Er is ook het fenomeen van de wielrenners of mountainbikers, amateurs of professionelen op training, die zich tegen hoge snelheid over de fietspaden voortbewegen en gedragen alsof zijn er de alleenheerser over zijn. En van iedere andere weggebruiker verwachten dat die baan ruimt op het moment dat zij in aantocht zijn. En onbeleefde opmerkingen maken tegen degene die dat niet doet, of niet snel genoeg. Als ik die domme, onbeschofte kerels, want het zijn doorgaans mannen, bezig zie, dan hoop ik steeds dat ze geen ongeval veroorzaken. Waarbij, door hun onbehoorlijk rijgedrag, onschuldige slachtoffers vallen.

Om af te sluiten met een positieve noot wens ik op te merken dat er ook veel hoffelijke personen zijn onder de verschillende types van fietser. Mensen die elkaar  spontaan ruimte bieden, fietsers die degene die voor hen rijdt vriendelijk verzoeken om deze te mogen passeren, fietsers die de persoon die hen vrije doorgang verleent danken, waarop de andere antwoord dat met graagte te hebben gedaan... Situaties waarbij ook ik soms één van de personages ben in het scenario. En wees eerlijk, je door het leven bewegen en je medemens bejegenen op een niet opgefokte manier, maar daarentegen beschaafd, gemoedelijk en aardig, is toch voor alle partijen de meest aangename omgangsvorm?!

Rudi, 21 januari 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 26 april 2010.

30-03-10

Rudi’s overdenkingen - Mensen, daar reken je niet op!

        

Op mensen rekenen doe ik niet meer. Neen, rekenen doe ik enkel nog op stukjes kladpapier, op een calculator op zonne-energie of in het programma Excel op mijn laptop. En wel na een spijtig voorval dat nogal betreurenswaardig was. Evenwel niet voor mij, want ik had het zelf uitgelokt. Alhoewel niet helemaal. Bij nader inzien zelfs helemaal niet, want de ander was begonnen.

Aangezien wellicht zowel de aandachtige lezers als de onoplettende haastigen, mijn uiteenzetting nu al niet meer kunnen volgen, wat hen geenszins kan kwalijk worden genomen, verklaar ik me nader.

Heel veel jaren geleden, toen ik nog niet eens stemgerechtigd was, waren er op een gegeven ogenblik verkiezingen. Ja, inderdaad, in mijn jeugd amuseerden zij, die toen bij de overheid werkten, zich daar ook al mee. Met die pesterijen van de brave burger. Maar je kon hen dat bezwaarlijk kwalijk nemen, want die mensen moesten uiteraard toch iets om handen hebben, om hun dagen mee te vullen?!

Tegenwoordig heeft het overheidspersoneel de beschikking over computers met een snelle Internetverbinding. En kunnen ze derhalve hun tijd besteden aan chatten op sociale netwerksites, een lief zoeken op datingsites of spelletjes spelen op één van de daarin gespecialiseerde websites. Maar vroeger bestond dat alles nog niet en was het zich ledig houden met het organiseren van verkiezingen een favoriete bezigheid van de overheidambtenaren. Toentertijd om ondermeer die reden, door het gewone volk ook wel eens smalend aangeduid als ambetantenaren.

Heden ten dage gebeurt bijna alles automatisch en wordt er op vele plaatsen elektronisch gestemd. Maar in mijn pubertijd was dat anders. Toen gebeurde het stemmen nog in alle bureaus manueel, en was er derhalve nogal wat werk te verrichten aan de voorbereiding ervan. Potloden scherpen en uitproberen op een stukje papier en meer van dit soort zaken. Vermoed ik, want helemaal zeker daarvan ben ik niet. Misschien waren die bureaucraten wel zo leep dat ze deze opdracht aan een externe firma toevertrouwden. Dan hadden ze meteen ook een besteding voor het overheidsgeld. Alweer een zorg minder!

Vooraleer ik hier boze reacties krijg en haatmail vind in mijn elektronische brievenbus, wens ik vlug en terloops even te melden dat hetgeen hierboven staat gewoon maar om te lachen is! Alhoewel ik het geld van de brave burger verkwisten nu niet bepaald grappig vind. Oh ja, ik ben er mij ook terdege van bewust dat verkiezingen een moeizaam verworven democratisch recht is. Dus ook daar hoeft niemand mij op te wijzen!

Dit gezegd, of eerder 'geschreven' zijnde, ga ik door met de essentie van mijn verhaal. Als ik mij dat, na al dat afwijken trouwens nog kan herinneren. Bon! Uit herlezing van het begin van dit epistel blijkt het dus over 'rekenen op' te gaan. En een jammerlijk incident dat mij er toe heeft gebracht om het op mensen rekenen uit mijn dagdagelijkse leven te bannen.

In de aanloop naar die eerder aangehaalde, door zich vervelende ambtenaren georganiseerde, naar ik mij halvelings herinner, gemeente- en provincieraadsverkiezingen, werd er lokaal nogal wat publiciteit gemaakt. Cadeautjes geven en gadgets uitdelen om stemmen te kopen... euh, ik bedoel uiteraard 'winnen' dat mocht toen nog, begin de jaren tachtig. En ook het plaatsen van huizenhoge affiches was nog toegestaan.

Eén van de kandidaten, een rijkeluiszoon, die nergens voor deugde maar een postje in de gemeentepolitiek wel zag zitten, maakte bij zijn campagne gretig gebruik van al deze promotiemiddelen. En bekostigde alles met het geld van papa. Die al lang blij was dat zoonlief eindelijk iets had gevonden dat hem interesseerde.

In mijn woonplaats en langs de toegangswegen erheen stonden of hingen affiches met zijn beeltenis en slogan. Die trouwens slim was bedacht, maar vast niet door de kandidaat zelf. Hij stapte immers naar de kiezer met de leuze: 'Op MIJ kan je rekenen!' Een slagzin waarvan de figuurlijke betekenis bij het overgrote deel van het kiespubliek de verwachtingsvolle interesse opwekte.

De politiek interesseerde mijn vrienden en mij slechts in beperkte mate. Maar toen die 'veel belovende' kandidaat een meeting organiseerde waarop hij, volgens de uitnodiging, zijn programma uit de doeken zou doen en toelichten, gaven wij toch present. Niet in her minst omdat er gratis hapjes en drank waren voorzien.

En wij waren niet de enigen die daar die avond op afkwamen. Het parochiezaaltje waar de bijeenkomst doorging, liep vol van het volk. In een mum van tijd waren alle, zorgvuldig op een rij tafels klaargezette snacks verdwenen. En de reeds in bekers gegoten drankjes werden ook in een ijltempo weg gegraaid. We stonden allemaal dicht op elkaar gepakt. En toen de kandidaat en zijn gevolg, waaronder zijn trotse ouders, hun  entree maakten, werden we zelfs op elkaar gedrukt.

Nu viel dat, wat mij betrof, helemaal niet tegen. Integendeel zelfs. Met mijn rug en schouders werd ik tegen de zachte omvangrijke boezem van de dame achter mij gedrukt. En mijn voorkant kreeg de achterkant van een welgevormd jong meisje tegen het lijf geduwd. En ze rook daarenboven zo lekker, dat langharig blondje, dat zowat een kop kleiner was dan mij, waardoor ik toch het zicht op de binnentredende verkiezingskandidaat bleef behouden.

Ondanks mijn toch wel comfortabele positie verliet ik deze, na een samenzweerderige blik te hebben uitgewisseld met mijn kameraden. De ster van de avond genoot zichtbaar van de hoge opkomst en van de aandacht die aan hem werd geschonken. Hij had inmiddels zijn jasje uitgedaan. Waarschijnlijk in de eerste plaats omdat hij het net als ons te warm had gekregen in dat met mensen volgestouwde zaaltje. Maar vast ook om met zijn campagneshirt te pronken. Een witte T-shirt met, naast het partijlogo,  in zwarte opdruk zijn naam en slogan.

Terwijl twee van mijn maten de kerel langs voren benaderden en hem bezig hielden door het stellen van enkele onzinnige vragen, waarop die kinkel dan ook nog eens idiote antwoorden gaf, ging ik, samen met een andere maat, langs achter op de kandidaat af. We namen onze, met voorbedachten rade, voor dat doel meegebrachte dikke viltstiften uit onze jaszakken en begonnen met op 's mans T-shirt becijferingen te maken. In het rood, en groot!

Door de drukte, het voortdurend deinen van de menigte en het her en der porren en geduw, duurde het even voor we werden opgemerkt. En die man zijn partijgenoten doorhadden en zagen wat wij hadden uitgericht. Zelf kon hij van ons geschrijf niet zo veel zien, maar zijn papa vertelde hem de details. Die kerel kon er niet mee lachen. Alle gestommel en gepraat was gestopt. Ieders ogen waren gericht op de kandidaat, die ons, ziedend van woede, aankeek, met een rood aangelopen gezicht. De zweetdruppels vloeiden vanaf de nat geworden, kortgeknipte haardos, over zijn wangen, langs zijn nek,  en belandden alzo op het kunstig door ons bewerkte shirt.

Op zijn bits gestelde vraag waarom wij op zijn kleren aan het cijferen waren gegaan, antwoordde mijn mededader laconiek dat wij toch wel het recht hadden om hetgeen hij als slogan gebruikte, aan de praktijk te toetsen?! Om te zien of zijn 'op mij kan je rekenen' op enige waarheid berustte. Maar de kerel stapte boos van ons weg.

Waarschijnlijk vond hij het vooral niet leuk dat we enkel maar berekeningen had uitgevoerd met nullen. 0 * 0 = 0 bijvoorbeeld. Maar geen deling door nul, want dat kan en mag niet, zo heeft mijn leerkracht Wiskunde mijn medeleerlingen en mij ooit in het hoofd geprent. "Deel nooit door 0!" zo waarschuwde hij ons. Nu ja, ik heb me daar steeds aan gehouden. Dus ook bij het bekladden van dat witte campagneshirt. Die vent en zijn partij waren er wel zelf de oorzaak van dat we hen slechts een nul waard achtten.

Mijn kameraden en ik maakten ons snel uit te voeten. We hadden daar immers toch niks meer te zoeken. Want alle spijs en drank was al op. En de te verwachten toespraak en andere prietpraat, daar hadden mijn maten en ik ook geen boodschap aan.

Gelukkig hadden de meeste van mijn wel stemgerechtigde medeburgers klaarblijkelijk ook door dat hun stem niet goed besteed zou zijn aan die rijke domkop. Zodat, spijts alle promotie en gulle schenkingen, en ondanks zijn verkiesbare plaats op de kieslijst van de partij waarvoor hij opkwam, deze kerel toch niet verkozen geraakte. Maar goed ook! Mensen zonder gevoel voor humor horen niet thuis in het politiek landschap. Geef mij maar levend geworden karikaturen zoals Freddy Willockx, diens partijgenoot Louis Tobback en CD&V'ers Jean-Luc Dehaene en Pieter De Crem. Om langs blauwe kant Guy Verhofstadt en Annemie Neys niet te vergeten. Alleen al bij het zien van hun kop, barst je uit in een onbedaarlijke lachbui!

Wie onder anderen eigenlijk ook thuishoort in het voorgaande lijstje is Frank Vandenbroucke. Maar die man is, helaas voor hem, zijn entourage en adepten, inmiddels een stille dood gestorven. Op politiek vlak welteverstaan. Want het hart van de man klopt nog altijd. Dit in tegenstelling tot dat van zijn naamgenoot, de wielrenner. Die het Afrikaanse Senegal uitkoos om er, na een laatste wip met een plaatselijke schone, het tijdige leven vaarwel te zeggen en te ruilen voor de eeuwige dood.

Rudi, 25 oktober 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

14-03-10

De avonturen van Rudi & Co - Mooie liedjes blijven niet duren

  

Misschien maar best ook, want op de duur zou dat ook vervelen. En het tekort aan slaap moet ook eens kunnen worden ingehaald! Niet wat mezelf betreft, want voor mij is het een kalme week geweest. Waarin ik, op een tweetal dagen na, steeds vrij vroeg de feestzone verliet. Om de afspraak met mijn thuisverpleegkundige niet te missen, om in bed te geraken. Dit jaar kon ik immers de energie niet opbrengen om al liggend in mijn rolstoel, de nacht door te brengen.

Veel schoon volk gezien. En hoe warmer het overdag was geworden, hoe schaarser het vrouwvolk gekleed ging. Dus de in de feestzone aanwezige liefhebbers hebben 10 dagen lang hun ogen ruimschoots de kost kunnen geven. In de centrumstraten binnen het feestgebied en op de diverse terreinen.

Mede door het warme, droge weer was er steeds redelijk wat, tot heel veel volk op de been en aanwezig op de locaties waar de optredens plaats vonden. In de tent van de Polifonics bijvoorbeeld. Die, als naar gewoonte, stond opgesteld in het Prinses Josephine Charlottepark. Wegens de te geringe bewegingsvrijheid door ondermeer de vele tafeltjes en stoelen, voor mij niet zo een leuke plek om te vertoeven.

Nog meer aanwezigen waren er op de Grote Kaai, waar de Lokerse Feesten hun feestplein keer op keer bijna, of volledig zagen vollopen. Goed voor 15.000 zielen. Toen ik daar de sfeer ging opsnuiven, en van de gelegenheid gebruik maakte om naar wat groepjes te luisteren, deed ik dat van op het platform dat daar, ten behoeve van rolstoelers en andere invaliden, in een hoek aan de ingang stond opgesteld. Net niet buiten de omheining. Verder weg van het podium kon niet. Voor mijn gezelschap was dat op het verhoog zitten leuk,  want daar waren stoelen aanwezig. En je overzag het terrein en had goed zicht op het podium in de verte. Maar opgenomen in de uitgelatenheid van de meute was je helemaal niet. En het voortdurend heen en weer geloop van mensen, onderaan het platform, was enorm storend. Want niet alleen de in- en uitgangen waren daar vlakbij, maar ook één van de toiletlocaties,

Het toilet voor de rolstoelers stond trouwens opgesteld net naast het hellend vlak om op het rolstoelerbalkon te geraken. Zo moesten die mensen bij hoge en dringende nood niet ver 'lopen'! Die toiletten zijn jammer genoeg sinds jaar en dag niet omvangrijk genoeg voor grote mensen zoals ik in grote elektrische rolstoelen. Die blijven dus meestal thuis, waardoor organisatoren en verhuurders van dergelijk sanitair er geen nood aan voelen ook voor hen degelijke faciliteiten te voorzien. Een jammerlijke spiraal zonder einde.

In het programmaboekje van de Fonnefeesten, die zoals steeds plaatsvonden op de Oude Vismijn, omdat het petieterige Fonneplein veel te klein is om gans die accommodatie te herbergen, had ik iets gelezen over het beschikbaar zijn van een aangepast toilet en zelfs een ADL-assistent(e) (Activiteit Dagelijks Leven) die hulp zou bieden bij praktische zaken zoals gebruik van toilet, zich verplaatsen, eten...

Wat ik niet gelezen had, of inmiddels vergeten was, is dat je die hulp op voorhand diende aan te vragen op het secretariaat. Wat ik dus NIET had gedaan! Voor de organisatoren is het blijkbaar evident dat je als zorgbehoevende op voorhand dag en tijdstip weet waarop je moet plassen of  kakken of wanneer je zin hebt in een snack. En dat je komst naar de activiteit mogelijks afhankelijk is van het weer en nog een resem niet ver vooraf te voorziene andere factoren, daar hebben zij blijkbaar ook nog niet bij stil gestaan.

Soit, op een gegeven moment aan het begin van de feestperiode, voelde ik een redelijke druk op mijn blaas. En dacht ik dat ik, in plaats van eens heen en terug naar huis te rijden, wat riskant was met die kapotte batterijen, waarover ik het straks nog zal hebben, gebruik te maken van de ter plaatse voorziene sanitaire voorzieningen en de ADL-assistent(e). Maar waar zou ik die vinden? Bij de mensen van het Vlaamse Kruis misschien?

Dus toog ik naar hun tentje, aan de zijingang, vlakbij het podium. De jongedame die ik eerst aansprak viel uit de lucht. Figuurlijk wel te verstaan. En ging ten rade bij haar oudere collega. Aan wie ik mijn vraag herhaalde op zoek te zijn naar een toegankelijk toilet met assistentie. Ook deze dame wist van niks. Maar wees mij de plaats aan op het terrein waar ik alvast een toilet kon vinden voor rolstoelers. Haar aanbod om met me mee te gaan wees ik vriendelijk van de hand. Ik heb immers een hekel aan zulk een 'begeleide' verplaatsing door de menigte.

Na een tussenstop op een andere toiletlocatie waar men niet eens op de hoogte was van het bestaan van een rolstoelertoilet, arriveerde ik daar waar ik wezen moest. De persoon die de kassa deed aan de toiletten, hoorde niet goed. Dus vroeg ik aan de toiletdame zelf naar die ADL-assistentie. De dame wist van niks, maar offreerde onmiddellijk om navraag te doen op het secretariaat van de feesten, gevestigd in twee op elkaar geplaatste bureaucontainers, die stonden opgesteld vlak naast de toiletten.

Even later stonden er twee dames van het Vlaamse Kruis voor me. Andere dan deze die ik voorheen aansprak. Dus mocht ik opnieuw mijn uitleg doen. Mijn plasser in een urinaal houden zagen de vrouwen niet zitten. Dat was mannenwerk! Dus werd een mannelijke collega opgeroepen. Die kwam, en omdat we inmiddels hadden vastgesteld dat die toiletcabine enkele maten te klein was voor mij, verdwenen we allen achter de omheining. Waar er ook geen privacy was, want geregeld kwam daar volk langs. Maar dat probleem werd verholpen door de twee dames die een deken naast mij hielden, terwijl de man me hielp. De medewerkers van het Vlaamse Kruis zagen naderhand in dat deze manier en plek van handelen verre van ideaal was. En beloofden me dat ik een volgende keer van hun tent gebruik zou mogen maken. Tof!

Wat een gedoe dus! Dat veel mensen die eenzelfde lot beschoren zijn als mij allicht weerhoudt van het deelnemen aan activiteiten als dit. Mij houdt dat evenwel niet tegen. Dus bracht ik toch het grootste deel van mijn tijd door op het terrein van de Fonnefeesten. Het is en blijft elk jaar tijdens de feestweek mijn favoriete vertoefplek. Alwaar ik via de zijingang gemakkelijk tot aan een plekje op enige afstand van het podium geraak. En er ook vrijwel moeiteloos en snel weer weg geraak. Het is enkel oppassen geblazen voor glasscherven, want op dit terrein serveert men (helaas) de drank in glazen.

En een lekke band kon ik wel missen. Want reeds de tweede dag van de feesten had ik al te maken met materiaalpech. Op de terugweg naar huis, van een namiddagfeestje bij kenissen, vielen de batterijen van mijn elektrische rolstoel uit. Op een brug over de ijzeren weg. Met veel moeite en aan een slakkengang geraakte ik thuis. Ik liet mijn accu's onmiddellijk bijladen, maar durfde het risico niet aan om nog naar het centrum te rijden.

De volgende dag reed ik wel naar het plein, maar met een bang hart. En de dag erna ook. Maar daarna werden er nieuwe batterijen geleverd door de firma waarvoor ik dag in, dag uit, reclame maak doordat hun firmanaam in het groot te lezen staat op de rugzak die achteraan mijn machine hangt.  

Qua zichtbaarheid van het podium en al wie er op stond, had ik doorgaans niet meer hinder dan gelijk welke andere persoon. Soms had ik het genoegen te kunnen vaststellen dat attente jongedames en -heren er continue voor zorgden dat ik steeds vrij zicht had op wat zich afspeelde op het podium. Mij hoeft men al lang niet meer te overtuigen dat er wel degelijk nog 'mooie' mensen bestaan. Mijn ervaring is, en werd alweer tijdens deze ganse 10-daagse bevestigd, dat je waar veel volk is,  je als hulpbehoevende nooit hulpbehoevend bent. En er ook altijd personen zijn die je mee opnemen in hun plezier, niet uit medeleven, maar als gelijkwaardige.

De aangeboden 'weed' heb ik evenwel systematisch geweigerd. Na even op, of aan de rand van één van de feestterreinen te hebben vertoefd, was ik immers al halvelings 'high' van de ingeademde rookslierten die werden geproduceerd door overal aanwezige gebruikers. Er werd trouwens ook serieus wat ander spul gerookt, gespoten, gedronken en gesnoven. Van horen zeggen heb ik het volgende. Op het feestterrein van de Lokerse Feesten, tijdens het optreden van dance-pioniers Orbital, zag een rijpe veertiger, een manspersoon die toch wel af en toen buiten komt en dus geenszins wereldvreemd is, een jonge kerel iets uit een klein glazen flesje, bij zijn frisdrankje gieten. Hij vroeg de jongeman wat die aan het doen was. Die keek hem vragend aan en vroeg: "Zijde gij dom ofwa?" En, terwijl hij zijn blik opnieuw op zijn bezigheden richtte, vervolgde de, zoals zou blijken, junk: "Da's 'gewoon' vloeibare XTC, man!"

Soms had ik wel eens pech met mijn uitzicht op het podium. Zo stonden er, tussen de meute voor mij, eens op een avond twee mannen van meer dan 2 meter lang. Ze staken met kop en schouder boven de rest uit. Ik stond centraal, één van het stond uiterst links, de andere nagenoeg uiterst rechts van het podium. Naarmate het optreden vorderde, schoven die kerels, allebei met een vrouwelijke gezel aan hun zijde, meer op naar het midden van het terrein. Tot ze elkaar bereikten en op dat punt bleven stilstaan. Vlak voor mijn neus! Vervelend, maar ook grappig. Ik heb me gewoon verplaatst. En gelukkig zijn ze me niet gevolgd!

Tijdens het eerste optreden op de laatste dag zat iedereen neer op een stoel. Behalve één man. En je raadt het uiteraard al. Hij schoof beetje bij beetje op om uiteindelijk halt te houden vlak voor waar ik zat. En bleef staan, tot ik hem vriendelijk verzocht een beetje op te schuiven. Wat hij, onder het uiten van verontschuldigingen, prompt deed. Wie niet spreekt kan niet worden gehoord.

Je ziet op zulk een festiviteiten enorm veel diverse figuren. Waaronder een hoop rare kwieten. Die doorgaans geen of slechts een beetje last bezorgen. Of integendeel zelfs voor een, lekker meegenomen, extra attractie zorgen. Soms wordt ik ook aanzien als zo een personage. Dan staat men mij aan te staren, allicht tot ik een kunstje uithaal. Wat dus vergeefse moeite is, want veel meer dan eens vriendelijk lachen naar de mensen, of mijn ogen laten rollen, doe ik niet. Misschien moet ik volgend jaar toch maar mijn mondorgel meenemen naar het plein. En een schaaltje om de gulle schenkingen in te verzamelen. Wie weet geraak ik zo nog aan geld om een busje te kopen.

Karikaturale, clichés bevestigende  types dagen ook vaak op. Om één voorbeeld te geven. Een groepje zware jongens kwam vroeg op de avond langs de zijkant het terrein opgestapt. Kerels met lang haar en tatoeages op hun armen en in hun nek. En waarschijnlijk ook op hun schouders. Maar dat kon je niet zien door die verschillende mouwloze vestjes die ze in lagen boven elkaar aanhadden. En welke hen ook een breedgeschouderd aanzien gaf. En hen er onterecht indrukwekkend en gevaarlijk deed uitzien. Allemaal visueel bedrog!

Samen met hun vrouwelijk gezelschap verplaatsten ze zich recht richting toog. Je had toch niks anders verwacht?! Enkele minuten later stonden ze daar allemaal, hun grieten inclusief, met een glas schuimend bier in de hand. Of één in elke hand. Afhankelijk van hoe warm ze het hadden of hoe dorstig ze waren, veronderstel ik.

Een uur later stonden die daar nog steeds. Nu allicht niet meer van de dorst, maar van de goesting, met een verse pint in de hand. Of één in elke hand. Om in evenwicht te blijven, vermoed ik. De grieten stonden met elkaar te praten en gluurden in elkaars boezem. Alhoewel ik van dat laatste niet geheel zeker ben. Mogelijks speelt mijn fantasie me hier parten.

Weer een uur later zag je nog steeds hetzelfde tafereel. Alleen was de schikking wat veranderd. En er was er al één die wat heen en weer waggelde, en enkele anderen stonden niet meer recht, maar hingen nu letterlijk aan de toog. Eén deugniet had één van zijn zware pollen onder het korte rokje van allicht zijn partner, gestoken en je zag hem duidelijk onder de dunne stof haar billen kneden. "Ze kunnen er maar deugd van hebben" denk ik steeds bij zulk een taferelen.

Nog een uur later zag ik wel nog hun volle en halfvolle glazen op de toog staan, maar niet meer de personen aan wie deze toebehoorden. Niet omdat die individuen weg waren! Neen die waren daar nog! Maar lagen nu onderaan de toog. Of waren even gaan pissen of kotsen. In één of ander tuintje of  brievenbus! Want gebruik maken van één van de talloze, nochtans 'gratis' ter beschikking staande urinoirs, zien zulke kerels immers als iets voor mietjes!

Hun vrouwelijk gezelschap lag nog niet plat. Dat zal pas voor de volgende dag geweest zijn. Denk ik, want hun kerels zullen allicht bij thuiskomst niet meer in staat zijn geweest om nog iets te presteren in bed. Of op een andere locatie. Die meiden stonden daar wel nog met een pint in de hand. Half leeg en waarschijnlijk nog steeds dezelfde als aan het begin van de avond, Want alle schuim was er af en de glasrand zat vol lippenstift. Van aan dat drankje te nippen uiteraard!

Mensen, wat waren twee derden van hen mooie wijven! Misschien moet ik mij in het vervolg ook maar eens in mijn oude motorvest en mouwloos jeansvestje uitdossen. En met een lint rond mijn hoofd en wat stempels op mijn armen en in mijn nek, zal ik er dan vast ook 'ruig' uitzien. En vallen die meisjes niet voor mij, dan mogelijks wel voor mijn racemachine. Desnoods kan ik deze nog 'gebruiken' om dit, zij het dan letterlijk, te bewerkstelligen. ;-) Maar als ik ook mijn mondorgel in 't zicht hou is dat allicht niet nodig. Omdat er dan mogelijks wordt gedacht dat ik een muzikant ben. Waardoor de dames als groupies aan mijn voeten komen liggen!

Wat ik jullie ook niet wens te onthouden, is de voor mij meest opmerkelijke tekstpassage, gezongen door de zanger van één van die groepjes die hun opwachting maakten op het Fonnepodium. Hij zong het in het Engels, maar vrij vertaald naar het Nederlands klonk het ongeveer als volgt: "Als ik 's ochtends wakker wordt, grijp ik naar een biertje. Wat de toekomst brengt, dat weet ik niet, maar van één ding ben ik zeker: er is altijd bier!"

Wat moet dat een geruststelling zijn geweest voor de zuipschuiten onder het daar toen aanwezige publiek! Uiteraard in de veronderstelling dat die kerel gelijk heeft. Tot het tegendeel is bewezen geef ik de man evenwel graag het voordeel van de twijfel!

Op de laatste feestavond was er traditioneel 10 minuutjes vuurwerk. Mooi, en dat lieten de vele honderden, wellicht duizenden, mensen die opeengepakt deze attractie, aan de boorden van de Durme aanschouwden, ook horen. Met 'ah's', 'oh's' en handengeklap na afloop. Het moment ook waarop iedereen dringend elders heen wou. En de kant waar de massa naar toe wou was niet de mijne. Dus begaf ik mij tegenstroom die mensenzee in. En omdat de mensen dan ruimte scheppen voor mij, waardoor het lijkt alsof de menigte splijt, voel ik me op zo een moment Mozes die het volk van Israël door de Rietzee leidt. Want er zijn inderdaad steeds een aantal slimmeriken die me in het kielzog volgen.

Mijn afsluiter van de feesten was 'The Pimps of Dazzle', een negenkoppig groove- en musicicollectief met roots uit de jazz, funk, pop, r&b, soul... Die energiek het publiek opzweepten met een muzikale mix van humor, groove en seksualiteit! Voor wie het optreden niet zag: twee schone meiden, aan wiens voeten ik mij vlak voor het podium ophield, namen het grootste deel van de zang voor zich. Een formidabel slot voor mijn 10-daagse!

Rudi, 9 augustus 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 februari 2010.

