18-05-10

Belevenissen in het UZ – Liftperikelen in het UZ

      

Toen ik, in de zomer van 2000, pas in de revalidatiekliniek, het RC genoemd, was gearriveerd, keek ik wel mijn ogen uit. Van een ex-kamergenoot op de verpleegafdeling neurochirurgie, die al eerder naar het RC was getransfereerd, maar zo nu en dan nog eens terug kwam, had ik nochtans vooraf wel al te horen gekregen waar ik me aan kon verwachten.

Nogal wat mensen met een tetraplegie, dus verlamming van ondermeer de vier ledematen. Tevens een aantal personen met een paraplegie, zijnde verlamd aan de onderste ledematen. En voorts iemand met een hemiplegie, dus halfzijdig verlamd, en voorts enkele individuen die één of meerdere ledematen misten of althans een deel ervan.

Een bont allegaartje fysiek beperkte personen dus. Waarvan de meeste onder hen zich verplaatsten met gebruik van één of twee krukken, een wandelrekje of middels een rolstoel. Manueel of elektrisch. Enkele mannen waren daar evenwel nog niet aan toe en werden in hun kamer van bed naar massagetafel getransfereerd en al liggend naar de oefenzaal verplaatst.

Allen samen zouden zij de eerstvolgende tijd, die ik zo kort als mogelijk wou houden, een belangrijk deel uitmaken van mijn leefwereld. Ondanks de voorafgaandelijk verkregen informatie en spijts het feit dat ik zestien jaar eerder ook al eens een half jaar op die plek verbleef, was het toch even wennen.

De eerste keer dat ik mijn kamer werd uitgerold, gezeten in een zwartkleurige manuele rolstoel, die ik reeds op de verpleegafdeling op eigen dwingend verzoek had ter beschikking gekregen, zag ik bij het passeren van de ontspanningsruimte een vent zitten die zo uit een humoristische sketch kon zijn geplukt!

De al iets oudere heer, zat in een compacte elektrische rolstoel, met grote wielen achteraan, en iets kleinere vooraan. Met één van zijn armen in witte plaaster gestoken en, ter hoogte van de schouder, gestrekt naar voren gericht. En op die plaats en in die positie gehouden door een constructie met dunne, doch stevige metalen waterleidingsbuizen.

Dit kon toch niet echt zijn? Zulke constructies werden toch enkel in humorfilmpjes gebruikt? Het bleek evenwel geen frats te zijn. Enkele dagen later kreeg ik van de man in kwestie, die ik hier gemakshalve Jozef zal noemen, te horen, dat hij enkele maanden daarvoor, zittend in zijn auto, na een hoofdbeweging, ineens zijn lichaam niet meer kon verroeren. Waarschijnlijk ten gevolge van een bloedklonter die zich plots, ter hoogte van de nekwervels, in het ruggenmerg had vastgezet.

Zo was Jozef dus verlamd geworden aan de vier ledematen. Om zijn grotendeels willoze armen en handen toch nog enige functionaliteit te geven, zou hij een aantal heelkundige ingrepen ondergaan waarbij ondermeer pezen werden verplaatst, verkort en/of verlengd. En ik meen mij te herinneren dat die lachwekkende lichaamspositie waarin Jozef zich tijdelijk verplaatste, onderdeel was van de helingprocedure na één van die medisch-technische operaties.

Van Jozef, die helaas inmiddels reeds sinds enkele jaren is overleden, herinner ik me trouwens een incident waarin de brave man de hoofdrol speelt.

Omdat hij zelf niet op de knop kon drukken om de kokerlift aan de vragen of de automatische deuren er van te openen, diende de brave man, zo hij op dat moment de enige wachtende potentiële liftgebruiker was, steeds iemand aan te spreken om op de knop te drukken. En eens in de liftcabine, ook op de knop te drukken van de etage waar hij heen wou. Het gelijkvloers, de kelder of de eerste verdieping.

Waarna de vriendelijke helper of helpster vlug de kooi uitsprong. Want aangezien Jozef achterwaarts de lift inreed, kon hij immers, eens aangekomen op de juiste hoogte, zonder de hulp van derden, probleemloos, en zonder tegen iets of iemand aan te botsen, door de elektrische schuifdeuren, de lift uitrijden.

Nu was die lift al een sinds een jaar of dertig geïnstalleerd en begon deze ouderdomsverschijnselen te vertonen en slijtageproblemen. Waardoor hij regelmatig dienst weigerde. En iedereen diende gebruik te maken van de tweede in het gebouw aanwezige lift. Die overigens veel kleiner was dan het andere exemplaar.

Tot de gespecialiseerde herstelploeg ter plaatse kwam. Wat meestal vrij snel gebeurde. Tenminste als die, via de noodtelefoon in de liftkooi of anders telefonisch door iemand van de verpleging, paramedici, kuisploeg, refterdames... van het euvel op de hoogte werden gebracht.

Wat niet gebeurde op het moment dat de lift kwam vast te zitten met enkel en alleen Jozef erin. Want de man kon telefonisch geen alarm slaan omdat hij fysisch niet in staat was om de noodhoorn vast te nemen. En elke andere persoon die de lift wou nemen, ineens doorstapte of doorreed naar de volgende lift.

Tot er dan toch iemand dromerig en geduldig op de lift wachtte waarin Jozef vastzat. Geen notie nemend van de rode indicator die een panne aanduidt. De lift kwam niet, maar de met een goed gehoor behepte dromer hoorde wel het flauwe hulpgeroep van Jozef. De verlamming had immers ook de werking van 's man spier en pees van het middenrif aangetast. Wat dan weer een invloed had op Jozef zijn longwerking en ergo de onmogelijkheid veroorzaakte om luid te praten, laat staan te roepen. Uiteindelijk is Jozef, na minstens een half uur eenzaam opgesloten te hebben gezeten, na een dringend ingrijpen van de technische herstelploeg, uit de lift kunnen rijden.

Zelf ben ik ook ooit eens komen vast te zitten in een lift. En wel op de terugweg van een mij, via de onderaardse gangen van het ziekenhuiscomplex, in de late namiddag naar een afspraak begeven in één van de poliklinieken. Toen verplaatste ik me reeds sinds geruime tijd middels een elektrische rolstoel.

Op mijn heenweg had ik een, zich daar in die molpijpen al fietsend voortbewegend personeelslid, aangesproken om de manueel te openen liftdeur voor me open te houden, zodat ik er achterwaarts in kon rijden, de knop van de eerste etage, waar ik zijn moest, in te drukken en de deur voor me te sluiten.

Een bedankje, een groet en ik was weg, de hoogte in. Van -1, over 0, tot +1, alwaar de lift halt hield. Ik reed met mijn blauwe elektrische rolstoel zachtjes vooruit. De druk tegen de liftdeur, door mijn op de voetsteunen van mijn verplaatsingsmiddel staande onwillige stappers, liet deze op scharnieren draaiende deur open gaan, zodat ik de wachtruimte van dit dispensarium kon inrijden. Waarna de deur zachtjes achter me dichtklapte. Nog vooraleer een verbaasde, van zijn stoel opstaande, op zijn beurt wachtende persoon zijn intenties om me met de deur te helpen, had kunnen waarmaken.

Toen het consult was beëindigd, was het in de gang behoorlijk donker en was er in de wachtzaal niemand meer te bespeuren. Dus reed ik terug de gang in om een nog in het gebouw aanwezige menspersoon te zoeken die me naar beneden kon helpen. In een kantoortje waar nog licht brandde, zag ik door het half gematteerde vensterraam enige beweging. Ik tikte op het raam. Waarop een dame, met haar jas reeds aan, en een handtas in de hand, de deur opende. Zij wou me met graagte helpen en moest trouwens de kant van de lift uit. Om via de trap ernaast, naar de uitgang te stappen op het gelijkvloer. Want het sluitingsuur van het zittingslokaal voor poliklinische behandeling was reeds ruimschoots voorbij. Zodat deze dame, net zoals haar collega's die reeds vertrokken waren, ook huiswaarts mocht gaan.

De vriendelijke dame hielp me dus de lift in, drukte op de knop voor transport naar de kelderverdieping, ontving mijn dank, en sloot na onze wederzijdse afscheidsgroet, de liftdeur. Waarop de liftcel zich in beweging zette. Om even later tot stilstand te komen... tussen twee verdiepingen! De licht in de cabine ging uit. Wat nu? Een mobieltje had ik toen nog niet. Wie had ik trouwens met dat ding moeten bellen? Met wat wringen van mijn lichaam slaagde ik er in om in het duister de knop te vinden en er met de wijsvinger van mijn linkerhand zelfs op te drukken. Waarop de lift zich weer in beweging zette.

Zij die van drama houden zullen op hun honger blijven zitten, want ik ben tot in de kelderverdieping geraakt zonder dat er zich een herhaling van het probleem voordeed. Maar dit voorval was voor mij een nuttige les. Nadien ben ik, ondanks het vaak voorkomende onbegrip van derden, omwille van deze houding en dit principe, nooit meer een krappe, oude lift ingereden, zonder een andere, valide persoon bij me. De enige liften waarin ik me wel nog alleen in durf te laten verplaatsen zijn de grote, ruime exemplaren, waarin ik me probleemloos kan draaien, het bedieningspaneel kan bedienen en van de noodtelefoon gebruik kan maken. En die je voornamelijk vind in moderne, recent gebouwde ziekenhuizen, grote winkelcentra, overheidsgebouwen...

Ru(sh)di(e), 2 maart 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 2 mei 2010.

13-04-10

Heden en verleden - Vijf huizen & ander fraais op de boerenbuiten

    

Heel af en toe rij ik eens naar mijn ouders. Mijn ma en pa zijn nog steeds woonachtig op de plek en in de gemeente, waar ik mijn jeugd doorbracht. Hun huis staat meer bepaald in een gehucht van een deelgemeente van de stad waar ik op heden woon, en op ongeveer 6 kilometer afstand van het huis dat ik samen met mijn gezinsleden bewoon.

Mijn ouderlijk huis is gelegen op, zoals men placht te zeggen, de boerenbuiten. Alhoewel er daar heden ten dage niet veel boerderijen meer te vinden zijn. Veel boeren kozen eieren voor hun geld en incasseerden flink wat duiten toen grote delen van wat voorheen landbouwgebied was, een herbestemming kreeg als woonzone. Goedkope landbouwgronden, die tot dan toe dienst deden als wei- of akkerland, werden ineens waardevolle percelen bouwgrond.

Massaal werden er verkavelingvergunningen aangevraagd en werden grote stukken grond verdeeld in meerdere delen of kavels en te koop aangeboden als grond voor woningbouw. Inmiddels was in onze buurt, als ik het mij goed herinner, wat chronologie betreft, ook de ruilverkaveling in volle gang. Waarbij de plaatselijke boeren, op vrijwillige basis, hun her en der gelegen kleine blokjes landbouwgrond onderling ruilden voor stukken land welke dichter bij hun erf waren gelegen. Vaak ontstonden hierdoor grotere percelen agrarische grond, waardoor het landschap in sterke mate veranderde.

Zo herinner ik mij het bestaan van enkele kleine percelen dicht bij ons huis, die bij elkaar werden gevoegd tot één grote akker. De redelijk jonge eigenaar dempte daarvoor zelfs de tussenliggende grachten. Zodat hij het ganse terrein ineens kon ploegen, bezaaien, sproeien, oogsten... Maar vaak reed hij zich met zijn tractor bijna of werkelijk vast in de drassige stroken land waar voorheen een sloot was. Dat die greppel er daarvoor was ontstaan, of aangelegd, met een reden, dat die met name zorgde voor de afwatering, dat had die kerel blijkbaar over het hoofd gezien. Met als gevolg dat hij af en toe naar zijn boerenerf mocht lopen om vrouw of knecht op te trommelen om met hun tweede tractor, of deze van een bereidwillige collega, zijn zware tractor los te trekken uit de modder.

Later werd de verkaveling professioneler aangepakt. En werd er wel rekening gehouden met de natuurelementen, werden er verkavelingwegen aangelegd ten bate van de bereikbaarheid van de kavels voor de boeren, maar ook paden voor recreatief fietsverkeer in landbouwgebied. En hier en daar werden er nieuwe bosjes aangelegd en andere stukjes natuurgebied.

Naast het telen van gewassen voor eigen gebruik, grotendeels voedsel voor de beesten, werden er op de akkers voornamelijk suikerbieten verbouwd. Maar sinds de suikerfabriek in een naburige gemeente, zowat anderhalf jaar geleden haar activiteiten stopzette, is daar een einde aan gekomen. Vandaag de dag worden de meeste akkers door de overgebleven boeren verpacht aan industriële landbouwbedrijven. Elders verbouwen die soms maïs, maar op de landbouwgronden in de buurt van mijn ouderlijke woonst worden hoofdzakelijk aardappelen geteeld.

Niet alleen het landschappelijk uiterlijk van de buurt waar ik opgroeide is grondig gewijzigd. Daar waar er vroeger aan de straatkant veel akkers en weilanden grensden, zijn die gronden nu op veel plaatsen bebouwd met woningen, omgeven door een tuintje. En veel oude hoeves werden hetzij gerenoveerd, hetzij afgebroken en vervangen door een nieuwbouwwoning. Bovendien is de straat waar mijn ouders wonen sinds een tweetal decennia voorzien van een van de rijbaan afgescheiden tweerichtingsfietspad.

Een opmerkelijke plek in deze straat, waar de bebouwing, zoals weleer nog steeds voornamelijk bestaat uit vrijstaande woningen en hier en daar twee huizen in een halfopen bebouwing, is één rijtje aaneen gebouwde huizen. Een locatie die in onze buurt als 'de vijfhuizen' werd aangeduid. Nochtans waren het er slecht vier. Maar niemand leek zich aan dit detail te storen. Behalve ik dan, die als klein, ook toen reeds punctueel, ventje deze foute benaming belachelijk vond. Maar geen enkele persoon leek gehoor te geven aan mijn gedacht hieromtrent. Mogelijks te wijten aan het feit dat ik te 'beschaamd' was om er openlijk voor uit te komen?

Later kwamen twee van de vier huisjes in handen van één persoon, die ze samenvoegde tot één, wat ruimer huis. Dus sindsdien bestaat het huizenrijtje slechts uit drie woningen. Maar tot op de dag van vandaag worden deze aaneen gebouwde woningen, in de buurt, zowel door de mensen die er al jaren wonen, als door de nieuwkomers, nog steeds 'de vijfhuizen' genoemd!

Rudi, 20 december 2009 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

07-04-10

De avonturen van Rudi & Co - Opschudding in de zaal

  

Naar buiten en onder het volk komen is voor elke mens zo belangrijk. En je komt al eens 'iets' of 'iemand' tegen als je je als persoon in kwestie buitenshuis verplaatst. Dat kan eenieder getuigen, en ook ik ben daar geen uitzondering op.

Zaterdag jongstleden ben ik naar de plaatselijke Kerstmarkt geweest. Het zag er allemaal best gezellig uit. Maar voor mij is zulk een evenement iets dat je best en liefst in gezinsverband aandoet. Zelf had ik in mijn uppie ook jammer genoeg niet de kans om een warme chocomelk te drinken of van één van die aanlokkelijke warme snacks te smullen. Mijn enige, beperkt functionele hand, de linker, was immers volledig verstijfd van de kou.

Toch vond ik dit uitje de moeite waard. Al was het maar omwille van de vriendelijke begroetingen door bekenden, de burgemeester incluis, de vele vrolijke mensen, al dan niet in die toestand als gevolg van het drinken van alcoholische dranken, de sfeervolle Kerstmuziek... en vooral de artiest die op een podium ijssculpturen vervaardigde. Uit blokken ijs heb ik die man, met kettingzaagjes en beitels als gereedschap, een Kerstster (met staart) en een engeltje zien tevoorschijn toveren. Prachtig vond ik dat!

Een drietal weken eerder bezocht ik de zondagse rommelmarkt op het stationsplein van mijn woonplaats. In gezelschap die keer. Maar er waren jammer genoeg vele gelegenheidshandelaars niet komen opdagen. Allicht omwille van het toenmalig wisselvallige weer.

Toen ik op het punt stond om naar huis te rijden, maar nog even genoot van het zicht op de activiteiten op het plein, kwam een vrouw op ons af die de mij vergezellende jongedame aansprak. Ik zei de vrouw, luid en duidelijk dat, als ze iets te zeggen had, ze mij moest aanspreken. Ze bekeek me eens raar en begon toen weer te babbelen tegen het meisje naast me. Ik herhaalde wat ik ook daarvoor reeds had gezegd, maar mijn woorden mochten niet baten.

Na nog eens hetzelfde scenario kwam ik dan toch te weten dat die vrouw me weg wou van de plaats waar ik stond. Omdat haar man zo meteen ging komen met de auto, om hun spullen in te laden.

Als er nu iets is waar ik een hekel aan heb, dan is het om te worden aanzien, beschouwd en behandeld als zijnde een breinloos, onmondig, in de weg staand 'object'. Dus zei ik die vrouw dat ik mij wel zou verplaatsen op het moment dat de omstandigheden dat zouden vereisen, in casu als haar man met hun vierwieler ten tonele zou verschijnen.

De vrouw keek me dom aan. Ik keerde haar de rug toe, maar draaide me onmiddellijk terug om en zei dat ik het niet prettig vond om als een 'obstakel' te worden behandeld en dat ze het in de toekomst best zou laten om mij en anderen zo te behandelen. Als antwoord kreeg ik te horen 'een zaag' te zijn, waarna de vrouw wegliep. Ik draaide me geheel rond. Tijdens het keren was ze teruggekeerd. Toen ik haar zei dat van me weglopen wel erg laf was, stak het vrouwmens haar armen in de lucht en riep ze uit: "Ik heb het hem beleefd gevraagd, maar 'die' wil hier maar niet weggaan!" "Dat is omdat dit plein van iedereen is en niet van jou alleen" liet ik haar nog weten, waarna ik doorreed. Net op het moment dat die partner met zijn auto verscheen. Verbaast kijkend naar zijn met haar armen hemelwaarts gerichte partner.

Het vrouwmens is waarschijnlijk zwak begaafd, maar dat is naar mijn mening geen excuus. Al te vaak kom ik in contact met personen die het huis niet meer uitkomen omdat ze buitenshuis vaak 'onmenselijk' worden behandeld, of voortdurend het slachtoffer zijn van ontoegankelijkheid. Dus blijf ik tot in den treure tegen al dit onrecht ageren. In het belang van de 'mensheid' en de 'menselijkheid'! Ze hadden potverdikke die Nobelprijs voor de Vrede net zo goed aan mij kunnen geven, in plaats van aan Obama! Deze laatste, vaak verkeerdelijk als 'zwarte' aangeduid, zit er blijkbaar ook mee verveeld deze eerbetuiging (nu al) te krijgen. Dat zou ondermeer kunnen af te leiden zijn uit wat hij over zijn eigen dankrede zegde. Namelijk dat hij ze best goed vond opgemaakt, en zelfs in die mate dat hij aan het eind ervan, er bijna zichzelf mee had overtuigd dat bij die prijs wel echt heeft verdiend.

Dit najaar ben ik reeds een aantal keer op donderdagavond naar de film geweest in het Cultureel Centrum van mijn woonplaats. Hun filmplanning past goed in mijn leefschema: aanvang om kwart na acht, dus doorgaans afgelopen omstreeks tien uur. Zodat ik zonder me te hoeven haasten, terug thuis ben tegen half elf, het tijdstip waarop mijn thuisverpleegkundige me normaliter komt verzorgen en in bed helpen.

De laatste keer dat ik ging kijken, draaide men er de Franse film 'Un prophète'. Een boeiend, interessant, maar 'ruig' gevangenisdrama. Veel volk was er niet. Ik denk een honderdvijftigtal personen. En allen zaten ze op de tribune. Terwijl ik op de begane grond, in het gangpad stond, tussen de onbezette stoelen.

Toen de film, naar ik vermoed, een drietal kwartier bezig was, werd er een huiveringwekkende scène getoond. In zijn eigen cel werd een kerel, door het hoofdpersonage, met een scheermesje de keel overgesneden. Waarna je het slachtoffer op de vloer zag liggen doodbloeden, terwijl er nog een aantal keer een sluiptrekking door diens lichaam ging. Net echt!

Kort daarna hoorde ik stemmen in de zaal. En toen ik rechts van me keek, zag ik mensen de trappen afgaan en via het gangpad aan de andere kant van de zaal, zich begeven naar de uitgang aldaar. Waren die zo geschokt door dat bloedige fragment dat ze verkozen er vandoor te gaan? Maar kon dat dan niet zonder de andere bioscoopbezoekers te storen?

Terwijl ik deze overdenking maakte, en middelerwijl ook trachtte het verhaal verder te volgen, stopte men de filmspoel. Hier moest dus meer aan de hand zijn. Een dame haastte zich tot vooraan in de zaal. Om ons toe te spreken en de reden voor de onderbreking mede te delen, zo verwachtte ik. Maar het was om de lichten aan te steken. Het bleef dus gissen naar de reden van de interruptie. Misschien was men, zoals ik al een keer eerder meemaakte, de verkeerde film aan het afdraaien? Of was er ergens in de zaal brand uitgebroken? Of in de ontvangstzaal ernaast, want sommige mensen liepen de zaal waarin ik me bevond, eerst uit, en vervolgens weer in.

Gedurende het omdraaien van mijn rolstoel, teneinde de filmliefhebbers op de tribune te zien, bedacht ik ook de mogelijkheid dat er iemand onwel was geworden bij het zien van die even daarvoor vertoonde gruwelijke beelden. En, afgaande op wat mijn ogen even later te zien kregen, was dit inderdaad de oorzaak van de ongeplande en ongewenste pauze.

Een groepje mensen zat en stond omheen een ietwat corpulente heer die op een zitje zat op één van de bovenste tribunerijen en die er, gezien vanaf mijn positie, niet erg fris uitzag. Nu was het klimaat er wel naar geschapen om onpasselijk te worden: een warme zaal en op het scherm een bloederig tafereel. De nooddeuren in de zijwand werden open gezet om wat koelte en zuurstof in de zaal te brengen. Tenminste ik vermoed dat dit de intentie was, want nog steeds had niemand het initiatief genomen om alle aanwezigen in de zaal op de hoogte te stellen van wat er aan de hand was.

Verschillende mensen verlieten de zaal. Die hielden het blijkbaar voor bekeken. Omdat de inhoud van wat ze tot dan toe van de film zagen, hen niet aanstond? Omdat de interruptie hen al te lang duurde? Of omdat ook zij in katzwijm dreigden te vallen? Joost mag het weten. Maar hoeft het niet aan me door te zeggen omdat deze informatie totaal onbelangrijk is.

Alhoewel het er naar uitzag dat er niks meer aan de hand was dan een appelflauwte, werd naar hetgeen ik van op mijn plek kon horen, toch de 100 gebeld. In afwachting van de ziekenwagen, werd de 'zieke' , ondersteund door zijn gezellen, de trappen af en naar buiten geleid. Even later kwam de technisch verantwoordelijke van dienst dan melden dat hij de projectie zou laten verdergaan. Niemand protesteerde. Het incident had alles bij elkaar een twintigtal minuten oponthoud veroorzaakt.

Het vervolg van de film bleef hard en gewelddadig, maar de meest akelige scène hadden we klaarblijkelijk toch reeds gezien. Of het door de onverwachte onderbreking kwam of gewoon omwille van het feit dat een film naar mijn goesting niet al te lang mag duren, feit is dat ik een uur later een beetje ongeduldig op het einde van de prent zat te wachten. Die film bleef immers maar duren. En op een gegeven moment kreeg ik al een SMS'je van mijn verpleger met de vraag of ik reeds thuis was.

