29-06-12

Herinneringen uit mijn verleden - Hengelaarplezier & sportvisserijvertier

      

Reeds van op heel jonge leeftijd ging ik vissen. Mee met mijn pa, en meestal op paling. Eens ik als tiener, door mijn ouders oud genoeg werd bevonden, trok ik er alleen op uit. Meestal richting provinciaal domein. Een gigantisch terrein met een kasteel, bossen, bloementuinen, een dierenpark, speeltuin en enkele visvijvers. Gelegen op een kilometer of vijf van mijn ouderlijke woonst.

Toentertijd was fietsen binnen het domein niet toegelaten. En omdat de afstand tussen de ingang van het domein en de visputten, toch enkele kilometers bedroeg, had ik voor het transport van mijn spullen een karretje gemaakt. Van het onderstel van een oude kinderwagen, waarop ik een plank had bevestigd.

Het karretje plaatste ik op de bagagedrager achteraan mijn fiets. Mijn door mijn pa, met recuperatiemateriaal gemaakte houten vissersbak, kwam daar nog bovenop te staan. Met snelbinders bevestigde ik dit alles stevig aan mijn fiets. Mijn in een kokervormige stoffen tas gestopte werphengels en oude vissersparaplu, bevestigde ik, met oude lederen riempjes, aan de buis van mijn fiets.

Met al mijn visspullen op de fiets reed ik dan van thuis tot aan de ingang van het domein. En; van daar trok ik vervolgens het karretje met mijn visgerei, middels een stevig touw, tot aan de visvijver.

Het vissen was een vrij sociaal gebeuren. Rond de vijvers trof je vaak dezelfde mensen aan, waaronder ook heel wat jongelui. En bijna uitsluitend jongens en mannen. Eens geïnstalleerd op ons plekje aan het water, gingen we doorgaans bij de reeds eerder aanwezige hengelaars even gaan luisteren of ze al wat hadden gevangen. En zo het antwoord bevestigend was, keken we met graagte naar het door de visser even uit het water getilde leefnet. Om de zich daarin bevindende gevangen vis te aanschouwen. En de betreffende visser te feliciteren met zijn vangst.

Ook als we na een uur of zo turen naar onze dobber, of geduldig wachten op enig geluid van het aan onze werphengels bevestigde alarmbelletje, geen beweging of geluid waarnamen, gingen we elkaar opzoeken. Om onze nood te klagen. En onze benen te strekken. En als er iemand ‘beet’ had, dan kwamen de vissers uit diens buurt rond die gelukzak staan. Om hem bewonderend, en niet zelden met enige jalousie, de buit te zien binnenhalen. Vooral als het grote kanjers betrof, die meestal nogal wat weerwerk boden en moesten worden moe gemaakt, vooraleer te worden opgehaald, gaven nogal wat omstanders gretig hun ongevraagd en meestal ook onnodig en ongewenst advies. Gewoonlijk wel welkom was dan weer de hulp die collega-vissers boden door het reeds in het water houden van het schepnet met behulp waarvan de aan de haak van de vislijn hangende vis op de oever en dus het droge moest worden gebracht.

*****

Op een zekere dag in de vakantie, was ik met een vriend een namiddag gaan vissen in dat provinciaal domein. De buit was mager. Buiten de dikke aal die ik had gevangen. Nogal wat andere, rond de vijver verzamelde vissers, waren jaloers op mijn vangst.

Zo ook de corpulente zoon van de champetter uit een gehucht, grenzend aan de buurt waar ik woonde. Die kerel was een jaar of twee ouder dan mij. Daardoor en tevens door het feit dat we nooit bij elkaar op school hadden gezeten, kende ik de jongen slechts vaag.

Toen mijn maat en ik ons boeltje bij elkaar hadden gepakt en net op het punt stonden om ons via de, naast de vijver lopende, geasfalteerde laan, naar de uitgang van het domein te begeven, kwam die kerel, samen met zijn twee maten, op me af. En vroeg me of hij mijn vangst nog eens mocht zien.

Met enige tegenzin haalde ik de snelbinder van rond mijn op mijn karretje staande vissersbak, opende de klep ervan en haalde er het wit stoffen zakje uit waarin de door mij gevangen aal zat opgesloten. Ik loste de strop waarmee het zakje werd dicht gehouden en liet de inhoud zien: een vette paling van een centimeter of 40 lang, wel minstens 2 centimeter dik en vast minimaal 800 gram zwaar. Die lag te kronkelen in een door hemzelf geproduceerd half transparant wit slijm.

De ogen van de dikke tiener voor me puilden bijna uit hun kassen. Hij wou de aal van me afkopen. En bood er mij maar liefst 500 Belgische Franken voor aan, een goeie 12 Euro. In die tijd, eind de jaren zeventig, was dat, voor een jongere, een ferm bedrag.

Toch was mijn vangst verkopen geen optie. Die nam ik mee naar huis. Om aan mijn huisgenoten te tonen, te doden, te stropen, te kuisen en later zelf op te eten. En ik dacht er nog niet aan om dat ritueel te verbreken voor wat geld.

Die dikzak snapte dat evenwel niet. Hij bekende me dat hij thuis bij voorbaat had opgeschept over zijn visserstalent en de vangt die hij naar huis zou meebrengen. En nu dreigde hij gezichtsverlies te lijden door met kompleet lege handen weer te keren. Dus wou hij hoe dan ook mijn aal. En kwam dreigend en boos kijkend op me af toen ik het zakje weer dicht bond, wegstopte en mijn vissersbak weer aan mijn karretje vastmaakte.

Nu was ik in die tijd zelf geen hummel en best potig, maar toch vermeed ik liefst een fysieke confrontatie met die gast van minstens een kop groter dan mij en met een lichaamsvolume van wel drie keer het mijne. Dus wenkte ik mijn maat en zette het samen met hem op een lopen. Mijn karretje achter me aantrekkend.

De zoon van de champetter bleef eerst enkele seconden verbouwereerd ter plaatse staan, maar gaf toen met de palm van zijn dikke vette pollen zijn beide maten een flinke duw in de rug en zette zich samen met hen in beweging. Me onderwijl dingen toeroepend die ik niet kon verstaan. Want wij waren inmiddels al op geruime afstand van elkaar verwijderd. Met zijn logge lijf, nog verzwaard door de ballast van zijn visgerei, kon die gast trouwens mijn tempo absoluut niet aanhouden. Toen hij en zijn vrienden de uitgang van het domein bereikten, zaten mijn vriend en ik reeds op onze met het visgerei geladen fietsen en reden we gezwind weg van de fietsstelplaats. Die vetzak zonder visvangst het nakijken gevend.

Thuisgekomen toonde ik vol van trots mijn vangst aan mijn moeder. Die blij was met mijn succes. En verzekerde me dat ook mijn pa, bij thuiskomst van zijn werk, verheugd zou zijn over mijn vangst van zulk een ferme paling.

Over het conflict met de zoon van de champetter zweeg ik wijselijk. Het had geen zin om mijn ma nodeloos bezorgd te maken. Bovendien wou ik ten alle prijze vermijden dat ze me niet langer zou toelaten om alleen of met vrienden te gaan vissen.

Als steeds maakte ik zelf mijn vangst gereed om klaar te maken voor consumptie. Daar was ik goed in. Ook de buurjongens kwamen, als ze bij het vissen iets hadden gevangen, bij mij langs om hun vis te laten doden en kuisen. Dat deed ik buiten, of bij slecht weer, in onze garage.

Net onder de kop van mijn nog levende paling maakte ik met een scherp mes een snede. Waarna ik, terwijl ik met een vod de kop vasthield, met een oude platte bektang, de huid van de aal vastkneep en van diens lijf stroopte. Vervolgens sneed ik zijn buik open in de lengterichting. En haalde alle ingewanden uit het lijf door mijn duim van aan de kop tot aan de staart door het lijf te bewegen. Dan sneed ik de kop eraf en spoelde en wreef de overgebleven resten proper in een emmer met proper putwater. Dat ik middels onze oude waterpomp aan de oppervlakte had gebracht. Met keukenpapier depte ik daarna het vlees proper. En bracht het dan naar mijn ma. Die het in een zakje stopte en in de diepvries deponeerde. Om er later, samen met andere door mijn pa en mij gevangen palingen, een heerlijke maaltijd mee te bereiden.

*****

Door dat vaak uit vissen gaan naar dezelfde waterput, leerde ik er dus snel jongens kennen die daar dezelfde hobby uitoefenden. Het waren doorgaans kerels van ongeveer mijn leeftijd of enkele jaren ouder. Soms zat ieder gewoon op zijn eigen plekje en brachten we elkaar zo nu en dan een bezoekje. Om te zien wat de andere al had gevangen, maar vaak ook gewoon om een praatje te slaan en zo de tijd te doden.

Soms troepten we ook samen en zaten we allemaal naast elkaar met onze vislijnen. Door ons gestoei en gebabbel werden de vissen vast afgeschrikt, want veel werd er op die momenten doorgaans niet gevangen. Ook niet die keer dat ik als twaalfjarige met de enkele jaren oudere, aan de visput ontmoette Wouter en nog een tweetal andere gelegenheidsvrienden, aan het vissen was. Het was warm weer en we hadden dan wel nog niet eens beet gehad, de leute was er niet minder om.

Op een gegeven moment kwam er op het wandelpad, gelegen op een tiental meter van, en iets hoger dan, de visvijver, een knap blond grietje aangetrippeld. Uiteraard was Wouter de eerste uit ons groepje die het meisje had opgemerkt. De praatgrage kerel zat immers meer rondom zich te kijken dan naar de dobber van zijn vislijn. Hij maakte ons, de andere drie, met opgewonden stem, attent op die mooie verschijning. En het korte rokje dat ze droeg onder het al even weinig verhullende topje van het, voor haar vermoedelijk zowat vijftien jarige leeftijd, reeds fraai gevormde lichaam.

Wouter floot luid tussen zijn tanden. De frêle schoonheid stopte en keek ons glimlachend aan. Waarop Wouter haar uitdagend vroeg of dat rokje niet nog wat hoger kon. “Oh, jawel hoor!” zei het meisje lachend, “Ik draag er toch nog een broekje onder!” Waarop het lekker ding haar minirokje optilde en wij een nauw om haar lijf spannend bleekroos onderbroekje te zien kregen.

