16-06-12

Heden en verleden - Onwelkome ratten en andere muizenissen

       

Afgelopen zomer was ik, op een warme namiddag, gezeten in mijn elektrische rolstoel, rustig aan het plassen, op een plek voor mijn garage en rechts van mijn met klimop begroeide haag. Plots zag ik, voor de witte garagepoort, over de betontegels op de grond, iets razendsnel van rechts naar links bewegen. Nog net zag ik een grijs muisje ritselend verdwijnen door een gat in de klimophaag.

Muizen en ratten… ik hou niet van deze knaagdiertjes met hun lange staart. De reden daarvoor weet ik eigenlijk niet. Mogelijks is het omwille van hun enge voorkomen en hun kwalijke reputatie als ziekteverspreider. En vast ook omdat ze zo graag ongegeneerd en ongenood tuinhuisjes, berghokken, garages en zelfs woningen plachten binnen te dringen.

Al mijn confrontaties met die ongeliefde zoogdieren verhalen, zou meteen leiden tot een omslachtig boekwerk. Vandaar dat ik mij hier ga beperken tot enkele bijzondere ontmoetingen met deze gretig knagende plaagdieren. Die zowat overal opduiken waar eten aanwezig is.

Als kind zag ik vaak huismuizen en veldmuizen in de omgeving van ons huis en stallingen. Meer dan eens zelfs onze huisgevel opklimmend. Gelukkig hielden onze katten toen de aangroei van die muizenpopulatie onder controle. Door nogal dikwijls eentje te pakken te nemen en vervolgens lustig op te vreten. Alleen, of de buit delend met de eigen kroost of andere op onze hof verblijvende soortgenoten.

Spitsmuizen of dolletjes zoals wij die noemden, werden dan weer niet verorberd door onze huiskatten. Met deze diertjes speelden of dolden ze alleen maar wat. Deze insectenetende zoogdiertjes worden overigens dan wel muizen genoemd, ze zijn het niet!

Net zo min als mijn zus haar, als (buitens)huisdier gehouden steenratjes ratten waren. Cavia’s waren het. Maar ze plantten zich wel haast net zo snel voort als de bruine rat. De laatste kooi die mijn handige pa als verblijf voor die beestjes in elkaar had geknutseld, werd vele jaren na het heengaan van de laatste cavia, gebruikt als opslagplaats voor het stro waarvan regelmatig een vers deel in de schuilplaats werd gelegd van de twee vrouwtjeseenden, die in mijn ouders hun achtertuin een stukje afgebakend terrein bewoonden.

Op een zekere dag in het oogstseizoen had de boer, die eigenaar was van de akkers die gelegen waren naast mijn ouderlijke woonst, het graan dat er op werd geteeld, door loonwerkers laten maaidorsen. Waarna de op het land achtergebleven droge plantenstengels en uitgedorste aren door een andere machine werden bijeen geschraapt  en samengeperst tot rechthoekige strobalen.

Als naar gewoonte, en met instemming van de boer, raapte ik nadien de nog op het land achtergebleven resten stro bij elkaar. Toen ik, om mijn buit op te bergen, het deksel optilde van de kooi waarin voorheen de cavia’s huisden, schrok ik mij haast een ongeluk. Omdat ik daar, bovenin het opeengestapelde stro, een nest muizen aantrof. Die, als in koor, luid piepten toen het deksel was opgelicht. Van schrik liet ik het terstond los, waardoor het met een klap terug op zijn plaats kwam te liggen. Dat verzamelde stro heb ik die dag netjes in een zak naast die kooi gezet, want ik bleef toch liever uit de buurt van die kroostrijke muizenfamilie.

Later is het ook eens voorgevallen dat ik de eenden eten ging brengen en van op een afstand zag dat er precies een ander dier stond te eten aan het, een stukje boven de grond opgestelde en overdekte, voederbakje. Toen ik tot op een meter of vijf genaderd was, zag ik wie die maïsdief was: een grote bruine rat! Ze stond met haar achterpoten op de grond en de voorpoten in het zich zowat 10 centimeter boven de grond bevindende voederschaaltje. Het beest, met een heel lange staart, bleek helemaal niet bevreesd te zijn voor mij. Die perplex het schouwspel volgde. En pas terug in beweging kwam toen dat enge beest er uiteindelijk toch vandoor ging.

*****

Als kind ging ik vaak vissen. In de stilstaande waters van beken, vaarten en vijvers uit de buurt. En tevens in het getijdenwater van de in Nederland stromende Westerschelde. Van op heel jonge leeftijd trok ik mee met mijn vader. En later ging ik ook al eens alleen, of met kameraden. Normaliter visten wij, van op de oever, met de vaste hengelroede en/of de werphengel. Maar ik ben ook enkele keren met mijn pa gaan peuren. Dat is een speciale en tevens één van de oudste manieren voor het vangen van paling.

Een drijvend gemaakte afgeschreven paraplu, of zoals wij het deden, een rechthoekige bak met drie naar binnen geplooide wanden en aan één zijde verhoogd met een in een kader gevat net, wordt hierbij te water gelaten. En middels een oude hengelstok, tot op een vijftal meter van de oever gebracht. Daarnaast wordt een hengelroe gehouden, waar aan de top ervan een draad is bevestigd met een dikke dobber en aan het uiteinde een tros aaneengeregen regenwormen hangt. Die wordt verzwaard met lood. En waarvan het de bedoeling is dat deze de bodem net niet raakt. Waarna de geur van de wormen de paling moet aantrekken.