Liever het einde van de film missen, die me toch niet echt meer boeide, dan een nacht in mijn rolstoel te moeten doorbrengen. Het was trouwens niet enkel mijn thuisverpleegkundige die me thuis verwachtte. Ik had er ook op gerekend bijtijds thuis te zijn om het op een redelijk tijdstip naar bed gaan van mijn zoons te controleren!

Maar hoe zou ik voortijdig de zaal kunnen verlaten? Ik trachtte oogcontact te maken met de toeschouwers die het minst ver van me af zaten. Mogelijks door de duisternis bleef deze actie evenwel zonder succes. Alle ogen bleven op het witte doek gevestigd. Gebaren durfde ik niet te maken, want gezien hetgeen eerder die avond was gebeurd, dacht men dan mogelijks dat er ook met mij iets loos was. En ik wou het niet meemaken dat men ook voor mij, en onnodig, de filmprojectie zou stoppen.

Dus zette ik mijn lichten aan en reed zachtjes achterwaarts richting uitgang. Waar ik hoopte dat de deuren zouden openklappen als ik er zachtjes tegenaan reed. Dat lukte... deels. Halverwege kwam ik namelijk vast te zitten. Ik slaakte een zucht en gromde toen een vloek waarin de naam voorkomt van dat opperwezen waarin ik niet meer geloof. Dat hielp me wonderwel vooruit, want het woord was nog niet koud of daar stond reeds een werknemer van het Cultureel Centrum naast me, die me uit mijn benarde positie kon redden. Van die man vernam ik ook dat die film er één is die tweeëneenhalf uur duurt!

Diezelfde persoon ging ook met me mee om de dubbele draaideuren aan de toegang tot het gebouw open te houden. Waarna niks me nog in de weg stond om, na even snel telefonisch mijn komst aan te kondigen, in de stilte van de donkere nacht, gezwind huiswaarts te rijden.

Rudi, 15 december 2009 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 26 december 2009.

26-03-10

Heden en verleden - Omvallende bomen

  

Mijn ouders hun huis en stallingen stonden op een lap grond, waarop voor de woning een gewone tuin met graspleintjes en bloemperkjes was aangelegd en achteraan een moestuin. Hun eigendom was gelegen naast een veldweg, een 'slag' zoals wij dat noemden. Welke gebruikt werd door de boeren uit de buurt, om tot bij hun weiden of landbouwgrond te geraken.

Vanaf de straat gezien was onze doening rechts van die veldweg gelegen. Terwijl links ervan een stuk landbouwgrond lag. Nu stond aan de straatkant, over de ganse breedte van die akker, een rij hoge bomen. De eerste van de rij, deze op de hoek van de akker en het begin van de veldweg, die trouwens door mijn pa gratis en voor niks werd onderhouden, was eigendom van mijn ouders. En als kleine rakker was ik er reuze trots op dat zij de eigenaars waren van zo een gigantische boom!

De rest van de bomenrij was reeds jaren daarvoor geveld en vervangen door jonge aanplant, en ons oude huis en het grootste gedeelte van de stallingen gesloopt en vervangen door een door mijn pa eigenhandig gezette nieuwbouw, toen een jaar minder dan een kwarteeuw geleden, mijn pa het plan opvatte om ook 'onze' boom te vellen. Om wat voor reden durf ik niet met zekerheid te schrijven, maar ik vermoed dat hij goedkope brandstof wou voor de allesbrander, die toen al sinds enkele jaren 's winters onze living en keuken verwarmde.

Alhoewel ik inmiddels reeds in mij adolescentiejaren vertoefde, was ik ook als 18-jarige toch niet onverdeeld gelukkig met mij vaders voornemen. Maar ik had in deze kwestie niks in de pap te brokken. Die boom zou neergaan en daarmee basta!

Deze klus laten klaren door een professionele, in dit soort dingen gespecialiseerde firma, werd slechts heel even overwogen. Maar vrij snel als optie van de baan geveegd. Wegens veel te duur. De opbrengst van het hout zou niet eens toereikend zijn geweest om de kosten te dekken van het vellen. Dus zou mijn vader, een ervaren doe het zelver, met de hulp van enkele buurmannen, de boom zelf neerleggen.

Op een mooie lentedag was het zo ver. Vanuit onze living, waar ik met een, bij mij op bezoek zijnde, leeftijdsgenoot, een maat uit de buurt, zat te keuvelen, zag ik mijn vader en enkele mannen, alles in gereedheid brengen voor de job. En er stonden ook nog enkele andere buren te kijken en aanwijzingen en commentaar te leveren op de voorbereidende werkzaamheden

Er werd een lange houten ladder tegen de boom geplaatst en we konden zien dat mijn pa een dik touw rond de stam bevestigde, zo hoog mogelijk in de boom als waar hij met zijn handen kon reiken. De uiteinden van dat touw werden vastgemaakt aan de tractor van een boer uit de buurt. Trouwens tevens de eigenaar van de akker waarop het de bedoeling was dat onze boom terecht zou komen.

De boom helde over in de richting van ons huis, maar de tractor stond, met het touw gespannen, zo opgesteld dat deze de vallende boom de andere richting uit zou kunnen trekken. En de ervaren doe het zelf boomhakker uit onze buurt, die had aangeboden het afzagen van de boom voor zijn rekening te nemen, had ook de kant van de akker uitgekozen om, middels zijn kettingzaag, een spie uit de boomstam te halen.

Die boom kon dus niet verkeerd vallen, veronderstelde iedereen. Maar wat zag ik, en allicht ook ieder ander die toekeek? Dat, eens de boom in beweging kwam, hij geheel en al viel, in de richting van ons huis! Verbijsterd en met schrik zag ik die kolos van een boom recht op ons afkomen. Mijn maat en ik keken elkaar angstig aan. Wat hij vervolgens deed, dat weet ik niet, maar ik schreeuwde "oh, neen!" en kneep mijn ogen dicht tot het gevaarte neerkwam, met een harde bonk, die de grond onder onze voeten deed daveren.

Toen ik mijn ogen opnieuw opende, was er van de door mij gevreesde ravage, binnenshuis niks te merken De buitengevels stonden er nog allemaal en ook het glas in de vensterramen was niet gebroken. We spoedden ons naar buiten. Waar de zon, als het ware spottend, enkele zuinige stralen in de richting van de aarde stuurde. Waar in onze voortuin de boom lag die volgens het vooropgezette plan nochtans had moeten landen op de akker, enkele meters ernaast.

Naderhand bleek de oorzaak van deze ellendige misser het feit te zijn dat de boer te laat in actie was gekomen en dan op de koop toe zijn tractor niet onmiddellijk kreeg gestart. Toen dat luttele seconden later dan toch lukte, was hij nog enkel in staat geweest om de schade te beperken. Die al bij al nog meeviel. Enkele zware takken van de kruin van de boom hadden een deel van onze uit betonplaten met daarboven draad gespannen afsluiting vernield. En enkele minder zware takken hadden nog net de hoek van de overhangende dakgoot kapot gemaakt. De gevel van ons huis was niet geraakt en dus intact gebleven. Gelukkig maar!

Mijn vader was geschrokken en boos. Met zijn gebalde vuisten hemelwaarts gericht, nam hij de schade op. Ook mijn ma was vanuit haar keuken naar buiten gerend. En stond een beetje wezenloos de boel te aanschouwen. Een deel van haar bloemenperk was naar de knoppen. Wat haar evenwel op dat ogenblik allicht het minste zorgen baarde.

Het is uiteindelijk allemaal nog snel en zonder al te veel werk en kosten, in orde gekomen. Die dakgoot kon voor weinig geld worden hersteld, de afsluiting maken was een kwestie van het aankopen van enkele nieuwe betonpalen en -platen, en het spannen van een nieuw stuk draad, dus dat was ook de kost niet. Die boom werd onmiddellijk na zijn val geheel en al in stukken gezaagd. Die vervolgens ook nog eens werden gekliefd met een kliefhamer, een combinatie van een bijl en een voorhamer. Dat die boom dit trieste lot onderging was niet als straf voor de aangerichte schade, maar gewoonweg de uitvoering van het origineel plan.

Een van de buurmannen, die mijn vader hielp bij dit stoofhout kappen, grapte dat het hout van deze boom hem twee keer warmte zou verschaffen. Een eerste keer toen, op dat moment, door het stijgen van zijn lichaamstemperatuur bij het zagen, hakken en klieven en een tweede keer op het moment dat het hout van de boom zou branden in de stoof.

****

Als rijpe twintiger verhuisde ik naar mijn eigen woning, waar ook een grote tuin aan is verbonden. De hoogste boom in deze tuin met allerlei boom- en struiksoorten en allerhande ander groen, was een kolos van een zilverberk. Ooit door een vorige eigenaar van dit perceel, gepland op een positie ongeveer halverwege de achtertuin, en ook in de breedterichting op ongeveer dezelfde afstand van de grens met de naburige percelen, links en rechts van mijn tuin.

Die reus van een zilverberk stond daar te pronken als trotse, alle andere bomen en struiken overheersende tuinbegroeiing. Van ver in de omtrek van mijn eigendom kon je hem zien staan. Die houten gigant, die ook door geen enkele boom in de tuinen van de buren, in de ruime omgeving van onze woning, werd overtroffen qua hoogte en omvang. Onaantastbaar en onverwoestbaar, zo leek hij te zijn.

Tot het noodlot toesloeg, in de vorm van een blikseminslag bij noodweer. Hoge bomen vangen, ook letterlijk, niet enkel veel wind, maar zijn ongelukkigerwijs tevens een gemakkelijke prooi en doelwit voor andere natuurfenomenen.

Dat de bliksem ernstige schade had aangebracht aan de zilverberk, dat kon ik de dag na de inslag zichtbaar vaststellen. Vanaf de top van de stam, tot enkele meters lager, was een scheur te zien. Maar niks wees er op dat er een onmiddellijk gevaar bestond voor het naar beneden komen van een deel van deze monsterboom.

Lange tijd later woedde er op een zondagochtend een heel zware storm. Normaliter hadden mijn zoons die voormiddag een voetbalwedstrijd moeten spelen. Maar omwille van dit slechte weer, was die op het laatste moment afgelast. Dat nieuws bereikte ons trouwens pas toen zowel mijn zoons als ikzelf, warm ingeduffeld, de wind trotserend, reeds op weg waren naar het voetbalterrein.

Dus keerden we onverrichter zake terug huiswaarts. Er woei een geweldige wind, maar het was helemaal niet koud, noch vochtig. Derhalve had ik ontzettend weinig zin om reeds onmiddellijk terug onze woning binnen te rijden. Waar ik dan ongetwijfeld ook de rest van de dag zou moeten doorbrengen. Liever had ik even in onze achtertuin vertoefd, maar ik realiseerde mij dat dit, met zulk een stormachtig weer, niet erg verstandig zou zijn geweest.

Wat even later werd bewezen. Want we waren nog maar net binnen in huis, en ik had nog maar pas mijn jas uit, toen één van mijn jongens me meldde dat onze grootste boom uit het gezichtsveld was verdwenen. Wantrouwig, vermoedend dat ik in het ootje werd genomen, verplaatste ik mij snel naar de verandaramen achteraan in ons huis en keek van daaraf naar buiten. Mijn kijkers kregen een totaal ander uitzicht op de tuin te zien dan ze gewoon waren, want die doorgaans direct in het oog springende zilverberk was inderdaad foetsie!

De volgende dag, toen het weer terug wat rustiger was, reed ik de tuin in en vond de kolos, meedogenloos geveld, op het grasveld. Een triest zicht, vond ik dat. Maar nu die boom beneden lag, ontdekte ik wat de schors al die tijd had kunnen verborgen houden, namelijk dat de boomstam binnenin volledig was uitgedroogd. Het was eigenlijk een wonder dat dit gevaarte niet eerder tegen de vlakte was gegaan.

Het grasperk, dat voordien door de weelderige kruin van de zilverberk, als het ware van de buitenwereld werd afgeschermd, baadde nu in een zee van licht.  Dat mijn mooie boom wijlen was, daar ben ik toch wel enkele dagen verdrietig om geweest. Niet dat ik triest in een hoekje ging zitten, maar het neergaan van mijn lievelingsboom, en het feit dat ik hem als gevolg daarvan tot brandhout moest laten verwerken, had me toch wel geraakt. Figuurlijk althans, want ik zat, zoals voorheen geschreven, veilig binnen in huis toen die mastodont neerviel.

Mijn mooie tussenhaag was spijtig genoeg wel getroffen. Maar kom, die was enkele maanden na het gebeurde, alweer de oude. Bomen, planten, struiken en zo meer hebben het geluk dat, wat ze kwijt spelen, er naderhand vaak vrij eenvoudig terug aangroeit. Dat het mensdom daar eens een voorbeeld aan neemt!

****

Helemaal rechts achterin onze tuin, op de scheiding van ons perceel met dat van de achterburen en de buren aan de zijkant, stond een fruitboom die al sinds jaren op rust was. Dus reeds lang geen vruchten meer produceerde. En die een kruin had waarvan nog slechts enkele takken het geluk kenden in de lente de basis te zijn van enkel groene bladeren.

Die boom, of althans wat er nog van overbleef, had mazzel gevat te zitten in de zijtakken van een, er vlak naast staande, nog steeds volop in leven zijnde spar. Met het verstrijken van de jaren was deze boom, met een toch wel redelijke stamdikte, zijnde een goeie 40 centimeter, evenwel geleidelijk aan schuin komen te staan. En verloor de spar er daardoor beetje bij beetje haar greep op.

Aangezien hij naar onze tuin overhelde, en bij een eventueel vallen dus niet op de eigendom van onze buren terecht kon komen en desgevallend schade aanrichten, was ik vrij gerust. Toch zocht ik naar een oplossing om de boom te verwijderen. Want na elke periode met hevige rukwinden, kwam de boom steeds schuiner te staan. En hoewel er vrijwel nooit iemand in die hoek vertoefde, wou ik toch niet het risico lopen dat, als het toch eens zou gebeuren, degene die er liep, dat gevaarte op het hoofd zou krijgen.

Die nare ervaring uit mijn jonge jaren indachtig, wou ik de klus in geen enkel geval laten klaren door amateurs. Maar integendeel de job laten uitvoeren door professionelen. Aangezien de plek waar die boom stond, moeilijk bereikbaar was, konden die daar evenwel niet geraken met een hoogtewerker. En een lange ladder tegen die hellende boom plaatsen was te riskant. Een ladder tegen de spar plaatsen en vanuit die positie met een zware boomzaag aan het werk gaan, was ook niet echt een acceptabel alternatief.

Wikkend en wegend hoe ik die bejaarde fruitboom daar dan wel weg zou krijgen, reed ik op een zonnige namiddag nog eens naar die hoek, om de situatie aldaar nog eens deftig te bekijken. Vlak naast de scheiding met de tuin van onze achterbuur, en op een meter of vijf afstand van de boom, bleef ik staan. Maar niet voor lang. Want ik voelde mij allesbehalve veilig op de plaats waar ik stilstond. Want ik kon zien dat de spar haar greep op de boom nagenoeg volledig was kwijt geraakt en de oude fruitboom meer dan ooit overhelde, in de richting van waar ik zat!

Die moest daar dus uiterst spoedig weg, besliste ik. En ik zou daar eerstdaags werk van laten maken! Maar zo ver hoefde het niet te komen, want de natuurelementen namen me het werk uit handen. Nog diezelfde avond stak er, gelijktijdig met een fikse regenbui, een sterke wind op, die in de loop van de nacht nog toenam in snelheid en kracht!

De volgende ochtend had ik reeds het vermoeden dat er die nacht wel eens iets met die boom zou kunnen gebeurd zijn. En aangezien het stormen en regenen tegen de middag aan zo goed als helemaal voorbij was, ging ik toen een kijkje nemen achterin de tuin. Waar het onweer hevig te keer was gegaan, want alle paden en graspleintjes lagen bezaaid met takken, bladeren en ander groen en anderskleurige tuinelementen, waarmee de wind een spel had gespeeld.

En, zoals verwacht had die wind ook de boom in de hoek neergehaald. Hij was gevallen pal op de plek waar ik de dag ervoor nog had gezeten! Toch vriendelijk van die boom om te wachten met zich neer te laten leggen tot ik van het toneel was verdwenen. Stel je voor dat ik die brok hout met alles wat er aan hing, op mijn kop en alles wat daar aan hangt, had gekregen. Dood was ik dan allicht niet geweest. Tenzij het al te lang zou hebben geduurd vooraleer men mij kwam 'redden'. En er in dat geval al zo veel bloed uit mijn lichaam zou zijn gestroomd, dat mijn lichaam er dan toch 'het bijltje' zou hebben bij neergelegd.

Maar hoogst waarschijnlijk was het resultaat van dat onder die vallende boom terecht komen, veel erger geweest. En had ik het avontuur overleefd met nogal wat lichamelijke schade aan mijn lijf en materiële schade aan mijn elektrische rolstoel. Verzekeringsgewijs is dit laatste trouwens ook lichamelijk, wegens een onontbeerlijk hulpmiddel zijnde, en een materieel verlengde van de persoon die er aan gebonden is.

Voor de kwebbelaars in mijn woonplaats was het zonder twijfel jammer dat geen van de twee laatst vermeldde scenario's bewaarheid is geworden. Want er zou ongetwijfeld enorm veel geroddeld zijn geweest nopens dit voorval. En vooral verzonnen. Een verhaal dat dan zeker de ronde zou hebben gedaan, is dat van de poging tot zelfdoding. Daar zou ik trouwens zelf ook wel één en ander rond kunnen verzinnen. Maar voor dit verhaal heb ik me netjes aan waar gebeurde feiten gehouden.

Ru(sh)di(e), 4 oktober 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

24-03-10

Rudi’s overpeinzingen - Leve de burka!

  

Gelukkig is die figuurlijke wind nu wat gaan liggen, maar er is heel wat trammelant geweest rond het dragen van een hoofddoek op school. Nochtans hoeft dat hoofdbedeksel geen probleem te vormen. Op de school waar mijn zoon Austin het tweede jaar handel volgt, nemen de moslimmeisjes die daar school lopen, hun hoofddoek af, eens ze op school arriveren en gaat die weer op als ze door de schoolpoort de campus verlaten. Dat staat zo gestipuleerd in het schoolreglement, meen ik mij te herinneren. En er is, voor zover me bekend, daaromtrent nog nooit enig geschil geweest

Al de commotie rond die hoofddoeken van moslima's, heeft evenwel mijn verbeelding serieus aan het werk gezet. Niet om met zever voor de dag te komen, maar daarentegen met, althans naar mijn bescheiden mening, interessante, misschien zelfs realiseerbare fantasieën.

Het is immers zo dat ik al sinds vele jaren vaststel dat de jeugd van tegenwoordig, onder druk van leeftijdsgenoten, blijkbaar enkel nog tevreden is met merkkledij. Ook van kennissen met opgroeiende kinderen verneem ik eenzelfde constatering en menigmaal las ik iets in dezelfde trant op deze of gene weblog die ik frequenteer.

Zowel meisjes als jongens zijn pas tevreden met kledij en schoeisel, als het een specifiek type is, van een bepaald merk. Maar geen namaak uit een derde wereldland, hé! Het moet de echte, originele koopwaar zijn! En het jong volkje heeft blijkbaar de expertise om nep van echt te onderscheiden.

Spullen uit een budgetwinkel zijn, ondanks de vaak uitstekende kwaliteit, maar door de gigantische verkoopshoeveelheid lage prijs, helemaal uit den boze! Dat is gerief voor allochtonen en bedelaars, zo gaat het in de sociale kringen van jongeren de ronde. En de echte Belgen, Vlamingen, autochtone jeugd... wenst absoluut niet met die mensen te worden geassocieerd.

Dit maatschappelijk klimaat is terug te vinden in alle (middelbare) scholen, van alle netten en in alle studierichtingen. Dus niet langer beperkt tot uitsluitend de zogenaamde 'elitescholen'. Zoals in de jaren tachtig bijvoorbeeld het geval was met die exclusieve ski-jassen van het Franse merk 'Millet'. Toen de arrogant elitaire motieven van die enkele 'uitverkoren' jongeren, die over zo een exemplaar beschikten, trouwens door menig persoon als schokkend werden ervaren. De dragers van deze 'Millet-jassen' voelden zich namelijk verheven boven de rest.

Gelukkig loopt het nu niet zo een vaart. Toch is het een evolutie die mijns inziens best nauwlettend in het oog dient te worden gehouden. Door zowel ouders als mensen uit onderwijskringen. Zodat tijdig kan worden ingegrepen op het moment dat een (nieuwe) rage of modetrend dreigt te ontaarden in excessen.

Nu ben ik in beginsel helemaal niet van het principe dat trends dienen te worden gevolgd. Integendeel zelfs. Maar je kind de kans te laten lopen uitgesloten te worden of je tiener zich gefrustreerd door haar of zijn jonge leven zien worstelen, omwille van je eigen principes, vind ik ook onverantwoord ouderlijk gedrag.

Bij mijn zoons is de merkvereiste gelukkig beperkt tot enkel schoenen. Noodgedwongen volg ik hen in hun keuze. De afspraak is evenwel dat ze steeds een deel van de kostprijs uit eigen zak betalen. Zij zelf zitten daar niet mee in, maar ik vind het zonde dat hun zorgzaam bijeen gespaarde Euro's als het ware worden verkwist aan een simpel merklabeltje. Terwijl de inhoud van hun spaarpot naar mijn mening beter aan andere, meer interessante en nuttiger zaken zou kunnen worden besteed. Een kleurige hoofddoek voor een vriendinnetje bijvoorbeeld.

Als oplossing voor deze merkproductenrage problematiek opperde iemand uit mijn omgeving, de terugkeer naar het schooluniform. Waar ik helemaal ben voor te vinden. Maar daarmee los je het probleem van de merkschoenen niet op. En ook wat het kapsel betreft biedt dit geen uitkomst. Waardoor er dan een ongelijkheid blijft bestaan tussen jongeren die het zich kunnen permitteren, of juister uitgedrukt, wiens ouders het zich kunnen veroorloven dat zoon of dochterlief maandelijks het kapsalon aandoet en zij die hun kinderen slechts elke 3 maand of elk halfjaar op een bijgesneden of nieuwe coupe kunnen vergasten.

De door mij bedachte oplossing gaat nog net iets verder. En ik overweeg zelfs er een patent op te nemen. Dames en heren, meisjes en jongens, laat me aan jullie allen voorstellen: de 'uniseks-burka'. Geleverd door de school, in twee verschillende kleuren per school: één voor de jongens en één voor de meisjes. Dit om mistoestanden in de toiletten zoveel als mogelijk te vermijden. Alhoewel uiteraard niet valt uit te sluiten dat stouterds daar toch in zullen slagen. Of het althans zullen proberen.

Het ultieme idee vind ik evenwel het burka meegroei-exemplaar. Waarbij de naden zijn ingelegd en worden gelost navenant de evolutie van de groei van het kind. Kostenbesparend en democratisch. Gedaan met alle elitaire gedoe, ongelijkheid, discriminatie en zo meer. Is het enkel ik die voor dit briljante uitvindsel te vinden is, of volgen jullie mij hierin? Laat het me weten, ik ben één en al oor! Figuurlijk welteverstaan!

Rudi, 26 september 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

21-03-10

Rudi’s overdenkingen - Waar een toevallige ontmoeting mijn gedachten al niet heen kan leiden

  

Met het prachtige nazomerweer waarop we de afgelopen dagen werden getrakteerd, liet ik geen enkel vrij moment of kans onbenut om buiten te vertoeven. Toen ik dondermiddag, onder een stralende zon, onderweg was, kwam er, voor ik een straat rechts wou inslaan, vanuit de andere richting een fietser aangereden, die me vriendelijk begroette, vooraleer net voor mij dezelfde straat in te rijden. Toen pas merkte ik dat het de oud-burgemeester van mijn woonplaats betrof. De man, die vast op weg was naar huis, kreeg van mij een hartelijke groet terug. "Leuk dat hij me nog herkent", dacht ik even. Want het was, naar ik mij herinnerde, toch reeds lange tijd geleden sinds we elkaar voor het laatst hadden gezien.