Wouter sprong van opwinding bijna uit zijn eigen broek. Zenuwachtig, met blozende kaken en trillende stem vroeg hij aan het meisje waar ze heen ging. De speeltuin, zo liet ze weten. En toen ze met haar lieflijke stem positief antwoordde op zijn vraag of hij mee mocht gaan met haar, was Wouter niet meer te houden. Verbaast keken we toe hoe de jongen vliegensvlug al zijn visgerij bij elkaar scharrelde, ons nog snel ten afscheid groette en vervolgens naar dat meisje toe holde.

Wij, achterblijvers, keken die twee nog even na. Wouter met zijn zware visbak middels een riem op de rug dragend, in één hand de lange smalle zak met zijn vislijnen en met de andere hand wild gebaren makend. Terwijl het naast hem stappende meisje hem, onder het verleidelijk bij elkaar nemen van haar lange sluike haar, glimlachend aankeek. Waarschijnlijk was onze maat die knappe deerne een verzonnen verhaal aan het vertellen over eerdere wonderbaarlijke visvangsten.

Wouter zagen we die dag niet meer terug. Maar een dag later was hij wel terug van de partij. En bracht de jonge kerel, onder het vissen, in geuren en kleuren verslag uit van de formidabele namiddag die hij had beleefd met die mooie, vrouwelijke leeftijdgenote.

Ru(sh)di(e), 23 oktober 2011 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 januari 2012.

28-05-11

De avonturen van Rudi & Co - Terug van eigenlijk nooit ver weg geweest

De laatste tijd viel er op de verschillende internet- media maar bitter weinig van mij te bespeuren. Dat heb ik net als jullie vastgesteld. Via deze weg wil ik trouwens hen bedanken die in die periode informeerden naar mijn welzijn, en daar meestal geen antwoord op kregen. Omdat ik er geen had!

Vandaag is ‘DAG 1’ van mijn rentree. En jullie hebben het voorrecht daarvan getuige te zijn. Proficiat! En dank van mijnentwege om een deeltje van jullie, al naar gelang vrije tijd, dan wel verloren tijd op het werk, te besteden aan het lezen van hetgeen ik hier op de servers van Skynet heb achtergelaten.

Is er wat veranderd in mijn leven, de laatste weken? Of voorgevallen? Uiteraard, want ook voor mij draait de wereld door. En vaak zo snel dat de wieltjes van het gemotoriseerde vehikel waarin ik mij voortbeweeg, nauwelijks het draaitempo van die aardkloot kunnen bijhouden.

En als er één of andere klootzak rotzooi achterlaat op de openbare weg, waar ik dan plompweg de banden van mijn machine lek in rijd, dan kan ik, wegens ongewenste noodzakelijke algehele stilstand, al helemaal niet meer mee.

Uiteraard is een dergelijke gebeurtenis me recentelijk alweer ten deel gevallen. Waarschijnlijk deels mijn eigen fout. Wegens het even niet mijn twee blauwe kijkers op de rijweg gericht houden. Maar ik kan het mezelf toch moeilijk kwalijk nemen dat ik een ogenblik, of iets langer, opkijk als er in mijn gezichtsveld een goedgevormde derrière opduikt, van een mij passerende jonge fietsster?!

Eind augustus (2010) waren mijn ouders 50 jaar getrouwd. Omdat mijn vader ongeneeslijk ziek is en door de zware chemotherapie zich vaak heel beroerd voelt, hadden ma & pa ervoor gekozen om geen feest te (laten) organiseren, maar gewoon die ganse heuglijke dag elkeen die zich geroepen viel om hen persoonlijk te komen feliciteren, te ontvangen met drank en (overheerlijk) zelfgemaakt gebak.

Ook ik bracht hen, samen met mijn gezinsleden, in de namiddag een bezoek, en uiteraard een cadeau! Bijna miste ik de afspraak met het gouden paar, want toen ik op de route naar mijn ouderlijke woonst, verlaten door mijn kroost, die ik toestemming had gegeven reeds vooruit te rijden, aan een kruispunt, waar ‘zone 50’ geldt, de baan overstak, gaf de bestuurder van een witte Mercedes met aanhangwagen, die ik in de verte had zien aankomen, in plaats van te vertragen, plankgas! Allicht met de bedoeling me voorbij te zijn vooraleer ik overstak. Die idioot had duidelijk niet door dat een elektrische rolstoel betrekkelijk snel optrekt en moest derhalve zwaar op zijn rem gaan staan om niet met mij in botsing te komen. Want toen ik de auto zag versnellen, was ik al halverwege de baan, en daar stoppen om die halvegare te laten passeren, was wel het laatste dat in me opkwam. Een zwart rubberspoor achterlatend op de rijweg en luid claxonerend vloog die kinkel achter mijn gat voorbij.

Mijn ouders waren heel blij ons te mogen verwelkomen. Het was al meer dan een halve dag een gezellig, ontspannen komen en gaan geweest van buren, vrienden en familieleden. Op de eettafel stonden geschenken en op de kast een ganse rij kaartjes. Eén ervan was afkomstig van het stadsbestuur van hun woonplaats. Enkele dagen eerder had een vrouwelijke ambtenaar mijn ouders gebeld om te vragen wanneer het feest doorging, zodat de schepen wist wanneer zij kon langskomen met een geschenk.

Toen mijn ma zei dat er geen feest was gepland, maar de mensen de ganse dag door mochten langskomen en ze zelfs onnodig, toch spontaan de reden voor deze keuze meedeelde, kreeg ze van het wijf dat haar had opgebeld, botweg te horen dat ze dan naar het bezoek van de schepen en naar een cadeau kon fluiten. Als jullie geen moeite doen om iets te organiseren, zo zei ze kortweg, dan doen wij ook geen moeite voor jullie!

Deze melding had mijn ouders toch wel geraakt. Ronduit beschamend vind ik dit! Blijkbaar MISBRUIKEN de burgemeester en schepenen de huwelijksjubilea van hun inwoners uitsluitend om propaganda te voeren voor zichzelf. En worden zij die door ziekte, onvoldoende financiële middelen of enige andere reden, geen activiteit organiseren waarop wat volk aanwezig is, gediscrimineerd. Naar ik vermoed wordt het bedrag van die cadeaus ‘voor ALLE jubilarissen’ trouwens gebudgetteerd in de gemeentekas. Derhalve vraag ik mij af wie zijn zakken vult met de niet uitgereikte geschenken.

Op dit ogenblik heb ik er evenwel totaal geen zin in om het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding van de vaststelling van deze onacceptabele gang van zaken op de hoogte te brengen. Noch zie ik het momenteel zitten om de burgemeester en de schepen van bevolking ter zake te interpelleren en hun allicht politiek correcte, doch, of daaruit volgend, onzinnige uitleg te aanhoren. Liever besteed ik mijn tijd aan het moreel steunen van mijn ouders tijdens mijn pa’s zware levensverlengende therapie.

Die mensen hebben trouwens het geluk niet aan hun kant. Want nog geen volle 9 jaar na het op jonge leeftijd (40 jaar) overlijden van hun oudste kind, mijn grote zus, is drie weken geleden ook hun jongst geborene, mijn enige broer, op een nog prillere leeftijd (37) overleden

Ander triest nieuws, maar dan van een heel ander, en veel minder belangrijk allooi, was de bekendmaking van het voorlopig einde van mijn favoriete politica, Kim Geybels. Spijtig genoeg blijkt dat schoon, jong vrouwmens, naast heel intelligent, ook uiterst, bijna kinderlijk naïef en goedgelovig te zijn. Een jammerlijk einde van haar politieke carrière, nog vooraleer deze goed en wel een aanvang nam? Of krijgt deze dame kans op een nieuwe start bij Open VLD of elders? De toekomst zal het uitwijzen!

Was ik nog gelovig geweest, ik had me naast Kim gezet voor een gezamenlijk aanbidden van de heer. Nu diende die knappe spoedarts dat in haar eentje te doen. Toch maar beter je kunnen aanwenden om vooruit te komen in het leven, Kim. En voor een nieuwe kans te bekomen in de politiek, welke ik je van harte gun en zelfs toewens! Want boven brandt er dan wel voortdurend licht, maar als je de (trieste) staat van de wereld beziet, is daar wellicht nimmer iemand thuis.

Gelukkig bestaat het leven niet enkel uit kommer en kwel. Zo heb ik, voor het eerst sinds een jaar of vijf, eens de nacht doorgebracht in een bed, elders dan bij mij thuis of in een ziekenhuis. Ik ben immers midden september een weekend naar de Franse Ardennen geweest. Samen met mijn zoon en nog een andere sympathieke kerel, een leeftijdgenoot van me. Die had geregeld dat we in het vakantiehuisje van een vriend konden verblijven, in het prachtige Vireux-Wallerand, gelegen in de Maasvallei.

Dit uitje vergde heel wat organisatie met betrekking tot de verplaatsing naar ginder en mijn verzorging aldaar, maar alles is feilloos verlopen. Dit ondanks een in dat opzicht riskante tocht, die we op onze eerste verblijfsdag ter plaatse ondernamen. Over een grotendeels met middelgrote kiezelstenen bezaait pad naar een top van de beboste heuvels bezijden de Maas. Alwaar we trouwens een prachtig uitzicht hadden op het prachtige stukje natuur waarin we ons bevonden.

Toen we tijdens de tweede dag van onze trip een tochtje maakten via een mooi, goed onderhouden, her en der van zitbanken voorzien, geasfalteerd fiets- en wandelpad langsheen de Maas, bezorgde zoon Brian al springend en huppelend met de BMX, zijn rijwiel een lekke band. En ik had potverdorie mijn rugzak met daarin een fietsband herstelkit, in het vakantiehuisje laten liggen! Geen nood evenwel, want ik liet zoonlief hulp vragen bij een fietsend trio dat we even daarvoor hadden opgemerkt. Die aardige Britten, net gestart met een vijfdaagse fietstocht door Frankrijk, België en Duitsland, stelden niet alleen hun materiaal ter beschikking, maar namen zelf het grootste deel van de herstelklus voor hun rekening. Fantastisch, niet?! Het leven kan toch zo mooi zijn, als mensen vriendelijk, verdraagzaam en behulpzaam zijn jegens elkaar!

Ru(sh)di(e), 15  oktober 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 30 maart 2011.

02-11-10

Heden en verleden - Damesfiets

      

Gedurende de laatste jaren van mijn middelbare schooltijd gebruikte ik vaak mijn moeder haar, toen nieuwe, bruinkleurige fiets om me naar school te verplaatsen. Ik reed immers veel liever met een damesfiets, waarop je rechtop kan zitten, dan met een herenfiets, waarop je je in een voorover gebogen zithouding voortbeweegt.