05-03-10

De avonturen van Rudi & Co - Ontmoeting met een oud-bekende

  

Een jaar na mijn geheel ongepland en ononderbroken anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, was ik thuis eindelijk in die mate georganiseerd dat ik mijn toen zesjarige tweeling elke ochtend naar school kon brengen.

Doorgaans zat er dan één van hen op mijn schoot, terwijl de andere op mijn voeten zat, op één van mijn armsteunen of zich liet vervoeren door achteraan op het chassis van mijn zware elektrische rolstoel te gaan staan. En soms stapten mijn jongens gewoon allebei naast me mee. Met één handje de leuning van die voor mij zo onontbeerlijke machine vasthoudend. Mensen, wat genoot ik ervan deze taak te kunnen uitvoeren. Je kinderen naar school begeleiden zie ik trouwens niet zozeer als een plicht, maar eerder en vooral als een voorrecht!

De weg naar huis legde ik af tegen het verkeer in. De 3-vaks rijweg oversteken ter hoogte van onze woning was immers onverantwoord wegens levensgevaarlijk door het snelle, vaak roekeloze auto-, motor- en vrachtverkeer.

Tijdens één van die eerste terugritten botste ik bijna tegen een fietsende dame aan. Die wel in de juiste richting reed! Ze zat voorovergebogen op haar, vooraan het stuur van een mandje voorziene, conventionele damesfiets. En duwde met haar voeten naarstig op de trappers. Waarschijnlijk was die gehaast om tijdig op haar werk te verschijnen.

Was het daardoor dat ze geen teken van herkenning uitte? Volgens mij was dit immers de moeder van een schoolvriend uit mijn kinderjaren. Zelf knikte ik haar vriendelijk toe, maar van de dame haar gezicht, half verscholen achter een lange, enigszins krullende en vrij warrige haardos, was geen enkele expressie af te lezen.

Wat een verschil met vroeger! Want naar ik mij herinnerde was dat een heel praatgrage dame. Die steeds met luide stem elkeen die ze kende, van verre toeriep. En als ze, tussen haar steeds weer gehaast met de fiets van hot naar her rijden voor werk, boodschappen, familiebezoek of wat dan ook, zelfs maar even de tijd had, dan liet ze deze gelegenheid nooit onbenut om een praatje te slaan.

Maar mogelijks was er daar met het ouder worden enige verandering in gekomen. Niet erg waarschijnlijk en vanzelfsprekend, maar klaarblijkelijk toch wel het geval. Tijden veranderen en zo soms ook mensen. En aangezien mijn voorlaatste ontmoeting met mijn jeugdvriend zijn moeder reeds van misschien wel 20 jaar eerder dateerde, kon er in die tijdspanne veel zijn gebeurd, dat had geleid tot een plotse, of geleidelijke gedragswijziging. En ook lichamelijke wijziging. Want ze leek me kleiner dan in mijn herinneringen. Maar dat kon zijn omdat ik toen zelf een klein mannetje was, en dan lijkt elke volwassene een reus. Of anders kwam dat misschien omdat ze inmiddels van ouderdom was gekrompen, of allicht een combinatie van deze factoren, aangevuld met een niet geheel juiste memorie.

Vanaf die dag zag ik de vrouw vrij vaak. Meestal 's ochtends omstreeks half negen, maar soms ook op andere tijdstippen. En telkens weer zei ik haar vriendelijk gedag, of lachte haar op zijn minst beleefd toe of knikte met mijn hoofd. Altijd leek ze gehaast. En me aanspreken deed ze nimmer. Maar na enkele passages, waarbij we elkaar kruisten, vertoonde ze uiteindelijk toch tekens van herkenning en begon ze mijn begroeting te beantwoorden. Non-verbaal evenwel.

Raar is het feit dat ik deze vrouw nooit elders tegenkwam en zich nimmer anders voortbewegend zag dan op haar blijkbaar onafscheidelijke fiets. Dus wat er in al die jaren nooit gebeurde was bijvoorbeeld haar aantreffen terwijl ze te voet door de straten slenterde op de wekelijkse openbare marktdag. Of met een winkelkarretje struinend door de gangen van één van onze lokale supermarkten of een andere winkel, waar ik mezelf met mijn vehikel kon in voortbewegen.

Maar zo verwonderlijk was dat dan ook weer niet. Want de dame was steeds nogal sociaal geëngageerd geweest in het dorp waar ik mijn jeugd doorbracht. Een deelgemeente van de stad waar ik woon en leef, sinds ik 'groot' ben. Mogelijks deed zij al haar inkopen lokaal en kwam ze slechts naar 'de grote stad' om haar werk uit te oefenen. Kuisen bij particulieren of op scholen, zo meende ik mij te herinneren.

Enkele jaren na die hiervoor beschreven hernieuwde ontmoeting reed ik, op een zonnige lentedag, aan een gezapig tempo, over het marktplein van mijn woonplaats, toen ik iemand mijn voornaam hoorde roepen. Een uiterst herkenbare zware vrouwenstem. Ik draaide mij met mijn rolstoel in de richting van waar het geluid afkomstig was. En daar stond ze dan!  Mijn jeugdvriend zijn ma! Maar niet in de gedaante van de persoon van wie ik reeds sinds jaren aannam dat zij het was. Het plaatje klopte nochtans redelijk goed. Een warrige haardos en de fiets aan de hand! Maar ze was niet gekrompen. En haar fiets was weliswaar ook een oud model, maar zonder mandje aan het stuur. Het vehikel was evenwel uitgerust met twee flinke fietstassen. Eén aan elke zijde van het fietsstoeltje, zoals het hoort.

Mijn oud-maat zijn ma was nog even joviaal als in mijn verste herinneringen. Ze vroeg me hoe ik het stelde. In dat sappige, gekke dialect van haar. Niet de streektaal van de gemeente waar ze toen reeds sinds tientallen jaren woonde, maar in deze van de plaats van waar ze oorspronkelijk vandaan komt en haar jeugd doorbracht.

In antwoord op mijn vraag, bracht ze me op de hoogte van de toenmalige conditie van haar zoon en daarna wisselden we nog wat woorden uit. Maar veel tijd om te babbelen had ze niet, want ze had net gedaan met haar dagelijkse werk als kuisvrouw in een middelbare school in de buurt en moest er snel vandoor om nog vlug wat boodschappen te doen en toch tijdig thuis te zijn en klaar met het bereiden van het avondeten, tegen het moment dat haar man zou thuiskomen van zijn werk.

Bij het wat later naar huis rijden moest het toch wel lukken dat, toen ik bijna de oprit van mijn woning had bereikt, vanuit de tegenovergestelde richting die dame kwam aangespurt, waarvan ik tot dan toe abusievelijk had aangenomen dat het de mama was van mijn vroegere school- en speelkameraad.

Tegen het moment dat ik had beslist of ik die dame nu zou blijven groeten als was het een oud-bekende, wat ze, zoals een goed uur daarvoor was bewezen, duidelijk niet was, of haar vanaf nu straal zou negeren, was het vrouwmens me al lang gepasseerd. Ze had me bij het voorbijrijden slechts een zuinige glimlach toegeworpen en vroeg zich nu waarschijnlijk af waarom ik haar voor het eerst in al die jaren geen gedag zei.

Tot op de dag van vandaag rijdt de fietsende dame nog regelmatig voorbij mijn huis. Wie ze is, waar ze woont en naar welke bestemming ze zich dan telkens weer zo haastig spoedt, daar heb ik het raden naar. En het interesseert mij ook helemaal niet. Maar na die ene dag, waarop de verwarring mij even in haar greep hield, ben ik deze onbekende fietsster, op momenten dat ze mijn pad kruist, iets minder uitbundig, maar toch gewoonweg beleefd, gedag blijven knikken.

Rudi, 27 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 februari 2010.

24-02-10

Rudi’s ontboezemingen - Curieuzeneuzen in een Hollandse seksshop

  

Vele jaren geleden, toen ik nog de mening was toegedaan dat ik, OOK IN EEN ROLSTOEL gezeten, alles moest kunnen doen wat valide personen probleemloos gedaan krijgen, en dat ook telkens weer wou aantonen, ben ik tijdens een bezoekje aan vestingstad Hulst, in Zeeuws-Vlaanderen, Nederland, eens in een seksshop binnen gereden... met mijn zware elektrische buitenrolstoel. Het binnen geraken kostte mij wat manoeuvreerwerk, maar lukte wonderwel. Veel kon ik daar in dat sekswinkeltje evenwel niet uitrichten. Eigenlijk helemaal niks. Van de 'vieze' (? ;-) boekjes en films op VHS en Dvd kon ik zelfs amper met veel moeite van mijn blauwe kijkers, een glimp opvangen van de voorflappen met niets aan de verbeelding overlatende foto's en de, voor het doelpubliek wellicht aanlokkelijke titels. Je kent dat wel... of net niet.

Tussen de ruime voorraad speeltjes in een ander deel van de winkel zag ik niks dat ik niet eerder had gezien. Want zelfs zonder er ooit iets uit te bestellen, krijgen wij toch geregeld de pabo met de Post aan huis geleverd. Dus weet ik onderhand wel wat er in die branche op de markt te verkrijgen is. Dit even ter zijde. In dat enigszins gore sekswinkeltje, met nochtans ook een vrij uitgebreid assortiment aan erotische hulpmiddelen, accessoires, opblaaspoppen, lingerie, videofilms, dvd's, pretartikelen en zo meer, was evenwel niks tentoon gesteld dat me kon bekoren om over te gaan tot de aankoop ervan.

Dus keek ik maar eens even goed rond in de zaak, op zoek naar iets dat wel interessant was. Andere in de winkel rond snuisterende lui observeren was onmogelijk wegens een totale afwezigheid van potentieel cliënteel. Er was enkel de van een flinke hangbuik voorziene uitbater van de keet. Die kerel, met stoppelbaard, droeg een groezelige witte T-shirt en een versleten jeans. Zijn met veel gel ingestreken kalende haardos, was achteraan de nek in een staartje gebonden. Op zijn beide armen stonden tatoeages waarvan de kleur totaal was verdwenen. De man zat op een kruk achter zijn toonbank. En keek verveeld naar een klein tv'tje dat met een beugel aan het plafond was bevestigd. Op het kijkkastje was een zwart/witweergave te zien van een film die, naar ik kort daarna ontdekte, in een, voor de toeschouwers hopelijk kleurenversie, op groot beeld te zien was in de aan deze winkel verbonden koppelcinema. Aanlokkelijk was die pornoprent geenszins. Het verwonderde mij dan ook niet toen even later een stel zestigers de deur waarachter het bioscoopzaaltje zich bevond, openden en klaarblijkelijk onvoldaan, want met een sip gezicht, naar buiten stapten.

Misschien waren ze beter naar de, ook al in deze zaak gevestigde peepshow gaan kijken. Alhoewel, de dame die van corvee was om, middels wat uitkleden en allicht ook enige wulpse bewegingen, of althans een poging daartoe, de daarvoor betalende dames en heren op te geilen, zag er, in mijn ogen en naar mijn smaak allesbehalve aantrekkelijk uit. Vanaf mijn zitplaats op de op een prikbord bevestigde foto van de jonge vrouw te zien, althans. Zin om de deerne in het echt te aanschouwen had ik helemaal niet. En bovendien vermoed  ik dat mijn echtgenote, die bij me was, me dat ook niet had toegelaten.

Wegens het gebrek aan animo duurde het dan ook niet lang vooraleer we ons naar de uitgang van dit duistere pand begaven. Met lege handen, maar opgetogen over het feit dat ik binnen was geraakt Tevreden dat ik het toch maar weer eens had gedaan. En toen nog in de naïeve veronderstelling dat mijn bezoek aan zijn winkel, de uitbater hopelijk eens zou doen nadenken over het feit dat ook mensen in een rolstoel potentiële klanten zijn.

Probleemloos, al rollend die winkel verlaten bleek evenwel niet zo evident te zijn. Want er was, allicht als diefstalpreventie, een korte bocht, een smal sas en daarachter ook nog een soort klapdeur. Zonder hulp van derden, in dit geval mijn eega, was ik daar nooit buiten geraakt. Het viel me op dat, terwijl wij daar aan het sukkelen waren, de exploitant niet eens opkeek en alle, buiten in de winkelwandelstraat kuierende passanten, collectief de andere kant opkeken. Daarna heb ik mij dan ook nooit meer in een seksshop gewaagd. Maar gelukkig heb ik het internet en, niet te vergeten, die erotiekcatalogus van pabo, om me van het aanbod in dat marktsegment op de hoogte te houden.

Rudi, 10 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 24 februari 2010.

17-01-10

De avonturen van Rudi & Co - Zonder Co

  

Neen, ik ben niet geveld door de zon of in een diepe zomerslaap gezonken. En ook niet fysiek van de aardbol verdwenen,  Karel Van Miert, Yasmine, Farrah Fawcett, Michael Jackson en een resem andere mensen en dieren achterna. Neen, het zou wat al te gortig zijn om net nu ik een nieuwe rolstoel heb en terug enigszins mobiel ben, het tijdige te ruilen voor het permanente einde.

De reden voor mijn verminderde frequentie in het verhalen van mijn belevenissen is te wijten aan het feit dat ik mijn leven een beetje moest reorganiseren, als rechtstreeks gevolg van het sinds zaterdagochtend op reis vetrekken van mijn huisgenoten. En ik mocht inderdaad niet mee. Mijn bijdrage aan hun vakantietrip blijft beperkt tot het meefinancieren van de reis. Nochtans was ik ook wel graag eens een tijdje weg 'gegaan' van mijn vaste verblijfsstek. Helaas...

Doorheen de jaren las ik in zo vele publicaties keer op keer dat ieder mens nood heeft en recht op seks en vakantie. Wat ik ervaar in mijn omgeving is dat men er blijkbaar, ter wille van de eigen gemakkelijkheid en gemoedsrust, vanuit gaat dat ik de uitzondering ben op de regel. Wat dus een totaal foute veronderstelling is. Want het is niet omdat ik met mijn willoos lichaam in een invalidenkarretje rondcross, dat ik geen noden, verlangens noch gevoelens heb. Die heb ik wel degelijk.

Maandagnamiddag reed ik naar het oudercontact op zoon Brian zijn school. Als rolstoeler had ik het zalige genoegen buiten op de koer de leerkrachten van mijn kind te mogen spreken. Het gebouw is immers helemaal niet voorzien op zich op wielen voortbewegende medemensen.

Met het prachtige weer op die dag, was die, in wezen schandelijke ontoegankelijkheid, voor één keer geen straf, geen vernedering, maar daarentegen een zegen. Ik hoefde, in tegenstelling tot andere ouders immers niet in een, allicht door de warmte bevangen gang te gaan zitten vooraleer in een wellicht even muf klaslokaal te worden ontvangen. Neen, zalig in de schaduw van een boom vond ik mijn plekje!

Toen ik, in afwachting van een onderhoud met zijn klastitularis, door een mevrouw, naar ik vermoed werkzaam op het secretariaat van de school,  het rapport van zoon Brian kreeg overhandigd, dit met een bang hart opende en er tot mijn grote vreugde het A- attest in aantrof, raakte ik zowaar geëmotioneerd.

Gelukkig waren er geen vreemden in mijn onmiddellijke buurt, want door de emotie overmand zou spreken even moeilijk zijn geweest. Had ik dit nieuws op mijn eentje thuis vernomen, ik had waarlijk gehuild van opluchting en blijdschap. Jammer dat ik deze vreugde niet onmiddellijk met een naaste kon delen.

Een dag later was Austin zijn school aan de beurt. Per e-mail had ik met zijn klastitularis afgesproken, even voor de middag, in een lokaal op het gelijkvloers. Want ook deze school blinkt uit in haar ontoegankelijkheid voor minder mobiele medemensen.

De juf stond me al op te wachten... achter een gesloten deur. Het was dus geen slecht idee geweest om niet zonder assistente te komen, want anders had ik weer schoon alleen voor de deur kunnen staan wachten tot ik een passant kon aanspreken met het verzoek die deur voor me te openen. Met het gevaar dat ik, eens binnen, met de deur achter me dichtgeklapt, als een rat in de val had gezeten als daar niemand te bespeuren viel. Maar dat doemscenario viel me dus gelukkig niet ten deel. En ook hier ving ik een A- attest. Hoera!

Dol van vreugde ging ik, vooraleer huiswaarts te keren, een ritje maken. Onderweg at ik, in een schaduwplekje bezijden een verkeersarme straat, en met uitzicht op de spoorweg, mijn meegenomen boterhammen op. Eenzaam en alleen, want mens noch dier was te bespeuren in die buurt. Maar ik was in goed gezelschap: mijn eigen zelve!

Op weg naar huis reed ik langsheen een verpauperde volksbuurt. Uit de tegenovergestelde richting kwam een wijkagent aangereden, die even nadien de straat dwarste en zijn bromfiets parkeerde ter hoogte van een rijhuisje op de hoek. Terstond hield ik halt, want mogelijks kreeg ik aanstonds wel een interessant tafereel te zien. Met mijn GSM in de hand, veinzend dat ik aan het telefoneren was, hield ik nauwlettend de agent in het oog. En was benieuwd welk schouwspel er zich zo meteen in mijn gezichtsveld zou afspelen

De man, die zijn helm op het hoofd hield, belde aan bij het hoekhuis. Ging vervolgens twee stappen achteruit en wachtte af. Niemand deed open. Anderhalve minuut later zette de politiebeambte terug een stap naar voor en drukte met gestrekte arm op de bel.

Korte tijd later ging de deur langzaam open en verscheen er in de deuropening een knappe, niet al te grote griet van naar ik schat halfweg de twintig, met het lange blonde haar opgestoken in een dot. Het naakte lichaam nauwelijks bedekt door een minuscule bikini! Blijkbaar gegeneerd hield ze één arm voor haar boezem. Nochtans had ze volgens mij weinig te verstoppen, want voor zover ik het vanuit mijn positie kon zien was het wicht aan de voorkant zo plat als een vijg. Wat evenwel niks afdoet aan haar schoonheid!

De agent wees met zijn rechterarm naar het wel een halve meter hoog staande gras en onkruid in het amper enkele vierkante meters groot voortuintje en de vele op elkaar gestapelde, barstensvolle huisvuilzakken die ook al voor de woning een plekje hadden gekregen. Het meisje maakte met haar vrije arm wat gebaren en ik zag haar ook bevestigend met het hoofd knikken. Allicht beloofde ze de wijkagent de vuilnis op te laten ruimen en de voortuin een beetje te fatsoeneren.

Blijkbaar volstond dat voor de agent, want de man kroop terug op zijn brommertje en reed er vandoor. Toen hij me gepasseerd was, borg ik mijn mobieltje weg. Dat voorwenden aan het bellen te zijn, was immers niet meer nodig. En dat schone mokkel was al lang terug in haar huurhuisje verdwenen. En lag allicht alweer te zonnen op haar terras of koertje of in haar achtertuin.

Rudi, 1 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 15 januari 2010.

17-11-09

Herinneringen uit mijn verleden - bevoorrading

 

Mijn ouderlijk huis is gelegen in een gehucht van wat vroeger een klein dorp was. Wij woonden werkelijk in een boerengat. Veel van onze buren waren boeren met, zoals dat nu heet, een gemengd bedrijf, waarin dus zowel aan landbouw als aan veeteelt werd gedaan. Op heel kleine schaal weliswaar. Absoluut niet te vergelijken met de huidige omvangrijke boerenbedrijven.

De meeste andere buren waren arbeiders en hier en daar al eens iemand met een zelfstandige activiteit. Een metser of een schrijnwerker. En het merendeel van hen woonde, net zoals wij, op een voormalig boerenerf. In de stallen stonden dat wel geen koeien of varkens meer, maar dikwijls hield men nog wel wat kleinvee. Bij ons waren dat kippen en konijnen.

Onze inkopen deden we grotendeels in de buurtwinkels. En met 'we' doel ik op mijn ma, mijn zussen en mezelf. Want shoppen is mijn pa pas beginnen doen vanaf het moment dat wij een auto hadden, begin de jaren zeventig, tevens het moment dat er aan de rand van alle grote steden supermarkten opdoken. Waar alles op één adres te krijgen was, en bovendien veel goedkoper!

Maar de jaren voorheen werd alles wat wij nodig hadden, in onze eigen buurt gekocht. Zo kwam ons brood van bij de bakker uit onze straat. Wiens helper zelfs een keer of drie per week op ronde ging om ons aan huis van vers brood te voorzien. Die man sprak enkel over het weer. Goed weer, slecht weer, geen weer... iets anders kwam er niet uit dienen mens zijn spraakorgaan.

Toen, op café, iemand het eens aandurfde om hem te vragen naar het waarom ervan, antwoordde de man simpelweg dat hij, door over niks anders dan het weer te spreken, hij ook niks verkeerds kon zeggen. Hij zag veel, hoorde ontzettend veel, was van veel gebeurtenissen, vaak ongewild getuige. Maar roddelen was niet aan de man besteed. Zo vermeed hij extra twisten en hield de kerel iedereen te vriend.

Ons vlees en onze charcuterie gingen we halen bij de beenhouwer aan 't kapelletje, het centrum van onze buurt. Als ik meeging met mij ma, dan kregen wij vaak de onverkoopbare restjes van de salami's mee naar huis. Ik was daar verlekkerd op! Toen ik al wat ouder was, zond mijn ma me al eens alleen naar die winkel. Dat deed ik graag. Alleen boodschappen doen, zoals een grote mens! Fantastisch vond ik dat!

Mijn ma gaf me dan altijd een briefje mee, waarop stond geschreven wat ik behoorde mee te brengen. Tijdens de fietsrit naar de beenhouwerij leerde ik dat dan van buiten. Want als een klein ventje de gewenste boodschappen van een briefje aflezen, dat vond ik maar niks. Daar voelde ik mij veel te groot voor!

Op een zekere dag stond ik in die winkel, te wachten tot het mijn beurt was. Het was er nogal druk. Er stond al wat volk in de zaak op het moment dat ik er arriveerde, en na mij waren er nog enkele personen binnen gekomen. Allemaal mensen uit de buurt. Want ander volk kwam daar niet. Toen het eindelijk mijn beurt was, wist ik niet meer wat er ook alweer op dat briefje stond geschreven. Verdikke!

Dus bestelde ik maar vast iets dat mijn ma meestal meebracht. Terwijl de beenhouwersvrouw bezig was met het snijden en wegen van dat ordertje, trachtte ik zo onopvallend mogelijk dat papiertje te bekijken dat mijn ma me had meegegeven. Het eerste lijntj e kon ik duidelijk lezen en bestelde ik. Maar terwijl ik op de winkelierster haar vraag of het iets meer mocht zijn dan het gevraagde gewicht, positief antwoordde, brak ik tezelfdertijd mijn hoofd over wat er in Gods naam verder op dat boodschappenlijstje  te lezen stond.

Het briefje aan de verkoopster te lezen geven, zoals mijn ma me steeds opdroeg te doen bij twijfel, daar dacht ik nog niet eens aan. Mij daar, met al dat volk in de winkel, belachelijk maken, was wel het laatste dat ik zinnes was. De roddeltantes die in dit oord overal pertinent aanwezig waren, zouden ongetwijfeld hun 'werk' doen en de eerstvolgende schooldag zou ik dan vast worden uitgelachen als het ventje dat bij het boodschappen doen mama's lijstje aan de verkoopster moest overhandigen, omdat ik zogezegd onbekwaam, achterlijk of dom zou zijn. Dat kende ik. Pesten was in die tijd in die bekrompen gemeenschap dagelijkse kost.

Om dat onheil te vermijden bestelde ik dus maar, op goed komen uit, zoals wij dat toen uitdrukten, wat fijne vleeswaren en ook een halve kilo gehakt. Dat laatste weet ik nog heel goed. Nochtans was ik absoluut niet zeker of dat item of iets wat daar van benaming op leek, ook op mijn ma's lijstje voorkwam. Maar ik had wel zin in gehaktballen, en dit, wat wij noemden 'gekapt' was daarvoor een onmisbaar bestanddeel.

Eens afgerekend reed ik rechtstreeks naar huis, want al dat vlees moest zo snel mogelijk de koelkast in. Want veel ervan kon snel bederven. Of sloeg een lelijke kleur uit, en dan was het op zijn minst niet lekker meer. En vaak zelfs helemaal oneetbaar. Zo wist ik van mijn ma. In die tijd luisterden kinderen immers nog naar hetgeen hun ouders hen, vaak tot vervelens toe, vertelden of uitlegden.

Mijn lieve ma was hoogst verbaast toen ze de boodschappen uit de tas haalde. Ze keek mij aan en begreep maar niet hoe die beenhouwersvrouw zich zo vergist kon hebben, te meer daar zulks nooit eerder was voorgevallen. Zelf vergoelijkte ik de beenhouwersvrouw door mijn ma te vertellen dat er toch wel een grote drukte heerste in de zaak en de dame allicht daardoor één en ander verkeerd van het briefje had afgelezen.

In mijn kindertijd moesten wij trouwens niet ver lopen om aan drank, voeding of om het even wat te geraken dat we thuis, in de huishouding konden nodig hebben. Schuin over onze deur was er een klein winkeltje. Naast en in hetzelfde gebouw gevestigd als een café, waarvan de uitbaatster, de cafébazin, ook de winkelierster was. Zulke gecombineerde uitbatingen, kwamen in die tijd veel voor in Vlaanderen. In onze, nochtans dunbevolkte buurt waren er zo zelf twee!

En voor zowat alles kon je daar terecht. Snoep, drank, koekjes, beschuiten, confituur en andere voedingsmiddelen, sigaretten, kaarsen, batterijen, kruidenierswaren, speelgoed... Als ik het mij goed herinner een aanbod dat een beetje vergelijkbaar is met hetgeen heden ten dage sommige nachtwinkels aanbieden. Maar in winkeloppervlakte waren ze doorgaans kleiner, en vaak nog meer volgepropt met allerlei spullen. Van bijna op de vloer tot haast aan het plafond.

In het winkeltje waar wij steeds aankopen deden kon je bonnetjes sparen, waarmee je dan uiteindelijk een geschenk bekwam. Zo zijn mijn ouders ooit aan een, toentertijd in elke huiskamer te vinden, op elektriciteit draaiende windmolen geraakt. Een lichtbruine, met lichtjes! En er speelde een muziekje terwijl de wieken draaiden! Het plastieken ding, signatuur 'made in Hongkong', waarvan ik toen de betekenis nog niet snapte, niemand uit ons dorp trouwens, was het pronkstuk onder de ornamenten die onze buffetkast sierden. Voor een tijdje althans. Want zulke prullen vervelen alras, zodat het object al vlug een plaatsje kreeg op een antieke, van een overleden familielid geërfde wastafel die in de traphal, annex voorraadkamer, annex mijn slaapplaats stond opgesteld. Inderdaad, in dat zowat anderhalve eeuw oude huisje waarin we woonden, was multifunctionaliteit een noodzaak. Lang voordat het woord werd uitgevonden!

Eens per week, meer bepaald op donderdag, kwam de visboer langs. Als je iets van hem wou kopen, dan moest je een emmertje aan je hekstijl hangen. Dan stopte de man sowieso voor je woonst. Je kon ook aan het hek staan wachten tot wanneer die venter met zijn viskraam opdaagde. En je hoorde hem van ver komen, want hij kraamde een in al die jaren nimmer wijzigende slogan uit. Zeker van de inhoud van zijn slagzin ben ik nooit geweest, maar het ging ongeveer als volgt: "Rauwe haring, bakharing,tarbot & kabeljauw! Steur, schar, zalm & schol! Hele grote mosselen! Goeie verse mosselen!" En geen bandje hé! Maar helemaal live!

En als hij je onderweg tegenkwam, riep hij je aan door zijn megafoon. Mij noemde de man steevast 'wittekop'. Niet toevallig omdat ik in die tijd qua haarkleur inderdaad nogal veel weg had van de witte van Zichem.

Die vismarchand heeft trouwens ooit eens slechte mosselen aan ons geleverd. Die werden in huis gebracht middels dat emmertje dat tot aan 's mans verschijnen aan het tuinhek hing. Want overal zakjes bij geven was toen nog niet in trek. Ofwel konden milieuactivisten, vanuit hun, naar wat later bleek, terechte vrees te worden overspoeld door die plastieken zakjes, toen de verspreiding nog even tegen houden.