Op het moment dat je, door de beweging van je roe, of het ondergaan van de dobber, vermoed dat er een paling aan de pieren knabbelt, dien je met een vlugge, doch rustige beweging, de top van de hengelroe op te halen en de tros regenwormen zacht tegen de binnenkant van, al naargelang, het regenscherm of de netwand van de bak te kletsen. Zodanig dat de lustig wormen etende paling deze lost en in de paraplukom of bak valt. Die je vervolgens naar je toe trekt om de buit binnen te halen.

Het beste moment om deze activiteit uit te voeren is ’s nachts. Omdat aal het grootste deel van de dag op de bodem van het water ligt ingegraven en pas in de nachtelijke uren gaat jagen. Dus zaten wij daar dus in het donker aan de waterkant. Wachtend tot die palingen zouden toehappen. En de stilte van de nacht werd enkel verstoord door onze ademhaling en door het plonzen van muskusratten, die vanaf de oever het water indoken en met hun grote lijf en lange staart vlak voor onze voeten voorbij zwommen. Griezelig!

*****

Van iets minder lang geleden dateert het volgende voorval, dat plaatsvond in Afrika. Met mijn echtgenote was ik op rondreis in haar geboorteland. We bevonden ons op een gegeven moment in een dorpje aan de rand van de woestijn. In het lemen gebouwtje dat door moest gaan als restaurant, zaten we als enige klanten in het sober ingerichte etablissement. Op houten stoelen aan een houten tafeltje aten we het enige gerecht dat daar die dag verkrijgbaar was.

We waren in alle rust en stilte gemoedelijk en smakelijk aan het eten toen ik ineens, onder één van de andere tafeltjes in het vertrek, een gigantisch groot ogende, grijskleurige woestijnrat zag verschijnen. Het diertje slalomde ongehaast tussen de verschillende stoel- en tafelpoten van het meubilair in het eethuis. Vooraleer mijn echtgenote, die de rat ook had opgemerkt, en ikzelf, verbouwereerd onze mond konden openen om er iets over op te merken, was het beestje alweer door de openstaande deur naar buiten getrippeld. Geloof me vrij dat het eten ons daarna niet meer zo erg smaakte. En we spoedig afrekenden en die plek verlieten.

Later kwam ik te weten dat er hier in Europa, en mogelijk ook elders, mensen zijn die deze beestjes houden als huisdier. Omdat ze zo vriendelijk, nieuwsgierig, rustig en gemakkelijk in de omgang zijn. Dat heb ik gemerkt, ja!

*****

Toen ik nog maar pas een jaar of twee thuis was, na anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, heb ik, op eigen initiatief, een tijdlang logopedie gevolgd. Omdat ik door een verminderde long- en middenriffunctie minder krachtig kon praten. En met professionele hulp technieken wou aanleren om, uit mijn beperkte mogelijkheden, toch de maximale spraak- en zangcapaciteit te halen.

Op een zekere voormiddag waren wij, zoals dat vaak het geval was, aan het oefenen in de zitkamer van mijn woning. Mijn logopediste, gezeten op een stoel, met haar rug naar het groot terrasvenster gericht. En ik tegenover haar, gezeten in mijn onafscheidelijke elektrische rolstoel. Terwijl ik bezig was met een door haar voorgedane oefening te herhalen, zag ik buiten een vrij grote bruine rat over ons verhard tuinpad lopen. Mijn adem stokte even en een zachte rilling ging door mijn lijf. Mijn logopediste merkte dat uiteraard. En vroeg me wat er aan de hand was. Wijselijk verzweeg ik wat ik net had gezien. Ik wou immers niet het minste risico lopen dat ze niet meer zou komen, omwille van de aanwezigheid van dat ongedierte op mijn hof.

*****

Een maand of twee later zat ik, zoals ik op zomerse dagen nogal eens placht te doen, bij valavond voor de openstaande deur in de inkomhal, een boek te lezen. Van licht voorzien door de maan, de straatlantaarns die de rijweg verlichten en de in de hal hangende gloeilamp. Plots dook er uit de duisternis een bruine rat op die zich, onder mijn, op de steunen van mijn rolstoel geplaatste voeten door, in de richting van het voor ons huis aangelegde vijvertje voortbewoog, Alwaar het beest, vanaf de rand, met een plons het water indook. En even later met de kop weer boven kwam. Om rustig, lustig en ongegeneerd te beginnen eten van het zich dobberend in een drijvende ring bevindende visvoer.

Ru(sh)di(e), 19 december 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

24-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Eigenzinnige rolstoelen

 

Door een fout tijdens een nekoperatie, ben ik van de ene op de andere dag zwaar verlamd geraakt.

Strijdlustig als ik ben had ik, op de verzorgingsafdeling, reeds een rolstoel aan mijn bed klaarstaan op het moment dat ik zelfs nog niet eens kon rechtop zitten in mijn bed, zonder bewusteloos te vallen.

Het was een manuele rolstoel, met dubbele hoepel, aangezien ik enkel maar enige functionaliteit overheb in mijn linkerhand. Mijn eerste weken in het revalidatiecentrum maakte ik ook gebruik van dit vehikel om mij, met ontzettend veel moeite, voort te bewegen.

's Avonds zaten wij, de in het revalidatiecentrum residerende patiënten, steeds in twee rijen tegenover elkaar, onder de luifel aan de ingang van het centrum. Voornamelijk ter wille van de rokers, aangezien in het ganse gebouw een rookverbod gold. Zoals gewoonlijk werd er gepraat over van alles en nog wat.

