16-06-12

Heden en verleden - Onwelkome ratten en andere muizenissen

       

Afgelopen zomer was ik, op een warme namiddag, gezeten in mijn elektrische rolstoel, rustig aan het plassen, op een plek voor mijn garage en rechts van mijn met klimop begroeide haag. Plots zag ik, voor de witte garagepoort, over de betontegels op de grond, iets razendsnel van rechts naar links bewegen. Nog net zag ik een grijs muisje ritselend verdwijnen door een gat in de klimophaag.

Muizen en ratten… ik hou niet van deze knaagdiertjes met hun lange staart. De reden daarvoor weet ik eigenlijk niet. Mogelijks is het omwille van hun enge voorkomen en hun kwalijke reputatie als ziekteverspreider. En vast ook omdat ze zo graag ongegeneerd en ongenood tuinhuisjes, berghokken, garages en zelfs woningen plachten binnen te dringen.

Al mijn confrontaties met die ongeliefde zoogdieren verhalen, zou meteen leiden tot een omslachtig boekwerk. Vandaar dat ik mij hier ga beperken tot enkele bijzondere ontmoetingen met deze gretig knagende plaagdieren. Die zowat overal opduiken waar eten aanwezig is.

Als kind zag ik vaak huismuizen en veldmuizen in de omgeving van ons huis en stallingen. Meer dan eens zelfs onze huisgevel opklimmend. Gelukkig hielden onze katten toen de aangroei van die muizenpopulatie onder controle. Door nogal dikwijls eentje te pakken te nemen en vervolgens lustig op te vreten. Alleen, of de buit delend met de eigen kroost of andere op onze hof verblijvende soortgenoten.

Spitsmuizen of dolletjes zoals wij die noemden, werden dan weer niet verorberd door onze huiskatten. Met deze diertjes speelden of dolden ze alleen maar wat. Deze insectenetende zoogdiertjes worden overigens dan wel muizen genoemd, ze zijn het niet!

Net zo min als mijn zus haar, als (buitens)huisdier gehouden steenratjes ratten waren. Cavia’s waren het. Maar ze plantten zich wel haast net zo snel voort als de bruine rat. De laatste kooi die mijn handige pa als verblijf voor die beestjes in elkaar had geknutseld, werd vele jaren na het heengaan van de laatste cavia, gebruikt als opslagplaats voor het stro waarvan regelmatig een vers deel in de schuilplaats werd gelegd van de twee vrouwtjeseenden, die in mijn ouders hun achtertuin een stukje afgebakend terrein bewoonden.

Op een zekere dag in het oogstseizoen had de boer, die eigenaar was van de akkers die gelegen waren naast mijn ouderlijke woonst, het graan dat er op werd geteeld, door loonwerkers laten maaidorsen. Waarna de op het land achtergebleven droge plantenstengels en uitgedorste aren door een andere machine werden bijeen geschraapt  en samengeperst tot rechthoekige strobalen.

Als naar gewoonte, en met instemming van de boer, raapte ik nadien de nog op het land achtergebleven resten stro bij elkaar. Toen ik, om mijn buit op te bergen, het deksel optilde van de kooi waarin voorheen de cavia’s huisden, schrok ik mij haast een ongeluk. Omdat ik daar, bovenin het opeengestapelde stro, een nest muizen aantrof. Die, als in koor, luid piepten toen het deksel was opgelicht. Van schrik liet ik het terstond los, waardoor het met een klap terug op zijn plaats kwam te liggen. Dat verzamelde stro heb ik die dag netjes in een zak naast die kooi gezet, want ik bleef toch liever uit de buurt van die kroostrijke muizenfamilie.

Later is het ook eens voorgevallen dat ik de eenden eten ging brengen en van op een afstand zag dat er precies een ander dier stond te eten aan het, een stukje boven de grond opgestelde en overdekte, voederbakje. Toen ik tot op een meter of vijf genaderd was, zag ik wie die maïsdief was: een grote bruine rat! Ze stond met haar achterpoten op de grond en de voorpoten in het zich zowat 10 centimeter boven de grond bevindende voederschaaltje. Het beest, met een heel lange staart, bleek helemaal niet bevreesd te zijn voor mij. Die perplex het schouwspel volgde. En pas terug in beweging kwam toen dat enge beest er uiteindelijk toch vandoor ging.

*****

Als kind ging ik vaak vissen. In de stilstaande waters van beken, vaarten en vijvers uit de buurt. En tevens in het getijdenwater van de in Nederland stromende Westerschelde. Van op heel jonge leeftijd trok ik mee met mijn vader. En later ging ik ook al eens alleen, of met kameraden. Normaliter visten wij, van op de oever, met de vaste hengelroede en/of de werphengel. Maar ik ben ook enkele keren met mijn pa gaan peuren. Dat is een speciale en tevens één van de oudste manieren voor het vangen van paling.

Een drijvend gemaakte afgeschreven paraplu, of zoals wij het deden, een rechthoekige bak met drie naar binnen geplooide wanden en aan één zijde verhoogd met een in een kader gevat net, wordt hierbij te water gelaten. En middels een oude hengelstok, tot op een vijftal meter van de oever gebracht. Daarnaast wordt een hengelroe gehouden, waar aan de top ervan een draad is bevestigd met een dikke dobber en aan het uiteinde een tros aaneengeregen regenwormen hangt. Die wordt verzwaard met lood. En waarvan het de bedoeling is dat deze de bodem net niet raakt. Waarna de geur van de wormen de paling moet aantrekken.

Op het moment dat je, door de beweging van je roe, of het ondergaan van de dobber, vermoed dat er een paling aan de pieren knabbelt, dien je met een vlugge, doch rustige beweging, de top van de hengelroe op te halen en de tros regenwormen zacht tegen de binnenkant van, al naargelang, het regenscherm of de netwand van de bak te kletsen. Zodanig dat de lustig wormen etende paling deze lost en in de paraplukom of bak valt. Die je vervolgens naar je toe trekt om de buit binnen te halen.

Het beste moment om deze activiteit uit te voeren is ’s nachts. Omdat aal het grootste deel van de dag op de bodem van het water ligt ingegraven en pas in de nachtelijke uren gaat jagen. Dus zaten wij daar dus in het donker aan de waterkant. Wachtend tot die palingen zouden toehappen. En de stilte van de nacht werd enkel verstoord door onze ademhaling en door het plonzen van muskusratten, die vanaf de oever het water indoken en met hun grote lijf en lange staart vlak voor onze voeten voorbij zwommen. Griezelig!

*****

Van iets minder lang geleden dateert het volgende voorval, dat plaatsvond in Afrika. Met mijn echtgenote was ik op rondreis in haar geboorteland. We bevonden ons op een gegeven moment in een dorpje aan de rand van de woestijn. In het lemen gebouwtje dat door moest gaan als restaurant, zaten we als enige klanten in het sober ingerichte etablissement. Op houten stoelen aan een houten tafeltje aten we het enige gerecht dat daar die dag verkrijgbaar was.

We waren in alle rust en stilte gemoedelijk en smakelijk aan het eten toen ik ineens, onder één van de andere tafeltjes in het vertrek, een gigantisch groot ogende, grijskleurige woestijnrat zag verschijnen. Het diertje slalomde ongehaast tussen de verschillende stoel- en tafelpoten van het meubilair in het eethuis. Vooraleer mijn echtgenote, die de rat ook had opgemerkt, en ikzelf, verbouwereerd onze mond konden openen om er iets over op te merken, was het beestje alweer door de openstaande deur naar buiten getrippeld. Geloof me vrij dat het eten ons daarna niet meer zo erg smaakte. En we spoedig afrekenden en die plek verlieten.

Later kwam ik te weten dat er hier in Europa, en mogelijk ook elders, mensen zijn die deze beestjes houden als huisdier. Omdat ze zo vriendelijk, nieuwsgierig, rustig en gemakkelijk in de omgang zijn. Dat heb ik gemerkt, ja!

*****

Toen ik nog maar pas een jaar of twee thuis was, na anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, heb ik, op eigen initiatief, een tijdlang logopedie gevolgd. Omdat ik door een verminderde long- en middenriffunctie minder krachtig kon praten. En met professionele hulp technieken wou aanleren om, uit mijn beperkte mogelijkheden, toch de maximale spraak- en zangcapaciteit te halen.

Op een zekere voormiddag waren wij, zoals dat vaak het geval was, aan het oefenen in de zitkamer van mijn woning. Mijn logopediste, gezeten op een stoel, met haar rug naar het groot terrasvenster gericht. En ik tegenover haar, gezeten in mijn onafscheidelijke elektrische rolstoel. Terwijl ik bezig was met een door haar voorgedane oefening te herhalen, zag ik buiten een vrij grote bruine rat over ons verhard tuinpad lopen. Mijn adem stokte even en een zachte rilling ging door mijn lijf. Mijn logopediste merkte dat uiteraard. En vroeg me wat er aan de hand was. Wijselijk verzweeg ik wat ik net had gezien. Ik wou immers niet het minste risico lopen dat ze niet meer zou komen, omwille van de aanwezigheid van dat ongedierte op mijn hof.

*****

Een maand of twee later zat ik, zoals ik op zomerse dagen nogal eens placht te doen, bij valavond voor de openstaande deur in de inkomhal, een boek te lezen. Van licht voorzien door de maan, de straatlantaarns die de rijweg verlichten en de in de hal hangende gloeilamp. Plots dook er uit de duisternis een bruine rat op die zich, onder mijn, op de steunen van mijn rolstoel geplaatste voeten door, in de richting van het voor ons huis aangelegde vijvertje voortbewoog, Alwaar het beest, vanaf de rand, met een plons het water indook. En even later met de kop weer boven kwam. Om rustig, lustig en ongegeneerd te beginnen eten van het zich dobberend in een drijvende ring bevindende visvoer.

Ru(sh)di(e), 19 december 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

05-04-11

De avonturen van Rudi & Co - Alweer voorbij

De feesten in mijn woonplaats zijn weer achter de rug. Ze zijn GOED geweest, ondanks het bij tijden mindere, soms zelfs barslechte weer, toen regen, wind en koude deels de pret verstoorden. Maar dat wisselend weer zijn we gewoon in dit land en zeker in de eerste week van augustus. Het zorgt ervoor dat er voor ons, feestgangers, steeds een gespreksonderwerp is op momenten dat we bekenden tegenkomen in de feestende massa..

Er was ook nog een andere spelbreker, maar dan wel enkel voor mij persoonlijk. Sinds enkele jaren is er omstreeks dit moment van het jaar wel altijd iets mis met mijn rolstoel: een defecte stuurinrichting of niet functionerende batterijen. Dit jaar was er reeds net voor de aanvang van de feesten iets mis met het ROHO luchtkussen, waar mijn zitvlak de ganse dag mijn lichaam op laat rusten. Een lek in één van de noppen. Herstellen zag ik niet onmiddellijk zitten, en achtte ik tevens niet echt urgent, want ik had immers een spiksplinternieuw reservekussen ter mijner beschikking.

Zo eenvoudig als de oplossing leek, zo moeilijk bleek ze uiteindelijk te zijn. Het lukte me maar niet om zonder pijn op dat nieuwe kussen te zitten. Lucht uitlaten, lucht toevoegen… het bracht allemaal geen soelaas. Waardoor ik de eerste feestdagen ontzettend veel pijn aan mijn poep diende te doorstaan.

Omdat pijn verbijten reeds sinds meer dan de helft van mijn leven er een ongewenst deel van uitmaakt, ben ik op dat vlak wel wat gewoon. Maar dit ging me toch wat te ver, zodat ik een alternatief zocht. En dit vond in mijn allereerste luchtkussen dat ik uit de kelder naar boven liet halen en in mijn rolstoel leggen. Samen met een harde mousse, om gans de zitoppervlakte van mijn stoel gevuld te krijgen,

Een lapmiddel dat me gelukkig een gunstig resultaat opleverde. Waardoor ik de resterende feestdagen kon doorbrengen met veel minder pijn en nog meer plezier.

In één stad, tien dagen lang, op drie locaties, mensen, muziek, drank en eten. Wat kan een mens nog meer wensen? Ik weet het! Ze zouden potverdorie al die feesten NA ELKAAR moeten laten doorgaan, in plaats van alle drie gelijktijdig. Dan zouden we immers nooit moeten kiezen waar die avond heen te gaan en konden we onze feestenroes een ganse maand laten duren!

Mijn abonnement voor de Lokerse Feesten deelde ik met mijn zoons, want sommige avondprogramma’s spraken hen meer aan dan mij. Bovendien diende ik, als steeds, rekening te houden met het feit dat ik ook nog moest zien in bed te geraken. Waardoor mijn uur van thuiskomst in belangrijke mate werd bepaald door de mogelijkheden en bereidwilligheid van mijn verpleger, verpleegster en echtgenote.

De Polifonics heb ik dit jaar een beetje links laten liggen. Hun muziekaanbod, nochtans goed, kon ook dit jaar, voor wat mij persoonlijk betreft, dat van het aangebodene op de twee pleinen, niet overtreffen. Een keer of twee, drie ben ik er de sfeer gaan opsnuiven. En die zat goed in de gigantische, in het stadspark opgestelde, aan de zijkanten open tent. En als ik ’s avonds al eens wat vroeger huiswaarts keerde, dat kon ik op mijn rijroute langs de rivier De Durme, ook even meegenieten van de muzikale geluiden die aan de overkant van het water, op het heel wat kleinere podium in het park, werden ten gehore gebracht.

Mijn favoriet is nog steeds de Fonnefeesten. Gezelligheid troef op dit plein. Het enige nadeel is dat zij aldaar in glazen geschonken drank aanbieden. Aangenamer en smaakvoller om drinken dan uit een plastieken bekertje of flesje, zoals op de Lokerse Feesten. Maar voor mij betekent dit een groot gevaar, wegens de niet te onderschatten kans om één van mijn vier luchtbanden lek te rijden op glasscherven. Want het valt uiteraard niet te vermijden dat er in de loop van de avond en nacht al eens een glas tegen de vlakte gaat. Bij het verlaten van het terrein uiterst geconcentreerd alle gevaarlijke stukjes op de grond vermijden was dus steeds een vereiste. Want scherven brengen mij geenszins geluk.

Naast de ten gehore gebrachte muziek op de podia en de ten tonele gebrachte acts en lichtshows, heb ik ook enorm genoten van het aanschouwen van het schoon volk dat zich gedurende de 10-daagse door de straten en over de pleinen van Lokeren voortbewoog, de zitbanken, terrasjes en elke vrije plek op de grond bevolkte en de op het marktplein opgestelde kermis frequenteerde.

De kindernamiddagen waren wederom een succes. Mijn bijna 14-jarige tweeling kreeg ik er uiteraard niet meer mee naartoe. Zij behoren trouwens ook niet meer tot de doelgroep. Toch ben ik zelf gaan kijken en heb op woensdagnamiddag op de Oude Vismijn genoten van het optreden van de Jeuk Liveband met Jan Pladijs. Een wervelende show met een continue interactie met het jonge publiek. Dat gelukkig gespaard bleef van regen. Wat de daaropvolgende zaterdag niet het geval was bij het optreden van de Ketnet Band, die in de namiddag optrad op de Grote Kaai. Voor een massa kinderen en hun ouders. Bij het inzetten van de bisnummers begon het water met bakken uit de hemel te vallen. Zij die vooruitziend waren en regenkledij en paraplu’s meebrachten, konden blijven staan. De anderen, waaronder ik, zochten een plekje om te schuilen.

Op het vlak van toegankelijkheid was er zo goed als niks veranderd. Op het festivalterrein van de Lokerse Feesten stond, net aan de ingang en toiletten, een verhoogd balkon opgesteld voor rolstoelers en mensen die slecht te been zijn. Het voordeel van zo een verhoog is dat, uitsluitend als er voldoende ruimte vrij is, je gezel op een stoel naast je plaats mag nemen. Wat aangenaam is wegens het op ongeveer dezelfde ooghoogte zijn, wat bovendien het met elkaar communiceren gemakkelijker maakt. Je hebt tevens, over de hoofden van de andere aanwezigen heen; een vrij zicht op het podium aan de andere kant van het festivalterrein en op de videowand ernaast.

Nadelen bij de opstelling in Lokeren zijn de verre afstand van het podium, de plaatsing vlakbij de in- en uitgang, net achter de looproute naar de toiletten en onder een balkon waar keuvelende groepjes mensen je, zonder twijfel ongewild, storen in je betrachting uitsluitend te genieten van hetgeen er op en voor het grote podium gebeurt.

Ten gevolge van die factoren voel je je op geen enkel moment opgenomen in de groep van enthousiaste festivalgangers voor het podium. Wat voor mij nochtans wel van essentieel belang is om ten volle van een dergelijke evenement te kunnen genieten. Bovendien wordt ik tijdens het tussen de meute staan, vaak aangesproken door voordien voor mij onbekende individuen. Dat verbroederen en verzusteren, daar hou ik wel van. Toegegeven, mijn gesprekspartners hebben doorgaans te diep in het glas gekeken. Maar ik ben het intussen gewoon dat men eerst een glaasje op moet hebben vooraleer het woord tegen mij te durven richten. Daar zal mijn afschrikwekkend uiterlijk wel voor iets tussen zitten zeker?!

Maar toen ik dan toch eens op dat platform plaatsnam, om mijn vrouw te plezieren met een zitplaats en uitzicht op de activiteiten op het podium, nam ik mij de vrijheid ongegeneerd te lonken naar het op het terrein rondkuierend schoon volk. En dat was er in groten getale. Eigenlijk was het wel leuk om de mensen eens vanuit de hoogte, ergo een ander perspectief te bezien. Want meestal krijg ik voornamelijk zitvlakken en onderruggen te zien.

Een grappig schouwspel speelde zich af voor mijn voor dergelijke situaties heel opmerkzaam, blauwe kijkerpaar, toen er zich op een gegeven moment een jongedame voortbewoog vlak voor het verhoog. Met het welgevormde zongebruinde lichaam in een ultrakort strak zittend zwart kleedje gestoken, Het meisje kwam van de toilettenblok aan,mijn rechterkant en begaf zich, evenwijdig stappend met het verhoog, in de richting van de mensenmassa links van mij.

Bij elke stap die de deerne zette, schoof haar kleedje vijf centimeter naar omhoog. Maar ze bleek een geoefende korte kledijdraagster te zijn. Want telkens het kledingstuk opschoof, trok ze het met beide handen snel weer naar beneden. Op die goeie vijftien meter dat mijn ogen de dame volgden gebeurde dit wel een keer of twintig. Komisch om te zien!

Dat, terwijl mijn echtgenote ons iets te eten was gaan halen, de mensen van Intro, die het verhoog bevolkten, haar stoel wilden wegnemen, omdat zij zinnes waren er vandoor te gaan, vond ik minder geestig. Die mensen waren verbaast dat ik ook nog het optreden van middernacht wou uitzien, dat toen nog bezig was.

Uiteindelijk is één van hen gebleven tot ik veilig het verhoog heb verlaten. De sleutel van het daar vlakbij, goed in het oog springend blauwe invalidentoilet zou hij overdragen aan de toiletdame van de validentoiletten. Dat ik daar toch geen gebruik van zou maken wegens te klein voor mij en mijn machine, hield ik maar voor mij. Vorig jaar heb ik dit al aan de organisatoren gemeld en beloofden ze mij voor de volgende editie uit te kijken naar een groter exemplaar. Niet gedaan of niet gevonden? Enkel zij weten het!

Op het terrein van de Fonnefeesten hadden ze, na een opmerking erover door mij, vorig jaar, naast de toiletblok, een extra scherm geplaatst, waarachter rolstoelers desgewenst, onttrokken aan de blikken van passanten, hun plasje konden doen. Een noodfaciliteit, want op die plek geraken zou nogal veel gedoe vragen, en daar hou ik helemaal niet van. Net zoals de meeste mensen doe ik pissen en kakken liefst zo discreet mogelijk. Dit jaar heb ik problemen dienaangaande vermeden door na de middag niet meer te drinken en, vooraleer naar het centrum te vertrekken, om een uur of zeven, thuis nog even mijn blaas te ledigen.

Voor mensen als ik zal het wel altijd behelpen blijven op activiteiten en evenementen zoals deze. En steeds ten strijde trekken om beterschap te bekomen voor mezelf en lotgenoten, dat heb ik inmiddels afgeleerd. Ik berust erin dat er een globale maatschappelijke mentaliteitswijziging moet komen, maar dat er allicht nog minstens één generatie overheen zal gaan vooraleer die er is. Eventuele ongenoegens ventileer ik inmiddels via deze blog… sorry, lieve lezers.

Mijn weblog die trouwens begin augustus (2010), in alle stilte haar derde jaargang is ingegaan. Mensen, wat gaat de tijd toch snel. Zo snel zelfs dat ik in de stukje bijna vergat te melden welke groepen mijn toppers waren.

Het waren dit jaar absoluut niet de grote namen met een gigantische show die me het meest hebben bekoord, maar ik heb vooral genoten van ‘Nevermind Nessie’ een deelnemer aan, maar niet de winnaar, van het Fonne Rockconcours en de groepen ‘Absynth Minded’ en ‘Daan’, die beiden op de Lokerse Feesten een dag de openingsact verzorgden. Met verve!

Eerlijkheidsgetrouw dien ik te bekennen dat, wat Daan betreft, ik in tegenstelling tot de grote schare vrouwelijke fans, die vooral vallen voor de uitstraling van de man naar wie de band is genoemd, die trouwens enkel bij live optredens uit meerdere muzikanten bestaat, ik vooral gecharmeerd ben door het drumwerk en de zang van bandlid Isolde Lasoen.

Uiteindelijk heb ik, op 10 dagen tijd, na de gesmaakte feestelijke start met De Pré historie Live op de eerste vrijdagavond, toch minstens 20 optredens gezien en van enkele dj-sets genoten.

En met het stipt op het afgesproken tijdstip van 22u00, tussen de twee Durmebruggen afgestoken vuurwerk, werd zondag jongstleden een spetterend, knallend en kleurrijk startsignaal gegeven voor het ingaan van de laatste feestnacht. Die ook ik zo lang mogelijk wou laten duren, zodat er van veel slapen geen sprake was. Het aftellen tot de volgende editie kan beginnen.

Ru(sh)di(e), 12 augustus 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 30 maart 2011.

18-05-10

Belevenissen in het UZ – Liftperikelen in het UZ

      

Toen ik, in de zomer van 2000, pas in de revalidatiekliniek, het RC genoemd, was gearriveerd, keek ik wel mijn ogen uit. Van een ex-kamergenoot op de verpleegafdeling neurochirurgie, die al eerder naar het RC was getransfereerd, maar zo nu en dan nog eens terug kwam, had ik nochtans vooraf wel al te horen gekregen waar ik me aan kon verwachten.

Nogal wat mensen met een tetraplegie, dus verlamming van ondermeer de vier ledematen. Tevens een aantal personen met een paraplegie, zijnde verlamd aan de onderste ledematen. En voorts iemand met een hemiplegie, dus halfzijdig verlamd, en voorts enkele individuen die één of meerdere ledematen misten of althans een deel ervan.

Een bont allegaartje fysiek beperkte personen dus. Waarvan de meeste onder hen zich verplaatsten met gebruik van één of twee krukken, een wandelrekje of middels een rolstoel. Manueel of elektrisch. Enkele mannen waren daar evenwel nog niet aan toe en werden in hun kamer van bed naar massagetafel getransfereerd en al liggend naar de oefenzaal verplaatst.

Allen samen zouden zij de eerstvolgende tijd, die ik zo kort als mogelijk wou houden, een belangrijk deel uitmaken van mijn leefwereld. Ondanks de voorafgaandelijk verkregen informatie en spijts het feit dat ik zestien jaar eerder ook al eens een half jaar op die plek verbleef, was het toch even wennen.

De eerste keer dat ik mijn kamer werd uitgerold, gezeten in een zwartkleurige manuele rolstoel, die ik reeds op de verpleegafdeling op eigen dwingend verzoek had ter beschikking gekregen, zag ik bij het passeren van de ontspanningsruimte een vent zitten die zo uit een humoristische sketch kon zijn geplukt!

De al iets oudere heer, zat in een compacte elektrische rolstoel, met grote wielen achteraan, en iets kleinere vooraan. Met één van zijn armen in witte plaaster gestoken en, ter hoogte van de schouder, gestrekt naar voren gericht. En op die plaats en in die positie gehouden door een constructie met dunne, doch stevige metalen waterleidingsbuizen.

Dit kon toch niet echt zijn? Zulke constructies werden toch enkel in humorfilmpjes gebruikt? Het bleek evenwel geen frats te zijn. Enkele dagen later kreeg ik van de man in kwestie, die ik hier gemakshalve Jozef zal noemen, te horen, dat hij enkele maanden daarvoor, zittend in zijn auto, na een hoofdbeweging, ineens zijn lichaam niet meer kon verroeren. Waarschijnlijk ten gevolge van een bloedklonter die zich plots, ter hoogte van de nekwervels, in het ruggenmerg had vastgezet.

Zo was Jozef dus verlamd geworden aan de vier ledematen. Om zijn grotendeels willoze armen en handen toch nog enige functionaliteit te geven, zou hij een aantal heelkundige ingrepen ondergaan waarbij ondermeer pezen werden verplaatst, verkort en/of verlengd. En ik meen mij te herinneren dat die lachwekkende lichaamspositie waarin Jozef zich tijdelijk verplaatste, onderdeel was van de helingprocedure na één van die medisch-technische operaties.

Van Jozef, die helaas inmiddels reeds sinds enkele jaren is overleden, herinner ik me trouwens een incident waarin de brave man de hoofdrol speelt.

Omdat hij zelf niet op de knop kon drukken om de kokerlift aan de vragen of de automatische deuren er van te openen, diende de brave man, zo hij op dat moment de enige wachtende potentiële liftgebruiker was, steeds iemand aan te spreken om op de knop te drukken. En eens in de liftcabine, ook op de knop te drukken van de etage waar hij heen wou. Het gelijkvloers, de kelder of de eerste verdieping.

Waarna de vriendelijke helper of helpster vlug de kooi uitsprong. Want aangezien Jozef achterwaarts de lift inreed, kon hij immers, eens aangekomen op de juiste hoogte, zonder de hulp van derden, probleemloos, en zonder tegen iets of iemand aan te botsen, door de elektrische schuifdeuren, de lift uitrijden.

Nu was die lift al een sinds een jaar of dertig geïnstalleerd en begon deze ouderdomsverschijnselen te vertonen en slijtageproblemen. Waardoor hij regelmatig dienst weigerde. En iedereen diende gebruik te maken van de tweede in het gebouw aanwezige lift. Die overigens veel kleiner was dan het andere exemplaar.

Tot de gespecialiseerde herstelploeg ter plaatse kwam. Wat meestal vrij snel gebeurde. Tenminste als die, via de noodtelefoon in de liftkooi of anders telefonisch door iemand van de verpleging, paramedici, kuisploeg, refterdames... van het euvel op de hoogte werden gebracht.

Wat niet gebeurde op het moment dat de lift kwam vast te zitten met enkel en alleen Jozef erin. Want de man kon telefonisch geen alarm slaan omdat hij fysisch niet in staat was om de noodhoorn vast te nemen. En elke andere persoon die de lift wou nemen, ineens doorstapte of doorreed naar de volgende lift.

Tot er dan toch iemand dromerig en geduldig op de lift wachtte waarin Jozef vastzat. Geen notie nemend van de rode indicator die een panne aanduidt. De lift kwam niet, maar de met een goed gehoor behepte dromer hoorde wel het flauwe hulpgeroep van Jozef. De verlamming had immers ook de werking van 's man spier en pees van het middenrif aangetast. Wat dan weer een invloed had op Jozef zijn longwerking en ergo de onmogelijkheid veroorzaakte om luid te praten, laat staan te roepen. Uiteindelijk is Jozef, na minstens een half uur eenzaam opgesloten te hebben gezeten, na een dringend ingrijpen van de technische herstelploeg, uit de lift kunnen rijden.

Zelf ben ik ook ooit eens komen vast te zitten in een lift. En wel op de terugweg van een mij, via de onderaardse gangen van het ziekenhuiscomplex, in de late namiddag naar een afspraak begeven in één van de poliklinieken. Toen verplaatste ik me reeds sinds geruime tijd middels een elektrische rolstoel.