Als je boodschappen deed laadde je alles meteen in je eigen, van huis meegebrachte kabas. Of, in dit geval bij de visverkoper, in je emmertje. Mosselen althans. Hoe die andere vis van dat kraam tot in huis werd gebracht, dat herinner ik mij niet meer. Bij die vraag krijg ik helaas geen informatie terug vanwege mijn grijze hersenmassa.

Van die slechte mosselen ben ik dus wel goed ziek geweest! Mijn ogen zwollen op in zulke ernstige mate dat ik nog nauwelijks iets kon zien. Het ziekenhuis moest ik er niet voor in. Wel binnen blijven en in de zetel blijven zitten of liggen. Want ik zou overal tegenaan zijn gebotst, met die opgezwollen, etterende ogen. Dit voorval heeft er toe geleid dat ik jarenlang niet meer van die schelpdieren heb gegeten.

Ook onze melkboer had een vaste wekelijkse ronde. Als je melk, yoghurt of een ander zuivelproduct uit die mens zijn aanbod wou, dan werd van je verwacht dat je de lege, herbruikbare flessen aan de straatkant voor je huis zette. Dan wist die persoon dat je iets nodig had en kwam die aankloppen aan de achterdeur. Veelal had hij toen al bij wat we doorgaans bestelden. Dat bespaarde hem het extra heen en weer stappen naar zijn zwaar beladen camionette.

Bij de brouwer werd hetzelfde systeem toegepast. Alhoewel we, wanneer we bijvoorbeeld  een bak bier wilden, we niet het ganse krat met lege flesjes aan de straat zetten. Want dan bestond immers het gevaar dat een onverlaat er mee aan de haal zou gaan. Omwille van het leeggoed. Er werd in die tijd veel meer met hervulbare flessen en statiegeld gewerkt. Onze limonade werd ook zo aangeleverd. In zware glazen literflessen. Waarmee je, zo gewenst, gerust een volwassen mens de kop kon inkloppen. Wat naar mijn weten trouwens nooit is gebeurd. Maar zeker is dat niet. Want toen was de media nog niet zo uitgebreid.

En bij ons thuis werd ook niet met die flessen op elkanders hoofd geklopt. Waar mijn ma ze wel voor gebruikte, was voor het verpulveren van beschuiten. Door er met zo een zware glazen frisdrankfles over te rollen maakte ze daar chapelure van. Naast gehakt en ei, een onontbeerlijk ingrediënt om gehaktballen te maken. Mijn pa had die graag in de uiensaus, maar dat vond ik vies en daarom bereidde mijn ma die van mij steeds apart. Welke bereiding mijn zussen prefereerden, dat herinner ik mij niet.

Al de drank die de brouwer kwam slijten was afkomstig van de familiale Belgische brouwerij Roman. Die trouwens op heden nog steeds actief is, en voor zover mij bekend is, met de 12de generatie Roman aan het roer, of toepasselijker gezegd de 'vaten', vooral bezig is met het brouwen van speciale bieren.

In de zomer kwam dan ook wel een keer of twee per week, en in de schoolvakantie nog vaker, vermoed ik, de ijscrèmekar langs. Van het type dat ook nu, sinds de laatste tien jaar, weer vaker in de straten opduikt. Een kleine bestelwagen die rondtoerde en middels een genre scheepsbel, van ver uit de buurt reeds zijn komst aankondigde.

Er reed ook een ijsventer rond op een soort van gemotoriseerde bakfiets. Een tripoteur werd dat bij ons genoemd. Niemand uit mijn directe omgeving sprak de Franse taal. Maar er werden geen twee zinnen uitgesproken of er zat wel een Frans woord tussen. Dit ter zijde. Die ijsjesventer zijn bak was uiteraard een diepvries. En boven de ganse lengte van zijn vehikel was een scherm aangebracht zodat zijn klanten, bij felle zonneschijn, in de schaduw konden staan. Neen, tegen de regen diende dat dak niet. Wegens niet sterk en waterdicht genoeg. Als het regende reed die kerel trouwens niet rond. Want wie loopt er nu buiten en heeft zin in een bolletje roomijs als de regensluizen open staan?

Ondanks zijn bijzonder en aantrekkelijk voertuig had deze ijsjesverkoper toch minder cliënteel dan de anderen. Het is allicht moeilijk om zo vele decennia later alsnog de reden voor 's mans geringere populariteit te achterhalen. Wat zou die kennis ons ten andere opbrengen, dat de moeite getroosten om dit toch te achterhalen, kan rechtvaardigen? Mocht je het antwoord weten, dan wens ik je proficiat voor je wijsheid en veel succes ermee!

Eens ook in de uithoek waar wij woonden, het bestaan van de diepvries bekend was geworden en de meeste inwoners zo een vriezer hadden in huis gehaald, daalde de populariteit en navenant de omzet van die ijsjesverkopers enorm. En ook hun frequentie van verschijnen nam gestaag af.

Anderzijds kende de huis-aan-huis diepvriesroomijs verkoop dan weer een steile opmars. Op vaste tijdstippen kwamen die mannen met hun vrachtwagen langs om te vragen of wij soms roomijs moesten hebben. Soms wel ja. Maar meestal zei mijn ma dat we die vent moesten zeggen voorlopig verder te kunnen. Wat meestal gelogen was, want ondanks het feit dat die aan huis bestelde ijscrème het lekkerst was, kochten mijn ouders die toch liever in de supermarkt. Want daar was die veel goedkoper. En sinds we een auto hadden, een witte vijfdeurs Simca 1100 zelfs, met een grote koffer, prefereerden mijn ouders het merendeel van hun inkopen in het grootwarenhuis te doen. Waardoor we telkenmale met een koffer vol spullen, geladen in gratis beschikbaar gestelde, voor eenmalig gebruik bestemde, bruine papieren zakken met aan de buitenkant in grote letters het logo van de winkel erop.

Maar de lokale groenten- en fruitboer, met winkel in de dorpskern, raakte wel zijn waar nog kwijt aan ons. Tenminste hetgeen mijn ouders niet zelf kweekten in hun uitgebreide moestuin. Die man kwam rond met zijn rijdende winkel, waar je langs een trapje achterin de wagen naar binnen stapte. Deze groentenmarchand mocht voornamelijk dames verwelkomen en bedienen. Die gingen steevast de groentekar binnen met in hun ene hand hun geldbeugel en hun eigen boodschappentas aan de gevouwen arm. De andere hand gebruikten ze om bij het binnentreden hun lichaam in evenwicht te houden.

Dergelijke deur-aan-deur winkeliers droegen toentertijd enorm bij aan het onderhoud van de sociale contacten. Want wie buiten kwam tot aan het kraam, ontmoette niet enkel de verkoper, maar steevast ook enkele buren die ook één en ander nodig hadden. En zo werden nieuwsfeiten uitgewisseld en kon men palaveren over van alles en nog wat.

Vroeger gebeurde het ook wel vaker dat je bij de buren over de vloer kwam. Om bijvoorbeeld een pakje boter te lenen of enkele klontjes suiker, tot je zelf tot aan de winkel geraakte. Of om te telefoneren als je, zoals bij ons het geval was, niet zelf over een telefoonverbinding beschikte. Of bij de boer om hooi te halen voor mijn ma haar konijnen. Of aardappelen. Of eieren van de scharrelkippen. Met een kan, verse melk halen bij één van onze 'boerenburen' deden we niet, want in ons gezin was er niemand die deze melk lustte.

Op geregelde tijdstippen kwamen aan huis ook de kolenmarchand en de verhuurder van gasflessen. Ten behoeve van het in ons achterhuis opgestelde, op gas werkend kookvuur. Van die grote, zware donkerblauwe bidons waren dat! De verkoper van textiel aan huis, heb ik enkel als heel kleine jongen weten langskomen. Inderdaad met handdoeken, zakdoeken, dweilen en zo meer.

Allicht vergeet ik in dit schrijfsel nog enkele leveranciers. Want er kwam ook van tijd tot tijd een messenslijper bij ons langs En er was geregeld een bloemist die, van deur tot deur, zijn waar aanbood. Onze krant werd heel vroeg in de achtend aan huis bezorgd door een gespecialiseerde bezorger, op een brommertje. Wij noemden dat een Mobylette, maar ik ben er vrij zeker van dat die man zijn bromfiets van een ander merk was. Toen mijn zussen de pubertijd instapten, leverde die man ons dan ook nog eens elke week een Joepie, een muziektijdschrift dat wonderwel ook de dag van vandaag nog bestaat.

Die gazettenman schakelde in de zomer trouwens schooljongens in om tijdens de gerenommeerde 'Ronde van Frankrijk', de dagelijks, ogenblikkelijk na de koers gedrukte speciale kranteneditie betreffende deze wielerwedstrijd, aan de man te brengen. Die jongens, met een koerspet op het hoofd, waarop als reclame, de naam van de krant stond gedrukt, reden per twee, ieder aan één straatkant, met hun fiets doorheen het dorp en de invalswegen. En bliezen, om hun in aantocht zijn, te melden, op een fluitje en schreeuwden er dan ook nog eens bij: "'Het Volk! Met de uitslag van de Ronde van Frankrijk!'"

De, voornamelijk mannen en jongens, werden zo hun woning uitgelokt. En alhoewel de meesten van ons de voorbije wedstrijdetappe live op Tv hadden gevolgd, waren we er toch tuk op om ons zo een krantje aan te schaffen. Om de hoogtepunten uit de wedstrijd te herzien op zwart/wit foto's, nabeschouwingen te lezen en interessante weetjes te achterhalen.

Het was mijn ambitie om, eens ik oud en groot genoeg zou zijn, ook  met zo een schoudertas over mijn hals gehangen, per fiets die krantjes te bedelen. In functie daarvan oefende ik al voor de job, in onze tuin. En reed op mijn koersfietsje, met een pet op het hoofd, de wegels door, zo nu en dan blazend op een fluitje dat met een touwtje rond mijn nek hing, regelmatig de slogan uitroepend en bruusk stoppend als mijn bereidwillig mee'spelende' ma of zus, teken deden dat ze een krant wilden kopen. Waarbij ik één van de eerder aangekochte kranten uit mijn schoudertas toverde, met de glimlach aan de koopster overhandigde en dankbaar het onzichtbare geld in ontvangst nam.

Voorbereid en geoefend was ik derhalve voldoende. Maar jammer genoeg is de traditie van die rondekrantjes reeds ter ziele gegaan vooraleer ik de leeftijd had bereikt waarop ik deze kranten had kunnen venten.

Uiteraard kwam ook in die tijd de postbode, ofte facteur reeds dagelijks langs. Dat waren nog echte, die tijd mochten maken voor de mensen. En voor zichzelf. Want ook die van ons ging dagelijks een druppel of een pintje drinken in het café van onze buren. En wellicht ook in de andere, voor een kleine buurt, groot in aantal zijnde kroegen.

En niet enkel leveren aan huis gebeurde. Ook afhalen. Zo deed de oud ijzerman geregeld zijn ronde. Waarbij je dikwijls nog een mooie prijs kreeg betaald voor het koper of ander waardevol metaal dat je de man kon aanbieden. En tegen het einde van elk jaar kwam er ook iemand langs die mijn ma betaalde om wat takken af te mogen snijden van de Hulst in onze achtertuin. Er stonden verschillende van deze groenblijvende loofbomen in de haag die zorgde voor de omzoming van onze achtertuin met logting, zoals wij onze moestuin noemden. De Hulst heeft leerachtige getande en van stekels voorziene bladeren en rode bessen. Welke ook  in die tijd reeds vaak werden gebruikt in Kerststukjes. En aangezien die boomsoort blijkbaar niet in groten getale overal te vinden was, kwam die heer elk jaar bij ons terecht om zich van een voldoende voorraad te voorzien. Wat mijn ma, zonder dat ze er arbeid voor diende te verrichten, toch een aardig extraatje opleverde.

Rudi, 17 mei 2009 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld') - revisie & aanvulling op 16 november 2009.

10-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 3


Het exact aantal dagen dat ik doorbracht op 'I.Z.', dat kan ik me niet herinneren. Een kleine week, vermoed ik. Maar uuiteindelijk mocht ik dan toch verhuizen naar de verzorgafdeling pneumologie. Wat was ik blij weg te zijn uit dat zottenkot! Maar op de verpleegafdeling waar ik toen terecht kwam, en waar in de decoratie en aankleding van de kamers de kleur geel gelukkig niet (meer) domineerde, ging het er eigenlijk helemaal niet beter aan toe, zo zou ik spoedig merken.

Mijn oom had mijn rolstoel reeds overgebracht. En omdat ik die perse in mijn kamer wou, had men het tweede bed er uit verwijderd, zodat er wat manoeuvreerruimte was. Want gebruik maken van de techniek van de transfer middels een draaischijf, dat zagen de verpleegkundigen op die afdeling niet zitten. Sukkels! Om mij te verplaatsen van bed naar rolstoel en omgekeerd, hadden ook zij dus een tillift nodig.

Elke dag, na gewassen te zijn, en in mijn pyjama gestopt, werd in dus verplaatst van mijn bed naar mijn rolstoel. Waarin ik dan de ganse dag bleef zitten. Luisterend naar muziek, of werkend aan mijn laptop, die ik had laten meebrengen van thuis. Een televisie had ik ook ter beschikking, maar wat daarop te zien was kon me slechts zelden boeien.

Er werkten op de afdeling een aantal heel lieve verpleegkundigen, jonge en minder jonge. Maar er was daar ook een feeks van een ancien tewerk gesteld, die de werklust van haar collega's en hun aandacht voor de patiënten, niet kon waarderen. En zij zwaaide daar blijkbaar de plak. Zelf de veel jongere hoofdverpleegster had ze blijkbaar in haar macht. Een heel rare situatie vond ik dat. Verplicht lang durende koffiepauzes en verpleegsters die me stiekem kwamen helpen buiten de vaste verzorgtoer.

Met twee schoolgaande kinderen thuis en plots alleen gevallen bij het beredderen van ons huishouden en met het bijkomend probleem van de afstand tot de kliniek, kon mijn vrouw slechts nu en dan en dan telkens maar voor korte tijd, bij mij op bezoek komen. Maar toen ze er dan wel eens was, wou ik dat we rustig konden praten en samen mijn door haar meegebrachte briefwisseling doornemen. Haar belasten met het ontlasten van het ziekenhuispersoneel, was wel het laatste dat ik wou!

Maar deze laatst genoemden dachten daar anders over. Allicht onder de negatieve invloed van die eerder vermelde helleveeg. Lafaards! Tijdens zo een bezoekje moest ik op een gegeven moment plassen. Dus drukte ik op het knopje waarmee een belletje afging in mijn kamer en in het verpleeglokaal en, in de gang, het lampje boven de deur van mijn kamer, rood kleurde. Een minuut of vijf later stak een, al wat oudere verpleegster, haar domme kop binnen en vroeg verveeld of het dringend was, want ze had niet onmiddellijk tijd. Toen ze, alweer een minuut of vijf later, mogelijks waren het er zelfs tien, terug in mijn kamer kwam, zag die trut er nog steeds ontstemd uit. Ze vond het vervelend dat ik niet wou wachten op hulp tot ze een half uur later aan haar late namiddag verzorgronde zou beginnen.

Terwijl ze mijn plasser in de urinaal stopte, en ik enkele keren zachtjes op de zijkant van mijn buik klopte om de boel in gang te zetten, vroeg ze me op gedempte toon, met haar heksenkin wijzend naar mijn, ondertussen documenten invullende eega, of dat niet mijn vrouw was. Terwijl het plassen startte, beantwoorde ik haar vraag met een ja. Waarop dat wijf verontwaardigd repliceerde dat ik mij dan toch door haar had kunnen laten helpen? Waarop ik reageerde met het antwoord dat ik er nog niet aan dacht mijn vrouw, niet tewerkgesteld in die kliniek, een job te laten doen waarvoor de vrouw, die mijn plasser vast hield, werd bezoldigd! Die uitleg viel niet in goeie aarde. Maar dat zou mij een zorg wezen. Mijn echtgenote was niet naar me toe gekomen om me te verzorgen, maar om me te  bezoeken!

Dat mens werkte dan toch de klus af. Propte mijn nog nadruppelende penis in mijn pyjamabroek, zodat die vochtig werd en ging al morrend de urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er alweer niet bij. De, van de nog aan de rand hangende pis, stinkende plaskan, werd met een smak op mijn nachtkastje gedropt. Voor de verandering eens niet naast iets eetbaars. Het dom schepsel verliet boos de kamer. Mijn opmerking dat ze mijn broek had natgemaakt door ongeconcentreerd en onzorgvuldig te werk te gaan, daar antwoordde ze niet eens meer op.

Een poosje later kwam er een logistiek assistente de kamer binnen. Met mijn avondmaal. Die floot ik ook terug toen ze zei dat mevrouw me zeker wel zou helpen? "Neen" antwoordde ik, "mevrouw gaat mij niet helpen. Mevrouw gaat zo meteen naar huis, waar werk op haar ligt te wachten, dat ze zelfs niet eens kan trachten op een ander af te schuiven!" Het wicht keek me even verbaast aan en zei dan dat ze terug bij mij zou komen eens alle maaltijden waren bedeeld. Die vroeg zich wellicht af hoe het kwam dat ik reageerde alsof iets mij misvallen was, terwijl ik nog niet eens iets had gegeten!

Mensen toch, wat een rotte mentaliteit heerste daar op de afdeling! En, hoewel sommige jongere vrouwen ook in hetzelfde bedje ziek waren, betrof het vaak zo van die rijpere vrouwen, die nog net niet in de overgang zijn, en tijdens de periode van hun maandelijkse regels, de last die ze daarvan hebben, milderen voor zichzelf, door de personen die ze worden verondersteld te verzorgen en gerust te stellen, te kwellen met eigen, verzonnen regeltjes.

Of zijn het van die kakmadammen die hun slip of string te hoog hebben opgetrokken, in een ijdele poging daarmee hun loddergat een iets minder neerwaarts hangend en wat strakker aanzien te geven. En de frustratie van het falen van deze truc en de pijn die ze hebben van die snijdende randen van dat ondergoed in hun lies, spleet en reet, uitwerken  op hun patiënten. Ongehoord is dat!

Het kunnen er trouwens ook zijn die voortdurend ongemakkelijk lopen omdat ze heimelijk lesbienne zijn. En door de aanwezigheid van hun talloze vrouwelijke collega's, onophoudelijk opgewonden zijn. Wat zich uit in het steeds vochtig zijn van hun poes, waardoor deze haast onophoudelijk in een toestand verkeert van net niet verzuipen.

Zo, daarmee zijn die gedachten en gevoelens ook eens uit mijn brein gehaald en publiekelijk gemaakt. Voor alle duidelijkheid: in zowel deze kliniek, als die waar ik eerst verbleef heb ik ontzettend veel plichtsbewuste, slimme, inventieve, lieve mensen ontmoet, voor wie geen enkele moeite te veel is. Het heeft niks met leeftijd te maken. Sommige oudere verpleegsters zijn duidelijk uitgeblust, maar meestal zijn dat wel net diegenen die al gans hun carrière liever lui zijn dan moe en totaal geen inlevingsvermogen hebben. Onder de jongere heb je er ook die geen fluit waard zijn.

En soms was het echt wel van dom, dommer, domst. Zo was er een verpleegster aan wie ik uitlegde hoe ik het liefst werd gewassen. En dat ik tijdens de wasbeurt graag een badhanddoek over me heen had. "Geen sprake van" luidde haar repliek, "want dan kan ik niet zien wat ik aan het doen ben!" Het huilen stond me nader dan het lachen terwijl ik dat kalf dan toch maar rustig en geduldig uitlegde dat het lichaamsdeel dat ze waste uiteraard wel mocht worden ontbloot. Ze keek me nog steeds 'het niet begrijpend' aan. Gelukkig kwam er toen net een collega van haar mijn kamer binnen en deed die het haar even voor.

Een andere keer stonden ze met vier aan mijn bed om me te verzorgen. Een mannelijke en een vrouwelijke verpleegkundige en twee verpleegstertjes in opleiding. Zoals ik bij aanvang van dat toilet had kunnen voorspellen, ging het helemaal mis. Ze stonden gedurig in elkaars weg, of de ene wreef zeep op een lichaamsdeel dat de andere reeds had afgespoeld en afgedroogd, en bij het op mijn zij draaien werkten ze elkaar ook ongewild tegen.

Men was nog bezig met mijn verzorging toen er een vijfde collega verscheen. "Ha, jullie zijn bezig met vier", zei ze "Zoals bij hem thuis!" De mannelijke verpleger keek diep verbaast en ongelovig, eerst naar zijn collega en toen naar mij. En vroeg vervolgens of ze mij inderdaad met vier kwamen verzorgen. Zijn collega antwoordde in mijn plaats: "Dat heeft mijnheer mij toch gezegd!"

Ik had die dame inderdaad tijdens een eerdere verzorgingssessie gezegd dat er bij mij thuis vier verpleegkundigen over de vloer kwamen. Waarop zij blijkbaar verkeerdelijk had verondersteld dat die steeds allemaal samen mijn verzorging deden. Dus legde ik nu aan die domme geit en de vier anderen uit dat er inderdaad vier verpleegkundigen kwamen om mij tweemaal daags te verzorgen, maar dat ze werkten in een roulatiesysteem, waarbij er telkens slechts één van hen aan mijn bed stond.

Wat mijn fysische toestand betreft, was die ongewenste slijmvorming jammer genoeg niet weg gebleven bij het wisselen van afdeling. De frequentie van me in een toestand van ademnood bevinden was gelukkig wel reeds afgenomen Maar af en toe zaten mijn luchtwegen terug vol met taaie, hardnekkige slijmen.

Zo ook de tweede nacht van mijn verblijf op pneumologie. Ik verwittigde de verpleging middels mijn bedbelletje. De kinesist van wacht werd er bij gehaald. Die kwam pas een hele tijd later. Naar eigen zeggen omdat hij eerst nog op intensieve zorgen had moeten assisteren bij de reanimatie van een kindje. Een actie met een succesvol resultaat, overigens. Ook mij kon de man helpen. Middels tapoteren, gebruik van de kuchassistent en aspireren, verloste deze paramedicus me van de mij kwellende slijmen.

Toen ik de volgende nacht weer last had van slijmvorming, wou de nachtzuster evenwel de kinesist niet oproepen. Twee dagen na elkaar, voor hetzelfde probleem, dat kon volgens haar niet. Tenzij het echt dringend was en dus niet anders kon. Volgens haar was mijn bijna in het slijm stikken dus niet echt urgent?! Ze vond de nachtrust van de kinesist belangrijker dan mijn ademnood. En begon zelf op een amateuristische wijze te knoeien met de cough assistent en een aspiratietoestel.

De nachtverpleegster zei dat de mensen van de wachtdienst niet te veel mochten gestoord worden, want ze hadden niet graag dat ze telkens weer uit hun slaap werden gehaald. Worden die dan niet betaald om wakker te blijven? Ja, toch? Maar ik weet wel hoe dat in elkaar zit hoor. Zij hebben vaak ook een privépraktijk. En als ze dan 's nachts een wachtdienst 'lopen' zonder 'oproepen', dan kunnen ze de ganse nacht door slapen en uitgerust en met een frisse kop de job in hun privépraktijk aanvatten. En is het extra inkomen uiteraard gemakkelijk verdiend!

Op zich kan je het die mensen niet kwalijk nemen gebruik te maken van de hen aangereikte mogelijkheden. Maar dat men' hen ontziet ten nadele van de patiënten, dat vind ik helemaal niet logisch en normaal. Maar dat systeem is blijkbaar de ziekenhuiscultuur binnen geslopen en wordt als logisch aanvaard. Misschien zelfs vaak zonder dat zij die er profijt van hebben, er ook van op de hoogte zijn.

Enkele dagen na mijn aankomst op de verzorgafdeling, trachtte ik geleidelijk aan weer te eten. Het voedsel werd me gegeven door een verpleegster, een verzorgende, een logistiek assistente of een stagiaire in opleiding voor één van voornoemde beroepen. Doordat zij het eten in mijn mond stopten, kon ik mij zelf volledig concentreren op het kauwen en doorslikken van het voedsel.

Drinken zonder verslikken, dat lukte niet. Tot een vriendin van me, die verpleegster is, met de suggestie kwam om mijn drankjes middels een poeder te verdikken, en dus papperig te maken. Dus vroeg ik daar naar bij de verpleging, die een doosje van dat spul voor mij bestelde bij de centrale apotheek. Waardoor ik er reeds enkele uren later de beschikking over had.

Met dat poeder verdikt water drinken zonder me te verslikken, lukte. Maar dat papje was slecht van smaak! Koffie met dat poeder was verschrikkelijk! Enkel fruitsap was drinkbaar en behield ook enige smaak.

Toen mijn toestand nog wat meer was verbeterd mocht ik ook al eens mijn kamer verlaten. En aangezien het weekend was en mijn kroost bij me op bezoek was, kon ik met hen op 'stap'. Een kleine zuurstoffles werd in een daarvoor gemaakte rugzak gestopt, die één van mijn zoons op de rug nam. Zo bleef ik voorzien van wat extra luchttoevoer, middels een neusmasker, verbonden aan die fles. De zakken suikerwater en medicatie, die aan mijn infuus waren verbonden, werden op een mobiele, verrolbare houder bevestigd, die mijn ander zoontje voor zich uitduwde.

Aldus vertrokken we op wandel. Mijn zoon vond het rondstappen met die zuurstoffles in een tas op zijn rug best cool! Het zag eruit als de luchtvoorziening bij een duiker. Zelf vond ik de door de luchtslang teweeg gebrachte fysieke verbondenheid met en de afhankelijkheid van mijn zoontje, best aangenaam. Zou dat continue afhankelijk zijn van zuurstof trouwens mijn nieuwe toekomst zijn?

Wat mij helemaal ontstemde was het feit dat men luidop plannen maakte om me enige tijd te laten revalideren in het centrum waar ik, als jonge dertiger, na die desastreuze nekoperatie, in de jaren 2000/2001 anderhalf jaar van mijn leven doorbracht. De arts die verantwoordelijk was voor de verdieping waar ik nu verbleef was gelukkig een goeie man. Eén die luisterde naar wat ik te vertellen had en er ook naar handelde. En mij geenszins wou dwingen tot iets waar ik niet voor te vinden was.

Aangezien er blijkbaar geen enkele specialist in 'huis' was die ook maar enig idee had van wat de oorzaak was van mijn problematiek, had ik, na veel nadenken, wat geen probleem was aangezien ik alle tijd voor handen had, en grondig lezen in mijn medische encyclopedie, zelf een eigen diagnose gesteld. En hieromtrent vervolgens een theorie ontwikkeld, waarmee ik voor de dag kwam toen de arts met zijn gevolg op ronde was en daarbij mijn kamer aandeed.

Om zeker niks te vergeten zeggen of vragen, had ik alles wat ik in gedachten had, op enkele papiertjes laten noteren door mijn bezoekers en al eens een verpleegster, of een studente verpleegkunde. Zelf met een pen schrijven kan ik door die verlamming immers niet meer, en ik had geen printer bij de hand om mijn laptop te gebruiken en de daarop neergetypte ideeën dan uit te printen. Bovendien was het praktisch gezien niet steeds mogelijk om van mijn schootcomputer gebruik te maken.

De dokter kon zich vinden en was bereid me te volgen in mijn visie dat zelfs een niet medisch opgeleide patiënt, in casu ik, toch de beschikking heeft over de meeste kennis van diens eigen lichaam, het eigen medisch levensverloop en ziektebeeld, en mogelijks de juiste conclusies kan trekken uit wat hij voelt en weet, of althans de behandelende arts naar de juiste denkpiste kan leiden.

Zo kon ik dus mijn met redenen omklede opinie uit de doeken doen. Het had er naar mijn mening alle schijn van dat het niveau van mijn nekletsel zich steeds meer hogerop verplaatste. Wat ik afleidde uit de volgorde van de lichaamsfuncties die (deels) uitvielen. Er was de zindering in mijn linker arm, een verminderde werking van mijn slokdarm, middenriffunctie & longen die faalden... Waaruit ik concludeerde dat de oorzaak van mijn problematiek mogelijks zou kunnen te vinden zijn in een opeenhoping van spinaal vocht langsheen mijn ruggenmerg.