Maar onmiddellijk daarop realiseerde ik me dat die herkenning uiteraard vooral te wijten was aan die vier wielen onder mijn poep en de rest van dat prachtig toestel waarmee ik mij voortbeweeg. Het klinkt allicht ongeloofwaardig, maar toch is het zo dat ik vaak vergeet dat ik in een rolstoel zit.

Anderzijds gebeurt het soms dat ik voor het eerst met iemand afspreek en die persoon naar me toekomt, zeggend dat zij of hij me meteen herkende. Waarop ik dan reageer door te zeggen dat zulks niet moeilijk is. En terwijl die ander knikt en er een verlegen glimlach op diens gezicht verschijnt, zeg ik dan: "Door mijn lange haren, hé?!" Dan zie ik de gelaatsspieren van de persoon tegenover me in beweging komen en mijn gespreksgenoot denken, terwijl die ongemakkelijk op diens benen balanceert: "Zal ik het hem zeggen of niet?" Maar lang laat ik de vrouw of man in kwestie niet twijfelen, door snel zelf te zeggen: "En mijn rolstoel droeg allicht ook bij tot de herkenning?!" Waarna we dan doorgaans beiden hartelijk lachen. En ook meteen het ijs is gebroken.

Tja, een vos verliest zijn haren, maar niet zijn streken. Gelukkig dat eerste enkel figuurlijk, want ik zou niet graag vroegtijdig mijn weelderige haardos kwijt geraken. En deze integendeel zelfs het liefst van al behouden tot wanneer ik mijn laatste levensadem uitblaas. Een punt dat ik ooit al eens heel dicht benaderde, zoals in eerdere schrijfsels staat te lezen.

Een vos ben ik overigens ook niet. Tijdens mijn jeugd was deze roofdiersoort ook niet te vinden in mijn geboortedorp. De enige vossen die daar toentertijd verbleven waren de gezinsleden van de in mijn toenmalige woonplaats residerende familie De Vos. Tegenwoordig is dat evenwel anders. In de velden en bossen achter mijn ouderlijk huis leven al sinds geruime tijd tal van vossen. En sinds enkele jaren ook herten. In hrt wild, in de vrije natuur, hé! En die dieren planten zich daar vrolijk voort

Wie weet komen er, door de opwarming van de aarde, daar, en elders, misschien ook wel opnieuw diersoorten tot leven, die reeds op aarde ronddwaalden voor de eerste ijstijd een aanvang nam. Maar die ongelukkigerwijs de laatste ijstijd niet overleefden. De mammoet bijvoorbeeld, of de sabeltandtijger.

Dat opwarmen van de aarde, daar hoef ik niet voor te vrezen. Mijn voeten verbranden aan die opwarmende aardkorst kan niet gebeuren, want mijn onwillige stappers staan op een voetplankje, op enige afstand van de grond, dus veilig. Alhoewel? Als mijn banden smelten... Maar laat me aan dat doemscenario niet denken.

Mijn geest laat me immers al vrezen voor die potentiële, door de klimaatswijziging veroorzaakte heropstanding van gevaarlijke grote beesten Die blijven best nog even weg. Want ik heb schrik dat, als ik er, om wat voor reden dan ook, tijdens een boswandeling, zo één achter me aan krijg, ik mij nooit snel genoeg uit de voeten zal kunnen maken. Derhalve ben ik dus liefst, vooraleer dat die kolossen terug ten tonele verschijnen, de pijp uit.

Rudi, 20 september 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

31-08-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 2

 

In het algemeen ziekenhuis van mijn woonplaats werd alles in gereedheid gebracht om me over te brengen naar de grote partner in de provinciehoofdstad. In minder dan een uur na mijn akkoord, stonden er al twee jonge, aan dat ziekenhuis verbonden ambulanciers, aan mijn bed, om me op te halen. Mijn corpus werd op de smalle brancard getild en vastgesjord. Mijn tas met spullen kreeg ik op mijn benen gezet. En de zak met suikerwater dat middels een infuus mijn lichaam van het benodigde vocht voorzag, kwam op mijn buik te liggen. Zuurstof kreeg ik via een neusmaskertje dat verbonden werd met een kleine, aan de brancard bevestigde zuurstoffles. Weg waren we, naar de gereedstaande ziekenwagen. Het duo rolde mij met brancard en al in de vrij ruime camionette. De mannelijke helft van het ambulancekoppel kroop vooraan achter het stuur van het vehikel. Zijn vrouwelijke collega kwam gezellig naast me zitten. Een taakverdeling waarbij me niet vooraf om mijn mening was gevraagd, maar die desalniettemin mijn goedkeuring wegdroeg.

En zo verliet ik op die 14de december 2006, kort na het middaguur, het hospitaal in mijn woonplaats, om een goeie 25 kilometers verder in dat ander hospitaal, hopelijk naar voldoening te worden geholpen. De ambulanciers waren aangenaam gezelschap. Het meisje toonde me ook het aspiratietoestel dat ze aan boord hadden en verzekerde mij ervan dat ze er mee overweg kon en me in geval van nood dus zeker kon helpen om ongewenst, mijn ademhaling verstorend slijm, uit mijn luchtpijp te verwijderen. De kans dat dit nodig zou zijn was evenwel klein, want de longarts had net voor mijn vertrek mijn luchtwegen nog eens van fluimen gezuiverd middels een bronchoscopie. Die ik deze keer om God weet welke reden niet mee had mogen volgen op het scherm.

Vooraleer we op onze bestemming arriveerden, vulde mijn vrouwelijke gezel ook nog een inlichtingenblad in, met de antwoorden die ik gaf op de vragen die zij aflas van dit document.

Eens ter plaatse werd ik uit de ambulance gerold, een gebouw binnen gereden, toen de lift naar boven ingeholpen, tot ik op de juiste afdeling arriveerde: intensieve zorgen. Na de nodige plichtplegingen en uitwisseling van documenten, werd ik naar een bed gerold, losgemaakt van de brancard en vlot en probleemloos naar het hospitaalbed getransfereerd. Middels een speciaal daarvoor ontworpen hulpmiddel: een plank met een breedte van een gemiddeld mensenlichaam, waarop een, in de lengte rond deze plank verschuivende doek is bevestigd.

Het ambulanceteam nam afscheid van me en wenste me het beste. Weg geroezemoes en drukte. Maar toen pas hoorde ik een voortdurend getuit en gepiep. Vreselijk irritant. En ik was daar pas. Dat zou wat worden! Daar lag ik dan. Op mijn nieuwe verblijfplaats. Voor wie wist toen reeds hoelang? Nieuwsgierig keek ik rond. Voor zover dat mogelijk was. Zowel links al rechts van mij hing een geel gordijn. En ook voor mijn bed hing er zo één, dat evenwel deels was opzij geschoven. Mijn 'cel' was gevuld met medische apparatuur. En rechts van mijn bed stonden een toetsenbord en een computerscherm.

Aan de overzijde van het lokaal ontwaarde ik enkele cabines, waarschijnlijk identiek aan de mijne. Midden in de ruimte stonden bureaus met daarop grote computerschermen. En aan mijn rechterzijde zag ik vaag een aantal met glas afgeschermde ruimtes. Waarschijnlijk kamers met daarin ook personen die nood hadden aan intensieve verzorging, want zo nu en dan ging daar iemand naar binnen. Na eerst een lapje voor de mond te hebben gebonden en handschoenen te hebben aangedaan. En toen die persoon enkele tellen later terug buiten kwam, werden die dingen terug af- en uitgedaan en vervolgens in een prullenbak gegooid.

Er kwam eindelijk iemand naar me toe. Voorstellen was er niet bij. Mijn pyjama moest uit. Dat was de procedure. Ik weigerde, want zag daar de zin niet van in. De verpleegkundige drong niet aan maar verzekerde me dat men mij de volgende ochtend, na het ochtendtoilet dan wel van outfit zou laten wisselen. Daartegen had ik geen enkel verweer, dus ik zweeg. Ook al omdat het ademen alweer moeilijker begon te gaan. Dat verdomde slijm!

Een kinesist werd er bij gehaald om me te tapoteren op de borst. Dat is met een bepaalde techniek kloppen, om de fluimen los te krijgen. Vervolgens aspireerde hij. De jongeman kende de knepen van het vak. Hij kreeg het slijm vrij gemakkelijk uit mijn luchtpijp. Waarna ik weer wat ademruimte had. Hopelijk genoeg om de nacht door te komen.

En die nacht was vreselijk. De verlichting in de zaal werd gedimd, maar overal brandden en flikkerden er kleine en grotere gekleurde lampjes van de apparatuur verbonden aan de in de zaal geposteerde patiënten. Voortdurend weerklonk een tuten en piepen. En nu en dan ging er een alarm af. Op momenten dat één van de toestellen niet genoeg respons kreeg van het lichaam waaraan het verbonden was, vermoedde ik. En dat zou mij later uit eigen ervaring worden bevestigd. Die keren dat het alarm bij mij afging omdat het zuurstofgehalte in mijn bloed angstwekkend daalde. Doordat mijn longen niet meer gevuld raakten door dat verdomde slijm!

De volgende dag kreeg ik een kattenwas, waarbij helemaal geen rekening werd gehouden met mijn gevoelens noch verlangens. En na deze, nog niet eens de term 'half werk' waardig, activiteit werd me zo een operatieschortje aangedaan, dat veel te klein was! Voor een persoon met dwerggestalte was dat misschien net gepast. Maar allicht doet men die mensen dan een kindermodel aan. Want je aangekleed en op je gemak voelen is op een afdeling IZ blijkbaar niet toegestaan.

Dat dit schortje aanmoet om gemakkelijker de verschillende, aan apparaten verbonden elektroden op je lichaam te kunnen plaatsen is onzin. Dat gaat ook met iets meer textiel om je lijf. En het argument dat het dragen van dat shortje zogezegd is ingegeven vanuit hygiënische overwegingen, is ook nonsens. Een lapje stof dat niet eens je schouders bedekt, slechts net je intieme zone aan het zicht onttrekt en je rug en zitvlak bloot laat... een mensonwaardiger outfit bestaat niet. Verplicht exhibitionisme. En dat alles voor die verpleeglui hun gemak! Triest.

Het steeds maar naar die gele gordijnen moeten liggen turen begon danig op mijn zenuwen te werken. Welke idioot is er in God's, Allah's of wiens naam dan ook ooit op de idee gekomen om die opzichtige kleur te gebruiken? En welke, nog grotere idioten hebben er mee ingestemd en het voorstel goedgekeurd? Als straf zou men ze zelf eens een week in een geelgekleurde cel moeten opsluiten! Gek wordt je daarvan! Bij mij kon dat evenwel niet meer gebeuren, want ik was al gek... van de pijn! En ik moest telkenmale bedelen om pijndovend ijs, dat ik dan op de koop toe meestal niet eens kreeg. Ofwel negeerde men mijn aanwijzingen en plaatste het bevroren water op een plek waar het totaal geen nut had.

En om in plaats van tabletjes pijnmedicatie, via mijn infuus de veel sneller werkende vloeibare variant te krijgen toegediend, daar ging ook eerst een ganse lijdensweg aan vooraf. Onbegrijpelijk, want ik vroeg niet eens zware medicatie. Welke allicht massaal werd toegediend aan de andere personen in de ruimte. Want afgaande van wat ik er zo nu en dan van kon zien waren deze meer dood dan levend.

Af en toe gebeurde het wel eens dat er ineens een ganse resem alarmen tegelijkertijd afgingen. Komende vanuit dezelfde locatie. Dan kwam er langs alle kanten volk aangerend. De gordijnen gingen dicht, maar als de herrie van de overkant kwam, dan kon ik uit de aanvoer van materiaal op karretjes en het zenuwachtig gedoe van verpleegkundigen, artsen en al eens een kinesist, afleiden dat men de persoon in het bed aldaar hetzij trachtte in leven te houden, hetzij er terug leven in te krijgen middels allerlei reanimatietechnieken.

En als er naderhand, als de rust was weergekeerd, nagenoeg geen lichtjes meer schenen aan de overkant, veronderstelde ik dat alle pogingen vruchteloos waren geweest en Pietje de dood de strijd had gewonnen. Wat naderhand werd bevestigd door het feit dat er enkele uren later een leeg bed tegenover me stond. Wachtend op een nieuwe patiënt. En dat duurde nooit lang.

In tegenstelling tot de vorige I.Z.-afdeling waar ik verbleef, waren er in dit ziekenhuis slechts twee bezoekmomenten voorzien. Eén om 15u00 en één om 20u00. En kinderen moesten 14 jaar zijn vooraleer te worden toegelaten. Hier zou ik mijn kroost dus zeker niet te zien krijgen. Het was iedere keer eindeloos wachten op die bezoekmomenten. Van telkens een kwartiertje. Het waren kleine lichtpuntjes in troosteloze, en als oneindig durend aanvoelende dagen en nachten.

Inmiddels was ook mijn rolstoel overgebracht van het ziekenhuis in mijn woonplaats, naar de kliniek waar ik nu verbleef. De I.Z.-afdeling mocht die echter niet binnen. Omdat er geen plaats voor was en deze er ook niet thuishoorde, zo werd me gezegd. Dat ik een andere mening was toegedaan, dat kon niemand van het personeel een snars schelen. Ook niet dat ik bang was dat er iemand zou prutsen aan mijn onbewaakt gestalde rolstoel, in feite een mijn lichaam verplaats- en beweegbaar makende orthese. De stoel naast mijn bed plaatsen zodat ik dagelijks enkele uren zou kunnen opzitten, was helemaal uit den boze. Voor die transfers had men geen tijd en als die rolstoel naast mijn bed stond, zou men te veel moeite hebben om aan mij te werken.

Allemaal nonsens, want er werd nauwelijks naar me omgekeken. Buiten de vlugge wasbeurt 's ochtends en op gestelde tijden een bloedafname, een heraankoppelen van losgekomen elektrodes, en zo meer. Het aspireren werd overgelaten aan een kinesist, want de verpleegkundigen bakten daar niks van. En na een bezoek van de longarts, die ik al van vroeger kende, werd de 'Kuch assistent' ingeschakeld. Dat is een op elektriciteit werkend verplaatsbaar apparaat waaraan een luchtslang zit waaraan een masker is bevestigd, dat op je mond wordt geplaatst. Het toestel stimuleert een kuch door eerst een positieve druk op de luchtwegen te zetten en onmiddellijk erna een negatieve (dus onder-)druk. Waardoor je gaat kuchen. Op het einde van deze drukwissel laat de machine, gedurende een door de operator in te stellen tijd, de luchtwegen  even drukvrij. Waarna de cyclus zich herhaalt. Een aantal keer na elkaar.

Eigenlijk een technisch vrij eenvoudig apparaat, dat men uitsluitend benoemde met de Engelse term 'Cough Assistent'. Allicht om het apparaat, niet veel meer dan een omgebouwde vacuümpomp of zelfs stofzuiger, een meer bijzondere uitstraling te geven. Maar het mag worden gezegd dat ik effectief baat had bij het gebruik ervan. Zelfstandig was is helemaal niet in staat om slijmen op te hoesten, terwijl dat met behulp van dat door de kinesitherapeut bediend toestel, wel ten dele lukte.

Toen ik een keer de drang voelde om stoelgang te maken, meldde ik dat aan de verpleger van dienst. En vroeg om mij rectaal te toucheren. Dat is het manueel verwijderen van ontlasting. Men doet dat door, terwijl je met opgetrokken knieën op je zijde ligt, met de vingers de feces uit je endeldarm te lepelen. Weet je wat de aangesproken verpleegkundige zei? "Laat maar komen. We zullen dat daarna wel opkuisen!" Ik geloofde mijn eigen oren niet! Er werd van me verwacht dat ik 'gewoonweg' mezelf zou onderkakken, waarna ik, en mijn bed, zouden worden verschoond?! Dat kon hij toch niet menen? Maar hij meende het wel! Mijn bezwaren werden simpelweg weggewuifd.

Gelukkig was het loos alarm. Er kwam vrijwel niks. Maar 's avonds werd wel gans de boel ververst. En kwistig dat er werd omgesprongen met papier, lakens en handdoeken! Onverantwoord, vind ik. Hygiëne, akkoord, maar zijn 5 handdoeken, evenveel washandjes en 3 paar handschoenen gebruiken voor één wasbeurt echt nodig?

Wat die weigering om rectaal te toucheren betreft, luchtte ik mijn verontwaardiging bij de hoofdverpleegkundige. Dat was een foute zet. Want als gevolg van die klacht werd ik 's nachts afgedreigd door de nachtzuster. Ik schrok me een hoedje toen die me nors meldde dat, als ik nog een keer mijn bek zou opendoen tegen de hoofdverpleegkundige, het mijn beste dag niet zou zijn.

Daar lag ik dan met pijn en nog op tijd en stond serieuze ademnood, in een vijandige omgeving. Eigenlijk was het al vrij snel duidelijk geweest dat ik op die afdeling niet veel menselijkheid moest verwachten. Elk van de daar werkende verpleegkundigen had slechts een tweetal patiënten onder haar of zijn hoede. Allicht vaak in een toestand van balanceren op de grens tussen leven en dood. Dan zou je toch verwachten dat zij, bij aankomst op de afdeling, voor het aanvatten van hun werkshift, eens even een kijkje zouden nemen om te zien hoe het met die personen was gesteld?

Neen hoor, zij arriveerden, namen hun broodjes uit hun tas, plaatsten die in de koelkast, tokkelden wat op de computer, waar ze mogelijks wel de conditie van hun, op 5 meter daar vandaan liggende patiënt, aflazen, namen deel aan de overdracht door de ploeg voor hen, en kwamen dan een half uur na hun aankomst, tot aan je cel. Om daar wat op de, naast je bed staande computer, te tikken.

Pas toen ik hen zelf aansprak, keken ze voor het eerst mijn richting uit. Vaak een beetje geschrokken. Want gewoon praten deed het merendeel van hun patiënten niet. Die hielden zich doodstil, of waren hoogstens wat aan het ijlen. Als ze bij iemand aan bed kwamen spande dat personeel trouwens altijd eerst een maskertje voor de mond en deed men latex handschoenen aan. Ongetwijfeld noodzakelijk om de verspreiding van kwalijke bacteriën tegen te gaan, maar helemaal niet leuk om telkens zo te worden benaderd. Daar konden zij uiteraard niks aan veranderen, maar ik vermoed dat de meesten van hen daar zelf niet mee in zaten. Later hoorde ik van diverse verpleegkundigen, dat op een afdeling 'Intensieve Zorgen', vaak collega's werkzaam zijn die zich ook reeds tijdens hun studietijd kenmerkten door een asociaal gedrag.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 30 augustus 2009)

31-07-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 1


Het werd een Kerst in mineur voor schrijver dezes. Begin september 2006 raakten mijn longen geïnfecteerd door een virus. Dat zorgde voor kortademigheid. Gezien mijn longcapaciteit, als gevolg van mijn verlamming, bij een normale lichaamsconditie slechts net voldoende is om zelfstandig te kunnen ademen, had ik dus te maken met een ernstig probleem. Eén huisarts, twee specialisten, drie antibioticakuren en een griepvaccinatie verder, kwam daar nog bij dat enorme speekselfluimen in mijn luchtpijp mij bij wijlen in acute ademnood brachten. Zodat ik dreigde te stikken! Omdat ik niet de kracht had om dit slijm op te hoesten. Bovendien had ik bij het eten en drinken ook alsmaar meer moeite om het voedsel en de drank door te slikken.

En mijn lichaam reageerde uiterst heftig telkenmale deze problemen zich voordeden. Als ik door mijn verpleging of kinesist in bed werd gelegd, zette alles zich dicht,. De spieren van mijn buik en middenrif knepen als het ware mijn longen en luchtpijp samen, met als gevolg dat ik dan steeds snakte naar adem en hevig pufte van benauwdheid. Derhalve durfde ik niet meer geheel neer te liggen en trachtte ik in een half zittende positie te slapen.

Begin december ging ik op een zaterdagavond met mijn kroost naar de film. De Nederlandstalige film 'Windkracht 10' werd immers vertoond in het Cultureel Centrum van mijn woonplaats, en ik had voor kaarten gezorgd. Die dag had ik nauwelijks iets gegeten, want ik verslikte me voortdurend, wat angstaanjagend was en me dus enorm veel schrik bezorgde. Doodziek reed ik met mijn twee jongens naar die locatie. Omdat ik dacht dat de film me verstrooiing zou brengen. Tijdens de filmvoorstelling zat ik evenwel voortdurend naar adem te snakken.  En me af te vragen of ik na de voorstelling niet best meteen naar het daar dichtbijgelegen ziekenhuis zou rijden. Maar wat dan met de jongens, zo vroeg ik me af. Vandaar dat ik, na het einde van de film, samen met de fietsende zonen huiswaarts keerde.

Aangezien ik het niet aandurfde om me door mijn thuisverpleegkundige in bed te laten leggen, bracht ik de nacht door, al zittend in mijn rolstoel. Met mijn pyjamavestje aan en een deken over mijn ganse lichaam gelegd. Het was een vreselijke, slapeloze nacht, die ik al reutelend en snakkend naar adem doorspartelde. Op zondagochtend, de derde dag van de maand december 2006, liet ik me, uitgeput en ten einde raad, net voor de middag, met het busje van het rolstoelervervoer, georganiseerd door het locale O.C.M.W., naar het plaatselijke algemeen ziekenhuis brengen. Mijn éne tienjarige zoon reed mee met mij, zijn tweelingbroer en hun mama volgden met de auto. Voor mijn vertrek had ik mijn gezinsleden nog alle medicatie, toiletspullen, pyjama en zo meer in een plastic zak laten proppen.

Ik had hoge koorts en was helemaal op. Angstig, omdat nu en dan mijn luchtpijp nagenoeg volledig dichtslibde, waardoor ik geen enkele klank meer kon uitbrengen en nog nauwelijks kon ademen. Waarbij ik me bewust was van het gevaar dat er ten gevolge hiervan onvoldoende zuurstof naar mijn hersenen zou worden gestuwd, met mogelijks het afsterven van hersencellen tot gevolg. Met extra lichaamsfunctieverlies! Voorwaar geen prettige gedachte.

Daarbovenop was ik ontzettend moe door een gebrek aan slaap, het urenlang luisteren naar mijn eigen eentonige gereutel, mijn terechte vrees voor hersenbeschadiging en het onophoudelijk geconcentreerd ademen om toch nog wat hoogst noodzakelijke zuurstof in mijn corpus binnen te krijgen.

Ik ging binnen via de spoed, alwaar ik goed werd opgevangen door de verpleegkundige van dienst en het geluk had op een dokter van wacht te stoten met een grote luisterbereidheid. Geheel naar mijn wens werd ik niet op een bed gelegd en werd er, door een inderhaast opgeroepen chirurg, een centraal veneuze katheder aangebracht. Een kunststof slangetje, dat in tegenstelling tot een gewoon infuus, niet in een dunne ader in arm of been, maar in een groter bloedvat onder het sleutelbeen wordt aangebracht. Eén van de voordelen hiervan is een grotere bewegingsvrijheid.

Ik kreeg een kamer toegewezen op een verzorgafdeling. Mijn toekomstige kamergenoot keek raar op toen het naast hem staande lege bed naar buiten werd gerold en ik in mijn rolstoel in de plaats kwam.  Ik was nog maar pas geïnstalleerd of men kwam me reeds halen voor het maken van een medische beeldplaat. Er werd een Röntgenfoto genomen van mijn longen. De arts hielp zelf om dit voor elkaar te krijgen omdat deze handeling, met mij in mijn rolstoel, helemaal niet eenvoudig was.