Op een zeker ogenblik wou ik naar binnen. Dus ontgrendelde ik eerst mijn rechter en vervolgens ook mijn linker wielrem. Ik trachtte de stoel in beweging te zetten door aan de hoepels te draaien. En dat lukte. Maar in plaats van vooruit te rijden, bolde mijn wielkar achteruit! Hola, dit ging mis! Terwijl ik achterwaarts een helling afreed, waar ik blijkbaar even tevoren nog had voor gestaan, riep ik nog iets in de trant van "Help! Ik bol weg!" Met al mijn kracht omklemde ik de binnenste hoepel van mijn rolstoel, waardoor de stoel een kwartslag draaide en tot stilstand kwam in de aarde naast het pad en ik met mijn snoet in het struikgewas, maar gelukkig nog steeds in mijn stoel zittend. Een toegesnelde bezoeker bracht mij terug naar waar ik zijn moest. Gelukkig had ik, behalve enkele schrammen in mijn aangezicht, geen letsels opgelopen. 

Enkele weken later heb ik ook een manuele rolstoel met een trek- duw systeem uitgeprobeerd. Dat functioneert met een hendel die je voor en achterwaarts moet bewegen, waardoor de rolstoel in beweging komt. Besturen doe je door aan de hendel te draaien. Op een zonnige middag, na het middagmaal, wou ook ik wel eens een fris luchtje scheppen. Dus reed ik via de openstaande deur het buitenterras aan de achterzijde van het centrum op. Ik bewoog de hendel enkele malen heen en weer en bolde het terras op. Oei, het ging iets te snel. Afremmen dus maar. Maar hela, wat was dat? Dat ding kon potverdorie niet remmen! Mijn karretje meerderde nog vaart. Ik kon nipt de tenen ontwijken van iemand die daar zat uit te rusten, vooraleer met een bonk, maar zonder schade, tot stilstand te komen tegen een plastic tuinzetel die tegen een muurtje aanstond.

'k Heb ook een tijdlang met een elektrisch vehikel rondgereden dat niet erg betrouwbaar was. Zo was ik een keer via de onderaardse gangen van het universitair ziekenhuis op de terugweg van het restaurant naar het R.C., toen het ding ineens naar links afweek en tegen de muur aanreed. Gelukkig zonder erg, en ik kon wonder boven wonder mijn weg verder zetten. De rolstoel hield zich koest.

Na mijn revalidatie huurde ik een studio van de universiteit waar ik wou studeren. Toen ik nog maar pas een paar dagen in deze studio verbleef, ging de machine waarvan hiervoor sprake,  ook eens ongevraagd met me aan de haal. Het elektrisch aangedreven rolding stuurde zichzelf richting mijn werktafel. Met volle kracht bonkte ik er tegen aan. Een poot van mijn bureau vloog er van af, en het tafelblad kwam enkele centimeters omhoog en ik met stoel en al er onder. De bedieningshendel van mijn voertuig kwam vast te zitten onder het bureaublad. Daardoor bleven mijn wielen op volle kracht draaien. Die stoel wou verder rijden, maar kon niet. En ik zat in die monstermachine, gekneld tussen die stoel en mijn tafelblad.

Middels mijn mobiele telefoon één van mijn valide buren ter hulp roepen, had weinig zin, aangezien ik niet bij de deurknop kon om hen binnen te laten. De enige persoon die een  badge had waarmee hij mijn studio kon betreden, was mijn thuisverpleger. Dus belde ik die maar op. Hij was al  onderweg voor mijn avondlijke verzorging en in bed legging. Een meevaller, dus! Toen de man even later arriveerde was mijn machine net stilgevallen. Waarschijnlijk omdat inmiddels de batterijen leeg waren. De verpleger haalde me uit mijn benarde positie en duwde mijn stoel handmatig naar mijn bed. Het bedieningspaneel kreeg hij met een flinke wrong ook min of meer terug in de juiste positie. Na een nachtje laden werkte het ding alweer maar ik was nu nog meer dan voorheen op mijn hoede voor ongewenste eigenzinnige onverhoedse bewegingen van die rolstoel.

Met mijn nieuwe elektrische rolstoel heb ik eens ontzettend veel geluk gehad. Het was zaterdagnamiddag. Ik had de kinderen weggebracht, want die moesten naar een voetbaltornooi. Zelf was ik de andere kant uitgereden. Die dag had immers de 'Omloop van Het Volk' plaats, met aankomst in mijn woonplaats. Als aanloop, en in afwachting daarvan, werd een beloftewedstrijd gereden.

Ik kwam nog net op tijd om de laatste twee rondes en de aankomst hiervan te zien. En vast te stellen dat veel van die coureurs een schoon lief hebben. Daarna reed ik even naar huis, om te plassen. Ik kwam de inkomhal van onze woning binnen gereden en hoorde een stuiterend geluid. Bleek dat bolletje van de bedieningshendel van mijn rolstoel eraf gevallen te zijn. In huis was dat, door mijn vrouw, gemakkelijk terug te vinden, maar was dat op straat gebeurd, tussen al dat volk, dan was ik dat waarschijnlijk kwijt geweest en zou ik daar mooi gestaan hebben, geen kant meer uit kunnend.

Ru(sh)di(e), 5 februari 2003 (revisie op 18 april 2009)

11-04-09

Belevenissen in het UZ, het achtste deel - Gedaan met feesten!

 

Meermaals heb ik het meegemaakt dat er zich spontaan groepjes vormden van patiënten die goed met elkaar konden opschieten en ook 's avond samen zaten om de tijd op een zo aangenaam mogelijke wijze te verdrijven.