Om mijn theorie en vermoedens naar juistheid te toetsten, achtte ik het nuttig enkel gespecialiseerde onderzoeken te ondergaan. Een sliktest en röntgenfoto's, CT-scan & NMR-scan van mijn nek. De arts stemde er mee in en gaf orders aan zijn assistenten om de afspraken te regelen. Inmiddels was Kerst in aantocht. Wat de dokter betrof mocht ik deze dagen thuis doorbrengen, en daarna terug komen. Maar ik prefereerde te blijven tot alle bijkomende onderzoeken waren verricht. En ik het resultaat van de slikfunctietest door de neus-keel-oorarts zou gekregen hebben, en een onderhoud had met de neurochirurgen, om op basis van feiten, RX-foto's & CT-scan voorlopige conclusies te trekken. Want, gezien de lange wachtlijst voor dit onderzoek, zou het nog wel enkele weken duren vooraleer een NMR-scan zou kunnen genomen worden.

Ik verzocht de arts evenwel reeds het centraal katheder te laten verwijderen aangezien daar geen nood meer aan was, gezien het feit dat ik reeds sinds enkele dagen at en dronk en geen intraveneuze medicatie meer kreeg toegediend.

Tevens meldde ik de man nog steeds in afwachting te zijn van de beloofde ademhalingstherapie en hoestoefeningen. En het aanleren en geven van instructies aan de mensen uit mijn omgeving om mij te helpen met hoesten. Door het drukken op mijn borstkast bijvoorbeeld?

En dat ik een antwoord wou op de vraag wat ik, eens thuis, moest aanvangen indien ik me verslikte of als gevolg van een andere factor, in ademnood geraakte. In mijn eigen woning had ik immers geen kuchassistentietoestel, noch een aspirator. Uiteraard bleef de man me het antwoord op deze vraag schuldig. Er zou worden nagekeken waar in de buurt van mijn woning een therapeut was gevestigd die een kuchtoestel bezat en deze techniek toepaste. Hoe ik, niet over een eigen voertuig beschikkend, op God weet welk onmogelijk tijdstip dat ik er dringend nood aan had, dan tot aan die praktijk zou geraken, mocht Joost weten. Want de dokter wist het niet.

Op mijn vraag om zuurstof voor te schrijven voor bijbeademing 's nachts ging de arts niet in. Dat ik tijdig diende verwittigd te worden bij een nakend ontslag zodat ik bijtijds vervoer kon regelen, daar zou hij de hoofdverpleegster over laten waken.

Dat tot na de Kerstperiode in het ziekenhuis blijven was een foute beslissing, zo bleek achteraf. Want eens die hoofdarts, die blijkbaar tijdens de Kerstdagen vrijaf had, van het toneel was verdwenen, hadden die pestverpleegster en haar gevolg vrij spel. Nu waren ze nog pissiger omdat ik een dokter had die naar me luisterde. Wat zij klaarblijkelijk niet konden verdragen. Is het niet vanzelfsprekend dat patiënt en arts hun kennis bundelen en samen naar een oplossing zoeken? Voor sommige mensen, zelfs medisch geschoold, dus blijkbaar niet.

Begrijpen die ook niet welke trauma's hun pestgedrag bij de patiënten kan aanrichten? Mogelijks zijn de meeste van hen er zich niet terdege van bewust welke, vaak blijvende psychische schade ze toebrengen door hun houding en gedrag. Wat dit evenwel geenszins rechtvaardigt, Wordt daar in hun opleiding geen aandacht aan besteed? Of hebben die niet opgelet tijdens de colleges waarin het gedrag van de zorgverlener ten overstaan van de zorgvragende werd behandeld? Allicht durven veel mensen, omwille van hun afhankelijkheid, niks te zeggen over onbetamelijk gedrag vanwege het verzorgend personeel of anderen. En doen ze dat ook niet achteraf, eens ze de kliniek hebben verlaten. Net zoals ikzelf redeneren die mensen allicht dat het dan toch geen zin meer heeft en ze hun energie beter aanwenden voor hun verder genezingsproces. En dat ze beter die nare ervaringen vergeten dan er nog verder mee bezig te blijven, zonder dat het hen een meerwaarde oplevert.

Kerstavond bracht ik dus alweer door zonder mijn gezin. Op Kerstdag kwamen ze even op bezoek. Maar het vooruitzicht binnenkort meer te weten over de oorzaak van mijn problemen, en vervolgens hopelijk een doeltreffende remedie te vinden om er een einde aan te maken en een herhaling in de toekomst te voorkomen, verzachtte het leed van het niet gezellig thuis, in gezinsverband kunnen doorbrengen van deze feestdag.

Met mijn longarts had ik afgesproken te wachten met naar huis gaan tot de zaterdag voor oudejaarsavond, een dag die toen op een zondag viel. Hij zou dan op vrijdag een persoon bij me op de kamer laten komen met een nieuw soort van bijbeademingstoestel, dat ik dan thuis 's nachts zou moeten ophebben. Happig was ik niet op het gebruik van zulk een apparaat, want ik had er, op deze dokter zijn advies en voorschrift, jarenlang één ter beschikking gehad. Ter bestrijding van mijn slaapapneu. Dat is een kwaal die, bij hen die er aan lijden, waaronder ik dus, nachtelijke desaturatie veroorzaakt. Wat wil zeggen dat die mens gedurende het nachtelijk slapen verschillende keren stopt met ademen. Telkenmale gedurende tientallen seconden tot zelfs enkele minuten!

Die zogenoemde CPAP (Continuous Positive Airway Pressure - voortdurend positieve druk in de luchtwegen) was een luidruchtig ding, met een veel te krachtige, agressieve druk, die mij bij het gebruik ervan de slaap onmogelijk maakte en een veel te hevige luchtstroom door mijn neuskanaal stuwde, en daarbij ook nog eens mijn slijmvliezen uitdroogde. Waardoor ik al helemaal niet meer kon ademen. En fysiologisch water nodig had om daar iets aan te verhelpen.

Maar het nieuwe apparaat was beter, zo verzekerde de longarts me. Stiller werkend, met een regelbare luchtstroom en voorzien van een luchtbevochtiger.

De laatste twee onderzoeken vonden op dezelfde dag plaats. De woensdag na Kerstdag. Eén voor de middag, en één kort na de middag. Een verpleegster maakte mij klaar voor de verplaatsing per bed, door een deken op mijn lichaam te leggen om me warm te houden, en een kleine zuurstoffles aan het voeteinde van mijn bed te hangen, zodat mijn bijbeademing gegarandeerd bleef. Voor ik vertrok vertrouwde ze me nog toe dat ik er niet op moest rekenen om bij mijn terugkomst nog eens opgezet te zullen worden. Haar boosaardige collega, waar elkeen omwille van haar pestgedrag, schrik voor had, had al luidop en met een reeds bij voorbaat van pret doordrongen stemgeluid, verkondigd dat ze niet zou dulden dat één van hen de namiddagroutine zou verstoren door me in mijn rolstoel te plaatsen.

Zoals dikwijls gebeurt bij onderzoeken, diende ik nogal veel te wachten. En werden de afgesproken tijdstippen niet gehaald. Omdat er al eens een dokter werd weggeroepen, een onderzoek langer duurde dan gepland, er een technisch probleem optrad, er iemand voorrang kreeg omwille van hoogdringendheid...? Weet ik veel. Toen ik, na de onderzoeken, in de namiddag, met behulp van iemand van het patiëntenvervoer, gelegen in mijn bed, terug op de afdeling en in mijn kamer arriveerde, had de bezoektijd reeds een aanvang genomen. Mijn vrouw zat ook al op me te wachten.

Onmiddellijk drukte ik op mijn bedbelletje. En toen na enige tijd een verpleegkundige verscheen, vroeg ik haar vriendelijk om in mijn rolstoel te worden gezet, want daar had ik nu toch wel even nood aan. Als reactie kreeg ik te horen:  "Sorry, maar daar is het nu te laat voor!" En ze sprak die woorden uit vol leedvermaak. Mijn argumentatie dat mijn lichaam daar nood aan had als voorbereiding op mijn naar huis gaan, waar ik op zijn minst 14 uur na elkaar uit bed zou zijn, en ook op mentaal vlak naar enkele uurtjes opzitten verlangde, daar luisterde ze niet eens naar. Zij, noch haar collega's hadden tijd om mij uit bed te halen en in mijn rolstoel te zetten, en daarmee basta! Waarop ze snel verdween om haar collega's te gaan vervoegen in het verpleeglokaal dat zich schuin tegenover mijn ziekenhuiskamer bevond. En waarvan het geluid van de leute die ze blijkbaar hadden, doordrong tot in mijn kamer. Ziedend van woede was ik. Toen ik kort daarna de longspecialist door de gangen zag stappen, vroeg ik aan mijn echtgenote om hem achterra te gaan en de man te verzoeken even tot bij mij komen.

Kort daarop was mijn vrouw terug in mijn kamer. Met de arts. Aan wie ik, nog opgewonden, het ganse verhaal deed, inclusief mijn argumentatie. De man vergoelijkte evenwel al lachend de verpleegster. Hij dacht allicht: "die patiënt is binnen twee dagen weg, maar met die verpleegster heb ik nog langer te maken." De arts wou de verpleegster niet sommeren mij toch voor enkele uurtjes in mijn rolstoel te zetten. Die reactie en houding maakten mij zo mogelijk nog bozer. En ontnamen me terstond alle vertrouwen dat ik tot dan toe in die specialist had. Dus zei ik hem dat, als het zo zat, ik niet langer in dat ziekenhuis wou blijven. En er vandoor zou gaan van zodra ik vervoer kon vinden.

De longarts zei me enkel schamper dat ik dan wel dat beademingsapparaat niet kon testen en mee naar huis nemen. Maar dat argument was niet krachtig genoeg om me op mijn besluit te doen terugkomen. De arts kon, wat mij op dat moment betrof, de pot op met dat toestel! En met die feeks van een verpleegster erbij!

Ik belde de vervoersdienst en kreeg geregeld dat ik de volgende dag kon worden opgehaald en naar huis gebracht. Mijn echtgenote verliet het hospitaal en toen 's avonds mijn ouders bij me op bezoek kwamen, gaf ik hen reeds het grootste deel van mijn spullen mee. Zodat het ziekenhuispersoneel de volgende ochtend enkel nog mijn toiletgerief en nachtkledij bij elkaar zouden moeten rapen en in een tas stoppen om met me mee te geven naar huis.

Zo verliet ik op donderdag 28 december 2006 het grote ziekenhuis, en liet me thuis brengen met het door mij bestelde, van een chauffeur voorziene rolstoelbusje.

Het door hoofdverpleegster Fatima in elkaar gestoken eindejaarsconcert, waarop ik was uitgenodigd en dat gepland was voor de volgende dag, op vrijdag, van 15u tot 16u, zou dus doorgaan zonder mijn aanwezigheid. Alsof dat ook maar iemand iets kon schelen.

Toen ik 's avonds thuis wat bekomen was, vroeg ik hulp om mijn tassen te ledigen en stelde ik vast dat men potverdorie was 'vergeten' om me mijn medicatie mee te geven! Dus diende mijn echtgenote die avond nog naar de kliniek te rijden om mijn slaappillen en andere medicatie op te halen. Bleek dat ze die gewoon bij hun voorraad hadden gevoegd! Terwijl dat medicamenten waren die ik van thuis uit naar het ziekenhuis had meegebracht!

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 8 september 2009)

31-07-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 1


Het werd een Kerst in mineur voor schrijver dezes. Begin september 2006 raakten mijn longen geïnfecteerd door een virus. Dat zorgde voor kortademigheid. Gezien mijn longcapaciteit, als gevolg van mijn verlamming, bij een normale lichaamsconditie slechts net voldoende is om zelfstandig te kunnen ademen, had ik dus te maken met een ernstig probleem. Eén huisarts, twee specialisten, drie antibioticakuren en een griepvaccinatie verder, kwam daar nog bij dat enorme speekselfluimen in mijn luchtpijp mij bij wijlen in acute ademnood brachten. Zodat ik dreigde te stikken! Omdat ik niet de kracht had om dit slijm op te hoesten. Bovendien had ik bij het eten en drinken ook alsmaar meer moeite om het voedsel en de drank door te slikken.

En mijn lichaam reageerde uiterst heftig telkenmale deze problemen zich voordeden. Als ik door mijn verpleging of kinesist in bed werd gelegd, zette alles zich dicht,. De spieren van mijn buik en middenrif knepen als het ware mijn longen en luchtpijp samen, met als gevolg dat ik dan steeds snakte naar adem en hevig pufte van benauwdheid. Derhalve durfde ik niet meer geheel neer te liggen en trachtte ik in een half zittende positie te slapen.

Begin december ging ik op een zaterdagavond met mijn kroost naar de film. De Nederlandstalige film 'Windkracht 10' werd immers vertoond in het Cultureel Centrum van mijn woonplaats, en ik had voor kaarten gezorgd. Die dag had ik nauwelijks iets gegeten, want ik verslikte me voortdurend, wat angstaanjagend was en me dus enorm veel schrik bezorgde. Doodziek reed ik met mijn twee jongens naar die locatie. Omdat ik dacht dat de film me verstrooiing zou brengen. Tijdens de filmvoorstelling zat ik evenwel voortdurend naar adem te snakken.  En me af te vragen of ik na de voorstelling niet best meteen naar het daar dichtbijgelegen ziekenhuis zou rijden. Maar wat dan met de jongens, zo vroeg ik me af. Vandaar dat ik, na het einde van de film, samen met de fietsende zonen huiswaarts keerde.

Aangezien ik het niet aandurfde om me door mijn thuisverpleegkundige in bed te laten leggen, bracht ik de nacht door, al zittend in mijn rolstoel. Met mijn pyjamavestje aan en een deken over mijn ganse lichaam gelegd. Het was een vreselijke, slapeloze nacht, die ik al reutelend en snakkend naar adem doorspartelde. Op zondagochtend, de derde dag van de maand december 2006, liet ik me, uitgeput en ten einde raad, net voor de middag, met het busje van het rolstoelervervoer, georganiseerd door het locale O.C.M.W., naar het plaatselijke algemeen ziekenhuis brengen. Mijn éne tienjarige zoon reed mee met mij, zijn tweelingbroer en hun mama volgden met de auto. Voor mijn vertrek had ik mijn gezinsleden nog alle medicatie, toiletspullen, pyjama en zo meer in een plastic zak laten proppen.

Ik had hoge koorts en was helemaal op. Angstig, omdat nu en dan mijn luchtpijp nagenoeg volledig dichtslibde, waardoor ik geen enkele klank meer kon uitbrengen en nog nauwelijks kon ademen. Waarbij ik me bewust was van het gevaar dat er ten gevolge hiervan onvoldoende zuurstof naar mijn hersenen zou worden gestuwd, met mogelijks het afsterven van hersencellen tot gevolg. Met extra lichaamsfunctieverlies! Voorwaar geen prettige gedachte.

Daarbovenop was ik ontzettend moe door een gebrek aan slaap, het urenlang luisteren naar mijn eigen eentonige gereutel, mijn terechte vrees voor hersenbeschadiging en het onophoudelijk geconcentreerd ademen om toch nog wat hoogst noodzakelijke zuurstof in mijn corpus binnen te krijgen.

Ik ging binnen via de spoed, alwaar ik goed werd opgevangen door de verpleegkundige van dienst en het geluk had op een dokter van wacht te stoten met een grote luisterbereidheid. Geheel naar mijn wens werd ik niet op een bed gelegd en werd er, door een inderhaast opgeroepen chirurg, een centraal veneuze katheder aangebracht. Een kunststof slangetje, dat in tegenstelling tot een gewoon infuus, niet in een dunne ader in arm of been, maar in een groter bloedvat onder het sleutelbeen wordt aangebracht. Eén van de voordelen hiervan is een grotere bewegingsvrijheid.

Ik kreeg een kamer toegewezen op een verzorgafdeling. Mijn toekomstige kamergenoot keek raar op toen het naast hem staande lege bed naar buiten werd gerold en ik in mijn rolstoel in de plaats kwam.  Ik was nog maar pas geïnstalleerd of men kwam me reeds halen voor het maken van een medische beeldplaat. Er werd een Röntgenfoto genomen van mijn longen. De arts hielp zelf om dit voor elkaar te krijgen omdat deze handeling, met mij in mijn rolstoel, helemaal niet eenvoudig was.

Uiteindelijk achtte men het toch meer aangewezen om me onder te brengen in een box op de dienst intensieve zorgen. Ik kreeg een zuurstofmasker op neus en mond gedrukt, waarna ik het iets minder benauwd had en men verbond mijn lichaam aan allerlei apparaten. Zodoende kon men op allerhande schermpjes continu mijn bloeddruk, hartslag, zuurstofsaturatie en zo meer af kon lezen. Mijn antibiotica, waarvan ik, bang om er in te stikken, de laatste pillen niet meer had ingenomen, werd nu intraveneus ingebracht. Mijn gezinsleden gingen huiswaarts en ik was ervan overtuigd dat ik een dag of drie later hetzelfde zou kunnen doen.

Inmiddels was mijn toestand er uiteraard niet vanzelf op vooruit gegaan. Ik zat afwisselend te hoesten, te puffen en reutelend naar adem te snakken. Met een buisje, verbonden aan een vacuümsysteem, trachtte men via één van mijn neusgaten, of de mond en keelholte, tot bij de fluimen te komen die mijn luchtpijp afsloten, en deze zo af te zuigen. Dit, wat men in vaktermen 'aspireren' noemt, lukte evenwel niet goed. Bij de ene verpleegster ging het nog minder goed dan bij de andere. Slechts nu en dan leidde deze therapie tot enig resultaat. Meestal beschadigde men evenwel met de sonde mijn neus- en keelholte en kwam het uiteinde ervan in mijn slokdarm terecht, in plaats van in mijn luchtpijp. Of werd het pijpje binnengebracht via mijn neus en kwam het er via mijn mond opnieuw uit. Eén iemand slaagde er zelfs in om het buisje langs het éne neusgat binnen te brengen, waarna het er via het andere neusgat uitkwam en vervolgens kwam vast te zitten. 'Oesje' zei ze, 'het zit vast!' Ik talmde niet, nam het buisje uit haar hand en gaf er met alle kracht die ik nog in mijn lichaam had, een flinke ruk aan, zodat het los kwam.

De pneumoloog werd er bijgehaald. Die deed een bronchoscopie en verwijderde middelerwijl zo veel mogelijk fluimen. Meer gedetailleerd ging dit onderzoek als volgt in zijn werk. Mijn tong en keel werden verdoofd middels besproeiing met een bittere vloeistof. En ook in mijn luchtwegen werd wat verdovingsvloeistof gedruppeld. Vervolgens werd er een mondstukje tussen mijn tanden gepropt. En via het gat daarin werd een soepele buis met een diameter van zowat een halve centimeter, met daarin een videocamera en een afzuigbuisje, in mijn mond, via mijn keel, tot in mijn luchtpijp gebracht.

De arts, geassisteerd door een verpleegster, kreeg op een monitor te zien dat bijna al mijn grote luchtwegen waren dicht geslibd. En ik keek geïnteresseerd mee. En zag hoe de specialist de veroorzakers van mijn ademnood wegzoog. Een eerste deel slijmen werd opgevangen in een buisje, zodat ze aan het medisch labo konden worden overgemaakt, voor nader onderzoek. De rest werd opgevangen in een keteltje en zal allicht later bij het medisch afval zijn gedumpt.

Na deze interventie van de arts ging het ademen al beter. En durfde ik me in een bed te laten leggen. Gelukkig mocht ik kinesitherapie krijgen van de persoon die me ook thuis al sinds geruime tijd behandelde. Dat zorgde ervoor dat ik nagenoeg dagelijks toch alvast één bekende persoon aan mijn bed had. En hij deed ook mijn transfer van bed naar rolstoel. Want de nochtans eenvoudige techniek om die handeling uit te voeren middels de draaischijf, die ik van thuis had laten meebrengen, wou het verplegend personeel niet uitvoeren. Wegens 'geen ervaring', wat dan, door de wijze waarop men dit zei, eerder mocht worden geïnterpreteerd als 'geen goesting'

Dus moest ik 's avonds terug in bed met de tillift, ook wel, al dan niet smalend, de 'stalen verpleegster' genoemd. Een omslachtig systeem, waarvoor tevens nogal wat manoeuvreerruimte nodig is. En die was er in die intensieve zorgenkamer niet echt. Er wordt bij deze werkwijze een sterke doek onder je poep en rug geplaatst, de hoeken van die doek worden aan de armen van die lift bevestigd en zo wordt je lichaam dan met een pneumatisch systeem opgetild en kan je worden verplaatst, aan dat ding bengelend als een zak patatten. Een uiterst onprettig en onterend gevoel om het lijdend voorwerp te zijn bij een dergelijk manoeuvre.

En dat die procedure nogal wat tijd en ruimte in beslag nam, dat hadden mijn verzorgsters ook begrepen. Vandaar dat ze voorstelden om mij overdag een papieren luier aan te doen. In mijn eigen voordeel, zo werd me aangepraat. Dan kon ik pissen en kakken als het mij uitkwam. Zonder te moeten wachten op iemand van het verplegend personeel. Als goed verstaander begreep ik dat dit dus was om hen niet te moeten storen! Maar zij niet hoor! Ze konden mij dan wel zo ver krijgen om met een pis- & kakdoek in mijn elektrische rolstoel te zitten, maar als ik moest plassen, mochten ze opdraven met mijn plaskan! En aangezien ik geen vast voedsel at, zou het nog wel even duren vooraleer mijn lichaam ontlasting produceerde.

Waar haalt men het zich toch in het hoofd om een medemens zulk een vernederingen te laten ondergaan omwille van het eigen gemak en incompetentie?

Eten durfde ik niet en dat werd me ook door de specialist ontraden. Maar ik was kloek genoeg en via mijn infuus werden me de nodige voedingsstoffen toegediend.

Doorgaans op mijn eentje in een cel met slechts een klein buitenraampje, waardoor enkel een stukje hemel en een deel van de stam en kruin van een boom was te zien, mocht ik ervaren hoe ontzettend saai en eenzaam het is om in volle bewustzijn op zo een afdeling 'intensieve zorgen' te vertoeven. Je ligt daar in je eentje in een kooi, waarvan ze in mijn geval de glazen deur blindeerden, omdat ik anders mogelijks een glimp kon opvangen van wat zich in een andere cel of op de gang afspeelde. Aangezien ik, sinds die malafide arts mijn lichaam zo onwillig en lam maakte, aan een lichte vorm van claustrofobie lijd, was dit voorwaar niet bevorderlijk om me op mijn gemak te voelen.

Inmiddels zag het er ook niet naar uit dat ik daar spoedig weg zou zijn. En op de momenten dat ik me goed voelde verveelde ik mij enorm! Lezen lukte niet al te best. Ik kon me nogal moeilijk op de tekst concentreren. En zelfs met mijn leesbrilletje op zag ik de tekens slechts wazig. Allicht ten gevolge van de medicatie. Dus vulde ik mijn tijd vooral met het luisteren naar muziek die uit mijn MP3-speler weerklonk, het aflezen van de tijd op mijn GSM en met het wachten tot wanneer er eens iemand mijn cel betrad. Van het verplegend personeel bijvoorbeeld. Of familie, wat drie keer per dag was toegestaan. Om 11u00, om 15u00 en om 19u00. Telkens per twee, en steeds slechts voor een kwartiertje. En bezoek van kinderen onder de 12 jaar werd niet toegelaten. Dus kreeg ik mijn kroost niet te zien.

Aangezien er thuis nogal wat dringend te behandelen onafgewerkte administratie op me lag te wachten en ik ook graag instructies wou geven aan mijn huisgenoten nopens het accuraat opvolgen van mijn inkomend internetverkeer, vroeg ik aan de hoofdverpleegkundige van de afdeling toestemming om mijn vrouw eens voor een langere tijd dan dat kwartiertje te mogen ontvangen. Zodat ze alle papieren en mijn laptop mee kon brengen en ik één en ander kon afwerken en voor de rest aanwijzigen kon geven aan mijn echtgenote, zodat onbetaalde rekeningen of onbeantwoorde brieven ons geen extra problemen zouden bezorgen. Want aan die van mijn wankele gezondheid hadden we op dat moment al meer dan genoeg!

Mijn goed gefundeerde vraag werd vrijwel onmiddellijk positief beantwoord. Aangezien ik blijkbaar voorlopig over de ergste fysieke nood heen was, mocht het al onmiddellijk de volgende dag. Middels mijn mobieltje liet ik dat weten aan mijn vrouw. Dus deden we de dag erna wat gedaan moest worden. Toch alweer een zorg minder voor ons allebei!

Weer een dag later was men nogal laat gestart met me te wassen. Bovendien werkte het jonge trutje van dienst ontzettend traag. Vooral ook omdat ze mijn aanwijzingen niet wou volgen. Als je reeds 6 jaar wordt gewassen door een ander, dan weet je onderhand wel welke handelswijze de beste is. Om je tussen je lamme, spastische benen te kunnen wassen bijvoorbeeld, of om je op je zijde te draaien. Maar als ik een techniek voorstelde, dan werd die suggestie steeds weggewuifd als zijnde niet toepasbaar. Als ik hierop dan repliceerde dat mijn thuisverpleegkundigen dat systeem nochtans sinds jaren succesvol toepasten, dan werd ik de mond gesnoerd met de ridicule dooddoener: "Hier is niet thuis, dit is een hospitaal!"           In mezelf dacht ik dan, dat die locatie toch ook wel 'ziekenHUIS' werd genoemd. Maar ik zweeg stil. Wat baten immers kaars en bril als de uil niet zienen wil?

Ze was nog maar net klaar met me te helpen bij het poetsen van mijn tanden, toen mijn vrouw arriveerde voor het toegestane kwartiertje ochtendbezoek. De verpleegster liet terstond alles liggen en wou er vandoor gaan. Toen ik dat wicht zei dat ze was vergeten de spullen op te ruimen, antwoordde ze gemeen dat mijn vrouw er nu was. En die kon dat toch doen?! Verbijsterd keek ik haar aan. En zei boos en vastberaden dat zulks mijn eega haar werk niet was. Ze mocht potverdikke maar 15 minuten bij me blijven en zou dan in die belachelijke tijdspanne ook nog eens een ander haar werk moeten voltooien?! Nijdig naar ons  kijkend deed ze het dan toch maar zelf. Als ze een langere koffiepauze wou, zo dacht ik bij mezelf, dan moest ze maar leren wat sneller, efficiëntr en productiever te werken.

Vooraleer de kamer te verlaten kon die jonge verpleegkundige het niet laten me te verwijten dat ik verwaand was. Niet begrijpend wat ze bedoelde vroeg ik om uitleg. Bits zei ze daarop dat ik onterecht faciliteiten verkreeg die de andere mensen  op de afdeling niet kregen toegestaan. Zoals bijvoorbeeld het dagelijks in mijn rolstoel worden gezet en het lange bezoek door mijn vrouw, een dag eerder.

Ho maar! Die andere mensen lagen daar doorgaans wel voor slechts één à twee dagen. En meestal na geopereerd te zijn. Opzitten en werken, daar was allicht geen van hen toe in staat. Maar, in navolging van sommige van haar collega's, ontbrak haar klaarblijkelijk het beetje verstand om dat te begrijpen. Dus mijn toch nog steeds uiterst geringe adem verspillen aan dat dom wicht zou zinloos zijn geweest, dus deed ik het bijgevolg niet.

Later die dag meldde ik het voorval, bij afwezigheid van de hoofdverpleegkundige, wel aan haar secondant. Maar die vergoelijkte het gedrag van het meisje. Dat volgens hem 'slechts' te wijten was aan haar jeugdige leeftijd en onervarenheid, gekoppeld aan een te hoge werkdruk. Van dat laatste had ik in al die dagen verblijf op de afdeling nochtans niks gemerkt. Maar ik hield wijselijk mijn mond.

Net geen week na mijn opname leek het dan toch beter met me te gaan en mocht ik verhuizen naar een 'gewone' kamer. Alwaar ik een ganse namiddag bezoek mocht ontvangen. Ook van mijn jongens. En ik liet ze naar de televisie kijken, opdat ze zo lang mogelijk zouden blijven, zonder zich te vervelen. Hen in de buurt hebben deed me goed. Gelukkig was de Sint niet in de war geweest door mijn afwezigheid in huis, en had de goede man op 6 december toch hun gereedstaande schoentjes gevuld.