Op mijn heenweg had ik een, zich daar in die molpijpen al fietsend voortbewegend personeelslid, aangesproken om de manueel te openen liftdeur voor me open te houden, zodat ik er achterwaarts in kon rijden, de knop van de eerste etage, waar ik zijn moest, in te drukken en de deur voor me te sluiten.

Een bedankje, een groet en ik was weg, de hoogte in. Van -1, over 0, tot +1, alwaar de lift halt hield. Ik reed met mijn blauwe elektrische rolstoel zachtjes vooruit. De druk tegen de liftdeur, door mijn op de voetsteunen van mijn verplaatsingsmiddel staande onwillige stappers, liet deze op scharnieren draaiende deur open gaan, zodat ik de wachtruimte van dit dispensarium kon inrijden. Waarna de deur zachtjes achter me dichtklapte. Nog vooraleer een verbaasde, van zijn stoel opstaande, op zijn beurt wachtende persoon zijn intenties om me met de deur te helpen, had kunnen waarmaken.

Toen het consult was beëindigd, was het in de gang behoorlijk donker en was er in de wachtzaal niemand meer te bespeuren. Dus reed ik terug de gang in om een nog in het gebouw aanwezige menspersoon te zoeken die me naar beneden kon helpen. In een kantoortje waar nog licht brandde, zag ik door het half gematteerde vensterraam enige beweging. Ik tikte op het raam. Waarop een dame, met haar jas reeds aan, en een handtas in de hand, de deur opende. Zij wou me met graagte helpen en moest trouwens de kant van de lift uit. Om via de trap ernaast, naar de uitgang te stappen op het gelijkvloer. Want het sluitingsuur van het zittingslokaal voor poliklinische behandeling was reeds ruimschoots voorbij. Zodat deze dame, net zoals haar collega's die reeds vertrokken waren, ook huiswaarts mocht gaan.

De vriendelijke dame hielp me dus de lift in, drukte op de knop voor transport naar de kelderverdieping, ontving mijn dank, en sloot na onze wederzijdse afscheidsgroet, de liftdeur. Waarop de liftcel zich in beweging zette. Om even later tot stilstand te komen... tussen twee verdiepingen! De licht in de cabine ging uit. Wat nu? Een mobieltje had ik toen nog niet. Wie had ik trouwens met dat ding moeten bellen? Met wat wringen van mijn lichaam slaagde ik er in om in het duister de knop te vinden en er met de wijsvinger van mijn linkerhand zelfs op te drukken. Waarop de lift zich weer in beweging zette.

Zij die van drama houden zullen op hun honger blijven zitten, want ik ben tot in de kelderverdieping geraakt zonder dat er zich een herhaling van het probleem voordeed. Maar dit voorval was voor mij een nuttige les. Nadien ben ik, ondanks het vaak voorkomende onbegrip van derden, omwille van deze houding en dit principe, nooit meer een krappe, oude lift ingereden, zonder een andere, valide persoon bij me. De enige liften waarin ik me wel nog alleen in durf te laten verplaatsen zijn de grote, ruime exemplaren, waarin ik me probleemloos kan draaien, het bedieningspaneel kan bedienen en van de noodtelefoon gebruik kan maken. En die je voornamelijk vind in moderne, recent gebouwde ziekenhuizen, grote winkelcentra, overheidsgebouwen...

Ru(sh)di(e), 2 maart 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 2 mei 2010.

20-04-10

Belevenissen in het UZ – Een beetje tipsy

      

Een revalidatiegenoot, die in het centrum verbleef omdat hij een voet, onderbeen en knie was kwijtgeraakt, alle drie de lichaamsdelen gelukkig van dezelfde lichaamszijde, had mij en enkele andere revalidatiegenoten uitgenodigd om na het middagmaal in zijn kamer een glas te komen drinken.

Als ik het mij goed herinner was die man zijn ledemaat kwijt geraakt bij een arbeidsongeval. Vandaar allicht dat hij de privilege had in een eenpersoonskamer te mogen verblijven. Dat zal waarschijnlijk wel in de polis van de ongevallenverzekering van zijn werkgever zijn voorzien geweest. En de kerel kon er maar wel bij varen. Want enige privacy vermindert toch het ongemak van het verblijf in een verzorgingsinstelling.

Een uitnodiging om wat geestrijke drank in mijn lichaam te kappen, dat sloeg ik uiteraard niet af. Bovendien rekende ik erop dat het een leuk onderonsje zou worden. Het kliekje dat de brave man had geïnviteerd was gewoonlijk al een vrolijke bende. En eens we wat alcohol in ons bloed zouden hebben, werden we vast nog plezanter!

Na het eten spoedde ik me dus, al rollend uiteraard, naar die kerel zijn kamer. En kwam daar toch niet als eerste aan, want er stond al volk aan de deur. Op het punt naar binnen te gaan. Ik rolde achter hen aan de kamer in. Waar we niet in de ruimte zwommen, want onder de gasten, een vijftal, denk ik, zowel van vrouwelijke als van mannelijke kunne en van diverse leeftijden, zat het merendeel in een rolstoel. Maar enkel ik in een elektrische.

Mijn maat was goed voorzien in zijn eenpersoonskamer. Hij toverde enkele borrelglaasjes uit een kast. Uit het koelkastje naast zijn bed, haalde hij ijsblokjes en uit nog een andere kast toverde hij een fles Cointreau te voorschijn. Een Franse likeur met een alcoholpercentage van 40%. Een drank die vaak als bestanddeel in cocktails wordt gebruikt. Maar wij zouden het spul puur drinken. Met, voor wie dat wou, enkele ijsblokjes er bij in het glas.

Alleen al de geur die vrijkwam bij het geroutineerd openen van de fles door onze gabber, deed ons reeds goesting krijgen. De glazen werden gevuld en er werd geklonken op de vriendschap, een voorspoedige evolutie van onze revalidatie en een goeie start van onze voor nadien geplande activiteiten.

En het werd nog beter! Onze revalidatievriend haalde uit een boodschappentas die op zijn bed stond, een zak toasten naar boven. En kwam, uit zijn koelkastje, ook met een stuk boerenpaté voor de dag. Waarvan een dikke laag op elk van de toastjes werd gesmeerd. Lekker! En welgekomen, want ik begon, van de drank, al wat duizelig te worden.

Zo zaten we daar te genieten van spijs en drank en elkaars gezelschap. En werd er honderduit gepraat over heden, verleden en vooral de toekomst. Wat onze plannen waren voor na de revalidatie. Onze hoop, verlangens, maar ook onze angst. Alles werd ten berde gebracht. De geestrijke drank, die inmiddels reeds door onze aders stroomde, stimuleerde uiteraard de openheid van ons gesprek.

Man, dat was genieten! Gezelligheid alom. Maar hoe prettig we ons samenzijn ook vonden, we dienden er een eind aan te maken, om onze namiddagactiviteiten aan te kunnen vatten. Bij mij was dat op de eerste plaats een afspraak bij de bandagist, samen met mijn revalidatiearts!

Toen ik dat aan mijn lotgenoten vertelde, barstten ze allen samen uit in lachen. Beneveld door de inhoud van mijn, door de gastheer, geregeld gretig bijgevuld glas Cointreau, was ik immers zelf ook nogal lacherig geworden, en zag ik er naar verluidt niet meer erg fris uit. Bovendien zou, volgens hen, mijn adem ook vast naar de geconsumeerde drank ruiken!

Verdorie toch! Moest ik nu juist vandaag een afspraak met de dokter hebben? Onze traktant had evenwel klaarblijkelijk ervaring in het verdoezelen van een (lichte) beschonkenheid. Hij gaf direct een stukje kauwgum aan me, om op te knabbelen, zodat alvast de drankgeur werd weggemoffeld. Maar ik at volgens hem best ook eerst nog een toastje, om die opkomende slaperigheid te verminderen. En ook eventjes buiten wat frisse lucht gaan opsnuiven zou in deze vast helpen.

Ik volgde de man zijn goede raad op. En verorberde dus nog een laatste, super lekker toastje met een dikke laag, zeer smaakvolle paté en stak vervolgens een stukje kauwgum in mijn mond. De smaak van het knabbelblokje was aardbei. Dat viel dus nog best mee. Toch begin ik er  met enige tegenzin op te knabbelen, want dat kauwen laat ik doorgaans liever over aan de runderen, schapen, geiten en de overige herkauwers onder de zoogdieren.

De gasten dankten elkaar voor de fijne babbel en het aangenaam gezelschap en de gastheer daarbovenop ook voor de uitnodiging, het ter beschikking stellen van zijn tijdelijke woonplaats en de door hem geserveerde lekkere drank en belegde beschuitjes.

Ontzettend licht in mijn hoofd reed ik, na het verlaten van mijn maat zijn kamer, de gang in en trachtte in een rechte lijn naar de uitgang te rijden. Waar ik dankzij de automatisch openschuivende deuren, zonder de hulp van derden, naar buiten geraakte. Alwaar een aantal revalidatiecentrumbewoners een sigaret zat te roken. Om frisse lucht op te snuiven moest ik dus wat verder rijden, tot aan de autoweg, die binnen het universitair ziekenhuisterrein de verschillende gebouwen bereikbaar maakt.

Al kauwend reed ik een vijftal minuten later terug het centrum binnen. Iets minder licht in het hoofd, maar wel lichtjes zigzaggend. Want mijn coördinatie had toch wat te lijden onder mijn licht benevelde toestand. Maar toch geraakte ik, zonder ergens tegenaan te botsen, tot aan het dokterkabinet. Het geluk stond voor één keer aan mijn zijde. De secretaresse van de revalidatiearts meldde me dat haar overste was weggeroepen voor een dringende interventie. Waardoor ik op mijn eentje naar de bandagist mocht 'gaan'.

Dat 'gaan' werd een zwalpend rijden. Maar ook nu reed ik niemand onder de voet en botste ik nergens tegenaan. Nochtans niet eenvoudig in enigszins duizelige toestand en met een wazig zicht. Want in de gang die ik doormoest stonden er her en der stoelen tegen de wand, sommige met een persoon op, andere onbezet en ook nog wel wat andere obstakels, doorgaans medische hulpmiddelen. Voorts was er daar inmiddels ook al heel wat volk in beweging. Zowel residenten van het revalidatiecentrum als ambulante patiënten. Rolstoelers, personen met één of twee krukken, met een rollator...

Gelukkig hoefde ik aan het atelier niet te wachten op de bandagist, want anders was ik ongetwijfeld ter plaatse in slaap gevallen. De man was reeds aanwezig en onmiddellijk beschikbaar om met mij de reden van mijn komst te bespreken. En ik slaagde er wonderwel in om mezelf, gedurende het ganse onderhoud, wakker en deftig te houden.

Ru(sh)di(e), 9 januari 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

26-03-10

Heden en verleden - Omvallende bomen

  

Mijn ouders hun huis en stallingen stonden op een lap grond, waarop voor de woning een gewone tuin met graspleintjes en bloemperkjes was aangelegd en achteraan een moestuin. Hun eigendom was gelegen naast een veldweg, een 'slag' zoals wij dat noemden. Welke gebruikt werd door de boeren uit de buurt, om tot bij hun weiden of landbouwgrond te geraken.

Vanaf de straat gezien was onze doening rechts van die veldweg gelegen. Terwijl links ervan een stuk landbouwgrond lag. Nu stond aan de straatkant, over de ganse breedte van die akker, een rij hoge bomen. De eerste van de rij, deze op de hoek van de akker en het begin van de veldweg, die trouwens door mijn pa gratis en voor niks werd onderhouden, was eigendom van mijn ouders. En als kleine rakker was ik er reuze trots op dat zij de eigenaars waren van zo een gigantische boom!

De rest van de bomenrij was reeds jaren daarvoor geveld en vervangen door jonge aanplant, en ons oude huis en het grootste gedeelte van de stallingen gesloopt en vervangen door een door mijn pa eigenhandig gezette nieuwbouw, toen een jaar minder dan een kwarteeuw geleden, mijn pa het plan opvatte om ook 'onze' boom te vellen. Om wat voor reden durf ik niet met zekerheid te schrijven, maar ik vermoed dat hij goedkope brandstof wou voor de allesbrander, die toen al sinds enkele jaren 's winters onze living en keuken verwarmde.

Alhoewel ik inmiddels reeds in mij adolescentiejaren vertoefde, was ik ook als 18-jarige toch niet onverdeeld gelukkig met mij vaders voornemen. Maar ik had in deze kwestie niks in de pap te brokken. Die boom zou neergaan en daarmee basta!

Deze klus laten klaren door een professionele, in dit soort dingen gespecialiseerde firma, werd slechts heel even overwogen. Maar vrij snel als optie van de baan geveegd. Wegens veel te duur. De opbrengst van het hout zou niet eens toereikend zijn geweest om de kosten te dekken van het vellen. Dus zou mijn vader, een ervaren doe het zelver, met de hulp van enkele buurmannen, de boom zelf neerleggen.

Op een mooie lentedag was het zo ver. Vanuit onze living, waar ik met een, bij mij op bezoek zijnde, leeftijdsgenoot, een maat uit de buurt, zat te keuvelen, zag ik mijn vader en enkele mannen, alles in gereedheid brengen voor de job. En er stonden ook nog enkele andere buren te kijken en aanwijzingen en commentaar te leveren op de voorbereidende werkzaamheden

Er werd een lange houten ladder tegen de boom geplaatst en we konden zien dat mijn pa een dik touw rond de stam bevestigde, zo hoog mogelijk in de boom als waar hij met zijn handen kon reiken. De uiteinden van dat touw werden vastgemaakt aan de tractor van een boer uit de buurt. Trouwens tevens de eigenaar van de akker waarop het de bedoeling was dat onze boom terecht zou komen.

De boom helde over in de richting van ons huis, maar de tractor stond, met het touw gespannen, zo opgesteld dat deze de vallende boom de andere richting uit zou kunnen trekken. En de ervaren doe het zelf boomhakker uit onze buurt, die had aangeboden het afzagen van de boom voor zijn rekening te nemen, had ook de kant van de akker uitgekozen om, middels zijn kettingzaag, een spie uit de boomstam te halen.

Die boom kon dus niet verkeerd vallen, veronderstelde iedereen. Maar wat zag ik, en allicht ook ieder ander die toekeek? Dat, eens de boom in beweging kwam, hij geheel en al viel, in de richting van ons huis! Verbijsterd en met schrik zag ik die kolos van een boom recht op ons afkomen. Mijn maat en ik keken elkaar angstig aan. Wat hij vervolgens deed, dat weet ik niet, maar ik schreeuwde "oh, neen!" en kneep mijn ogen dicht tot het gevaarte neerkwam, met een harde bonk, die de grond onder onze voeten deed daveren.

Toen ik mijn ogen opnieuw opende, was er van de door mij gevreesde ravage, binnenshuis niks te merken De buitengevels stonden er nog allemaal en ook het glas in de vensterramen was niet gebroken. We spoedden ons naar buiten. Waar de zon, als het ware spottend, enkele zuinige stralen in de richting van de aarde stuurde. Waar in onze voortuin de boom lag die volgens het vooropgezette plan nochtans had moeten landen op de akker, enkele meters ernaast.

Naderhand bleek de oorzaak van deze ellendige misser het feit te zijn dat de boer te laat in actie was gekomen en dan op de koop toe zijn tractor niet onmiddellijk kreeg gestart. Toen dat luttele seconden later dan toch lukte, was hij nog enkel in staat geweest om de schade te beperken. Die al bij al nog meeviel. Enkele zware takken van de kruin van de boom hadden een deel van onze uit betonplaten met daarboven draad gespannen afsluiting vernield. En enkele minder zware takken hadden nog net de hoek van de overhangende dakgoot kapot gemaakt. De gevel van ons huis was niet geraakt en dus intact gebleven. Gelukkig maar!

Mijn vader was geschrokken en boos. Met zijn gebalde vuisten hemelwaarts gericht, nam hij de schade op. Ook mijn ma was vanuit haar keuken naar buiten gerend. En stond een beetje wezenloos de boel te aanschouwen. Een deel van haar bloemenperk was naar de knoppen. Wat haar evenwel op dat ogenblik allicht het minste zorgen baarde.

Het is uiteindelijk allemaal nog snel en zonder al te veel werk en kosten, in orde gekomen. Die dakgoot kon voor weinig geld worden hersteld, de afsluiting maken was een kwestie van het aankopen van enkele nieuwe betonpalen en -platen, en het spannen van een nieuw stuk draad, dus dat was ook de kost niet. Die boom werd onmiddellijk na zijn val geheel en al in stukken gezaagd. Die vervolgens ook nog eens werden gekliefd met een kliefhamer, een combinatie van een bijl en een voorhamer. Dat die boom dit trieste lot onderging was niet als straf voor de aangerichte schade, maar gewoonweg de uitvoering van het origineel plan.

Een van de buurmannen, die mijn vader hielp bij dit stoofhout kappen, grapte dat het hout van deze boom hem twee keer warmte zou verschaffen. Een eerste keer toen, op dat moment, door het stijgen van zijn lichaamstemperatuur bij het zagen, hakken en klieven en een tweede keer op het moment dat het hout van de boom zou branden in de stoof.

****

Als rijpe twintiger verhuisde ik naar mijn eigen woning, waar ook een grote tuin aan is verbonden. De hoogste boom in deze tuin met allerlei boom- en struiksoorten en allerhande ander groen, was een kolos van een zilverberk. Ooit door een vorige eigenaar van dit perceel, gepland op een positie ongeveer halverwege de achtertuin, en ook in de breedterichting op ongeveer dezelfde afstand van de grens met de naburige percelen, links en rechts van mijn tuin.

Die reus van een zilverberk stond daar te pronken als trotse, alle andere bomen en struiken overheersende tuinbegroeiing. Van ver in de omtrek van mijn eigendom kon je hem zien staan. Die houten gigant, die ook door geen enkele boom in de tuinen van de buren, in de ruime omgeving van onze woning, werd overtroffen qua hoogte en omvang. Onaantastbaar en onverwoestbaar, zo leek hij te zijn.

Tot het noodlot toesloeg, in de vorm van een blikseminslag bij noodweer. Hoge bomen vangen, ook letterlijk, niet enkel veel wind, maar zijn ongelukkigerwijs tevens een gemakkelijke prooi en doelwit voor andere natuurfenomenen.

Dat de bliksem ernstige schade had aangebracht aan de zilverberk, dat kon ik de dag na de inslag zichtbaar vaststellen. Vanaf de top van de stam, tot enkele meters lager, was een scheur te zien. Maar niks wees er op dat er een onmiddellijk gevaar bestond voor het naar beneden komen van een deel van deze monsterboom.

Lange tijd later woedde er op een zondagochtend een heel zware storm. Normaliter hadden mijn zoons die voormiddag een voetbalwedstrijd moeten spelen. Maar omwille van dit slechte weer, was die op het laatste moment afgelast. Dat nieuws bereikte ons trouwens pas toen zowel mijn zoons als ikzelf, warm ingeduffeld, de wind trotserend, reeds op weg waren naar het voetbalterrein.

Dus keerden we onverrichter zake terug huiswaarts. Er woei een geweldige wind, maar het was helemaal niet koud, noch vochtig. Derhalve had ik ontzettend weinig zin om reeds onmiddellijk terug onze woning binnen te rijden. Waar ik dan ongetwijfeld ook de rest van de dag zou moeten doorbrengen. Liever had ik even in onze achtertuin vertoefd, maar ik realiseerde mij dat dit, met zulk een stormachtig weer, niet erg verstandig zou zijn geweest.

Wat even later werd bewezen. Want we waren nog maar net binnen in huis, en ik had nog maar pas mijn jas uit, toen één van mijn jongens me meldde dat onze grootste boom uit het gezichtsveld was verdwenen. Wantrouwig, vermoedend dat ik in het ootje werd genomen, verplaatste ik mij snel naar de verandaramen achteraan in ons huis en keek van daaraf naar buiten. Mijn kijkers kregen een totaal ander uitzicht op de tuin te zien dan ze gewoon waren, want die doorgaans direct in het oog springende zilverberk was inderdaad foetsie!

De volgende dag, toen het weer terug wat rustiger was, reed ik de tuin in en vond de kolos, meedogenloos geveld, op het grasveld. Een triest zicht, vond ik dat. Maar nu die boom beneden lag, ontdekte ik wat de schors al die tijd had kunnen verborgen houden, namelijk dat de boomstam binnenin volledig was uitgedroogd. Het was eigenlijk een wonder dat dit gevaarte niet eerder tegen de vlakte was gegaan.

Het grasperk, dat voordien door de weelderige kruin van de zilverberk, als het ware van de buitenwereld werd afgeschermd, baadde nu in een zee van licht.  Dat mijn mooie boom wijlen was, daar ben ik toch wel enkele dagen verdrietig om geweest. Niet dat ik triest in een hoekje ging zitten, maar het neergaan van mijn lievelingsboom, en het feit dat ik hem als gevolg daarvan tot brandhout moest laten verwerken, had me toch wel geraakt. Figuurlijk althans, want ik zat, zoals voorheen geschreven, veilig binnen in huis toen die mastodont neerviel.

Mijn mooie tussenhaag was spijtig genoeg wel getroffen. Maar kom, die was enkele maanden na het gebeurde, alweer de oude. Bomen, planten, struiken en zo meer hebben het geluk dat, wat ze kwijt spelen, er naderhand vaak vrij eenvoudig terug aangroeit. Dat het mensdom daar eens een voorbeeld aan neemt!

****

Helemaal rechts achterin onze tuin, op de scheiding van ons perceel met dat van de achterburen en de buren aan de zijkant, stond een fruitboom die al sinds jaren op rust was. Dus reeds lang geen vruchten meer produceerde. En die een kruin had waarvan nog slechts enkele takken het geluk kenden in de lente de basis te zijn van enkel groene bladeren.

Die boom, of althans wat er nog van overbleef, had mazzel gevat te zitten in de zijtakken van een, er vlak naast staande, nog steeds volop in leven zijnde spar. Met het verstrijken van de jaren was deze boom, met een toch wel redelijke stamdikte, zijnde een goeie 40 centimeter, evenwel geleidelijk aan schuin komen te staan. En verloor de spar er daardoor beetje bij beetje haar greep op.

Aangezien hij naar onze tuin overhelde, en bij een eventueel vallen dus niet op de eigendom van onze buren terecht kon komen en desgevallend schade aanrichten, was ik vrij gerust. Toch zocht ik naar een oplossing om de boom te verwijderen. Want na elke periode met hevige rukwinden, kwam de boom steeds schuiner te staan. En hoewel er vrijwel nooit iemand in die hoek vertoefde, wou ik toch niet het risico lopen dat, als het toch eens zou gebeuren, degene die er liep, dat gevaarte op het hoofd zou krijgen.

Die nare ervaring uit mijn jonge jaren indachtig, wou ik de klus in geen enkel geval laten klaren door amateurs. Maar integendeel de job laten uitvoeren door professionelen. Aangezien de plek waar die boom stond, moeilijk bereikbaar was, konden die daar evenwel niet geraken met een hoogtewerker. En een lange ladder tegen die hellende boom plaatsen was te riskant. Een ladder tegen de spar plaatsen en vanuit die positie met een zware boomzaag aan het werk gaan, was ook niet echt een acceptabel alternatief.

Wikkend en wegend hoe ik die bejaarde fruitboom daar dan wel weg zou krijgen, reed ik op een zonnige namiddag nog eens naar die hoek, om de situatie aldaar nog eens deftig te bekijken. Vlak naast de scheiding met de tuin van onze achterbuur, en op een meter of vijf afstand van de boom, bleef ik staan. Maar niet voor lang. Want ik voelde mij allesbehalve veilig op de plaats waar ik stilstond. Want ik kon zien dat de spar haar greep op de boom nagenoeg volledig was kwijt geraakt en de oude fruitboom meer dan ooit overhelde, in de richting van waar ik zat!

Die moest daar dus uiterst spoedig weg, besliste ik. En ik zou daar eerstdaags werk van laten maken! Maar zo ver hoefde het niet te komen, want de natuurelementen namen me het werk uit handen. Nog diezelfde avond stak er, gelijktijdig met een fikse regenbui, een sterke wind op, die in de loop van de nacht nog toenam in snelheid en kracht!

De volgende ochtend had ik reeds het vermoeden dat er die nacht wel eens iets met die boom zou kunnen gebeurd zijn. En aangezien het stormen en regenen tegen de middag aan zo goed als helemaal voorbij was, ging ik toen een kijkje nemen achterin de tuin. Waar het onweer hevig te keer was gegaan, want alle paden en graspleintjes lagen bezaaid met takken, bladeren en ander groen en anderskleurige tuinelementen, waarmee de wind een spel had gespeeld.

En, zoals verwacht had die wind ook de boom in de hoek neergehaald. Hij was gevallen pal op de plek waar ik de dag ervoor nog had gezeten! Toch vriendelijk van die boom om te wachten met zich neer te laten leggen tot ik van het toneel was verdwenen. Stel je voor dat ik die brok hout met alles wat er aan hing, op mijn kop en alles wat daar aan hangt, had gekregen. Dood was ik dan allicht niet geweest. Tenzij het al te lang zou hebben geduurd vooraleer men mij kwam 'redden'. En er in dat geval al zo veel bloed uit mijn lichaam zou zijn gestroomd, dat mijn lichaam er dan toch 'het bijltje' zou hebben bij neergelegd.

Maar hoogst waarschijnlijk was het resultaat van dat onder die vallende boom terecht komen, veel erger geweest. En had ik het avontuur overleefd met nogal wat lichamelijke schade aan mijn lijf en materiële schade aan mijn elektrische rolstoel. Verzekeringsgewijs is dit laatste trouwens ook lichamelijk, wegens een onontbeerlijk hulpmiddel zijnde, en een materieel verlengde van de persoon die er aan gebonden is.

Voor de kwebbelaars in mijn woonplaats was het zonder twijfel jammer dat geen van de twee laatst vermeldde scenario's bewaarheid is geworden. Want er zou ongetwijfeld enorm veel geroddeld zijn geweest nopens dit voorval. En vooral verzonnen. Een verhaal dat dan zeker de ronde zou hebben gedaan, is dat van de poging tot zelfdoding. Daar zou ik trouwens zelf ook wel één en ander rond kunnen verzinnen. Maar voor dit verhaal heb ik me netjes aan waar gebeurde feiten gehouden.

Ru(sh)di(e), 4 oktober 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

21-03-10

Rudi’s overdenkingen - Waar een toevallige ontmoeting mijn gedachten al niet heen kan leiden

  

Met het prachtige nazomerweer waarop we de afgelopen dagen werden getrakteerd, liet ik geen enkel vrij moment of kans onbenut om buiten te vertoeven. Toen ik dondermiddag, onder een stralende zon, onderweg was, kwam er, voor ik een straat rechts wou inslaan, vanuit de andere richting een fietser aangereden, die me vriendelijk begroette, vooraleer net voor mij dezelfde straat in te rijden. Toen pas merkte ik dat het de oud-burgemeester van mijn woonplaats betrof. De man, die vast op weg was naar huis, kreeg van mij een hartelijke groet terug. "Leuk dat hij me nog herkent", dacht ik even. Want het was, naar ik mij herinnerde, toch reeds lange tijd geleden sinds we elkaar voor het laatst hadden gezien.

Maar onmiddellijk daarop realiseerde ik me dat die herkenning uiteraard vooral te wijten was aan die vier wielen onder mijn poep en de rest van dat prachtig toestel waarmee ik mij voortbeweeg. Het klinkt allicht ongeloofwaardig, maar toch is het zo dat ik vaak vergeet dat ik in een rolstoel zit.

Anderzijds gebeurt het soms dat ik voor het eerst met iemand afspreek en die persoon naar me toekomt, zeggend dat zij of hij me meteen herkende. Waarop ik dan reageer door te zeggen dat zulks niet moeilijk is. En terwijl die ander knikt en er een verlegen glimlach op diens gezicht verschijnt, zeg ik dan: "Door mijn lange haren, hé?!" Dan zie ik de gelaatsspieren van de persoon tegenover me in beweging komen en mijn gespreksgenoot denken, terwijl die ongemakkelijk op diens benen balanceert: "Zal ik het hem zeggen of niet?" Maar lang laat ik de vrouw of man in kwestie niet twijfelen, door snel zelf te zeggen: "En mijn rolstoel droeg allicht ook bij tot de herkenning?!" Waarna we dan doorgaans beiden hartelijk lachen. En ook meteen het ijs is gebroken.