Uiteindelijk achtte men het toch meer aangewezen om me onder te brengen in een box op de dienst intensieve zorgen. Ik kreeg een zuurstofmasker op neus en mond gedrukt, waarna ik het iets minder benauwd had en men verbond mijn lichaam aan allerlei apparaten. Zodoende kon men op allerhande schermpjes continu mijn bloeddruk, hartslag, zuurstofsaturatie en zo meer af kon lezen. Mijn antibiotica, waarvan ik, bang om er in te stikken, de laatste pillen niet meer had ingenomen, werd nu intraveneus ingebracht. Mijn gezinsleden gingen huiswaarts en ik was ervan overtuigd dat ik een dag of drie later hetzelfde zou kunnen doen.

Inmiddels was mijn toestand er uiteraard niet vanzelf op vooruit gegaan. Ik zat afwisselend te hoesten, te puffen en reutelend naar adem te snakken. Met een buisje, verbonden aan een vacuümsysteem, trachtte men via één van mijn neusgaten, of de mond en keelholte, tot bij de fluimen te komen die mijn luchtpijp afsloten, en deze zo af te zuigen. Dit, wat men in vaktermen 'aspireren' noemt, lukte evenwel niet goed. Bij de ene verpleegster ging het nog minder goed dan bij de andere. Slechts nu en dan leidde deze therapie tot enig resultaat. Meestal beschadigde men evenwel met de sonde mijn neus- en keelholte en kwam het uiteinde ervan in mijn slokdarm terecht, in plaats van in mijn luchtpijp. Of werd het pijpje binnengebracht via mijn neus en kwam het er via mijn mond opnieuw uit. Eén iemand slaagde er zelfs in om het buisje langs het éne neusgat binnen te brengen, waarna het er via het andere neusgat uitkwam en vervolgens kwam vast te zitten. 'Oesje' zei ze, 'het zit vast!' Ik talmde niet, nam het buisje uit haar hand en gaf er met alle kracht die ik nog in mijn lichaam had, een flinke ruk aan, zodat het los kwam.

De pneumoloog werd er bijgehaald. Die deed een bronchoscopie en verwijderde middelerwijl zo veel mogelijk fluimen. Meer gedetailleerd ging dit onderzoek als volgt in zijn werk. Mijn tong en keel werden verdoofd middels besproeiing met een bittere vloeistof. En ook in mijn luchtwegen werd wat verdovingsvloeistof gedruppeld. Vervolgens werd er een mondstukje tussen mijn tanden gepropt. En via het gat daarin werd een soepele buis met een diameter van zowat een halve centimeter, met daarin een videocamera en een afzuigbuisje, in mijn mond, via mijn keel, tot in mijn luchtpijp gebracht.

De arts, geassisteerd door een verpleegster, kreeg op een monitor te zien dat bijna al mijn grote luchtwegen waren dicht geslibd. En ik keek geïnteresseerd mee. En zag hoe de specialist de veroorzakers van mijn ademnood wegzoog. Een eerste deel slijmen werd opgevangen in een buisje, zodat ze aan het medisch labo konden worden overgemaakt, voor nader onderzoek. De rest werd opgevangen in een keteltje en zal allicht later bij het medisch afval zijn gedumpt.

Na deze interventie van de arts ging het ademen al beter. En durfde ik me in een bed te laten leggen. Gelukkig mocht ik kinesitherapie krijgen van de persoon die me ook thuis al sinds geruime tijd behandelde. Dat zorgde ervoor dat ik nagenoeg dagelijks toch alvast één bekende persoon aan mijn bed had. En hij deed ook mijn transfer van bed naar rolstoel. Want de nochtans eenvoudige techniek om die handeling uit te voeren middels de draaischijf, die ik van thuis had laten meebrengen, wou het verplegend personeel niet uitvoeren. Wegens 'geen ervaring', wat dan, door de wijze waarop men dit zei, eerder mocht worden geïnterpreteerd als 'geen goesting'

Dus moest ik 's avonds terug in bed met de tillift, ook wel, al dan niet smalend, de 'stalen verpleegster' genoemd. Een omslachtig systeem, waarvoor tevens nogal wat manoeuvreerruimte nodig is. En die was er in die intensieve zorgenkamer niet echt. Er wordt bij deze werkwijze een sterke doek onder je poep en rug geplaatst, de hoeken van die doek worden aan de armen van die lift bevestigd en zo wordt je lichaam dan met een pneumatisch systeem opgetild en kan je worden verplaatst, aan dat ding bengelend als een zak patatten. Een uiterst onprettig en onterend gevoel om het lijdend voorwerp te zijn bij een dergelijk manoeuvre.

En dat die procedure nogal wat tijd en ruimte in beslag nam, dat hadden mijn verzorgsters ook begrepen. Vandaar dat ze voorstelden om mij overdag een papieren luier aan te doen. In mijn eigen voordeel, zo werd me aangepraat. Dan kon ik pissen en kakken als het mij uitkwam. Zonder te moeten wachten op iemand van het verplegend personeel. Als goed verstaander begreep ik dat dit dus was om hen niet te moeten storen! Maar zij niet hoor! Ze konden mij dan wel zo ver krijgen om met een pis- & kakdoek in mijn elektrische rolstoel te zitten, maar als ik moest plassen, mochten ze opdraven met mijn plaskan! En aangezien ik geen vast voedsel at, zou het nog wel even duren vooraleer mijn lichaam ontlasting produceerde.

Waar haalt men het zich toch in het hoofd om een medemens zulk een vernederingen te laten ondergaan omwille van het eigen gemak en incompetentie?

Eten durfde ik niet en dat werd me ook door de specialist ontraden. Maar ik was kloek genoeg en via mijn infuus werden me de nodige voedingsstoffen toegediend.

Doorgaans op mijn eentje in een cel met slechts een klein buitenraampje, waardoor enkel een stukje hemel en een deel van de stam en kruin van een boom was te zien, mocht ik ervaren hoe ontzettend saai en eenzaam het is om in volle bewustzijn op zo een afdeling 'intensieve zorgen' te vertoeven. Je ligt daar in je eentje in een kooi, waarvan ze in mijn geval de glazen deur blindeerden, omdat ik anders mogelijks een glimp kon opvangen van wat zich in een andere cel of op de gang afspeelde. Aangezien ik, sinds die malafide arts mijn lichaam zo onwillig en lam maakte, aan een lichte vorm van claustrofobie lijd, was dit voorwaar niet bevorderlijk om me op mijn gemak te voelen.

Inmiddels zag het er ook niet naar uit dat ik daar spoedig weg zou zijn. En op de momenten dat ik me goed voelde verveelde ik mij enorm! Lezen lukte niet al te best. Ik kon me nogal moeilijk op de tekst concentreren. En zelfs met mijn leesbrilletje op zag ik de tekens slechts wazig. Allicht ten gevolge van de medicatie. Dus vulde ik mijn tijd vooral met het luisteren naar muziek die uit mijn MP3-speler weerklonk, het aflezen van de tijd op mijn GSM en met het wachten tot wanneer er eens iemand mijn cel betrad. Van het verplegend personeel bijvoorbeeld. Of familie, wat drie keer per dag was toegestaan. Om 11u00, om 15u00 en om 19u00. Telkens per twee, en steeds slechts voor een kwartiertje. En bezoek van kinderen onder de 12 jaar werd niet toegelaten. Dus kreeg ik mijn kroost niet te zien.

Aangezien er thuis nogal wat dringend te behandelen onafgewerkte administratie op me lag te wachten en ik ook graag instructies wou geven aan mijn huisgenoten nopens het accuraat opvolgen van mijn inkomend internetverkeer, vroeg ik aan de hoofdverpleegkundige van de afdeling toestemming om mijn vrouw eens voor een langere tijd dan dat kwartiertje te mogen ontvangen. Zodat ze alle papieren en mijn laptop mee kon brengen en ik één en ander kon afwerken en voor de rest aanwijzigen kon geven aan mijn echtgenote, zodat onbetaalde rekeningen of onbeantwoorde brieven ons geen extra problemen zouden bezorgen. Want aan die van mijn wankele gezondheid hadden we op dat moment al meer dan genoeg!

Mijn goed gefundeerde vraag werd vrijwel onmiddellijk positief beantwoord. Aangezien ik blijkbaar voorlopig over de ergste fysieke nood heen was, mocht het al onmiddellijk de volgende dag. Middels mijn mobieltje liet ik dat weten aan mijn vrouw. Dus deden we de dag erna wat gedaan moest worden. Toch alweer een zorg minder voor ons allebei!

Weer een dag later was men nogal laat gestart met me te wassen. Bovendien werkte het jonge trutje van dienst ontzettend traag. Vooral ook omdat ze mijn aanwijzingen niet wou volgen. Als je reeds 6 jaar wordt gewassen door een ander, dan weet je onderhand wel welke handelswijze de beste is. Om je tussen je lamme, spastische benen te kunnen wassen bijvoorbeeld, of om je op je zijde te draaien. Maar als ik een techniek voorstelde, dan werd die suggestie steeds weggewuifd als zijnde niet toepasbaar. Als ik hierop dan repliceerde dat mijn thuisverpleegkundigen dat systeem nochtans sinds jaren succesvol toepasten, dan werd ik de mond gesnoerd met de ridicule dooddoener: "Hier is niet thuis, dit is een hospitaal!"           In mezelf dacht ik dan, dat die locatie toch ook wel 'ziekenHUIS' werd genoemd. Maar ik zweeg stil. Wat baten immers kaars en bril als de uil niet zienen wil?

Ze was nog maar net klaar met me te helpen bij het poetsen van mijn tanden, toen mijn vrouw arriveerde voor het toegestane kwartiertje ochtendbezoek. De verpleegster liet terstond alles liggen en wou er vandoor gaan. Toen ik dat wicht zei dat ze was vergeten de spullen op te ruimen, antwoordde ze gemeen dat mijn vrouw er nu was. En die kon dat toch doen?! Verbijsterd keek ik haar aan. En zei boos en vastberaden dat zulks mijn eega haar werk niet was. Ze mocht potverdikke maar 15 minuten bij me blijven en zou dan in die belachelijke tijdspanne ook nog eens een ander haar werk moeten voltooien?! Nijdig naar ons  kijkend deed ze het dan toch maar zelf. Als ze een langere koffiepauze wou, zo dacht ik bij mezelf, dan moest ze maar leren wat sneller, efficiëntr en productiever te werken.

Vooraleer de kamer te verlaten kon die jonge verpleegkundige het niet laten me te verwijten dat ik verwaand was. Niet begrijpend wat ze bedoelde vroeg ik om uitleg. Bits zei ze daarop dat ik onterecht faciliteiten verkreeg die de andere mensen  op de afdeling niet kregen toegestaan. Zoals bijvoorbeeld het dagelijks in mijn rolstoel worden gezet en het lange bezoek door mijn vrouw, een dag eerder.

Ho maar! Die andere mensen lagen daar doorgaans wel voor slechts één à twee dagen. En meestal na geopereerd te zijn. Opzitten en werken, daar was allicht geen van hen toe in staat. Maar, in navolging van sommige van haar collega's, ontbrak haar klaarblijkelijk het beetje verstand om dat te begrijpen. Dus mijn toch nog steeds uiterst geringe adem verspillen aan dat dom wicht zou zinloos zijn geweest, dus deed ik het bijgevolg niet.

Later die dag meldde ik het voorval, bij afwezigheid van de hoofdverpleegkundige, wel aan haar secondant. Maar die vergoelijkte het gedrag van het meisje. Dat volgens hem 'slechts' te wijten was aan haar jeugdige leeftijd en onervarenheid, gekoppeld aan een te hoge werkdruk. Van dat laatste had ik in al die dagen verblijf op de afdeling nochtans niks gemerkt. Maar ik hield wijselijk mijn mond.

Net geen week na mijn opname leek het dan toch beter met me te gaan en mocht ik verhuizen naar een 'gewone' kamer. Alwaar ik een ganse namiddag bezoek mocht ontvangen. Ook van mijn jongens. En ik liet ze naar de televisie kijken, opdat ze zo lang mogelijk zouden blijven, zonder zich te vervelen. Hen in de buurt hebben deed me goed. Gelukkig was de Sint niet in de war geweest door mijn afwezigheid in huis, en had de goede man op 6 december toch hun gereedstaande schoentjes gevuld.

Méér dan één dag hield ik het niet vol op de verzorgafdeling. 's Avonds was het al weer zover. Ademnood door slijmvorming. De vrouwelijke verpleegkundige van dienst probeerde ze vruchteloos weg te zuigen middels een mobiele aspirator. Maar de taaie slijmen wilden niet lossen. Een collega werd er bij gehaald. En er kwam er nog één. Ze overlegden wat er moest gebeuren. Zouden ze de behandelende arts bellen? Ze waren het er unaniem over eens dat er geen andere optie mogelijk was. En dat er haast bij was. Zelf kon ik me niet moeien in het gesprek want mijn keel zat dicht. Angstig keek ik naar de bezorgde gezichten van de verpleegsters om me heen. Degene die er het laatst was bijgekomen hield mijn hand vast, kneep er zachtjes in en moedigde me aan om vol te houden. Naderhand vernam ik dat deze dame toen vreesde dat mijn levenseinde in zicht was omdat mijn lippen en vingers al blauw aan het verkleuren waren.

De specialist werd uit zijn bed gebeld en stond dra naast mijn, inmiddels reeds naar de behandelkamer gerolde bed. Om met dringende spoed een levensreddende bronchoscopie uit te voeren. Waarna ik terug werd overgebracht naar de divisie 'intensieve verzorging'. De eerste tijd na deze actie, voelde ik mij een stuk beter. Het ademen verliep niet meer zo moeizaam. Echter niet voor lang. Slijmvorming in mijn longen deed keer na keer mijn rechterlong compleet dichtklappen en mijn linkerlong dichtslibben. Aspireren bracht dus geen soelaas, waardoor men telkens weer de longarts diende op te trommelen om te vermijden dat mijn lichaam de geest zou geven.

Steeds weer was ik opgelucht die man te zien verschijnen. En telkenmale dankte ik hem naderhand uiterst oprecht. Maar na enkele spoedinterventies waarbij hij vrouw, kinderen en slaap moest laten om mij te komen  'redden', was deze specialist het beu en drong hij er op aan mij verder te laten behandelen in het Universitair Ziekenhuis, gelegen in onze provinciehoofdstad. Gezien het feit dat ik net in die kliniek het slachtoffer was geworden van een medische blunder die mij zwaar verlamd maakte, stond ik niet te popelen om hieraan toe te geven. Bovendien had ik mij doelbewust in de locale kliniek laten opnemen, omdat ik dan dicht bij huis was. En als ze mij wilden zien, mijn gezinsleden slechts een kleine verplaatsing dienden te maken.

Maar de arts vond dat ik beter af zou zijn in een grote, aan een universiteit verbonden kliniek, waar meer expertise voorhanden was, waarmee een permanente oplossing voor mijn problematiek kon worden gevonden. Zelf fantaseerde hij luidop over het uitvoeren van een tracheotomie. Dat is een operatie waarbij men via de hals een snede maakt in de luchtpijp en daar dan een plastic buisje in plaatst, canule genaamd. Na die medische ingreep zou het wegzuigen van fluimen uit mijn longen langs die opening kunnen gebeuren, dus veel eenvoudiger. En ook mijn kunstmatige beademing kon dan via die weg gebeuren. Allemaal troeven! Het gevaar op infecties en vooral het na de ingreep niet meer kunnen gebruiken van mijn stembanden achtte de arts nadelen van mindere orde. Volgens hem was er voor dat laatste probleem trouwens ook wel een oplossing te vinden. Een spraakmodule die zou toelaten een synthetisch stemgeluid te produceren dat de menselijke stem benadert.

Voor het eten had de specialist ook een oplossing bedacht. Het verslikprobleem kon voorkomen worden door 'gewoonweg' geen voedsel meer via de mond tot mij te nemen. En me in de plaats daarvan te laten voorzien van een permanente maagsonde. Een slangetje, dat operatief, onder algehele narcose, via de buikwand rechtstreeks in de maag wordt gebracht. Via die, in medische termen PEG genoemd, kon ik dan probleemloos (?) worden gevoed.

Bij de complicaties die dergelijk 'systeem' met zich mee kan brengen, gaande van infecties en ontstekingen, over vergroeiingen, tot buikloop, had de man blijkbaar nog niet stilgestaan. En dat ook het eet- en smaakgenot me door deze ingreep zou ontnomen worden, was voor de arts blijkbaar van ondergeschikte orde.

De mij behandelende dokter was daarenboven van mening dat, in afwachting van een definitieve remedie, er nood aan was dat ik verder zou worden behandeld in een kliniek waar de afdeling pneumologie door meer dan één arts werd bevolkt. Zodat er steeds iemand paraat zou staan om me tijdig uit stervensnood te helpen. In deze kliniek stond hij er alleen voor en derhalve achtte hij mijn verblijf aldaar absoluut niet langer haalbaar.

Deze argumentatie en mijn vrees dat de arts me bij een volgend acuut ademhalingsprobleem op eigen initiatief tot een half kunstmatig wezen zou omtoveren door het ten uitvoer brengen van zijn ideeën, deed me uiteindelijk zwichten. Evenwel niet nadat ik allerhande alternatieven had overwogen, zijnde andere ziekenhuizen dan het voorgestelde UZ. Dat ik toch akkoord ging met dit, in mijn herinnering 'onheilsoord', kwam te  meer door het feit dat daar een pneumoloog werkzaam is die mijn voorgeschiedenis kende en bij wie ik, op aanraden van zijn collega in de kliniek van mijn woonplaats, ook in november reeds op consultatie was geweest en op wiens dienst ik toen tevens een longfunctietest had ondergaan.

Inmiddels was het reeds 14 december. En in die 12 dagen verblijf in het ziekenhuis was er reeds heel veel gebeurd, en had ik reeds heel wat meegemaakt. Slechte ervaringen, maar ook goede. Zo was ik tijdens mijn laatste twee dagen aldaar terug wat vast voedsel beginnen eten. En een verpleegster had speciaal voor mij voor wat lekkers gezorgd. Dat deed me wel iets. Persoonlijk vind ik trouwens dat zo een kleine kliniek ook zijn voordelen heeft. Meer en nauwere onderlinge contacten tussen de verschillende afdelingen bijvoorbeeld. En zij kunnen even kwalitatief werk leveren als de grotere broers, al is hun personeel daar vaak zelf niet van overtuigd. Zij schatten mijns inziens zichzelf en hun kliniek vaak veel te laag in.

Tot daar deze randbedenking, die toen door mijn hoofd spookte. En ik vreesde dat er nog veel zulke overdenkingen zouden volgen, want het einde van mijn lijden leek bij lange na nog niet in zicht.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 30 juli 2009)

26-06-09

Rudi's ontboezemingen - Iedereen gehandicapt!

 

Nogal wat mensen hebben een zintuiglijke beperking. Zij kunnen niet of minder goed horen of zien. Dikwijls kan dit gebrek voor een groot stuk worden verholpen door het dragen van respectievelijk een hoorapparaat of een bril. Een alternatief voor het laatst vermelde hulpmiddel zijn lenzen.

Heel wat kinderen dragen, om hun gebit te corrigeren, tijdelijk een orthese. De tandarts noemt dit een beugel. Menig persoon heeft een tandprothese, doorgaans kunstgebit genoemd. Ook steunzolen worden vaak voorgeschreven voor kleine en grote mensen met een voetafwijking. Zelfs sporters maken er dikwijls gebruik van, in functie van een optimale drukverdeling en een betere loopstand.

Een aantal van de voormelde beperkingen en bijhorende hulpmiddelen zijn sociaal aanvaard. Niemand maakt er ophef over, staart je aan of sluit je uit omdat je een bril draagt. En buiten een zeldzame onnozelaar die haar of hem ermee pest, slaat niemand acht op een kind met een beugel in de mond. Sommigen vinden dit zelfs schattig staan. En die steunzolen in de schoenen vallen al helemaal niet op. Net zo min als de contactlenzen die een persoon in heeft.

Iemand met een ernstige mentale beperking of een zware fysische beperking, of een combinatie van beide, loopt, strompelt, al dan niet met krukken, of rijdt zich in haar of zijn rolstoel, willens nillens uiteraard meer in de kijker. Daar is geen ontkomen aan. Ook een blinde of slechtziende persoon kan zijn witte geleidestok niet als toverstaf gebruiken om deze vervolgens te doen verdwijnen. En geleide- en hulphonden trekken ook de aandacht. Maar toch zijn ook hun baasjes en alle personen met ernstige beperkingen, levende wezens zoals ieder van ons. Met evenveel recht op respect en op een waardig leven. En aanvaarding door hun medemensen, van zichzelf en van hun hulpmiddelen, als daar zijn rolstoel, rollator, scooter, geleidestok, krukken, beugels...

Ben je fysiek helemaal in orde, of denk je dat te zijn, dan heb je mogelijks je te kleine of net te grote neus, over het hoofd gezien. Of je te dikke poep, of dat kuthaar op je hoofd, waar spijts vele pogingen van jou en van je kapper, geen model is in te krijgen. De mens heeft zichzelf niet geschapen, dus elk van ons heeft wel een schoonheidshandicap. En deze kan een belangrijke invloed hebben op je sociale contacten. Al is het maar omdat ze je onzeker maakt.

En anders heb je misschien wel een ontwikkelingsstoornis, een spraak- of een taalstoornis, of lig je psychisch compleet in de knoop, wat ook een ernstige hindernis kan zijn, vooral als het blijvend is. Ongetwijfeld ben ik nog één en ander vergeten. Maar als je het lijstje nu al eens overloopt, dan zou het al moeten lukken dat er niks tussen staat dat op jou van toepassing is. Je gaat het misschien niet graag horen, maar neem het gerust van me aan: het zijn allemaal handicaps!

Wordt nu niet depressief of voel je niet door mij in de grond geboord. Dat is wel het laatste dat ik zou willen! Wees integendeel blij dat je geen uitzondering bent, in deze wereld van naar lichaam en/of geest imperfecte mensen, Want het komt er inderdaad op neer dat iedere persoon wel in meer of mindere mate een fysieke of mentale functiebeperking heeft. Elke persoon heeft wel een aangeboren of opgelopen blijvende hindernis, die doorgaans wordt aangeduid met de stigmatiserende term 'handicap'.

In de inclusieve maatschappij, waar velen met mij naar streven, en waarin elke persoon belangrijk is, ongeacht afkomst, huidskleur, religie of wat dan ook, en naar waarde wordt geschat, op basis van wat zij of hij wel kan, zijn de grote of kleine fysieke of mentale functiebeperkingen van ieder individu van ondergeschikt belang. In deze verdraagzame samenleving zal niemand ooit worden uitgesloten omdat zij of hij onvoldoende of geen beperkingen heeft. Neen, ook die persoon zal door de groep worden aanvaard. Net dat gebrek aan een beperking is dan diens beperking, wat de persoon in kwestie dan ook weer even speciaal maakt als de anderen. Globaal gezien is in deze ideale open, mondiale leefgemeenschap iedereen gelijk, heeft elkeen beperkingen en is derhalve iedereen gehandicapt!

Rudi, 24 november 2008 (revisie op 24 juni 2009)

10-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - Zware jongens

 

Bij ons, op de middelbare school, zat gedurende enkele jaren ook een jongen met een lichamelijke beperking en een spraakgebrek. Hoe hij daar was aangekomen, weet ik niet meer. Mogelijks was hij één van de laatste slachtoffers van kinderverlamming. Maar ik denk niet dat ons dat eigenlijk interesseerde. Die jongen stapte moeilijk en had géén volledige handfunctionaliteit. Maar het was een toffe knul. En als mijn maten of ik in de buurt waren, moest niemand het ook maar wagen om die jongen uit te lachen. Op zeker moment verliet hij de school en bijgevolg verloren we hem uit het oog.