Na mijn avondmaal, dat ik meestal nuttigde in het restaurant van K12, keek ik in de Tv-zaal, op de grote televisie die daar stond opgesteld, op TV1 naar Blokken en daarna, op dezelfde zender, naar het nieuws. Tegen het moment dat die uitzending was afgelopen, was het bezoek van de meeste van mijn medebewoners huiswaarts gekeerd en kwam men mij gezelschap houden.

Op deze manier had zich een groepje personen gevormd dat bijna elke avond samen doorbracht. Zonder het echt te plannen ontstond de idee om elke vrijdagavond een "Gezellig samenzijn" te houden. Dat waren echt leuke momenten. We dronken een glaasje wijn, en / of een blik bier, aten wat chips, al eens wat kaas of salami, af en toe ook Tv-worstjes. Praten, zingen, lachen, moppen tappen, anekdotes vertellen en zo nu en dan ook eens ernstig zijn. Die avonden waren steeds geslaagd.

We hebben zelfs eens carnaval gevierd, en zijn toen, getooid met petjes en maskers en blazend op fluitjes, eerst de gang opgereden om de mensen die bedlegerig waren toch ook even van de zotskapsfeer te laten snuiven.

Wat ook tof was is het feit dat iedereen elkaar hielp. We hebben dikwijls wat afgelachen. Een tetra (heeft verlammingen aan de vier ledematen) die stuntelig een lotgenoot hielp, iemand met één been die rondhuppelde om ons van drank te voorzien et cetera... Veelal was de situatie gewoonweg hilarisch! En leerde die ons ook meteen onze handicaps relativeren.

Gelukkigerwijze voor degene die het te beurt viel, maar minder plezant voor de achterblijvers, bereikte er af te toe iemand het einde van zijn of haar revalidatie en dunde ons groepje derhalve geleidelijk aan uit.

Zo zaten we op een zekere avond nog slechts met twee man, beide tetraplegiekers, bij de televisie Met voor ons, op tafel, een fles wijn, een opener, enkele plastic bekertjes, een blok vacuüm verpakte kaas en een mes. We waren wachtend tot iemand met wat méér handfunctie dan wij hebben, ons zou komen vervoegen. Om de fles te ontkurken, de wijn in de bekertjes te schenken en de kaas uit zijn verpakking te halen en in blokjes te snijden. Maar er kwam niemand opdagen.

Uiteraard hadden we iemand van de verpleging kunnen vragen om ons te helpen, maar dat was tegen de geest van zelfredzaamheid, die bij die avonden hoorde. We hebben dan maar, zo goed en kwaad als het ging, die spullen op mijn schoot gelegd en zijn naar onze kamers gereden. Dit was meteen ook het einde van de "Gezellig Samenzijn" reeks.

Die maat van me heeft trouwens ooit eens iets voorgehad na zo een feestje. De arme man zat er een beetje door die dag. Mentaal bedoel ik dus. Het ging al een tijdje niet goed met zijn therapie, hij zat ongemakkelijk in zijn stoel en hij had ook nog wel wat andere ongemakken. Was een beetje neerslachtig dus. Niet ongewoon. Je zou voor minder.

Allicht uit ervaring beter wetend, maar waarschijnlijk toch hopend dat dit hem wat zou oppeppen, had hij zich nogal tegoed gedaan aan alcoholische dranken. Vooral bier (pils) en wijn, meen ik mij te herinneren. Hij begon wat te roepen en met zijn armen te slaan, waarbij enkele bekertjes met drank op de grond belandden. De meest mobielen onder ons ruimden dat onmiddellijk op, terwijl we tevens mijn gabber trachten te kalmeren. Alhoewel ik toen dacht, en nog steeds van mening ben, dat een emotionele ontlading, zoals die zich nu bij hem voordeed, best naderhand een rustgevend effect kon hebben.

De nachtzusters hadden het tumult gehoord en kwamen kijken wat er aan de hand was. In plaats van hem even te laten betijen, wilden ze mijn vriend perse naar zijn kamer brengen. Desnoods hardhandig en tegen zijn zin. Ze trachtten de remmen van zijn rolstoel los te zetten, zodat ze met hem konden wegrijden, maar hij sloeg naar hen met zijn handen en liet daar bovenop zijn tanden zien en waarschuwde hen dat, als ze hem niet met rust zouden laten, hij hen zou bijten! Wat hij ook probeerde toen ze, zijn waarschuwing in de wind slaand, toch probeerden zijn rolstoel, met hem erin uiteraard, richting gang te duwen. Hilariteit alom! Allemaal toch in min of meerdere mate enigszins door geestrijke drank beneveld, genoten we van het schouwspel van een happende patiënt en twee krijsende verpleegsters. Uiteindelijk heb ik hem toch tot aan zijn kamer mogen begeleiden en konden de verpleegkundigen hem zonder verdere problemen in bed stoppen.

De volgende maandag hoorde ik dat er, omwille van het voorval met mijn maat enkele avonden voordien,  in spoed een multidisciplinair team was bijeengeroepen. Dat bestaat normaliter uit het diensthoofd, de revalidatiearts, de hoofdverpleger, een kinesist, een ergotherapeut, de sociaal verpleegkundige en de psycholoog. Alhoewel ik me niet kan herinneren of ze in dit geval ook effectief allemaal aanwezig waren; ik vermoed van niet.