Tja, een vos verliest zijn haren, maar niet zijn streken. Gelukkig dat eerste enkel figuurlijk, want ik zou niet graag vroegtijdig mijn weelderige haardos kwijt geraken. En deze integendeel zelfs het liefst van al behouden tot wanneer ik mijn laatste levensadem uitblaas. Een punt dat ik ooit al eens heel dicht benaderde, zoals in eerdere schrijfsels staat te lezen.

Een vos ben ik overigens ook niet. Tijdens mijn jeugd was deze roofdiersoort ook niet te vinden in mijn geboortedorp. De enige vossen die daar toentertijd verbleven waren de gezinsleden van de in mijn toenmalige woonplaats residerende familie De Vos. Tegenwoordig is dat evenwel anders. In de velden en bossen achter mijn ouderlijk huis leven al sinds geruime tijd tal van vossen. En sinds enkele jaren ook herten. In hrt wild, in de vrije natuur, hé! En die dieren planten zich daar vrolijk voort

Wie weet komen er, door de opwarming van de aarde, daar, en elders, misschien ook wel opnieuw diersoorten tot leven, die reeds op aarde ronddwaalden voor de eerste ijstijd een aanvang nam. Maar die ongelukkigerwijs de laatste ijstijd niet overleefden. De mammoet bijvoorbeeld, of de sabeltandtijger.

Dat opwarmen van de aarde, daar hoef ik niet voor te vrezen. Mijn voeten verbranden aan die opwarmende aardkorst kan niet gebeuren, want mijn onwillige stappers staan op een voetplankje, op enige afstand van de grond, dus veilig. Alhoewel? Als mijn banden smelten... Maar laat me aan dat doemscenario niet denken.

Mijn geest laat me immers al vrezen voor die potentiële, door de klimaatswijziging veroorzaakte heropstanding van gevaarlijke grote beesten Die blijven best nog even weg. Want ik heb schrik dat, als ik er, om wat voor reden dan ook, tijdens een boswandeling, zo één achter me aan krijg, ik mij nooit snel genoeg uit de voeten zal kunnen maken. Derhalve ben ik dus liefst, vooraleer dat die kolossen terug ten tonele verschijnen, de pijp uit.

Rudi, 20 september 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

19-03-10

De avonturen van Rudi & Co - Dienst 100, altijd paraat!

  

Samen met mijn twee zonen was ik ergens heen geweest. En op de weg naar huis hadden de jongens zich nogal vervelend gedragen. Zulks gebeurt nu eenmaal en is eigen aan opgroeiende, zich een weg door het leven zoekende jongelui. Maar, zoals het een ouder betaamd, had ik hen een aantal keren berispt. Wat me door mijn 'lieverds' niet in dank werd afgenomen.

Toen we thuis arriveerden en ik mijn kroost om hulp verzocht om me iets rechter in mijn rolstoel te positioneren, omdat ik onder het rijden wat onderuit was geschoven, namen zij hun kans op vergelding te baat door dit botweg te weigeren. Ik werd boos en zei dat, als zij het niet deden, ik met mijn mobieltje de 100 zou bellen. En, eens ze hier waren gearriveerd, het wel aan hen zou vragen. Waarop ik wegreed, en vanuit een ooghoek de jongens onze woning zag betreden.

Ik plaatste me met mijn rolstoel aan de kant van de straat, tussen onze haag en het fietspad. En kantelde mijn zitting en rugleuning, zodat ik in een liggende positie lag. En mijn lichaam de kans kreeg om even te bekomen van de rit. Lang bleef ik daar evenwel niet staan, want die onmin met mijn kroost moest worden opgelost.

Veel was daar niet voor nodig. We hadden zo een systeem waarbij, als ik het even tevoren stout of ongehoorzaam zijn van de kinderen ter sprake bracht, ze prompt naar me toe kwamen en met volle kracht lucht op mijn voorhoofd bliezen, om alle slechte herinneringen uit mijn geheugen te laten verdwijnen. Een dikke zoen op mijn wang vervolledigde deze 'alles vergeven en daarbovenop ook vergeten' procedure. Die op de koop toe, en goed voor hen, nog werkte ook!

Dus toen ik ons huis binnen reed en tegen mijn daar rondhangende nakomelingen begon te 'zagen' pasten zij snel de geijkte methode toe. En hielpen me vervolgens spontaan met het verbeteren van mijn zitpositie. Waarna de kinderen hun bezigheden hervatten en ik genoot van het kijken ernaar.

Ik zat met mijn gezicht naar onze achtertuin gericht, toen plots de deurbel weerklonk. De jongens keken op van de plaats waar ze zaten en ik zag hun verbijsterde gezichten.

"Dus jij hebt werkelijk de '100' gebeld?" vroeg één van hen me. Vooraleer ik, nu zelf ten zeerste verbaast, ontkennend kon antwoorden, was de jongen reeds de voordeur gaan openen. En stond hij even later, terwijl ik me inmiddels een kwartslag had gedraaid, voor me, met naast hem een ambulancier. Dat kon ik zien aan diens outfit en aan het feit dat zijn functie ook op de borstzakjes en bovenaan de mouwen van zijn jas was gedrukt.

"Ik hoorde het net van je zoon, en wij dachten zelf ook al dat er niks aan de hand was" zo begon de man. "Maar iemand die met zijn auto voorbij je huis passeerde had een man in een rolstoel zien liggen, met de ogen gesloten, en belde het noodnummer omdat hij dacht dat die persoon onwel was geworden en derhalve in nood verkeerde. Toen we de locatie hoorden, vermoedden we onmiddellijk dat jij het was, die even zat te dutten voor je woning. Maar we konden evenwel geen risico nemen, dus rukten we toch uit."

Verbluft door dat verhaal en de toevalligheid van het samengaan met mijn dreigement, kon ik niet meer uitstamelen dan een dankjewel. Waarna de man afscheid nam en vlug verdween. Door me nog een kwartslag verder te draaien kon ik door het vensterraam in de voorgevel van ons huis, nog net de gele ziekenwagen zien wegrijden, richting stalplaats, het stedelijk algemeen ziekenhuis.

Dat de ambulanciers onnodig waren uitgerukt vond ik uiteraard jammer. Maar de ganse situatie op zich was geweldig grappig. En de stomverbaasde gezichten van mijn zoons staan allicht tot het einde mijner dagen in mijn geheugen gegrift!

Rudi, 27 augustus 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 februari 2010.

05-03-10

De avonturen van Rudi & Co - Ontmoeting met een oud-bekende

  

Een jaar na mijn geheel ongepland en ononderbroken anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, was ik thuis eindelijk in die mate georganiseerd dat ik mijn toen zesjarige tweeling elke ochtend naar school kon brengen.

Doorgaans zat er dan één van hen op mijn schoot, terwijl de andere op mijn voeten zat, op één van mijn armsteunen of zich liet vervoeren door achteraan op het chassis van mijn zware elektrische rolstoel te gaan staan. En soms stapten mijn jongens gewoon allebei naast me mee. Met één handje de leuning van die voor mij zo onontbeerlijke machine vasthoudend. Mensen, wat genoot ik ervan deze taak te kunnen uitvoeren. Je kinderen naar school begeleiden zie ik trouwens niet zozeer als een plicht, maar eerder en vooral als een voorrecht!

De weg naar huis legde ik af tegen het verkeer in. De 3-vaks rijweg oversteken ter hoogte van onze woning was immers onverantwoord wegens levensgevaarlijk door het snelle, vaak roekeloze auto-, motor- en vrachtverkeer.

Tijdens één van die eerste terugritten botste ik bijna tegen een fietsende dame aan. Die wel in de juiste richting reed! Ze zat voorovergebogen op haar, vooraan het stuur van een mandje voorziene, conventionele damesfiets. En duwde met haar voeten naarstig op de trappers. Waarschijnlijk was die gehaast om tijdig op haar werk te verschijnen.

Was het daardoor dat ze geen teken van herkenning uitte? Volgens mij was dit immers de moeder van een schoolvriend uit mijn kinderjaren. Zelf knikte ik haar vriendelijk toe, maar van de dame haar gezicht, half verscholen achter een lange, enigszins krullende en vrij warrige haardos, was geen enkele expressie af te lezen.

Wat een verschil met vroeger! Want naar ik mij herinnerde was dat een heel praatgrage dame. Die steeds met luide stem elkeen die ze kende, van verre toeriep. En als ze, tussen haar steeds weer gehaast met de fiets van hot naar her rijden voor werk, boodschappen, familiebezoek of wat dan ook, zelfs maar even de tijd had, dan liet ze deze gelegenheid nooit onbenut om een praatje te slaan.

Maar mogelijks was er daar met het ouder worden enige verandering in gekomen. Niet erg waarschijnlijk en vanzelfsprekend, maar klaarblijkelijk toch wel het geval. Tijden veranderen en zo soms ook mensen. En aangezien mijn voorlaatste ontmoeting met mijn jeugdvriend zijn moeder reeds van misschien wel 20 jaar eerder dateerde, kon er in die tijdspanne veel zijn gebeurd, dat had geleid tot een plotse, of geleidelijke gedragswijziging. En ook lichamelijke wijziging. Want ze leek me kleiner dan in mijn herinneringen. Maar dat kon zijn omdat ik toen zelf een klein mannetje was, en dan lijkt elke volwassene een reus. Of anders kwam dat misschien omdat ze inmiddels van ouderdom was gekrompen, of allicht een combinatie van deze factoren, aangevuld met een niet geheel juiste memorie.

Vanaf die dag zag ik de vrouw vrij vaak. Meestal 's ochtends omstreeks half negen, maar soms ook op andere tijdstippen. En telkens weer zei ik haar vriendelijk gedag, of lachte haar op zijn minst beleefd toe of knikte met mijn hoofd. Altijd leek ze gehaast. En me aanspreken deed ze nimmer. Maar na enkele passages, waarbij we elkaar kruisten, vertoonde ze uiteindelijk toch tekens van herkenning en begon ze mijn begroeting te beantwoorden. Non-verbaal evenwel.

Raar is het feit dat ik deze vrouw nooit elders tegenkwam en zich nimmer anders voortbewegend zag dan op haar blijkbaar onafscheidelijke fiets. Dus wat er in al die jaren nooit gebeurde was bijvoorbeeld haar aantreffen terwijl ze te voet door de straten slenterde op de wekelijkse openbare marktdag. Of met een winkelkarretje struinend door de gangen van één van onze lokale supermarkten of een andere winkel, waar ik mezelf met mijn vehikel kon in voortbewegen.

Maar zo verwonderlijk was dat dan ook weer niet. Want de dame was steeds nogal sociaal geëngageerd geweest in het dorp waar ik mijn jeugd doorbracht. Een deelgemeente van de stad waar ik woon en leef, sinds ik 'groot' ben. Mogelijks deed zij al haar inkopen lokaal en kwam ze slechts naar 'de grote stad' om haar werk uit te oefenen. Kuisen bij particulieren of op scholen, zo meende ik mij te herinneren.

Enkele jaren na die hiervoor beschreven hernieuwde ontmoeting reed ik, op een zonnige lentedag, aan een gezapig tempo, over het marktplein van mijn woonplaats, toen ik iemand mijn voornaam hoorde roepen. Een uiterst herkenbare zware vrouwenstem. Ik draaide mij met mijn rolstoel in de richting van waar het geluid afkomstig was. En daar stond ze dan!  Mijn jeugdvriend zijn ma! Maar niet in de gedaante van de persoon van wie ik reeds sinds jaren aannam dat zij het was. Het plaatje klopte nochtans redelijk goed. Een warrige haardos en de fiets aan de hand! Maar ze was niet gekrompen. En haar fiets was weliswaar ook een oud model, maar zonder mandje aan het stuur. Het vehikel was evenwel uitgerust met twee flinke fietstassen. Eén aan elke zijde van het fietsstoeltje, zoals het hoort.

Mijn oud-maat zijn ma was nog even joviaal als in mijn verste herinneringen. Ze vroeg me hoe ik het stelde. In dat sappige, gekke dialect van haar. Niet de streektaal van de gemeente waar ze toen reeds sinds tientallen jaren woonde, maar in deze van de plaats van waar ze oorspronkelijk vandaan komt en haar jeugd doorbracht.

In antwoord op mijn vraag, bracht ze me op de hoogte van de toenmalige conditie van haar zoon en daarna wisselden we nog wat woorden uit. Maar veel tijd om te babbelen had ze niet, want ze had net gedaan met haar dagelijkse werk als kuisvrouw in een middelbare school in de buurt en moest er snel vandoor om nog vlug wat boodschappen te doen en toch tijdig thuis te zijn en klaar met het bereiden van het avondeten, tegen het moment dat haar man zou thuiskomen van zijn werk.

Bij het wat later naar huis rijden moest het toch wel lukken dat, toen ik bijna de oprit van mijn woning had bereikt, vanuit de tegenovergestelde richting die dame kwam aangespurt, waarvan ik tot dan toe abusievelijk had aangenomen dat het de mama was van mijn vroegere school- en speelkameraad.

Tegen het moment dat ik had beslist of ik die dame nu zou blijven groeten als was het een oud-bekende, wat ze, zoals een goed uur daarvoor was bewezen, duidelijk niet was, of haar vanaf nu straal zou negeren, was het vrouwmens me al lang gepasseerd. Ze had me bij het voorbijrijden slechts een zuinige glimlach toegeworpen en vroeg zich nu waarschijnlijk af waarom ik haar voor het eerst in al die jaren geen gedag zei.

Tot op de dag van vandaag rijdt de fietsende dame nog regelmatig voorbij mijn huis. Wie ze is, waar ze woont en naar welke bestemming ze zich dan telkens weer zo haastig spoedt, daar heb ik het raden naar. En het interesseert mij ook helemaal niet. Maar na die ene dag, waarop de verwarring mij even in haar greep hield, ben ik deze onbekende fietsster, op momenten dat ze mijn pad kruist, iets minder uitbundig, maar toch gewoonweg beleefd, gedag blijven knikken.

Rudi, 27 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 februari 2010.

01-03-10

De avonturen van Rudi & co - Alles kan eens mens gelukkig maken

 

Ons huis staat op enige afstand van de straat. Een meter of 10, schat ik. En de voordeur ligt ook wat hoger dan de driewegsbaan waar we op uitkijken, en die in beide rijrichtingen is voorzien van fietsstroken,

Als gevolg van het goede, warme weer stonden tijdens de afgelopen werkweek, de deuren wagenwijd open. Zowel de binnendeur tussen de living en de inkomhal, als deze om naar buiten te gaan. Excuseer, 'rijden' in mijn geval. 

Na met voldoening een werkje op de computer te hebben voltooid, wou ik nog even van de laatavondzon genieten op het terras aan de voorzijde van onze woning.

Vrolijk fluitend reed ik, vanuit de living, via de inkomhal door de openstaande deur naar buiten. Mijn ogen gericht op het klein afhellend vlak, dat daar ligt om het hoogteverschil tussen binnen en buiten te overbruggen.

Toen ik die 'stap' naar wens had beëindigd, dus zonder het ongewenste met mijn zitvlak naar voor schuiven op mijn zitkussen, richtte ik mijn hoofd op en keek recht in het lieflijk glimlachende gezicht van een jong meisje, dat al fietsend mijn woonst passeerde.

Haar (her)kennen deed ik niet, want zo goed als zeker heb ik dat mooie blondje nooit eerder ontmoet. Maar waarschijnlijk heeft ze gedacht dat het naar haar was dat ik floot. En had ik het geluk dat de deerne niet misprijzend reageerde, maar integendeel uiterst sympathiek!

Geloof me vrij dat ik, niet veel gewend, nog de ganse avond heb nagenoten van de toffe reactie van die jongedame.

Gisteren gebeurde er iets anders. Op dezelfde locatie. In de vooravond zat ik vooraan het huis mijn sandwiches op te eten. Gepositioneerd op een plekje waar nog een streepje zon was. De voorgevel staat daar ongeveer anderhalve meter meer naar voor, dan de van de rondom van een brede houten raamkozijn voorziene inkomdeur. De wind was even gaan liggen, dus was het een aangenaam vertoeven aldaar.

Nog maar net had ik mijn avondmaal verorberd, toen er ineens een hevige windstoot kwam. Vlug greep ik naar de handdoek op mijn bovenlichaam en de doek van fleece die op mijn benen lag. Teneinde deze niet geheel te laten (op)pikken door de wind. Die was er gelukkig enkel vandoor met het, nu lege zakje, waar even ervoor mijn broodjes hadden in gezeten.

Verdikke, alweer vuilnis op mijn hof, dacht ik. Want iets dat op de grond ligt kan ik immers niet zelf oprapen. Tenzij, zo dacht ik steels, dat zakje om de hoek heen zou zijn geblazen, recht in mijn inkomhal. Alwaar het dan 's avonds allicht door de verpleegkundige van dienst zou worden opgemerkt. En door deze gedienstige man vast zou worden opgeraapt en in de vuilnisbak gegooid.

Maar ik rekende niet op een dergelijk onwaarschijnlijk geluk. Draaide mijn rolstoel en keek om me heen, maar dat transparant plastieken koelkastzakje was nergens te bespeuren. Allicht reeds tussen de struiken of tot bij de buren gewaaid, dacht ik nog. En aangezien ik buiten niks meer had te zoeken of te vreten, reed ik mijn, aan de voordeur liggend hellend vlak op. En wat zag ik daar liggen, mooi aan de kant, halverwege mijn inkomhal? Inderdaad, dat zakje! En blij dat ik was! Alweer een ganse avond goed geluimd door een fabuleus boffen.

Met deze twee ogenschijnlijk oninteressante en onbenullige voorvallen is voor mij nogmaals bewezen dat het de kleine dingen zijn, de simpele gebaren of uitingen, een onverwachte meevaller... die de echte levenskwaliteit, de gemoedsstemming van een mens bepalen. Of geldt dat enkel voor mij? En ben ik een zielig ventje dat al te vlug content is? ;-) Voor mij is ieder vrij om daarover haar of zijn gedacht te hebben en dat vrijuit te melden. Je oprechte, eigen mening uiten, zal bij mij nooit kwetsend overkomen. Het is maar dat je het weet!

Rudi, 19 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 24 februari 2010.

24-02-10

Rudi’s ontboezemingen - Curieuzeneuzen in een Hollandse seksshop

  

Vele jaren geleden, toen ik nog de mening was toegedaan dat ik, OOK IN EEN ROLSTOEL gezeten, alles moest kunnen doen wat valide personen probleemloos gedaan krijgen, en dat ook telkens weer wou aantonen, ben ik tijdens een bezoekje aan vestingstad Hulst, in Zeeuws-Vlaanderen, Nederland, eens in een seksshop binnen gereden... met mijn zware elektrische buitenrolstoel. Het binnen geraken kostte mij wat manoeuvreerwerk, maar lukte wonderwel. Veel kon ik daar in dat sekswinkeltje evenwel niet uitrichten. Eigenlijk helemaal niks. Van de 'vieze' (? ;-) boekjes en films op VHS en Dvd kon ik zelfs amper met veel moeite van mijn blauwe kijkers, een glimp opvangen van de voorflappen met niets aan de verbeelding overlatende foto's en de, voor het doelpubliek wellicht aanlokkelijke titels. Je kent dat wel... of net niet.

Tussen de ruime voorraad speeltjes in een ander deel van de winkel zag ik niks dat ik niet eerder had gezien. Want zelfs zonder er ooit iets uit te bestellen, krijgen wij toch geregeld de pabo met de Post aan huis geleverd. Dus weet ik onderhand wel wat er in die branche op de markt te verkrijgen is. Dit even ter zijde. In dat enigszins gore sekswinkeltje, met nochtans ook een vrij uitgebreid assortiment aan erotische hulpmiddelen, accessoires, opblaaspoppen, lingerie, videofilms, dvd's, pretartikelen en zo meer, was evenwel niks tentoon gesteld dat me kon bekoren om over te gaan tot de aankoop ervan.

Dus keek ik maar eens even goed rond in de zaak, op zoek naar iets dat wel interessant was. Andere in de winkel rond snuisterende lui observeren was onmogelijk wegens een totale afwezigheid van potentieel cliënteel. Er was enkel de van een flinke hangbuik voorziene uitbater van de keet. Die kerel, met stoppelbaard, droeg een groezelige witte T-shirt en een versleten jeans. Zijn met veel gel ingestreken kalende haardos, was achteraan de nek in een staartje gebonden. Op zijn beide armen stonden tatoeages waarvan de kleur totaal was verdwenen. De man zat op een kruk achter zijn toonbank. En keek verveeld naar een klein tv'tje dat met een beugel aan het plafond was bevestigd. Op het kijkkastje was een zwart/witweergave te zien van een film die, naar ik kort daarna ontdekte, in een, voor de toeschouwers hopelijk kleurenversie, op groot beeld te zien was in de aan deze winkel verbonden koppelcinema. Aanlokkelijk was die pornoprent geenszins. Het verwonderde mij dan ook niet toen even later een stel zestigers de deur waarachter het bioscoopzaaltje zich bevond, openden en klaarblijkelijk onvoldaan, want met een sip gezicht, naar buiten stapten.

Misschien waren ze beter naar de, ook al in deze zaak gevestigde peepshow gaan kijken. Alhoewel, de dame die van corvee was om, middels wat uitkleden en allicht ook enige wulpse bewegingen, of althans een poging daartoe, de daarvoor betalende dames en heren op te geilen, zag er, in mijn ogen en naar mijn smaak allesbehalve aantrekkelijk uit. Vanaf mijn zitplaats op de op een prikbord bevestigde foto van de jonge vrouw te zien, althans. Zin om de deerne in het echt te aanschouwen had ik helemaal niet. En bovendien vermoed  ik dat mijn echtgenote, die bij me was, me dat ook niet had toegelaten.

Wegens het gebrek aan animo duurde het dan ook niet lang vooraleer we ons naar de uitgang van dit duistere pand begaven. Met lege handen, maar opgetogen over het feit dat ik binnen was geraakt Tevreden dat ik het toch maar weer eens had gedaan. En toen nog in de naïeve veronderstelling dat mijn bezoek aan zijn winkel, de uitbater hopelijk eens zou doen nadenken over het feit dat ook mensen in een rolstoel potentiële klanten zijn.

Probleemloos, al rollend die winkel verlaten bleek evenwel niet zo evident te zijn. Want er was, allicht als diefstalpreventie, een korte bocht, een smal sas en daarachter ook nog een soort klapdeur. Zonder hulp van derden, in dit geval mijn eega, was ik daar nooit buiten geraakt. Het viel me op dat, terwijl wij daar aan het sukkelen waren, de exploitant niet eens opkeek en alle, buiten in de winkelwandelstraat kuierende passanten, collectief de andere kant opkeken. Daarna heb ik mij dan ook nooit meer in een seksshop gewaagd. Maar gelukkig heb ik het internet en, niet te vergeten, die erotiekcatalogus van pabo, om me van het aanbod in dat marktsegment op de hoogte te houden.

Rudi, 10 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 24 februari 2010.

17-01-10

De avonturen van Rudi & Co - Zonder Co

  

Neen, ik ben niet geveld door de zon of in een diepe zomerslaap gezonken. En ook niet fysiek van de aardbol verdwenen,  Karel Van Miert, Yasmine, Farrah Fawcett, Michael Jackson en een resem andere mensen en dieren achterna. Neen, het zou wat al te gortig zijn om net nu ik een nieuwe rolstoel heb en terug enigszins mobiel ben, het tijdige te ruilen voor het permanente einde.

De reden voor mijn verminderde frequentie in het verhalen van mijn belevenissen is te wijten aan het feit dat ik mijn leven een beetje moest reorganiseren, als rechtstreeks gevolg van het sinds zaterdagochtend op reis vetrekken van mijn huisgenoten. En ik mocht inderdaad niet mee. Mijn bijdrage aan hun vakantietrip blijft beperkt tot het meefinancieren van de reis. Nochtans was ik ook wel graag eens een tijdje weg 'gegaan' van mijn vaste verblijfsstek. Helaas...

Doorheen de jaren las ik in zo vele publicaties keer op keer dat ieder mens nood heeft en recht op seks en vakantie. Wat ik ervaar in mijn omgeving is dat men er blijkbaar, ter wille van de eigen gemakkelijkheid en gemoedsrust, vanuit gaat dat ik de uitzondering ben op de regel. Wat dus een totaal foute veronderstelling is. Want het is niet omdat ik met mijn willoos lichaam in een invalidenkarretje rondcross, dat ik geen noden, verlangens noch gevoelens heb. Die heb ik wel degelijk.

Maandagnamiddag reed ik naar het oudercontact op zoon Brian zijn school. Als rolstoeler had ik het zalige genoegen buiten op de koer de leerkrachten van mijn kind te mogen spreken. Het gebouw is immers helemaal niet voorzien op zich op wielen voortbewegende medemensen.

Met het prachtige weer op die dag, was die, in wezen schandelijke ontoegankelijkheid, voor één keer geen straf, geen vernedering, maar daarentegen een zegen. Ik hoefde, in tegenstelling tot andere ouders immers niet in een, allicht door de warmte bevangen gang te gaan zitten vooraleer in een wellicht even muf klaslokaal te worden ontvangen. Neen, zalig in de schaduw van een boom vond ik mijn plekje!

Toen ik, in afwachting van een onderhoud met zijn klastitularis, door een mevrouw, naar ik vermoed werkzaam op het secretariaat van de school,  het rapport van zoon Brian kreeg overhandigd, dit met een bang hart opende en er tot mijn grote vreugde het A- attest in aantrof, raakte ik zowaar geëmotioneerd.

Gelukkig waren er geen vreemden in mijn onmiddellijke buurt, want door de emotie overmand zou spreken even moeilijk zijn geweest. Had ik dit nieuws op mijn eentje thuis vernomen, ik had waarlijk gehuild van opluchting en blijdschap. Jammer dat ik deze vreugde niet onmiddellijk met een naaste kon delen.

Een dag later was Austin zijn school aan de beurt. Per e-mail had ik met zijn klastitularis afgesproken, even voor de middag, in een lokaal op het gelijkvloers. Want ook deze school blinkt uit in haar ontoegankelijkheid voor minder mobiele medemensen.

De juf stond me al op te wachten... achter een gesloten deur. Het was dus geen slecht idee geweest om niet zonder assistente te komen, want anders had ik weer schoon alleen voor de deur kunnen staan wachten tot ik een passant kon aanspreken met het verzoek die deur voor me te openen. Met het gevaar dat ik, eens binnen, met de deur achter me dichtgeklapt, als een rat in de val had gezeten als daar niemand te bespeuren viel. Maar dat doemscenario viel me dus gelukkig niet ten deel. En ook hier ving ik een A- attest. Hoera!

Dol van vreugde ging ik, vooraleer huiswaarts te keren, een ritje maken. Onderweg at ik, in een schaduwplekje bezijden een verkeersarme straat, en met uitzicht op de spoorweg, mijn meegenomen boterhammen op. Eenzaam en alleen, want mens noch dier was te bespeuren in die buurt. Maar ik was in goed gezelschap: mijn eigen zelve!

Op weg naar huis reed ik langsheen een verpauperde volksbuurt. Uit de tegenovergestelde richting kwam een wijkagent aangereden, die even nadien de straat dwarste en zijn bromfiets parkeerde ter hoogte van een rijhuisje op de hoek. Terstond hield ik halt, want mogelijks kreeg ik aanstonds wel een interessant tafereel te zien. Met mijn GSM in de hand, veinzend dat ik aan het telefoneren was, hield ik nauwlettend de agent in het oog. En was benieuwd welk schouwspel er zich zo meteen in mijn gezichtsveld zou afspelen

De man, die zijn helm op het hoofd hield, belde aan bij het hoekhuis. Ging vervolgens twee stappen achteruit en wachtte af. Niemand deed open. Anderhalve minuut later zette de politiebeambte terug een stap naar voor en drukte met gestrekte arm op de bel.