Toentertijd had ik halflang haar. En droeg ik meestal een jeansbroek. Van die nauw om je lichaam spannende exemplaren. En mijn bovenlichaam stak vaak in een trui die tot onder mijn zitvlak reikte. Of een hemd van een type dat zowel door meisjes als door jongens werd gedragen, met de lange slippen boven de broek gehangen. Met als gevolg dat ik, als fietser, zo nu en dan door jongens werd nagefloten. Die zagen mij, vanaf de rug gezien, immers aan als meisje! Toen vond ik dat helemaal niet leuk. Maar als ik daar nu aan terugdenk, vind ik dat vrij grappig.

Op de dagen dat ik met mijn ma haar fiets mijn schoolse plicht vervulde, stalde ik dit stalen ros niet in de reguliere, door de onderwijsinstelling voorziene parkeerstalling. Daar moest die immers aan een haak worden gehangen. Wat heel sletig was voor het rijwiel. En ik vond het mijn plicht om uiterste zorg te dragen voor mijn ma’s gerief. Ik was al blij dat ze die fiets zo gewillig aan mij toevertrouwde. Dus haar eigendom in goede staat houden was het minste wat mijn ma van me mocht verwachten.

Daarom plaatste ik haar mooie rijwiel tussen de bomen aan de hoofdingang van de school. Op een plek waar voortdurend volk passeerde. En netjes beveiligd met het wielslot waar ma’s velo mee was uitgerust. Een toenmalig modern gadget dat het gedoe met losse fietssloten overbodig maakte. De eerste keren dat ik met ma’s fiets naar school kwam, controleerde ik tijdens de pauzes telkenmale of hij er nog stond. Maar al snel stapte ik af van die gewoonte.

Toen ik na een examen, waarbij we de school mochten verlaten eens we ons antwoordenblad hadden afgegeven, bij de fiets arriveerde, kwam ik tot de vaststelling dat ik het sleuteltje van het fietsslot kwijt was. Ik tastte alle zakken van mijn kledij af, maar kon dat drommelse kleine ding helaas niet vinden. Was ik het dan verloren, onderweg van het klaslokaal naar de stalplaats? Ik speurde het ganse traject af, tot twee keer toe, maar kon jammer genoeg het sleuteltje niet vinden.

Dus ben ik maar in een werkplaats van de school een stevige tang gaan lenen. Een zogenoemde betonschaar. In elk van mijn pollen hield ik het uiteinde van één van die wel een halve meter lange handvatten vast. De hardstalen bekken van het werktuig plaatste ik op het stukje buis van het fietsslot dat tussen de spaken van het achterwiel stak om zodoende het ronddraaien ervan te vermijden. Met pijn in het hart bracht ik met een, vanwege het hefboomeffect, weinig benodigde kracht, mijn handen naar elkaar. Waarbij het stukje buis werd doorgeknipt en ik het vervolgens probleemloos kon verwijderen. En na het terugbrengen van dat stuk knipgereedschap, gezwind met de fiets naar huis kon rijden.

Met een ei in mijn strakke broek natuurlijk, want ik had mijn ma haar mooie, nieuwe, voor haar verplaatsingen zoals boodschappen doen zo noodzakelijk instrument, een stukje kapot gemaakt. Welks scene er zich bij mijn thuiskomst afspeelde, kan ik mij niet meer herinneren. Dus vermoed ik dat mijn ma niet al te zwaar heeft getild aan het gebeurde. Ze kende mij als een zorgzaam type persoon en wist dus dat ik dat sleuteltje niet uit onachtzaamheid zou zijn kwijtgespeeld. Dat ik een goed examen had gemaakt interesseerde haar toen vast meer. En dat ik die namiddag onbezorgd studeerde voor het examen van de dag nadien was op dat moment waarschijnlijk ook een grotere bekommernis. Vermoedelijk is moederlief, vanaf die dag, om haar rijwiel vast te zetten, terug een gewoon cijferslot uit onze collectie beginnen gebruiken.

*****

Toen mijn ma zich vele jaren later opnieuw een nieuwe fiets aanschafte, gaf ze de oude, een iets meer dan een decennium eerder soms nog door mij bereden fiets, aan mijn echtgenote cadeau. Nog steeds in goede staat, want zorgzaam onderhouden door mijn ouders. En inclusief fietszakken, die inmiddels aan het fietsstoeltje waren bevestigd. Dat wielslot bevond zich ook nog steeds in de toestand waarin ik het had gebracht. Dus onbruikbaar. Het door de fietsmaker later vervangen door een nieuw exemplaar was er blijkbaar nooit van gekomen. Of mogelijks door mijn ouders te duur bevonden.

De fiets kreeg een plaatsje toegewezen bij de andere rijwielen in onze garage. Waaronder de voorheen door mijn vrouw gebruikte tweedehands fiets. Welke werd op rust gesteld, maar behouden als reservefiets. Zo begon ma’s oude fiets aan een nieuw leven. Waarin het voortverplaatsingsmiddel heel wat minder intensief werd gebruikt. Af en toe voor een marktbezoek, nu en dan eens om brood te halen bij de bakker en hoogst zelden voor een fietstochtje.

*****

Een jaar of drie geleden kocht ik mijn beide zoons elk een moderne, sportieve herenfiets. Waarvan ze, binnen het door mij beschikbaar gestelde budget, ieder voor zich, zelf het merk en model mochten uitkiezen. Waar ze heel blij mee waren. Dit in tegenstelling tot de gevoelens die ze uitten toen ik hen naderhand een mooie, sobere maar kwalitatieve fietshelm bezorgde. Waarvan ik verwachtte dat ze die op hun hoofdje zouden zetten bij elke verplaatsing met hun nieuwe, overeenkomstig hun lichaamsgrootte, nog net iets te grote fiets.

Sinds het begin van dit jaar is één van mijn zoons begonnen met nogal vaak zijn moeders fiets te gebruiken bij zijn verplaatsingen naar school, het zwembad, de bakker of andere bestemmingen. Vooral die fietszakken vind de jongen erg praktisch en handig. Om het brood van bij de bakker in op te bergen, zijn inline skates of zwemgerei in te vervoeren bij het uit sporten gaan en zo meer.

Het rijwiel is, door een vrijwel totaal gebrek aan onderhoud, volledig doorroest en oogt helemaal niet fraai meer. Maar dat deert mijn zoon blijkbaar niet. Volgens hem bolt het oude karretje trouwens zelfs beter dan zijn door opa’s noeste arbeid nog steeds als nieuw ogende herenfiets.

Mijn zoon Brian op de van oorsprong zijn oma’s fiets… een déja vu? De kledij waarmee de jongen op de fiets zit verschilt wel wezenlijk van mijn toenmalige outfit. Hij draagt ook wel vaak jeans, maar van die net iets te grote modellen, die hij dan overeenkomstig de huidige mode, halverwege zijn poep laat hangen. Zodat minstens de helft van zijn onderbroek voor iedereen zichtbaar is. Terwijl in mijn tijd ondergoed zedig werd onttrokken aan het oog van anderen.

Lange truien of dito hemden draagt mijn zoon niet. En zijn bruine krulletjes worden meestal heel kort gehouden. Behalve als hij, zoals nu, aan het sparen is voor wat haar om er vervolgens vlechtjes in te laten leggen. Zoals menig topvoetballer, rapper of hiphopartiest.

Aangezien mijn dertienjarige zoon er dus, in tegenstelling tot zijn pa, bijna twee decennia eerder, langs geen enkele kant bekeken, ook maar een beetje vrouwelijk uitziet, zal hij allicht nimmer door jongens worden nagefloten. Tenzij het dan kerels zou betreffen die vallen voor menselijke exemplaren van hun eigen soort. Maar van dergelijke voorvallen heb ik geen weet. En ik ben er heel zeker van dat zoonlief zulks absoluut niet leuk zou vinden. En helemaal niet grappig!

Rudi, 20 mei 2010 (publicatie op mijn blog ‘Rudi’s kijk op de wereld’), revisie op 2 november 2010.

27-05-10

Heden en verleden - Het leven zoals het is

  

Vorige week was ik aanwezig in een bankkantoor waar ik tot dan toe niet als klant was gekend. De reden van mijn bezoek aldaar was het openen van een bankrekening. Zonder slag of stoot ging dat niet. Want het computersysteem weigerde in eerste instantie, en ook in tweede, mijn identiteitsgegevens te bewaren, die via mijn in een kaartlezer gestopte identiteitskaart, op het computerscherm verschenen.

Bijgevolg dienden mijn gegevens op de conventionele manier te worden ingebracht. Zijnde het inscannen van de beide zijden van mijn elektronische identiteitskaart en van mijn handtekening. Waar serieus wat tijd in kroop. Wat ik dacht in een kwartiertje geregeld te krijgen, nam uiteindelijk drie keer zoveel tijd in beslag!

En mensen, wat een massa papier ging er bij deze handeling verloren. Die registratiepapieren, in drie exemplaren, het afdrukken van de voorwaarden en zo meer. Ecologisch gezien betekent het openen van een bankrekening, op zulk een manier, ernstige roofbouw op de natuur. Papier, inkt, elektriciteit... Mijn ecologische voetafdruk bedraagt alweer een maatje meer. Helaas! Maar gedane zaken nemen geen keer, dus ga ik me voor de rest niet druk maken over dit feit.

Wat ik enigszins raar vind is dat de dame die deze formaliteiten vervulde, gegevens wou over mijn inkomen, wou weten welke inkomsten er op die net geopende rekening zullen worden gestort en ze me daarenboven, weliswaar vriendelijk, doch enigszins dwingend, de vraag stelde of ze mocht weten wat ik van plan ben om met die rekening aan te vangen.

Waarschijnlijk is dit een routinevraag, maar ze kwam bij mij nogal raar over. Alsof bijvoorbeeld een dakwerker zal zeggen dat hij op zijn nieuwe bankrekening zijn uit zwartwerk verkregen inkomsten zal storten. Of een witte boord crimineel zal verklaren dat hij er zijn frauduleus verkregen gelden op zal parkeren. Of een drugsbaas aan een bankbediende zal bekennen dat hij net een rekening opende om er de opbrengsten van zijn drugstrafiek op onder te brengen.

Voorts vind ik zulk een vraag een ernstige inbreuk op de privacy. Stel je voor dat ik aan een sollicitant, die zich bij mij aandient voor een openstaande vacature, zou vragen wat de  kandidaat zinnens is om aan te vangen met het geld dat zij of hij bij een eventuele aanwerving, bij mij kan verdienen? Ik zou ongetwijfeld nogal een hevige reacties krijgen. En mogelijks niemand vinden om voor me werken. Terecht, overigens!