Ik dacht: "Da's fijn. Ze gaan mijn vriend zijn problemen nu eindelijk eens ernstig, en zelfs in groep, bekijken en aanpakken" en was oprecht blij voor de man. Dus toen ik hem later die voormiddag het vergaderlokaal zag uitrijden zoefde ik onmiddellijk zijn richting uit, om met een brede grijns op mijn gezicht te vragen: "En, alles uitgeklaard? Gaan ze een aangepast programma voor je opstellen en de problemen met je stoel oplossen?" Waarop mijn maat meesmuilend antwoordde: "Jij gelooft zeker ook nog in sprookjes? Ze hebben me gewoon simpelweg gezegd dat, als ik me nog eens misdraag, ik aan de deur zal worden gezet. Op staande voet!" Een verlamde! Hoe gingen ze dat doen?

Ru(sh)di(e) 7 februari 2003 (revisie op 5 april 2009)

09-04-09

Belevenissen in het UZ, het zevende deel

 

Gaston. Een heel goedhartig en genereus mens. Stond steeds klaar om eenieder te helpen. Maar was spijtig genoeg enorm, en zodoende irritant, opdringerig en betweterig en daardoor bij veel patiënten en personeelsleden ongeliefd. Maar ikzelf kon best met hem opschieten.

Hij vergezelde me 's avonds nogal dikwijls naar het restaurant op de hoogste verdieping van het hoofdgebouw. Zo ook die dag. Gaston hield enorm van koude schotels met préparé. Toen we in het zelfbedieningsrestaurant aankwamen ging hij dan ook onmiddellijk kijken of er nog een bord met zijn favoriete kost te vinden was.

En ja hoor, nog ééntje! Gaston graaide het snel uit de toonkast, net op een moment dat een andere patiënte die ook in 'ons' kliniekgebouw verbleef, vergezeld van haar echtgenoot, de ruimte kwam ingereden. "Hahaha" lachte Gaston. "Lekker te laat! Ik heb de laatste met smakelijke préparé te pakken!" onderwijl zwaaiend met dat bord waarop, onder een transparante vershoudfolie, iets lag dat er niet echt vers meer uit zag.

Die dame en haar man maalden er niet om en keken, net zoals ik, de toonkasten in om hun avondmaal te selecteren. Maar de keuze was die avond uiterst beperkt. Terwijl Gaston nog steeds grinnikte en wij somber naar het aanbod koude schotels staarden, kwam de serveuse van achter haar kassa vandaan en rolde ze even later een rekje naar ons toe, gevuld met versgemaakte schotels... préparé!

En terwijl Gaston enkele minuten later, voor een eerste hapje, zijn vork plaatste in zijn verkleurde preparé, met een garnituur van enigszins verschraalde groenten, keken wij grinnikend toe boven onze lekkere, uiterst verse schotel.

Toen er met de vereniging van plegici, waarover ik ongetwijfeld reeds eerder melding maakte, een bioscoopavondje werd gepland, troonde ik mijn medepatiënten mee richting computerhoek in de gemeenschappelijke ruimte, om op de website van het bioscoopcomplex waar we heen hingen, te bezien welke films er die week speelden.

Er draaide die week een actieprent die net de week ervoor in première was gegaan en, zeker na het bekijken van de trailer, velen van ons wel aansprak. Ook Gaston zag het wel zitten om samen met ons die film te zien.

Niemand van ons groepje werd echter aangetrokken door de idee om met een voortdurend zeurende en stomme opmerkingen makende Gaston in één zaal naar een film te gaan kijken. Er werd dus bekonkeld Gaston te laten geloven dat we allen die actiefilm hadden uitgekozen, terwijl we dan uiteindelijk naar iets anders zouden gaan kijken.

De avond van het cinemabezoek waren we tijdig ter plaatse en, omdat we er niet echt waren uitgekomen welke prent we nu wilden zien, bekeken we nog eens het aanbod in de etalages aan de ingang van het bioscoopcomplex. Echter niet Gaston. Die bleef bij zijn eerder gemaakte keuze. Bleek weliswaar dat ze die film, op de dag en het uur dat wij aanwezig waren, niet draaiden!

Gaston vloekte eens en besliste dan maar om niet naar de film te gaan. We voelden ons allen enorm schuldig en trachtten hem te overtuigen een andere film te kiezen. Maar neen, Gaston zei uitsluitend naar de bioscoop te zijn meegegaan om die specifieke film te zien. Het was die of niks. Het werd dus niks! Dat wij maar naar de zaal gingen. Hij zou middelerwijl wel iets gaan drinken. En zo geschiedde.

Op het einde van mijn verblijfsperiode in het R.C. gingen we een keer op een zaterdag, met alweer dezelfde vereniging, gaan strandzeilen aan de Vlaamse Noordzeekust. Ik ging, op vraag van twee dames, dus onmogelijk te weigeren, mee als gezelschapsheer. Zeilen zou voor mij immers niet mogelijk zijn wegens té gehandicapt. Gaston wou wel zeilen, maar iemand gaf hem een later vertrekuur op, zodat hij de bus zou missen. En, inderdaad, op het voorziene tijdstip van vertrek was Gaston in géén velden of wegen te bespeuren. En zéker niet aan de opstapplaats. Dus vertrokken we zonder hem.

Achteraf bekeken lijkt dit schandalig, maar ik heb een verschoningsgrond. We hadden eindelijk eens de kans om uit de sleur van alledag te komen, en dan dreigde dat uitje te worden verstoord door iemand die gegarandeerd een ganse dag ononderbroken, monotoon betweterig gelul op ons zou afvuren. We werden dus eigenlijk gewoonweg gedwongen tot het nemen van dergelijke drastische maatregel.