Korte tijd later ging de deur langzaam open en verscheen er in de deuropening een knappe, niet al te grote griet van naar ik schat halfweg de twintig, met het lange blonde haar opgestoken in een dot. Het naakte lichaam nauwelijks bedekt door een minuscule bikini! Blijkbaar gegeneerd hield ze één arm voor haar boezem. Nochtans had ze volgens mij weinig te verstoppen, want voor zover ik het vanuit mijn positie kon zien was het wicht aan de voorkant zo plat als een vijg. Wat evenwel niks afdoet aan haar schoonheid!

De agent wees met zijn rechterarm naar het wel een halve meter hoog staande gras en onkruid in het amper enkele vierkante meters groot voortuintje en de vele op elkaar gestapelde, barstensvolle huisvuilzakken die ook al voor de woning een plekje hadden gekregen. Het meisje maakte met haar vrije arm wat gebaren en ik zag haar ook bevestigend met het hoofd knikken. Allicht beloofde ze de wijkagent de vuilnis op te laten ruimen en de voortuin een beetje te fatsoeneren.

Blijkbaar volstond dat voor de agent, want de man kroop terug op zijn brommertje en reed er vandoor. Toen hij me gepasseerd was, borg ik mijn mobieltje weg. Dat voorwenden aan het bellen te zijn, was immers niet meer nodig. En dat schone mokkel was al lang terug in haar huurhuisje verdwenen. En lag allicht alweer te zonnen op haar terras of koertje of in haar achtertuin.

Rudi, 1 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 15 januari 2010.

14-10-09

De avonturen van Rudi & Co - Uitschot

 

De zondag voor Kerst was ik met mijn echtgenote en kinderen op de markt die elke zondagochtend wordt ingericht op de terreinen van de oude slachthuizen in wijk Kuregem, te Anderlecht. Les abattoirs de Cureghem, zoals die plaats het best is gekend door de voornamelijk Franstalige standhouders en bezoekers.

Het was geleden van de laatste zondag van februari van dit jaar, dat we daar nog eens waren geweest. Op deze multiculturele markt, waar je zowat alles vindt wat je nodig hebt of denkt te kunnen gebruiken. Voeding en niet-voeding. In het begin van het jaar waren we er zonder de kinderen. En deed er zich een incident voor dat me toen toch wel even boos maakte.

Vooraleer, na een ochtend kuieren, het uitgestrekte terrein te verlaten, wou mijn vrouw nog op zoek gaan naar enkele producten. Aangezien ik het enigszins beu was om me, uiterst behoedzaam en traag, tussen de mensenmassa te bewegen, stelde ik voor dat ze alleen zou gaan. Ik zou blijven wachten op de plaats waar we ons op dat moment bevonden.

Zo gezegd, zo gedaan. Mijn wederhelft verdween in de mensenzee en ik keek uit naar een plekje om op haar terugkeer te wachten. Ik bevond mij aan het begin van het marktgedeelte met de groenten en fruitstandjes. Ik positioneerde mij met mijn elektrische rolstoel schuin tegenover de hoek van een kraam waar ondermeer olijven en andere (zuiderse) vruchten werden aangeboden.

Door de positie waarin ik stond, kon enerzijds iedereen aan elk product dat op die marktstand werd verkocht en anderzijds bleef er in de gangen genoeg ruimte over voor de passanten. Ik zat daar dus goed, dacht ik. En hield me ledig met het observeren van de mensen die in mijn gezichtsveld kwamen. Zelf was ik die ochtend, als steeds, alweer door honderden mensen 'aangestaard' als ben ik een buitenaards wezen, wat naar mijn weten, nochtans niet het geval is.

Ineens stond daar die standhouder voor me, met het, in het Frans uitgesproken, dwingende en dringende 'verzoek' me elders op te stellen, want ik hinderde zijn klanten. Ik weigerde resoluut! En wees die vent op de zee van ruimte om me heen. Toch wou die kerel me nog steeds weg. Ik werd boos! En zei hem mijn gedacht. In het Nederlands! Dat was voor die kerel te veel. Iemand met een handicap die mondig Is en op de koop toe in een taal sprak waarvan hijzelf nog niet eens de basis machtig is, daar had die groentenmarchand zich helemaal niet aan verwacht! En het zich rondom ons verzamelde publiek had hij vast ook liever niet voor zijn kraam. Met mij tot kalmte aanmanende handgebaren, kroop hij terug achter zijn vijgen, olijven en andere dingen die ik niet lust kraam.

Inmiddels was Caroline terug. Maar uit koppigheid bleef ik nog vijf minuten op dezelfde plaats staan. En die vent maar vies lonken. Ik sneerde hem nog toe dat, als hij, in mijn land, in mijn hoofdstad, nog iets tegen mij wou zeggen, hij er voor moest zorgen mijn taal machtig te zijn. De man keek me toen aan als een koe die moet kalveren, of net gekalverd heeft, dus in elk geval nogal dwaas, waaruit ik afleidde dat die sukkel van mijn betoog geen jota begreep!

Dat was dus begin 2008. Nu terug naar zondag jongstleden. Als steeds, was het erg druk op de markt. We slenterden met ons vieren enkele uren rond en deden wat inkopen. Vooral kledij voor Brian en Austin. Die hebben regelmatig nieuw lichaamsbedeksel nodig. Omdat ze in de groei zitten! Zogezegd! En de ouders blijven status-quo qua grootte en moeten het dus maar stellen met de kleding die reeds in hun kast hangt! Zo gaat dat nu eenmaal als je kinderen hebt. En ik heb daar helemaal geen moeite mee.

Het was kort na de middag en we waren reeds op weg naar de uitgang van het, deels overdekte, marktterrein. Ik reed voorop. Iemand moet de leiding nemen, nietwaar?! Mijn rolstoel wiebelde een beetje. Ik dacht dat mijn zoons me aan het jennen waren, dus reageerde niet. Om hun pret te bederven. Hahaha! Er is wel wat meer nodig om me uit mijn tent te lokken!

Ineens hoorde ik hun mama iets schreeuwen. Een overdreven reactie op wat de jongens met me deden? Ik zag ineens iemand van achter mij vandaan komen, en haastig wegstappen. Neen, twee personen zelfs! En niet mijn jongens, maar wel jongelui. Een grote en een kleine. Ik stopte en wachtte op mijn gezellen, om verduidelijking te krijgen over wat er aan de hand was.

De verklaring kwam er snel. Austin had iemand betrapt terwijl die trachtte de rits van mijn rugzak te openen. Austin had onmiddellijk met zijn vlakke hand op dienen gast zijn vingers getikt! De kleinste van de twee, even voordien wegsnellende jongeren. En Caroline had hen kwaad toegeschreeuwd. Had ik onmiddellijk geweten dat die twee wegvluchtende gasten me hadden trachten te beroven, ik had ze terstond aangereden, zodat ze met hun klikken en hun klakken in een groentenkraam terecht kwamen. Met wat geluk, en liefst, in dat van die onsympathieke olijvenverkoper!

Ironisch genoeg had ik, in tegenstelling tot wat ik doorgaans altijd doe, mijn gezellen bij het betreden van de markt, deze keer NIET gewaarschuwd voor zakkenrollers, tasjesrovers en andere straatbandieten. En weerklonk er, net na dit voorval, voor het eerst die dag, uit de her en der opgehangen luidsprekers, een schel klinkende mannenstem die ons waarschuwde op onze hoede te zijn voor gauwdieven!

Je mag van me denken wat je wilt, maar ik heb mijn kinderen aangeraden om, als ze nog eens iets dergelijks zien, zulke kerels dan meteen met hun voet een flinke trap op de kin te geven. Gevolgd door een fameuze schop tussen de benen. De aanval is immers de beste verdediging! En die boeven verwachten geen verweer, weten dat zij in de fout zijn, en zullen steeds trachten er zo snel mogelijk van onder te muizen! Ze zullen vechten om andermans bezit in handen te krijgen, maar niet om hun eer. Want dat hebben die gasten niet; net zo min als normbesef. Vandaar dat het goed kan zijn ze eens een fikse rammeling te geven. Dan houden ze zich vast, op zijn minst, een tijdje gedeinsd!

Met gauwdieven en ander gespuis en uitschot, heb ik totaal geen compassie. Zelfs niet in de  Kerstperiode. Maar ik heb wel expres gewacht met dit verhaal te schrijven en te publiceren tot na Kerstmis. Want ik ben de dagen voor en na Kerstdag toch ook liever bezig met leuke, vredige gebeurtenissen. En met mij het gros der mensen, veronderstel ik. Vrede op aarde aan elkeen die met haar of zijn pollen afblijft van andermans bezit!

Rudi, 27 december 2008 (revisie op 14 oktober 2009)

10-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 3


Het exact aantal dagen dat ik doorbracht op 'I.Z.', dat kan ik me niet herinneren. Een kleine week, vermoed ik. Maar uuiteindelijk mocht ik dan toch verhuizen naar de verzorgafdeling pneumologie. Wat was ik blij weg te zijn uit dat zottenkot! Maar op de verpleegafdeling waar ik toen terecht kwam, en waar in de decoratie en aankleding van de kamers de kleur geel gelukkig niet (meer) domineerde, ging het er eigenlijk helemaal niet beter aan toe, zo zou ik spoedig merken.

Mijn oom had mijn rolstoel reeds overgebracht. En omdat ik die perse in mijn kamer wou, had men het tweede bed er uit verwijderd, zodat er wat manoeuvreerruimte was. Want gebruik maken van de techniek van de transfer middels een draaischijf, dat zagen de verpleegkundigen op die afdeling niet zitten. Sukkels! Om mij te verplaatsen van bed naar rolstoel en omgekeerd, hadden ook zij dus een tillift nodig.

Elke dag, na gewassen te zijn, en in mijn pyjama gestopt, werd in dus verplaatst van mijn bed naar mijn rolstoel. Waarin ik dan de ganse dag bleef zitten. Luisterend naar muziek, of werkend aan mijn laptop, die ik had laten meebrengen van thuis. Een televisie had ik ook ter beschikking, maar wat daarop te zien was kon me slechts zelden boeien.

Er werkten op de afdeling een aantal heel lieve verpleegkundigen, jonge en minder jonge. Maar er was daar ook een feeks van een ancien tewerk gesteld, die de werklust van haar collega's en hun aandacht voor de patiënten, niet kon waarderen. En zij zwaaide daar blijkbaar de plak. Zelf de veel jongere hoofdverpleegster had ze blijkbaar in haar macht. Een heel rare situatie vond ik dat. Verplicht lang durende koffiepauzes en verpleegsters die me stiekem kwamen helpen buiten de vaste verzorgtoer.

Met twee schoolgaande kinderen thuis en plots alleen gevallen bij het beredderen van ons huishouden en met het bijkomend probleem van de afstand tot de kliniek, kon mijn vrouw slechts nu en dan en dan telkens maar voor korte tijd, bij mij op bezoek komen. Maar toen ze er dan wel eens was, wou ik dat we rustig konden praten en samen mijn door haar meegebrachte briefwisseling doornemen. Haar belasten met het ontlasten van het ziekenhuispersoneel, was wel het laatste dat ik wou!

Maar deze laatst genoemden dachten daar anders over. Allicht onder de negatieve invloed van die eerder vermelde helleveeg. Lafaards! Tijdens zo een bezoekje moest ik op een gegeven moment plassen. Dus drukte ik op het knopje waarmee een belletje afging in mijn kamer en in het verpleeglokaal en, in de gang, het lampje boven de deur van mijn kamer, rood kleurde. Een minuut of vijf later stak een, al wat oudere verpleegster, haar domme kop binnen en vroeg verveeld of het dringend was, want ze had niet onmiddellijk tijd. Toen ze, alweer een minuut of vijf later, mogelijks waren het er zelfs tien, terug in mijn kamer kwam, zag die trut er nog steeds ontstemd uit. Ze vond het vervelend dat ik niet wou wachten op hulp tot ze een half uur later aan haar late namiddag verzorgronde zou beginnen.

Terwijl ze mijn plasser in de urinaal stopte, en ik enkele keren zachtjes op de zijkant van mijn buik klopte om de boel in gang te zetten, vroeg ze me op gedempte toon, met haar heksenkin wijzend naar mijn, ondertussen documenten invullende eega, of dat niet mijn vrouw was. Terwijl het plassen startte, beantwoorde ik haar vraag met een ja. Waarop dat wijf verontwaardigd repliceerde dat ik mij dan toch door haar had kunnen laten helpen? Waarop ik reageerde met het antwoord dat ik er nog niet aan dacht mijn vrouw, niet tewerkgesteld in die kliniek, een job te laten doen waarvoor de vrouw, die mijn plasser vast hield, werd bezoldigd! Die uitleg viel niet in goeie aarde. Maar dat zou mij een zorg wezen. Mijn echtgenote was niet naar me toe gekomen om me te verzorgen, maar om me te  bezoeken!

Dat mens werkte dan toch de klus af. Propte mijn nog nadruppelende penis in mijn pyjamabroek, zodat die vochtig werd en ging al morrend de urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er alweer niet bij. De, van de nog aan de rand hangende pis, stinkende plaskan, werd met een smak op mijn nachtkastje gedropt. Voor de verandering eens niet naast iets eetbaars. Het dom schepsel verliet boos de kamer. Mijn opmerking dat ze mijn broek had natgemaakt door ongeconcentreerd en onzorgvuldig te werk te gaan, daar antwoordde ze niet eens meer op.

Een poosje later kwam er een logistiek assistente de kamer binnen. Met mijn avondmaal. Die floot ik ook terug toen ze zei dat mevrouw me zeker wel zou helpen? "Neen" antwoordde ik, "mevrouw gaat mij niet helpen. Mevrouw gaat zo meteen naar huis, waar werk op haar ligt te wachten, dat ze zelfs niet eens kan trachten op een ander af te schuiven!" Het wicht keek me even verbaast aan en zei dan dat ze terug bij mij zou komen eens alle maaltijden waren bedeeld. Die vroeg zich wellicht af hoe het kwam dat ik reageerde alsof iets mij misvallen was, terwijl ik nog niet eens iets had gegeten!

Mensen toch, wat een rotte mentaliteit heerste daar op de afdeling! En, hoewel sommige jongere vrouwen ook in hetzelfde bedje ziek waren, betrof het vaak zo van die rijpere vrouwen, die nog net niet in de overgang zijn, en tijdens de periode van hun maandelijkse regels, de last die ze daarvan hebben, milderen voor zichzelf, door de personen die ze worden verondersteld te verzorgen en gerust te stellen, te kwellen met eigen, verzonnen regeltjes.

Of zijn het van die kakmadammen die hun slip of string te hoog hebben opgetrokken, in een ijdele poging daarmee hun loddergat een iets minder neerwaarts hangend en wat strakker aanzien te geven. En de frustratie van het falen van deze truc en de pijn die ze hebben van die snijdende randen van dat ondergoed in hun lies, spleet en reet, uitwerken  op hun patiënten. Ongehoord is dat!

Het kunnen er trouwens ook zijn die voortdurend ongemakkelijk lopen omdat ze heimelijk lesbienne zijn. En door de aanwezigheid van hun talloze vrouwelijke collega's, onophoudelijk opgewonden zijn. Wat zich uit in het steeds vochtig zijn van hun poes, waardoor deze haast onophoudelijk in een toestand verkeert van net niet verzuipen.

Zo, daarmee zijn die gedachten en gevoelens ook eens uit mijn brein gehaald en publiekelijk gemaakt. Voor alle duidelijkheid: in zowel deze kliniek, als die waar ik eerst verbleef heb ik ontzettend veel plichtsbewuste, slimme, inventieve, lieve mensen ontmoet, voor wie geen enkele moeite te veel is. Het heeft niks met leeftijd te maken. Sommige oudere verpleegsters zijn duidelijk uitgeblust, maar meestal zijn dat wel net diegenen die al gans hun carrière liever lui zijn dan moe en totaal geen inlevingsvermogen hebben. Onder de jongere heb je er ook die geen fluit waard zijn.

En soms was het echt wel van dom, dommer, domst. Zo was er een verpleegster aan wie ik uitlegde hoe ik het liefst werd gewassen. En dat ik tijdens de wasbeurt graag een badhanddoek over me heen had. "Geen sprake van" luidde haar repliek, "want dan kan ik niet zien wat ik aan het doen ben!" Het huilen stond me nader dan het lachen terwijl ik dat kalf dan toch maar rustig en geduldig uitlegde dat het lichaamsdeel dat ze waste uiteraard wel mocht worden ontbloot. Ze keek me nog steeds 'het niet begrijpend' aan. Gelukkig kwam er toen net een collega van haar mijn kamer binnen en deed die het haar even voor.

Een andere keer stonden ze met vier aan mijn bed om me te verzorgen. Een mannelijke en een vrouwelijke verpleegkundige en twee verpleegstertjes in opleiding. Zoals ik bij aanvang van dat toilet had kunnen voorspellen, ging het helemaal mis. Ze stonden gedurig in elkaars weg, of de ene wreef zeep op een lichaamsdeel dat de andere reeds had afgespoeld en afgedroogd, en bij het op mijn zij draaien werkten ze elkaar ook ongewild tegen.

Men was nog bezig met mijn verzorging toen er een vijfde collega verscheen. "Ha, jullie zijn bezig met vier", zei ze "Zoals bij hem thuis!" De mannelijke verpleger keek diep verbaast en ongelovig, eerst naar zijn collega en toen naar mij. En vroeg vervolgens of ze mij inderdaad met vier kwamen verzorgen. Zijn collega antwoordde in mijn plaats: "Dat heeft mijnheer mij toch gezegd!"

Ik had die dame inderdaad tijdens een eerdere verzorgingssessie gezegd dat er bij mij thuis vier verpleegkundigen over de vloer kwamen. Waarop zij blijkbaar verkeerdelijk had verondersteld dat die steeds allemaal samen mijn verzorging deden. Dus legde ik nu aan die domme geit en de vier anderen uit dat er inderdaad vier verpleegkundigen kwamen om mij tweemaal daags te verzorgen, maar dat ze werkten in een roulatiesysteem, waarbij er telkens slechts één van hen aan mijn bed stond.

Wat mijn fysische toestand betreft, was die ongewenste slijmvorming jammer genoeg niet weg gebleven bij het wisselen van afdeling. De frequentie van me in een toestand van ademnood bevinden was gelukkig wel reeds afgenomen Maar af en toe zaten mijn luchtwegen terug vol met taaie, hardnekkige slijmen.

Zo ook de tweede nacht van mijn verblijf op pneumologie. Ik verwittigde de verpleging middels mijn bedbelletje. De kinesist van wacht werd er bij gehaald. Die kwam pas een hele tijd later. Naar eigen zeggen omdat hij eerst nog op intensieve zorgen had moeten assisteren bij de reanimatie van een kindje. Een actie met een succesvol resultaat, overigens. Ook mij kon de man helpen. Middels tapoteren, gebruik van de kuchassistent en aspireren, verloste deze paramedicus me van de mij kwellende slijmen.

Toen ik de volgende nacht weer last had van slijmvorming, wou de nachtzuster evenwel de kinesist niet oproepen. Twee dagen na elkaar, voor hetzelfde probleem, dat kon volgens haar niet. Tenzij het echt dringend was en dus niet anders kon. Volgens haar was mijn bijna in het slijm stikken dus niet echt urgent?! Ze vond de nachtrust van de kinesist belangrijker dan mijn ademnood. En begon zelf op een amateuristische wijze te knoeien met de cough assistent en een aspiratietoestel.

De nachtverpleegster zei dat de mensen van de wachtdienst niet te veel mochten gestoord worden, want ze hadden niet graag dat ze telkens weer uit hun slaap werden gehaald. Worden die dan niet betaald om wakker te blijven? Ja, toch? Maar ik weet wel hoe dat in elkaar zit hoor. Zij hebben vaak ook een privépraktijk. En als ze dan 's nachts een wachtdienst 'lopen' zonder 'oproepen', dan kunnen ze de ganse nacht door slapen en uitgerust en met een frisse kop de job in hun privépraktijk aanvatten. En is het extra inkomen uiteraard gemakkelijk verdiend!

Op zich kan je het die mensen niet kwalijk nemen gebruik te maken van de hen aangereikte mogelijkheden. Maar dat men' hen ontziet ten nadele van de patiënten, dat vind ik helemaal niet logisch en normaal. Maar dat systeem is blijkbaar de ziekenhuiscultuur binnen geslopen en wordt als logisch aanvaard. Misschien zelfs vaak zonder dat zij die er profijt van hebben, er ook van op de hoogte zijn.

Enkele dagen na mijn aankomst op de verzorgafdeling, trachtte ik geleidelijk aan weer te eten. Het voedsel werd me gegeven door een verpleegster, een verzorgende, een logistiek assistente of een stagiaire in opleiding voor één van voornoemde beroepen. Doordat zij het eten in mijn mond stopten, kon ik mij zelf volledig concentreren op het kauwen en doorslikken van het voedsel.

Drinken zonder verslikken, dat lukte niet. Tot een vriendin van me, die verpleegster is, met de suggestie kwam om mijn drankjes middels een poeder te verdikken, en dus papperig te maken. Dus vroeg ik daar naar bij de verpleging, die een doosje van dat spul voor mij bestelde bij de centrale apotheek. Waardoor ik er reeds enkele uren later de beschikking over had.

Met dat poeder verdikt water drinken zonder me te verslikken, lukte. Maar dat papje was slecht van smaak! Koffie met dat poeder was verschrikkelijk! Enkel fruitsap was drinkbaar en behield ook enige smaak.

Toen mijn toestand nog wat meer was verbeterd mocht ik ook al eens mijn kamer verlaten. En aangezien het weekend was en mijn kroost bij me op bezoek was, kon ik met hen op 'stap'. Een kleine zuurstoffles werd in een daarvoor gemaakte rugzak gestopt, die één van mijn zoons op de rug nam. Zo bleef ik voorzien van wat extra luchttoevoer, middels een neusmasker, verbonden aan die fles. De zakken suikerwater en medicatie, die aan mijn infuus waren verbonden, werden op een mobiele, verrolbare houder bevestigd, die mijn ander zoontje voor zich uitduwde.

Aldus vertrokken we op wandel. Mijn zoon vond het rondstappen met die zuurstoffles in een tas op zijn rug best cool! Het zag eruit als de luchtvoorziening bij een duiker. Zelf vond ik de door de luchtslang teweeg gebrachte fysieke verbondenheid met en de afhankelijkheid van mijn zoontje, best aangenaam. Zou dat continue afhankelijk zijn van zuurstof trouwens mijn nieuwe toekomst zijn?

Wat mij helemaal ontstemde was het feit dat men luidop plannen maakte om me enige tijd te laten revalideren in het centrum waar ik, als jonge dertiger, na die desastreuze nekoperatie, in de jaren 2000/2001 anderhalf jaar van mijn leven doorbracht. De arts die verantwoordelijk was voor de verdieping waar ik nu verbleef was gelukkig een goeie man. Eén die luisterde naar wat ik te vertellen had en er ook naar handelde. En mij geenszins wou dwingen tot iets waar ik niet voor te vinden was.

Aangezien er blijkbaar geen enkele specialist in 'huis' was die ook maar enig idee had van wat de oorzaak was van mijn problematiek, had ik, na veel nadenken, wat geen probleem was aangezien ik alle tijd voor handen had, en grondig lezen in mijn medische encyclopedie, zelf een eigen diagnose gesteld. En hieromtrent vervolgens een theorie ontwikkeld, waarmee ik voor de dag kwam toen de arts met zijn gevolg op ronde was en daarbij mijn kamer aandeed.

Om zeker niks te vergeten zeggen of vragen, had ik alles wat ik in gedachten had, op enkele papiertjes laten noteren door mijn bezoekers en al eens een verpleegster, of een studente verpleegkunde. Zelf met een pen schrijven kan ik door die verlamming immers niet meer, en ik had geen printer bij de hand om mijn laptop te gebruiken en de daarop neergetypte ideeën dan uit te printen. Bovendien was het praktisch gezien niet steeds mogelijk om van mijn schootcomputer gebruik te maken.

De dokter kon zich vinden en was bereid me te volgen in mijn visie dat zelfs een niet medisch opgeleide patiënt, in casu ik, toch de beschikking heeft over de meeste kennis van diens eigen lichaam, het eigen medisch levensverloop en ziektebeeld, en mogelijks de juiste conclusies kan trekken uit wat hij voelt en weet, of althans de behandelende arts naar de juiste denkpiste kan leiden.

Zo kon ik dus mijn met redenen omklede opinie uit de doeken doen. Het had er naar mijn mening alle schijn van dat het niveau van mijn nekletsel zich steeds meer hogerop verplaatste. Wat ik afleidde uit de volgorde van de lichaamsfuncties die (deels) uitvielen. Er was de zindering in mijn linker arm, een verminderde werking van mijn slokdarm, middenriffunctie & longen die faalden... Waaruit ik concludeerde dat de oorzaak van mijn problematiek mogelijks zou kunnen te vinden zijn in een opeenhoping van spinaal vocht langsheen mijn ruggenmerg.

Om mijn theorie en vermoedens naar juistheid te toetsten, achtte ik het nuttig enkel gespecialiseerde onderzoeken te ondergaan. Een sliktest en röntgenfoto's, CT-scan & NMR-scan van mijn nek. De arts stemde er mee in en gaf orders aan zijn assistenten om de afspraken te regelen. Inmiddels was Kerst in aantocht. Wat de dokter betrof mocht ik deze dagen thuis doorbrengen, en daarna terug komen. Maar ik prefereerde te blijven tot alle bijkomende onderzoeken waren verricht. En ik het resultaat van de slikfunctietest door de neus-keel-oorarts zou gekregen hebben, en een onderhoud had met de neurochirurgen, om op basis van feiten, RX-foto's & CT-scan voorlopige conclusies te trekken. Want, gezien de lange wachtlijst voor dit onderzoek, zou het nog wel enkele weken duren vooraleer een NMR-scan zou kunnen genomen worden.

Ik verzocht de arts evenwel reeds het centraal katheder te laten verwijderen aangezien daar geen nood meer aan was, gezien het feit dat ik reeds sinds enkele dagen at en dronk en geen intraveneuze medicatie meer kreeg toegediend.

Tevens meldde ik de man nog steeds in afwachting te zijn van de beloofde ademhalingstherapie en hoestoefeningen. En het aanleren en geven van instructies aan de mensen uit mijn omgeving om mij te helpen met hoesten. Door het drukken op mijn borstkast bijvoorbeeld?

En dat ik een antwoord wou op de vraag wat ik, eens thuis, moest aanvangen indien ik me verslikte of als gevolg van een andere factor, in ademnood geraakte. In mijn eigen woning had ik immers geen kuchassistentietoestel, noch een aspirator. Uiteraard bleef de man me het antwoord op deze vraag schuldig. Er zou worden nagekeken waar in de buurt van mijn woning een therapeut was gevestigd die een kuchtoestel bezat en deze techniek toepaste. Hoe ik, niet over een eigen voertuig beschikkend, op God weet welk onmogelijk tijdstip dat ik er dringend nood aan had, dan tot aan die praktijk zou geraken, mocht Joost weten. Want de dokter wist het niet.

Op mijn vraag om zuurstof voor te schrijven voor bijbeademing 's nachts ging de arts niet in. Dat ik tijdig diende verwittigd te worden bij een nakend ontslag zodat ik bijtijds vervoer kon regelen, daar zou hij de hoofdverpleegster over laten waken.

Dat tot na de Kerstperiode in het ziekenhuis blijven was een foute beslissing, zo bleek achteraf. Want eens die hoofdarts, die blijkbaar tijdens de Kerstdagen vrijaf had, van het toneel was verdwenen, hadden die pestverpleegster en haar gevolg vrij spel. Nu waren ze nog pissiger omdat ik een dokter had die naar me luisterde. Wat zij klaarblijkelijk niet konden verdragen. Is het niet vanzelfsprekend dat patiënt en arts hun kennis bundelen en samen naar een oplossing zoeken? Voor sommige mensen, zelfs medisch geschoold, dus blijkbaar niet.