Als zeventienjarige ging ik nagenoeg wekelijks uit met mijn kameraden. We spraken steeds af in onze stamkroeg en trokken van daaruit meestal naar een fuif. Op een bepaalde zaterdagavond bevonden we ons op zo een openbaar dansfeest, toen er op een gegeven moment een bende ruige motards de danstent binnen kwam. Stoere, struise bonken met lang haar, in jeans, met zware botten aan hun voeten en een lederen jas aan. Met daarboven ook nog eens een mouwloos jeansvestje. Op de achterzijde van dat vestje waren het embleem en de naam van hun 'club' bevestigd.

Die kerels bleven samengetroept aan de kant van de dansvloer staan en startten spoedig met het hijsen van pinten schuimend bier. Een van de mannen trok mijn aandacht. Ik meende er mijn voormalige manke vriend in te herkennen. Ik bleef de bende gadeslaan, en in het bijzonder die éne persoon. Hij was zowat de kleinste en rustigste van de hele groep. De anderen gedroegen zich nogal wild en gingen hardhandig met elkaar om, maar hij hield zich op de vlakte.

Van een lichamelijke beperking bleek géén sprake meer te zijn. 'Zou die dan volledig genezen zijn?' vroeg ik me af. En hoe was hij bij die bende zware jongens verzeild geraakt? Ik ging zijn richting uit, maar hij bleek mij niet (meer) te herkennen. Dus liep ik hem voorbij en bleef ik hem van op enige afstand observeren. Waarschijnlijk was dit dus toch mijn vroegere vriend niet. En toen ik de jongeman even later, zonder haperingen, hoorde spreken, wist ik dat wel zeker!

Uit mijn ondeugende geest ontsproot daarop een plannetje voor een kwajongensstreek. Ik ging tot bij één van mijn makkers, die tot dan toe alleen maar oog had gehad voor zijn lief, en die nu, aan de toog stond te wachten, allicht op een drankje voor haar en hemzelf. Ik vroeg hem of hij zich nog onze manke maat herinnerde. 'Uiteraard!' zei hij. Waarop ik hem vertelde dat ik er net een kwartier mee had staan praten. Mijn maat vergat de drankjes en wou zelf ook meteen naar onze verloren vriend gaan.

Ik wees mijn kameraad de in leder en jeans gestoken jongen aan, en zijn ogen lichtten op. Mijn maat, nogal klein van gestalte, benaderde de motard langs achteren en gaf die anderhalve kop grotere kerel, als verrassende begroeting, met de palm van zijn hand, een harde klap op de rug. De jongeman draaide zich terstond om en keek mijn maat boosaardig aan. Die stond daar, uitnodigend, met open armen en een lachende bek, in een houding van: 'herken je me nu niet meer?!' Die andere ruige motormannen kwamen, met een pint bier in minstens één hand, dreigend rond mijn maat staan, want ze dachten dat die één van hen had aangevallen!

Enfin, mijn maat had vrij snel door dat hij niet voor zich had, wie hij dacht voor zich te hebben. En dat hij er door mij was ingeluisd! Gelukkig bleek die zware jongen nog de slechtste niet te zijn, want mijn vriend kon er zich uitpraten en geraakte zonder kleerscheuren tot bij mij. Hij had me daar, op een veilige afstand van het tafereel, zien staan lachen, terwijl hij zelf toch wel eventjes angstig was geweest. Maar nu kon ook hij lachen om mijn grap.

Geloof het of niet, maar het meest verbluffende deed zich de week daarop voor. Alweer op een fuif, in dezelfde gemeente, ontmoetten we onze enige échte ex-schoolkameraad. Jammer genoeg was hem géén mirakel ten deel gevallen. Hij stapte en sprak nog steeds even slecht. Maar het weerzien was hartelijk, want hij was ook nog steeds behept met zijn zelfde, toffe persoonlijkheid.

Ru(sh)di(e), 27 april 2006 (revisie op 7 mei 2009)

09-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - voertuigperikelen en andere ervaringen

 

Mijn middelbare schooltijd bracht ik door op een tamelijk grote school. Nogal wat leerlingen kwamen daar met de fiets naar school. Derhalve waren een aantal oude fabrieksgebouwen tegenover de school, aangekocht door de inrichtende macht van deze onderwijsinstelling, en ingericht als fietsenbergplaats.

Op zekere dag liep ik, na schooltijd, met enkele van mijn klasgenoten, druk pratend en in een uitgelaten stemming, richting fietsenstalling. Mijn makkers hadden al snel hun fiets te pakken, riepen nog iets ten afscheid en bolden naar buiten, huiswaarts.

Ik daarentegen liep voor de zoveelste keer alle gangen op en af, zonder mijn rijwiel te vinden. Iedereen haalde zijn fiets van de haak waaraan deze was opgehangen, zodat de opbergplaats vrij snel leeg begon te raken. Slechts enkel hier en daar was nog een opgehangen fiets te bemerken en de eigenaar die zich er heen bewoog.

Ik begon lichtjes in paniek te geraken. Tot ik mij dan toch herinnerde die dag met de bromfiets naar school te zijn gekomen. En dat gemotoriseerd stalen ros had ik aan het station geparkeerd.

Tja, zoiets kan gebeuren als je een verstrooid persoon bent, in het bezit van een derdehands motorvoertuig, dat meer op stal staat omwille van alweer een panne, dan dat je er gebruik van kan maken om je te verplaatsen.

Dat was trouwens nogal eens een tijd. Telkens als ik er met mijn brommer op uit trok, nam ik een heel arsenaal werktuigen en hulpmiddelen mee. Weggestopt in de ruimte onder mijn zadel, en in de zakken van mijn motorvest. Schroevendraaiers, een els, een bougiesleutel. Schuurpapier, een stuk ijzerdraad en reservelampjes. Die laatste had ik dikwijls nodig want mijn bromfietslampen sprongen nogal gewillig. Geregeld stond ik aan de kant van de weg te prutsen aan mijn machine. Maar altijd ben ik er mee thuis geraakt!

Als prille twintiger kon ik me gelukkig de aankoop van een nieuwe auto permitteren. Niks wees er toen op dat ik tien jaar later ook gedurig aan dit voertuig zou moeten sleutelen om het op de baan te houden. Maar dat is een ander verhaal. Voor een volgende keer.

Gedurende zowat een half jaar betrok ik met mijn vriendin een appartement in een Belgische provinciehoofdstad. Op zekere doordeweekse avond, besloten we naar de bioscoop te gaan. We reden met de auto vanaf onze verblijfplaats in de randstad, tot in het centrum.

In de centrumstraten vond ik niet meteen een parkeerplaats. Daarom reed ik binnen in een ondergrondse parkeergarage, in de buurt van het station. We kozen een aardige film uit. Welke dat was, kan ik me niet meer herinneren. Allicht viel ik, als naar gewoonte, halverwege de vertoning in slaap. Niet uit verveling, maar van vermoeidheid. Toentertijd had ik immers een bijzonder druk beroepsleven.

Na de film was ik in ieder geval klaarwakker, want ik stelde mijn partner voor om ergens in een café nog een slaapmutsje te gaan drinken. Toen ik een tweede drankje bestelde, attendeerde mijn vriendin me op het sluitingsuur van de ondergrondse autostalling. Ik was er echter van overtuigd dat die voor middernacht niet dicht ging.

Toen we een half uurtje later de gezellige, warme kroeg verlieten en we in de koele avondlucht terechtkwamen, overviel me een onheilspellend gevoel. Samen met mijn liefste spoedde ik mij door de verlaten straten, in de richting van de parkeergarage.

Het geluk lachte ons toe... dacht ik. Een auto kwam uit de garage gereden. De laatste voor die avond, zo werd even later duidelijk. Wij geraakten er niet méér binnen, laat staan dat ik de auto er buiten zou krijgen. Ik had me wel degelijk vergist. Op weekdagen was deze publieke garage bijlange na niet zo lang open als in het weekend, het moment waarop ik er dikwijls gebruik van maakte.

Dan maar met de tram naar huis, zei mijn partner. De auto stond daar veilig. We zouden die de volgende dag wel komen ophalen. Er zou wel veel moeten betaald worden, maar er zat niks anders op. We haastten ons dus in de richting van de dichtstbijzijnde tramhalte. Wat een geluk: daar stond net een tramstel. Maar tegen het moment dat we er aankwamen, was dat helaas al terug doorgereden.

En het was onze laatste kans geweest, zo bleek bij het overlopen van het in het tramhokje opgehangen rittenrooster. Er zat dus niks anders op dan te voet naar huis te keren. Dat had uiteraard ook zijn charme. We hadden onze avond evenwel liever op een andere manier afgesloten.

De volgende ochtend waren we vroeg uit de veren. We namen aan de halte, vlak voor onze deur, de tram naar het centrum en reden een dik half uur later met de auto de parkeergarage uit.

In zo een grote stad zie je trouwens soms rare dingen gebeuren. Zo zat ik eens op een zondagochtend in de auto te wachten, terwijl mijn partner bij de bakker stond aan te schuiven voor broodjes. Ik had er eerst géén erg in, maar toen ik op een raam een foto zag hangen van een halfnaakte dame met pluimen in haar achterste, realiseerde ik me dat we ons in een buurt bevonden waarin nogal wat cabaretzaken zijn gevestigd. Dat zijn trouwens veelal verdoken bordelen. Weet ik 'van horen zeggen'.

Plots zag ik daar, op de eerste verdieping van zo een etablissement, een raam open gaan. Een schichtig kijkende kerel verscheen in het vizier. Met zijn jas in de hand. Hij keek snel naar links en rechts, en vervolgens naar onder. Toen gooide de man één been naar buiten en wrong daarna ook zijn tweede been door de raamopening, zodat hij op de vensterbank kwam te zitten. Eén tel later duwde hij zich af en belandde meteen daarna op het trottoir.

De kerel stelde zich recht, stofte zijn kleren af en deed zijn jas aan. Hij keek nog één maal rondom zich en dan naar de gevel en het raam waarlangs hij het gebouw had verlaten. Vervolgens ging de man er haastig van door. De vraag of naderhand de achtervolging werd ingezet door iemand van het variététheater, moet ik helaas onbeantwoord laten, want inmiddels was mijn lief daar al, met een zak zalig ruikende verse broodjes, die we zo snel mogelijk thuis wilden gaan verorberen.

Ru(sh)di(e), 23 april 2006 (revisie op 1 mei 2009)

06-05-09

Rudi’s ontboezemingen - struisvogeltactiek

 

Enkele dagen terug las ik enkele artikels met betrekking tot enerzijds mensen die hun kind of partner verloren door een ziekte of ongeval en anderzijds personen met een handicap en hoe hun omgeving daarop reageert. Er zijn heel wat parallellen te trekken tussen beide situaties. Alles kwam me weer nogal bekend voor. Omdat ik reeds eerder dergelijke verhalen hoorde en las en tevens omdat ze zo gelijklopend zijn met wat ikzelf continue ervaar.

Mensen die een familielid verliezen door om het even welke oorzaak, moeten dat van zich afzetten, verder gaan met hun leven. Eens melancholisch terugblikken op één van die zalige momenten samen, met het overleden familielid, of herinneringen ophalen uit die tijd, wordt door hun omgeving doorgaans niet getolereerd. Praten over wijlen kind, vader, oma of partner wordt aanzien als een teken van onverwerkt verdriet, en daar kan de omgeving niet mee omgaan, dus mag het niet!

Een zelfde fenomeen doet zich voor bij mensen met een handicap of ouders van een gehandicapt kind. Men vraagt wel hoe het met hen gaat, maar 'slecht' is een ongeaccepteerd antwoord. Je beklag doen over allerlei fysische kwalen, of praktische problemen als gevolg van de handicap, mag niet. Er zelfs naar waarheid gewoon melding van maken wordt niet geduld. Neen, dat wordt aanzien als een teken dat de handicap nog niet is verwerkt en daar kan de omgeving niet mee omgaan, dus mag het niet!

Ondertussen moeten zij die de leegte voelen die de afgestorvene heeft achtergelaten en zij die gebukt gaan onder de last van het beperkt functionerend lichaam van zichzelf of van hun kind, wel gedurig de klaagzang aanhoren van futiele lichamelijke kwalen waar hun gesprekspartner of iemand uit diens omgeving door wordt 'geplaagd'. Een zere rug, een aanhoudende verkoudheid, de pijnlijke wratten van oom Albert of de oh zo verschrikkelijke migraine van de bejaarde buurvrouw.

De grote massa kan niet omgaan met de gevoelens en uitingen die gepaard gaan met het verlies van een persoon of van lichamelijke of geestelijke functies. Dus moet er over gezwegen worden.  Liever stopt men zijn of haar kop in het zand en doet men alsof er niks aan de hand is. Hoe erg moet het niet zijn als je jouw levensgezel verloor en daar nooit meer eens met iemand over kan praten. Of als mama van een gehandicapt kind moeten ervaren dat men doet alsof je kind niks mankeert. Want het ziet er toch goed uit?! In plaats van die mensen te steunen door hen aan te zetten tot het luchten van hun hart. En bij personen met fysieke beperkingen, zo ervaar ik zelf, wordt de last ook voelbaar minder als men eens over zijn of haar handicap kan praten. Maar het aantal mensen bij wie dit kan is doorgaans uiterst beperkt. Zelf kan ik gelukkig veel kwijt in mijn schrijfsels. Veel van mijn lotgenoten beschikken echter jammer genoeg niet over zulk een uitlaatklep.

Ru(sh)di(e), 4 april 2006 (revisie op 27 april 2009)

03-05-09

De avonturen van Rudi & Co - alweer een deel

 

Sinds zowat driekwart jaar oefen ik, met de hulp van een logopediste, mijn adembeheersing en spreekkwaliteit. Door die verlamming bedraagt mijn longcapaciteit immers slechts de helft van wat het voor een persoon van mijn leeftijd en gestalte zou moeten zijn, en nu tracht ik daar door oefenen en het gebruik van spreektechnieken, het maximale uit te halen.

Tijdens die stemoefeningen bleek dat ik een spraakgebrek heb. Ik was me daar totaal niet van bewust. Niemand heeft het me ooit gezegd en zelf had ik er blijkbaar nooit op gelet. Sommige letters spreek ik soms verkeerd uit: 'S' in plaats van 'Z', 'F' waar het 'V' moet zijn, en zo meer. En blijkbaar ben ik niet de enige die zulks doet.

Gisteren woonde ik, samen met mijn zoons, de eucharistieviering bij in de kerk, gelegen in het centrum van onze woonplaats. De celebrant had het er in zijn homilie over dat het tijd wordt dat gelovigen terug durven uit te komen voor hun overtuiging. Dat ze het Woord van Jezus Christus uitdragen, en dat, en hij herhaalde het een aantal keer: in naam van de 'Geilige Geest'!

Woensdag jongstleden was ik in het voetbalstadion van 'Sporting Lokeren'. Ik volgde de wedstrijd van de thuisploeg tegen Sint-Truiden in de 1/8 finale voor de 'Beker van België'. De kinderen had ik thuis gelaten, want op een schooldag horen die in bed te liggen op het uur dat de match aanving, zijnde acht uur 's avonds. Lokeren won de wedstrijd, met nogal wat geluk, en stoot als gevolg daarvan door naar de kwartfinales, waar het zal moeten optornen tegen provinciegenoot Gent.

Dat voor wat het sportieve gedeelte van de avond betreft. Ik wil immers melding maken van een incident dat plaatsvond naast de grasmat. Omdat er elders geen plaats voor me is, had ik naar gewoonte plaatsgenomen in de dug-out naast deze van de bezoekende club. Voor wie dat niet kent: een dug-out is een schuilhok met daarin (klap)stoelen, waarop doorgaans trainer(s), dokter, verzorger(s) en wisselspelers plaatsnemen, zodat ze enigszins beschut zijn tegen koude, regen en wind. In Lokeren hebben ze er dus ook zo eentje voor de 'mindervaliden'.

Toen ik arriveerde zaten er in 'het onze' reeds enkele mensen. Een oude heer in een manuele rolstoel, een valide oudere dame die zichzelf opwerpt als verantwoordelijke voor wat er in het invalidenschuilhok gebeurt en haar mentaal gehandicapte zoon van naar ik schat een jaar of vijfenveertig. Nadat ik hen gedag had gezegd en plaats had genomen voor de klapstoeltjes, kwam daar nog een dame bij met haar fysiek en mentaal beperkt zoontje, en wat later ook een jongeman met een meervoudige handicap, allen habitués.

Net voor de rust stond daar ineens die man in zijn rolstoel naast me. Die wou waarschijnlijk naar het toilet. Hij vroeg me plaats te maken, zodat hij me op de betonstrook kon passeren. Ik zag niet direct een uitweg, plaatste me een beetje schuin, zodat hij toch kon passeren, zonder op het gras te moeten rijden. Toen hij een minuut of vijf later terug kwam, ze ik: "Wacht, ik rij vooruit, dan heb je méér plaats om te passeren", maar die vent wou blijkbaar niet luisteren, want voordat ik mijn machine in beweging had gezet, reed hij me al voorbij: zijn twee linkerwielen op de betonstrook, zijn rechterwielen op het gras. Toen hij het betonvak wou oprijden, bleef zijn rolstoel steken. De man sloeg in paniek - voor zoiets idioots! - en riep om hulp. De zoon van de 'bazin' snelde meteen toe en duwde de oude in zijn kar het beton op.

Maar daar hield het niet bij op. De zoon keerde zich met een op onweer staand gezicht tot mij en brulde: "Niet profiteren, hé! Ik zal het zeggen tegen de bazen, hoor!" Ik waande me even in een kleuterschool. Ik wachtte even, verwachtend dat moeder hem tot de orde zou roepen, maar toen dat niet gebeurde, repliceerde ik dat hij zijn manieren en mond moest houden, en dat hij, als het hem niet aanstond, maar thuis moest blijven. Maar dat drong, zo denk ik, niet tot hem door.

Nu heb ik absoluut niks tegen mensen met een beperkt geestelijk vermogen. Ze kunnen er meestal zelf niet aan doen dat ze zo zijn. Maar dat geeft hen mijns inziens niet het recht om andere mensen te ambeteren. En als men weet dat zij zelf geen controle hebben over hun gedrag, dan moet hun begeleider hen maar in toom houden.

Tijdens de rust reed ik naar die man in zijn rolstoel toe en zei hem in het vervolg te wachten tot ik plaats maak, vooraleer me te passeren. De man zei dat hij me toen niet had verstaan. De moeder en de zoon, die naast de man zaten, hielden zich stil. Ik zweeg ook, want ik had geen zin in nog méér commotie. De meervoudig beperkte jongen kwam na de rust niet meer tussen ons zitten. Die nam plaats op een stoeltje, wel tien meter verder. Die vreesde allicht voor nog méér opschudding.

Ik kwam reeds eerder in aanvaring met het volk dat doorgaans de invaliden dug-out bemand. Ze zitten daar de lucht te bezoedelen met hun rookwaar, slaken oerkreten en zijn als de dood voor 'de bazen van boven': de voorzitter en zijn gevolg'. Maar als mijn zoons wat kabaal maken met hun claxons, beginnen ze te zagen. En als mijn rakkers wat staan te springen en meezingen met de leden van de spionkop, dan klagen ze ook dat ze niks zien en zijn ze, onterecht, bang dat de 'bazen van boven' hun ganse groep buiten het hek zal zetten.

Gelukkig gebeuren er ook wel eens leuke dingen als ik me onder de mensen begeef. Zoals op tweede Kerstdag, toen ik met mijn gezin een Kerstfeestje bijwoonde. We hadden ons net geïnstalleerd aan een tafeltje, toen iemand zachtjes op mijn arm tikte. Ik keek op en zag een klein meisje staan. Ze zei glimlachend "Dag mijnheer" en wuifde me toe met het handje dat me even voorheen had aangeraakt. Ik beantwoordde haar groet breed glimlachend. Ze huppelde olijk weg. Mijn echtgenote vroeg me of ze een reden had tot ongerustheid. We barstten samen in lachen uit.

Het is eens iets anders, die aandacht van kleine meisjes. Tot voor kort waren het vooral dames van rijpere leeftijd die me aandacht schonken. En ik nam daar genoegen mee. Maar daar is recentelijk dus verandering in gekomen. Zo kreeg ik eind december Kerstkaartjes van twee klasgenootjes van mijn zoons. Omdat ze weten dat ziek zijn niet leuk is en ze hopen dat ik spoedig weer beter word. IJdele hoop, helaas, maar hun gebaar ontroerde me wel. Kindjes van acht, die oog hebben voor het leed van een medemens. Het stemt me hoopvol voor de toekomst.

Ru(sh)di(e), 24 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)

27-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Schoon volk over de vloer

 

Jarenlang had ik een computerzaak. Tijdens de week was de aan deze onderneming verbonden winkel steeds tot acht uur 's avonds geopend. Op een zekere avond, ergens kort na zes uur zat ik, zoals nogal dikwijls omstreeks die tijd, op een comfortabele bureaustoel, achter de toonbank, wat administratie te verrichten. Buiten mezelf was er niemand in de shop aanwezig. Tot plots de deurbel weerklonk ten teken dat er iemand binnen kwam. Ik keek even op en zag dat door de geopende deur een ontzettend knap jong meisje de winkel binnenstapte.

Ze glimlachte me toe. Ik groette haar. Onmiddellijk begon ze de tentoongestelde waar te bekijken. Dus liet ik haar rustig rondneuzen en concentreerde me terug op mijn werk. Ik had echter het gevoel bekeken te worden. Dus richtte ik mijn hoofd op en... inderdaad: dat schoon kind stond me aan te staren. Alweer liet ze die glimlach zien. Ik glimlachte terug. Ze wendde haar blik terug af en ik toog opnieuw aan het werk.

Even later keek ik, bij het nadenken over iets, een moment op. En stelde vast dat het meisje me daar, met die stralende glimlach van haar, alweer schalks stond aan te kijken! Deze keer vroeg ik of ik haar ergens mee kon helpen. Ze bleek eigenlijk op zoek te zijn naar een complete computer. Ik stelde haar de geijkte vragen met betrekking tot de beoogde toepassingen om te weten welk systeem ik haar diende voor te stellen. Tijdens mijn uitleg bleef ze me op een bepaalde manier aankijken. Kon het zijn dat dit meisje me trachtte te verleiden? Of was dat inbeelding?

Dit was ik niet gewoon. Was ik nog iets jonger geweest, en niet gehuwd, dan had ik deze situatie ongetwijfeld leuk en opwindend gevonden. Maar nu wist ik eigenlijk niet goed hoe op de aandacht van dit schoon kind te reageren. Ze leek immers meer geïnteresseerd te zijn in mijn persoon dan in de informatie die ik haar bezorgde. Dit gaf me een onbehagelijk gevoel.

Uiteindelijk kwam die schoonheid over de brug met een verklaring voor haar gluren. "Je herkent me niet méér, hé?" zei het meisje. Ik dacht koortsachtig na. Een oud lief kon het niet zijn. Daarvoor was het schepseltje dat hier voor me stond veel te jong. Trouwens, zo veel vriendinnen heb ik in mijn leven niet gehad en eentje met een uiterlijk zoals dat van haar kon ik onmogelijk vergeten zijn.

Ze bleek dus het 'kleine' zusje te zijn van één van mijn beste jeugdvrienden. We hebben die avond nog heel wat gepraat over vroeger, over wat er van haar was geworden, en over haar ouders en broers.

Met een pak documentatie in de handen en nog steeds die stralende, ondeugende glimlach op haar gezicht, verliet het mooie meisje mijn winkel. En ze is nooit meer teruggekeerd.