Toch voelden we ons enigszins onbehaaglijk. Dus belde één van ons vanuit het busje, naar het centrum, om te horen waar Gaston uitging. Die bleek echter inmiddels reeds in de richting van het café tegenover de ingang van het kliniekcomplex te zijn getrokken. Héél zeker niet om zich te bezatten, want Gaston dronk niks waar alcohol in zat. Waarschijnlijk op zoek naar een gesprekpartner dus.

Bij gebrek aan zelfs een klein zuchtje wind, werd het strandzeilen uiteindelijk een strandwandeling, met daarna een etentje in een restaurant op de zeedijk. Ook best gezellig, en eigenlijk leuker voor mij. Want zo was ik de ganse dag bij de hele bende, terwijl ik anders van op afstand naar de capriolen van de anderen had moeten kijken.

Naderhand lachte Gaston ons uit omdat we zo ver waren gereden om uiteindelijk slechts een wandelingetje te maken. Hij hield zich stoer en vermeed gezichtsverlies door te vertellen dat hij had aangevoeld dat er géén wind zou zijn en bijgevolg zelf had beslist niet mee te rijden. En wij vonden het best zo.

Ru(sh)di(e), 9 februari 2003 (revisie op 5 april 2009)

31-03-09

Belevenissen in het UZ, het vijfde deel

 

Als resident van het revalidatiecentrum waar ik verbleef, kliniekgebouw 7 (K7), werd ons de mogelijkheid geboden om het avondmaal te nuttigen in het restaurant van het hoofdgebouw, K12, veertien hoog, en met een prachtig uitzicht over het ganse terrein en zelfs een deel van Gent en (bij helder weer) zijn wijde omgeving.

Meestal was er een warm gerecht, met, tijdens de week, als alternatief een koude schotel. Aangezien ik na verloop van tijd de 's middag in het centrum aangeboden warme maaltijden meer dan beu was en dus meestal niet eens de moeite nam om zelfs maar het deksel van mijn plateau te lichten, maakte ik dankbaar gebruik van dit alternatief en reed nagenoeg elke avond richting kliniekgebouw K12. Liefst in het gezelschap van anderen, want alleen is maar alleen.

Die dag had ik als gezellen een bevallige jongedame, laat ik haar Anneleen noemen, en een man, voor dit verhaal Gaston genoemd, zich beiden voort verplaatsend in een mechanische rolstoel.

Gezien het feit dat er geen regen viel te bespeuren en het bovendien vrij warm weer was, besloten we niet via de keldergangen te rijden, maar langs buiten.

Op het gelijkvloers van kliniekgebouw 12 namen we de directe lift, richting 14de etage.

Als naar gewoonte reed ik achterwaarts de lift in. Charmante Anneleen volgde mijn voorbeeld en kwam met haar karretje naast me staan. Eigenzinnige Gaston daarentegen reeds voorwaarts naar binnen. De schuifdeur sloot zich automatisch achter hem.

Toen we op het veertiende waren gearriveerd zei Gaston: "We zijn er! Komaan, volg mij!", waarop hij fors aan zijn hoepels sleurde, waarschijnlijk met de bedoeling gezwind uit de ascenseur te rijden, maar in plaats daarvan lag hij twee tellen later met stoel en al op zijn rug.

Anneleen en ik keken elkaar verschrikt aan en reden terstond de lift uit om te zien wat we voor Gaston konden doen. Ik stelde voor aan Gaston, die zich inmiddels uit zijn rolstoel had laten rollen, om in het restaurant hulp te gaan halen en maande hem aan inmiddels gewoon te blijven liggen.

Daar had Gaston echter geen oren naar. Op mijn bezorgde vraag of hij geen pijn had, antwoordde hij: "Alles in orde! Niks aan de hand." En trok vervolgens wild zijn rolstoel tot bij zich en terug recht en trachtte er terug in te geraken. Met een air van 'ik heb dit hier volkomen onder controle', maar visueel wel op een erg onbeholpen manier.

De tevredenheid en opluchting dat alles oké was met Gaston, gecombineerd met de show die hij nu opvoerde, activeerde onze lachspieren. Anneleen en ik begonnen onbedaarlijk te lachen.

Er kwamen enkele mensen uit de lift. Die wilden Gaston in eerste instantie helpen. Tot ze zijn eigenlijk totaal ongepaste, stoere houding, vaststelden. Toen keken ze naar een lachende Anneleen en mij, gniffelden, om vervolgens Gaston op zichzelf verder te laten stuntelen. Wat er voor zorgde dat wij nog harder lachten en andere passanten ook lachend het schouwspel aanzagen en daarna hun weg vervolgden. Een ontzettend komisch tafereel.

Anneleen en ik zaten werkelijk in een deuk van het lachen. Dit sloeg werkelijk alles. Er wordt aan rolstoelers aangeleerd hoe ze, zonder hulp, vlot terug in hun stoel kunnen komen na dergelijk voorval. Maar wat Gaston aan het doen was leek meer op een opname van een sketch voor een komische film of een passage uit een Tv-programma met verborgen camera.

Toen onze gabber eindelijk in zijn rolstoel was aanbeland, en wij even later van eten voorzien aan tafel zaten, en Gaston hadden uitgelegd hoe grappig de ganse vertoning was geweest, hebben we alle drie samen nog eens hartelijk gelachen om het voorval.