Begrijpen die ook niet welke trauma's hun pestgedrag bij de patiënten kan aanrichten? Mogelijks zijn de meeste van hen er zich niet terdege van bewust welke, vaak blijvende psychische schade ze toebrengen door hun houding en gedrag. Wat dit evenwel geenszins rechtvaardigt, Wordt daar in hun opleiding geen aandacht aan besteed? Of hebben die niet opgelet tijdens de colleges waarin het gedrag van de zorgverlener ten overstaan van de zorgvragende werd behandeld? Allicht durven veel mensen, omwille van hun afhankelijkheid, niks te zeggen over onbetamelijk gedrag vanwege het verzorgend personeel of anderen. En doen ze dat ook niet achteraf, eens ze de kliniek hebben verlaten. Net zoals ikzelf redeneren die mensen allicht dat het dan toch geen zin meer heeft en ze hun energie beter aanwenden voor hun verder genezingsproces. En dat ze beter die nare ervaringen vergeten dan er nog verder mee bezig te blijven, zonder dat het hen een meerwaarde oplevert.

Kerstavond bracht ik dus alweer door zonder mijn gezin. Op Kerstdag kwamen ze even op bezoek. Maar het vooruitzicht binnenkort meer te weten over de oorzaak van mijn problemen, en vervolgens hopelijk een doeltreffende remedie te vinden om er een einde aan te maken en een herhaling in de toekomst te voorkomen, verzachtte het leed van het niet gezellig thuis, in gezinsverband kunnen doorbrengen van deze feestdag.

Met mijn longarts had ik afgesproken te wachten met naar huis gaan tot de zaterdag voor oudejaarsavond, een dag die toen op een zondag viel. Hij zou dan op vrijdag een persoon bij me op de kamer laten komen met een nieuw soort van bijbeademingstoestel, dat ik dan thuis 's nachts zou moeten ophebben. Happig was ik niet op het gebruik van zulk een apparaat, want ik had er, op deze dokter zijn advies en voorschrift, jarenlang één ter beschikking gehad. Ter bestrijding van mijn slaapapneu. Dat is een kwaal die, bij hen die er aan lijden, waaronder ik dus, nachtelijke desaturatie veroorzaakt. Wat wil zeggen dat die mens gedurende het nachtelijk slapen verschillende keren stopt met ademen. Telkenmale gedurende tientallen seconden tot zelfs enkele minuten!

Die zogenoemde CPAP (Continuous Positive Airway Pressure - voortdurend positieve druk in de luchtwegen) was een luidruchtig ding, met een veel te krachtige, agressieve druk, die mij bij het gebruik ervan de slaap onmogelijk maakte en een veel te hevige luchtstroom door mijn neuskanaal stuwde, en daarbij ook nog eens mijn slijmvliezen uitdroogde. Waardoor ik al helemaal niet meer kon ademen. En fysiologisch water nodig had om daar iets aan te verhelpen.

Maar het nieuwe apparaat was beter, zo verzekerde de longarts me. Stiller werkend, met een regelbare luchtstroom en voorzien van een luchtbevochtiger.

De laatste twee onderzoeken vonden op dezelfde dag plaats. De woensdag na Kerstdag. Eén voor de middag, en één kort na de middag. Een verpleegster maakte mij klaar voor de verplaatsing per bed, door een deken op mijn lichaam te leggen om me warm te houden, en een kleine zuurstoffles aan het voeteinde van mijn bed te hangen, zodat mijn bijbeademing gegarandeerd bleef. Voor ik vertrok vertrouwde ze me nog toe dat ik er niet op moest rekenen om bij mijn terugkomst nog eens opgezet te zullen worden. Haar boosaardige collega, waar elkeen omwille van haar pestgedrag, schrik voor had, had al luidop en met een reeds bij voorbaat van pret doordrongen stemgeluid, verkondigd dat ze niet zou dulden dat één van hen de namiddagroutine zou verstoren door me in mijn rolstoel te plaatsen.

Zoals dikwijls gebeurt bij onderzoeken, diende ik nogal veel te wachten. En werden de afgesproken tijdstippen niet gehaald. Omdat er al eens een dokter werd weggeroepen, een onderzoek langer duurde dan gepland, er een technisch probleem optrad, er iemand voorrang kreeg omwille van hoogdringendheid...? Weet ik veel. Toen ik, na de onderzoeken, in de namiddag, met behulp van iemand van het patiëntenvervoer, gelegen in mijn bed, terug op de afdeling en in mijn kamer arriveerde, had de bezoektijd reeds een aanvang genomen. Mijn vrouw zat ook al op me te wachten.

Onmiddellijk drukte ik op mijn bedbelletje. En toen na enige tijd een verpleegkundige verscheen, vroeg ik haar vriendelijk om in mijn rolstoel te worden gezet, want daar had ik nu toch wel even nood aan. Als reactie kreeg ik te horen:  "Sorry, maar daar is het nu te laat voor!" En ze sprak die woorden uit vol leedvermaak. Mijn argumentatie dat mijn lichaam daar nood aan had als voorbereiding op mijn naar huis gaan, waar ik op zijn minst 14 uur na elkaar uit bed zou zijn, en ook op mentaal vlak naar enkele uurtjes opzitten verlangde, daar luisterde ze niet eens naar. Zij, noch haar collega's hadden tijd om mij uit bed te halen en in mijn rolstoel te zetten, en daarmee basta! Waarop ze snel verdween om haar collega's te gaan vervoegen in het verpleeglokaal dat zich schuin tegenover mijn ziekenhuiskamer bevond. En waarvan het geluid van de leute die ze blijkbaar hadden, doordrong tot in mijn kamer. Ziedend van woede was ik. Toen ik kort daarna de longspecialist door de gangen zag stappen, vroeg ik aan mijn echtgenote om hem achterra te gaan en de man te verzoeken even tot bij mij komen.

Kort daarop was mijn vrouw terug in mijn kamer. Met de arts. Aan wie ik, nog opgewonden, het ganse verhaal deed, inclusief mijn argumentatie. De man vergoelijkte evenwel al lachend de verpleegster. Hij dacht allicht: "die patiënt is binnen twee dagen weg, maar met die verpleegster heb ik nog langer te maken." De arts wou de verpleegster niet sommeren mij toch voor enkele uurtjes in mijn rolstoel te zetten. Die reactie en houding maakten mij zo mogelijk nog bozer. En ontnamen me terstond alle vertrouwen dat ik tot dan toe in die specialist had. Dus zei ik hem dat, als het zo zat, ik niet langer in dat ziekenhuis wou blijven. En er vandoor zou gaan van zodra ik vervoer kon vinden.

De longarts zei me enkel schamper dat ik dan wel dat beademingsapparaat niet kon testen en mee naar huis nemen. Maar dat argument was niet krachtig genoeg om me op mijn besluit te doen terugkomen. De arts kon, wat mij op dat moment betrof, de pot op met dat toestel! En met die feeks van een verpleegster erbij!

Ik belde de vervoersdienst en kreeg geregeld dat ik de volgende dag kon worden opgehaald en naar huis gebracht. Mijn echtgenote verliet het hospitaal en toen 's avonds mijn ouders bij me op bezoek kwamen, gaf ik hen reeds het grootste deel van mijn spullen mee. Zodat het ziekenhuispersoneel de volgende ochtend enkel nog mijn toiletgerief en nachtkledij bij elkaar zouden moeten rapen en in een tas stoppen om met me mee te geven naar huis.

Zo verliet ik op donderdag 28 december 2006 het grote ziekenhuis, en liet me thuis brengen met het door mij bestelde, van een chauffeur voorziene rolstoelbusje.

Het door hoofdverpleegster Fatima in elkaar gestoken eindejaarsconcert, waarop ik was uitgenodigd en dat gepland was voor de volgende dag, op vrijdag, van 15u tot 16u, zou dus doorgaan zonder mijn aanwezigheid. Alsof dat ook maar iemand iets kon schelen.

Toen ik 's avonds thuis wat bekomen was, vroeg ik hulp om mijn tassen te ledigen en stelde ik vast dat men potverdorie was 'vergeten' om me mijn medicatie mee te geven! Dus diende mijn echtgenote die avond nog naar de kliniek te rijden om mijn slaappillen en andere medicatie op te halen. Bleek dat ze die gewoon bij hun voorraad hadden gevoegd! Terwijl dat medicamenten waren die ik van thuis uit naar het ziekenhuis had meegebracht!

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 8 september 2009)

31-07-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 1


Het werd een Kerst in mineur voor schrijver dezes. Begin september 2006 raakten mijn longen geïnfecteerd door een virus. Dat zorgde voor kortademigheid. Gezien mijn longcapaciteit, als gevolg van mijn verlamming, bij een normale lichaamsconditie slechts net voldoende is om zelfstandig te kunnen ademen, had ik dus te maken met een ernstig probleem. Eén huisarts, twee specialisten, drie antibioticakuren en een griepvaccinatie verder, kwam daar nog bij dat enorme speekselfluimen in mijn luchtpijp mij bij wijlen in acute ademnood brachten. Zodat ik dreigde te stikken! Omdat ik niet de kracht had om dit slijm op te hoesten. Bovendien had ik bij het eten en drinken ook alsmaar meer moeite om het voedsel en de drank door te slikken.

En mijn lichaam reageerde uiterst heftig telkenmale deze problemen zich voordeden. Als ik door mijn verpleging of kinesist in bed werd gelegd, zette alles zich dicht,. De spieren van mijn buik en middenrif knepen als het ware mijn longen en luchtpijp samen, met als gevolg dat ik dan steeds snakte naar adem en hevig pufte van benauwdheid. Derhalve durfde ik niet meer geheel neer te liggen en trachtte ik in een half zittende positie te slapen.

Begin december ging ik op een zaterdagavond met mijn kroost naar de film. De Nederlandstalige film 'Windkracht 10' werd immers vertoond in het Cultureel Centrum van mijn woonplaats, en ik had voor kaarten gezorgd. Die dag had ik nauwelijks iets gegeten, want ik verslikte me voortdurend, wat angstaanjagend was en me dus enorm veel schrik bezorgde. Doodziek reed ik met mijn twee jongens naar die locatie. Omdat ik dacht dat de film me verstrooiing zou brengen. Tijdens de filmvoorstelling zat ik evenwel voortdurend naar adem te snakken.  En me af te vragen of ik na de voorstelling niet best meteen naar het daar dichtbijgelegen ziekenhuis zou rijden. Maar wat dan met de jongens, zo vroeg ik me af. Vandaar dat ik, na het einde van de film, samen met de fietsende zonen huiswaarts keerde.

Aangezien ik het niet aandurfde om me door mijn thuisverpleegkundige in bed te laten leggen, bracht ik de nacht door, al zittend in mijn rolstoel. Met mijn pyjamavestje aan en een deken over mijn ganse lichaam gelegd. Het was een vreselijke, slapeloze nacht, die ik al reutelend en snakkend naar adem doorspartelde. Op zondagochtend, de derde dag van de maand december 2006, liet ik me, uitgeput en ten einde raad, net voor de middag, met het busje van het rolstoelervervoer, georganiseerd door het locale O.C.M.W., naar het plaatselijke algemeen ziekenhuis brengen. Mijn éne tienjarige zoon reed mee met mij, zijn tweelingbroer en hun mama volgden met de auto. Voor mijn vertrek had ik mijn gezinsleden nog alle medicatie, toiletspullen, pyjama en zo meer in een plastic zak laten proppen.

Ik had hoge koorts en was helemaal op. Angstig, omdat nu en dan mijn luchtpijp nagenoeg volledig dichtslibde, waardoor ik geen enkele klank meer kon uitbrengen en nog nauwelijks kon ademen. Waarbij ik me bewust was van het gevaar dat er ten gevolge hiervan onvoldoende zuurstof naar mijn hersenen zou worden gestuwd, met mogelijks het afsterven van hersencellen tot gevolg. Met extra lichaamsfunctieverlies! Voorwaar geen prettige gedachte.

Daarbovenop was ik ontzettend moe door een gebrek aan slaap, het urenlang luisteren naar mijn eigen eentonige gereutel, mijn terechte vrees voor hersenbeschadiging en het onophoudelijk geconcentreerd ademen om toch nog wat hoogst noodzakelijke zuurstof in mijn corpus binnen te krijgen.

Ik ging binnen via de spoed, alwaar ik goed werd opgevangen door de verpleegkundige van dienst en het geluk had op een dokter van wacht te stoten met een grote luisterbereidheid. Geheel naar mijn wens werd ik niet op een bed gelegd en werd er, door een inderhaast opgeroepen chirurg, een centraal veneuze katheder aangebracht. Een kunststof slangetje, dat in tegenstelling tot een gewoon infuus, niet in een dunne ader in arm of been, maar in een groter bloedvat onder het sleutelbeen wordt aangebracht. Eén van de voordelen hiervan is een grotere bewegingsvrijheid.

Ik kreeg een kamer toegewezen op een verzorgafdeling. Mijn toekomstige kamergenoot keek raar op toen het naast hem staande lege bed naar buiten werd gerold en ik in mijn rolstoel in de plaats kwam.  Ik was nog maar pas geïnstalleerd of men kwam me reeds halen voor het maken van een medische beeldplaat. Er werd een Röntgenfoto genomen van mijn longen. De arts hielp zelf om dit voor elkaar te krijgen omdat deze handeling, met mij in mijn rolstoel, helemaal niet eenvoudig was.

Uiteindelijk achtte men het toch meer aangewezen om me onder te brengen in een box op de dienst intensieve zorgen. Ik kreeg een zuurstofmasker op neus en mond gedrukt, waarna ik het iets minder benauwd had en men verbond mijn lichaam aan allerlei apparaten. Zodoende kon men op allerhande schermpjes continu mijn bloeddruk, hartslag, zuurstofsaturatie en zo meer af kon lezen. Mijn antibiotica, waarvan ik, bang om er in te stikken, de laatste pillen niet meer had ingenomen, werd nu intraveneus ingebracht. Mijn gezinsleden gingen huiswaarts en ik was ervan overtuigd dat ik een dag of drie later hetzelfde zou kunnen doen.

Inmiddels was mijn toestand er uiteraard niet vanzelf op vooruit gegaan. Ik zat afwisselend te hoesten, te puffen en reutelend naar adem te snakken. Met een buisje, verbonden aan een vacuümsysteem, trachtte men via één van mijn neusgaten, of de mond en keelholte, tot bij de fluimen te komen die mijn luchtpijp afsloten, en deze zo af te zuigen. Dit, wat men in vaktermen 'aspireren' noemt, lukte evenwel niet goed. Bij de ene verpleegster ging het nog minder goed dan bij de andere. Slechts nu en dan leidde deze therapie tot enig resultaat. Meestal beschadigde men evenwel met de sonde mijn neus- en keelholte en kwam het uiteinde ervan in mijn slokdarm terecht, in plaats van in mijn luchtpijp. Of werd het pijpje binnengebracht via mijn neus en kwam het er via mijn mond opnieuw uit. Eén iemand slaagde er zelfs in om het buisje langs het éne neusgat binnen te brengen, waarna het er via het andere neusgat uitkwam en vervolgens kwam vast te zitten. 'Oesje' zei ze, 'het zit vast!' Ik talmde niet, nam het buisje uit haar hand en gaf er met alle kracht die ik nog in mijn lichaam had, een flinke ruk aan, zodat het los kwam.

De pneumoloog werd er bijgehaald. Die deed een bronchoscopie en verwijderde middelerwijl zo veel mogelijk fluimen. Meer gedetailleerd ging dit onderzoek als volgt in zijn werk. Mijn tong en keel werden verdoofd middels besproeiing met een bittere vloeistof. En ook in mijn luchtwegen werd wat verdovingsvloeistof gedruppeld. Vervolgens werd er een mondstukje tussen mijn tanden gepropt. En via het gat daarin werd een soepele buis met een diameter van zowat een halve centimeter, met daarin een videocamera en een afzuigbuisje, in mijn mond, via mijn keel, tot in mijn luchtpijp gebracht.

De arts, geassisteerd door een verpleegster, kreeg op een monitor te zien dat bijna al mijn grote luchtwegen waren dicht geslibd. En ik keek geïnteresseerd mee. En zag hoe de specialist de veroorzakers van mijn ademnood wegzoog. Een eerste deel slijmen werd opgevangen in een buisje, zodat ze aan het medisch labo konden worden overgemaakt, voor nader onderzoek. De rest werd opgevangen in een keteltje en zal allicht later bij het medisch afval zijn gedumpt.

Na deze interventie van de arts ging het ademen al beter. En durfde ik me in een bed te laten leggen. Gelukkig mocht ik kinesitherapie krijgen van de persoon die me ook thuis al sinds geruime tijd behandelde. Dat zorgde ervoor dat ik nagenoeg dagelijks toch alvast één bekende persoon aan mijn bed had. En hij deed ook mijn transfer van bed naar rolstoel. Want de nochtans eenvoudige techniek om die handeling uit te voeren middels de draaischijf, die ik van thuis had laten meebrengen, wou het verplegend personeel niet uitvoeren. Wegens 'geen ervaring', wat dan, door de wijze waarop men dit zei, eerder mocht worden geïnterpreteerd als 'geen goesting'

Dus moest ik 's avonds terug in bed met de tillift, ook wel, al dan niet smalend, de 'stalen verpleegster' genoemd. Een omslachtig systeem, waarvoor tevens nogal wat manoeuvreerruimte nodig is. En die was er in die intensieve zorgenkamer niet echt. Er wordt bij deze werkwijze een sterke doek onder je poep en rug geplaatst, de hoeken van die doek worden aan de armen van die lift bevestigd en zo wordt je lichaam dan met een pneumatisch systeem opgetild en kan je worden verplaatst, aan dat ding bengelend als een zak patatten. Een uiterst onprettig en onterend gevoel om het lijdend voorwerp te zijn bij een dergelijk manoeuvre.

En dat die procedure nogal wat tijd en ruimte in beslag nam, dat hadden mijn verzorgsters ook begrepen. Vandaar dat ze voorstelden om mij overdag een papieren luier aan te doen. In mijn eigen voordeel, zo werd me aangepraat. Dan kon ik pissen en kakken als het mij uitkwam. Zonder te moeten wachten op iemand van het verplegend personeel. Als goed verstaander begreep ik dat dit dus was om hen niet te moeten storen! Maar zij niet hoor! Ze konden mij dan wel zo ver krijgen om met een pis- & kakdoek in mijn elektrische rolstoel te zitten, maar als ik moest plassen, mochten ze opdraven met mijn plaskan! En aangezien ik geen vast voedsel at, zou het nog wel even duren vooraleer mijn lichaam ontlasting produceerde.

Waar haalt men het zich toch in het hoofd om een medemens zulk een vernederingen te laten ondergaan omwille van het eigen gemak en incompetentie?

Eten durfde ik niet en dat werd me ook door de specialist ontraden. Maar ik was kloek genoeg en via mijn infuus werden me de nodige voedingsstoffen toegediend.

Doorgaans op mijn eentje in een cel met slechts een klein buitenraampje, waardoor enkel een stukje hemel en een deel van de stam en kruin van een boom was te zien, mocht ik ervaren hoe ontzettend saai en eenzaam het is om in volle bewustzijn op zo een afdeling 'intensieve zorgen' te vertoeven. Je ligt daar in je eentje in een kooi, waarvan ze in mijn geval de glazen deur blindeerden, omdat ik anders mogelijks een glimp kon opvangen van wat zich in een andere cel of op de gang afspeelde. Aangezien ik, sinds die malafide arts mijn lichaam zo onwillig en lam maakte, aan een lichte vorm van claustrofobie lijd, was dit voorwaar niet bevorderlijk om me op mijn gemak te voelen.

Inmiddels zag het er ook niet naar uit dat ik daar spoedig weg zou zijn. En op de momenten dat ik me goed voelde verveelde ik mij enorm! Lezen lukte niet al te best. Ik kon me nogal moeilijk op de tekst concentreren. En zelfs met mijn leesbrilletje op zag ik de tekens slechts wazig. Allicht ten gevolge van de medicatie. Dus vulde ik mijn tijd vooral met het luisteren naar muziek die uit mijn MP3-speler weerklonk, het aflezen van de tijd op mijn GSM en met het wachten tot wanneer er eens iemand mijn cel betrad. Van het verplegend personeel bijvoorbeeld. Of familie, wat drie keer per dag was toegestaan. Om 11u00, om 15u00 en om 19u00. Telkens per twee, en steeds slechts voor een kwartiertje. En bezoek van kinderen onder de 12 jaar werd niet toegelaten. Dus kreeg ik mijn kroost niet te zien.

Aangezien er thuis nogal wat dringend te behandelen onafgewerkte administratie op me lag te wachten en ik ook graag instructies wou geven aan mijn huisgenoten nopens het accuraat opvolgen van mijn inkomend internetverkeer, vroeg ik aan de hoofdverpleegkundige van de afdeling toestemming om mijn vrouw eens voor een langere tijd dan dat kwartiertje te mogen ontvangen. Zodat ze alle papieren en mijn laptop mee kon brengen en ik één en ander kon afwerken en voor de rest aanwijzigen kon geven aan mijn echtgenote, zodat onbetaalde rekeningen of onbeantwoorde brieven ons geen extra problemen zouden bezorgen. Want aan die van mijn wankele gezondheid hadden we op dat moment al meer dan genoeg!

Mijn goed gefundeerde vraag werd vrijwel onmiddellijk positief beantwoord. Aangezien ik blijkbaar voorlopig over de ergste fysieke nood heen was, mocht het al onmiddellijk de volgende dag. Middels mijn mobieltje liet ik dat weten aan mijn vrouw. Dus deden we de dag erna wat gedaan moest worden. Toch alweer een zorg minder voor ons allebei!

Weer een dag later was men nogal laat gestart met me te wassen. Bovendien werkte het jonge trutje van dienst ontzettend traag. Vooral ook omdat ze mijn aanwijzingen niet wou volgen. Als je reeds 6 jaar wordt gewassen door een ander, dan weet je onderhand wel welke handelswijze de beste is. Om je tussen je lamme, spastische benen te kunnen wassen bijvoorbeeld, of om je op je zijde te draaien. Maar als ik een techniek voorstelde, dan werd die suggestie steeds weggewuifd als zijnde niet toepasbaar. Als ik hierop dan repliceerde dat mijn thuisverpleegkundigen dat systeem nochtans sinds jaren succesvol toepasten, dan werd ik de mond gesnoerd met de ridicule dooddoener: "Hier is niet thuis, dit is een hospitaal!"           In mezelf dacht ik dan, dat die locatie toch ook wel 'ziekenHUIS' werd genoemd. Maar ik zweeg stil. Wat baten immers kaars en bril als de uil niet zienen wil?

Ze was nog maar net klaar met me te helpen bij het poetsen van mijn tanden, toen mijn vrouw arriveerde voor het toegestane kwartiertje ochtendbezoek. De verpleegster liet terstond alles liggen en wou er vandoor gaan. Toen ik dat wicht zei dat ze was vergeten de spullen op te ruimen, antwoordde ze gemeen dat mijn vrouw er nu was. En die kon dat toch doen?! Verbijsterd keek ik haar aan. En zei boos en vastberaden dat zulks mijn eega haar werk niet was. Ze mocht potverdikke maar 15 minuten bij me blijven en zou dan in die belachelijke tijdspanne ook nog eens een ander haar werk moeten voltooien?! Nijdig naar ons  kijkend deed ze het dan toch maar zelf. Als ze een langere koffiepauze wou, zo dacht ik bij mezelf, dan moest ze maar leren wat sneller, efficiëntr en productiever te werken.

Vooraleer de kamer te verlaten kon die jonge verpleegkundige het niet laten me te verwijten dat ik verwaand was. Niet begrijpend wat ze bedoelde vroeg ik om uitleg. Bits zei ze daarop dat ik onterecht faciliteiten verkreeg die de andere mensen  op de afdeling niet kregen toegestaan. Zoals bijvoorbeeld het dagelijks in mijn rolstoel worden gezet en het lange bezoek door mijn vrouw, een dag eerder.

Ho maar! Die andere mensen lagen daar doorgaans wel voor slechts één à twee dagen. En meestal na geopereerd te zijn. Opzitten en werken, daar was allicht geen van hen toe in staat. Maar, in navolging van sommige van haar collega's, ontbrak haar klaarblijkelijk het beetje verstand om dat te begrijpen. Dus mijn toch nog steeds uiterst geringe adem verspillen aan dat dom wicht zou zinloos zijn geweest, dus deed ik het bijgevolg niet.

Later die dag meldde ik het voorval, bij afwezigheid van de hoofdverpleegkundige, wel aan haar secondant. Maar die vergoelijkte het gedrag van het meisje. Dat volgens hem 'slechts' te wijten was aan haar jeugdige leeftijd en onervarenheid, gekoppeld aan een te hoge werkdruk. Van dat laatste had ik in al die dagen verblijf op de afdeling nochtans niks gemerkt. Maar ik hield wijselijk mijn mond.

Net geen week na mijn opname leek het dan toch beter met me te gaan en mocht ik verhuizen naar een 'gewone' kamer. Alwaar ik een ganse namiddag bezoek mocht ontvangen. Ook van mijn jongens. En ik liet ze naar de televisie kijken, opdat ze zo lang mogelijk zouden blijven, zonder zich te vervelen. Hen in de buurt hebben deed me goed. Gelukkig was de Sint niet in de war geweest door mijn afwezigheid in huis, en had de goede man op 6 december toch hun gereedstaande schoentjes gevuld.

Méér dan één dag hield ik het niet vol op de verzorgafdeling. 's Avonds was het al weer zover. Ademnood door slijmvorming. De vrouwelijke verpleegkundige van dienst probeerde ze vruchteloos weg te zuigen middels een mobiele aspirator. Maar de taaie slijmen wilden niet lossen. Een collega werd er bij gehaald. En er kwam er nog één. Ze overlegden wat er moest gebeuren. Zouden ze de behandelende arts bellen? Ze waren het er unaniem over eens dat er geen andere optie mogelijk was. En dat er haast bij was. Zelf kon ik me niet moeien in het gesprek want mijn keel zat dicht. Angstig keek ik naar de bezorgde gezichten van de verpleegsters om me heen. Degene die er het laatst was bijgekomen hield mijn hand vast, kneep er zachtjes in en moedigde me aan om vol te houden. Naderhand vernam ik dat deze dame toen vreesde dat mijn levenseinde in zicht was omdat mijn lippen en vingers al blauw aan het verkleuren waren.

De specialist werd uit zijn bed gebeld en stond dra naast mijn, inmiddels reeds naar de behandelkamer gerolde bed. Om met dringende spoed een levensreddende bronchoscopie uit te voeren. Waarna ik terug werd overgebracht naar de divisie 'intensieve verzorging'. De eerste tijd na deze actie, voelde ik mij een stuk beter. Het ademen verliep niet meer zo moeizaam. Echter niet voor lang. Slijmvorming in mijn longen deed keer na keer mijn rechterlong compleet dichtklappen en mijn linkerlong dichtslibben. Aspireren bracht dus geen soelaas, waardoor men telkens weer de longarts diende op te trommelen om te vermijden dat mijn lichaam de geest zou geven.

Steeds weer was ik opgelucht die man te zien verschijnen. En telkenmale dankte ik hem naderhand uiterst oprecht. Maar na enkele spoedinterventies waarbij hij vrouw, kinderen en slaap moest laten om mij te komen  'redden', was deze specialist het beu en drong hij er op aan mij verder te laten behandelen in het Universitair Ziekenhuis, gelegen in onze provinciehoofdstad. Gezien het feit dat ik net in die kliniek het slachtoffer was geworden van een medische blunder die mij zwaar verlamd maakte, stond ik niet te popelen om hieraan toe te geven. Bovendien had ik mij doelbewust in de locale kliniek laten opnemen, omdat ik dan dicht bij huis was. En als ze mij wilden zien, mijn gezinsleden slechts een kleine verplaatsing dienden te maken.