Méér dan één dag hield ik het niet vol op de verzorgafdeling. 's Avonds was het al weer zover. Ademnood door slijmvorming. De vrouwelijke verpleegkundige van dienst probeerde ze vruchteloos weg te zuigen middels een mobiele aspirator. Maar de taaie slijmen wilden niet lossen. Een collega werd er bij gehaald. En er kwam er nog één. Ze overlegden wat er moest gebeuren. Zouden ze de behandelende arts bellen? Ze waren het er unaniem over eens dat er geen andere optie mogelijk was. En dat er haast bij was. Zelf kon ik me niet moeien in het gesprek want mijn keel zat dicht. Angstig keek ik naar de bezorgde gezichten van de verpleegsters om me heen. Degene die er het laatst was bijgekomen hield mijn hand vast, kneep er zachtjes in en moedigde me aan om vol te houden. Naderhand vernam ik dat deze dame toen vreesde dat mijn levenseinde in zicht was omdat mijn lippen en vingers al blauw aan het verkleuren waren.

De specialist werd uit zijn bed gebeld en stond dra naast mijn, inmiddels reeds naar de behandelkamer gerolde bed. Om met dringende spoed een levensreddende bronchoscopie uit te voeren. Waarna ik terug werd overgebracht naar de divisie 'intensieve verzorging'. De eerste tijd na deze actie, voelde ik mij een stuk beter. Het ademen verliep niet meer zo moeizaam. Echter niet voor lang. Slijmvorming in mijn longen deed keer na keer mijn rechterlong compleet dichtklappen en mijn linkerlong dichtslibben. Aspireren bracht dus geen soelaas, waardoor men telkens weer de longarts diende op te trommelen om te vermijden dat mijn lichaam de geest zou geven.

Steeds weer was ik opgelucht die man te zien verschijnen. En telkenmale dankte ik hem naderhand uiterst oprecht. Maar na enkele spoedinterventies waarbij hij vrouw, kinderen en slaap moest laten om mij te komen  'redden', was deze specialist het beu en drong hij er op aan mij verder te laten behandelen in het Universitair Ziekenhuis, gelegen in onze provinciehoofdstad. Gezien het feit dat ik net in die kliniek het slachtoffer was geworden van een medische blunder die mij zwaar verlamd maakte, stond ik niet te popelen om hieraan toe te geven. Bovendien had ik mij doelbewust in de locale kliniek laten opnemen, omdat ik dan dicht bij huis was. En als ze mij wilden zien, mijn gezinsleden slechts een kleine verplaatsing dienden te maken.

Maar de arts vond dat ik beter af zou zijn in een grote, aan een universiteit verbonden kliniek, waar meer expertise voorhanden was, waarmee een permanente oplossing voor mijn problematiek kon worden gevonden. Zelf fantaseerde hij luidop over het uitvoeren van een tracheotomie. Dat is een operatie waarbij men via de hals een snede maakt in de luchtpijp en daar dan een plastic buisje in plaatst, canule genaamd. Na die medische ingreep zou het wegzuigen van fluimen uit mijn longen langs die opening kunnen gebeuren, dus veel eenvoudiger. En ook mijn kunstmatige beademing kon dan via die weg gebeuren. Allemaal troeven! Het gevaar op infecties en vooral het na de ingreep niet meer kunnen gebruiken van mijn stembanden achtte de arts nadelen van mindere orde. Volgens hem was er voor dat laatste probleem trouwens ook wel een oplossing te vinden. Een spraakmodule die zou toelaten een synthetisch stemgeluid te produceren dat de menselijke stem benadert.

Voor het eten had de specialist ook een oplossing bedacht. Het verslikprobleem kon voorkomen worden door 'gewoonweg' geen voedsel meer via de mond tot mij te nemen. En me in de plaats daarvan te laten voorzien van een permanente maagsonde. Een slangetje, dat operatief, onder algehele narcose, via de buikwand rechtstreeks in de maag wordt gebracht. Via die, in medische termen PEG genoemd, kon ik dan probleemloos (?) worden gevoed.

Bij de complicaties die dergelijk 'systeem' met zich mee kan brengen, gaande van infecties en ontstekingen, over vergroeiingen, tot buikloop, had de man blijkbaar nog niet stilgestaan. En dat ook het eet- en smaakgenot me door deze ingreep zou ontnomen worden, was voor de arts blijkbaar van ondergeschikte orde.

De mij behandelende dokter was daarenboven van mening dat, in afwachting van een definitieve remedie, er nood aan was dat ik verder zou worden behandeld in een kliniek waar de afdeling pneumologie door meer dan één arts werd bevolkt. Zodat er steeds iemand paraat zou staan om me tijdig uit stervensnood te helpen. In deze kliniek stond hij er alleen voor en derhalve achtte hij mijn verblijf aldaar absoluut niet langer haalbaar.

Deze argumentatie en mijn vrees dat de arts me bij een volgend acuut ademhalingsprobleem op eigen initiatief tot een half kunstmatig wezen zou omtoveren door het ten uitvoer brengen van zijn ideeën, deed me uiteindelijk zwichten. Evenwel niet nadat ik allerhande alternatieven had overwogen, zijnde andere ziekenhuizen dan het voorgestelde UZ. Dat ik toch akkoord ging met dit, in mijn herinnering 'onheilsoord', kwam te  meer door het feit dat daar een pneumoloog werkzaam is die mijn voorgeschiedenis kende en bij wie ik, op aanraden van zijn collega in de kliniek van mijn woonplaats, ook in november reeds op consultatie was geweest en op wiens dienst ik toen tevens een longfunctietest had ondergaan.

Inmiddels was het reeds 14 december. En in die 12 dagen verblijf in het ziekenhuis was er reeds heel veel gebeurd, en had ik reeds heel wat meegemaakt. Slechte ervaringen, maar ook goede. Zo was ik tijdens mijn laatste twee dagen aldaar terug wat vast voedsel beginnen eten. En een verpleegster had speciaal voor mij voor wat lekkers gezorgd. Dat deed me wel iets. Persoonlijk vind ik trouwens dat zo een kleine kliniek ook zijn voordelen heeft. Meer en nauwere onderlinge contacten tussen de verschillende afdelingen bijvoorbeeld. En zij kunnen even kwalitatief werk leveren als de grotere broers, al is hun personeel daar vaak zelf niet van overtuigd. Zij schatten mijns inziens zichzelf en hun kliniek vaak veel te laag in.

Tot daar deze randbedenking, die toen door mijn hoofd spookte. En ik vreesde dat er nog veel zulke overdenkingen zouden volgen, want het einde van mijn lijden leek bij lange na nog niet in zicht.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 30 juli 2009)

13-05-09

Rudi’s ontboezemingen - Spam

 

Er zijn blijkbaar mensen die weten dat ik de tijd moet aflezen op mijn GSM. Personen die me bovendien voornaam inschatten, en van mening zijn dat een duur kwaliteitsuurwerk, van een vermaard fabrikaat, niet zou misstaan aan mijn pols. Dagelijks word ik immers, via mails, van het bestaan van dergelijke polshorloges op de hoogte gehouden. Bovendien worden die hebbedingetjes me telkenmale aan zeer concurrentiële prijzen aangeboden. Tenminste, als ik die reclame mag geloven, want ik ben niet thuis in die sector. Bovendien zijn het misschien vervalsingen.

Dat het tijd wordt voor een nieuwe versie van mijn computersoftware, ook daar wordt dagdagelijks, middels elektronische post, over aan mijn oren gezeurd. En ook voor deze producten kan ik rekenen op een fikse korting. Waarschijnlijk werken deze firma's samen met de aanbieders van farmaceutische producten zoals pijnstillers en antidepressiva. Middelen waar ik wel eens nood aan zou kunnen hebben, als ik wel mijn Euro's zou versassen, met de bedoeling nieuwe software te ontvangen, maar helaas zou moeten vaststellen bedrogen te zijn geworden. Gelukkig word me beloofd dat ik ook deze medicatie kan verkrijgen aan de laagste prijs.

Wat me dan weer verbaast is dat bepaalde individuen, op één of andere slinkse wijze, hebben achterhaald dat ik liever met een maatje méér was behept. Dat leid ik tenminste af uit de crèmes, pillen en stretchers die me nagenoeg dagelijks worden aangeboden, om wat groei te krijgen in mijn jongeheer. En de getuigenissen van lotgenoten, die de proef op de som hebben genomen, en dankzij die enkele centimeters méér, plots een ander leven leiden.

En mocht dat langer orgaan dan dienst weigeren, dan kan ik mijn toevlucht nemen tot erectiebevorderende pillen, die me ook al voortdurend in alle vormen, kleuren, maten en verpakkingseenheden worden aangeboden. Voor een zacht prijsje, wordt me een uitbundig seksleven in het vooruitzicht gesteld.

Als ik dan in het bezit ben van een stevige jongeheer, maar desondanks, of juist daardoor, een partner moet ontberen, dan vind ik vast mijn gading tussen de knappe jongedames die hun hart, ziel en verdere leven aan potentiële huwelijkskandidaten aanbieden op één of meerdere van de talloze datingsites, die me ook al meermaal daags van hun bestaan op de hoogte houden.

Over de voortdurende aanbiedingen van waterpijpen, kookpotten, allerhande computerapparatuur en zo meer, aan een fractie van de prijs die ik elders moet betalen, ga ik het hier niet hebben, want dan komt er ongetwijfeld geen einde aan dit verhaal.

Mocht het me, na maanden van mailbox bezoedeling, niet danig op de heupen zijn gaan werken, dan zou ik die berichten best wel grappig vinden. Nu niet, dus. Spam terreur? Neen, bedankt!

Ru(sh)di(e), 10 mei 2006 (revisie op 11 mei 2009)

11-05-09

Rudi’s overdenkingen - Vooringenomenheid

 

Vooringenomenheid is een kwalijke karaktereigenschap. Personen beoordelen op basis van hun uiterlijk, hun afkomst of geruchten die over hen de ronde doen, is verwerpelijk. Ik heb de jammerlijke pech in deze materie een onderlegd ervaringsdeskundige te zijn.

Sinds ik als prille twintiger van onder mijn ouders' vleugels kon vandaan komen, heb ik mijn haren laten groeien naar het voorbeeld van Jezus Christus. Nu ja, eigenlijk had God's enig geboren zoon niks met mijn keuze te maken. Ik voel me gewoon het prettigst met lange manen. Wat ik evenwel nooit begrepen heb, is dat vele van die vrome Christenen, die dat langharig personage aan het kruis aanbidden, mijn lange haartooi verwerpelijk vinden. Een langharige waarvan men gelooft dat hij mirakels kon verrichten, is een goeie. Iemand die goed studeert, hard werkt, maar géén mirakels op zijn actief heeft staan, is tuig. Dat is hetgeen ik daaruit concludeer, maar ook helemaal niet begrijp.

En sinds ik in een rolstoel zit, moet ik constant ervaren dat de grote massa er van uitgaat dat iemand die niet meer op zijn of haar benen kan staan, ook geestelijk niet meer functioneert. Het zijn potverdorie zij, die dat denken, wiens psyche stilligt! Maar maak het hen maar eens wijs. Tracht hen daar maar eens van te overtuigen. Als het aanwezig is, zit de vooringenomenheid er zo ingebakken, dat je het niet zomaar uit die mensen hun hoofd krijgt.

Ook ten overstaan van mensen met een andere huidskleur bestaat er heel veel vooringenomenheid. In Afrika ziet men de blanke man (en vrouw) doorgaans als een rijke stinkerd, die bij hem of haar thuis in Europa of Amerika, het geld maar voor het rapen heeft, zonder er arbeid voor te moeten verrichten.

En hier bij ons, in West Europa, worden mensen met een donkerbruin kleurtje nog al te vaak aanzien als gelukzoekers, die van onze sociale voorzieningen komen profiteren. Die zijn er ongetwijfeld ook, maar dat is een minderheid. En personen met een lichtbruine huidskleur en kroezelig haar, zijn helemaal de kop van jut. Want die krijgen, zonder onderscheidt het etiket 'Marokkaan' of 'Noord-Afrikaan' opgeplakt. En meteen gestigmatiseerd als crimineel. Nu zijn er wel problemen met bepaalde groepen jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst, maar om daarom iedereen met zo een uiterlijk over dezelfde kam te scheren, dat gaat veel te ver!

Mijn echtgenote is van West-Afrikaanse oorsprong. Donderbruin dus. En nog dikwijls verbaas ik mij erover hoe mensen tegenover haar reageren, uitsluitend omwille van haar huidskleur. Ofwel wordt ze genegeerd, ofwel wordt ze geviseerd. Om een voorbeeld te geven: het gebeurt dat ze in een groep staat, waar iemand bijkomt. Iedereen wordt door deze persoon begroet en krijgt een hand, behalve dat zwartje. Alsof zij géén mens is en géén gevoelens heeft. Nog een voorbeeld: in de supermarkt stoot zij met haar karretje per ongeluk iemand aan. Nog voor ze zich kan excuseren krijgt ze een lading verwensingen over zich heen, die helemaal niet in verhouding staat tot de omvang van het gebeurde. Maar ja, de aangestoten persoon heeft mijn eega haar huidskleur gezien. Het is een 'vreemde', dus zal ze het wel expres hebben gedaan!

Onze kinderen hebben een lichtbruine huidskleur. Als gevolg daarvan worden zij dikwijls verkeerdelijk aanzien als Noord-Afrikanen en dienovereenkomstig per definitie als boefjes bejegend. Ontelbaar zijn de keren dat zij onterecht als aanstokers werden aangeduid bij conflicten waar ze dikwijls niet eens bij betrokken waren. Ik heb het in een warenhuis meegemaakt, dat één van mijn zoons zogezegd op heterdaad werd betrapt met een artikel waar ik, die enkele gangen verder rondreed, de jongen had omgestuurd. Dezelfde jongen werd, in een andere grootwinkel, eens door het personeel op de vingers getikt, terwijl hij de pakjes chips, die een groepje andere jongeren had laten vallen, terug in de rekken legde.

Het gebeurde meermaals dat blanke ouders met hun blanke kroost vertrokken, op het moment dat mijn kinderen op een speelpleintje arriveerden, een springkasteel betraden of in het ballenbad doken. Vooringenomenheid leidt tot onverdraagzaamheid, discriminatie en racisme.

Uiteraard kan men voor iedere vorm van onverdraagzaamheid op zoek gaan naar de oorsprong ervan. En die is inderdaad wel, minstens deels, te wijten aan het gedrag van bepaalde individuen uit de geviseerde groep. Maar deze gebruiken als vergoelijking voor dit foute gedrag en denkbeeld, daar ben ik het totaal niet mee eens. Ieder persoon moet er naar streven elke soortgenoot met een open geest te benaderen. Hoe moeilijk dat bij tijd en wijl ook mag zijn.

Ru(sh)di(e), 1 mei 2006 (revisie op 7 mei 2009)

06-05-09

Rudi’s ontboezemingen - struisvogeltactiek

 

Enkele dagen terug las ik enkele artikels met betrekking tot enerzijds mensen die hun kind of partner verloren door een ziekte of ongeval en anderzijds personen met een handicap en hoe hun omgeving daarop reageert. Er zijn heel wat parallellen te trekken tussen beide situaties. Alles kwam me weer nogal bekend voor. Omdat ik reeds eerder dergelijke verhalen hoorde en las en tevens omdat ze zo gelijklopend zijn met wat ikzelf continue ervaar.

Mensen die een familielid verliezen door om het even welke oorzaak, moeten dat van zich afzetten, verder gaan met hun leven. Eens melancholisch terugblikken op één van die zalige momenten samen, met het overleden familielid, of herinneringen ophalen uit die tijd, wordt door hun omgeving doorgaans niet getolereerd. Praten over wijlen kind, vader, oma of partner wordt aanzien als een teken van onverwerkt verdriet, en daar kan de omgeving niet mee omgaan, dus mag het niet!

Een zelfde fenomeen doet zich voor bij mensen met een handicap of ouders van een gehandicapt kind. Men vraagt wel hoe het met hen gaat, maar 'slecht' is een ongeaccepteerd antwoord. Je beklag doen over allerlei fysische kwalen, of praktische problemen als gevolg van de handicap, mag niet. Er zelfs naar waarheid gewoon melding van maken wordt niet geduld. Neen, dat wordt aanzien als een teken dat de handicap nog niet is verwerkt en daar kan de omgeving niet mee omgaan, dus mag het niet!

Ondertussen moeten zij die de leegte voelen die de afgestorvene heeft achtergelaten en zij die gebukt gaan onder de last van het beperkt functionerend lichaam van zichzelf of van hun kind, wel gedurig de klaagzang aanhoren van futiele lichamelijke kwalen waar hun gesprekspartner of iemand uit diens omgeving door wordt 'geplaagd'. Een zere rug, een aanhoudende verkoudheid, de pijnlijke wratten van oom Albert of de oh zo verschrikkelijke migraine van de bejaarde buurvrouw.

De grote massa kan niet omgaan met de gevoelens en uitingen die gepaard gaan met het verlies van een persoon of van lichamelijke of geestelijke functies. Dus moet er over gezwegen worden.  Liever stopt men zijn of haar kop in het zand en doet men alsof er niks aan de hand is. Hoe erg moet het niet zijn als je jouw levensgezel verloor en daar nooit meer eens met iemand over kan praten. Of als mama van een gehandicapt kind moeten ervaren dat men doet alsof je kind niks mankeert. Want het ziet er toch goed uit?! In plaats van die mensen te steunen door hen aan te zetten tot het luchten van hun hart. En bij personen met fysieke beperkingen, zo ervaar ik zelf, wordt de last ook voelbaar minder als men eens over zijn of haar handicap kan praten. Maar het aantal mensen bij wie dit kan is doorgaans uiterst beperkt. Zelf kan ik gelukkig veel kwijt in mijn schrijfsels. Veel van mijn lotgenoten beschikken echter jammer genoeg niet over zulk een uitlaatklep.

Ru(sh)di(e), 4 april 2006 (revisie op 27 april 2009)

03-05-09

De avonturen van Rudi & Co - alweer een deel

 

Sinds zowat driekwart jaar oefen ik, met de hulp van een logopediste, mijn adembeheersing en spreekkwaliteit. Door die verlamming bedraagt mijn longcapaciteit immers slechts de helft van wat het voor een persoon van mijn leeftijd en gestalte zou moeten zijn, en nu tracht ik daar door oefenen en het gebruik van spreektechnieken, het maximale uit te halen.

Tijdens die stemoefeningen bleek dat ik een spraakgebrek heb. Ik was me daar totaal niet van bewust. Niemand heeft het me ooit gezegd en zelf had ik er blijkbaar nooit op gelet. Sommige letters spreek ik soms verkeerd uit: 'S' in plaats van 'Z', 'F' waar het 'V' moet zijn, en zo meer. En blijkbaar ben ik niet de enige die zulks doet.

Gisteren woonde ik, samen met mijn zoons, de eucharistieviering bij in de kerk, gelegen in het centrum van onze woonplaats. De celebrant had het er in zijn homilie over dat het tijd wordt dat gelovigen terug durven uit te komen voor hun overtuiging. Dat ze het Woord van Jezus Christus uitdragen, en dat, en hij herhaalde het een aantal keer: in naam van de 'Geilige Geest'!

Woensdag jongstleden was ik in het voetbalstadion van 'Sporting Lokeren'. Ik volgde de wedstrijd van de thuisploeg tegen Sint-Truiden in de 1/8 finale voor de 'Beker van België'. De kinderen had ik thuis gelaten, want op een schooldag horen die in bed te liggen op het uur dat de match aanving, zijnde acht uur 's avonds. Lokeren won de wedstrijd, met nogal wat geluk, en stoot als gevolg daarvan door naar de kwartfinales, waar het zal moeten optornen tegen provinciegenoot Gent.

Dat voor wat het sportieve gedeelte van de avond betreft. Ik wil immers melding maken van een incident dat plaatsvond naast de grasmat. Omdat er elders geen plaats voor me is, had ik naar gewoonte plaatsgenomen in de dug-out naast deze van de bezoekende club. Voor wie dat niet kent: een dug-out is een schuilhok met daarin (klap)stoelen, waarop doorgaans trainer(s), dokter, verzorger(s) en wisselspelers plaatsnemen, zodat ze enigszins beschut zijn tegen koude, regen en wind. In Lokeren hebben ze er dus ook zo eentje voor de 'mindervaliden'.

Toen ik arriveerde zaten er in 'het onze' reeds enkele mensen. Een oude heer in een manuele rolstoel, een valide oudere dame die zichzelf opwerpt als verantwoordelijke voor wat er in het invalidenschuilhok gebeurt en haar mentaal gehandicapte zoon van naar ik schat een jaar of vijfenveertig. Nadat ik hen gedag had gezegd en plaats had genomen voor de klapstoeltjes, kwam daar nog een dame bij met haar fysiek en mentaal beperkt zoontje, en wat later ook een jongeman met een meervoudige handicap, allen habitués.

Net voor de rust stond daar ineens die man in zijn rolstoel naast me. Die wou waarschijnlijk naar het toilet. Hij vroeg me plaats te maken, zodat hij me op de betonstrook kon passeren. Ik zag niet direct een uitweg, plaatste me een beetje schuin, zodat hij toch kon passeren, zonder op het gras te moeten rijden. Toen hij een minuut of vijf later terug kwam, ze ik: "Wacht, ik rij vooruit, dan heb je méér plaats om te passeren", maar die vent wou blijkbaar niet luisteren, want voordat ik mijn machine in beweging had gezet, reed hij me al voorbij: zijn twee linkerwielen op de betonstrook, zijn rechterwielen op het gras. Toen hij het betonvak wou oprijden, bleef zijn rolstoel steken. De man sloeg in paniek - voor zoiets idioots! - en riep om hulp. De zoon van de 'bazin' snelde meteen toe en duwde de oude in zijn kar het beton op.

Maar daar hield het niet bij op. De zoon keerde zich met een op onweer staand gezicht tot mij en brulde: "Niet profiteren, hé! Ik zal het zeggen tegen de bazen, hoor!" Ik waande me even in een kleuterschool. Ik wachtte even, verwachtend dat moeder hem tot de orde zou roepen, maar toen dat niet gebeurde, repliceerde ik dat hij zijn manieren en mond moest houden, en dat hij, als het hem niet aanstond, maar thuis moest blijven. Maar dat drong, zo denk ik, niet tot hem door.

Nu heb ik absoluut niks tegen mensen met een beperkt geestelijk vermogen. Ze kunnen er meestal zelf niet aan doen dat ze zo zijn. Maar dat geeft hen mijns inziens niet het recht om andere mensen te ambeteren. En als men weet dat zij zelf geen controle hebben over hun gedrag, dan moet hun begeleider hen maar in toom houden.

Tijdens de rust reed ik naar die man in zijn rolstoel toe en zei hem in het vervolg te wachten tot ik plaats maak, vooraleer me te passeren. De man zei dat hij me toen niet had verstaan. De moeder en de zoon, die naast de man zaten, hielden zich stil. Ik zweeg ook, want ik had geen zin in nog méér commotie. De meervoudig beperkte jongen kwam na de rust niet meer tussen ons zitten. Die nam plaats op een stoeltje, wel tien meter verder. Die vreesde allicht voor nog méér opschudding.

Ik kwam reeds eerder in aanvaring met het volk dat doorgaans de invaliden dug-out bemand. Ze zitten daar de lucht te bezoedelen met hun rookwaar, slaken oerkreten en zijn als de dood voor 'de bazen van boven': de voorzitter en zijn gevolg'. Maar als mijn zoons wat kabaal maken met hun claxons, beginnen ze te zagen. En als mijn rakkers wat staan te springen en meezingen met de leden van de spionkop, dan klagen ze ook dat ze niks zien en zijn ze, onterecht, bang dat de 'bazen van boven' hun ganse groep buiten het hek zal zetten.

Gelukkig gebeuren er ook wel eens leuke dingen als ik me onder de mensen begeef. Zoals op tweede Kerstdag, toen ik met mijn gezin een Kerstfeestje bijwoonde. We hadden ons net geïnstalleerd aan een tafeltje, toen iemand zachtjes op mijn arm tikte. Ik keek op en zag een klein meisje staan. Ze zei glimlachend "Dag mijnheer" en wuifde me toe met het handje dat me even voorheen had aangeraakt. Ik beantwoordde haar groet breed glimlachend. Ze huppelde olijk weg. Mijn echtgenote vroeg me of ze een reden had tot ongerustheid. We barstten samen in lachen uit.

Het is eens iets anders, die aandacht van kleine meisjes. Tot voor kort waren het vooral dames van rijpere leeftijd die me aandacht schonken. En ik nam daar genoegen mee. Maar daar is recentelijk dus verandering in gekomen. Zo kreeg ik eind december Kerstkaartjes van twee klasgenootjes van mijn zoons. Omdat ze weten dat ziek zijn niet leuk is en ze hopen dat ik spoedig weer beter word. IJdele hoop, helaas, maar hun gebaar ontroerde me wel. Kindjes van acht, die oog hebben voor het leed van een medemens. Het stemt me hoopvol voor de toekomst.

Ru(sh)di(e), 24 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)

01-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - Onverwacht spectakel

 

Jaren geleden, tijdens mijn tienerjaren, was ik met onder anderen mijn ouders, aanwezig op één of ander dijkfeest in een polderdorpje aan de Schelde. Op de verharde oeverboorden stonden allerlei kraampjes opgesteld en er was een gans evenementenprogramma opgebouwd, met activiteiten op en om het water.

Zo werd er op een gegeven ogenblik ook een luchtaanval geënsceneerd. Een dubbeldek vliegtuigje scheerde rakelings over het water en over onze hoofden. Uit de luidsprekers van het omroepsysteem weerklonk mortiergeratel. De luchtafweer aan de grond reageerde terstond. Er weergalmden enkele kanonschoten doorheen het luidsprekersysteem. Raak! De motor van het vliegtuigje begon te sputteren, viel uit, en de vliegmachine dwarrelde naar beneden, een rookpluim achter zich latend. Iedereen applaudisseerde.

Maar wat gebeurde er nu? De motor werd terug gestart, de dubbeldekker won terug hoogte en kwam even later alweer hevig schietend op ons af. Het luchtafweergeschut deed echter wederom haar werk. Opnieuw raak! Alweer een rookpluim. Applaus! En deze keer kreeg de piloot zijn machine niet meer terug aan de praat en verdween ijlings, in zweefvlucht, uit ons gezichtsveld. De menigte liet een oorverdovend applaus horen. De vijandelijke aanval was afgeslagen. Tot de omroeper van dienst ons door zijn microfoon meedeelde dat het vliegtuigje even verderop - ongewild - écht was neergestort. Hij meldde ook dat de piloot gelukkig ongedeerd was en verzocht de menigte kalm en ter plaatse te blijven.

Dat zag je van hier. Vlakbij een ramp gebeurd en het klootjesvolk zou niet gaan kijken? Dus terstond repte de helft van de aanwezige mensenmassa zich in de richting van waar men dacht dat de piloot had geprobeerd met zijn vliegtuigje een noodlanding te maken. Ineens was er op de Scheldedijk plaats te over.

Toen we ons een uur of twee later in de richting van mijn vaders' auto verplaatsten om huiswaarts te rijden, passeerden we voorbij het rampgebied. Uiteindelijk viel alles nog best mee. Naar men zei was de piloot er met enkele schrammen en de schrik vanaf gekomen. Zijn vliegtuig, dat in een bietenveld was terechtgekomen, en bij die landing over kop was gegaan, had zo te zien niet echt veel schade opgelopen. De dubbeldekker die daar ondersteboven in het lover lag, was in elk geval een ongeplande extra attractie voor de bezoekers aan de feestnamiddag.

Ja, op publieksevenementen kan je al eens op een extra onverwacht en onvoorzien spektakel worden getrakteerd. Zo heb ik ook eens iets meegemaakt tijdens een waterskishow. Ik zat, tussen de andere toeschouwers, op de oever van - alweer - de Schelde en volgde de wedstrijden die daar werden gestreden. Telkens 'rondes' waarbij de boten, en de personen die er achter hingen, meermaals voorbij onze neus passeerden. In elke boot zat één piloot en één copiloot. Deze laatste zat, zoals dat steeds gebeurt, met zijn gezicht naar de skiër gericht, zodat hij deze laatste zijn instructies kon zien en doorzeggen aan de bestuurder van de boot.

In een bepaalde reeks werden twee van de skiërs getrokken door speedboten die meer weg hadden van raceboten: smalle, lange motorboten, met een scherpe voorsteven. Onmiddellijk werd duidelijk dat de concurrentie niet op kon tegen hen. Die twee namen al vlug, mét voorsprong, de leiding. Het werd een nek aan nek race, tegen hoge snelheid. De waterskiërs konden zich nauwelijks op hun skilat rechthouden. Toen ze, in de laatste ronde, in de rush naar de eindmeet, weer op volle snelheid aankwamen, gebeurde er iets.