Maar ik hield me, in tegenstelling tot wat mijn gewoonte is, gedeinsd. Dat ganse gedoe met al die paperassen had al zo veel tijd gekost, dat ik geen zin had om er nog meer te verspillen door een nutteloze discussie aan te gaan met iemand die vast enkel uitvoerde wat haar overste haar heeft opgedragen.

Toen die vrouwelijke bankbediende alle verkregen data opsomde riep in haar op een gegeven moment even halt toe. Want bij burgerlijke stand had ik gehoord 'ongehuwd'. Terwijl ik officieel wel al sinds 1993 ben getrouwd. Die status wijzigen was volgens de bankbediende evenwel onmogelijk, omdat het gegeven zo van mijn identiteitskaart werd gelezen. Vreemd...

*****

Enkele dagen voordien had de, volgens de aan mijn identiteitskaart gekoppelde data, niet bestaande echtgenote, op mijn herhaald verzoek, mijn nog, in wat vroeger onze gezamenlijke slaapkamer op de eerste verdieping was, aanwezige kledij, in een grote doos en een dito geruite verhuiszak gestopt. Zodat ik ze elders, in een voor mijn assistenten toegankelijke ruimte, zou kunnen onderbrengen.

Terwijl ikzelf in de woonkamer zat, op het gelijkvloers, zoals vaak voor mijn computer, was zoon Brian blijkbaar toevallig getuige van de activiteiten van zijn ma. Want ik hoorde hem plots, door het houten vloer annex plafondgewelf uitroepen 'awesome!' (formidabel!). Waarna ik hem van de, ook al houten, trap hoorde naar beneden denderen. Waar even later de deur tussen onze hal en de woonkamer open vloog, en mijn zoon door het deurgat de kamer binnen stormde. Uitgedost in een beige broek die ooit tot mijn zondagse outfit behoorde en mijn, uit een ver verleden afstammende, zware zwartlederen motorvest.

Uitgelaten en blij stond de jongen daar te draaien, zich te showen voor mij en voor zichzelf. Dat laatste was mogelijk door de weerspiegeling van zijn gedaante in het glas van een manshoge vitrinekast die in onze living staat opgesteld. Brian had deze kledij gegraaid uit die door mij ter beschikking gestelde doos. Ooit de stevige kartonnen verpakking van een groot computerbeeldscherm.

Een dag later heb ik, met de praktische hulp van mijn assistente, alle overgebleven kledij van vroegere jaren eens aan mijn gezichtsveld laten passeren en er de items uitgehaald waarvan ik vermoedde dat ze mijn kinderen zouden passen en waarin ze mogelijks zouden kunnen geïnteresseerd zijn om ze aan hun garderobe toe te voegen.

In de avonduren heb ik hen die kledingvoorraad dan naar de woonkamer laten brengen. En mochten ze hun keuze maken. Wat me een verkleedschouwspel bezorgde dat aangenaam was om te zien.

*****

Het weerzien van een deel van mijn kledij van een tijd geleden, deed me terugdenken aan mijn favoriete kledingstukken van nog vroeger. In de decade tussen mijn vijftiende en mijn vijfentwintigste levensjaar droeg ik graag strakke, nauw om het lijf spannende broeken. Waarvoor je plat achterover op je bed moest gaan liggen om ze aan te trekken. En je buik diende in te trekken om de rits gesloten en de broeksknop dicht te krijgen.

Meestal droeg ik jeans. Maar af en toe kon ook een uit een andere textielstof vervaardigde pantalon, mij bekoren. Zo had ik, ten tijde van mijn voorlaatste jaar aan de middelbare school, een witte broek. Die enkel ter hoogte van mijn onderbenen enige ruimte vrij liet tussen het kledingstuk en mijn huid.

Op het einde van het schooljaar had ik mij vrijwillig aangemeld om ter voorbereiding van het opendeur weekend, op een vrije namiddag, het elektronicalokaal van onze school op te ruimen en enigszins aantrekkelijk in te richten. De klus was bijna geklaard toen ik mij hurkte om iets op te heffen en bij deze handeling de achterkant van mijn strakke witte broek hoorde en voelde scheuren.

Snel stelde ik me recht en voelde met mijn beide handen aan mijn bibs. Mijn broek was netjes in twee gescheurd, over de gehele lengte van mijn bilspleet! Nog een geluk dat ik die ochtend een propere onderbroek had aan getrokken. Want mijn twee klasgenoten, met wie ik de werkzaamheden verrichtte, waren op het geluid van die scheurende stof en mijn daarop aansluitend gevloek afgekomen en keken grinnikend naar mijn zitvlak.

Gelukkig droeg ik een lange zwarte gebreide wollen trui, die ik zo ver als enigszins mogelijk was, over mijn poep trok om de averij zoveel als mogelijk aan het zicht van anderen te onttrekken. Volgens mijn nog steeds glimlachende maten lukte dat op die manier vrij goed.

Het afwerken van de klus in het labo liet ik over aan hen en de leerkracht die poolshoogte kwam nemen, maar aan wie ik niks over mijn gescheurde broek vertelde. Aangezien ik me er eigenlijk een beetje voor schaamde.

Spiedend stapte ik over de verlaten speelplaats, richting de boom aan de uitgang, waar ik mijn moeder haar fiets had gestald. Het gebeurde wel vaker dat ik mijn ma haar tweewieler gebruikte op momenten dat ze hem kon missen. Dat, als gevolg van de opbouw van het tweewielig vervoermiddel verplicht voorover gebogen zitten op een herenfiets vond ik immers niet zo leuk. Vandaar dat ik me liever met een damesfiets verplaatste.

Wat me nu trouwens ook uitermate goed uitkwam. Want gezeten op mijn mannenfiets had ik, tijdens de 8 kilometer lange rit huiswaarts, mijn billen nooit geheel kunnen onttrekken aan het zicht van eventuele passanten. Wat me, gezeten op mijn ma haar fiets, wel redelijk lukte. In een zo rechtop zittende houding als enigszins mogelijk was, wisselde ik voortdurend van hand om het stuur vast te houden, zodat ik met de vrije hand mijn omhoogschuivende trui naar beneden kon trekken. Allicht heb ik toen kunnen ervaren hoe het aanvoelt als je als meisje, met een ultra kort jurkje of rokje aan, met je onderbroek op het fietszadel zit.

Daar denk ik nu aan. Want toen was al mijn aandacht gericht op de vrees om bekenden tegen te komen die zouden merken wat er met mijn broek aan de hand was. En voor schut staan en mogelijks de dagen nadien door de halve schoolbevolking of een kwart van mijn dorpsgenoten uitgelachen worden, daar had ik als tiener totaal geen zin in.

Rudi, 8 maart 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 12 mei 2010.

03-04-10

Rudi’s overdenkingen - Dubieuze getuigenissen

  

Vorige zaterdag was het Halloween. En mijn zoon Brian had het plan opgevat om, net zoals vorig jaar, met een maat de huizen in onze buurt af te gaan. Puur voor de lol en in iets mindere mate tevens om gratis aan wat lekkers en aan enkele Euro's te geraken! Vorig jaar had die activiteit hem immers ook een aardige buit opgeleverd.

De avond ervoor kwam er een vriend logeren, die net als hij eigenlijk reeds de vrijdagavond op pad wou. Daar hadden wij, de ouders, niks op tegen, zolang de jongens voorzichtig zouden zijn en terug thuis op het door ons vooropgestelde tijdstip.

Voor ze vertrokken lieten ze zich door ons keuren. In tegenstelling tot eerdere plannen had Brian geen masker opgezet, waardoor hij goed herkenbaar was. Dus had ik er geen bezwaar tegen dat hij een neppistool meenam. De buren die hij wou verrassen, kennen mijn zoon goed genoeg om niet te denken met echte overvallers te doen te hebben.

Nog geen half uur waren ze weg, toen er op de deur werd geklopt. Wij verwachtten geen bezoek, dus ik vermoedde dat het of onze eigen jongen en zijn maat waren die voor de deur stonden, of andere verklede individuen die ook niet tot de volgende dag hadden kunnen wachten vooraleer op Halloweentocht te gaan.

Lichte paniek bij mijn vrouw, want ze had niet onmiddellijk snoepjes bij de hand om af te staan. Dus ging ze maar eerst de voordeur openen. Ik hoorde wat over en weer gepraat, draaide me richting binnendeur en zag daar even later twee personen verschijnen. Verkleed... in een blauwe outfit. Een Politie-uniform. Het bleken trouwens echte agenten te zijn, of inspecteurs, want dat werd er niet bijgezegd.

Na hen verwachtte ik mijn zoon en diens maat te zien verschijnen, want ik vermoedde onmiddellijk dat dit politie was op patrouille die de jongens abusievelijk als schurken had aanzien en na verhoor van de jongens nu bij de ouders hun verhaal kwam checken.

Niks van dat evenwel. Hun bezoek had te maken met iets totaal anders. Op 15 augustus van dit jaar zijn wij met het gezin naar het Oogstfeest geweest van de plaatselijke Landelijke Gilde. Waar mijn zoon Brian 's avonds de playbackshow won.

Nu bleek daar, volgens de mannelijke helft van het politieduo, in de buurt van waar dat evenement was doorgegaan, een weiland te liggen, waar toen van die grote, ronde, in plastiek gewikkelde balen stro zouden  hebben gelegen. Waarvan er die dag enkele zouden zijn beschadigd. En een 'getuige' zou mijn vrouw hebben zien staan telefoneren op de verharde weg naast dat land, terwijl haar kinderen op die balen aan het spelen waren.

Een 'getuigenis' die uiterst dubieus is. Mijn kinderen hebben die dag niet met elkaar opgetrokken, dus kunnen nooit samen op zo een baal stro zijn gezien. Het enige dat klopt in het verhaal is dat mijn kinderen hun mama op een gegeven moment een wandeling is gaan maken. Ze meende zich inderdaad te herinneren en acht het heel waarschijnlijk dat ze toen aan het bellen is geweest. Maar van op balen stro spelende kinderen dacht ze niet iets te hebben opgemerkt.

Onze kinderen kunnen het in ieder geval niet zijn geweest, want die waren op dat moment elk op een andere plek aanwezig op het 'evenemententerrein'. En ik had daar goed zicht op want ik heb, omwille van de overdadige zonneschijnhitte die dag, de ganse tijd in de schaduw gezeten aan de rand van dat plein.