Maar de arts vond dat ik beter af zou zijn in een grote, aan een universiteit verbonden kliniek, waar meer expertise voorhanden was, waarmee een permanente oplossing voor mijn problematiek kon worden gevonden. Zelf fantaseerde hij luidop over het uitvoeren van een tracheotomie. Dat is een operatie waarbij men via de hals een snede maakt in de luchtpijp en daar dan een plastic buisje in plaatst, canule genaamd. Na die medische ingreep zou het wegzuigen van fluimen uit mijn longen langs die opening kunnen gebeuren, dus veel eenvoudiger. En ook mijn kunstmatige beademing kon dan via die weg gebeuren. Allemaal troeven! Het gevaar op infecties en vooral het na de ingreep niet meer kunnen gebruiken van mijn stembanden achtte de arts nadelen van mindere orde. Volgens hem was er voor dat laatste probleem trouwens ook wel een oplossing te vinden. Een spraakmodule die zou toelaten een synthetisch stemgeluid te produceren dat de menselijke stem benadert.

Voor het eten had de specialist ook een oplossing bedacht. Het verslikprobleem kon voorkomen worden door 'gewoonweg' geen voedsel meer via de mond tot mij te nemen. En me in de plaats daarvan te laten voorzien van een permanente maagsonde. Een slangetje, dat operatief, onder algehele narcose, via de buikwand rechtstreeks in de maag wordt gebracht. Via die, in medische termen PEG genoemd, kon ik dan probleemloos (?) worden gevoed.

Bij de complicaties die dergelijk 'systeem' met zich mee kan brengen, gaande van infecties en ontstekingen, over vergroeiingen, tot buikloop, had de man blijkbaar nog niet stilgestaan. En dat ook het eet- en smaakgenot me door deze ingreep zou ontnomen worden, was voor de arts blijkbaar van ondergeschikte orde.

De mij behandelende dokter was daarenboven van mening dat, in afwachting van een definitieve remedie, er nood aan was dat ik verder zou worden behandeld in een kliniek waar de afdeling pneumologie door meer dan één arts werd bevolkt. Zodat er steeds iemand paraat zou staan om me tijdig uit stervensnood te helpen. In deze kliniek stond hij er alleen voor en derhalve achtte hij mijn verblijf aldaar absoluut niet langer haalbaar.

Deze argumentatie en mijn vrees dat de arts me bij een volgend acuut ademhalingsprobleem op eigen initiatief tot een half kunstmatig wezen zou omtoveren door het ten uitvoer brengen van zijn ideeën, deed me uiteindelijk zwichten. Evenwel niet nadat ik allerhande alternatieven had overwogen, zijnde andere ziekenhuizen dan het voorgestelde UZ. Dat ik toch akkoord ging met dit, in mijn herinnering 'onheilsoord', kwam te  meer door het feit dat daar een pneumoloog werkzaam is die mijn voorgeschiedenis kende en bij wie ik, op aanraden van zijn collega in de kliniek van mijn woonplaats, ook in november reeds op consultatie was geweest en op wiens dienst ik toen tevens een longfunctietest had ondergaan.

Inmiddels was het reeds 14 december. En in die 12 dagen verblijf in het ziekenhuis was er reeds heel veel gebeurd, en had ik reeds heel wat meegemaakt. Slechte ervaringen, maar ook goede. Zo was ik tijdens mijn laatste twee dagen aldaar terug wat vast voedsel beginnen eten. En een verpleegster had speciaal voor mij voor wat lekkers gezorgd. Dat deed me wel iets. Persoonlijk vind ik trouwens dat zo een kleine kliniek ook zijn voordelen heeft. Meer en nauwere onderlinge contacten tussen de verschillende afdelingen bijvoorbeeld. En zij kunnen even kwalitatief werk leveren als de grotere broers, al is hun personeel daar vaak zelf niet van overtuigd. Zij schatten mijns inziens zichzelf en hun kliniek vaak veel te laag in.

Tot daar deze randbedenking, die toen door mijn hoofd spookte. En ik vreesde dat er nog veel zulke overdenkingen zouden volgen, want het einde van mijn lijden leek bij lange na nog niet in zicht.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 30 juli 2009)

26-06-09

Rudi's ontboezemingen - Iedereen gehandicapt!

 

Nogal wat mensen hebben een zintuiglijke beperking. Zij kunnen niet of minder goed horen of zien. Dikwijls kan dit gebrek voor een groot stuk worden verholpen door het dragen van respectievelijk een hoorapparaat of een bril. Een alternatief voor het laatst vermelde hulpmiddel zijn lenzen.

Heel wat kinderen dragen, om hun gebit te corrigeren, tijdelijk een orthese. De tandarts noemt dit een beugel. Menig persoon heeft een tandprothese, doorgaans kunstgebit genoemd. Ook steunzolen worden vaak voorgeschreven voor kleine en grote mensen met een voetafwijking. Zelfs sporters maken er dikwijls gebruik van, in functie van een optimale drukverdeling en een betere loopstand.

Een aantal van de voormelde beperkingen en bijhorende hulpmiddelen zijn sociaal aanvaard. Niemand maakt er ophef over, staart je aan of sluit je uit omdat je een bril draagt. En buiten een zeldzame onnozelaar die haar of hem ermee pest, slaat niemand acht op een kind met een beugel in de mond. Sommigen vinden dit zelfs schattig staan. En die steunzolen in de schoenen vallen al helemaal niet op. Net zo min als de contactlenzen die een persoon in heeft.

Iemand met een ernstige mentale beperking of een zware fysische beperking, of een combinatie van beide, loopt, strompelt, al dan niet met krukken, of rijdt zich in haar of zijn rolstoel, willens nillens uiteraard meer in de kijker. Daar is geen ontkomen aan. Ook een blinde of slechtziende persoon kan zijn witte geleidestok niet als toverstaf gebruiken om deze vervolgens te doen verdwijnen. En geleide- en hulphonden trekken ook de aandacht. Maar toch zijn ook hun baasjes en alle personen met ernstige beperkingen, levende wezens zoals ieder van ons. Met evenveel recht op respect en op een waardig leven. En aanvaarding door hun medemensen, van zichzelf en van hun hulpmiddelen, als daar zijn rolstoel, rollator, scooter, geleidestok, krukken, beugels...

Ben je fysiek helemaal in orde, of denk je dat te zijn, dan heb je mogelijks je te kleine of net te grote neus, over het hoofd gezien. Of je te dikke poep, of dat kuthaar op je hoofd, waar spijts vele pogingen van jou en van je kapper, geen model is in te krijgen. De mens heeft zichzelf niet geschapen, dus elk van ons heeft wel een schoonheidshandicap. En deze kan een belangrijke invloed hebben op je sociale contacten. Al is het maar omdat ze je onzeker maakt.

En anders heb je misschien wel een ontwikkelingsstoornis, een spraak- of een taalstoornis, of lig je psychisch compleet in de knoop, wat ook een ernstige hindernis kan zijn, vooral als het blijvend is. Ongetwijfeld ben ik nog één en ander vergeten. Maar als je het lijstje nu al eens overloopt, dan zou het al moeten lukken dat er niks tussen staat dat op jou van toepassing is. Je gaat het misschien niet graag horen, maar neem het gerust van me aan: het zijn allemaal handicaps!

Wordt nu niet depressief of voel je niet door mij in de grond geboord. Dat is wel het laatste dat ik zou willen! Wees integendeel blij dat je geen uitzondering bent, in deze wereld van naar lichaam en/of geest imperfecte mensen, Want het komt er inderdaad op neer dat iedere persoon wel in meer of mindere mate een fysieke of mentale functiebeperking heeft. Elke persoon heeft wel een aangeboren of opgelopen blijvende hindernis, die doorgaans wordt aangeduid met de stigmatiserende term 'handicap'.

In de inclusieve maatschappij, waar velen met mij naar streven, en waarin elke persoon belangrijk is, ongeacht afkomst, huidskleur, religie of wat dan ook, en naar waarde wordt geschat, op basis van wat zij of hij wel kan, zijn de grote of kleine fysieke of mentale functiebeperkingen van ieder individu van ondergeschikt belang. In deze verdraagzame samenleving zal niemand ooit worden uitgesloten omdat zij of hij onvoldoende of geen beperkingen heeft. Neen, ook die persoon zal door de groep worden aanvaard. Net dat gebrek aan een beperking is dan diens beperking, wat de persoon in kwestie dan ook weer even speciaal maakt als de anderen. Globaal gezien is in deze ideale open, mondiale leefgemeenschap iedereen gelijk, heeft elkeen beperkingen en is derhalve iedereen gehandicapt!

Rudi, 24 november 2008 (revisie op 24 juni 2009)

11-05-09

Rudi’s overdenkingen - Vooringenomenheid

 

Vooringenomenheid is een kwalijke karaktereigenschap. Personen beoordelen op basis van hun uiterlijk, hun afkomst of geruchten die over hen de ronde doen, is verwerpelijk. Ik heb de jammerlijke pech in deze materie een onderlegd ervaringsdeskundige te zijn.

Sinds ik als prille twintiger van onder mijn ouders' vleugels kon vandaan komen, heb ik mijn haren laten groeien naar het voorbeeld van Jezus Christus. Nu ja, eigenlijk had God's enig geboren zoon niks met mijn keuze te maken. Ik voel me gewoon het prettigst met lange manen. Wat ik evenwel nooit begrepen heb, is dat vele van die vrome Christenen, die dat langharig personage aan het kruis aanbidden, mijn lange haartooi verwerpelijk vinden. Een langharige waarvan men gelooft dat hij mirakels kon verrichten, is een goeie. Iemand die goed studeert, hard werkt, maar géén mirakels op zijn actief heeft staan, is tuig. Dat is hetgeen ik daaruit concludeer, maar ook helemaal niet begrijp.

En sinds ik in een rolstoel zit, moet ik constant ervaren dat de grote massa er van uitgaat dat iemand die niet meer op zijn of haar benen kan staan, ook geestelijk niet meer functioneert. Het zijn potverdorie zij, die dat denken, wiens psyche stilligt! Maar maak het hen maar eens wijs. Tracht hen daar maar eens van te overtuigen. Als het aanwezig is, zit de vooringenomenheid er zo ingebakken, dat je het niet zomaar uit die mensen hun hoofd krijgt.

Ook ten overstaan van mensen met een andere huidskleur bestaat er heel veel vooringenomenheid. In Afrika ziet men de blanke man (en vrouw) doorgaans als een rijke stinkerd, die bij hem of haar thuis in Europa of Amerika, het geld maar voor het rapen heeft, zonder er arbeid voor te moeten verrichten.

En hier bij ons, in West Europa, worden mensen met een donkerbruin kleurtje nog al te vaak aanzien als gelukzoekers, die van onze sociale voorzieningen komen profiteren. Die zijn er ongetwijfeld ook, maar dat is een minderheid. En personen met een lichtbruine huidskleur en kroezelig haar, zijn helemaal de kop van jut. Want die krijgen, zonder onderscheidt het etiket 'Marokkaan' of 'Noord-Afrikaan' opgeplakt. En meteen gestigmatiseerd als crimineel. Nu zijn er wel problemen met bepaalde groepen jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst, maar om daarom iedereen met zo een uiterlijk over dezelfde kam te scheren, dat gaat veel te ver!

Mijn echtgenote is van West-Afrikaanse oorsprong. Donderbruin dus. En nog dikwijls verbaas ik mij erover hoe mensen tegenover haar reageren, uitsluitend omwille van haar huidskleur. Ofwel wordt ze genegeerd, ofwel wordt ze geviseerd. Om een voorbeeld te geven: het gebeurt dat ze in een groep staat, waar iemand bijkomt. Iedereen wordt door deze persoon begroet en krijgt een hand, behalve dat zwartje. Alsof zij géén mens is en géén gevoelens heeft. Nog een voorbeeld: in de supermarkt stoot zij met haar karretje per ongeluk iemand aan. Nog voor ze zich kan excuseren krijgt ze een lading verwensingen over zich heen, die helemaal niet in verhouding staat tot de omvang van het gebeurde. Maar ja, de aangestoten persoon heeft mijn eega haar huidskleur gezien. Het is een 'vreemde', dus zal ze het wel expres hebben gedaan!

Onze kinderen hebben een lichtbruine huidskleur. Als gevolg daarvan worden zij dikwijls verkeerdelijk aanzien als Noord-Afrikanen en dienovereenkomstig per definitie als boefjes bejegend. Ontelbaar zijn de keren dat zij onterecht als aanstokers werden aangeduid bij conflicten waar ze dikwijls niet eens bij betrokken waren. Ik heb het in een warenhuis meegemaakt, dat één van mijn zoons zogezegd op heterdaad werd betrapt met een artikel waar ik, die enkele gangen verder rondreed, de jongen had omgestuurd. Dezelfde jongen werd, in een andere grootwinkel, eens door het personeel op de vingers getikt, terwijl hij de pakjes chips, die een groepje andere jongeren had laten vallen, terug in de rekken legde.

Het gebeurde meermaals dat blanke ouders met hun blanke kroost vertrokken, op het moment dat mijn kinderen op een speelpleintje arriveerden, een springkasteel betraden of in het ballenbad doken. Vooringenomenheid leidt tot onverdraagzaamheid, discriminatie en racisme.

Uiteraard kan men voor iedere vorm van onverdraagzaamheid op zoek gaan naar de oorsprong ervan. En die is inderdaad wel, minstens deels, te wijten aan het gedrag van bepaalde individuen uit de geviseerde groep. Maar deze gebruiken als vergoelijking voor dit foute gedrag en denkbeeld, daar ben ik het totaal niet mee eens. Ieder persoon moet er naar streven elke soortgenoot met een open geest te benaderen. Hoe moeilijk dat bij tijd en wijl ook mag zijn.

Ru(sh)di(e), 1 mei 2006 (revisie op 7 mei 2009)

03-05-09

De avonturen van Rudi & Co - alweer een deel

 

Sinds zowat driekwart jaar oefen ik, met de hulp van een logopediste, mijn adembeheersing en spreekkwaliteit. Door die verlamming bedraagt mijn longcapaciteit immers slechts de helft van wat het voor een persoon van mijn leeftijd en gestalte zou moeten zijn, en nu tracht ik daar door oefenen en het gebruik van spreektechnieken, het maximale uit te halen.

Tijdens die stemoefeningen bleek dat ik een spraakgebrek heb. Ik was me daar totaal niet van bewust. Niemand heeft het me ooit gezegd en zelf had ik er blijkbaar nooit op gelet. Sommige letters spreek ik soms verkeerd uit: 'S' in plaats van 'Z', 'F' waar het 'V' moet zijn, en zo meer. En blijkbaar ben ik niet de enige die zulks doet.

Gisteren woonde ik, samen met mijn zoons, de eucharistieviering bij in de kerk, gelegen in het centrum van onze woonplaats. De celebrant had het er in zijn homilie over dat het tijd wordt dat gelovigen terug durven uit te komen voor hun overtuiging. Dat ze het Woord van Jezus Christus uitdragen, en dat, en hij herhaalde het een aantal keer: in naam van de 'Geilige Geest'!

Woensdag jongstleden was ik in het voetbalstadion van 'Sporting Lokeren'. Ik volgde de wedstrijd van de thuisploeg tegen Sint-Truiden in de 1/8 finale voor de 'Beker van België'. De kinderen had ik thuis gelaten, want op een schooldag horen die in bed te liggen op het uur dat de match aanving, zijnde acht uur 's avonds. Lokeren won de wedstrijd, met nogal wat geluk, en stoot als gevolg daarvan door naar de kwartfinales, waar het zal moeten optornen tegen provinciegenoot Gent.

Dat voor wat het sportieve gedeelte van de avond betreft. Ik wil immers melding maken van een incident dat plaatsvond naast de grasmat. Omdat er elders geen plaats voor me is, had ik naar gewoonte plaatsgenomen in de dug-out naast deze van de bezoekende club. Voor wie dat niet kent: een dug-out is een schuilhok met daarin (klap)stoelen, waarop doorgaans trainer(s), dokter, verzorger(s) en wisselspelers plaatsnemen, zodat ze enigszins beschut zijn tegen koude, regen en wind. In Lokeren hebben ze er dus ook zo eentje voor de 'mindervaliden'.

Toen ik arriveerde zaten er in 'het onze' reeds enkele mensen. Een oude heer in een manuele rolstoel, een valide oudere dame die zichzelf opwerpt als verantwoordelijke voor wat er in het invalidenschuilhok gebeurt en haar mentaal gehandicapte zoon van naar ik schat een jaar of vijfenveertig. Nadat ik hen gedag had gezegd en plaats had genomen voor de klapstoeltjes, kwam daar nog een dame bij met haar fysiek en mentaal beperkt zoontje, en wat later ook een jongeman met een meervoudige handicap, allen habitués.

Net voor de rust stond daar ineens die man in zijn rolstoel naast me. Die wou waarschijnlijk naar het toilet. Hij vroeg me plaats te maken, zodat hij me op de betonstrook kon passeren. Ik zag niet direct een uitweg, plaatste me een beetje schuin, zodat hij toch kon passeren, zonder op het gras te moeten rijden. Toen hij een minuut of vijf later terug kwam, ze ik: "Wacht, ik rij vooruit, dan heb je méér plaats om te passeren", maar die vent wou blijkbaar niet luisteren, want voordat ik mijn machine in beweging had gezet, reed hij me al voorbij: zijn twee linkerwielen op de betonstrook, zijn rechterwielen op het gras. Toen hij het betonvak wou oprijden, bleef zijn rolstoel steken. De man sloeg in paniek - voor zoiets idioots! - en riep om hulp. De zoon van de 'bazin' snelde meteen toe en duwde de oude in zijn kar het beton op.

Maar daar hield het niet bij op. De zoon keerde zich met een op onweer staand gezicht tot mij en brulde: "Niet profiteren, hé! Ik zal het zeggen tegen de bazen, hoor!" Ik waande me even in een kleuterschool. Ik wachtte even, verwachtend dat moeder hem tot de orde zou roepen, maar toen dat niet gebeurde, repliceerde ik dat hij zijn manieren en mond moest houden, en dat hij, als het hem niet aanstond, maar thuis moest blijven. Maar dat drong, zo denk ik, niet tot hem door.

Nu heb ik absoluut niks tegen mensen met een beperkt geestelijk vermogen. Ze kunnen er meestal zelf niet aan doen dat ze zo zijn. Maar dat geeft hen mijns inziens niet het recht om andere mensen te ambeteren. En als men weet dat zij zelf geen controle hebben over hun gedrag, dan moet hun begeleider hen maar in toom houden.

Tijdens de rust reed ik naar die man in zijn rolstoel toe en zei hem in het vervolg te wachten tot ik plaats maak, vooraleer me te passeren. De man zei dat hij me toen niet had verstaan. De moeder en de zoon, die naast de man zaten, hielden zich stil. Ik zweeg ook, want ik had geen zin in nog méér commotie. De meervoudig beperkte jongen kwam na de rust niet meer tussen ons zitten. Die nam plaats op een stoeltje, wel tien meter verder. Die vreesde allicht voor nog méér opschudding.

Ik kwam reeds eerder in aanvaring met het volk dat doorgaans de invaliden dug-out bemand. Ze zitten daar de lucht te bezoedelen met hun rookwaar, slaken oerkreten en zijn als de dood voor 'de bazen van boven': de voorzitter en zijn gevolg'. Maar als mijn zoons wat kabaal maken met hun claxons, beginnen ze te zagen. En als mijn rakkers wat staan te springen en meezingen met de leden van de spionkop, dan klagen ze ook dat ze niks zien en zijn ze, onterecht, bang dat de 'bazen van boven' hun ganse groep buiten het hek zal zetten.

Gelukkig gebeuren er ook wel eens leuke dingen als ik me onder de mensen begeef. Zoals op tweede Kerstdag, toen ik met mijn gezin een Kerstfeestje bijwoonde. We hadden ons net geïnstalleerd aan een tafeltje, toen iemand zachtjes op mijn arm tikte. Ik keek op en zag een klein meisje staan. Ze zei glimlachend "Dag mijnheer" en wuifde me toe met het handje dat me even voorheen had aangeraakt. Ik beantwoordde haar groet breed glimlachend. Ze huppelde olijk weg. Mijn echtgenote vroeg me of ze een reden had tot ongerustheid. We barstten samen in lachen uit.

Het is eens iets anders, die aandacht van kleine meisjes. Tot voor kort waren het vooral dames van rijpere leeftijd die me aandacht schonken. En ik nam daar genoegen mee. Maar daar is recentelijk dus verandering in gekomen. Zo kreeg ik eind december Kerstkaartjes van twee klasgenootjes van mijn zoons. Omdat ze weten dat ziek zijn niet leuk is en ze hopen dat ik spoedig weer beter word. IJdele hoop, helaas, maar hun gebaar ontroerde me wel. Kindjes van acht, die oog hebben voor het leed van een medemens. Het stemt me hoopvol voor de toekomst.

Ru(sh)di(e), 24 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)

02-05-09

De avonturen van Rudi & Co, een tragische week

 

Het is me weer een week geweest. Maandag, na het ochtendtoilet, dat bestaat uit een wasbeurt en aankleden op bed, wou mijn verpleegster me van mijn bed, in mijn rolstoel plaatsen. Die transfer gebeurt middels een draaischijf. Ik word op de rand van mijn bed gezet, mijn voeten op de draaischijf, de verpleegster duwt haar knieën tegen de mijne, ik kom recht, waarna ze me een kwartslag draait, zodat ik in het naast mijn bed opgesteld vehikel beland. Als alles goed gaat, tenminste. Wat vandaag dus niet het geval was. De verpleegster struikelde bij het draaien over haar eigen voeten, verloor haar evenwicht, viel, en sleurde mij mee in haar val.

Mijn lichaam ving ze op met het hare, maar mijn voorhoofd botste nogal onzacht tegen de stenen vloer van mijn living. Daar lagen we dan. Mijn voorhoofd bloedde hevig, maar ik voelde geen pijn. Eén van mijn zoontjes, die aan de ontbijttafel zat toen het accident gebeurde, snelde meteen ter hulp. We verzochten hem zijn mama te halen. Die was even later bij ons, samen met mijn andere zoontje. Inmiddels was de verpleegster, die zelf niet gewond was, onder me vandaan gekropen, had me in een iets comfortabeler positie gelegd, en ondersteunde mijn bovenlichaam en hoofd.

De verpleegster en mijn echtgenote tilden me op en plaatsten me in mijn rolstoel. Ik had er wel nood aan even te bekomen. Naar verluid vertoonde mijn voorhoofd een diepe snee van enkele centimeters lang. De verpleegster depte het bloed, reinigde mijn voorhoofd, kleefde een pleister op de wonde en zei dat ik ze zeker moest laten hechten. Het toeval wou dat ik, voor het weekend, met mijn huisarts een afspraak had gemaakt voor een huisbezoek op deze maandagochtend. Dat scheelde alweer een telefoontje.

Toen ik terugkwam van het naar school brengen van mijn tweeling, stond mijn kinesist reeds op me te wachten. Ik vertelde hem wat er was gebeurd en  vroeg of hij dacht dat de wonde gehecht zou moeten worden. Aangezien de jongeman toch reeds geruime tijd actief is als verzorger van de spelers van een voetbalclub in eerste klasse, veronderstelde ik immers dat hij wel enige ervaring zou hebben met (snij)wonden. Hij vond dus ook dat het gat best zou worden genaaid en vroeg langs zijn neus weg of we de wonde toch wel hadden ontsmet.

Daar hadden we echter, in alle consternatie rond het gebeuren, nog niet aan gedacht. Mijn vrouw kwam onmiddellijk met een flesje ontsmettingsmiddel, maakte het wondpleistertje langs één kant los en spoot wat van het spul op het letsel. Ik schreeuwde het uit! De kinesist keek me verschrikt aan. Mijn eega niet; die kent me te goed en zei: "Dat kan géén pijn doen, want er staat op het flacon dat het middel niet prikt!" Ik toverde op mijn gezicht een brede grijns, want uiteraard had ik die pijn geveinsd. Maar het product prikte me wel onaangenaam. Misschien omdat de snede te diep was?

Mijn assistente arriveerde en zag de pleister op mijn hoofd. Ze vroeg of ik op mijn hoofd was gevallen. Ik repliceerde met de wedervraag of ze daar dan, in al die tijd dat ze reeds voor mij werkte, nog nooit iets van had gemerkt? We lachten, waarna ik haar een omstandig relaas van het gebeurde verhaalde.

Ik deed mijn werk tot de dokter kwam. Liet deze eerst kijken naar de wonde op mijn voorhoofd en besprak daarna de zaken waarvoor ik hem had ontboden. Eens we rond waren, bezwoer mijn huisarts me om me zo snel mogelijk naar de spoedopname van ons plaatselijk ziekenhuis te begeven. Ik werkte echter eerst af waar ik mee bezig was geweest en vertrok daarna pas richting hospitaal.

Op mijn weg erheen reed ik eerst nog even langs bij de apotheek, zodat het middag was vooraleer ik in de kliniek arriveerde. Ik verzocht een passant de deur voor me te openen en meldde me aan bij de receptie. Terwijl de dame die het onthaalloket bemande mijn SIS- kaart in ontvangst nam, deelde ik haar de reden van mijn komst mee. Na inschrijving leidde ze me tot aan de spoed.

Daar werd ik overgedragen aan de zorgen van een vrouwelijke verpleegkundige, die de 'dokter van wacht' voor me opbelde. Ik werd alleen gelaten in de ruimte waar ik bijna twee jaar geleden ook was heengebracht, na die aanrijding door een vrachtwagen. Na enkele minuten werd me verzocht door te rijden naar een ander lokaal. Ik zei dat ik dat geen probleem vond, want dat ik zo de ganse afdeling te zien kreeg. Net toen ik klaar was met me volledig achterover te leggen in mijn stoel, arriveerde de dokter.

De verpleegster bracht zo een spiegelschijf met verschillende lampen in, zoals ze bij operaties gebruiken, dichterbij en plaatste ze over mijn hoofd. Dat ontlokte bij mij de uitspraak: "Allé, door dit voorval kom ik in ieder geval nog eens in de schijnwerpers te staan." De arts en de verpleegster lachten. Er werd een groene doek met een rond gat in, op mijn hoofd gelegd, en de spot werd aangeknipt. Met een spuitje verdoofde de dokter de zone rond de wonde. Zoals de verpleegster had voorspeld, veroorzaakten de prik van de naald en het inspuiten van de vloeistof, enige pijn, maar dat was slechts voor heel even.

De chirurg naaide vakkundig het gaatje dicht, waarna hij zijn assistente opdracht gaf er een klever op te plakken. Ik zei nog: "Een zwachtel rond mijn hoofd mag ook", maar zij nam die uitspraak niet ernstig, glimlachte even en kleefde, om de wond te bedekken, op mijn voorhoofd zo één van die transparante klevers waar in 't midden een stukje gaas zit.

Omdat de wonde blijkwaar weer even aan het bloeden was geweest, waardoor het wonddoekje een beetje rood was gekleurd, zei de verpleegster die me 's avonds kwam verzorgen en in  bed leggen, dat ze het jammer vond dat ze zelf niet zo'n wondklevers bij zich had. Ik niet. Zo een bebloede plakker op mijn hoofd stond best cool, vonden mijn kinderen. Bovendien gaf het mijn uiterlijk een enigszins dramatische look. En, nooit om een grap verlegen, had ik daarmee alles in handen, om de dag daarop, toen ik een afspraak had in het atelier van mijn rolstoelleverancier, enige lol te beleven.

De volgende dag, dinsdag dus, verliep alles conform het scenario dat ik in gedachten had. De bandagist en de technieker van de rolstoelhandel waren mijn eerste slachtoffers. Ze zagen de plakker op mijn hoofd, en het bloed, en vroegen me wat er was gebeurd. En ik vertelde droogweg dat ik bij een caféruzie een klap van een tafelpoot had gekregen! Met grote, vragende ogen keken ze me aan en stelden me de vraag, waarop ze eigenlijk een positief antwoord verwachtten: "Echt waar?" En ik, nu glimlachend: "Natuurlijk niet!" Ze lachten ermee, waarna ik hen het ware verhaal deed. En zo werden er die dag nog een aantal mensen volgens het zelfde scenario, in het ootje genomen.