Ru(sh)di(e), 1 mei 2004 (revisie op 25 april 2009)

26-04-09

Belevenissen in het UZ, het tiende deel

 

Nog iets van toen ik in het revalidatiecentrum verbleef. Op zeker moment kreeg ik een nieuwe kamergenoot. Een toffe manspersoon, met vriendelijke ogen, wild krullend haar en een enigszins woeste baard. Een figuur met het uiterlijk van een kabouter dus, maar veel groter dan deze bosbewoners.

Toen we reeds zowat een week de kamer deelden liet die man bij enkele medebewoners ontvallen: "Die kamergenoot van mij is toch een rare. Gewoonlijk groet hij me, en maken we een praatje, maar als ik 's avonds, als we reeds in ons bed liggen, een gesprek met hem wil starten, negeert hij me meestal gewoonweg." Men verzekerde de man dat ik, naar hun ervaring,  best sociaal van aard ben en dat men die houding van me dus niet begreep. Dit moest om een misverstand gaan. Niemand kwam blijkbaat op de idee om mij gewoonweg om een verklaring te vragen.

Op een avond, ik lag reeds in mijn bed, aan de vensterkant, keek ik op zeker moment links van me omdat ik dacht een geluid te hebben waargenomen. Ik zag mijn buurman zijn lippen bewegen. Dus ik zei: "Ik hoop dat je niet tegen mij aan het praten bent, want ik hoor niet al te best." Waarop hij antwoordde: "Toch wel verdorie!" en hij barste glimlachend los en vertelde mij over zijn onbegrip ten overstaan van mijn manier van doen. En ik informeerde hem wat gedetailleerder over mijn gehoorproblemen. Wat hebben we toen gelachen met dit misverstand! En nu nog komt, telkens we elkaar weerzien, het voorval opnieuw ter sprake.

Tijdens dat anderhalf jaar verblijf in het hospitaal heb ik kennis gemaakt met creaturen van diverse pluimage. Zo was er bijvoorbeeld Lorenzo. Deze jongeman was een typisch product van een medische blunder. Ongetwijfeld werd bij de geboorte de baby abusievelijk bij het medisch afval gedeponeerd, terwijl de nageboorte weerhouden werd en van een naam voorzien. Triest hoor, om met zo een gezicht door het leven te moeten gaan. Normaal lach ik niet met het uiterlijk van een ander, maar in dit geval maak ik graag een uitzondering. We hadden bij deze kerel immers ook te maken met absolute leeghoofdigheid en de totale onwil van de persoon (?) in kwestie om daar iets aan te doen. Later heb ik gehoord dat die jongen een tijdje verkering heeft gehad met een meisje dat een hersenletsel had opgelopen, dat ze zelfs aan trouwen dachten, maar dat die relatie alsnog op een sisser is uitgelopen.

Dit even terzijde. Soms kwam ik in de kliniek ook wel eens in een benarde situatie terecht. Bangelijk en vervelend op dat moment, maar achteraf beschouwd twee keer niks en veelal lachwekkend.

Zoals die eerste keer dat ik met mij lamme lichaam alleen op het toilet zat, om stoelgang te maken. Ik werd op de pot gezet, met een touwtje in mijn buurt om te bellen wanneer de grote boodschap afgerond was. Mijn voeten stonden op de grond. Links was er een steun, rechts van me stond mijn rolstoel. Dus zijwaarts vallen kon ik niet. Voor mij, maar op enige afstand, was er ook een steun, en daar hield ik me met mijn enige, beperkt functionele hand, zo stevig als mogelijk, aan vast. Onder die steun stond een vuilnisbakje, met ledige flesjes olie, gebruikte latex handschoenen, gebruikt toiletpapier, gevulde tamponzakjes en zo meer.

Het wou maar niet lukken. Dus liet ik mijn bovenlichaam iets meer naar voren overhellen om de druk op mijn darmen te vergroten. Oeps, mijn hand gleed uit van de steun en mijn bovenlichaam viel voorover. Mijn hoofd verdween in die vuilbak. Wat moest ik nu aanvangen? Het was niet makkelijk helder na te denken met mijn kop in de troep. Zachtjes riep ik om hulp. Ik hoorde voeten voorbij schuifelen, riep iets luider "Hallo!" maar niemand reageerde. Het was weer stil. Even later een opengaande deur. Zo hard ik kon riep ik: "Help!" Eindelijk een stem: "Heb je hulp nodig?" Met schorre stem zei ik: "Ja, alsjeblieft. En snel graag!" Vrij spoedig waren daar twee verpleegkundigen die me terug rechtop hielpen.

Naar toilet gaan bleef eigenlijk altijd een verschrikking voor me. We hadden er geen in onze eigen kamer, dus moest het steeds gebeuren in de, voor iedereen, dus ook voor bezoekers, toegankelijke toiletten op de gang. Zelf de deur op bezet draaien kon ik niet, zodat er geregeld  een totaal vreemde persoon, onbeleefd, wegens niet eerst even op de deur te hebben geklopt, zodat ik "bezet" had kunnen roepen, bij me in het hokje stond. Waar ik, met de broek op mijn enkels, met blote bips, op de pot zat.

Ru(sh)di(e), 10 mei 2004 (revisie op 23 april 2009)

24-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Eigenzinnige rolstoelen

 

Door een fout tijdens een nekoperatie, ben ik van de ene op de andere dag zwaar verlamd geraakt.

Strijdlustig als ik ben had ik, op de verzorgingsafdeling, reeds een rolstoel aan mijn bed klaarstaan op het moment dat ik zelfs nog niet eens kon rechtop zitten in mijn bed, zonder bewusteloos te vallen.

Het was een manuele rolstoel, met dubbele hoepel, aangezien ik enkel maar enige functionaliteit overheb in mijn linkerhand. Mijn eerste weken in het revalidatiecentrum maakte ik ook gebruik van dit vehikel om mij, met ontzettend veel moeite, voort te bewegen.

's Avonds zaten wij, de in het revalidatiecentrum residerende patiënten, steeds in twee rijen tegenover elkaar, onder de luifel aan de ingang van het centrum. Voornamelijk ter wille van de rokers, aangezien in het ganse gebouw een rookverbod gold. Zoals gewoonlijk werd er gepraat over van alles en nog wat.

Op een zeker ogenblik wou ik naar binnen. Dus ontgrendelde ik eerst mijn rechter en vervolgens ook mijn linker wielrem. Ik trachtte de stoel in beweging te zetten door aan de hoepels te draaien. En dat lukte. Maar in plaats van vooruit te rijden, bolde mijn wielkar achteruit! Hola, dit ging mis! Terwijl ik achterwaarts een helling afreed, waar ik blijkbaar even tevoren nog had voor gestaan, riep ik nog iets in de trant van "Help! Ik bol weg!" Met al mijn kracht omklemde ik de binnenste hoepel van mijn rolstoel, waardoor de stoel een kwartslag draaide en tot stilstand kwam in de aarde naast het pad en ik met mijn snoet in het struikgewas, maar gelukkig nog steeds in mijn stoel zittend. Een toegesnelde bezoeker bracht mij terug naar waar ik zijn moest. Gelukkig had ik, behalve enkele schrammen in mijn aangezicht, geen letsels opgelopen. 

Enkele weken later heb ik ook een manuele rolstoel met een trek- duw systeem uitgeprobeerd. Dat functioneert met een hendel die je voor en achterwaarts moet bewegen, waardoor de rolstoel in beweging komt. Besturen doe je door aan de hendel te draaien. Op een zonnige middag, na het middagmaal, wou ook ik wel eens een fris luchtje scheppen. Dus reed ik via de openstaande deur het buitenterras aan de achterzijde van het centrum op. Ik bewoog de hendel enkele malen heen en weer en bolde het terras op. Oei, het ging iets te snel. Afremmen dus maar. Maar hela, wat was dat? Dat ding kon potverdorie niet remmen! Mijn karretje meerderde nog vaart. Ik kon nipt de tenen ontwijken van iemand die daar zat uit te rusten, vooraleer met een bonk, maar zonder schade, tot stilstand te komen tegen een plastic tuinzetel die tegen een muurtje aanstond.

'k Heb ook een tijdlang met een elektrisch vehikel rondgereden dat niet erg betrouwbaar was. Zo was ik een keer via de onderaardse gangen van het universitair ziekenhuis op de terugweg van het restaurant naar het R.C., toen het ding ineens naar links afweek en tegen de muur aanreed. Gelukkig zonder erg, en ik kon wonder boven wonder mijn weg verder zetten. De rolstoel hield zich koest.

Na mijn revalidatie huurde ik een studio van de universiteit waar ik wou studeren. Toen ik nog maar pas een paar dagen in deze studio verbleef, ging de machine waarvan hiervoor sprake,  ook eens ongevraagd met me aan de haal. Het elektrisch aangedreven rolding stuurde zichzelf richting mijn werktafel. Met volle kracht bonkte ik er tegen aan. Een poot van mijn bureau vloog er van af, en het tafelblad kwam enkele centimeters omhoog en ik met stoel en al er onder. De bedieningshendel van mijn voertuig kwam vast te zitten onder het bureaublad. Daardoor bleven mijn wielen op volle kracht draaien. Die stoel wou verder rijden, maar kon niet. En ik zat in die monstermachine, gekneld tussen die stoel en mijn tafelblad.

Middels mijn mobiele telefoon één van mijn valide buren ter hulp roepen, had weinig zin, aangezien ik niet bij de deurknop kon om hen binnen te laten. De enige persoon die een  badge had waarmee hij mijn studio kon betreden, was mijn thuisverpleger. Dus belde ik die maar op. Hij was al  onderweg voor mijn avondlijke verzorging en in bed legging. Een meevaller, dus! Toen de man even later arriveerde was mijn machine net stilgevallen. Waarschijnlijk omdat inmiddels de batterijen leeg waren. De verpleger haalde me uit mijn benarde positie en duwde mijn stoel handmatig naar mijn bed. Het bedieningspaneel kreeg hij met een flinke wrong ook min of meer terug in de juiste positie. Na een nachtje laden werkte het ding alweer maar ik was nu nog meer dan voorheen op mijn hoede voor ongewenste eigenzinnige onverhoedse bewegingen van die rolstoel.

Met mijn nieuwe elektrische rolstoel heb ik eens ontzettend veel geluk gehad. Het was zaterdagnamiddag. Ik had de kinderen weggebracht, want die moesten naar een voetbaltornooi. Zelf was ik de andere kant uitgereden. Die dag had immers de 'Omloop van Het Volk' plaats, met aankomst in mijn woonplaats. Als aanloop, en in afwachting daarvan, werd een beloftewedstrijd gereden.

Ik kwam nog net op tijd om de laatste twee rondes en de aankomst hiervan te zien. En vast te stellen dat veel van die coureurs een schoon lief hebben. Daarna reed ik even naar huis, om te plassen. Ik kwam de inkomhal van onze woning binnen gereden en hoorde een stuiterend geluid. Bleek dat bolletje van de bedieningshendel van mijn rolstoel eraf gevallen te zijn. In huis was dat, door mijn vrouw, gemakkelijk terug te vinden, maar was dat op straat gebeurd, tussen al dat volk, dan was ik dat waarschijnlijk kwijt geweest en zou ik daar mooi gestaan hebben, geen kant meer uit kunnend.

Ru(sh)di(e), 5 februari 2003 (revisie op 18 april 2009)

22-04-09

Rudi's ontboezemingen - Hooghartigheid en arrogantie

 

Voor mijn ene zoontje diende ik een afspraak te regelen met een geneesheer - specialist die me door onze huisarts was aanbevolen. Dus belde ik die dokter op en vroeg hem wanneer ik de jongen met zijn mama kon laten langskomen. Ja, zelf zou ik niet meekunnen, want volgens mijn huisdokter was er aan de ingang naar het kabinet van zijn collega een trapje. Naar ik verstond zei die man dat het de volgende week kon, op woensdag, maar voor vijf uur. "Kan het dan eventueel op een andere dag?" vroeg ik, "Mijn zoontje voetbalt immers en heeft op woensdag training."

Die man vloog terstond tegen me uit. En vroeg me snauwend wat ik het belangrijkste vond: mijn zoon zijn gezondheid of een voetbaltraining? Ik schrok van deze reactie en had in eerste instantie de neiging om de telefoonhoorn op de haak te gooien. Maar ik trachtte mezelf tot kalmte te dwingen, waarin ik slechts gedeeltelijk slaagde. Dus repliceerde ik met enigszins trillende stem: "Mijnheer, daar gaat het toch niet om. Er zijn vijf werkdagen in de week. Het zou dus toch best mogelijk kunnen zijn dat u ook op een andere dag consultaties doet, zodat mijn zoon zijn training niet hoeft te missen."

Hierop begon hij me een beschrijving te geven van zijn weekplanning. Er was iets met een vergadering, operaties, ander werk in het ziekenhuis... Ik luisterde slechts met de helft van een half oor, want ik had eigenlijk totaal geen interesse in deze man zijn agenda. Toen hij klaar was met zijn opsomming, zei ik hem dat mijn zoontje op woensdag en donderdag voetbaltraining volgde, maar dat het uiteraard geen ramp was als hij eens een oefendag mistte. En als die afspraak enkel op woensdag kon, ikzelf daar dus totaal geen probleem mee had.

Ik had de indruk dat de arts inzag dat zijn overhaaste conclusie fout was geweest, want hij lachte en vroeg om welk uur de training was afgelopen. Uiteindelijk bleek dat ik hem bij de aanvang van ons gesprek verkeerd had verstaan en dat die afspraak voor de week daarop NIET voor vijf uur kon. Er werd dus afgesproken dat ze om twintig na zes op consultatie zouden komen.

Toen ik het voorval 's avonds aan mijn thuisverpleegkundige verhaalde, was ze, nadat ik 's mans naam vernoemde, totaal niet verbaast. Zij kende die dokter en wist me te vertellen dat hij ook tegenover verpleegkundigen doorgaans nogal uit de hoogte doet. En ongetwijfeld geen tegenspraak gewoon is. Maar de man had wel de reputatie een goed arts te zijn.

Nu ik het toch over arrogantie heb. Bij aanvang van het voetbalseizoen hadden mijn kinderen, na betaling van hun lidgeld, recht op een spelerspakket. Ze hadden daartoe een boekje met bonnetjes gekregen waarvoor ze bij inlevering in de clubwinkel de erop vermeldde kledij zouden ontvangen.

Toen we naar die winkel gingen kon voor zowat de helft van de bonnetjes geen kledij worden geleverd, wegens niet in voorraad. De daaropvolgende maanden toog ik meermaals met mijn tweeling naar de sportwinkel van de club om de rest van die kledij in ontvangst te nemen. Maar telkens kreeg ik te horen dat de items nog niet geleverd waren. Tot op een gegeven moment, zowat een maand geleden, de winkeldame me simpelweg meedeelde dat die spullen niet meer binnen zouden komen omdat de club haar samenwerking met de leverancier van deze kledij had stopgezet. Ze gaf me de naam en het telefoonnummer van het bestuurslid dat verantwoordelijk was voor deze zaken en raadde me aan die man op te bellen met de vraag hoe hij dit probleem ging oplossen. Te meer daar ik, na zes maand en terwijl het seizoen al volop aan zijn tweede helft bezig was, ook vond dat het onderhand wel welletjes was geworden, nam ik enkele dagen later, met behulp van mijn echtgenote, mijn telefoon ter hand en belde die kerel op.

Toen de telefoon werd opgenomen met een simpel "Hallo" vroeg ik voor de zekerheid of ik de persoon aan de lijn had die ik spreken wou en toen dat inderdaad het geval bleek te zijn zei ik mijn naam en vertelde die man de vader te zijn van twee eerstejaars duiveltjes. Vervolgens vertelde ik hem de reden van mijn oproep.

Oh, maar ze hadden dat net tijdens een bestuursvergadering besproken, zo zei hij met een blasé stem. Ja, allicht, dacht ik. Er zou ter compensatie van de ontbrekende stukken in de uitrusting een paar schoenen worden geleverd. Ik vertelde die man vriendelijk dat mijn jongens op dit ogenblik niet echt behoefte hadden aan een paar nieuwe schoenen. Onmiddellijk beet die klier me toe dat ik dan maar schoenen van een paar maten groter moest nemen en dat ik al blij mocht zijn dat ze bereid waren iets te geven. Ik kon me met dat antwoord uiteraard niet verzoenen.

Die kerel wou van me af en zei me dat hij zou bekijken of er niet ook nog een training kon worden bijgeleverd en dat ik op de eerstvolgende trainingsdag zeker aanwezig moest zijn want dat na afloop ervan deze kwestie zou geregeld worden. Toen wou hij ons gesprek afsluiten maar ik zei nog: "Nu ik u toch aan de lijn heb, wens ik van de gelegenheid gebruik te maken om u te melden dat ik enigszins teleurgesteld ben in uw organisatie." Hola! Dat kwam blijkbaar verkeerd aan, want ik kreeg ogenblikkelijk de wind van voren. En in plaats van te vragen wat er volgens mij dan wel aan schortte, snauwde hij me hooghartig toe dat er zo velen waren die hun jeugdwerking en hun trainers wel goed vonden, maar dat ze uiteraard niet voor iedereen goed konden doen.

Ik zei die kwal, om enkele voorbeelden te geven, dat steeds wisselende trainers en het feit dat de kinderen daarbovenop de helft van de tijd slechts werden bezig gehouden door twee schooljongens - één van een jaar of zestien en zijn broer van amper veertien - die zelf nog moesten leren voetballen, toch bezwaarlijk kon worden aanzien als de professionele begeleiding die je van een eersteklasserclub zou verwachten en die ons trouwens bij de aanvang van het seizoen werd voorgespiegeld. Kinderen in een leeftijd van zes, zeven jaar hebben nood aan regelmaat en leiding door gezag mensen met enige opvoedkundige capaciteiten. De chaos waarin mijn jongens tijdens het anderhalf uur training (?) veelal verzeild raakten, beviel me niet. Als ik niet tevreden was, dan moest ik maar naar een andere club gaan was de repliek van die naarling.

Zo gaat dat dus. Ze beloven je bij aanvang van het seizoen een professionele begeleiding en een uitrusting. Vervolgens incasseren ze het lidgeld, waarna je naar het beloofde kan fluiten. En als je er dan een terechte opmerking over durft te maken vertellen ze je simpelweg dat je kan oprotten. Moest ik durven, ik zou schrijven dat dit mijns inziens gevaarlijk veel weg heeft van oplichterij.

Toen ik die etter dus zei dat zulks dus wel een heel gemakkelijk, doch niet acceptabel antwoord was, vertelde hij nog een hoop onzin totdat hij, in de hoek gedreven door mijn weerwoorden, uiteindelijk toch toegaf dat ze die jonge snaken als trainers lieten opdraven omdat ze niemand anders vonden. Om van me af te zijn zei hij nog: "Je hebt je zegje nu gehad. Ik zal zien wat ik kan doen. Is dat genoeg?" Neen, dat was het niet, maar toch sloot ik af, want met deze kerel viel toch niet te praten.

Aldus neer getypt door een zich snel voortbewegende rebel, die het nodig acht ook ten strijde te trekken tegen elkeen die denkt omwille van zijn titel of positie meer waard te zijn dan een ander.

Ru(sh)di(e), 6 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

20-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Een blauwgekleurd weekend

 

Zaterdag jongstleden ben ik dus naar dat lentediner geweest. Georganiseerd door de politieke partij die deze stad bestuurt, maar waarop alle burgers van deze plaats waren uitgenodigd. Als ze bereidt waren de voor dit festijn gevraagde som te betalen tenminste, welteverstaan.

Ik had het busje van het OCMW besteld. Om me te brengen en naderhand ook weer  huiswaarts te voeren. De, blijkbaar immer goed gezinde chauffeur, was ruim op tijd aanwezig. Mijn echtgenote was op dat ogenblik nog volop bezig me te prepareren. Zelf zag ze er overigens beeldig uit, mijn eega. Ze was nochtans doodziek.

Tijdens het korte ritje naar de plaats van afspraak bleek dat ik de vorige keer wat al te voorbarig ben geweest in mijn bejubeling van de vering van dat voertuig. Want ik heb tijdens deze rit enorm zitten wippen en bij elke put in de weg moest ik alle moeite van de wereld doen, om met mijn bovenlichaam niet voorover te slaan. Tegen de volgende keer dat ik met dit vervoermiddel meerijd, moet ik, naast de reeds aanwezige heupgordel, zeker ook mijn schoudergordels op de momenteel gebruikte rolstoel laten monteren.

We kwamen ongeveer een kwartiertje voor het vermeldde aanvangsuur ter bestemming aan. Op enkele auto's na was de ruime parkeerplaats totaal verlaten. Daardoor vreesde ik even me van plaats of datum te hebben vergist. Dus verzocht ik mijn vrouw om binnen toch maar eens te gaan informeren. We bleken juist te zijn, zowel wat locatie, dag als uur betrof. Dus reed ik tot op het liftplatform om uit het busje en op de begane grond te geraken.

Aan de toegangsdeur tot het hotel, met restaurant en feestzaal, werd ik geconfronteerd met een, vrij hoge, drempel. Bij inschrijving had ik wel laten vermelden dat bij mijn persoon een grote, elektrische rolstoel hoort, maar ik had expres niet zelf contact opgenomen met het hotel om te informeren naar de toegankelijkheid. Ik wou achterhalen of de organisatoren uit zichzelf voor de nodige voorziening zouden zorgen. Niet dus.

Een oude man - de maître? - stond in de deuropening en stelde voor om met de bus tot net voor de deur te rijden om op die manier de drempel te overschrijden, maar dit bleek vrij snel niet zo een goed idee te zijn. Uiteindelijk ging die man, op vraag van mijn echtgenote en mezelf, een plank halen, waardoor ik even later probleemloos het prachtige gebouw kon binnen rijden.

De avond verliep overigens voortreffelijk. Door mijn slechte zithouding in dat onaangepast elektrisch aangedreven wielending, had ik wel een Dafalgan mét Codeïne nodig om in staat te zijn de achterhoofdpijn op een enigszins te verdragen niveau te houden. De inname van dat pijnstillend medicijn wordt trouwens een dagelijkse noodzaak. De farmaceutische industrie kan er maar wel bij varen! Door die medicatie kon ik spijtig genoeg slechts even nippen aan de bij het voedsel geserveerde wijnen: witte bij het voorgerecht en rode bij het hoofdgerecht.

In de prachtige gotische zaal had men voor mij een plaatsje gereserveerd aan de hoek van de laatste tafel, dichtst bij de toegangsdeur. Dit allicht met de bedoeling zo weinig mogelijk mensen te kunnen hinderen. Maar daardoor stond ik wel op een plaats waar niemand omheen kon zonder me opgemerkt te hebben. Mijn echtgenote en ik kregen aan de dis het gezelschap van vier - naar spoedig bleek - sympathieke dames. Er bevond zich maar één tafel tussen de onze en deze van de prominenten. Aan die ronde tafel zaten onder anderen de burgemeester, zijn voorganger (tevens zijn vader), de premier, de eerste burger van het land en de nationale partijvoorzitter. 

Aan het eind van zijn korte, duidelijke en krachtige toespraak, zei de eerste minister, die spreker en eregast was, iets in de trant van: "Ik weet dat ik op jullie kan rekenen, want anders zouden jullie hier niet zijn!" Tja, eigenlijk had ik op dat ogenblik mijn arm in de hoogte moeten stoppen om de premier er op te wijzen dat ik persoonlijk daar geheel vrijblijvend ter plaatse aanwezig was. Echter, los van het feit dat ik gezien mijn handicap niet echt tot zulks in staat ben, zou de premier allicht toch mijn poging tot het opheffen van mijn arm niet gemerkt hebben, want hij stond min of meer met zijn rug naar me toegekeerd. Het spreekgestoelte stond immers opgesteld aan de verbindingsdeur met een andere zaal, waar ook een deel van het gezelschap zat. Die éne zaal waar wij zaten was immers niet groot genoeg om alle deelnemers aan dit diner een plaatsje te geven.