De speedboot die het dichtst tegen de oever vaarde waar wij zaten, schoot plots loodrecht hemelwaarts. De voorsteven, die reeds de ganse wedstrijd stevig boven de waterspiegel uitstak, ging nu helemaal de lucht in, en de ganse romp en zelfs de achtersteven volgde. De piloten vlogen door de lucht en belanden vervolgens in het water. Dank zij hun reddingsvesten bleven zij boven drijven.

Ook de boot kwam terug in het water. En zonk. De achterkant eerst, en toen snel de rest, tot ook de spitse voorkant onder water verdween. De speedbootpiloten en de waterskiër keken de zinkende boot en elkaar verbouwereerd en hulpeloos aan. Later die dag hebben ze die boot uit het water kunnen trekken met behulp van het touw waarmee de skiër aan de boot had gehangen en dat hij ook na het incident niet had losgelaten.

Elke mens is in zijn leven wel getuige van een hele resem speciale, al dan niet spectaculaire gebeurtenissen. Spektakel voor hen die er op toezien, leed voor diegenen die het overkomt. Toen ik nog in de lagere school zat is er ooit eens een bestelwagen, volgeladen met jute, afgebrand, voor een huis, twee huizen verwijderd van het onze. Toen de chauffeur zijn truck tot stilstand had gebracht nadat één van onze buren hem daartoe had gedwongen, stond de lading reeds in lichterlaaie. Het spuiten met de brandblusser uit zijn camion kon dan ook de brand niet stoppen. De man kon gelukkig nog wel de aanhangwagen loskoppelen van zijn trekker en zodoende deze laatste vrijwaren van schade.

Jezus! Wat een massa mensen kwam er die avond naar de uitbrandende laadbak kijken. Uit nieuwsgierigheid en sensatiezucht allicht. En ik durfde het niet zeggen, maar was ontzettend bang dat die brand zou uitslaan naar de stal van onze buren, zo naar zijn woning en vandaar naar de onze, want de wind zat wel zo. Gelukkig zijn we van dergelijk onheil gespaard gebleven. De spuitgasten moesten wel nog tot een stuk in de nacht nablussen om alle vuur gedoofd te houden.

Later heb ik gehoord dat het vuur zou zijn ontstaan door een sigarettenpeuk die de truckchauffeur achteloos door het opengedraaid portiervenstertje van zijn trekker zou hebben gegooid. Die onachtzaamheid zorgde er voor dat wij, kinderen uit de buurt, vele jaren later nog steeds zongen: "'ATRAMEF' is afgebrand!" En ik me daardoor, een paar decennia later, nog steeds de naam van het gedupeerde bedrijf herinner.

Een andere keer dat ik met vuur en met de brandweer in aanraking kwam, was op een, ik meen mij te herinneren, oudejaarsavond. Mijn vader had die ochtend onze houtkachel aangestoken. Deels als bijverwarming, maar vooral voor de gezelligheid. Toen ik 's namiddags in mijn kamer zat, ontwaarde ik buiten een dichte mist. Raar. Was die nu ineens, midden in de namiddag, opgekomen? Ik opende mijn kamervenster en wist aan de geur meteen dat dit géén mist, maar rook was. Hier was ongetwijfeld iets niet pluis!

Ik snelde naar onze woonkamer. Ook die was compleet gevuld met rook. Ik opende meteen de deur naar de inkomhal en daarna ook de buitendeur. Ik holde buiten, tot op enige afstand van mijn ouderlijke woonst, zodat ik de schouw kon zien. Ook daar kwam rook uit. Dus liep ik snel terug ons huis in. Ik opende de deurtjes van het houtvuur, bekeek het hout dat er in brandde, nam een pook, duwde de houtblokken uit elkaar en doofde het vuur. Vervolgens nam ik de nog smeulende blokken hout met beide handen vast en droeg ze rennend één na één naar buiten en gooide ze daar in de rijweg. De hitte aan mijn handen was tijdens deze klus bijna ondraaglijk, maar wonderlijk genoeg raakten ze toch niet verbrand. Tegen de tijd dat mijn huisgenoten de living binnen kwamen was de meeste rook reeds opgetrokken.

Tegen 's avonds riskeerde mijn vader het toch maar weer om het vuur aan te steken. Alle gasten waren reeds gearriveerd, toen het probleem van in de namiddag zich herhaalde. Maar nu kwamen er ook vlammen uit de schouw. En het branden stopte niet toen we het houtvuur doofden. Met vochtige doeken trachtten mijn ouders de schouwpijp die door hun zolder loopt, af te koelen, maar dat lukte niet. Mijn vader betrouwde het zaakje niet en zond me naar de overburen om de brandweer te bellen, want wij hadden toen zelf nog geen telefoonaansluiting.

Van aan haar hek riep ik onze naar buiten gesnelde buurvrouw toe de pompiers te bellen. Toen ik terug de straat wou oversteken, stelde ik vast dat het autoverkeer in deze dubbele bocht, waarin mijn ouderlijke woonst is gelegen, volledig in de knoop zat. Enerzijds door automobilisten die gestopt waren om te vragen of ze hulp konden bieden en anderzijds door vele anderen, die enkel halt hielden om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Om enige orde te scheppen in deze chaos en ongevallen te vermijden, begon ik dan maar het verkeer te regelen.

Toen even later de brandweer arriveerde met twee grote bluswagens, was daar nog meer nood aan, dus ik deed maar verder. Eens ik de combi van de politie zag toekomen dacht ik dat mijn taak er op zat. Die mannen plaatsten hun camionette achter één van die brandweerwagens, stapten allebei uit en gingen ons huis binnen, terwijl ze mij hun werk lieten verder doen.

Ook ik wou echter wel eens zien wat daar binnen aan de hand was en wat die spuitgasten allemaal deden. Dus liet ik het verkeer in onze straat voor wat het was en liep naar ons huis. De brandweer had ons houtvuur losgekoppeld van de schouw en het branden van de schouw gestopt door met een natte jutezak de schouw af te dichten. De schade was beperkt en we konden, met enige vertraging, alsnog dineren en de overgang van oud naar nieuw vieren zoals gepland.

Ru(sh)di(e), 30 augustus 2004 (revisie op 28 april 2009)

30-04-09

Rudi's ontboezemingen - Flauwe plezanterik

 

Van de nood een deugd makend, durf ik de mensen die beroepsmatig bij me over de vloer komen voor mijn thuisverpleging, al eens in het ootje te nemen.

Hoe goed die mensen het immers ook menen, zij zijn een noodzakelijk kwaad, of misschien eerder een noodzakelijk 'goed'. Wat ik wil duidelijk maken is dat zij hier enkel over de vloer komen omdat hun hulp voor mij onontbeerlijk is. Met andere woorden: ik zou ze liever niet hebben, maar ik kan niet zonder ze. Dus maak ik er het beste van, voor hen, en voor mezelf.

Eigenlijk ben ik daar reeds mee begonnen tijdens mijn maandenlange revalidatie in het uz. Ook daar nam ik reeds nu en dan de verzorgenden in het ootje. Enorm veel plezier heb ik beleefd aan het volgende. In het revalidatiecentrum had ik het grootste gedeelte van mijn verblijf een kamer aan de straatzijde. Een straat die zich binnen het universiteitsterrein bevond, met aan de zijkant parkeerplaatsen voor auto's en ter hoogte van mijn kamer ook een fietsenrek. Tussen het gebouw en de weg, was er een strook groen, met een wandelpad en enkele bloemenperkjes.

Op een zeker moment begon men daar, vlak voor mijn vensterraam, een stenen muurtje te metsen. Ik liet hier en daar horen dat ik geruchten had opgevangen dat ze daar een vijvertje van gingen maken. Het nieuws verspreide zich als een lopend vuurtje. Op een ochtend kwam er een, al wat oudere kinesist mijn kamer binnen, keek door mijn raam naar buiten, en zei me: "Ik heb daarnet gehoord dat ze daar een vijver aan het maken zijn. Zijn ze nu helemaal op hun kop gevallen? Met al die personen met lichamelijke beperkingen en sommigen met hersenletsels, is dat vragen om moeilijkheden!" Ik knikte met een ernstige blik en beaamde zijn woorden.

Er werd de volgende dagen en weken nog duchtig geredetwist omtrent de vijver. Tot op het moment dat de bak werd ... volgestampt met teelaarde en de eerste bloembollen erin werden geplant.  Toen die kinesist van in mijn kamer de werkzaamheden kwam bezien, zei hij verwondert:  "Hé!" ze gaan daar precies een bloembak van maken?!" Ik antwoordde hem:  "Ja natuurlijk, dat heb ik altijd al geweten!"

Flauwe, droge grappen die ik maak zijn bijvoorbeeld, als een verpleegster me 's avonds, na het uitkleden en in bed stoppen vraagt: "Mogen die trui en die broek gewassen worden?" Dan antwoord ik: "Jazeker, maar breng die kledingstukken dan wel ten laatste overmorgen terug mee. En dan liefst ook gestreken en opgevouwd."

Na de mobilisatie van mijn ledematen vroeg mijn kinesiste of ze nog iets voor me kon doen. "Wel ja" zei ik, "Nu je het toch vraagt. Als je voor mij de vaat kan doen en me daarna kan helpen met onze strijk. En mocht je na het verrichten van die taken nog tijd en goesting hebben, zou ik het ten zeerste appreciëren als je de living zou dweilen, want ik heb via de banden van mijn rolstoel nogal wat zand mee naar binnen gebracht." Ze lachte schamper, want dat soort hulp had ze met haar vraag uiteraard niet bedoeld.

Toen ik nog gebruik maakte van de thuisverplegingsdienst van mijn mutualiteit, was er op een gegeven moment eens een jong meisje, pas afgestudeerd en net startend in de thuisverpleging, dat er voor moest instaan om mij 's avonds in bed te leggen. Voor mij meteen een mooie gelegenheid om een grap uit te halen. Het moet, als ik het me goed herinner, die dag de vierde of vijfde keer zijn geweest dat ze bij me langs kwam. Na me op mijn zij gerold te hebben als lig positie voor de nacht, verzocht ik haar mijn bed niet meer opnieuw tegen de muur aan te rollen, maar naar het midden van de kamer, de driezit zetel van ons salonmeubilair naar de vrijgekomen plaats te verschuiven en vervolgens mijn bed te positioneren op de plaats waar voorheen de sofa stond. Naarmate mijn uitleg vorderde was de mond van dat meisje alsmaar verder open gevallen. Ze keek me bovendien aan met zo een verbaasde, vragende blik van: meent die dat nou? Uiteraard niet dus. Ik zei: "grapje!", waarop dat kind gerustgesteld glimlachte. En sindsdien steeds op haar hoede was als ik iets zei.

Dit jaar heb ik ook een geslaagde '1 april' grap uitgehaald met de persoon die aan het hoofd staat van het team van zelfstandige verpleegkundigen, waarop ik sinds eind 2002, en heden nog steeds, beroep doe voor mijn dagelijkse persoonlijke verzorging. Zij had op deze verzendertjesdag vrijaf, maar toch belde ik haar even voor acht uur op.

Quasi in paniek, meldde ik haar met een nerveuze stem dat mijn kinderen al klaar stonden om naar school te gaan, terwijl ik nog ongewassen in bed lag. Haar collega, die werd verondersteld om zeven uur bij me te zijn, was immers nog steeds niet komen opdagen.

Mijn verpleegster klonk hoorbaar verveeld met de situatie en zei onmiddellijk de andere verpleegster te zullen bellen en dan meteen ook weer mij, om me te informeren over wat er aan de hand was. En wat er ging gebeuren.

Luttele seconden later rinkelde de gsm van de verpleegster die me net had gewassen, aangekleed en in mijn rolstoel gezet. Ze stond te gniffelen, maar nam niet op. Een minuut later was het mijn mobieltje dat lawaai maakte. "Ja, sorry hoor, maar ik kan haar niet bereiken." klonk het in mijn oor, "dus zal ik maar onmiddellijk zelf komen!" Waarop ik zei: "Oké, dat is goed. Maar wil je dan eerst even bij de viswinkel passeren om iets voor me mee te brengen?"

Zonder enig spoor van argwaan in haar stem, vroeg ze: "En wat dan wel?" Terwijl haar collega, naast me, met haar vlakke hand op de mond, stond dubbel gevouwen van ingehouden pret,  spelde ik, met een nog steeds ernstige, vaste stem: "A P R I L vis!"

Nu had de gefopte dame het door, want ze begon hartelijk te lachen en zei: "Ik nam dit jaar speciaal deze dag vrij om niet verzonden te worden, en nu heb ik het potverdorie toch weer aan mijn been!"

Tja, die malafide chirurg mag dan wel mijn lichaam om zeep hebben geholpen, mijn boosaardige geest is compleet intact gebleven.

De Mefisto voor de thuiszorg,

Ru(sh)di(e), 15 juni 2004 (revisie op 26 april 2009)

29-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Heel goede en erg kwade dagen

 

Enkele dagen geleden gaf een veehoudster uit de buurt me haar telefoonnummer, met de melding dat ik maar moet bellen mocht ik ooit in panne staan en niet thuis geraken. Zij of haar man zullen me dan komen halen met hun bestelwagen. Een aardige geste.

Gelukkig ben ik de laatste tijd verstoken gebleven van defecten aan mijn rolstoel. Het ding is wel nog steeds niet geheel hersteld na die aanrijding in maart vorig jaar, maar ik kan me behelpen voor mijn dagelijkse activiteiten.

Zo heb ik me weer tien dagen in het feestgewoel gestort in Lokeren, op heden nog steeds mijn woonplaats. Géén nachtenlange zwalppartijen dit jaar. Neen, de jongens gingen meestal mee en dus keerden we steeds op een deftig uur huiswaarts. 'k Heb overigens ook een verpleegster die me 's avonds in bed legt, dus ook zij bepaalde eigenlijk mede het uur waarop ik thuis moest zijn.

Als je je dan zo dikwijls midden zo veel mensen bevindt, gebeurt er af te toe wel eens iets. En soms is dat iets grappigs. Zoals bijvoorbeeld op die dag dat ik me, met in mijn kielzog mijn kroost, doorheen de menigte op de kermis bewoog, als steeds trachtend niemand aan te rijden met mijn vehikel.

Op een zeker moment was er daar een gans gezin dat nog net voor mij van de ene kant van de doorgang naar de andere wou crossen. Dus stopte ik om hen door te laten. Luttele seconden later stonden ze allemaal links van mij. Behalve één jongen, die rechts van me bleef staan. Zijn ouders riepen hem toe en deden teken dat ook hij hun kant moest opkomen. Die jongen antwoordde iets, maar zijn woorden werden overstemt door de geluiden van de kermis.

Inmiddels bleef ik geduldig staan. Die vader daarentegen werd ongeduldig en kwam zijn zoon halen, onderwijl nerveus vragend waarom hij niet met de rest was meegekomen. Het ventje wees met beide handen naar beneden en opende tevens zijn mond om iets te zeggen. De handgebaren lieten het me reeds vermoeden en nu hoorde ik ook wat hij zei: hij kon zich niet verplaatsen want ik stond met mijn voorwiel op zijn linkervoet.

Ik reed een klein beetje vooruit zodat die jongen zijn vrijheid terugkreeg. Hij lachte schaapachtig, deed een stap opzij, en ging naar zijn ouders, broer en zus toe die hem verbijsterd aankeken. Allicht vroegen die zich af  hoe het kwam dat die jongen géén pijn had.

Het is inderdaad zo dat stappers het nauwelijks voelen als ik met mijn 200 kilogram over hun voeten rij of er op ga staan. Zelfs kindjes niet. Dat zal allicht wel te maken hebben met de verdeling van het gewicht over de vier wielen en het feit dat ik met luchtbanden rij.

Schoon vrouwvolk dat daar trouwens in de ganse feestzone flaneerde. Niet te doen. Luchtig gekleed bovendien, gezien het zwoele weer. En wij, rolstoelers, zitten op een bevoorrechte hoogte om, zonder dat het opvalt, al die fraai gevormde derrières te bewonderen.

De Reggae avond was een topper. Er was veel volk op de been en het was derhalve niet zo eenvoudig een plekje voor het podium te vinden. Ik stond daar op enige afstand van de dranghekkens, met een vrij goed zicht op hetgeen zich op het podium afspeelde. Kwam daar toch wel een griet vlak voor me staan zéker! Een knap Hollands blondje weliswaar. Vanaf dan zag ik van die gasten op het podium niks meer, maar daarentegen, welbeschouwd als niet onaardig alternatief, een schoonheid die haar mooie ranke lichaam van alle kanten aan me etaleerde. Ja, het was de moeite, al had ze wel wat meer vlees op haar heupen en bibs mogen hebben. Perfectie is echter niet van deze wereld. Oh ja, en de muziek die het Gentse JAMAN ondertussen ten gehore bracht mocht er ook best wezen, alhoewel veel nummers leken op een doorslagje van elkaar.

Tussen bezoekjes aan de kermis op de markt, de Fonne-, de Lokerse en nog iets met een andere naam Feesten, organiseerde ik ook nog een uitje naar het alternatieve Nederlandse theaterpark ''t land van Ooit'. Best leuk. Dat park pakt graag uit met zijn toegankelijkheid en speciale aandacht voor mensen met een beperking, maar daar heb ik helaas bitter weinig van gemerkt. Twee voorstellingen hebben we bijgewoond: eentje in de arena en één in de manege, en telkens moest ik in de doorgang zitten, dus voor de tribune waarop al het andere volk zat, zo ook mijn gezelschap, en niet tussen hen in, zoals ik prefereer. Bij het binnen rijden in de manege werd me trouwens op het hart gedrukt mijn stoel niet te schuin te plaatsen, teneinde de andere bezoekers niet te veel te hinderen.

Ik had graag met een positieve noot willen eindigen, kwestie van de balans een beetje in evenwicht te houden, maar dat wordt moeilijk. De lift van dat busje waarmee ik naar Ooit werd gevoerd, werkte bij thuiskomst niet meer, van het slotvuurwerk van de Lokerse Feesten heb ik nauwelijks iets gezien, door de warmte laat mijn stem het al een tweetal weken afweten, één van mijn hoorapparaatjes is stuk en zo gaat er de laatste tijd nog wel één en ander mis.

Dan maar iets van op de Gentse Feesten, eind vorige maand, toen het onheil allicht reeds in de lucht hing, maar nog niet was neergedaald. Mijn echtgenote en ik waren daar de nacht van die hevige wolkbreuk. We schuilden eerst onder de tuinparasols voor en vervolgens in het overdekt terras van een eethuis, waar we een drankje bestelden. De serveuse plaatste de kop warme, dampende thee voor mijn neus, terwijl mijn wederhelft mijn glas witte wijn kreeg geserveerd. Ik zei haar: "Je ziet alweer wie hier als dronkaard wordt aanzien." De dienster hoorde dat, draaide zich weer om, en zei: "Oh, was ik verkeerd?" En terwijl dat meisje de drankjes wisselde liet ze er, quasi ernstig, op volgen: "Maar u zou niet mogen drinken, mijnheer, u moet immers nog rijden!" Waarop we alledrie in lachen uitbarstten.

Ru(sh)di(e), 12 augustus 2004 (revisie op 26 april 2009)

28-04-09

Rudi's ontboezemingen - Nog enkele

 

Tijdens de wekelijkse marktdag in mijn woonplaats zijn er bijna altijd wel één of twee bedelaars actief. Eén van hen is een kreupele, naar ik denk, Oost-Europeaan, de andere is een nog vrij jonge hippie met een hond. Beiden hebben een schaaltje, waarin je als passant verondersteld wordt wat geld te gooien. En aangezien er in deze stad behoorlijk veel moslims wonen, die met het geven van een aalmoes aan de minstbedeelden hun verplichte goede daad verrichten, heb ik met eigen ogen kunnen vaststellen dat die schaaltjes telkenmale goed gevuld raken.

Als gevolg hiervan is me reeds meermaals de zin bekropen ook eens ergens, waar men mij niet kent, op een markt te gaan staan met een schaaltje, om op die manier ons gezinsinkomen wat te verhogen. Het is er echter nog nooit van gekomen.

Enkele weken geleden reed ik, vergezeld van een assistente, naar het centrum van mijn woonplaats. In de ontoegankelijke apotheek diende iets afgehaald te worden. Ik zond mijn assistente naar binnen en ging zelf, wat verder op het plein, in het zonnetje zitten, mijn gezicht naar de winkels gericht. Op zeker moment kwam een vrouw uit de kruidenierswinkel. Ze zag me staan en kwam recht op me af. Ze liet haar arm met samengeknepen vingers over mijn lichaam zweven. Het duurde even voor ik in de gaten had dat die dame op zoek was naar mijn (bedel)schaaltje, om het wisselgeld in te deponeren, dat men haar in de winkel had gegeven. 50 Eurocent! Daarvoor doe ik nog niet eens de moeite om de verkrampte vingers van mijn hand te strekken. Het vrouwmens zag haar vergissing in, vroeg of ik hulp nodig had en verdween stilzwijgend toen ik daar negatief op antwoordde.

Dat is trouwens ook iets dat ik heb moeten ervaren en gewoon worden sinds ik aan een rolstoel ben gekluisterd: dat men denkt dat mensen in een rolstoel (steeds en alleen) hulp nodig hebben. We staan daar met vijf personen bij elkaar. Er komt iemand aan die ons allen kent. Die groet de andere vier en aan mij, de rolstoeler, vraagt hij of zij of ik hulp nodig heb. Ze hebben geluk dat ik geen Palestijns terrorist ben, want op zo een momenten heb ik de bijna onweerstaanbare drang om (mij) te (laten) ontploffen.

Oh ja hoor, die mensen bedoelen het goed, maar wij zijn telkens de pineut. Ontelbaar zijn de keren dat ik me publiekelijk eens voorover boog om mijn bilspieren te ontspannen en mijn rug een beetje vrijheid te geven, waarop er binnen de kortste tijd een groepje mensen rond me stond die unaniem dachten dat ik onpasselijk was geworden. En moeite dat ik had om hen van het tegendeel te overtuigen. Eén keer stond men zelfs met de GSM in de aanslag, op het punt de dienst 100 te bellen! Nu zoek ik meestal een verlaten plekje op als ik even voorover wil liggen En dankzij mijn heupgordel kan ik toch niet uit mijn rolstoel vallen.

Ru(sh)di(e), 27 mei 2004 (revisie op 26 april 2009)

21-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Opschudding op ons adres!

  

Wij huizen in de linkerzijde van een dubbelwoonst. In het rechter gedeelte van het gebouw was vroeger mijn handelszaak gevestigd. Met op de bovenverdieping en op de zolder de burelen en op het gelijkvloers achteraan een werkplaats en vooraan een kleine winkel, met een aparte buitendeur en ook een deur die uitkomt in de inkomhal van het woongedeelte.

Die zaterdagnamiddag stond ik achteraan in de winkel uitleg te verschaffen aan een klant, toen ik een sirene hoorde. Terwijl ik verder praatte met de klant, keek ik door het etalageraam naar buiten. Even later zag ik op straat een politieauto verschijnen met het blauwe zwaailicht aan. En het voertuig kwam onze parking opgereden! Ik vreesde onmiddellijk dat er iets aan de hand was met mijn echtgenote of één van onze kinderen, die toen een jaar of twee oud waren. Ik wou naar de verbindingsdeur snellen, maar er stonden nogal wat klanten in de zaak en mijn medewerker stond net in die hoek een volledig computersysteem in de dozen te stoppen, nadat hij, zoals bij onze service hoorde, die mensen een bondige uitleg had gegeven over de werking van hun apparatuur.

Dus excuseerde ik me bij mijn klanten en liep ik via de achterdeur langs onze tuin naar de achterdeur van het huisdeel waar we wonen en holde via de veranda en daarna de keuken, de living binnen. Mijn kindjes zaten te spelen. Oef! Met hen was er alvast niks aan de hand. Maar waar was hun mama? Achteraf bleek dat zij middelerwijl via de verbindingsdeur in de winkel naar mij op zoek was gegaan omdat ze dacht dat er bij mij in de zaak iets was gebeurd. We troffen elkaar uiteindelijk aan in de inkomhal van onze woning, waar mijn echtgenote net de voordeur opende. Er stonden twee politieagenten. Eén van hen zei dat ze naar ons adres waren gestuurd omdat er bij de alarmcentrale een telefonische oproep was binnengekomen, afkomstig vanuit ons huis.

Mijn eega en ik keken elkaar vragend aan. De dienaar van de wet, die ons twee allicht uit de lucht zag vallen, vroeg of we kinderen hadden. We knikten allebei bevestigend en zeiden een tweeling te hebben van twee. Daarop openden we de deur naar de living. We keken de ruimte in. De telefoon stond op zijn gewone plaats. Met de hoorn netjes op de haak. En op mijn vraag of zij met de telefoon hadden gespeeld, schudden mijn kindjes uiteraard ontkennend het hoofd.

En toch moet één van onze jongens van een onoplettendheid van zijn mama hebben geprofiteerd om met de telefoon te spelen en, aangezien geen enkel nummer is voorgeprogrammeerd, puur toevallig het telefoonnummer van de hulpdiensten hebben ingetoetst.

We keerden terug naar de wachtende politiemannen in onze inkomhal en verontschuldigden ons voor de valse oproep. De agent zei glimlachend dat dit wel vaker voorkomt, waarna hij en zijn collega ons nog vriendelijk gedag zegden en teruggingen naar hun dienstwagen. En ik me terug naar de wachtende klanten in mijn winkel haastte.

Een dag later is die agent nog eens terug gekomen om mijn identiteitsgegevens te noteren ten behoeve van zijn verslag. Op mijn vraag of het voorval van de dag voordien nog een staartje zou krijgen antwoordde hij negatief. Zolang dit maar eenmalig bleef, zouden wij daar niks meer van horen.

En voorlopig houden mijn zoontjes zich nog steeds gedeinsd.

Ru(sh)di(e), 6 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

16-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Nog steeds niet ten einde

 

Een week of twee geleden was het ontzettend warm weer. Zeker voor de tijd van het jaar. Bijna zomers, terwijl de lente nog maar net een aanvang had genomen. Ik had een, vorig jaar voor een prikje in de kringloopwinkel aangekocht, bed laten buiten zetten. Mijn vrouw was zo lief geweest me van mijn stoel naar dat bed te transfereren, mijn schoenen en sokken uit te trekken, en ook mijn pantalon. Genietend van de spierontspannende warme zonnestralen die mijn huid beroerden, lag ik daar, in mijn onderbroek. En dat knoopje van mijn spriet was er af, dus ze stond wat open. Maar ik zat daar niet mee in, want ik dacht immers: "hier komt toch geen kat." Vijf minuten later stonden daar echter een politieagent en een -agente aan mijn voeteinde. Die kwamen mijn verklaring opnemen met betrekking tot de aanrijding door een vrachtwagen van een week tevoren.

Gisteren, vrijdag, was het een heel stuk minder warm. Bovendien waaide er een bitse wind. Gelukkig bleef het droog. In de ochtend had ik mijn kinderen naar school gebracht en in de namiddag ging ik ze ook weer halen, na eerst naar het centrum van mijn woonplaats te zijn gereden om wat boodschappen te doen. Ik ben immers weer een stuk mobieler geworden. Mijn rolstoelleverancier heeft me een wielending ter beschikking gesteld van een nagenoeg identiek type als mijn eigen rolkar. Evenwel niet aangepast aan de noden die mijn handicap met zich meebrengt uiteraard. Dus het zitcomfort is alles behalve goed, maar ik kan me momenteel toch weer een stukje zelfstandiger voortbewegen.

Eigenlijk vind ik het toch wel erg dat ik in deze situatie totaal ben overgeleverd aan de goede wil van mijn rolstoelleverancier. Uiteraard zullen die mensen iets verdienen aan de herstelling van mijn rolstoel, maar ze hadden me net zo goed in de kou kunnen laten staan, want hun zaak zal allicht ook wel draaien zonder mij als klant. Ik zal me dus maar gelukkig prijzen dat de hersteller, nota bene toch ook een commerciële handelszaak, als enige betrokken partij toch enige menselijkheid toont. Bij de verzekeringsmaatschappijen en bij het gerecht wordt de humane factor klaarblijkelijk sowieso volledig uitgeschakeld. Oh, mijn makelaar doet zijn uiterste best voor een snelle voortgang, maar die man kan duidelijk ook niks forceren in dat onwelwillend, bureaucratisch systeem.