Toen ik op woensdagmiddag op weg was van de wekelijkse markt in het centrum, naar de school van mijn kinderen, in onze wijk, passeerde ik een grote bouwwerf. Op een balkon op de tweede verdieping zag ik twee werklieden. Buiten hen was er niemand te zien. Ter hoogte van de werf stond een grote vrachtwagen, met zijn kipbak gekanteld. Men was blijkbaar zand  aan het lossen. Een dikke buis lag tussen de camion en het gelijkvloers van het appartementsgebouw in opbouw. Daar waar de buis op het fietspad lag, had men in hout een brugje gemaakt. De helling leek me nogal steil en hoog, waardoor ik even overwoog om, naast de camion, over de rijweg de werf te passeren. Uit veiligheidsoverwegingen besloot ik echter het toch maar via het fietspad te proberen. Ik reed zachtjes tegen het obstakel aan. Mijn trekkende voorwielen overwonnen moeiteloos de hindernis. En toen stond ik stil. Het chassis van mijn rolstoel stond vast op het brughoofd, waardoor mijn wielen nergens greep vonden en derhalve ronddraaiden in het ijle.

Eerst probeerde ik met wat wiebelen tot een oplossing te komen, maar dat lukte niet. Toen trachtte ik middels toeteren en hallo geroep de aandacht te trekken van de bouwvakkers op het balkon. Vrij snel kwam iemand me ter hulp, en met wat gesjor aan mijn vehikel geraakte ik terug vrij, zodat ik toch nog tijdig aan de schoolpoort arriveerde.

Op donderdag was het de beurt aan mijn eega om de inrichting van de spoedafdeling van ons plaatselijk ziekenhuis eens van nabij te gaan bezien. Ze kreeg die dag immers, bij het bereiden van ons middagmaal, kokende olie op haar linkerhand en raakte daardoor ernstig verbrand. Toen de verpleegkundige kwam voor mijn avondtoilet, deelde ik hem mee dat het team waarvan hij deel uitmaakt, er een patiënt had bij gekregen. Als geboren commerciant peilde ik naar het krijgen van een commissie op het aanbrengen van deze nieuwe patiënte, of  alleszins een korting, omdat we nu met twee te verzorgen personen waren op één adres. Ik kreeg evenwel enkel een grijns als antwoord.

En op vrijdag werd één van mijn zoons bij de voetbaltraining alweer onheus behandeld door een dolgedraaide trainer. Die bovendien te laf was om de confrontatie met me aan te gaan. Aangezien ik niet de intentie heb deze zaak zomaar aan mij voorbij te laten gaan, zal het voorval zeker een staartje krijgen Ik ben het trouwens grondig beu dat mijn kinderen omwille van hun huidskleur, de afkomst van hun mama en de fysieke toestand van hun pa, keer op keer worden benadeeld.

Het zou misschien best zijn dat ik me dit weekend, met oordopjes in, laat opsluiten in het toilet, want ik heb de laatste vijf dagen al genoeg opwinding beleefd.

Ru(sh)di(e), 14 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)

30-04-09

Rudi's ontboezemingen - Flauwe plezanterik

 

Van de nood een deugd makend, durf ik de mensen die beroepsmatig bij me over de vloer komen voor mijn thuisverpleging, al eens in het ootje te nemen.

Hoe goed die mensen het immers ook menen, zij zijn een noodzakelijk kwaad, of misschien eerder een noodzakelijk 'goed'. Wat ik wil duidelijk maken is dat zij hier enkel over de vloer komen omdat hun hulp voor mij onontbeerlijk is. Met andere woorden: ik zou ze liever niet hebben, maar ik kan niet zonder ze. Dus maak ik er het beste van, voor hen, en voor mezelf.

Eigenlijk ben ik daar reeds mee begonnen tijdens mijn maandenlange revalidatie in het uz. Ook daar nam ik reeds nu en dan de verzorgenden in het ootje. Enorm veel plezier heb ik beleefd aan het volgende. In het revalidatiecentrum had ik het grootste gedeelte van mijn verblijf een kamer aan de straatzijde. Een straat die zich binnen het universiteitsterrein bevond, met aan de zijkant parkeerplaatsen voor auto's en ter hoogte van mijn kamer ook een fietsenrek. Tussen het gebouw en de weg, was er een strook groen, met een wandelpad en enkele bloemenperkjes.

Op een zeker moment begon men daar, vlak voor mijn vensterraam, een stenen muurtje te metsen. Ik liet hier en daar horen dat ik geruchten had opgevangen dat ze daar een vijvertje van gingen maken. Het nieuws verspreide zich als een lopend vuurtje. Op een ochtend kwam er een, al wat oudere kinesist mijn kamer binnen, keek door mijn raam naar buiten, en zei me: "Ik heb daarnet gehoord dat ze daar een vijver aan het maken zijn. Zijn ze nu helemaal op hun kop gevallen? Met al die personen met lichamelijke beperkingen en sommigen met hersenletsels, is dat vragen om moeilijkheden!" Ik knikte met een ernstige blik en beaamde zijn woorden.

Er werd de volgende dagen en weken nog duchtig geredetwist omtrent de vijver. Tot op het moment dat de bak werd ... volgestampt met teelaarde en de eerste bloembollen erin werden geplant.  Toen die kinesist van in mijn kamer de werkzaamheden kwam bezien, zei hij verwondert:  "Hé!" ze gaan daar precies een bloembak van maken?!" Ik antwoordde hem:  "Ja natuurlijk, dat heb ik altijd al geweten!"

Flauwe, droge grappen die ik maak zijn bijvoorbeeld, als een verpleegster me 's avonds, na het uitkleden en in bed stoppen vraagt: "Mogen die trui en die broek gewassen worden?" Dan antwoord ik: "Jazeker, maar breng die kledingstukken dan wel ten laatste overmorgen terug mee. En dan liefst ook gestreken en opgevouwd."

Na de mobilisatie van mijn ledematen vroeg mijn kinesiste of ze nog iets voor me kon doen. "Wel ja" zei ik, "Nu je het toch vraagt. Als je voor mij de vaat kan doen en me daarna kan helpen met onze strijk. En mocht je na het verrichten van die taken nog tijd en goesting hebben, zou ik het ten zeerste appreciëren als je de living zou dweilen, want ik heb via de banden van mijn rolstoel nogal wat zand mee naar binnen gebracht." Ze lachte schamper, want dat soort hulp had ze met haar vraag uiteraard niet bedoeld.

Toen ik nog gebruik maakte van de thuisverplegingsdienst van mijn mutualiteit, was er op een gegeven moment eens een jong meisje, pas afgestudeerd en net startend in de thuisverpleging, dat er voor moest instaan om mij 's avonds in bed te leggen. Voor mij meteen een mooie gelegenheid om een grap uit te halen. Het moet, als ik het me goed herinner, die dag de vierde of vijfde keer zijn geweest dat ze bij me langs kwam. Na me op mijn zij gerold te hebben als lig positie voor de nacht, verzocht ik haar mijn bed niet meer opnieuw tegen de muur aan te rollen, maar naar het midden van de kamer, de driezit zetel van ons salonmeubilair naar de vrijgekomen plaats te verschuiven en vervolgens mijn bed te positioneren op de plaats waar voorheen de sofa stond. Naarmate mijn uitleg vorderde was de mond van dat meisje alsmaar verder open gevallen. Ze keek me bovendien aan met zo een verbaasde, vragende blik van: meent die dat nou? Uiteraard niet dus. Ik zei: "grapje!", waarop dat kind gerustgesteld glimlachte. En sindsdien steeds op haar hoede was als ik iets zei.

Dit jaar heb ik ook een geslaagde '1 april' grap uitgehaald met de persoon die aan het hoofd staat van het team van zelfstandige verpleegkundigen, waarop ik sinds eind 2002, en heden nog steeds, beroep doe voor mijn dagelijkse persoonlijke verzorging. Zij had op deze verzendertjesdag vrijaf, maar toch belde ik haar even voor acht uur op.

Quasi in paniek, meldde ik haar met een nerveuze stem dat mijn kinderen al klaar stonden om naar school te gaan, terwijl ik nog ongewassen in bed lag. Haar collega, die werd verondersteld om zeven uur bij me te zijn, was immers nog steeds niet komen opdagen.

Mijn verpleegster klonk hoorbaar verveeld met de situatie en zei onmiddellijk de andere verpleegster te zullen bellen en dan meteen ook weer mij, om me te informeren over wat er aan de hand was. En wat er ging gebeuren.

Luttele seconden later rinkelde de gsm van de verpleegster die me net had gewassen, aangekleed en in mijn rolstoel gezet. Ze stond te gniffelen, maar nam niet op. Een minuut later was het mijn mobieltje dat lawaai maakte. "Ja, sorry hoor, maar ik kan haar niet bereiken." klonk het in mijn oor, "dus zal ik maar onmiddellijk zelf komen!" Waarop ik zei: "Oké, dat is goed. Maar wil je dan eerst even bij de viswinkel passeren om iets voor me mee te brengen?"

Zonder enig spoor van argwaan in haar stem, vroeg ze: "En wat dan wel?" Terwijl haar collega, naast me, met haar vlakke hand op de mond, stond dubbel gevouwen van ingehouden pret,  spelde ik, met een nog steeds ernstige, vaste stem: "A P R I L vis!"

Nu had de gefopte dame het door, want ze begon hartelijk te lachen en zei: "Ik nam dit jaar speciaal deze dag vrij om niet verzonden te worden, en nu heb ik het potverdorie toch weer aan mijn been!"

Tja, die malafide chirurg mag dan wel mijn lichaam om zeep hebben geholpen, mijn boosaardige geest is compleet intact gebleven.

De Mefisto voor de thuiszorg,

Ru(sh)di(e), 15 juni 2004 (revisie op 26 april 2009)

29-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Heel goede en erg kwade dagen

 

Enkele dagen geleden gaf een veehoudster uit de buurt me haar telefoonnummer, met de melding dat ik maar moet bellen mocht ik ooit in panne staan en niet thuis geraken. Zij of haar man zullen me dan komen halen met hun bestelwagen. Een aardige geste.

Gelukkig ben ik de laatste tijd verstoken gebleven van defecten aan mijn rolstoel. Het ding is wel nog steeds niet geheel hersteld na die aanrijding in maart vorig jaar, maar ik kan me behelpen voor mijn dagelijkse activiteiten.

Zo heb ik me weer tien dagen in het feestgewoel gestort in Lokeren, op heden nog steeds mijn woonplaats. Géén nachtenlange zwalppartijen dit jaar. Neen, de jongens gingen meestal mee en dus keerden we steeds op een deftig uur huiswaarts. 'k Heb overigens ook een verpleegster die me 's avonds in bed legt, dus ook zij bepaalde eigenlijk mede het uur waarop ik thuis moest zijn.

Als je je dan zo dikwijls midden zo veel mensen bevindt, gebeurt er af te toe wel eens iets. En soms is dat iets grappigs. Zoals bijvoorbeeld op die dag dat ik me, met in mijn kielzog mijn kroost, doorheen de menigte op de kermis bewoog, als steeds trachtend niemand aan te rijden met mijn vehikel.

Op een zeker moment was er daar een gans gezin dat nog net voor mij van de ene kant van de doorgang naar de andere wou crossen. Dus stopte ik om hen door te laten. Luttele seconden later stonden ze allemaal links van mij. Behalve één jongen, die rechts van me bleef staan. Zijn ouders riepen hem toe en deden teken dat ook hij hun kant moest opkomen. Die jongen antwoordde iets, maar zijn woorden werden overstemt door de geluiden van de kermis.

Inmiddels bleef ik geduldig staan. Die vader daarentegen werd ongeduldig en kwam zijn zoon halen, onderwijl nerveus vragend waarom hij niet met de rest was meegekomen. Het ventje wees met beide handen naar beneden en opende tevens zijn mond om iets te zeggen. De handgebaren lieten het me reeds vermoeden en nu hoorde ik ook wat hij zei: hij kon zich niet verplaatsen want ik stond met mijn voorwiel op zijn linkervoet.

Ik reed een klein beetje vooruit zodat die jongen zijn vrijheid terugkreeg. Hij lachte schaapachtig, deed een stap opzij, en ging naar zijn ouders, broer en zus toe die hem verbijsterd aankeken. Allicht vroegen die zich af  hoe het kwam dat die jongen géén pijn had.

Het is inderdaad zo dat stappers het nauwelijks voelen als ik met mijn 200 kilogram over hun voeten rij of er op ga staan. Zelfs kindjes niet. Dat zal allicht wel te maken hebben met de verdeling van het gewicht over de vier wielen en het feit dat ik met luchtbanden rij.

Schoon vrouwvolk dat daar trouwens in de ganse feestzone flaneerde. Niet te doen. Luchtig gekleed bovendien, gezien het zwoele weer. En wij, rolstoelers, zitten op een bevoorrechte hoogte om, zonder dat het opvalt, al die fraai gevormde derrières te bewonderen.

De Reggae avond was een topper. Er was veel volk op de been en het was derhalve niet zo eenvoudig een plekje voor het podium te vinden. Ik stond daar op enige afstand van de dranghekkens, met een vrij goed zicht op hetgeen zich op het podium afspeelde. Kwam daar toch wel een griet vlak voor me staan zéker! Een knap Hollands blondje weliswaar. Vanaf dan zag ik van die gasten op het podium niks meer, maar daarentegen, welbeschouwd als niet onaardig alternatief, een schoonheid die haar mooie ranke lichaam van alle kanten aan me etaleerde. Ja, het was de moeite, al had ze wel wat meer vlees op haar heupen en bibs mogen hebben. Perfectie is echter niet van deze wereld. Oh ja, en de muziek die het Gentse JAMAN ondertussen ten gehore bracht mocht er ook best wezen, alhoewel veel nummers leken op een doorslagje van elkaar.

Tussen bezoekjes aan de kermis op de markt, de Fonne-, de Lokerse en nog iets met een andere naam Feesten, organiseerde ik ook nog een uitje naar het alternatieve Nederlandse theaterpark ''t land van Ooit'. Best leuk. Dat park pakt graag uit met zijn toegankelijkheid en speciale aandacht voor mensen met een beperking, maar daar heb ik helaas bitter weinig van gemerkt. Twee voorstellingen hebben we bijgewoond: eentje in de arena en één in de manege, en telkens moest ik in de doorgang zitten, dus voor de tribune waarop al het andere volk zat, zo ook mijn gezelschap, en niet tussen hen in, zoals ik prefereer. Bij het binnen rijden in de manege werd me trouwens op het hart gedrukt mijn stoel niet te schuin te plaatsen, teneinde de andere bezoekers niet te veel te hinderen.

Ik had graag met een positieve noot willen eindigen, kwestie van de balans een beetje in evenwicht te houden, maar dat wordt moeilijk. De lift van dat busje waarmee ik naar Ooit werd gevoerd, werkte bij thuiskomst niet meer, van het slotvuurwerk van de Lokerse Feesten heb ik nauwelijks iets gezien, door de warmte laat mijn stem het al een tweetal weken afweten, één van mijn hoorapparaatjes is stuk en zo gaat er de laatste tijd nog wel één en ander mis.

Dan maar iets van op de Gentse Feesten, eind vorige maand, toen het onheil allicht reeds in de lucht hing, maar nog niet was neergedaald. Mijn echtgenote en ik waren daar de nacht van die hevige wolkbreuk. We schuilden eerst onder de tuinparasols voor en vervolgens in het overdekt terras van een eethuis, waar we een drankje bestelden. De serveuse plaatste de kop warme, dampende thee voor mijn neus, terwijl mijn wederhelft mijn glas witte wijn kreeg geserveerd. Ik zei haar: "Je ziet alweer wie hier als dronkaard wordt aanzien." De dienster hoorde dat, draaide zich weer om, en zei: "Oh, was ik verkeerd?" En terwijl dat meisje de drankjes wisselde liet ze er, quasi ernstig, op volgen: "Maar u zou niet mogen drinken, mijnheer, u moet immers nog rijden!" Waarop we alledrie in lachen uitbarstten.

Ru(sh)di(e), 12 augustus 2004 (revisie op 26 april 2009)

28-04-09

Rudi's ontboezemingen - Nog enkele

 

Tijdens de wekelijkse marktdag in mijn woonplaats zijn er bijna altijd wel één of twee bedelaars actief. Eén van hen is een kreupele, naar ik denk, Oost-Europeaan, de andere is een nog vrij jonge hippie met een hond. Beiden hebben een schaaltje, waarin je als passant verondersteld wordt wat geld te gooien. En aangezien er in deze stad behoorlijk veel moslims wonen, die met het geven van een aalmoes aan de minstbedeelden hun verplichte goede daad verrichten, heb ik met eigen ogen kunnen vaststellen dat die schaaltjes telkenmale goed gevuld raken.

Als gevolg hiervan is me reeds meermaals de zin bekropen ook eens ergens, waar men mij niet kent, op een markt te gaan staan met een schaaltje, om op die manier ons gezinsinkomen wat te verhogen. Het is er echter nog nooit van gekomen.

Enkele weken geleden reed ik, vergezeld van een assistente, naar het centrum van mijn woonplaats. In de ontoegankelijke apotheek diende iets afgehaald te worden. Ik zond mijn assistente naar binnen en ging zelf, wat verder op het plein, in het zonnetje zitten, mijn gezicht naar de winkels gericht. Op zeker moment kwam een vrouw uit de kruidenierswinkel. Ze zag me staan en kwam recht op me af. Ze liet haar arm met samengeknepen vingers over mijn lichaam zweven. Het duurde even voor ik in de gaten had dat die dame op zoek was naar mijn (bedel)schaaltje, om het wisselgeld in te deponeren, dat men haar in de winkel had gegeven. 50 Eurocent! Daarvoor doe ik nog niet eens de moeite om de verkrampte vingers van mijn hand te strekken. Het vrouwmens zag haar vergissing in, vroeg of ik hulp nodig had en verdween stilzwijgend toen ik daar negatief op antwoordde.

Dat is trouwens ook iets dat ik heb moeten ervaren en gewoon worden sinds ik aan een rolstoel ben gekluisterd: dat men denkt dat mensen in een rolstoel (steeds en alleen) hulp nodig hebben. We staan daar met vijf personen bij elkaar. Er komt iemand aan die ons allen kent. Die groet de andere vier en aan mij, de rolstoeler, vraagt hij of zij of ik hulp nodig heb. Ze hebben geluk dat ik geen Palestijns terrorist ben, want op zo een momenten heb ik de bijna onweerstaanbare drang om (mij) te (laten) ontploffen.

Oh ja hoor, die mensen bedoelen het goed, maar wij zijn telkens de pineut. Ontelbaar zijn de keren dat ik me publiekelijk eens voorover boog om mijn bilspieren te ontspannen en mijn rug een beetje vrijheid te geven, waarop er binnen de kortste tijd een groepje mensen rond me stond die unaniem dachten dat ik onpasselijk was geworden. En moeite dat ik had om hen van het tegendeel te overtuigen. Eén keer stond men zelfs met de GSM in de aanslag, op het punt de dienst 100 te bellen! Nu zoek ik meestal een verlaten plekje op als ik even voorover wil liggen En dankzij mijn heupgordel kan ik toch niet uit mijn rolstoel vallen.

Ru(sh)di(e), 27 mei 2004 (revisie op 26 april 2009)

24-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Eigenzinnige rolstoelen

 

Door een fout tijdens een nekoperatie, ben ik van de ene op de andere dag zwaar verlamd geraakt.

Strijdlustig als ik ben had ik, op de verzorgingsafdeling, reeds een rolstoel aan mijn bed klaarstaan op het moment dat ik zelfs nog niet eens kon rechtop zitten in mijn bed, zonder bewusteloos te vallen.

Het was een manuele rolstoel, met dubbele hoepel, aangezien ik enkel maar enige functionaliteit overheb in mijn linkerhand. Mijn eerste weken in het revalidatiecentrum maakte ik ook gebruik van dit vehikel om mij, met ontzettend veel moeite, voort te bewegen.

's Avonds zaten wij, de in het revalidatiecentrum residerende patiënten, steeds in twee rijen tegenover elkaar, onder de luifel aan de ingang van het centrum. Voornamelijk ter wille van de rokers, aangezien in het ganse gebouw een rookverbod gold. Zoals gewoonlijk werd er gepraat over van alles en nog wat.

Op een zeker ogenblik wou ik naar binnen. Dus ontgrendelde ik eerst mijn rechter en vervolgens ook mijn linker wielrem. Ik trachtte de stoel in beweging te zetten door aan de hoepels te draaien. En dat lukte. Maar in plaats van vooruit te rijden, bolde mijn wielkar achteruit! Hola, dit ging mis! Terwijl ik achterwaarts een helling afreed, waar ik blijkbaar even tevoren nog had voor gestaan, riep ik nog iets in de trant van "Help! Ik bol weg!" Met al mijn kracht omklemde ik de binnenste hoepel van mijn rolstoel, waardoor de stoel een kwartslag draaide en tot stilstand kwam in de aarde naast het pad en ik met mijn snoet in het struikgewas, maar gelukkig nog steeds in mijn stoel zittend. Een toegesnelde bezoeker bracht mij terug naar waar ik zijn moest. Gelukkig had ik, behalve enkele schrammen in mijn aangezicht, geen letsels opgelopen. 

Enkele weken later heb ik ook een manuele rolstoel met een trek- duw systeem uitgeprobeerd. Dat functioneert met een hendel die je voor en achterwaarts moet bewegen, waardoor de rolstoel in beweging komt. Besturen doe je door aan de hendel te draaien. Op een zonnige middag, na het middagmaal, wou ook ik wel eens een fris luchtje scheppen. Dus reed ik via de openstaande deur het buitenterras aan de achterzijde van het centrum op. Ik bewoog de hendel enkele malen heen en weer en bolde het terras op. Oei, het ging iets te snel. Afremmen dus maar. Maar hela, wat was dat? Dat ding kon potverdorie niet remmen! Mijn karretje meerderde nog vaart. Ik kon nipt de tenen ontwijken van iemand die daar zat uit te rusten, vooraleer met een bonk, maar zonder schade, tot stilstand te komen tegen een plastic tuinzetel die tegen een muurtje aanstond.

'k Heb ook een tijdlang met een elektrisch vehikel rondgereden dat niet erg betrouwbaar was. Zo was ik een keer via de onderaardse gangen van het universitair ziekenhuis op de terugweg van het restaurant naar het R.C., toen het ding ineens naar links afweek en tegen de muur aanreed. Gelukkig zonder erg, en ik kon wonder boven wonder mijn weg verder zetten. De rolstoel hield zich koest.

Na mijn revalidatie huurde ik een studio van de universiteit waar ik wou studeren. Toen ik nog maar pas een paar dagen in deze studio verbleef, ging de machine waarvan hiervoor sprake,  ook eens ongevraagd met me aan de haal. Het elektrisch aangedreven rolding stuurde zichzelf richting mijn werktafel. Met volle kracht bonkte ik er tegen aan. Een poot van mijn bureau vloog er van af, en het tafelblad kwam enkele centimeters omhoog en ik met stoel en al er onder. De bedieningshendel van mijn voertuig kwam vast te zitten onder het bureaublad. Daardoor bleven mijn wielen op volle kracht draaien. Die stoel wou verder rijden, maar kon niet. En ik zat in die monstermachine, gekneld tussen die stoel en mijn tafelblad.

Middels mijn mobiele telefoon één van mijn valide buren ter hulp roepen, had weinig zin, aangezien ik niet bij de deurknop kon om hen binnen te laten. De enige persoon die een  badge had waarmee hij mijn studio kon betreden, was mijn thuisverpleger. Dus belde ik die maar op. Hij was al  onderweg voor mijn avondlijke verzorging en in bed legging. Een meevaller, dus! Toen de man even later arriveerde was mijn machine net stilgevallen. Waarschijnlijk omdat inmiddels de batterijen leeg waren. De verpleger haalde me uit mijn benarde positie en duwde mijn stoel handmatig naar mijn bed. Het bedieningspaneel kreeg hij met een flinke wrong ook min of meer terug in de juiste positie. Na een nachtje laden werkte het ding alweer maar ik was nu nog meer dan voorheen op mijn hoede voor ongewenste eigenzinnige onverhoedse bewegingen van die rolstoel.

Met mijn nieuwe elektrische rolstoel heb ik eens ontzettend veel geluk gehad. Het was zaterdagnamiddag. Ik had de kinderen weggebracht, want die moesten naar een voetbaltornooi. Zelf was ik de andere kant uitgereden. Die dag had immers de 'Omloop van Het Volk' plaats, met aankomst in mijn woonplaats. Als aanloop, en in afwachting daarvan, werd een beloftewedstrijd gereden.

Ik kwam nog net op tijd om de laatste twee rondes en de aankomst hiervan te zien. En vast te stellen dat veel van die coureurs een schoon lief hebben. Daarna reed ik even naar huis, om te plassen. Ik kwam de inkomhal van onze woning binnen gereden en hoorde een stuiterend geluid. Bleek dat bolletje van de bedieningshendel van mijn rolstoel eraf gevallen te zijn. In huis was dat, door mijn vrouw, gemakkelijk terug te vinden, maar was dat op straat gebeurd, tussen al dat volk, dan was ik dat waarschijnlijk kwijt geweest en zou ik daar mooi gestaan hebben, geen kant meer uit kunnend.

Ru(sh)di(e), 5 februari 2003 (revisie op 18 april 2009)

20-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Een blauwgekleurd weekend

 

Zaterdag jongstleden ben ik dus naar dat lentediner geweest. Georganiseerd door de politieke partij die deze stad bestuurt, maar waarop alle burgers van deze plaats waren uitgenodigd. Als ze bereidt waren de voor dit festijn gevraagde som te betalen tenminste, welteverstaan.

Ik had het busje van het OCMW besteld. Om me te brengen en naderhand ook weer  huiswaarts te voeren. De, blijkbaar immer goed gezinde chauffeur, was ruim op tijd aanwezig. Mijn echtgenote was op dat ogenblik nog volop bezig me te prepareren. Zelf zag ze er overigens beeldig uit, mijn eega. Ze was nochtans doodziek.

Tijdens het korte ritje naar de plaats van afspraak bleek dat ik de vorige keer wat al te voorbarig ben geweest in mijn bejubeling van de vering van dat voertuig. Want ik heb tijdens deze rit enorm zitten wippen en bij elke put in de weg moest ik alle moeite van de wereld doen, om met mijn bovenlichaam niet voorover te slaan. Tegen de volgende keer dat ik met dit vervoermiddel meerijd, moet ik, naast de reeds aanwezige heupgordel, zeker ook mijn schoudergordels op de momenteel gebruikte rolstoel laten monteren.

We kwamen ongeveer een kwartiertje voor het vermeldde aanvangsuur ter bestemming aan. Op enkele auto's na was de ruime parkeerplaats totaal verlaten. Daardoor vreesde ik even me van plaats of datum te hebben vergist. Dus verzocht ik mijn vrouw om binnen toch maar eens te gaan informeren. We bleken juist te zijn, zowel wat locatie, dag als uur betrof. Dus reed ik tot op het liftplatform om uit het busje en op de begane grond te geraken.

Aan de toegangsdeur tot het hotel, met restaurant en feestzaal, werd ik geconfronteerd met een, vrij hoge, drempel. Bij inschrijving had ik wel laten vermelden dat bij mijn persoon een grote, elektrische rolstoel hoort, maar ik had expres niet zelf contact opgenomen met het hotel om te informeren naar de toegankelijkheid. Ik wou achterhalen of de organisatoren uit zichzelf voor de nodige voorziening zouden zorgen. Niet dus.

Een oude man - de maître? - stond in de deuropening en stelde voor om met de bus tot net voor de deur te rijden om op die manier de drempel te overschrijden, maar dit bleek vrij snel niet zo een goed idee te zijn. Uiteindelijk ging die man, op vraag van mijn echtgenote en mezelf, een plank halen, waardoor ik even later probleemloos het prachtige gebouw kon binnen rijden.

De avond verliep overigens voortreffelijk. Door mijn slechte zithouding in dat onaangepast elektrisch aangedreven wielending, had ik wel een Dafalgan mét Codeïne nodig om in staat te zijn de achterhoofdpijn op een enigszins te verdragen niveau te houden. De inname van dat pijnstillend medicijn wordt trouwens een dagelijkse noodzaak. De farmaceutische industrie kan er maar wel bij varen! Door die medicatie kon ik spijtig genoeg slechts even nippen aan de bij het voedsel geserveerde wijnen: witte bij het voorgerecht en rode bij het hoofdgerecht.