Ik ontmoette deze avond enkele mensen die ik kende van vroeger. Wat het notabel volk betreft kan ik melden dat koele Karel niemand zag staan, dus uiteraard mij incluis, en Guy enkel tijd had voor een vluchtige groet. Herman daarentegen kwam naar me toe en ook onze burgervader kwam een praatje slaan. Plus een hele resem kandidaten die zich aan elkeen kwamen voorstellen en steun vragen met het oog op de nakende nationale verkiezingen.

Het eten was lekker. Dat mocht ook wel voor de prijs die we er voor betaalden. Er was iets met vis als voorgerecht en kalfsvlees met groentjes en kroketten als hoofdschotel. De sabayon werd nog net op tijd geserveerd om uitgelepeld (in mijn geval uitgedronken) te worden, maar voor het laatste item van het menu, koffie met versnaperingen, hebben we moeten passen, want het was toen onderhand middernacht en mijn taxi stond reeds te wachten. Zo gaat dat als je afhankelijk bent van derden. Je vrijheid wordt enorm beknot. De openingsdans door de lokale voorzitster van de partij hebben we ook gemist. Op dat moment stonden wij al aan de ingang, te wachten tot er eindelijk iemand zou verschijnen om onze jassen terug te geven. Blijkbaar waren alle hens aan dek geblazen om de koffie te serveren, want het heeft wel een tiental minuten geduurd voor we eindelijk konden vertrekken.

Zo, nu heb ik kennis gemaakt met blauw Vlaanderen. En zij ook met mij!

Ru(sh)di(e), 14 april 2003 (revisie op 15 april 2009)

17-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Verrassende gebeurtenissen

 

Ooit heb ik eens het volgende meegemaakt. In Nederland, ergens in een dorp in Zeeuws Vlaanderen. Ik was daar op een zonnige namiddag met mijn hond aan het wandelen op de dijk, naast een waterweg. Een heel rustige omgeving, er was geen mens te zien.

Op een gegeven moment zag ik dat er vanuit de verte dan toch iemand met een fiets kwam aangereden. Ik riep mijn hond bij me en ging met haar aan de kant van het smalle pad staan, zodat die fietsende medemens ongehinderd zou kunnen passeren.

Toen die persoon iets meer genaderd was merkte ik dat het een oude grijsaard was, echt op zijn zomers gekleed, want blijkbaar met blote benen en ontbloot bovenlijf. Op het zadel, tussen zijn benen, ontwaarde ik een pakje.

Toen hij me passeerde zag ik dat het pakje geen pakje was maar 's mans rijkelijk van kroezelig schaamhaar voorziene penis & kloten. Die vent zat potverdorie naakt op zijn vélo!

Het voorgaande doet me plotsklaps aan iets anders denken. Hoe dat komt moet je zelf maar besluiten, na het lezen van hetgeen volgt. Mijn ouderlijk huis was een door mijn vader eigenhandig gebouwde bungalow. Omdat ik mijn slaapkamer beneden had ingericht als kantoor voor de onderneming die ik enkele jaren voordien had opgestart, sliep ik in een kamer die mijn pa had gemaakt op een deel van de grote, voordien volledig open en onafgewerkte, zolder Die ruimte was nu mooi afgewerkt met houten planchetten en het was er buitengewoon gezellig vertoeven.

Ik had er een heel kleine zwart/wit televisie staan en vond het uitermate aangenaam om 's avonds voor het slapen, in bed gelegen, een beetje Tv te kijken, tegelijkertijd wat te lezen of een kruiswoordraadsel op te lossen en nog een kleinigheid te eten. Wat chips of koekjes waren dat.

Op een zekere nacht werd ik wakker. Door een geluid? Door een beweging in mijn kamer? Ik weet het niet. Ik knipte het lichtje aan dat op het nachtkastje naast mijn bed stond. Bij deze handeling voelde ik de bovenkant van mijn hand tegen iets zachts aanstrijken. Ik trok mijn hand snel terug en draaide mijn hoofd met een ruk richting nachtkastje.

Daar zat... een muis! Onverstoord de kruimeltjes van mijn koekjes van de voorgaande avond opetend. Ik gilde: "Eek!" en het beest keek op en liet een "Piep!" horen. Ik ben hoegenaamd géén watje en sla voor zo'n kleine knaagdiertjes normaliter niet op de vlucht, maar nu sprong ik van 't verschieten wel uit mijn bed, terwijl het diertje, nu ook geschrokken van mijn reactie, er vandoor muisde (!). 

Het sneukelen in bed heb ik door dit voorval niet afgeleerd, maar vanaf die nacht hoedde ik me er wel voor al te veel kruimels achter te laten.

Tja, een mens maakt soms wat mee in zijn leven. Zo reed ik jaren geleden - in mijn pré-rolstoel periode, eens op de autostrade, op een zondag, vrij vroeg in de ochtend. Mooi op het meest rechtse rijvak en net iets minder snel dan was toegelaten, toen ineens met een razende snelheid een tegenligger op me af kwam. Een spookrijder!

Gelukkig was ik in staat mijn kalmte te bewaren. Ik minderde mijn snelheid en week zoveel mogelijk uit naar rechts. Ongelukkigerwijs was er blijkbaar geen pechstrook aangelegd op dit gedeelte van de autosnelweg. Ik zette onmiddellijk mijn autoradio aan en koos het nieuwskanaal. Ja hoor, er werd melding gemaakt van een spookrijder op deze autobaan.

Hé, wat was dat? Er flitsten me heel snel na elkaar nog een aantal auto's voorbij. En allemaal in de verkeerde richting! Eén ervan deed dat luid toeterend en een andere chauffeur was zelfs zo arrogant met zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd te wijzen en daarbij een boos gezicht te laten zien. Ja hola zeg. Ik voelde mij daar echt niet meer veilig.

Uiteraard ben ik dus bij de eerste exit van de snelweg afgereden. Bijna botsing! Kwam er nondedju ook al iemand de afrit opgereden! Een vrouw. In een Mazda. Ondanks het schrikken van die totaal onverwachte tegenligger, merkte ik toch ook nog op dat één of andere onverlaat alle verkeersborden aan de kant van de weg een halve slag had gedraaid. Ook dat nog! Ondertussen werd op de radio de waarschuwing voor die éne spookrijder nogmaals herhaald. En van die andere vijf die me gekruist waren spraken ze niet!

Het bovenstaande is uiteraard een mop met een baard, stukken langer dan deze van Vader Abraham, Sinterklaas en de Kerstman samen. Maar ik kon het niet laten hem hier in mijn versie te vertellen.

Ru(sh)di(e), 28 maart 2003 (revisie op 11 april 2009)

15-04-09

Rudi's overdenkingen - Zwerfvuil

 

Waar men ook rijdt langs Vlaamse wegen, overal komt men troep en vuilnis tegen. Werkelijk, sinds ik me noodgedwongen verplaats door middel van een gemotoriseerde invalidenwagen, merk ik pas op dat de openbare weg, en dan vooral de voet- en fietspaden, alsook de pechstroken, die, oppervlakkig gezien vrij netjes ogen, eigenlijk bezaaid liggen met allerlei rommel. Dat gaat van schroeven, bouten, spijkers, veren en zo meer, over glasscherven en afgebroken stukjes van fietsen en auto's, tot plastic zakjes en een heleboel stenen en steentjes. Verder ook veel, doorgaans platgereden, blikjes frisdank. Zo nu en dan zie ik al eens een sok of een nylonkous. En in de winter ook heel dikwijls handschoenen, sjaaltjes en zelfs mutsen.

Reeds tijdens de eerste ritjes met mijn rolstoel op de openbare weg had ik door dat ik steeds ontzettend goed uit mijn doppen zou moeten kijken om het voortdurend lekrijden van mijn rolstoelbanden te voorkomen. Terwijl ik zo spiedend rondreed op de weg bedacht ik dat daar misschien wel een leuke bijkomstigheid aan vast kon zitten. Immers, zouden daar tussen al die rotzooi niet nu en dan geldstukken liggen? Sinds de Euro was ingevoerd, met al die verschillende muntstukken, kon het toch niet anders dan dat ik af en toe een waardevolle munt op de weg zou vinden? Van de nood een deugd maken, als het ware. Als ik alleen op weg was zou ik dan wel hulp moeten vragen aan passanten om mijn vondst op te rapen, maar dat zou ongetwijfeld geen probleem zijn.

Dat vinden van geld valt dus lelijk tegen. Want tot op heden is de buit erg mager. Een paar stukken van één Eurocent, waarvoor de personen die ze lieten vallen, gezien de geringe waarde ervan, het waarschijnlijk niet eens de moeite hebben geacht hun rug te krommen en / of om er voor door hun knieën te zakken om het terug op te rapen. En één vijf Eurocent geloof ik, en tevens een paar twintig Eurocent stukken. Dus ofwel houden de mensen hun geldstukken veilig in hun geldbeugel, in plaats van losjes in de broek- of jaszakken, waaruit ze, bijvoorbeeld bij het nemen van een zakdoek, gemakkelijk op de grond kunnen terechtkomen. Ofwel heb ik gewoon de pech dat de grotere op de grond gevallen Euromunten telkens reeds door een andere persoon werden gevonden en opgeraapt. Want zelfs op de wekelijkse openbare markt, in de winkelstraten of aan de kassa van de supermarkt heb ik tot op heden niet het genoegen gehad Euro's te vinden.

Ongetwijfeld de meest waardevolle munt die ik tijdens mijn ritten heb gevonden, is een jeton voor een peepshow cabine. Maar ik zie niet echt in hoe ik ze ten gelde kan maken. En als ik dat al zou willen en mijn eega ermee akkoord zou gaan, kan ik het muntje toch niet zelf gebruiken, aangezien ik niet weet voor welke tent het geldig is. Of is dat uniform? Kan je met die jeton in elke peepshow terecht? Ik weet het in alle geval niet, want ik ben daar niet echt in thuis. Trouwens, zelfs al zou ik het adres van dat oord van vertier te weten komen, dan zit ik nog met het probleem dat ik er moet zien te geraken. En bovendien is er weinig kans dat het etablissement rolstoeltoegankelijk is. Tenzij ze ook een thuislevering service hebben uiteraard. Maar ik vrees dat in dat geval dat éne gevonden muntje bij lange na niet zal volstaan om die show dan te vergoeden.

Ru(sh)di(e), 9 maart 2003 (revisie op 11 april 2009)

13-04-09

Belevenissen in het UZ, het negende deel

 

Enkele weken geleden kreeg ik vanwege één van mijn lezers de vraag gesteld wanneer ik nu eindelijk boven water ging komen met mijn seksbelevenissen in het UZ. Hij wenste dus inzage in de weergave van mijn seksuele escapades in de schoot van die kliniek. De zogenaamde seX-files. Met ronkende titels als 'In bad met de revalidatiearts', 'Met de prof onder de lakens' of 'Patiënten doen het met... elkaar'.

Spijtig voor hem en voor elke ander persoon geïnteresseerd in onverbloemde verslagen van wilde seksuele uitspattingen, maar ik moet ze op hun honger laten zitten. Ik heb me immers gedurende die achttien maanden uiterst zedig gedragen, ben trouw gebleven aan mijn echtgenote en heb ook nooit oneerbare voorstellen gekregen.

Alhoewel! Eén keer kwam er een mooi meisje naar me toe toen ik in de sportzaal aan het oefenen was. Ik lag in een kooi, bezig mijn benen te trainen. Het meisje was een stagiaire kinesitherapie. Met een lieve snoet vroeg ze me: "Mag ik je kussen?" Enigszins beduusd door dit onverwacht verzoek, en daardoor allicht een beetje kleurend, zei ik toch glimlachend: "Ja, uiteraard!", haar middelerwijl mijn wang aanbiedend, want ik nam aan dat ze me zo publiekelijk niet een tong wou draaien. Luttele seconden later trok ze mijn kussen onder me vandaan, waardoor ik onzacht met mijn hoofd op de harde moes van de oefentafel terecht kwam. Dat had ik dus verkeerd begrepen! Ze zei nog "Dank je!" en toen "Sorry" en even later stopte ze het kussen achter de rug van een andere patiënt.

Dat vorige is trouwens niet echt gebeurd hoor, maar een uit mijn geest ontsproten verzinsel. Het dichtste dat ik ooit in de buurt kwam van seks in 't RC, verhaal ik hierna.

Het was zondagnamiddag. Mijn kamergenoot was op weekend naar huis. Ik lag in mijn bed een boekje te lezen. Plots kwamen daar twee verpleegkundigen mijn kamer binnen. Een man en een vrouw. Hij: een ietwat kalende veertiger, met een snorretje; getrouwd, maar als gezonde vent absoluut niet vies van het kijken naar ander vrouwelijk schoon. Zij: een vlot meisje van midden de twintig, die naar ik wist, ook een vaste vriend had. Ze keken me zwijgend aan en zeiden toen tegen elkaar: "We zullen deze jongeman eens op een show vergasten."

De man ging naar mijn kamerdeur, keek de gang in (allicht speurend of er nergens een rood lampje boven een deur knipperde, als teken dat hun assistentie was gewenst), knipte mijn deurlampje op wit als aanduiding dat men in deze kamer 'bezig' was en sloot de gordijnen voor het vensterraam. Onderwijl had het meisje ook het gordijn tussen de twee bedden reeds dicht geschoven, zodat onverhoedse passanten, die ondanks het brandende witte lampje boven de deur, deze toch zouden openen, niet direct zicht zouden hebben op hetgeen zich rond mijn bed afspeelde.

De twee verpleegkundigen gingen naast mijn bed tegenover elkaar staan. Hij frunnikte wat aan haar bloes. Zij opende enkele knopjes en liet me haar blote schouder zien. Alhoewel ik niet echt verwachte getuige te zullen zijn van de seksuele uitspattingen van deze twee, begon ik het toch wat warmer te krijgen. Want wat indien ze voor mijn ogen dan toch van bil zouden gaan?

Terwijl allerlei gedachten door me heen gingen, werden alle gordijnen echter alweer met één ruk geopend en even snel als ze gekomen waren, verdwenen die twee weer terug de gang op. Die hadden dus getracht me in het ootje te nemen en waren daar potverdorie ook nog gedeeltelijk in geslaagd

Dat verpleegstertje speelt trouwens ook de hoofdrol in het hiernavolgend relaas waarin nog maar eens wordt aangetoond hoe een dubbeltje rollen kan.

Op een zekere avond zaten we met een hele groep patiënten samen op het terras. Een flesje wijn krakend en voornamelijk nonsens aan elkaar vertellend. De échte levensgenieters daar bovenop lurkend aan een kankerstokje en daarmee ijverig proberend hun longen zo snel mogelijk om zeep te helpen en hun leven derhalve danig in te korten.

Op een gegeven ogenblik vroeg het meisje naast me: "Hoe is dat nu afgelopen met dat meisje dat verliefd op je was?" Bijna viel ik uit mijn van vier wielen voorziene stoel! Een meisje, verliefd op mij? En ik wist nergens van! Dus zei ik: "Wablief?" Waarop die juffrouw: "Wel ja, dat nieuwe verpleegstertje." Mijn vragende blik beantwoordend begon ze een beschrijving te geven van de persoon in kwestie. Vrij snel werd duidelijk om wie het ging. De schouders ontblotende jongedame waar ik het hiervoor over had. Zij? Verliefd op mij? Ik vroeg de deerne naast me van wie ze die informatie had gekregen. Ze gaf me de naam van een jongen, iemand van vooraan in de twintig. Tot enkele weken daarvoor was die ook nog patiënt geweest op onze afdeling.

En toen begon het bij me te dagen. Eén van de laatste zaterdagen dat die jongen bij ons resideerde, kwam hij mijn kamer binnen toen dat verpleegstertje, alweer samen met diezelfde collega, bij me bezig was, maar bijna klaar met mijn avondverzorging. Hij hengelde naar een afspraakje met haar. Ze had hem al verteld een vriend te hebben en bovendien eerder op dertigers te vallen, maar die wetenschap kon er hem blijkbaar niet van weerhouden achter haar aan te blijven rollen. Dus bleef hij aandringen, waarop die verpleger tot hem zei: "Je bent te laat makker. Die kerel hier - onderwijl naar mij wijzend - is je voor. Die heeft reeds een afspraakje beet voor heden avond." De jongen keek me vragend aan en ik zei: "Inderdaad, zo is dat!" Even voordien had ik immers aangekondigd naar de Gentse Feesten te trekken, waarop die verpleegster gekscherend had voorgesteld om met me mee te gaan. Na deze tijding was die verpleegster haar amoureuze belager kwijt, terwijl deze laatste moet hebben geconcludeerd dat het meisje een oogje op me had, en hij die totaal onjuiste informatie bovendien ook nog her en der was gaan rondbazuinen. 

Ru(sh)di(e), 13 maart 2003 (revisie op 5 april 2009)

08-04-09

De avonturen van Rudi & Co, nog eens een aflevering

 

Heden ochtend ben ik naar de wekelijkse markt geweest. Alleen, want mijn echtgenote lag ziek te bed. Een zware verkoudheid. Inmiddels is het avond en na een dag met veel rust, voelt ze zich alweer een stuk beter.

De zon kon vandaag slechts af en toe doorheen het wolkendek breken. Mijn rondje naar en op de markt was dan ook niet echt aangenaam. Daarom hield ik het er vrij spoedig voor gezien. Echter niet na eerst een warme braadworst in een krokant broodje te bestellen aan de hamburgertent. Eén van de vriendelijke dames die daar de dienst uitmaken nam mijn bestelling in ontvangst en bracht de snack even later netjes ingepakt en in een zakje gestoken tot op mijn schoot. Ik liet haar zelf de verschuldigde som uit mijn geldbeugel halen.

Een goeie minuut later had ik een plaatsje gevonden, weg van de drukte, om mijn etenswaar te verorberen. Terwijl ik met mijn tanden de verpakking van het broodje aan het verwijderen was, kwam een oude allochtone man, die net een winkel had verlaten, op me toegesneld om een handje toe te steken. Toch fijn te merken dat er in deze hedendaagse egocentrische wereld toch nog mensen rondlopen die ook oog hebben voor een ander.

Deze namiddag ben ik, als naar gewoonte, met mijn rakkers naar hun voetbaltraining gereden. Aangezien de toegangsweg naar de kleedkamers vol putten lig, reed ik sinds enige weken naar het gebouw waarin de kleedhokjes zijn ingericht, over het voetbalterrein, via een opening in de balustrade omheen dat grasveld. Bleek vandaag dat ze de opening in die reling hadden gedicht!

Voorheen hebben ze het me ook al knap lastig gemaakt door de slagboom aan de toegangsweg tot het jeugdcomplex van een hangslot te voorzien. Zogezegd omdat anders te veel mensen via deze weg met de auto het terrein opreden. Als gevolg hiervan moest ik wekenlang omrijden om via een andere toegangsweg ter plaatse te geraken. Totdat ik dit kotsbeu was en derhalve mijn assistent met een schop ter plaatse stuurde om naast de slagboom een pad voor me te graven.

Toeval of sabotage? Mag of moet ik met andere woorden uit deze voorvallen concluderen ginds niet echt welkom te zijn?

Gisteren namiddag ben ik, om de tijd te verdrijven, naar een warenhuis gereden, dat gelegen is aan de andere kant van de stad waar ik woon. Het weer was prachtig: continue zonneschijn, een aangename temperatuur en slechts een zachte bries. Een assistent reed per fiets met me mee. Eigenlijk wel stom dat ik een (bezoldigd) persoon met me moet meenemen eigenlijk enkel en alleen omdat ik niet zonder hulp kan plassen.

Er waren reeds bijna drie jaar verlopen sinds mijn laatste bezoek (als stapper) aan deze winkel. De indeling van de zaak bleek vrijwel onveranderd te zijn sinds mijn laatste visite. En ook van de personeelsleden meende ik de meeste te herkennen van vroeger. Omdat ik tijdig aan de schoolpoort moest staan om mijn kinderen na schooltijd huiswaarts te begeleiden, reed ik gehaast de winkelgangen door, liet mijn helper uit de rekken nemen wat ik nodig had en spoedde me naar de kassa's. Daar was het ontzettend rustig. Ik liet mijn assistent de waren op de band leggen en bekeek middelerwijl de covers van de tijdschriften die in een standje aan de kassa stonden opgesteld. De caissière riep me iets toe en wees naar de ruimte waarlangs de klanten normaliter al dan niet een winkelwagentje voor zich uitduwend, haar kassa moesten passeren. Die doorgang was potverdikke te smal voor mijn rolstoel!

De kassierster zei me dat er vooraan in de winkel, aan de eerste kassa, wél een gang was waar ik doorheen kon. Inderdaad, daar hing trouwens een groot blauw bord boven, met een witte rolstoel erop en iets van 'brede doorgang'. Nogal vernederend vind ik dat. Dit betekent ook dat, als ik alleen ben en de eerste kassa niet open is, ik iemand moet aanspreken om hetzij die kassa speciaal voor mij te openen (dream on, man... hahaha), hetzij in mijn plaats de kassa te passeren en af te rekenen. Vaarwel zelfstandigheid!

Maar het kan nog erger. Eén van de eerste zondagen van het nieuwe jaar kregen we het bezoek van een vriendin die als nieuwjaarsgeschenk voor mijn jongens een autobaan had meegebracht. Toen ze véle uren later, mijn instructies volgend, eindelijk dat ding min of meer in elkaar hadden gekregen, zaten we nog met het probleem dat die racebaan batterijen nodig had om die autootjes in beweging te zetten.

Dus reed ik even later met één van mijn jongens richting centrum, om op zoek te gaan naar batterijen. De nachtwinkel waar ik gehoopt had deze spullen te vinden, bleek ook in het weekend pas vanaf 's avonds geopend te zijn. Dan maar koers gezet naar een winkel waar, naast kleding, ook zowat alles wat je in een huishouden kan nodig hebben, wordt verkocht en waarvan ik wist dat hij iedere zondag open was. Ik kon daar sowieso niet binnen en hield dus buiten de wacht terwijl mijn zoontje op zoek ging naar die batterijen.

Terwijl ik geduldig wachtte bekeek ik de etalage van de winkel. Op diverse aanplakbrieven werd duidelijk gemaakt dat handtassen niet echt welkom waren en hoe dan ook aan de kassa dienden geopend te worden. Er stond ook een bord waarop in grote letters geschreven stond: 'Strikt verboden', met daaronder in een iets kleiner lettertype een ganse opsomming. Glimlachend dacht ik: straks staat daar nog tussen: 'voor rolstoelers' . Ik overliep het lijstje. Stond daar potverdorie 'kinderwagens' tussen! Nu kan ik me best voorstellen dat ze in die zaak een probleem hebben met diefstal. Zelf heb ik immers ook jarenlang een winkel gehad en kreeg ik derhalve ook te maken met het fenomeen. Maar als diefstalpreventie kinderwagens uit je zaak weren, gaat me toch wel net iets te ver. Ik twijfel trouwens aan de wettelijkheid van dergelijk verbod.

Oh ja, die batterijen dienden we uiteindelijk te halen in een nachtwinkeltje dat op zon- en feestdagen ook overdag open is en die auto's hebben we, na het overwinnen van nog enige onvolkomenheden in de constructie, dus diezelfde dag nog over de autobaan kunnen laten racen.