Los van de feiten vraag ik mij af welke schade spelende kinderen aan die balen kunnen hebben aangericht. Waarvoor de eigenaar nu van de 'daders' een schadevergoeding wil eisen. Volgens die politiebeambte was een deel van de plastiekfolie eromheen, kapot getrokken. Maar daar gaat dat stro toch niet van 'stuk'? En wat dan met de twee rollen ongecoate hooibalen die bij één van de spelletjes werden gebruikt? Niet goed genoeg meer als voer voor de beesten of desnoods als vloerbedekking in de stallen?

Wat een laffe en achterbakse 'pseudogetuige' overigens! Als die toen iets heeft gezien dat niet hoorde, waarom heeft die dan niet ogenblikkelijk gereageerd? Hadden mijn vrouw, ik of zelfs één van onze kinderen 'iemand' vandalenstreken zien uitrichten, dan hadden wij die lui onmiddellijk gesommeerd daarmee op te houden en bij vaststelling van schade de organisatoren van dat feest verwittigd. Want dat is toch de enige juiste reactie? Het zou mij niet verwonderen mochten jullie uit de aangebrachte data dezelfde conclusie trekken als ik doe.

*****

Zo een situaties heb ik eerder meegemaakt. Samen met mijn zonen Brian en Austin, een twee-eiige tweeling, bezocht ik jaren geleden het filiaal van een grote doe-het-zelf winkel in de buurt van onze woning. Op zoek naar een aantal spullen die ik nodig had om dingen te laten maken in en om ons huis.

Austin was een beetje, of eigenlijk nogal veel, tegen zijn goesting meegekomen en bleef dus dicht in mijn buurt rondhangen, terwijl zijn broer op stap ging om me te helpen de benodigde items bij elkaar te zoeken.

Op een bepaald moment kwam er een redelijk jonge vrouw me voorbij gestoven. Een personeelslid van de winkel, zo kon ik zien aan haar kledij. Voor ze de gelegenheid kreeg mijn zoon aan te spreken, vroeg ik haar beleefd me te vertellen wat er aan de hand was. Verbaast en verward keek ze me aan. Die vrouw was klaarblijkelijk zo gefocust geweest op mijn jongen dat ze mijn aanwezigheid niet eens had opgemerkt.

Ze vertelde mij dat ze er 'getuige' van was geweest dat die jongen, die daar, ook al verrast, stond te kijken, spullen uit de rekken had gehaald en er vervolgens mee aan de haal was gegaan. Ik kon niet volgen, want Austin was de ganse tijd in mijn gezichtsveld gebleven en ik had hem wel al naar de prijs van bepaalde producten laten kijken, maar hij had nog niet eens iets aangeraakt.

Toen verscheen Brian ten tonele. In een geheel andere outfit dan zijn broer en het haar heel kort geschoren, terwijl broerlief kleine krulletjes had. In zijn handjes had het jongetje een aantal zakjes en doosjes met spullen in waarvan hij hoopte dat dit nu eindelijk was wat ik zocht. Want het ventje was al een aantal keer tevergeefs heen en weer gehold.

De winkeldame stond perplex. Keek van de ene jongen naar de andere en vervolgens terug naar zijn broer en daarna naar mij. Ze wist duidelijk niet was zeggen, dus sprak ik maar voor haar. Dat ik concludeerde dat ze in al haar vooringenomenheid een grove flater had begaan. Maar denk je dat ze, zoals je in zulk een situatie zou durven vermoeden, haar verontschuldigingen aanbood? Neen hoor. Niks daarvan! Uit haar strot kwam slechts een goedpraten van haar fout gedrag. Want ja, er werd immers zoveel uit de winkel gestolen, door jonge kinderen.

Op mijn vraag of dat dan voor haar betekende dat alle kinderen potentiële dieven waren of enkel die met een melkchocoladen huidskleurtje, kreeg ik geen antwoord. Het groengeklede spook had zich, nog vlugger dan ze op mijn zoon was afgekomen, terug van ons weggehaast!

*****

Enkele jaren eerder, in het voor mijn gezin en mij zo noodlottig en ingrijpend jaar 2000, bracht mijn echtgenote op een gegeven moment een brief mee naar het ziekenhuis, van de autoverzekeraar van mijn vennootschap. Afkomstig van het hoofdkantoor en waarin stond dat ik werd verzocht om contact op te nemen met mijn makelaar teneinde de formaliteiten af te handelen van de aanrijding, op de parking van het ziekenhuis, tussen mijn vrachtwagen en een ook bij hen verzekerde personenauto. Waarbij de bestuurder van mijn voertuig de veroorzaker van de botsing zou zijn geweest.

Niettegenstaande ik reeds drie maanden plat op mijn rug te bed lag, viel ik bij dit bericht, pardoes uit de lucht. Dit laatste, in tegenstelling tot het eerste, uiteraard slechts figuurlijk. Gelukkig maar, want ik was er al erg genoeg aan toe na die mismeesterde nekoperatie.

Mijn vrachtauto zou dus een accident hebben veroorzaakt... Maar mijn firma bezat helemaal geen camion! Zelfs geen camionette. Enkel een kleine bestelwagen. Waar aan de zijkanten in het groot het logo, met naam en andere firmagegevens was op gekleefd. Een auto die doorgaans door mijn echtgenote werd bestuurd en waar zij zich ook geregeld mee verplaatste om me te bezoeken in het ziekenhuis.

Van een aanrijding had zij evenwel geen weet. En bovendien was ze, op de dag waarop het voorval zou hebben plaatsgevonden, niet eens bij mij geweest. Meer nog, dat bestelwagentje was die dag, om redenen die ik mij niet meer herinner en die hier trouwens ook helemaal niet ter zake doen, niet eens uit de garage geweest!

Mijn makelaar onderzocht de kwestie en kwam te weten dat er tegen de auto was gebotst van een bij dezelfde verzekeringsmaatschappij als mijn firma, aangesloten persoon. Een 'getuige' van dit malheur had een vrachtauto zien wegrijden met een naam op, die ook mijn firma draagt. De verzekeringsagent van de eigenaar van het aangereden voertuig had alle data doorgegeven aan de maatschappij en, waarschijnlijk omdat die voertuigeigenaar omnium was verzekerd, was de dossierbeheerder aldaar in het klantenbestand op zoek gegaan naar de door de 'getuige' opgegeven firmanaam en was zo uitgekomen bij mijn vennootschap. Had die domkop, die allicht van zichzelf dacht dat hij een slimme detective was, een heel klein beetje nagedacht, dan had hij zelfs alleen al op basis van het vermogen van dat wagentje van mij, kunnen concluderen dat hij met zijn vondst abuis was.

*****

Een voorval dat van nog veel vroeger dateert, betreft mijn drie jaar oudere zus,  die op het moment dat het hiernavolgende zich afspeelde, een jaar of zestien was. Het meisje volgde toen les aan een middelbare school, die was gelegen in een buurgemeente van onze woonplaats. En fietste elke ochtend naar die onderwijsinstelling. Samen met haar beste vriendin. Een meisje dat met haar ouders op een boerderij woonde, gelegen in dezelfde straat, en zelfs langs dezelfde straatkant als ons ouderlijk huis. Dat kind wachtte 's ochtends bij haar thuis mijn zus op en vanaf daar reden de meisjes samen verder.

Op een zekere ochtend, waarop mijn vader, die toen in ploegen werkte, nog thuis was en ik toevallig een vrije schooldag had, kwam er op een gegeven moment een auto op onze hof gereden. Met achter het stuur een afgeborstelde kerel, zo te zien gekleed in een maatpak en met naast hem, op de passagierszetel van de auto, een jonge gast. Nieuwsgierig wachtte ik af met wat voor een reden dit duo ons op een bezoek kwam vergasten. Want ma noch pa verwachtten die ochtend visite.

Mijn moeder ging de voordeur openen terwijl ook mijn vader zijn krant aan de kant legde en opstond uit zijn zetel. We hoorden wat gebabbel, waarna even later mijn ma de deur opende tussen de inkomhal en de living, waarin mijn pa en ik ons bevonden.

Die, inderdaad in een kostuum gestoken heer, kwam binnen, met in zijn kielzog een slungelachtige pummel. Mijn moeder meldde mijn vader dat het heerschap een verzekeringsagent was, en de jongen naast hem, een cliënt. Welke  zou hebben beweerd met zijn bromfiets te zijn gevallen, door toedoen van mijn zus, waarvan hij bij een eerder passeren had opgemerkt dat ze in ons huis woonde

Mijn ouders werden bleek om de neus, want dachten onmiddellijk dat ook zij was gevallen. Maar de verzekeraar stelde hen onmiddellijk gerust. Mijn zus was niet gewond. Waarop mijn vader dacht aan haar fiets en haar kledij. Ze had net een nieuwe groene Parka gekregen, een type jas met aangehechte kap, dat in die tijd mode was. Maar ook daar was geen schade aan, zo wist de man ons te vertellen.

Die verzekeringsagent had zich inmiddels onuitgenodigd neergezet op een stoel en zijn mapje met paperassen op een hoek van onze eettafel opengelegd. Met de pen in de hand wou die kerel mijn vader er toe overhalen een document te ondertekenen, een onderling akkoord voor de forfaitaire vergoeding van de door de jonge bromfietser geleden schade.

Dat mijn vader daar niet wou op ingaan, dat begreep die arrogante vent niet. En dat, spijts zijn geveinsde charmeoffensief, ook mijn ma niet was te overtuigen, al evenmin. Nochtans had hij een 'getuige' die alles had gezien, dus hadden mijn ouders volgens hem geen enkele reden om zijn voorstel te weigeren. Wat ze evenwel toch deden. De man en de jongen werden tegen hun zin buiten gewerkt. We aten ons middagmaal, mijn vader maakte zich klaar  om te gaan werken en vertrok, toch nog enigszins bezorgd, richting autofabriek.

Toen mijn zus in de late namiddag thuis kwam van school, inspecteerde mijn ma het meisje van kop tot teen. En was super blij dat ze geen lichamelijke letsels had. Dat ook haar jas, naar schoolse uniformnormen in lichtgroene kleur, onbeschadigd was, zag ze als bijzaak, maar was toch een meevaller. Mijn zus begreep slechts deels wat er aan de hand was. Een dame die op het schoolsecretariaat werkte had ook al aan mijn zus gemeld dat er een man op school was langs geweest die haar wou spreken, maar dat zij resoluut hadden geweigerd mijn zus uit de klas te halen. Waarop de man verontwaardigd was afgedropen.