Ter wille van de bezorgde lezers: Gaston heeft aan dit gebeuren niks overgehouden dat hij niet reeds vooraf had. Die enkele blauwe plekken waren na een goeie week verdwenen.

Met Gaston heb ik trouwens ook nog andere avonturen beleefd. En het moet gezegd: hoewel nogal opdringerig en veelal niet door anderen begrepen, en soms ook niet door mij, was hij erg genereus en vol goede bedoelingen.

Ru(sh)di(e), 31 mei 2002 (revisie op 24 maart 2009)

23-03-09

Belevenissen in het UZ, het tweede deel

 

Op een zekere middag stonden we met enkele patiënten in de gang, toen we plots in het toilet iemand hoorden kreunen. Alert en hulpvaardig als we zijn, reed één van ons onmiddellijk richting verpleging met de melding dat er waarschijnlijk iemand in nood was.

Even later klopte een verpleegkundige op de WC- deur van waarachter het gekerm had weerklonken. Met daarbij de vraag of ze hulp kon bieden. Naar verluidt werd haar door een mannenstem verzekerd dat alles in orde was. Met deze melding stelde zij ook ons gerust en schouderophalend ging ze vervolgens terug aan het werk.

Terwijl de rest van ons gezelschap zich naar de oefenzaal repte, kon ik niet nalaten nog even in de buurt te blijven rondhangen. Luttele minuten later kwam uit de toiletten een koppeltje te voorschijn. Met een beetje een blozend gelaat, hun kledij fatsoenerend.

Het mafste verhaal dat ik ooit heb gehoord, is het volgende. Met Gaston, een medepatiënt uit het R.C. (RevalidatieCentrum), ging ik 's avonds regelmatig eten in het restaurant, gelegen op de 14de verdieping van kliniekgebouw K12. Die mogelijkheid werd ons geboden als alternatief voor het benutten van het avondmaal in de kale refter van het RC.

In het restaurant hadden we kennis gemaakt met twee patiënten, ook rolstoelers, die ieder op een verschillende afdeling en dus verdieping, van K12 verbleven, maar regelmatig samen naar boven kwamen om een sigaretje te roken en een pintje te drinken. Laat ik ze Walter en Alain noemen.

Op een zekere avond kwamen Gaston en ik eten in het restaurant. En zagen Walter daar zitten. Alleen. Ik vroeg hem waar zijn maat was. "Die hebben ze in zijn kamer gehouden" gaf hij als antwoord en begon vervolgens een amusant relaas te vertellen over wat zich die namiddag had afgespeeld.

Walter en Alain zaten samen op het 14de, toen een vriend van Alain ten tonele verscheen. Type schooier en duidelijk onder invloed van verdovende middelen. Na eerst een pint voor hun drieën te hebben gehaald, zette die kerel zich bij, en begon wat met Alain te praten. Walter hied zich discreet afzijdig.

Op zeker moment verdwenen Alain, zelf ook al een junk, en diens vriend, richting toiletten. Toen ze beiden even later terugkeerden was meteen duidelijk wat Walter reeds vermoedde: ze hadden een shot gezet.

Die spuit had Alain's vriend blijkbaar geen deugd gedaan want hij zag er nog beroerder uit dan toen hij in het restaurant arriveerde. Ze besloten om met zijn allen naar Alain's kamer te gaan. Diens kamergenoot werd die ochtend geopereerd en was nog niet terug.

Alain's kameraad voelde zich echt niet lekker en was moe. Waarop de eerst genoemde voorstelde aan de andere een tukje te doen in de zetel in diens kamer, terwijl hij met Walter in de taverne beneden nog een glas zou gaan drinken. Die kerel nam dat aanbod gretig aan en kroop in die fauteuil.

Toen Alain en Walter zowat anderhalf uur later terug op de afdeling verschenen, was er van de junkie geen spoor meer te bekennen. Alain's kamergenoot was terug, maar aan het slapen, dus kon die hen op dat moment geen informatie verstrekken. Kennelijk absoluut niet zinnens zich zorgen te maken over het lot van zijn gabber, veronderstelt Alain: "Allicht naar huis."

Niks van, echter. Want later bleek dat, toen Alain's kamergenoot terug naar zijn kamer werd gebracht, men had geprobeerd om die in de zetel slapende vriend wakker te maken, omdat de sofa waar hij in lag in de weg stond om dat bed naar zijn plaats te manoeuvreren. Toen dat niet lukte werd er een verpleegster bijgehaald, die op haar beurt een dokter ter hulp riep. Enfin, uiteindelijk hebben ze die man toch bij zijn positieven kunnen laten komen, onderzocht en overgebracht naar kliniekgebouw K13, psychiatrie. Mogelijks resideert hij daar nog steeds.

Een leuke vind ik zelf het verhaal van een patiënt die me zei dat hij, aan het begin van zijn adolescentie, een operatie had ondergaan - als ik mij goed herinner een liesbreuk - waarvoor een deel van zijn schaamhaar diende te worden weggeschoren. De charmante verpleegster die dat werkje zou uitvoeren had de assistentie van een knappe, jonge, uiterst lieve stagiaire.

Op aanwijzing van de verpleegkundige hield dat meisje die jongen zijn piemel in haar handpalm zodat eerstgenoemde probleemloos het haar op zijn onderbuik zou kunnen verwijderen. De warme meisjeshand veroorzaakte bij de jongeling echter een reactie die iets met hormonen heeft te maken. Enigszins verveelt om hetgeen gebeurde, maar ondanks alles toch ad rem genoeg om zich op een laconieke wijze uit deze situatie  te redden, zei die jongeman tegen de stagiaire: "Euh juffrouw, je mag je handje wel wegnemen hoor, hij kan nu niet meer vallen."