Goed nieuws! Voor mij althans in elk geval. Vrijdagochtend belde ik het plaatselijke OCMW naar aanleiding van de tijding die me bereikt had dat zij sinds kort zouden beschikken over een vervoermiddel voor rolstoelers. Nauwelijks een half uur later kwam hun busje reeds de voor onze woning gelegen parking opgereden. Een prachtig vehikel: ruim, met een goede (ik vermoed dubbele) vering, voorzien van een stevige, veilige lift en van een deugdelijk vastkliksysteem. Het voertuig rijdt soepel en de bestuurster is een sympathieke, praatgrage dame. Ik was haar eerste, en voorlopig ook enige klant. Ondanks het feit dat ze reeds her en der folders hadden verspreid om deze nieuwe dienst aan te prijzen, waren er nog geen ritaanvragen binnen gekomen. Het ziet er dus naar uit dat mijn mobiliteitsprobleem deels wordt verminderd. En de chauffeur gaf aan heel flexibel te zijn: avond, weekend, grote afstanden (naar de kust bijvoorbeeld)... alles is mogelijk. Voorlopig althans.

Na de avondmaaltijd werden onze kinderen afgehaald door hun meter, bij wie ze zouden overnachten. En aangezien wij voor die avond plaatsen hadden gereserveerd voor een concert in het Cultureel Centrum, verlieten ook mijn echtgenote en ikzelf even later ons huis. Mijn vrouw per auto, ik - noodgedwongen - rolstoelend. En, net zoals in de voormiddag, met aanhoudend van spasmes trillende benen en voeten. Normaliter heb ik daar niet zoveel last van, maar de vochtige lucht, en vooral de totaal verkeerde zithouding veroorzaakten dat nu. Gelukkig had ik me goed aan mijn stoel laten vastmaken met een nauwsluitende heupgordel0. Anders was ik ongetwijfeld reeds na vijf minuten uit mijn stoel gewipt.

Onderweg werd ik aangesproken door een allochtone jongen. Hij trachtte me een lotje voor één of andere tombola te verkopen, maar ik moest hem spijtig genoeg teleurstellen, want ik had totaal géén geld bij me. Dat vind ik nu zo leuk aan, vooral zeer jonge,  kinderen. Jong, oud, mooi of lelijk: die zien gewoon een mens en die gedragen zich tegenover iemand in een rolstoel ook niet anders dan ten overstaan van een valide persoon. Een oudere autochtone man,  die waarschijnlijk even daarvoor zijn geldbeugel had aangesproken om een lotje van het ventje te kopen, lachte me vanuit zijn deuropening toe en zei: "Ja, hij wil persé verkopen!".

Met onafgebroken op de voetplankjes van mijn rolstoel opwippende voeten, onderbenen en knieën zat ik even later aan de ingang van het Cultureel Centrum, gelegen achter de hoofdkerk van onze woonplaats, te wachten op mijn echtgenote. Vele passanten zullen hierdoor allicht bevestigd hebben gezien dat mensen in een rolstoel zich toch maar raar gedragen. En toen ik even later in de zaal mijn stekje aan de zijkant van de publiekszitjes had ingenomen en de artiest waarvoor we gekomen waren vooraan op het podium stond, zag ik hem tevreden mijn richting uitkijken. Die dacht waarschijnlijk: "Ha, die kerel heeft er wel zin in vanavond. Die zit al te huppelen nog vooraleer ik mijn eerste noot zing."

Zijn begeleidingsgroep heet Bamada, terwijl de man zelf Habib Koité noemt. We hebben trouwens wat gemeen, hij en ik. Niemand leerde Habib ooit gitaar spelen. Mij ook niet. Niemand leerde hem ooit zingen. Mij ook niet. Maar daar stopt de gelijkenis, want hij kan het nu wél. En goed! Ik niet. Ze zijn allen afkomstig uit Mali, een Afrikaans land, dat onze West-Europese ooievaars wel eens als overwinteringoord durven uit te kiezen. En die artiesten brachten wereldmuziek ten gehore. Niet echt mijn ding, maar voor één keer was het best te smaken.

Na enige nummers verlieten enkele toeschouwers, en even later nog een pak meer, hun zitje om voor het podium, hun lichaam te bewegen op de tonen van de muziek. Blijkbaar hoort bij dit muziekgenre tegenwoordig een zeer lachverwekende dansstijl. Mogelijks is dat altijd zo geweest, maar ben ik gewoon reeds te lang uit het festivalcircuit om mij dit te herinneren. Maar die mensen amuseerden zich en bij het aanschouwen van vrolijke mensen wordt mijn stemming doorgaans eveneens goed. Zo ook gisteren. Het kan natuurlijk ook jaloezie geweest zijn waardoor ik hun konkelend bewegen als uiterst komisch ervoer, want ik had best ook graag tussen hen in onnozel staan doen. Maar dat 'staan' 'gaat' (!) spijtig genoeg niet meer.

En ik zou bovendien zeker niet uit de toon zijn gevallen tussen die, nou ja, ik noem het toch maar, dansende meute. Net zoals een hoop van hen, heb ik een beetje, sommigen zeggen héél veel, het uiterlijk van een overjarige hippie. Enkel het ziekenfondsbrilletje ontbreekt. Nochtans heb ik er thuis zo ééntje liggen. Een zonnebril, is het eigenlijk, met van die gekleurde glazen. Een onderdeel van mijn outfit ten tijde van de New Beat. Het ding laat géén zonlicht door. Eigenlijk vrijwel totaal geen licht. En is bijgevolg niet echt aangewezen om op mijn neus te zetten als ik buiten kom.

Het ganse optreden van Habib Koité & Bamada verliep naar mijn zin een beetje te mat en te eentonig, maar er was wel enorm veel ambiance. En aan het eind van het concert kreeg Habin Koité zelfs de ganse zaal in beweging. Het publiek stond recht en bewoog handen, armen, schouders, romp, benen en voeten zoals de artiest op het podium het hen voordeed. En er werden kreten geslaakt, en enorm veel gelachen. Prachtig om te aanschouwen: allemaal vrolijke, wild bewegende mensen. Werkelijk iedereen deed mee. Behalve ik alweer, uiteraard. Want mijn spasmes waren inmiddels gestopt.

Voor volgende week heb ik ook al iets gepland. Dan zullen ze mijn echtgenote en mezelf zien verschijnen op het lentediner van de politieke partij die de stad waarin in woon bestuurt. De eerste minister van dit land wordt er ook verwacht. Concludeer nu niet meteen dat ik kleur beken. Ik ben immers nogal kleurloos wat politiek betreft. Maar dit is mijns inziens een unieke gelegenheid om in contact te komen met de lokale bewindvoerders en zelfs de huidige chef van 't land. Je weet maar nooit waar dat goed voor kan zijn.

Ru(sh)di(e), 5 april 2003 (revisie op 11 april 2009)

08-04-09

De avonturen van Rudi & Co, nog eens een aflevering

 

Heden ochtend ben ik naar de wekelijkse markt geweest. Alleen, want mijn echtgenote lag ziek te bed. Een zware verkoudheid. Inmiddels is het avond en na een dag met veel rust, voelt ze zich alweer een stuk beter.

De zon kon vandaag slechts af en toe doorheen het wolkendek breken. Mijn rondje naar en op de markt was dan ook niet echt aangenaam. Daarom hield ik het er vrij spoedig voor gezien. Echter niet na eerst een warme braadworst in een krokant broodje te bestellen aan de hamburgertent. Eén van de vriendelijke dames die daar de dienst uitmaken nam mijn bestelling in ontvangst en bracht de snack even later netjes ingepakt en in een zakje gestoken tot op mijn schoot. Ik liet haar zelf de verschuldigde som uit mijn geldbeugel halen.

Een goeie minuut later had ik een plaatsje gevonden, weg van de drukte, om mijn etenswaar te verorberen. Terwijl ik met mijn tanden de verpakking van het broodje aan het verwijderen was, kwam een oude allochtone man, die net een winkel had verlaten, op me toegesneld om een handje toe te steken. Toch fijn te merken dat er in deze hedendaagse egocentrische wereld toch nog mensen rondlopen die ook oog hebben voor een ander.

Deze namiddag ben ik, als naar gewoonte, met mijn rakkers naar hun voetbaltraining gereden. Aangezien de toegangsweg naar de kleedkamers vol putten lig, reed ik sinds enige weken naar het gebouw waarin de kleedhokjes zijn ingericht, over het voetbalterrein, via een opening in de balustrade omheen dat grasveld. Bleek vandaag dat ze de opening in die reling hadden gedicht!

Voorheen hebben ze het me ook al knap lastig gemaakt door de slagboom aan de toegangsweg tot het jeugdcomplex van een hangslot te voorzien. Zogezegd omdat anders te veel mensen via deze weg met de auto het terrein opreden. Als gevolg hiervan moest ik wekenlang omrijden om via een andere toegangsweg ter plaatse te geraken. Totdat ik dit kotsbeu was en derhalve mijn assistent met een schop ter plaatse stuurde om naast de slagboom een pad voor me te graven.

Toeval of sabotage? Mag of moet ik met andere woorden uit deze voorvallen concluderen ginds niet echt welkom te zijn?

Gisteren namiddag ben ik, om de tijd te verdrijven, naar een warenhuis gereden, dat gelegen is aan de andere kant van de stad waar ik woon. Het weer was prachtig: continue zonneschijn, een aangename temperatuur en slechts een zachte bries. Een assistent reed per fiets met me mee. Eigenlijk wel stom dat ik een (bezoldigd) persoon met me moet meenemen eigenlijk enkel en alleen omdat ik niet zonder hulp kan plassen.

Er waren reeds bijna drie jaar verlopen sinds mijn laatste bezoek (als stapper) aan deze winkel. De indeling van de zaak bleek vrijwel onveranderd te zijn sinds mijn laatste visite. En ook van de personeelsleden meende ik de meeste te herkennen van vroeger. Omdat ik tijdig aan de schoolpoort moest staan om mijn kinderen na schooltijd huiswaarts te begeleiden, reed ik gehaast de winkelgangen door, liet mijn helper uit de rekken nemen wat ik nodig had en spoedde me naar de kassa's. Daar was het ontzettend rustig. Ik liet mijn assistent de waren op de band leggen en bekeek middelerwijl de covers van de tijdschriften die in een standje aan de kassa stonden opgesteld. De caissière riep me iets toe en wees naar de ruimte waarlangs de klanten normaliter al dan niet een winkelwagentje voor zich uitduwend, haar kassa moesten passeren. Die doorgang was potverdikke te smal voor mijn rolstoel!

De kassierster zei me dat er vooraan in de winkel, aan de eerste kassa, wél een gang was waar ik doorheen kon. Inderdaad, daar hing trouwens een groot blauw bord boven, met een witte rolstoel erop en iets van 'brede doorgang'. Nogal vernederend vind ik dat. Dit betekent ook dat, als ik alleen ben en de eerste kassa niet open is, ik iemand moet aanspreken om hetzij die kassa speciaal voor mij te openen (dream on, man... hahaha), hetzij in mijn plaats de kassa te passeren en af te rekenen. Vaarwel zelfstandigheid!

Maar het kan nog erger. Eén van de eerste zondagen van het nieuwe jaar kregen we het bezoek van een vriendin die als nieuwjaarsgeschenk voor mijn jongens een autobaan had meegebracht. Toen ze véle uren later, mijn instructies volgend, eindelijk dat ding min of meer in elkaar hadden gekregen, zaten we nog met het probleem dat die racebaan batterijen nodig had om die autootjes in beweging te zetten.

Dus reed ik even later met één van mijn jongens richting centrum, om op zoek te gaan naar batterijen. De nachtwinkel waar ik gehoopt had deze spullen te vinden, bleek ook in het weekend pas vanaf 's avonds geopend te zijn. Dan maar koers gezet naar een winkel waar, naast kleding, ook zowat alles wat je in een huishouden kan nodig hebben, wordt verkocht en waarvan ik wist dat hij iedere zondag open was. Ik kon daar sowieso niet binnen en hield dus buiten de wacht terwijl mijn zoontje op zoek ging naar die batterijen.

Terwijl ik geduldig wachtte bekeek ik de etalage van de winkel. Op diverse aanplakbrieven werd duidelijk gemaakt dat handtassen niet echt welkom waren en hoe dan ook aan de kassa dienden geopend te worden. Er stond ook een bord waarop in grote letters geschreven stond: 'Strikt verboden', met daaronder in een iets kleiner lettertype een ganse opsomming. Glimlachend dacht ik: straks staat daar nog tussen: 'voor rolstoelers' . Ik overliep het lijstje. Stond daar potverdorie 'kinderwagens' tussen! Nu kan ik me best voorstellen dat ze in die zaak een probleem hebben met diefstal. Zelf heb ik immers ook jarenlang een winkel gehad en kreeg ik derhalve ook te maken met het fenomeen. Maar als diefstalpreventie kinderwagens uit je zaak weren, gaat me toch wel net iets te ver. Ik twijfel trouwens aan de wettelijkheid van dergelijk verbod.

Oh ja, die batterijen dienden we uiteindelijk te halen in een nachtwinkeltje dat op zon- en feestdagen ook overdag open is en die auto's hebben we, na het overwinnen van nog enige onvolkomenheden in de constructie, dus diezelfde dag nog over de autobaan kunnen laten racen.

Ru(sh)di(e), 26 februari 2003 (revisie op 5 april 2009)

04-04-09

Rudi’s overpeinzingen - Openbaar vervoer

 

De trein. Afgelopen zomer ben ik er nog mee naar de Gentse Feesten geweest. Bij gebrek aan een alternatief vervoermiddel. Maar het blijft toch behelpen hoor, met veel trek- en sleurwerk. Is het al niet omwille van het feit dat ik langs dezelfde kant als deze waarlangs ik de wagon ben binnengereden, ook weer terug naar buiten moet, en dus in die smalle gang gedraaid moet worden, wat gezien de draaicirkel van mijn wielkar, enkel met behulp van derden lukt, dan wel omdat de stationschef bij me aandringt zijn instructies op te volgen, waardoor ik hopeloos kom vast te zitten op de mobiele laadbrug.

En dan moet je in zo een station eens naar het toilet gaan. Eerst aanschuiven in de rij met mensen die een kaartje willen kopen - een enkele reis naar hier, of een retourtje naar ginder - om dan, als het jouw beurt is, te verzoeken om de sleutel van het invalidentoilet. Als de loketbediende niet achterover valt van het verschieten bij die vraag (Gehandicaptentoilet? Sleutel?), valt hij of zij gegarandeerd uit de lucht (Wat vraagt die nu? Hebben wij dat hier?). Je krijgt dus nogal eens te horen: "Wablief?" Dan mag je, opdat ook de persoon die achteraan de rij staat, zou horen dat je naar het toilet moet, je vraag nog eens luid en duidelijk herhalen. Uiteindelijk daagt er dan meestal toch iemand op met de sleutel hoor, maar het vergt enige tijd. Ook leuk als je dringend moet!

De trein. Ik herinner me die keer toen we met een groepje rolstoelers, nog wat andere minder mobielen en een handvol helpers (ik gebruik niet graag de term 'begeleiders') vanuit Gent Sint-Pieters, de trein richting Mechelen wilden nemen. Ondanks het feit dat we hen een dag eerder van onze plannen op de hoogte hadden gebracht en  ruimschoots op tijd in het station arriveerden, waren er toch problemen om ons tijdig op de trein te krijgen. Voornamelijk ten gevolge van het traject dat we dienden te volgen. Bij gebrek aan de nodige voorzieningen dienden we ons immers via de catacomben van het gebouw en de enige nog functionerende dienstlift te verplaatsen, en daarna bovengronds over de spoorbanen, vooraleer we op het juiste perron geraakten, waar inmiddels de te nemen trein stond te wachten.

Terwijl wij, met inbegrip van het nodige gestuntel van de wel bereidwillige, maar voor dit soort klussen totaal ondeskundige arbeiders van 't spoor, in de wagons trachtten te raken, hoorden we door de luidsprekers weergalmen: "De trein naar Mechelen van (het tijdstip ben ik vergeten) heeft enige vertraging wegens het opstappen van tien invaliden met een rolstoel!." Vernederend, niet? Ze hebben verdorie dagelijks vertraging om God weet welke redenen. Wordt dan de oorzaak rondgebazuind? Neen, uiteraard niet.

Leuk hoor, als rolstoelers in groep reizen. In elke wagon een stuk of twee, en ik alleen, en gezien de omvang van mijn gemotoriseerd gevaarte, niet verder gerakend dan het opstapcompartiment. Gelukkig had zich iemand opgeofferd om, gezeten op de vloer, me gezelschap te houden.

De diensten (?) van de Lijn zijn naar verluidt niet veel beter. Zelf heb ik er geen ervaring mee. Ik geraak immers niet in de bus of tram. Er zijn in bepaalde steden wel tramhaltes met een verlaagd opstapplatform, en hier en daar een perron dat op de juiste hoogte ligt,  maar dan moet je wel eerst op dat trottoir geraken! Oeps, sorry, daar heeft men niet aan gedacht!

Enkele rolstoelers en krukkenstappers die ik ken, overkwam het volgende. Na een geslaagde uitstap wilden ze met de tram terugkeren. Gezeten in hun karretje of leunend op hun steunstokken, wachtten ze aan een halte. Reeds vrij spoedig kwam er een tram aan. De schuifdeuren gingen open en de eerste man maakte zich klaar om in te stappen. Terwijl die kerel zich omdraaide om zijn krukken aan een helper te geven, zodat hij zich, vasthoudend aan de deursteunen in het openbaar vervoermiddel zou kunnen hijsen, ging de deur met een gesis alweer dicht. Die chauffeur had de situatie snel overzien, zich gerealiseerd dat dit opstappen wel enige tijd in beslag zou kunnen nemen en dan kennelijk geopteerd dat stelletje, in zijn ogen allicht sukkelaars, te laten staan. Tijdig aan zijn volgende halte geraken primeerde blijkbaar. Je moet maar lef hebben, hé?! Zulk een mensen hebben mijns inziens geen geweten. Men heeft toen overwogen een klacht neer te leggen bij de vervoersmaatschappij, maar ik weet niet of dat ook daadwerkelijk is gebeurd en in bevestigend geval, of daar enige reactie op is gekomen.

Ru(sh)di(e), 16 december 2002 (revisie op 31 maart 2009)

24-03-09

De avonturen van Rudi & Co, het vervolg

 

Het was weer woensdag. Dan is er in de voormiddag een openbare markt in mijn woonplaats, een middelgrote provinciestad in Vlaanderen. Nu ik de thuisverplegingsdienst van mijn ziekenbond aan de deur had gezet, nadat ik een verpleegteam had gevonden dat mij wél op een deftig uur wou komen verzorgen en uit bed halen, kon ik ook eens op een fatsoenlijk uur naar deze markt afzakken. Voornamelijk als verzet, maar toch ook om enige aankopen te doen. Ondermeer verse wortels voor het paard van de Sint. De goede man zou immers, volgens mijn kinderen althans, twee dagen later bij ons langskomen.

De markt dus. Mijn echtgenote ergerde zich alweer enorm aan het voortdurend staren van heel veel mensen. Individuen die me - veelal ongegeneerd - starogend aankeken. Niet om me te groeten, maar gewoon om te zien wie of wat er in dat rollend gevaarte zat. En, ik moet toegeven, die dag was het echt wel enorm. Ook toen ik alleen aan de ingang van het plaatselijk kantoor van een financiële instelling zat te wachten, terwijl mijn wettige wederhelft binnen in het gebouw enkele bankverrichtingen ging uitvoeren, werd ik door de éne na de andere persoon aangegaapt. Mannen, vrouwen, jong, maar vooral oud, allen passeerden de revue. Het kon me niet echt deren. Maar ik wou wel wat afleiding. Dus ik zei, tot één van die personages die maar niet ophield me te bezien, met een zo krachtig mogelijke stem: "Alles in orde, mevrouw?" De vrouwspersoon in kwestie schrok op. Die dacht waarschijnlijk: "Oei, 'het' spreekt." Ze keek me enkel verbaast aan, dus liet ik er, gebruikmakend van het uiterste van mijn beperkte longcapaciteit en stemvolume, op volgen: "Is er iets?" Terwijl ze onderwijl iets nader kwam, zei ze in haar dialect: "Neen, neen."  Waarop ik repliceerde: "Oef! Ik dacht al dat ik iets aanhad van u." Hierop droop die vrouw beschaamd af.

Een dag eerder had één van mijn zoons me ook reeds op de man af gevraagd waarom al die mensen me steeds zo aankijken. Ik antwoordde toen iets in de trant van: "Misschien omdat ze me zulk een knappe gast vinden?" Maar de andere jongen ontnuchterde mij door te zeggen: "Maar neen, papa, dat is omdat je gehandicapt bent."

Mijn vrouw en ik flaneerden die woensdag dus gemoedelijk over de markt, langsheen de diverse kramen. Aangezien we toch in de buurt waren, wenste ik van de gelegenheid gebruik te maken om naar de natuurwinkel te gaan, gelegen in een in kasseistenen aangelegd, autovrij straatje, bezijden de kerk. Zakjes Sint-Janskruidenthee had ik nodig. Ik drink daar dagelijks een tas van, met de bedoeling mijn inactieve lichaam tijdens de koude maanden van binnenuit te (trachten te) verwarmen. Naar 't schijnt heeft dat als interessante bijwerking ook een goede invloed op het humeur van degene die het tot zich neemt, maar daar heb ik tot op heden nog niks van gemerkt. Mijn goede luim dien ik elders  vandaan te halen.

Daar de twintig centimeter hoge deurdorpel niet echt uitnodigde tot een bezoek aan de winkel door rolstoelers, bleef ik noodgedwongen buiten 'staan', in de kille decemberlucht, en begon wat te mijmeren. Plotsklaps werd ik echter door elkaar geschud. En hoorde tezelfdertijd iemand gedempt vloeken. Toen ik mijn hoofd naar links draaide, voor zover ik daartoe in staat ben, zag ik een figuur met een donkere bril op, in een ijltempo zigzaggend naast mij passeren. Was ik verdorie bijna onder de voet gelopen door een blinde! Ik vond het voorval enorm grappig. Trok ik, naast miserie, nu ook al blinden aan?

Trouwens bewonderenswaardig hoe snel die man zich hernam. Hij had echter nogal wat moeite om zijn blindenstok in bedwang te houden. Hoe zeer hij ook trachtte, met beide handen het ding omklemmend, het hulpstuk onder controle te krijgen, het bleef zich wild van links naar rechts bewegen, steeds - irritant - de straatstenen aantikkend, en zelfs de muurgevel diende eraan te geloven! Zou de man niet beter overwegen zich een goed getrainde geleidehond aan te schaffen?

Oeps! Nu lach ik met een handicap en dat is, geloof ik, maatschappelijk niet erg correct. Nochtans wordt zulk een humor meestal wel gesmaakt. Ik heb immers een hele resem moppen over gehandicapten opgeslagen liggen in de duistere kamers van de grijze hersenmassa, die in mijn hoofd verscholen ligt, en op momenten dat ik ze via mijn spraakorganen ten gehore breng, oogst ik steeds veel bijval.

Op deze marktdag werd ik trouwens door een recordaantal mensen aangesproken. Drie (3) om precies te zijn. Vooreerst door mijn dooppeter, die ook al bijna tegen me aanbotste, en zich dus verplicht zag me te begroeten. Vervolgens door de vriend van een jonge vrouw, die ik in het revalidatiecentrum heb leren kennen. En daarna door een oud-werkmakker van mijn vader, die vergezeld was van zijn echtgenote. Mijn vader heeft tientallen jaren lang samen met die man de hengelsport beoefend. En ik was daar in mijn kinder- en jeugdjaren haast altijd bij.

Maar ik had die persoon sinds, ik denk minstens twintig jaar, niet meer gezien. Derhalve zou ik die man bij God niet meer hebben herkend. Maar hij mij blijkbaar wel. Na al die jaren! Ben ik in al die tijd qua uiterlijk dan zo weinig veranderd? Of zou het toch iets te maken hebben met het feit dat ik in zo een wielending zit en vergezeld was van mijn Afrikaanse echtgenote, en bijgevolg dus gemakkelijk herkenbaar?

Sympathieke mensen trouwens. De man vist naar eigen zeggen nog steeds. Ik niet. Althans niet met een hengel. En geenszins op al dan niet geschubde waterdieren.Maar jammerlijk genoeg figuurlijk wel al te vaak achter het net. Wenkbrouw ophalen

Ru(sh)di(e), 6 december 2002 (revisie op 23 maart 2009)

22-03-09

De avonturen van Rudi & Co, we gaan er mee door

 

Zaterdag jongstleden ging ik met mijn echtgenote en twee bengels iets drinken in een theehuisje in het centrum van de stad waar we wonen. Kwestie van eens buiten te zijn. Ikzelf was nog nooit eerder in de verbruikszaak in kwestie geweest, maar bij een toevallige passage had ik, van op een afstand, reeds gezien dat het etablissement goed toegankelijk voor me was en er bovendien een ruime speelruimte was voorzien voor kinderen, een niet te versmaden gegeven voor wie met twee overactieve jongens op stap gaat.

Als eerste drankje namen wij, 'mannen', een warme chocolademelk; de mama een Coca Cola. Na een half uurtje door de koele buitenlucht te hebben gereden, deed die warme drank me deugd. Vervolgens wou ik wel eens iets met alcohol tot me nemen, en graag hetzelfde als mijn eega. Ik prefereerde een rosé wijntje. Mijn wederhelft ging akkoord met die keuze, onder de voorwaarde dat het een tamelijk zoete wijn zou zijn. Dus riep ik de kelner en vroeg hem of hun rosé wijn zoet was. Antwoordde die jonge snaak: "Ik zou het niet weten, mijnheer, ik drink nooit wijn."

Voor de rest overigens geen slecht woord over dat koffiehuis, behalve dan misschien het feit dat ze geen servetten gaven bij de warme toastjes. Vriendelijke mensen, en heel kindvriendelijk. Lang geleden dat ik me met mijn gezin nog eens ergens zo welkom heb gevoeld. Tijdens ons verblijf in de zaak kregen alle aanwezige kinderen trouwens ook nog eens een tweetal keren een snoepje aangeboden vanwege de uitbaters.

Een week of twee geleden was ik, na schooltijd, met mijn rakkers op weg, richting centrum. Als naar gewoonte stapte er eentje links van me, en eentje rechts. Met één hand hielden ze mijn rolstoel vast. Zo hou ik hen onder controle. We verplaatsten ons over het tamelijk toegankelijk voet- en fietspad. Op een gegeven moment kwamen er enkele fietsers achter ons aan. Zoals ik hen geleerd had, ging mijn kroost spontaan achter me aan stappen, kwestie van ruimte te geven aan die andere weggebruikers. Ze bleven wel ook mijn rolstoel vasthouden.

Hoorde ik opeens achter mij: "Pas op mannekes, ik zal het wel even van jullie overnemen!", maar dan uitgesproken in het plaatselijk dialect. Het volgende moment voelde ik een warme adem in mijn nek en rook ik een alcoholgeur. En hoorde ik één van mijn zoons zeggen: "Mijnheer, dit is wel een elektrische rolstoel hoor!" Bleek dat er een oude man tegen mijn rolstoel aan het duwen was. Die dacht dat de kinderen mij vooruit duwden (dat hadden we reeds eerder meegemaakt!) en wou dat klaarblijkelijk ook wel eens doen. Met blozende kaken (die hij waarschijnlijk reeds had door een teveel aan geestrijke drank in zijn corpus) liet hij mijn voertuig terug los. Hahaha... wat hebben we gelachen!

Wat me begin september, op een warme nazomerdag, voorviel was minder lollig. Samen met een assistente ging ik enige aankopen doen in de Aldi in onze buurt. Een filiaal van die Duitse warenhuisketen, waar ik voor die desastreuze heelkundige ingreep - die mijn ganse leven veranderde - ook reeds geregeld over de vloer kwam, en mijn echtgenote nog steeds, nagenoeg wekelijks.