Mijn moeder bracht haar dochter volledig op de hoogte van hetgeen wij die voormiddag hadden te horen gekregen. Mijn zus en haar vriendin hadden die jongen met zijn bromfiets die ochtend inderdaad opgemerkt. Vooral omdat die sukkel, na hen te zijn voorbijgereden, een beetje verder met zijn klikken en zijn klakken tegen de vlakte was gegaan. Ze waren nog gestopt om te vragen of ze hem konden helpen, maar dat bleek niet nodig te zijn. De jongeman was niet gewond en van bromfietstechniek, -mechanica en - carrosserie hadden de meisjes geen kaas gegeten, dus was het nog niet eens bij hen opgekomen om die bromfiets aan een onderzoek te onderwerpen. Bovendien dienden zij tijdig op school te zijn. En hadden ze die verlegen jongen, die hen nagenoeg dagelijks voorbij stak, meestal schichtig en geniepig naar de schoolmeisjes loerend, achtergelaten bij de andere omstanders.

Mijn vader was woedend toen hij 's avonds na zijn avondshift thuis kwam van zijn werk en van mijn ma de ware toedracht te horen kreeg van wat er die ochtend was voorgevallen. Nog steeds heel boos is hij de volgende ochtend naar de plek van het voorval gereden om die 'getuige' te confronteren met haar valse 'getuigenis'. Haar uitleg was even zielig als het mens zelf. Ze had de vorige ochtend de daar dagelijks voorbij fietsende meisjes opgemerkt, kort daarop een klap gehoord, was naar buiten gehold, had die meisjes naast de reeds recht geklauterde jongen en zijn deels op straat en gedeeltelijk op de fietsstrook liggende bromfiets opgemerkt en daaruit verkeerdelijk geconcludeerd dat alle drie betrokkenen waren in het accident. Meer zelfs, dat de meisjes er de oorzaak van waren!

Maar, zo zei ze, had ze geweten dat één van de meisjes mijn vader zijn dochter was, dan zou ze geen verklaring hebben afgelegd ten overstaan van die verzekeringsagent. Pure nonsens! Uiteraard heeft mijn vader pertinent geweigerd in te stemmen met ook maar om het even welke overeenkomst. Naar ik meen heeft onze eigen verzekeringsagent die listige beroepscollega van hem, terecht gewezen en zonder buit wandelen gestuurd.

Rudi, 6 november 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

05-03-10

De avonturen van Rudi & Co - Ontmoeting met een oud-bekende

  

Een jaar na mijn geheel ongepland en ononderbroken anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, was ik thuis eindelijk in die mate georganiseerd dat ik mijn toen zesjarige tweeling elke ochtend naar school kon brengen.

Doorgaans zat er dan één van hen op mijn schoot, terwijl de andere op mijn voeten zat, op één van mijn armsteunen of zich liet vervoeren door achteraan op het chassis van mijn zware elektrische rolstoel te gaan staan. En soms stapten mijn jongens gewoon allebei naast me mee. Met één handje de leuning van die voor mij zo onontbeerlijke machine vasthoudend. Mensen, wat genoot ik ervan deze taak te kunnen uitvoeren. Je kinderen naar school begeleiden zie ik trouwens niet zozeer als een plicht, maar eerder en vooral als een voorrecht!

De weg naar huis legde ik af tegen het verkeer in. De 3-vaks rijweg oversteken ter hoogte van onze woning was immers onverantwoord wegens levensgevaarlijk door het snelle, vaak roekeloze auto-, motor- en vrachtverkeer.

Tijdens één van die eerste terugritten botste ik bijna tegen een fietsende dame aan. Die wel in de juiste richting reed! Ze zat voorovergebogen op haar, vooraan het stuur van een mandje voorziene, conventionele damesfiets. En duwde met haar voeten naarstig op de trappers. Waarschijnlijk was die gehaast om tijdig op haar werk te verschijnen.

Was het daardoor dat ze geen teken van herkenning uitte? Volgens mij was dit immers de moeder van een schoolvriend uit mijn kinderjaren. Zelf knikte ik haar vriendelijk toe, maar van de dame haar gezicht, half verscholen achter een lange, enigszins krullende en vrij warrige haardos, was geen enkele expressie af te lezen.

Wat een verschil met vroeger! Want naar ik mij herinnerde was dat een heel praatgrage dame. Die steeds met luide stem elkeen die ze kende, van verre toeriep. En als ze, tussen haar steeds weer gehaast met de fiets van hot naar her rijden voor werk, boodschappen, familiebezoek of wat dan ook, zelfs maar even de tijd had, dan liet ze deze gelegenheid nooit onbenut om een praatje te slaan.

Maar mogelijks was er daar met het ouder worden enige verandering in gekomen. Niet erg waarschijnlijk en vanzelfsprekend, maar klaarblijkelijk toch wel het geval. Tijden veranderen en zo soms ook mensen. En aangezien mijn voorlaatste ontmoeting met mijn jeugdvriend zijn moeder reeds van misschien wel 20 jaar eerder dateerde, kon er in die tijdspanne veel zijn gebeurd, dat had geleid tot een plotse, of geleidelijke gedragswijziging. En ook lichamelijke wijziging. Want ze leek me kleiner dan in mijn herinneringen. Maar dat kon zijn omdat ik toen zelf een klein mannetje was, en dan lijkt elke volwassene een reus. Of anders kwam dat misschien omdat ze inmiddels van ouderdom was gekrompen, of allicht een combinatie van deze factoren, aangevuld met een niet geheel juiste memorie.

Vanaf die dag zag ik de vrouw vrij vaak. Meestal 's ochtends omstreeks half negen, maar soms ook op andere tijdstippen. En telkens weer zei ik haar vriendelijk gedag, of lachte haar op zijn minst beleefd toe of knikte met mijn hoofd. Altijd leek ze gehaast. En me aanspreken deed ze nimmer. Maar na enkele passages, waarbij we elkaar kruisten, vertoonde ze uiteindelijk toch tekens van herkenning en begon ze mijn begroeting te beantwoorden. Non-verbaal evenwel.

Raar is het feit dat ik deze vrouw nooit elders tegenkwam en zich nimmer anders voortbewegend zag dan op haar blijkbaar onafscheidelijke fiets. Dus wat er in al die jaren nooit gebeurde was bijvoorbeeld haar aantreffen terwijl ze te voet door de straten slenterde op de wekelijkse openbare marktdag. Of met een winkelkarretje struinend door de gangen van één van onze lokale supermarkten of een andere winkel, waar ik mezelf met mijn vehikel kon in voortbewegen.

Maar zo verwonderlijk was dat dan ook weer niet. Want de dame was steeds nogal sociaal geëngageerd geweest in het dorp waar ik mijn jeugd doorbracht. Een deelgemeente van de stad waar ik woon en leef, sinds ik 'groot' ben. Mogelijks deed zij al haar inkopen lokaal en kwam ze slechts naar 'de grote stad' om haar werk uit te oefenen. Kuisen bij particulieren of op scholen, zo meende ik mij te herinneren.

Enkele jaren na die hiervoor beschreven hernieuwde ontmoeting reed ik, op een zonnige lentedag, aan een gezapig tempo, over het marktplein van mijn woonplaats, toen ik iemand mijn voornaam hoorde roepen. Een uiterst herkenbare zware vrouwenstem. Ik draaide mij met mijn rolstoel in de richting van waar het geluid afkomstig was. En daar stond ze dan!  Mijn jeugdvriend zijn ma! Maar niet in de gedaante van de persoon van wie ik reeds sinds jaren aannam dat zij het was. Het plaatje klopte nochtans redelijk goed. Een warrige haardos en de fiets aan de hand! Maar ze was niet gekrompen. En haar fiets was weliswaar ook een oud model, maar zonder mandje aan het stuur. Het vehikel was evenwel uitgerust met twee flinke fietstassen. Eén aan elke zijde van het fietsstoeltje, zoals het hoort.

Mijn oud-maat zijn ma was nog even joviaal als in mijn verste herinneringen. Ze vroeg me hoe ik het stelde. In dat sappige, gekke dialect van haar. Niet de streektaal van de gemeente waar ze toen reeds sinds tientallen jaren woonde, maar in deze van de plaats van waar ze oorspronkelijk vandaan komt en haar jeugd doorbracht.

In antwoord op mijn vraag, bracht ze me op de hoogte van de toenmalige conditie van haar zoon en daarna wisselden we nog wat woorden uit. Maar veel tijd om te babbelen had ze niet, want ze had net gedaan met haar dagelijkse werk als kuisvrouw in een middelbare school in de buurt en moest er snel vandoor om nog vlug wat boodschappen te doen en toch tijdig thuis te zijn en klaar met het bereiden van het avondeten, tegen het moment dat haar man zou thuiskomen van zijn werk.

Bij het wat later naar huis rijden moest het toch wel lukken dat, toen ik bijna de oprit van mijn woning had bereikt, vanuit de tegenovergestelde richting die dame kwam aangespurt, waarvan ik tot dan toe abusievelijk had aangenomen dat het de mama was van mijn vroegere school- en speelkameraad.

Tegen het moment dat ik had beslist of ik die dame nu zou blijven groeten als was het een oud-bekende, wat ze, zoals een goed uur daarvoor was bewezen, duidelijk niet was, of haar vanaf nu straal zou negeren, was het vrouwmens me al lang gepasseerd. Ze had me bij het voorbijrijden slechts een zuinige glimlach toegeworpen en vroeg zich nu waarschijnlijk af waarom ik haar voor het eerst in al die jaren geen gedag zei.

Tot op de dag van vandaag rijdt de fietsende dame nog regelmatig voorbij mijn huis. Wie ze is, waar ze woont en naar welke bestemming ze zich dan telkens weer zo haastig spoedt, daar heb ik het raden naar. En het interesseert mij ook helemaal niet. Maar na die ene dag, waarop de verwarring mij even in haar greep hield, ben ik deze onbekende fietsster, op momenten dat ze mijn pad kruist, iets minder uitbundig, maar toch gewoonweg beleefd, gedag blijven knikken.

Rudi, 27 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 februari 2010.

08-05-09

Rudi’s overdenkingen - Russische huwelijkskandidates

 

Vele jaren geleden maakte ik geregeld op een Engelstalige site een praatje met leeftijdsgenoten uit voornamelijk de Verenigde Staten van Amerika. Toentertijd vond ik dat best leuk. We wisselden ervaringen uit op zowel persoonlijk als professioneel vlak. Door allerlei factoren kwam het er niet meer van die website te bezoeken en de contacten gingen verloren.