Ru(sh)di(e), 25 mei 2002  (revisie op 22 maart 2009)

21-03-09

De avonturen van Rudi & Co, een blijkbaar nooit eindigend vervolgverhaal

 

Gisteren zijn we uit eten geweest. 't Was weer in orde. We waren met negen. Dacht slim te zijn door me in het midden van de voor ons gereserveerde feesttafel te positioneren, met rechts van mij mijn echtgenote, want zonder haar hulp kan ik in een eethuis weinig uitvreten.

Maar geen avance. We werden ook nu weer het grootste deel van de avond door onze disgenoten straal genegeerd. Mijn echtgenote en ikzelf zaten daar - een beetje sullig - centraal, terwijl links en rechts van ons een - nogal eens van bezetting wisselend - trio en kwartet gezellig aan het keuvelen waren.

Het feit dat ik - ondanks het gebruik van hoorapparaatjes - zeker in een rumoerige omgeving, ontzettend slecht hoor, en bovendien met mijn log, omvangrijk vehikel dan ook nog eens een halve meter verder van de tafel zit verwijderd dan valide personen, maakte dat ik de conversaties totaal niet kon volgen, laat staan er actief aan deel te kunnen nemen. Slechts twee aangezetenen getroostten zich de moeite om een dialoog met me aan te gaan. Voor de rest van de avond was het een saaie bedoening. Voor mijn eega, die zelfs continue totaal voor lucht werd aanzien, en mezelf althans, want de anderen hadden enorm veel pret!

De avond begon trouwens al onder een slecht gesternte. Het regende, zodat ik de zowat drie kilometer tot aan de brasserie waar we hadden afgesproken, diende te overbruggen, weggedoken onder mijn regenmantel. Een door mijn mama gefabriceerd exemplaar, waarvoor een uit legerstock 'het Amerikaantje' aangekochte Duitse legerjas als basis diende. Bij aankomst aan de eetgelegenheid stelde ik ook nog vast dat ik vergeten was mijn wederhelft te vragen mijn schoeisel te wisselen. Dus zat ik daar in mijn zwarte rolstoel, gekleed in een zwarte broek en een donkergrijze trui, maar met witte sportschoenen aan mijn voeten in plaats van mijn zwarte lakschoenen.

Toen het hoofdgerecht werd aangebracht, door de patroon in hoogsteigen persoon nota bene, gebruikte die man een naar mijn maatstaven nogal taalonkundige uitdrukking. Hoewel ik in de stad waar ik woon heel wat gewoon ben, vond ik het eigenlijk een zelfs ronduit onbeschofte manier om te weten te komen aan wie de schotels met buitenmaatse garnalen dienden geserveerd te worden. De man zei namelijk: "Waar zijn de Gamba's?" Mijn irritatie ombuigend naar humor, zei ik: "Euh, in die borden op uw arm, mijnheer" en liet op deze uitspraak zelfs een glimlach volgen. Maar die kerel vond dat niet grappig.

Van aangepast bestek voor schaaldieren hadden ze in die veredelde snackbar blijkbaar ook nog niet gehoord en een schoteltje azijnwater om de vette vingers te reinigen na het gevecht met de schaaldieren, had men ook niet voorzien. Op vraag van een tafelgenoot met eenzelfde hoofdgerecht werden uiteindelijk dan toch vochtige doekjes gebracht.

De gegrilde reuzengarnalen waren trouwens uitermate lekker, en de erbij geserveerde saus uitmuntend. Maar dat mocht ook wel na de totaal smaakloze Schotse zalm van het voorgerecht.

Dan was mijn vorige etentje - zowat een maand geleden - toch wel een heel stuk beter geslaagd. Bij de Chinees in onze straat was dat. Samen met mijn echtgenote en een bevriend koppel. Behalve het feit dat ik een deel van een muurtje in de (voor mijn vehikel veel te smalle) gang naar het toilet van het restaurant heb vernietigd, valt er over dat uitje trouwens niks wereldschokkends te melden.

We hebben wel veel lol gehad die avond. Door het ondermeer oprakelen van herinneringen aan gezamenlijke belevenissen. Onder het genot van een glas wijn. En naderhand ook iets met minder vocht en meer alcohol in.

Ik vertelde hen ook het relaas van die keer dat ik uit eten ging en enige tijd na het uitgebreide hoofdgerecht de kelner naar onze tafel riep en - met een uitgestreken gezicht - zei dat hij nu het hoofdgerecht wel mocht brengen. Die jongen stond toen als aan de grond genageld, en keek me aan met open mond. Waarop ik gauw zei: "grapje!", waarna hij terstond gerustgesteld glimlachte.

Waarop mijn tafelgenoot ons vertelde ooit eens samen met drie makkers in een eethuis spaghetti te hebben gegeten. Na het verorberen hiervan hadden ze echter alle vier nog steeds honger. Dus bestelden ze nogmaals hetzelfde. De serveerder ging met die bestelling naar zijn patroon. Die betrouwde het zaakje blijkbaar niet en kwam met de uitstraling van een donderwolk richting hun tafeltje. Met in zijn ene hand met het bestelbriefje zwaaiend, blafte hij: "Is dat hier om te lachen?" Waarop mijn vriend doodkalm: "Neen, helemaal niet, mijnheer. Om op te eten!"

Ru(sh)di(e), 24 november 2002 (revisie op 17 maart 2009)