Ru(sh)di(e), 26 februari 2003 (revisie op 5 april 2009)

04-04-09

Rudi’s overpeinzingen - Openbaar vervoer

 

De trein. Afgelopen zomer ben ik er nog mee naar de Gentse Feesten geweest. Bij gebrek aan een alternatief vervoermiddel. Maar het blijft toch behelpen hoor, met veel trek- en sleurwerk. Is het al niet omwille van het feit dat ik langs dezelfde kant als deze waarlangs ik de wagon ben binnengereden, ook weer terug naar buiten moet, en dus in die smalle gang gedraaid moet worden, wat gezien de draaicirkel van mijn wielkar, enkel met behulp van derden lukt, dan wel omdat de stationschef bij me aandringt zijn instructies op te volgen, waardoor ik hopeloos kom vast te zitten op de mobiele laadbrug.

En dan moet je in zo een station eens naar het toilet gaan. Eerst aanschuiven in de rij met mensen die een kaartje willen kopen - een enkele reis naar hier, of een retourtje naar ginder - om dan, als het jouw beurt is, te verzoeken om de sleutel van het invalidentoilet. Als de loketbediende niet achterover valt van het verschieten bij die vraag (Gehandicaptentoilet? Sleutel?), valt hij of zij gegarandeerd uit de lucht (Wat vraagt die nu? Hebben wij dat hier?). Je krijgt dus nogal eens te horen: "Wablief?" Dan mag je, opdat ook de persoon die achteraan de rij staat, zou horen dat je naar het toilet moet, je vraag nog eens luid en duidelijk herhalen. Uiteindelijk daagt er dan meestal toch iemand op met de sleutel hoor, maar het vergt enige tijd. Ook leuk als je dringend moet!

De trein. Ik herinner me die keer toen we met een groepje rolstoelers, nog wat andere minder mobielen en een handvol helpers (ik gebruik niet graag de term 'begeleiders') vanuit Gent Sint-Pieters, de trein richting Mechelen wilden nemen. Ondanks het feit dat we hen een dag eerder van onze plannen op de hoogte hadden gebracht en  ruimschoots op tijd in het station arriveerden, waren er toch problemen om ons tijdig op de trein te krijgen. Voornamelijk ten gevolge van het traject dat we dienden te volgen. Bij gebrek aan de nodige voorzieningen dienden we ons immers via de catacomben van het gebouw en de enige nog functionerende dienstlift te verplaatsen, en daarna bovengronds over de spoorbanen, vooraleer we op het juiste perron geraakten, waar inmiddels de te nemen trein stond te wachten.

Terwijl wij, met inbegrip van het nodige gestuntel van de wel bereidwillige, maar voor dit soort klussen totaal ondeskundige arbeiders van 't spoor, in de wagons trachtten te raken, hoorden we door de luidsprekers weergalmen: "De trein naar Mechelen van (het tijdstip ben ik vergeten) heeft enige vertraging wegens het opstappen van tien invaliden met een rolstoel!." Vernederend, niet? Ze hebben verdorie dagelijks vertraging om God weet welke redenen. Wordt dan de oorzaak rondgebazuind? Neen, uiteraard niet.

Leuk hoor, als rolstoelers in groep reizen. In elke wagon een stuk of twee, en ik alleen, en gezien de omvang van mijn gemotoriseerd gevaarte, niet verder gerakend dan het opstapcompartiment. Gelukkig had zich iemand opgeofferd om, gezeten op de vloer, me gezelschap te houden.

De diensten (?) van de Lijn zijn naar verluidt niet veel beter. Zelf heb ik er geen ervaring mee. Ik geraak immers niet in de bus of tram. Er zijn in bepaalde steden wel tramhaltes met een verlaagd opstapplatform, en hier en daar een perron dat op de juiste hoogte ligt,  maar dan moet je wel eerst op dat trottoir geraken! Oeps, sorry, daar heeft men niet aan gedacht!

Enkele rolstoelers en krukkenstappers die ik ken, overkwam het volgende. Na een geslaagde uitstap wilden ze met de tram terugkeren. Gezeten in hun karretje of leunend op hun steunstokken, wachtten ze aan een halte. Reeds vrij spoedig kwam er een tram aan. De schuifdeuren gingen open en de eerste man maakte zich klaar om in te stappen. Terwijl die kerel zich omdraaide om zijn krukken aan een helper te geven, zodat hij zich, vasthoudend aan de deursteunen in het openbaar vervoermiddel zou kunnen hijsen, ging de deur met een gesis alweer dicht. Die chauffeur had de situatie snel overzien, zich gerealiseerd dat dit opstappen wel enige tijd in beslag zou kunnen nemen en dan kennelijk geopteerd dat stelletje, in zijn ogen allicht sukkelaars, te laten staan. Tijdig aan zijn volgende halte geraken primeerde blijkbaar. Je moet maar lef hebben, hé?! Zulk een mensen hebben mijns inziens geen geweten. Men heeft toen overwogen een klacht neer te leggen bij de vervoersmaatschappij, maar ik weet niet of dat ook daadwerkelijk is gebeurd en in bevestigend geval, of daar enige reactie op is gekomen.

Ru(sh)di(e), 16 december 2002 (revisie op 31 maart 2009)

02-04-09

Rudi’s ontboezemingen - Mirakel

 

Wat zou ik graag nog steeds, of opnieuw, een gezond, normaal functionerend lichaam hebben. Gedaan met het ellendige, passieve bestaan vol kommer, kwel, pijn en verveling. In plaats daarvan een leven als actieve valide mens, met ongetwijfeld nog steeds de problemen van alledag, maar wel in de mogelijkheid daar zelf iets aan te doen. Om dat te bekomen heb ik echter op zijn minst een mirakel nodig. Of 'gewoon'weg een nieuw leven. Beide werden me trouwens reeds aangeboden.

Een familielid langs de zijde van mijn echtgenote, is pastor bij een protestantse kerk. De man is er heilig van overtuigd dat je door veel te bidden alles kan gedaan krijgen en alle problemen kan oplossen. Waarom er dan nog zoveel honger in de wereld is, vraag ik me af. Er moet toch een massa gelovigen zijn die dagelijks bidden en de Heer smeken om dat voedselprobleem te verhelpen? Maar ja, die uitgemergelde kindjes in de derdewereldlanden, met hun hongerbuikjes, zijn allicht zelf niet godsvruchtig genoeg om dat wonder te laten geschieden.

Enfin, bij afloop van zijn sporadische bezoekjes aan me, in het ziekenhuis en naderhand thuis, wou hij steeds samen met me bidden. Aan het einde van dat gebed dankte hij de Heer steevast bij voorbaat om mij voor het eind van de week weer op de been te krijgen. Toen dat, uiteraard, zo durf ik te typen, keer op keer zonder resultaat bleef, weet hij dat aan het feit dat ik zelf niet genoeg geloofde in de mogelijkheid van een wonderbaarlijke genezing. Dat ik verkoos de realiteit van mijn niet meer verbeterbare conditie onder ogen te zien in plaats van te rekenen op een mirakel en ik mezelf door die houding wou behoeden voor een wegzinken in neerslachtigheid als dat wonder zou uitblijven, dat wou blijkbaar niet echt doordringen tot in de grijze hersencellen van de, overigens goede, man.

Op een zekere winterse zaterdag stond hij, onaangekondigd, voor de deur van mijn woning. Mijn kinderen waren bij hun doopmeter en mijn vrouw was ook weg, boodschappen doen. Met veel moeite slaagde ik erin de voordeur te openen om hem binnen te laten. Hij bleek vergezeld te zijn van twee andere mannen, die, naar hij me meedeelde, ook pastors bij zijn geloofsgemeenschap bleken te zijn. Ik liet hen allen binnen. Drie imposante figuren, met scherpe gelaatstrekken, in grijze kledij en met dikke lange jassen aan.

Ik bood hen aan plaats te nemen in onze sofa, waar ze op ingingen, en we startten een nagenoeg inhoudsloze conversatie. In het Engels, want die twee onbekende gasten spraken waarschijnlijk geen Nederlands. Korte tijd na hun binnenkomst wilden ze samen met me bidden. Ik had daar geen bezwaar tegen. Ze stonden alle drie recht en kwamen voor me staan. Ze begonnen met een gezamenlijk gebed en hielden toen om beurten met erg veel overtuiging en bezieling een preek, waarbij de anderen zo nu en dan een instemmend "Halleluja!", "Praise the Lord!" of "Amen!" lieten horen.

Ineens weerklonk het geluid van de deurbel. De heren waren klaarblijkelijk zo zeer in hun predicatie opgegaan, dat ze niet reageerden. En zelfs niet eens opkeken!  Zodat ik er hen zelf maar op attendeerde en hen verzocht de deur te openen voor degene(n) die aanbelde(n). Het bleken twee buurmeisjes te zijn. Ik bood hen aan binnen  te komen, wat ze deden, en vertelde hen wat er aan de gang was en dat ze even geduld zouden moeten hebben vooraleer ik met hen kon praten. Maar dat hadden ze.

Eén van die pastors nodigde de meisjes uit om tussen hen in plaats te komen nemen en mee te bidden. De zussen bedankten echter voor de eer en keken vanuit een hoek van de woonkamer toe op het schouwspel dat toen volgde. Het trio kwam weer rond me staan en hernam het bidden. Toen kwam wat wellicht de apotheose van hun seance had moeten worden. Terwijl twee van hen één of andere psalm neurieden, kwam de derde voor me staan, nam mijn beide handen vast en - met een in volume toenemende stem smeekte hij tot God, de almachtige, me toen en daar, terstond weer te laten opstaan! Inmiddels vastberaden aan mijn armen trekkend. Maar het wonder bleef, spijtig genoeg, uit.

Ze zijn zo nog een tijdje blijven doorgegaan, tot ik er zelf een einde aan maakte, want mijn lichaam begon onderhand pijn te doen en ik was bovendien bang dat ze me, in al hun enthousiasme, uit mijn stoel zouden sleuren, met alle mogelijke kwalijke gevolgen van dien.

Sinds dat bezoek, inmiddels reeds méér dan een jaar geleden, heb ik de man niet meer gezien. Maar hij belt me nog wel geregeld! Klaarblijkelijk is hij uiteindelijk toch tot de conclusie gekomen dat ik, ook voor hem en zijn religie, een hopeloos geval ben. Waarschijnlijk heeft hij, met uitsluitend goede bedoelingen, zijn actieterrein verlegd naar iemand bij wie hij hopelijk, voor hem, maar veel meer nog voor die persoon in kwestie, meer kans heeft op slagen.

Toen ik nog maar pas thuis was, na anderhalf jaar onafgebroken afwezigheid wegens mijn noodgedwongen verblijf in het ziekenhuis, en ik één van de eerste keren mijn kinderen van school had afgehaald, stopte er, op het moment dat we bijna thuis waren, plots een auto achter ons en hoorde ik een stem mijn voornaam uitspreken. Dus hield ik halt en wachtte af, want mijn hoofd omdraaien kan ik niet. De kinderen zeiden dat er een man uit het voertuig was gestapt en dat deze persoon nu op ons kwam toe gestapt.

Het bleek een man te zijn die jarenlang een trouwe klant was geweest van mijn computerzaak. Een sympathieke kerel, met een (tegen mij toch steeds) vriendelijke vrouw en toffe kinderen, zo herinnerde ik me. Ik vroeg dus geïnteresseerd hoe zij het maakten, waarop ik te horen kreeg waar zijn gezinsleden mee bezig waren. Hij vroeg hoe het nu met me ging en ik gaf hem een eerlijk antwoord. Een droef gezicht trekkend zei hij me het erg te vinden dat ik me in een dergelijke situatie bevind. "Maar weet je wat?" zei hij vragend, en nu met een stralend gezicht, "Ik heb goed nieuws voor je. Heel spoedig komt de Heer terug op aarde en verandert het hier opnieuw in een paradijs. Een wereld waarin iedereen gelukkig is en niemand gebreken heeft en waarin ook JIJ opnieuw zal kunnen stappen, lopen en springen zoals iedereen!"

Ja, zo herinnerde ik me ook alweer, deze kerel is een Jehova's getuige. Hij sprak verder: "Echter, enkel wie Zijn komst voorbereidt, zal tot de uitverkorenen behoren die deze nieuwe wereld zullen bevolken." Ik dacht: "sorry, maar daar pas ik voor. Een God die slechts goed wil zijn en doen voor een elite, dat kan nooit de mijne zijn. Die zal nooit door mij worden aanbeden. Als mijn handicap kan worden ongedaan gemaakt, en ik zo een nieuw leven krijg, dan heeft naar mijn mening ook elke andere persoon daar recht op, of die nu al dan niet tot een bepaalde geloofsgroep behoort." Ik zei echter niks. Maar was teleurgesteld. Nu sprak er me eindelijk eens iemand aan, maar was het verdorie voornamelijk om te polsen naar mijn interesse in toetreding tot zijn geloofsclub.

Het stil blijven staan begon mijn kleuters danig te vervelen en toen ze me vroegen of ze die tien overblijvende meters naar huis mochten hollen, gaf ik hen terstond mijn toestemming. Want daar blijven staan op het fietspad, langsheen een drukke verkeersweg, was ook niet zonder gevaar. Ik zei die getuige dat ik mijn rakkers wou volgen, waarop hij me verzocht nog even te wachten, want hij wou me iets geven. Ik ging akkoord, waarna hij naar zijn auto holde. Even later werden me twee luxueuze boekjes overhandigd. Hij moedigde me aan om deze te lezen en zou me dan eerdaags contacteren. Ik heb echter naderhand niks meer van de man gehoord.

Ru(sh)di(e), 25 januari 2003 (revisie op 28 maart 2009)

18-03-09

De lotgevallen van een rolstoeler, tweede en nu echt wel allerlaatste aflevering

 

Eureka! Ik heb mogelijks een manier gevonden om de verlamming van mijn benen ongedaan te maken.

Gisterenochtend is de huisdokter bij me langs geweest en die heeft hij me ondermeer een antibioticum voorgeschreven. Toen mijn echtgenote in de namiddag met de medicatie thuiskwam las ik, als naar gewoonte, de bijsluiter. En wat zag mijn lodderig oog als zijnde één van de mogelijke bijwerkingen: 'wankel op de benen lopen.'

Ik ben sinds gisterenavond met de inname van die pillen begonnen en hoop spoedig geconfronteerd te worden met die bijwerking. Wankel of niet, als ik maar vooruit geraak!

Dat ik reeds meermaals ondervond dat je mensen zo gemakkelijk blaasjes kan wijsmaken, heb ik reeds eerder verteld. Vorige week is het me alweer gelukt iets uitermate onwaarschijnlijk voor waar te laten aannemen. Ja, een mens moet ergens zijn pleziertjes uit halen.

De zon scheen en er heerste een aangename temperatuur. Wel een beetje wind, maar dat kon me niet deren. Ik vertrok een half uurtje vroeger dan nodig om mijn kinderen af te halen van school, zodat ik eerst nog eens een toertje kon maken in de wijk achter onze woning.

Ik genoot van het zicht van de tuinen en tuintjes vol groeiende en bloeiende planten en bloemen. Het ene perkje nog mooier aangelegd dan het andere. Nogmaals overdacht ik hoe zeer ik had uitgekeken naar het moment waarop ik voldoende tijd zou hebben gehad om zelf mijn eigen tuin te kunnen onderhouden. En hoe triest het eigenlijk was dat ik nu wel alle tijd had, maar nooit aan tuinieren zou kunnen toekomen. Het ergste van al vond ik het feit dat mijn kinderen mij nooit in de tuin zouden bezig zien en ik dientengevolge de interesse en de kennis van het groenwerk, niet aan mijn kroost zou kunnen doorgeven, zoals ik van jongs af aan het tuinieren van mijn ouders had gezien en geleerd. Soit, gedane zaken nemen geen keer. Ik kon mijmeren zoveel ik wou, het zou niks wijzigen aan mijn situatie.

Op een gegeven ogenblik passeerde ik een tuin waarin een man net de inhoud van de opvangbak van zijn grasmachine in een kruiwagen kiepte. De heer keek op en ik knikte hem gedag. "Lekker weertje hè" zei hij me vriendelijk glimlachend, onderwijl mijn richting uit komend. Ik hield even stil. Die manspersoon - een zestiger denk ik - had duidelijk zin in een praatje en ik zag het ook wel zitten om enige woorden met hem te wisselen.

Hij vroeg me of ik reeds lang in een rolstoel zat en of mijn toestand, zoals hij vermoedde, het gevolg was van een verkeersongeval. Enfin, de geijkte vragen dus. En ik legde hem geduldig, en zeer in het kort, de oorzaak van mijn rolstoelafhankelijkheid uit. Die persoon luisterde heel aandachtig en zijn gelaatsuitdrukking werd zeer ernstig, bijna droevig. Hij vond, zeker omdat ik er nog zo jong uitzie, mijn toestand uitermate erg.

"Tja" zei ik, "Dat vind ik ook, maar de situatie is nu eenmaal onomkeerbaar, dus moet ik er maar zien het beste van te maken." Die ingesteldheid vond hij tof. Er verscheen alweer een glimlach op de grijzende man zijn aangezicht. "Gelukkig kan ik dat nog wat jij nu aan het doen bent." zo zei ik.  De man keek me niet begrijpend aan. "Het gras van mijn gazon afrijden bedoel ik dus" verklaarde ik me nader. Waarop hij: "Hoe doe je dat dan?" Ik repliceerde: "Met mijn rolstoel. Ik heb daar een aparte module voor. Mijn echtgenote klikt dat ding onderaan vast en klaar is Kees!"

De man keek me ongelovig aan, maar ik voegde er met een ernstig gezicht toch nog aan toe: "Was wel niet goedkoop, en allemaal uit eigen zak te betalen. Maar ja, een grasmachine kost ook geld en dan moet ik nog iemand vinden om er achter te lopen, terwijl ik zelf alle tijd heb."

De brave man maar knikken. Daar kon hij inkomen. Ondertussen bekeek hij spiedend mijn gemotoriseerde zitstoel. "En hoe krijgt de motor van die messen stroom?" kreeg ik te horen. Ik wees naar de zware batterij achteraan mijn rolstoel en zei, voordat de brave man nog meer technische vragen op me af kon vuren, dat hij me moest excuseren, maar dat ik dringend verder moest om mijn kinderen van school af te halen. Ik begon terug te rijden en terwijl die heer, nog steeds met een ernstig en vragend gezicht naar mijn machine keek, zei ik nog, breed lachend nu: "'t Is niet waar, hoor!" Die mens had het terstond door, en begon hard te lachen. En langdurig, want toen ik de straat uit was, en een andere in, richting de school van mijn bengels, hoorde ik nog steeds zijn gelach. Voila, mijn dag was geslaagd!

Aan de school was de situatie, als steeds, minder succesvol. De allerkleinsten, zijnde de kinderen uit de zes kleuterklassen, moeten worden afgehaald in de speelzaal. De toegangsdeur van de gang naar deze zaal wordt pas even voor de schooldag ten einde is, ontgrendeld. Met als gevolg dat er steeds een massa ouders en grootouders aan de toegangsdeur staan te wachten tot wanneer deze wordt geopend.

En als het dan zo ver is, wil iedereen als eerste naar binnen en is het een dringen van jewelste. Eigenlijk ongehoord, mijns inziens. Nadat ik - als enige - de moeders met kinderwagen voorrang heb gegeven, rijd ik steevast als allerlaatste doorheen het deurgat. En dat is niet zo eenvoudig, aangezien op dat ogenblik reeds de eerste (groot)ouders met afgehaald(e) kind(eren) langs diezelfde deur terug naar buiten komen. Menselijkerwijze zou je toch verwachten dat men plaats zou maken voor die persoon in zijn rolwagen (ik dus). Maar neen hoor, ongelooflijk maar waar, met de bedoeling me voor te zijn duwen de volwassenen hun (klein)kind voor zich uit. Ze gaan er waarschijnlijk van uit dat ik niet tegen die kleintjes hun schenen zal aanrijden.

En dat doe ik inderdaad ook niet. Ik hoed me er trouwens sowieso voor om tegen mensen aan te rijden. Dus meestal wacht ik dus gewoon gedwee tot wanneer ik ruimte heb om te rijden.

Het valt mij trouwens op hoe weinig respect mensen heden ten dage hebben voor hun zwakkere soortgenoten, als daar onder anderen zijn: kinderen, bejaarden en gehandicapten.

En nu doel ik niet speciaal op jongeren hoor, want daar heb ik persoonlijk nog de minst slechte ervaringen mee.

Neen dus, vooral volwassenen en dan zelfs veelal vrouwen en ook mannen van midden de vijftig, pregepensioneerden naar ik vermoed. Zo werden we ook deze dag, terwijl we bij groen licht en ik op het zebrapad rijdende, met mijn kinderen links en rechts van me, netjes met één hand mijn stoel vasthoudend - naar gewoonte aldaar - bijna overhoop gereden door een haastige bestuurster die waarschijnlijk bewust negeerde dat je bij rood licht eigenlijk moet stoppen.

Om dan toch met een vrolijke noot te eindigen, het volgende:

Ik moest gisteren namiddag in het centrum van de stad zijn waar ik woon. Ik reed gezwind op het mooi betegelde, vlot berijdbare fietspad. Op een gegeven ogenblik stopte ik even en boog me voorover om mijn bil- en bovenbeenspieren tijdelijk te ontlasten. Onmiddellijk stopte daar een dame haar auto en vroeg door het geopende portierraam of ze me kon helpen. Nog een andere auto hield stil. En ook een fietsende dame hield halt. Een oudere dame die zo een boodschappentas op wieltjes achter zich aantrok was er van overtuigd dat ik onwel was geworden. Uiteindelijk slaagde ik erin iedereen te verzekeren dat ik niet in nood verkeerde en bijgevolg ook geen hulp nodig had. Het was wel eens leuk om zien, al die bezorgde gezichten. Mijn vrouw, die bij me was, drukte het uit als volgt: "Lokeren wordt wakker!" We zijn dat hier immers niet gewoon, zo een attent gedrag.

Ik moest in het stadhuis zijn, om mijn reeds twee jaar vervallen identiteitskaart te hernieuwen. (even terzijde: mijn pasfoto's zijn goed gelukt en ik heb er nog twee over, dus als er fans zijn met interesse in een gesigneerd exemplaar...'t is het moment!)

De dame achter het loket herkende me nog van vroeger. Ze had ooit in mijn zaak één en ander aangekocht, samen met en voor haar dochter en zei dat ze veronderstelde dat het hard moest zijn om als levendige, steeds in de weer zijnde persoon, zoals ze me voorheen had gekend, noodgedwongen een inactief leven te gaan leiden.

Het deed deugd te merken dat er dan blijkbaar toch nog mensen zijn met een beetje inlevingsvermogen en dan ook nog het lef hebben dat te uiten.

Maar het toppunt van al speelde zich af in het Kruidvat. We moesten daar zijn om ondermeer haargel voor ondergetekende aan te schaffen. Jazeker dames en heren, jongens en meisjes. Naast wat deodorant onder de oksels, enige gezichtscrème op wangen, voorhoofd en neus en een vleugje aftershave op bovenlip, kin en kaken, heb ik ook dagelijks wat gel nodig om mijn haar enigszins in model te houden.

Terwijl mijn echtgenote de benodigde waar ging uitzoeken, bleef ik noodgedwongen aan de ingang van de winkel staan. Verder geraakte ik niet wegens de met allerlei spullen gevulde bakken die tussen de rijen winkelrekken stonden opgesteld, en me bijgevolg de doorgang belemmerden. Dus keek ik maar wat rond, naar de bussen haarlak, allerlei flacons met kleurspoelingen, haarverstevigers en zo mee. Ter afwisseling staarde ik net zo lang en indringend terug als sommige passanten naar mij staarden. En opeens merkte ik daar volgende aankondiging in de winkel: 'vanaf maandag aanstaande, in de solden, massa's kerstversiering aan - 50 %.' Aan het begin van de zomer zit elkeen daar toch op te wachten, niet? Dus: op 1 juli allen daarheen!

Ru(sh)di(e), 28 juni 2002 (revisie op 15 maart 2009)