De voorbije winter, op een sombere, donkere dag, had ik ineens heimwee naar die tijd, naar die praatjes. De site van toen vond ik niet meer terug. Uiteindelijk kwam ik na wat googelen, terecht op de chat van een datingsite. Vooraleer te kunnen chatten moest ik een persoonlijk profiel aanmaken. Ik worstelde mij er doorheen en plaatste er zelfs een foto bij. Toen ik eindelijk met chatten kon starten, bleek echter, in geen enkele discussiegroep, het voeren van een ernstig gesprek mogelijk te zijn. Dus was ik er, enigszins teleurgesteld, snel weg.

Een goeie week na die mislukte chat-sessie, kreeg ik in mijn elektronische brievenbus de melding dat er in de mailbox, verbonden aan mijn profiel op de datingsite, een bericht was toegekomen. Nieuwsgierig ging ik vlug een kijkje nemen. Toen ik het bericht opende werd in eerste instantie mijn aandacht getrokken door de foto van een knappe, langharige blondine. Uit het in slecht Engels opgesteld berichtje kon ik opmaken dat deze achtentwintigjarige Russische dame op zoek was naar een Europese huwelijkspartner. Afgaande op mijn profiel meende ze dat ik wel eens voor haar de ware zou kunnen zijn.

Alhoewel ik onmiddellijk mijn bedenkingen had, moet ik toegeven dat ik me toch enigszins gevleid voelde. Per slot van rekening had die knappe griet mij uitgekozen uit ik weet niet hoeveel kandidaten. Allicht was ik niet de enige kanshebber, maar ik lag in ieder geval in de goede schuif. Ik besloot te reageren, teneinde iets meer te weten te komen over dit meisje en haar beweegredenen.

In mijn profiel staat dat ik gehuwd ben en kinderen heb. Dat stelde ik in mijn antwoord nog eens duidelijk. En dat ik derhalve geen potentiële huwelijkspartner was. Olga liet zich hierdoor echter niet afschrikken en liet me weten dat ze ook was geïnteresseerd in een gewone vriendschap. Ik had daar zo mijn twijfels over. We stuurden nog een aantal berichten naar elkaar. Zo kwam ik te weten dat mijn correspondente alleen woonde in een kleine flat en ondanks een universitair diploma een armzalig kantoorbaantje had. Vader was als soldaat gestorven op het slagveld. En zij wou graag in staat zijn beter te zorgen voor haar moeder en haar nog thuiswonende broer. En een beter leven voor zichzelf. Niet in Rusland waar, naar ze schreef, de mannen enkel zuipen en hun vrouw slaan. Een leven in Europa was haar doel!

Toen ik Olga voorzichtig duidelijk maakte dat het leven in West-Europa ook niet steeds over een pad van rozen loopt en dat ze bij een eventuele migratie ook het taalprobleem, het verschil in cultuur en mogelijks het opduiken van heimwee, niet over het hoofd mocht zien, kreeg ik geen respons meer. En ik vond het best zo. Ik wist genoeg.

Aangezien het me toch niks kost behield ik mijn profiel op de datingsite. Sindsdien ga ik, telkens wanneer er enkele meldingen van nieuwe berichten in mijn mailbox zijn verschenen, een kijkje nemen.

Af en toe zit er een berichtje tussen van iemand die op zoek is naar een zakenpartner. Of een persoon die handelswaar heeft aan te bieden. Maar het gros der berichten betreft dames die op zoek zijn naar de ware. Voornamelijk twintigers en dertigers. Hun toekomstige mag meestal wat ouder zijn. Dat steekt niet zo nauw. Als hij er maar warmpjes bijzit. En met de vrouwtjes wil trouwen. Want ze azen uiteraard voornamelijk op een Europees paspoort. En een onbekommerd, luxueus leven. En wie kan het hen kwalijk nemen, die meiden uit vooral Rusland. Alhoewel, af en toe glipt er wel eens iemand met een andere nationaliteit tussen.

Zoals de exotische Nigeriaanse Tamy. Die wel ver gaat in haar pogingen om in Europa een echtgenoot aan de haak te slaan. De naar eigen verklaring oprechte en vredevolle dame, zond me een foto waarop ze haar in weinig verhullende kleding gestopte ebbenhoutkleurige lichaam verleidelijk etaleert. Ze schrijft verder een man te zoeken die relaties uitermate ernstig neemt en weet hoe een vrouw te behagen.

Maar de meeste mail is dus afkomstig van dames uit diverse lidstaten van de Russische federatie. Juliya, Alesya, Lena, Olga (nog één),.... Stuk voor stuk knappe grieten. En nagenoeg allemaal hebben ze een universitair diploma. Maar geen enkele van die intelligente modellen slaagt er in om zich in een deftig Engelstalig briefje voor te stellen. Vrij vertaald klinkt het steeds ongeveer als volgt:

"Dag, hoe jij?

Mijn naam is xxx. Tot mij, xx jaar, ik woon in Rusland, in de stad xxx.

Ik bestudeerde je structuur en wou zien dat jij de man bent die interessant genoeg is om te ontmoeten. Ik ben een harmonieuze jonge vrouw, sociaal en charmant. Ik zou graag meer verbonden worden met jou. En jou leren kennen is beter. Als je niet tegen mij bent om te communiceren, zal ik je brief verwachten.

Ik zal vooruit kijken!"

Deze kunstmatige zinsbouw, met veelal nogal wat onleesbare tekst en tekens ertussen, doet me vermoeden dat de dames geen gebenedijd woord Engels kennen en gebruik maken van vertaalrobots. Die vindt je tegenwoordig immers overal. Zelfs op het internet. Het zou me trouwens niet verbazen indien er een ganse organisatie zou schuilgaan achter die naar een huwelijk hunkerende vrouwen. Een bruidjesmaffia die gebruik maakt van de datingsite om Russische vrouwen legaal in Europa te krijgen! En die sturen wellicht berichtjes met afbeeldingen van mooie vrouwen naar alle West-Europese mannen die op de datingsite een persoonlijk profiel hebben aangemaakt. Er zal er af en toe wel één zijn die zich laat vangen, zeker?

Moeten er nog Russische bruidjes zijn? Ik heb de connecties!

Ru(sh)di(e), 14 april 2006 (revisie op 27 april 2009)

18-04-09

Rudi's ontboezemingen, het deel na het vorige

 

Het was een bitter koude woensdagavond in de maand december. Ik bevond mij in de sporthal, die gesitueerd is op zowat anderhalve kilometer van onze woning. Mijn jongens waren bezig aan hun voetbaltraining. Tijdens de wintermaanden wordt er immers af en toe in de sporthal getraind. Omwille van het mogelijks slechte weer, en vooral om de oefenterreinen buiten een beetje te sparen, zo werd me medegedeeld. De training, die gewoonlijk in de namiddag plaats vindt, van drie uur tot half vijf, werd verplaatst naar de avonduren, van zes uur tot half acht. Dit terwijl de training op donderdagavond, van half zes tot zeven, gewoon buiten doorging. Begrijpe wie dit begrijpen kan. Ik niet, dus.

Gezeten in mijn gemotoriseerd invalidenwagentje, aanschouwde ik van achter de zijlijn mijn voetballende kroost. Rechts van mij bevond zich, zittend op een tafeltje, mijn assistent. Met naast hem de grootvader van een spelertje. Die man heeft blijkbaar steeds veel te vertellen. Aan mijn assistent tenminste. Want mij ziet opa nimmer staan.

Op een bepaald moment passeerde me een man, die zich vervolgens links van me positioneerde. Ik keek hem aan. En hij mij ook... dacht ik. Vervolgens maakte hij een opmerking over het weer. Ik glimlachte breed. Niet zo zeer omdat zijn, allicht grappig bedoelde uitspraak, werkelijk geslaagd was, maar veeleer omdat ik blij was bij de gedachte dat ik eindelijk eens door iemand werd aangesproken. Niet dus! Dat werd me duidelijk toen mijn assistent die man een antwoord gaf, waaruit bleek dat de opmerking van net daarvoor, tot hem was gericht geweest.

Wordt ik vergezeld door een blanke man of vrouw, dan worden steevast zij aangesproken. Dat gebeurt zelfs met mensen aan wie ik reeds meermaals heb bewezen dat een normale communicatie met mij mogelijk is. En zelfs mijn eigen familie gedraagt zich zo! Ongelooflijk irritant! Ben ik in het gezelschap van mijn echtgenote, of een andere persoon met eenzelfde bruine huidskleur, dan worden we gewoonweg beiden genegeerd.

Om even terug te komen op het voetballen van mijn nageslacht. Na een jaar zeuren, zijn ze sinds eind augustus van vorig jaar ingeschreven bij een voetbalclub, wiens eerste elftal nationaal in de eerste klasse van het betaald voetbal speelt. Zoals hierboven aangehaald trainen ze in de winter soms binnen, maar normaliter vindt de training plaats op de jeugdterreinen, gelegen achter het stadion waar de eerste ploeg haar wedstrijden speelt. Twee keer per week trekken we daarheen. Regen, wind, noch koude deren ons.

Ook daar wordt ik dus door het merendeel der trainers, ouders en grootouders straalweg genegeerd. Een nagenoeg identieke situatie als aan de schoolpoort. Onderhand ben ik dan ook maar gestopt met iedereen steeds vriendelijk gedag te knikken. Het voelt immers ontzettend stom aan als het steeds van één kant moet komen en het is ergerlijk telkenmale te merken dat je blik wordt ontweken.

In den beginne was er een moeder van één van de spelertjes uit mijn jongens hun ploeg, die me steeds gedag zei. Tot ze me, in dronken toestand, op een lokale kermis eens aansprak en aan haar praten tegen mij ineens geen einde meer kwam. Niks pikant hoor, gewoon wat feiten over haarzelf en haar gezin. Het type zaken dat ik ook in nuchtere toestand aan mensen zou vertellen. Sindsdien mijdt de dame me echter angstvallig. Uit schroom? Bang omdat ze denkt iets verkeerd gezegd te hebben, maar niet wetend wat? Geen idee, en het kan me eigenlijk ook geen zier schelen.