Terwijl mijn assistente onze aankopen in een doos deponeerde, kwam de kassierster, met de naam "Van Branden", op haar afgestapt. Ik werd straal genegeerd, hoogstwaarschijnlijk vanuit een vooringenomenheid dat mensen in een rolstoel sowieso ook mentaal gehandicapt en onmondig zijn. Aangezien mijn toenmalige assistente de Nederlandse taal niet machtig is, begreep ze niet wat het vrouwelijk personeelslid zei. Het meisje verwees haar naar mij en ik vroeg wat er aan de hand was. De kassierster, zichtbaar verbaast dat ik kon spreken, zei boosaardig dat ze een volle fles water zag liggen in de tas die aan de achterzijde van mijn rolstoel is bevestigd. Ik vertelde haar onthutst dat het uiteraard mijn eigen drank betrof, meegebracht van thuis, en steeds aanwezig in die opbergzak, voor het geval ik er nood aan had. "Ja maar, dat is van een merk dat wij hier verkopen." beet ze me hooghartig toe. "Nogal wiedes, want hier aangekocht door mijn echtgenote" repliceerde ik. Met een blik vol ongeloof zei ze dat ik dat dan bij betreding van de handelsruimte aan haar had moeten melden. Dat vond ik onredelijk. Dit kon ze toch niet menen? Bovendien wist ik trouwens - om een voor de hand liggende reden zo dacht ik toch - niet eens wat zich exact allemaal in mijn tas bevond, zo zei ik haar. Dan zou ik het telkens ik de Aldi betrad door hen moeten laten controleren, kreeg ik als antwoord. Ik was totaal verbouwereerd. Me vanuit haar ooghoeken nog steeds spiedend aankijkend, ging zij opnieuw achter haar kassa zitten. En wij verlieten de winkel.

Het voorval ergerde me enorm. Ik vermoedde immers dat de houding van die caissière ook zodanig was omwille van de bruine gelaatskleur van mijn (jonge) assistente. Dat onnozel Aldi wicht met haar bekrompen geest veronderstelde vanuit haar stupide vooringenomenheid allicht dat het Afrikaanse meisje het had aangedurfd met een gehandicapte man op dievenpad te gaan. Met zo'n klein tasje? En zonder het dicht te doen? En een fles water van nog geen 25 Eurocent? Domme mensen gaan er blijkbaar vanuit dat elk ander individu even dwaas is als zijzelf.

Net buiten, en enigszins bekomen, keerde ik me terug om en verzocht die trut, die inmiddels met een collega stond te konkelfoezen, tot bij me te komen. Dat deed ze, evenwel met tegenzin, en vergezeld van die werkgenote. Ik vertelde hen die houding van die ene niet te waarderen. Ze vond er zelf niks verkeerd aan en bleef bij haar standpunt dat ik elke keer ik hun winkel betrad, mijn tas door hen zou moeten laten controleren. Die andere trad haar daarin bij. Dat ik, wat zij van mij verlangden, als uiterst vernederend ervoer, en gezien de drukte die meestal in de winkel heerst, dit zelfs praktisch nagenoeg onmogelijk te realiseren viel, kon hen beide niet deren.

Ik zei nog te begrijpen dat er een regel was dat je in principe niet met een tas de winkel in mag, maar ze moesten toch begrijpen dat ik onmogelijk mijn rolstoel, met een niet verwijderbare tas, of enkel de tas, aan de ingang van hun winkel kon laten staan. Bovendien vond ik dat een doorzoeken van mijn tas - met als inhoud voor mij noodzakelijke dingen, waar zij mijns inziens totaal geen zaken mee hebben - een aantasting is van mijn privacy. Doch die argumenten vonden bij hen geen gehoor.

Achteraf bekeken kan je zeggen dat deze hele situatie had kunnen vermeden worden als die assistente mijn tas voor het binnenrijden van de winkel had dichtgedaan. Maar wie niks te verbergen heeft, denkt daar gewoonweg niet aan en verwacht geen perikelen als deze. Dus dat meisje treft, wat mij betreft, geen blaam. Mijn conclusie uit dit voorval is gewoonweg dat ik in die Aldi niet welkom ben. Niks aan te doen. Het is - spijtig genoeg - nu eenmaal zo dat de menselijkheid soms ver te zoeken is in onze hedendaagse maatschappij.

Ru(sh)di(e), 2 december 2002 (revisie op 22 maart 2009)

19-03-09

Rudi’s overdenkingen – Zorgbehoefte

 

Heb gisteren een stukje afgewerkt met mijn verzuchtingen betreffende de thuiszorg, maar ik durf het eerlijk gezegd niet openbaar te maken. Ik vrees er nogal voor verkeerd begrepen te worden en ben bang mijn eigen ruiten in te gooien. Per slot van rekening ben ik voor een groot stuk afhankelijk van de mensen waar ik in dat schrijfsel (goed bedoelde) kritiek op spui. En ik schrijf om gelezen te worden, en zulke epistels dan nog met de bedoeling de betrokkenen een spiegel voor te houden in de hoop dat dit hen tot nadenken zal brengen. In het belang van al hun patiënten!

Het weze duidelijk dat ik opkom voor de rechten van elkeen die zich in een gelijkaardige positie bevind als de mijne, maar die niet durft of, bijvoorbeeld door onmondigheid, niet kan opkomen voor zichzelf.

Uiteraard weet ik dat de betrokkenen in de thuiszorg het ook niet altijd gemakkelijk hebben, maar dat is niet mijn probleem. Een vakbondsafgevaardigde verdedigt toch ook de rechten van de werknemers en probeert het onderste uit de kan te halen voor zijn leden, terwijl ook hij of zij weet met welke problemen de werkgevers te kampen hebben en welke verantwoordelijkheden er op diens schouders rusten.

Al te dikwijls blijven wij - hulpbehoevenden - apathisch aan de zijlijn staan, bevreesd als we zijn nog minder, of zelfs helemaal niet meer geholpen te worden. Schrik om van de regen in een stortvlaag terecht te komen. En als men dan toch eens naar buiten komt, dan is het om meer geld te vragen. Akkoord, dat is misschien ook wel nodig, maar ikzelf ben van mening dat net details,  die niks kosten, maar enkel mogelijks een extra inspanning en wat (re)organisatie vergen, het leven van de thuis verzorgde hulpbehoevende medemens een heel stuk aangenamer zou kunnen maken.

Ook ik ben bevreesd en heb geen zin om me door mijn geschriften nog meer miserie op de hals te halen dan ik nu al heb. Dat is trouwens het gevaar' van het geschreven woord, hè. Een epistel kan gelezen worden en verkeerd begrepen en je bent daar niet (altijd) bij om uitleg te verschaffen. Ik heb dit in het verleden reeds eerder ervaren.

Nu ik het over het 'geschreven woord' heb, valt mij ineens een mop te binnen. Een beetje aangebrand evenwel, dus lezen er minderjarigen over je schouder mee of kan je zelf niet tegen dit soort grapjes, sla deze passage dan over en ga onmiddellijk door naar de laatste vijf alinea's. Knipogen

Bert was razend verliefd op een meisje uit zijn dorp en had, als ultieme blijk voor wat hij voor haar voelde en om haar duidelijk te maken dat, wat hem betrof, hun verbintenis voor altijd zou blijven duren, de naam van zijn vriendin op zijn jongeheer laten tatoeëren. Netjes, in donkerblauwe inkt, stond daar het woord 'Jennie' te lezen.

Aangezien hij dit als een weldaad voor zijn corpus ervoer, en voor zijn geest,  ging Bert af en toe naar de sauna. Als hij de eerstvolgende keer, na de zweetcabine te hebben verlaten, onder de douche wou gaan, kwam daar net een grote, donkerhuidige man uit de cabine, kompleet naakt, en vooraleer hij een handdoek omheen zijn middel kon slaan zag Bert die kerel zijn piemel, waar ook een tatoeage op stond, met potverdorie zelfs de zelfde naam als deze op de zijne.

Dus zei hij, "Excuseer me hoor, maar ik zag het puur toevallig.  Jouw vriendin noemt dus ook Jennie?" Waarop die zwarte, lachend: "Neen hoor, toch niet. Wanneer zij mijn penis in haar handjes neemt wordt vrij snel de naam van mijn liefste leesbaar: Josephine-Antoinette."

Over lullen gesproken, maar dan in de betekenis van kletsen en praten: over mijn logevallen in het universitair ziekenhuis in Gent kan ik ook één en ander vertellen. En dit sluit eigenlijk perfect aan bij het eerste deel van dit schrijfsel, en niet alleen omdat het ondermeer over verzorging gaat, maar dat merk je wel als je verder leest.

Mijn eerste jaar verblijf in het hospitaal had ik stelselmatig - soms met veel moeite, wegens fysisch onvermogen - ingesproken en neer getypt. In een eerste versie gewoonweg de naakte feiten, zonder meer. Een tweede, herwerkt relaas was ronduit cynisch. Om mijn verhaal voor een zo groot mogelijk lezerspubliek vermakelijker te maken, besloot ik het uiteindelijk te romantiseren, in de derde persoon te schrijven en enige fictie toe te voegen.

Er was een uitgever die wel interesse had om mijn verhaal te drukken. Mits het aanbrengen van bepaalde wijzigingen. Met een beetje fantasie er bij kan je stellen dat mijn zitje op de voorbije editie van de jaarlijkse Antwerpse boekenbeurs al klaar stond. Alhoewel ik dat eigenlijk niet echt nodig had gezien het feit dat ik nergens heenga (of eigenlijk rijd) zonder mijn elektrische rolstoel.

Of mijn boekje afnemers zou hebben gevonden, misschien zelfs een bestseller zou zijn geworden? Geen idee, en ik zal het ook nooit te weten komen, aangezien ik alles integraal van de harde schijf van mijn computer heb gewist. En ook de afgedrukte en op diskette gekopieerde exemplaren zijn stuk voor stuk verwijderd. De opgevoerde karakters waren immers, mijns inziens, te herkenbaar en ik was tevens bang bepaalde mensen, ongewenst en onverdiend, te kwetsen. Al waren er anderzijds anderen bij die eigenlijk wel verdienden nog harder te worden aangepakt dan ik in mijn manuscript had gedaan.

Stom? Ik denk het niet en nu, bijna driekwart jaar na het uitwissen, heb ik er nog steeds geen spijt van. Mogelijks begin ik, wie weet misschien zelfs vrij spoedig, aan een nieuw verhaal, waarin ik mijn ervaringen tijdens mijn ziekenhuisverblijf verwerk. Ondertussen zal ik echter niet nalaten in mijn schrijfsels enige negatieve aspecten die ik tijdens mijn bijna anderhalf jaar verblijf in het UZ heb ervaren, aan de kaak te stellen. Maar net zo zeer zal ik bepaalde positieve bevindingen en leuke avonturen van toen, wereldkundig maken. Jullie horen nog van me!

Ru(sh)di(e), 29 mei 2002 (revisie op 15 maart 2009)

18-03-09

De lotgevallen van een rolstoeler, tweede en nu echt wel allerlaatste aflevering

 

Eureka! Ik heb mogelijks een manier gevonden om de verlamming van mijn benen ongedaan te maken.

Gisterenochtend is de huisdokter bij me langs geweest en die heeft hij me ondermeer een antibioticum voorgeschreven. Toen mijn echtgenote in de namiddag met de medicatie thuiskwam las ik, als naar gewoonte, de bijsluiter. En wat zag mijn lodderig oog als zijnde één van de mogelijke bijwerkingen: 'wankel op de benen lopen.'

Ik ben sinds gisterenavond met de inname van die pillen begonnen en hoop spoedig geconfronteerd te worden met die bijwerking. Wankel of niet, als ik maar vooruit geraak!

Dat ik reeds meermaals ondervond dat je mensen zo gemakkelijk blaasjes kan wijsmaken, heb ik reeds eerder verteld. Vorige week is het me alweer gelukt iets uitermate onwaarschijnlijk voor waar te laten aannemen. Ja, een mens moet ergens zijn pleziertjes uit halen.

De zon scheen en er heerste een aangename temperatuur. Wel een beetje wind, maar dat kon me niet deren. Ik vertrok een half uurtje vroeger dan nodig om mijn kinderen af te halen van school, zodat ik eerst nog eens een toertje kon maken in de wijk achter onze woning.

Ik genoot van het zicht van de tuinen en tuintjes vol groeiende en bloeiende planten en bloemen. Het ene perkje nog mooier aangelegd dan het andere. Nogmaals overdacht ik hoe zeer ik had uitgekeken naar het moment waarop ik voldoende tijd zou hebben gehad om zelf mijn eigen tuin te kunnen onderhouden. En hoe triest het eigenlijk was dat ik nu wel alle tijd had, maar nooit aan tuinieren zou kunnen toekomen. Het ergste van al vond ik het feit dat mijn kinderen mij nooit in de tuin zouden bezig zien en ik dientengevolge de interesse en de kennis van het groenwerk, niet aan mijn kroost zou kunnen doorgeven, zoals ik van jongs af aan het tuinieren van mijn ouders had gezien en geleerd. Soit, gedane zaken nemen geen keer. Ik kon mijmeren zoveel ik wou, het zou niks wijzigen aan mijn situatie.

Op een gegeven ogenblik passeerde ik een tuin waarin een man net de inhoud van de opvangbak van zijn grasmachine in een kruiwagen kiepte. De heer keek op en ik knikte hem gedag. "Lekker weertje hè" zei hij me vriendelijk glimlachend, onderwijl mijn richting uit komend. Ik hield even stil. Die manspersoon - een zestiger denk ik - had duidelijk zin in een praatje en ik zag het ook wel zitten om enige woorden met hem te wisselen.

Hij vroeg me of ik reeds lang in een rolstoel zat en of mijn toestand, zoals hij vermoedde, het gevolg was van een verkeersongeval. Enfin, de geijkte vragen dus. En ik legde hem geduldig, en zeer in het kort, de oorzaak van mijn rolstoelafhankelijkheid uit. Die persoon luisterde heel aandachtig en zijn gelaatsuitdrukking werd zeer ernstig, bijna droevig. Hij vond, zeker omdat ik er nog zo jong uitzie, mijn toestand uitermate erg.

"Tja" zei ik, "Dat vind ik ook, maar de situatie is nu eenmaal onomkeerbaar, dus moet ik er maar zien het beste van te maken." Die ingesteldheid vond hij tof. Er verscheen alweer een glimlach op de grijzende man zijn aangezicht. "Gelukkig kan ik dat nog wat jij nu aan het doen bent." zo zei ik.  De man keek me niet begrijpend aan. "Het gras van mijn gazon afrijden bedoel ik dus" verklaarde ik me nader. Waarop hij: "Hoe doe je dat dan?" Ik repliceerde: "Met mijn rolstoel. Ik heb daar een aparte module voor. Mijn echtgenote klikt dat ding onderaan vast en klaar is Kees!"

De man keek me ongelovig aan, maar ik voegde er met een ernstig gezicht toch nog aan toe: "Was wel niet goedkoop, en allemaal uit eigen zak te betalen. Maar ja, een grasmachine kost ook geld en dan moet ik nog iemand vinden om er achter te lopen, terwijl ik zelf alle tijd heb."

De brave man maar knikken. Daar kon hij inkomen. Ondertussen bekeek hij spiedend mijn gemotoriseerde zitstoel. "En hoe krijgt de motor van die messen stroom?" kreeg ik te horen. Ik wees naar de zware batterij achteraan mijn rolstoel en zei, voordat de brave man nog meer technische vragen op me af kon vuren, dat hij me moest excuseren, maar dat ik dringend verder moest om mijn kinderen van school af te halen. Ik begon terug te rijden en terwijl die heer, nog steeds met een ernstig en vragend gezicht naar mijn machine keek, zei ik nog, breed lachend nu: "'t Is niet waar, hoor!" Die mens had het terstond door, en begon hard te lachen. En langdurig, want toen ik de straat uit was, en een andere in, richting de school van mijn bengels, hoorde ik nog steeds zijn gelach. Voila, mijn dag was geslaagd!

Aan de school was de situatie, als steeds, minder succesvol. De allerkleinsten, zijnde de kinderen uit de zes kleuterklassen, moeten worden afgehaald in de speelzaal. De toegangsdeur van de gang naar deze zaal wordt pas even voor de schooldag ten einde is, ontgrendeld. Met als gevolg dat er steeds een massa ouders en grootouders aan de toegangsdeur staan te wachten tot wanneer deze wordt geopend.

En als het dan zo ver is, wil iedereen als eerste naar binnen en is het een dringen van jewelste. Eigenlijk ongehoord, mijns inziens. Nadat ik - als enige - de moeders met kinderwagen voorrang heb gegeven, rijd ik steevast als allerlaatste doorheen het deurgat. En dat is niet zo eenvoudig, aangezien op dat ogenblik reeds de eerste (groot)ouders met afgehaald(e) kind(eren) langs diezelfde deur terug naar buiten komen. Menselijkerwijze zou je toch verwachten dat men plaats zou maken voor die persoon in zijn rolwagen (ik dus). Maar neen hoor, ongelooflijk maar waar, met de bedoeling me voor te zijn duwen de volwassenen hun (klein)kind voor zich uit. Ze gaan er waarschijnlijk van uit dat ik niet tegen die kleintjes hun schenen zal aanrijden.

En dat doe ik inderdaad ook niet. Ik hoed me er trouwens sowieso voor om tegen mensen aan te rijden. Dus meestal wacht ik dus gewoon gedwee tot wanneer ik ruimte heb om te rijden.

Het valt mij trouwens op hoe weinig respect mensen heden ten dage hebben voor hun zwakkere soortgenoten, als daar onder anderen zijn: kinderen, bejaarden en gehandicapten.

En nu doel ik niet speciaal op jongeren hoor, want daar heb ik persoonlijk nog de minst slechte ervaringen mee.

Neen dus, vooral volwassenen en dan zelfs veelal vrouwen en ook mannen van midden de vijftig, pregepensioneerden naar ik vermoed. Zo werden we ook deze dag, terwijl we bij groen licht en ik op het zebrapad rijdende, met mijn kinderen links en rechts van me, netjes met één hand mijn stoel vasthoudend - naar gewoonte aldaar - bijna overhoop gereden door een haastige bestuurster die waarschijnlijk bewust negeerde dat je bij rood licht eigenlijk moet stoppen.

Om dan toch met een vrolijke noot te eindigen, het volgende:

Ik moest gisteren namiddag in het centrum van de stad zijn waar ik woon. Ik reed gezwind op het mooi betegelde, vlot berijdbare fietspad. Op een gegeven ogenblik stopte ik even en boog me voorover om mijn bil- en bovenbeenspieren tijdelijk te ontlasten. Onmiddellijk stopte daar een dame haar auto en vroeg door het geopende portierraam of ze me kon helpen. Nog een andere auto hield stil. En ook een fietsende dame hield halt. Een oudere dame die zo een boodschappentas op wieltjes achter zich aantrok was er van overtuigd dat ik onwel was geworden. Uiteindelijk slaagde ik erin iedereen te verzekeren dat ik niet in nood verkeerde en bijgevolg ook geen hulp nodig had. Het was wel eens leuk om zien, al die bezorgde gezichten. Mijn vrouw, die bij me was, drukte het uit als volgt: "Lokeren wordt wakker!" We zijn dat hier immers niet gewoon, zo een attent gedrag.

Ik moest in het stadhuis zijn, om mijn reeds twee jaar vervallen identiteitskaart te hernieuwen. (even terzijde: mijn pasfoto's zijn goed gelukt en ik heb er nog twee over, dus als er fans zijn met interesse in een gesigneerd exemplaar...'t is het moment!)

De dame achter het loket herkende me nog van vroeger. Ze had ooit in mijn zaak één en ander aangekocht, samen met en voor haar dochter en zei dat ze veronderstelde dat het hard moest zijn om als levendige, steeds in de weer zijnde persoon, zoals ze me voorheen had gekend, noodgedwongen een inactief leven te gaan leiden.

Het deed deugd te merken dat er dan blijkbaar toch nog mensen zijn met een beetje inlevingsvermogen en dan ook nog het lef hebben dat te uiten.

Maar het toppunt van al speelde zich af in het Kruidvat. We moesten daar zijn om ondermeer haargel voor ondergetekende aan te schaffen. Jazeker dames en heren, jongens en meisjes. Naast wat deodorant onder de oksels, enige gezichtscrème op wangen, voorhoofd en neus en een vleugje aftershave op bovenlip, kin en kaken, heb ik ook dagelijks wat gel nodig om mijn haar enigszins in model te houden.

Terwijl mijn echtgenote de benodigde waar ging uitzoeken, bleef ik noodgedwongen aan de ingang van de winkel staan. Verder geraakte ik niet wegens de met allerlei spullen gevulde bakken die tussen de rijen winkelrekken stonden opgesteld, en me bijgevolg de doorgang belemmerden. Dus keek ik maar wat rond, naar de bussen haarlak, allerlei flacons met kleurspoelingen, haarverstevigers en zo mee. Ter afwisseling staarde ik net zo lang en indringend terug als sommige passanten naar mij staarden. En opeens merkte ik daar volgende aankondiging in de winkel: 'vanaf maandag aanstaande, in de solden, massa's kerstversiering aan - 50 %.' Aan het begin van de zomer zit elkeen daar toch op te wachten, niet? Dus: op 1 juli allen daarheen!

Ru(sh)di(e), 28 juni 2002 (revisie op 15 maart 2009)

17-03-09

Rudi’s ontboezemingen, nog een deel

 

Deze ochtend werd ik opgebeld door een kennis uit mijn revalidatietijd. Op diens vraag hoe alles met me was antwoordde ik: "Veel hoofdpijn en een pijnlijke neus." Hij vroeg: "Ook teveel kopzorgen zoals bij mij?" Waarop ik: "Dat ook ja, maar ik ben uit mijn bed getuimeld deze ochtend. Werd wakker en wou opstaan, maar was vergeten dat ik niet meer op mijn benen kan staan, dus ben pardoes op mijn bakkes gevallen."

Als ik het huis uitkom en toevallig een bekende ontmoet, krijg ik - zoals zo velen - meestal de geijkte vraag gesteld: "En, hoe is het?". Aangezien ik een bloedhekel heb aan doen alsof alles in orde is, terwijl het niet zo is, antwoord ik dan dikwijls - geheel naar waarheid - iets als "Hm, nogal véél hoofdpijn" of "Krampen spelen me parten". Veelal volgt dan de repliek: "Ha, goed om dat te horen. Met mij is ook alles oké!"

En hebben ze wel naar mijn wederwoord geluisterd, dan maken ze zich dikwijls snel uit de voeten, waarschijnlijk omdat ze bang zijn dat ik een klaagzang zal beginnen over mijn leed, pijn en smart. Die vrees is echter ongegrond; ik zing immers normaliter niet in het openbaar.

Het is gewoon een feit dat mensen meestal niet weten hoe om te gaan met iemand die in de misérie zit. Negeren en die persoon ontwijken is dus de gemakkelijkste oplossing.

En ik begrijp dat wel hoor. Buiten een paar uitzonderlijk gelukkige zielen heeft ieder voor zich al genoeg problemen dat men niet nog eens het risico wil lopen de rotzooi van een ander daar bovenop te moeten nemen, of zelfs maar te aanhoren.

En het is onweerlegbaar zo dat langdurig zieken en gehandicapte mensen - nogal dikwijls sociaal geïsoleerd - op het moment dat ze dan toch eens onder de mensen komen, tegenover de zeldzame personen die zich de moeite getroosten hen aan te spreken, veelal beginnen te weeklagen. Dat is volkomen normaal. Ik heb daar alle begrip voor wegens zelf ook de neiging - die ik evenwel onderdruk - maar het bezorgt 'onze soort' wel een slechte reputatie.

Om terug te komen op het oorspronkelijke onderwerp. Stelt men mij per e-mail de vraag: "Hoe 'gaat' het?" dan durf ik daarop nogal eens volgend antwoord te formuleren: "Zoals je weet willen mijn benen niet meer mee, maar die elektrische wielstoel nam gelukkig de taak gretig van ze over. Het 'gaat' met andere woorden dus niet, maar het 'loopt' wel op wieltjes." Wordt diezelfde vraag me verbaal gesteld door een kennis, dan durf ik wel eens geënsceneerd boos te zeggen: "Allé, zoiets vraag je toch niet aan iemand wiens benen verlamd zijn!" Dat is vooral leuk als er ook mensen in de buurt zijn die me niet kennen, die denken dus dat ik echt kwaad ben. Je ziet dan aan hun gelaatsuitdrukking dat ze gespannen afwachten wat er verder gaat gebeuren. Tot we beginnen te lachen en ze uiteraard terstond - opgelucht - door hebben dat het niet gemeend is.

Ja, lollig doen, en laten doen,  rond de eigen handicap; voor mij en sommige anderen is dat een soort van therapie. Een tijd geleden had ik in een gezelschap een aantal - succesvolle - humoristische interventies gedaan, waarop iemand uit de groep zei dat ik niet zou 'misstaan' als 'stand up' comedian. Dat vond ik zelf zo grappig en goed gevonden dat ik die kerel terstond een 'staande' ovatie wou geven. Helaas...

Als ik 's avonds een e-mail berichtje stuur naar een lotgenoot durf ik - Sonja Barend indachtig - al eens te eindigen met de woorden: "En nu slapen, en morgenochtend gezond weer op.", met op de lijn daaronder: "Ja, kon dat voor ons maar eens waar zijn."

Ru(sh)di(e), 1 juli 2002 (revisie op 11 maart 2009)

16-03-09

De avonturen van Rudi & Co, een nieuwe aflevering

 

Deze ochtend was mijn verpleegster een half uur te laat. "Verslapen!" zei ze laconiek. Ja, ik weet het heus wel, het zijn ook maar mensen, maar daardoor was het wel tien uur vooraleer ik aan mijn dag kon beginnen. Wat ik rijkelijk laat vind.

Is het trouwens niet belachelijk dat een vijfendertigjarige, 'uitsluitend' omwille van zijn afhankelijkheid van derden, tien à twaalf uur per dag in bed moet doorbrengen? Om uit te rusten heb ik hoogstens acht uur nodig. Wacht tot ik al mijn verzuchtingen met betrekking tot de thuiszorg wereldkundig maak; het zijn er nogal wat! Maar daar ga ik jullie heden niet mee vervelen, dat is voor later!

Die immobiliteit van me is ook een enorm probleem. Gelukkig gebeurt ook hier in mijn omgeving meer dan in de meeste Vlaamse soaps op Tv te zien valt. Zoals dat voorval, een week of twee geleden, op een zaterdagnacht.

Eerst even een situatieschets. Wij wonen in een groot vrijstaand huis, met daarvoor een parking, met een inrit en een uitrit. Tot een malafide neurochirurg een einde maakte aan mijn actief beroepsleven, was in hetzelfde gebouw immers ook mijn handelszaak gevestigd. Nu staat de villa te koop, en dat wordt ook kenbaar gemaakt middels twee (grote) borden.

Die zaterdag was mijn echtgenote jarig. Ze had enkele vriendinnen uitgenodigd om de herinnering aan haar geboortedag samen met haar te vieren. Er werd gegeten, (frisdrank) gedronken en gedanst. Zo omstreeks middernacht besloten de dames nog een stapje in de wereld te zetten. Buiten werd nog wat gekwetterd terwijl de dames zich naar hun auto's begaven.

Ineens kwam daar - nagenoeg tezelfdertijd - zowel een auto de inrit als op de uitrit opgereden. Ze stopten bruusk en blokkeerden de toegang. Alle portieren vlogen open en uit elke wagen kwamen vier mensen gesprongen.

Het bleek politie te zijn, in burgerkledij. Ze vroegen wat er aan de hand was. Mijn echtgenote repliceerde met de wedervraag waar zij dachten het recht vandaan te halen op zo een manier haar eigendom te betreden en vragen te stellen. Ja, die eega van mij is niet op haar mondje gevallen.

Onmiddellijk inziend dat ze te vlug de verkeerde conclusies hadden getrokken begon één van die agenten een uitleg te geven. Ze waren op weg naar een megadancing iets verder in onze straat, zagen een huis 'Te Koop' staan met daarvoor een groep mensen en enkele voertuigen en dachten dat er iets aan de hand was. Er zal allicht iets van waar zijn geweest, doch zijn explicatie klonk niet echt overtuigend.

Ik vond die héle situatie nogal gênant voor hen, die agenten. En enigszins amusant voor mij., want hahaha, zij hadden wél de 'blaffers' (revolvers) bij, maar het was mijn vrouw die hen onze proprieteit 'afblafte'. Lachen Er zat trouwens een verdacht geurtje aan hun optreden. De dames op mijn parking waren immers allen van Afrikaans origine. Wenkbrouw ophalen

Ru(sh)di(e), 27 juni 2002 (revisie op 11 maart 2009)