In de maand januari ging er een tornooi door in de sporthal, waarover ik het reeds eerder in dit stukje had. Vijf weken na elkaar werd er telkens tegen een andere regionale club gespeeld. Op één van die tornooidagen was er ook een dame, die ik elke week op de training zie, en die me normaal nooit groet. Maar die me nu aansprak. Behalve de wartaal die ze uitkraamde, kwam vooral een sterke alcoholgeur uit haar mond. Blijkbaar moeten dames eerst goed zat zijn vooraleer ze iets tegen mij durven te zeggen, dacht ik toen. Wat was ik benieuwd om te vernemen of ze me de woensdag daarna op de training ook zou komen groeten. Dat gebeurde dus uiteraard niet en... inderdaad, ik geef er niet om.

Een week later werd ik bij het binnenrijden van het sportcomplex hartelijk begroet door alweer een andere moeder van een spelertje. En toen ik even later mijn positie aan de zijkant van het speelveld had ingenomen, was er ook nog een andere dame die me een hand kwam geven en het beste wenste voor het nieuwe jaar. "Hé", dacht ik, "wat is hier aan de hand?" Wat kon er nu aan mij zijn veranderd, waardoor ik opeens door het vrouwvolk werd opgemerkt? Ha! Geloof het of niet, maar die ochtend was mijn haar door een kapster aan huis bijgeknipt. Alhoewel, zouden die dames dat hebben opgemerkt? En vooral: was ik daardoor zoveel knapper geworden? Allicht toeval dus. Dat bleek ook de daaropvolgende zaterdagen, toen ik als vanouds, wederom lucht was voor de meeste daar aanwezige mannen en vrouwen.

Toch één lichtpunt: bij afloop van het tornooi heeft men ter wille van mij de trofee-uitreiking verplaatst van de, op de eerste verdieping gelegen en enkel per trap bereikbare, cafetaria, naar de sportzaal. Zo was ik in staat mijn éne zoontje zijn trofee van beste doelman van het tornooi in ontvangst te zien nemen. Die dag zijn we trouwens onder de neerdwarrelende vlokken door een ettelijke centimeters dik sneeuwtapijt huiswaarts gekeerd.

Ru(sh)di(e), 21 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

07-04-09

Weerloos slachtoffer - Tweede en gelukkig meteen ook laatste deel

 

Nog zo een grap die een personeelslid van het R.C. met me uithaalde wordt verhaald in hetgeen volgt. Na een bioscoopbezoek waren we, zoals gewoonlijk, nog even afgezakt naar de kroeg, gelegen tegenover de hoofdingang van het U.Z..

Een dame, van een jaar of vijftig, had nogal veel interesse voor mij. Ze ging gedurig rond mijn nek, zeggende dat ze het zo triest vond en meer van dat en ik moest zelfs enkele zoenen op mijn wangen incasseren. Toen ze me op zeker moment moed insprak en, om haar woorden kracht bij te zetten, me op één van mijn schouders klopte, riep de organisator van het uitje, met een ernstig gezicht, dat ze moest oppassen met me daar aan te raken, want daar zat mijn pacemaker! De dame trok verschrikt haar hand terug en verontschuldigde zich. En iedereen maar lachen, ik incluis.

Nog was dat vrouwtje niet bij me weg te krijgen. Verliet ze wel even het strijdtoneel, dan kwam ze toch weer terug, nu om me een drankje aan te bieden. Ik sloeg haar aanbod beleefd af. Wie weet wat ze in ruil daarvoor van mij verwachtte? Mogelijk niks, maar ik nam toch liever geen risico. En iedereen plezier hebben. Let op, ik lachte ook... groen. Neen, echt, ik vond de situatie ook wel best grappig en heb trouwens onlangs, toen ik op stap was met vrienden, iets gelijkaardigs meegemaakt, ook met een oudere dame, maar toch... Was het nu een jong mokske geweest, dan had ik haar misschien wel op mijn schoot genomen, maar deze hier....

De volgende ochtend, op een moment dat ik nog op mijn kamer was, wachtend op een verpleegkundige om mij in mijn wielkar te helpen, komt een kinesist mijn kamer binnen gestapt. Met een ernstig gezicht deelt hij me mede even daarvoor, ter hoogte van de receptie te zijn aangesproken door een al wat oudere dame die een bezoekje wou brengen aan een jongen in een blauwe rolstoel, die ze de vorige avond had ontmoet. Hij zei me de vrouw te hebben gevraagd in de wachtzaal tegenover de receptie plaats te nemen, terwijl hij me zou verwittigen.

Maar ik zei: "Ah ja, jij hebt al gehoord van dat voorval gisteren natuurlijk, en wilt me in de luren leggen!" Waarop die therapeut, met een uitgestreken gezicht zei: "Voorval, gisteren... is er iets gebeurd dan?" Zijn onschuldig gezicht en dito antwoord kon mij niet overtuigen. Toch was ik niet zeker. Zou die madam hier misschien toch echt zijn? Dit kon toch niet waar zijn?!

Ik heb het, denk ik, niemand ooit gezegd, maar ik ben even later, met volle snelheid de wachtruimte voorbijgeraasd, met één oog loerend of dat vrouwmens er effectief zat. Er was daar volk aanwezig maar ik kon niemand onderscheiden. Zo snel als mogelijk reed ik  de veilige (?) refter in. Met een bang hartje, twijfelend en hopend dat men aan het trachten was mij in het ootje te nemen. Want gestalkt worden door een dame met een leeftijd dat ze mijn moeder had kunnen zijn, kon ik wel missen. Ik bleef extra lang aan de ontbijttafel zitten, om me daarna, terug supersnel, en zonder in de richting van de receptie, ingang en wachtzaal te (durven) kijken, naar de oefenzaal te reppen. Toen ik deze even later inreed merkte ik meteen aan de glimlach en de opmerking van mijn kinesist dat zijn verhaal was verzonnen en deed ik alsof ik hem van in den beginne door had.

Eigenlijk een gemene streek van die paramedicus, mij zo veel schrik aanjagen! Maar net datgene waar ik een goed gevoel aan heb overgehouden. Dit soort grappen brengt patiënten, verzorgenden en paramedici dichter bij elkaar, en maakt het maandenlage verblijf in het centrum een stuk draaglijker.

Ru(sh)di(e), 5 juni 2002 (revisie op 5 april 2009)

14-03-09

Rudi's overpeinzingen - Kinderen

 

Na de desastreuze medische blunder, waarbij een misdadige chirurg mijn lichaam, en derhalve ook mijn leven totaal verwoestte, verbleef ik gedurende anderhalf jaar in het ziekenhuis, waarvan vijftien maand op de afdeling revalidatie.

Terwijl hun mama thuis onze winkel open hield, kwamen mijn zoontjes, die toen zowat vier jaar jong waren, me, vergezeld door mijn ouders,  elke zaterdagnamiddag bezoeken, in het revalidatiecentrum waar ik verbleef.

We zaten allen samen in mijn kamer, toen één van mijn rakkers meldde te moeten plassen. Mijn moeder stelde zich onmiddellijk recht om de jongen naar het toilet te begeleiden. Zijn tweelingbroertje wou uiteraard ook meegaan.

Even later kwam één van mijn zoontjes het toilet uitgehold en botste bijna op een patiënt in een rolstoel. Toen hij merkte dat die heer slechts één been had proestte hij het uit. Eén handje op de mond en met het andere de arme man aanwijzend, schaterde hij: "Hihihi, mémé, kijk! Die mijnheer heeft maar één been." Mijn moeder voelde zich erg verveeld met de situatie en verontschuldigde zich aanstonds bij die man.

Toen ze alle drie terug in mijn kamer waren, en mijn ma me hetgeen was gebeurd verhaalde, trachtte ik de kleuter duidelijk te maken dat hij dat niet meer mocht doen. Dat die mijnheer waarschijnlijk veel verdriet had omdat hij een been kwijt was - en nét die man leed er ontzettend erg onder, zo wist ik - maar het jongentje was het voorval reeds vergeten. Die was alweer met zijn autootjes aan het spelen. Het was gewoon een spontane reactie geweest; die zag - voor het eerst in zijn nog jonge leven - een man met maar één been en vond dat komisch.

Zo zijn kinderen: oprecht en daardoor ook wel eens kwetsend. Dat moet je er bijnemen.

Ik heb in ieder geval graag van die jonge snuiters om me heen, met al hun vragen, waarop ze dan ook nog eens een eenvoudig antwoord verwachten.

Alhoewel kinderen ook knap lastig kunnen zijn; maar ja, het zijn dan ook (al) mensen.

Het valt me trouwens op dat kinderen tegenwoordig nagenoeg nooit bevreesd zijn als ik met mijn gevaarte kom aangereden. Allicht doordat ze nu minder verlegen zijn, mondiger en veel meer gewoon. Ik herinner mij immers van toen ik me, midden de jaren tachtig, ook eens een jaar lang in een (mechanische, toen) rolstoel moest verplaatsen, peuters en kleuters dikwijls van me wegliepen. En ik zag er in die tijd heus niet nog lelijker uit dan nu het geval is.

Nu nog kijken de meeste kinderen eerst op enige afstand toe, maar als ik hen wenk om dichterbij te komen, doen ze dat meestal gezwind.

Ik laat ze dan zelf een deel van de knopjes op mijn bedieningspaneel beroeren: lichten én bovenal claxon en knipperlichten! Dat vinden ze uitermate leuk.

En de bedieningshendel van mijn karretje hanteren en naast mij stappend het voertuig, mij inclusief, voortbewegen is voor de meeste kinderen het ultieme amusement.

Eerst zachtjes, en als ze het systeem onder de knie hebben mogen ze van mij zelfs iets sneller rijden, zodat ze naast me moeten mee 'lopen'. Dit leidt meestal tot hilariteit.

Vooral jongens voelen zich tot de techniek van mijn vehikel aangetrokken, maar nu en dan ook een meisje.

En als het genoeg is geweest laat ik hen stoppen, want de meeste kinderen weten uit zichzelf niet van ophouden.

Oudere kinderen vragen me wel eens hoe het komt dat ik in zo een karretje zit en of ik het leuk vind en waarom dan wel niet. En ik antwoord dan in zo eenvoudig mogelijke bewoordingen.

En mijn rakkers zijn trots dat het hun papa is die met zo een machine rondtoert.

Zij hebben bovendien het voorrecht om, gezeten op mijn schoot, of op één van de armsteunen, met me mee te rijden. Nu het nog kan, want ze worden snel groot.

Anderzijds beseffen ze ook wel dat een valide papa, die met hen kan fietsen, voetballen en rollebollen over het gras, eigenlijk toch nog leuker zou zijn.

Ru(sh)di(e), 28 mei 2002 (revisie op 10 maart 2009)