In de prachtige gotische zaal had men voor mij een plaatsje gereserveerd aan de hoek van de laatste tafel, dichtst bij de toegangsdeur. Dit allicht met de bedoeling zo weinig mogelijk mensen te kunnen hinderen. Maar daardoor stond ik wel op een plaats waar niemand omheen kon zonder me opgemerkt te hebben. Mijn echtgenote en ik kregen aan de dis het gezelschap van vier - naar spoedig bleek - sympathieke dames. Er bevond zich maar één tafel tussen de onze en deze van de prominenten. Aan die ronde tafel zaten onder anderen de burgemeester, zijn voorganger (tevens zijn vader), de premier, de eerste burger van het land en de nationale partijvoorzitter. 

Aan het eind van zijn korte, duidelijke en krachtige toespraak, zei de eerste minister, die spreker en eregast was, iets in de trant van: "Ik weet dat ik op jullie kan rekenen, want anders zouden jullie hier niet zijn!" Tja, eigenlijk had ik op dat ogenblik mijn arm in de hoogte moeten stoppen om de premier er op te wijzen dat ik persoonlijk daar geheel vrijblijvend ter plaatse aanwezig was. Echter, los van het feit dat ik gezien mijn handicap niet echt tot zulks in staat ben, zou de premier allicht toch mijn poging tot het opheffen van mijn arm niet gemerkt hebben, want hij stond min of meer met zijn rug naar me toegekeerd. Het spreekgestoelte stond immers opgesteld aan de verbindingsdeur met een andere zaal, waar ook een deel van het gezelschap zat. Die éne zaal waar wij zaten was immers niet groot genoeg om alle deelnemers aan dit diner een plaatsje te geven.

Ik ontmoette deze avond enkele mensen die ik kende van vroeger. Wat het notabel volk betreft kan ik melden dat koele Karel niemand zag staan, dus uiteraard mij incluis, en Guy enkel tijd had voor een vluchtige groet. Herman daarentegen kwam naar me toe en ook onze burgervader kwam een praatje slaan. Plus een hele resem kandidaten die zich aan elkeen kwamen voorstellen en steun vragen met het oog op de nakende nationale verkiezingen.

Het eten was lekker. Dat mocht ook wel voor de prijs die we er voor betaalden. Er was iets met vis als voorgerecht en kalfsvlees met groentjes en kroketten als hoofdschotel. De sabayon werd nog net op tijd geserveerd om uitgelepeld (in mijn geval uitgedronken) te worden, maar voor het laatste item van het menu, koffie met versnaperingen, hebben we moeten passen, want het was toen onderhand middernacht en mijn taxi stond reeds te wachten. Zo gaat dat als je afhankelijk bent van derden. Je vrijheid wordt enorm beknot. De openingsdans door de lokale voorzitster van de partij hebben we ook gemist. Op dat moment stonden wij al aan de ingang, te wachten tot er eindelijk iemand zou verschijnen om onze jassen terug te geven. Blijkbaar waren alle hens aan dek geblazen om de koffie te serveren, want het heeft wel een tiental minuten geduurd voor we eindelijk konden vertrekken.

Zo, nu heb ik kennis gemaakt met blauw Vlaanderen. En zij ook met mij!

Ru(sh)di(e), 14 april 2003 (revisie op 15 april 2009)

15-04-09

Rudi's overdenkingen - Zwerfvuil

 

Waar men ook rijdt langs Vlaamse wegen, overal komt men troep en vuilnis tegen. Werkelijk, sinds ik me noodgedwongen verplaats door middel van een gemotoriseerde invalidenwagen, merk ik pas op dat de openbare weg, en dan vooral de voet- en fietspaden, alsook de pechstroken, die, oppervlakkig gezien vrij netjes ogen, eigenlijk bezaaid liggen met allerlei rommel. Dat gaat van schroeven, bouten, spijkers, veren en zo meer, over glasscherven en afgebroken stukjes van fietsen en auto's, tot plastic zakjes en een heleboel stenen en steentjes. Verder ook veel, doorgaans platgereden, blikjes frisdank. Zo nu en dan zie ik al eens een sok of een nylonkous. En in de winter ook heel dikwijls handschoenen, sjaaltjes en zelfs mutsen.

Reeds tijdens de eerste ritjes met mijn rolstoel op de openbare weg had ik door dat ik steeds ontzettend goed uit mijn doppen zou moeten kijken om het voortdurend lekrijden van mijn rolstoelbanden te voorkomen. Terwijl ik zo spiedend rondreed op de weg bedacht ik dat daar misschien wel een leuke bijkomstigheid aan vast kon zitten. Immers, zouden daar tussen al die rotzooi niet nu en dan geldstukken liggen? Sinds de Euro was ingevoerd, met al die verschillende muntstukken, kon het toch niet anders dan dat ik af en toe een waardevolle munt op de weg zou vinden? Van de nood een deugd maken, als het ware. Als ik alleen op weg was zou ik dan wel hulp moeten vragen aan passanten om mijn vondst op te rapen, maar dat zou ongetwijfeld geen probleem zijn.

Dat vinden van geld valt dus lelijk tegen. Want tot op heden is de buit erg mager. Een paar stukken van één Eurocent, waarvoor de personen die ze lieten vallen, gezien de geringe waarde ervan, het waarschijnlijk niet eens de moeite hebben geacht hun rug te krommen en / of om er voor door hun knieën te zakken om het terug op te rapen. En één vijf Eurocent geloof ik, en tevens een paar twintig Eurocent stukken. Dus ofwel houden de mensen hun geldstukken veilig in hun geldbeugel, in plaats van losjes in de broek- of jaszakken, waaruit ze, bijvoorbeeld bij het nemen van een zakdoek, gemakkelijk op de grond kunnen terechtkomen. Ofwel heb ik gewoon de pech dat de grotere op de grond gevallen Euromunten telkens reeds door een andere persoon werden gevonden en opgeraapt. Want zelfs op de wekelijkse openbare markt, in de winkelstraten of aan de kassa van de supermarkt heb ik tot op heden niet het genoegen gehad Euro's te vinden.

Ongetwijfeld de meest waardevolle munt die ik tijdens mijn ritten heb gevonden, is een jeton voor een peepshow cabine. Maar ik zie niet echt in hoe ik ze ten gelde kan maken. En als ik dat al zou willen en mijn eega ermee akkoord zou gaan, kan ik het muntje toch niet zelf gebruiken, aangezien ik niet weet voor welke tent het geldig is. Of is dat uniform? Kan je met die jeton in elke peepshow terecht? Ik weet het in alle geval niet, want ik ben daar niet echt in thuis. Trouwens, zelfs al zou ik het adres van dat oord van vertier te weten komen, dan zit ik nog met het probleem dat ik er moet zien te geraken. En bovendien is er weinig kans dat het etablissement rolstoeltoegankelijk is. Tenzij ze ook een thuislevering service hebben uiteraard. Maar ik vrees dat in dat geval dat éne gevonden muntje bij lange na niet zal volstaan om die show dan te vergoeden.

Ru(sh)di(e), 9 maart 2003 (revisie op 11 april 2009)

14-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Niet klein te krijgen!

 

De vrijdagochtend na die aanrijding op maandag, heb ik alweer de kinderen naar school gebracht. Met die krakkemikkige rolstoel, waarin ik me nu verplaats. Let op, ik ben blij dat ik iets heb om me in voort te bewegen, maar in dit ding zit ik niet gemakkelijk, ik kan mijn rugleuning, noch mijn beensteunen van positie veranderen en er zit geen kantelverstelling op dit ding. Dus zit ik steeds in dezelfde oncomfortabele positie, wat voor gevolg heeft dat ik na enkele uren mijn bed in moet om te bekomen van de hoofd- en lichaamspijn die deze zithouding me bezorgt.

Maar ik wou het eigenlijk hebben over een voorval die ochtend. Er was weer eens een ongeval gebeurd op de autosnelweg, waardoor het verkeer langs  onze straat werd omgeleid. De straat waarin we wonen maakt immers deel uit van een gewestweg die twee Vlaamse provinciehoofdsteden met elkaar verbindt. Geflankeerd door mijn kinderen reed ik op het fietspad. Een assistente stapte achter ons aan, voor het geval ik op mijn terugweg hulp mocht nodig hebben, want ik betrouwde deze rolstoel niet.

Toen we aan de eerste verkeerslichten kwamen, floepte het licht voor de voetgangers net op rood. De jonge agent die aan de zijkant van de weg stond toe te kijken op het verloop van het verkeer, had ons nog kunnen laten oversteken, zo hij dat wou, maar blijkbaar wou hij dat niet.

Toen even later het voetgangerslicht terug op groen flitste wou ik ogenblikkelijk de baan oversteken, maar mijn assistente hield me met een gil tegen. Bleek dat die agent, uit mijn gezichtsveld, de straat was opgegaan om nog enkele vrachtwagens doorheen het rode licht te loodsen. Terwijl die klojo toch wel zag dat wij daar klaarstonden om over te steken?! Enkele camions draaiden angstwekkend dichtbij onze voeten de straat in. Even later konden we dan toch oversteken, maar toen we halverwege het zebrapad waren stond het voetgangerslicht alweer op rood.

Aangezien ik ervan overtuigd was dat die jongen niet bewust ons leven in gevaar had gebracht, was ik vast van plan hem hierover op mijn terugweg aan te spreken. Toen we terugkeerden stond de jongeman echter op de baan het verkeer te regelen en ik had geen tijd om te wachten tot wanneer hij naar de kant kwam, want mijn kinesist kwam nog en ik wou niet dat die op mij zou moeten wachten. 

In de namiddag liet ik een andere assistent met me meestappen naar de Brico. Niet dat ik dringend iets uit deze winkel nodig had, maar veeleer om uit te testen of ik met deze gemotoriseerde wielstoel over de brug geraakte, die loopt over de waterweg die door deze stad kronkelt. Dat bleek dus geen probleem te zijn. We keerden terug langs dezelfde weg als we gekomen waren:  op het fietspad, dat gescheiden is van de rijbaan door een pechstrook. Maar nu reed ik tegen het verkeer in.

Toen we ter hoogte waren van een tankstation, dat gevestigd is langsheen deze baan, hield een auto halt, vlak naast ons. Aan de passagierszijde werd het venster naar beneden gerold. Een dame vroeg de weg naar het Vredegerecht, daarbij uitsluitend naar mijn helper kijkend. Deze hield, zoals ik hem in geval van dergelijke situaties had opgedragen, netjes zijn mond, zodat ik op die vrouw haar vraag kon antwoorden. Ze keek een beetje dwaas en ik zag haar denken: "Waar komt dat geluid vandaan?" blijkbaar totaal uitsluitend dat het wel eens die kerel in zijn rolstoel zou kunnen zijn die net een antwoord gaf op haar vraag. Toen ze eindelijk haar hoofd naar me toe draaide herhaalde ik nogmaals hoe ze moesten rijden. De man die achter het stuur zat begreep mijn routebeschrijving. Ze dankten me beiden en reden verder.

Deze zondagochtend zijn we naar de rommelmarkt geweest, die wekelijks doorgaat op het stationsplein van mijn woonplaats. Er was een neef van mijn vrouw bij ons, en ook een nicht van haar, met haar twee kindjes: een jongen van net geen twee jaar en een drie maand oud meisje. Mijn vrouw droeg de baby van haar nicht in een draagdoek op haar rug. Blijkbaar hadden veel mensen zoiets nog nooit gezien want mijn wederhelft had enorm veel bekijks. Ik was daar eigenlijk wel verheugd over, want meestal gaat alle aandacht naar mij. Van starende, somber kijkende mensen. Terwijl nu alle ogen gericht waren op mijn eega en vooral op het kindje aan haar achterzijde. Van vrolijk en vertederd kijkende mensen. Wat een verschil!

Toen we aan het wafelkraam stonden hoorde ik een vrouw mijn echtgenote verzoeken mij te vragen om me wat meer vooruit te verplaatsen, want er wou iemand met een kleine bestelwagen het terrein oprijden en ik stond in de weg. Ze antwoordde: "Mevrouw, ik ben hier volop bezig. Hij verstaat Nederlands, dus vraag het hem zelf!" "Goed zo, meisje!" dacht ik. "Een beetje verder." zei de dame vervolgens tot me, maar ik ging pas in op haar verzoek toen ze haar vraag herhaalde in een beleefdere formulering en met een alsjeblieft erbij. Met een brede glimlach dankte ze me uitvoerig. En even later, toen ik haar standje passeerde nog een keer. Toch weer één iemand die hopelijk heeft geleerd dat fysiek gehandicapten niet noodzakelijk ook geestelijk onbekwaam zijn.

Hoe ze het voor elkaar krijgen, ik weet het niet, maar er gaat geen bezoek aan deze vlooienmarkt voorbij of mijn kroost gaat met één of ander cadeau naar huis. Ze krijgen korting op hetgeen ze kopen zonder er zelf om te vragen, kopen één boekje en krijgen er vanwege de verkoper spontaan enkele andere zomaar gratis bij. Of mogen het speelgoedje waar ze belangstelling voor hebben meenemen zonder het te betalen. Zoals ook nu weer. Mijn éne zoon kreeg een zwembril, de andere een happend balletje. En ook voor de baby had men iets. De andere jongen greep naast de prijzen want die liep op dat ogenblik met zijn mama ergens anders op de markt.

Is het omdat ze er zo schattig en verteterend uitzien, omwille van hun beleefd en geïnteresseerd gedrag ten overstaan van de standhouders , die ze trouwens ook al eens durven helpen met inpakken en opruimen als we op het eind van de markt nog aanwezig zijn. Of dan toch omdat die handelaars medelijden met hen hebben omwille van het feit dat mijn kindjes een invalide vader hebben? Ik weet het niet. En het doet er ook niet toe welke de reden is, het zijn mijns inziens allemaal goede. Oh, ik weet het wel. Het zijn allemaal kleinigheden die men geeft, maar het is het gebaar dat telt. En dat is groot en hartverwarmend!

Op onze terugweg naar huis, via het park, kwamen we nog een vrouw tegen met twee grote honden aan de leiband. Een van mijn jongens vroeg of hij de dieren mocht strelen. Dat kon. Hij mocht er zelfs één aan de leiband tot bij mij brengen. En de dame bracht ook haar andere hond dichterbij, zodat ik ze beide kon strelen. Veel had ik daar echter niet aan, met een nagenoeg gevoelloze hand, maar het voelde wel goed aan die dieren zo dicht bij me te hebben en intussen maakte ik een praatje met hun baasje. Middelerwijl kreeg mijn zoon een koekje toegestopt om aan die ene hond te geven. Voor het andere dier kreeg hij er geen, want die was goed opgeleid en afgericht, zo meldde zijn baasje vol trots, en was aangeleerd voedsel van vreemden te weigeren.

Al bij al een geslaagde dag, afgesloten met een namiddag vertoeven in de stralende lentezon. Dat laatste net iets te lang, zo blijkt, want mijn hoofd heeft de kleur aangenomen van een rode biet.

Ru(sh)di(e), 23 maart 2003 (revisie op 6 april 2009)

12-04-09

De avonuren van Rudi & Co, gedaan met de pret!

 

Hoe snel ik me, gezeten in mijn elektrisch aangedreven wielending, ook voortbeweeg, het mij immer achtervolgende noodlot haalt me steeds in, en slaat keer op keer toe.

Maandag. Het beloofde een stralende dag te worden. 's Ochtends had ik de kinderen naar school gebracht, waarna ik via een korte omweg huiswaarts was gekeerd. Ik wou immers nog iets langer in de buitenlucht vertoeven, maar moest toch tijdig thuis zijn om de afspraak met mijn kinesist niet te mislopen(!).

Na mobilisatie van mijn ledematen door de therapeut, at ik als ontbijt een toastje, dat ik doorspoelde met een tas thee. Die toast 's ochtends vind ik lekker, maar die warme thee drink ik zonder smaak en uitsluitend als opwarmer voor mijn binnenste. Vervolgens hield ik me op mijn computer bezig met het lezen van ontvangen elektronische post en het bijwerken en aanvullen van enkele reeds eerder getypte schrijfsels.

Toen het een uur of elf was, liet ik me opnieuw mijn sjaal omdoen en mijn jas en wanten aantrekken, om genietend van de voormiddagzon, een ritje te maken in de buurt van mijn woning. Op mijn terugweg naar huis moest ik op een gegeven moment over een betonnen weg rijden. En, aangezien daar geen fietspad aanwezig is, op straat!  Op een gegeven moment doemde ineens een vrachtwagen op, die rakelings naast me kwam rijden... zo dichtbij!

Onmiddellijk realiseerde ik me in wat voor een benarde positie ik mij bevond. Ik kon echter geen kant meer uit. Want had ik naar rechts gestuurd, dan was het achterstel, van mijn vehikel, als gevolg van de voorwielaandrijving van de machine, eerst naar links gezwenkt en werd ik sowieso aangereden. Het beste leek me dus te stoppen en mijn linkerhand naar mijn lichaam te brengen, zodat die niet geraakt kon worden in geval van een aanrijding, waarvan ik hoopte dat die er niet zou komen. IJdele hoop zo bleek. Minder dan een tel later hoorde ik gekraak en voelde ik meteen een schok. Het volgende ogenblik vloog ik uit mijn rolstoel en belandde op straat.

Vrij snel kwamen er mensen aangelopen. Ik zei hen dat alles oké met me was. Ik hoorde achter me iemand zeggen: "Sorry hoor, ik had je niet gezien." maar reageerde daar niet op. Enkele mannen wilden me terug in mijn rolstoel plaatsen, maar ik weerhield hen daarvan want ik had, van op de plek waar ik lag, reeds lang gezien dat die stoel door de klap onbruikbaar was geworden. In plaats daarvan liet ik me aan mijn hoofd, schouders en romp ondersteunen.

De omstanders waren bezorgd over mijn lichamelijke conditie, terwijl ik vooral inzat met de staat van mijn rolstoel en hen duidelijk maakte dat het feit dat deze om zeep was een ramp voor me betekende. "Maak je daar maar geen zorgen over", zei er één. "De verzekering van de man die je heeft aangereden zal de reparatie vergoeden!" Een andere man zei, met een opgewekte stem, en onmiskenbaar ook met de bedoeling me gerust te stellen: "Ze zullen je zelfs een nieuwe leveren!" Aardig geprobeerd, maar ik ben te nuchter en heb al te veel meegemaakt om in dat sprookje te durven geloven.

Onze wijkpostbode kwam ook aangesneld en bood aan mijn echtgenote te gaan verwittigen. Maar ik prefereerde haar zelf op te bellen middels mijn GSM. De man hielp me daarbij. Even later was ze daar, te voet, want de plaats van het ongeval was dichtbij ons huis. Ik zei "Sorry, schat.", want ik zat er enorm mee in dat ze alweer geconfronteerd werd met een extra brok ellende. Terwijl ze de laatste jaren al zo veel miserie had moeten doorstaan. Ik dacht aan allerlei praktische dingen. Ik wou de leverancier van mijn rolstoel bellen en mijn verzekeringsagent. Die laatste kwam echter al aangelopen. Was waarschijnlijk toevallig in de buurt.

Op dat ogenblik verschenen ook een ambulance en de politie. De ambulanciers wilden me meenemen, maar ik vroeg me luidop af of dat wel nodig was aangezien ik dacht niks te mankeren. En als ik toch meeging, hoe zou ik dan daarna thuis geraken? Met bemiddeling van mijn verzekeringsagent werd afgesproken dat ik na controle in het ziekenhuis, met een ziekenwagen terug naar huis zou worden gebracht. Dus werd ik op een draagberrie gelegd en was ik even later in de ziekenwagen op weg naar het stedelijk hospitaal. Ik vroeg aan de dame die naast me zat of de ambulance waarin ik vervoerd werd een gele was, want ik had zulk een type 's ochtends zien rijden. Ze zei me dat ze inderdaad reeds naar een deelgemeente van de stad waren gereden en dat ook haar collega, de bestuurder, mij toen had opgemerkt.

Eens aangekomen in de kliniek werd ik middels een rollerboard naar een hospitaalbed getransfereerd. Eén van de verpleegsters vroeg me door welke dokter ik wenste onderzocht te worden. Aangezien ik geen voorkeur had, gewoonweg omdat ik in mijn woonplaats niet echt veel dokters ken, werd me gezegd dat de dokter van wacht zou worden opgebeld. De verpleegkundige verdween.

Door de openstaande deur ving ik flarden op van een gesprek dat ontegensprekelijk over mij handelde. Even later kwam een andere verpleegster me zeggen dat een andere arts dan die van wacht, me zou komen onderzoeken. Ik heb het haar niet gevraagd, maar waarschijnlijk had de dokter van wacht geen zin om op te dagen, omdat ik waarschijnlijk toch niks mankeerde. De twee vriendelijke agenten die ik ook al op de plaats van het ongeval had gezien, kwamen kijken hoe het met me ging. Ze stelden enkele vragen omtrent de omstandigheden van het accident en zeiden dat ze later nog wel eens bij me thuis zouden langskomen. Drie kwartier na aankomst in het ziekenhuis werd ik heel summier onderzocht door een arts die me reeds na enkele minuten alweer alleen liet.

Zo, ik kon naar huis. Inmiddels was ook mijn echtgenote in het hospitaal gearriveerd. De dokter had me nog maar net een handgeschreven briefje voor mijn huisarts gebracht of daar waren ook de ambulanciers reeds om me huiswaarts te brengen. Aangezien ze daar blijkbaar uit zichzelf geen oog voor had, verzocht ik de verpleegster echter eerst een plakker op mijn elleboog te kleven, want ik had daar volgens de dokter een bloedende schaafwond en ook mijn kleding diende nog gefatsoeneerd te worden want eerst de verpleegster en toen ook de dokter hadden mijn broek naar beneden getrokken om mijn rechterknie, waar ik dacht iets te voelen, te onderzoeken op uiterlijke tekenen van een kneuzing of andere verwonding.

Toen deze beide taken waren volbracht, werd ik van het bed op een brancard gerold en naar de garage van de dienst 100 overgebracht. Ik werd in een kleine ziekenwagen geholpen, die geparkeerd stond naast de moderne grote gele waarmee ik was binnen gebracht. Terwijl haar mannelijke collega achter het stuur plaatsnam zei ik tegen de dame die bij me in de wagen kroop: "Eigenlijk ben ik hier vandaag om het wagenpark van de dienst 100 van deze stad uit te testen." Waarop die vrouw zei: "Oh, maar wij hebben ook nog een derde ambulance!" Mijn repliek hierop: "Dan zal ik dus nog iets moeten verzinnen om vandaag ook met die ambulance vervoerd te worden!" ging verloren in het lawaai van de startende motor en de neerklappende achterdeur van de ziekenwagen. Alsook door het gekraak van de garagepoort van de dienst 100, die werd geopend.

Een minuut of vijf later reden we de voor mijn woning gelegen parking op. Daar stond, onder een transparant plastic dekzeil, mijn grijze rolstoel. In het ziekenhuis had mijn vrouw me reeds verteld dat een zeer hulpvaardige heer, trouwens de man die me ook al samen met de postbode had ondersteund, thuis zijn aanhangwagen was gaan halen om mijn rijtuig naar ons huis te brengen.

Inmiddels zijn we enkele dagen verder. Na het monteren van de, wel gebarsten, maar toch nog tijdelijk bruikbare, op maat gemaakte rugleuning die ik liet recupereren van mijn aangereden vehikel, en heel wat passen en uitproberen, zit ik sinds dinsdagnamiddag alweer in een stoel. Een prehistorisch type, dat me beschikbaar werd gesteld door mijn rolstoelleverancier. Een rolstoel waarin ik niet comfortabel zit, die geen verstelbare beensteunen en rugleuning heeft, me niet toelaat grote afstanden af te leggen en waarmee ik buitenshuis zelfs sowieso niet in mijn eentje op stap kan. Het ding is eigenlijk net goed genoeg om me wat te verplaatsen in huis en in de tuin.

Aan mijn verzekeringsagent had ik gezegd dat de mentale pijn omwille van het gemis van mijn rolstoel, mijn 'vrijheid', ontzettend groot is. Nu meldde hij me contact op te hebben genomen met de dienst slachtofferhulp van de maatschappij, die beloofd had om een psycholoog op me af te sturen. Hij zei te hopen dat ik het niet erg vond dat hij uit zichzelf dit initiatief had genomen. Ik zei "Neen, hoor."

Want die brave man bedoelt het uiteraard goed en tracht me te helpen binnen zijn mogelijkheden. Maar praten met een psycholoog gaat uiteraard mijn probleem niet oplossen, dus ook mijn psychisch lijden niet verzachten. Tenzij die dame of heer me een nieuwe, comfortabele stoel meebrengt uiteraard, maar daar vrees ik voor.

En nu diezelfde agent me ook meldde dat de tegenpartij de verantwoordelijkheid betwist en in ieder geval het Proces-verbaal van het ongeval zal afwachten, wat makkelijk vier maand tot anderhalf jaar kan duren, zit ik pas echt goed in de miserie. En ik die durfde te hopen dat het niet meer erger zou worden dan het al was. Helaas!

Het zal mijn lotsbestemming wel zijn, zeker? Meteen allicht ook het einde van mijn avonturen, want in mijn living en achtertuin gebeuren immers slechts bij hoge uitzondering dingen die de moeite waard zijn om neer te typen. Tenzij Irak terugslaat met het afschieten van lange afstandsraketten op Europa, waarvan er dan ene, door bijvoorbeeld een atmosferische storing, van zijn voorgeprogrammeerde koers afwijkt en in mijn achtertuin terecht komt en gelukkigerwijs door één of ander technisch mankement niet tot ontploffing komt. Maar dat ga ik dan wel niet hier vertellen. Neen, dan verkoop ik mijn verhaal aan de krant die of het tijdschrift dat met de meeste Euro's of Dollars over de brug komt.

Ru(sh)di(e), 22 maart 2003 (revisie op 5 april 2009)

11-04-09

Belevenissen in het UZ, het achtste deel - Gedaan met feesten!

 

Meermaals heb ik het meegemaakt dat er zich spontaan groepjes vormden van patiënten die goed met elkaar konden opschieten en ook 's avond samen zaten om de tijd op een zo aangenaam mogelijke wijze te verdrijven.

Na mijn avondmaal, dat ik meestal nuttigde in het restaurant van K12, keek ik in de Tv-zaal, op de grote televisie die daar stond opgesteld, op TV1 naar Blokken en daarna, op dezelfde zender, naar het nieuws. Tegen het moment dat die uitzending was afgelopen, was het bezoek van de meeste van mijn medebewoners huiswaarts gekeerd en kwam men mij gezelschap houden.

Op deze manier had zich een groepje personen gevormd dat bijna elke avond samen doorbracht. Zonder het echt te plannen ontstond de idee om elke vrijdagavond een "Gezellig samenzijn" te houden. Dat waren echt leuke momenten. We dronken een glaasje wijn, en / of een blik bier, aten wat chips, al eens wat kaas of salami, af en toe ook Tv-worstjes. Praten, zingen, lachen, moppen tappen, anekdotes vertellen en zo nu en dan ook eens ernstig zijn. Die avonden waren steeds geslaagd.

We hebben zelfs eens carnaval gevierd, en zijn toen, getooid met petjes en maskers en blazend op fluitjes, eerst de gang opgereden om de mensen die bedlegerig waren toch ook even van de zotskapsfeer te laten snuiven.

Wat ook tof was is het feit dat iedereen elkaar hielp. We hebben dikwijls wat afgelachen. Een tetra (heeft verlammingen aan de vier ledematen) die stuntelig een lotgenoot hielp, iemand met één been die rondhuppelde om ons van drank te voorzien et cetera... Veelal was de situatie gewoonweg hilarisch! En leerde die ons ook meteen onze handicaps relativeren.

Gelukkigerwijze voor degene die het te beurt viel, maar minder plezant voor de achterblijvers, bereikte er af te toe iemand het einde van zijn of haar revalidatie en dunde ons groepje derhalve geleidelijk aan uit.

Zo zaten we op een zekere avond nog slechts met twee man, beide tetraplegiekers, bij de televisie Met voor ons, op tafel, een fles wijn, een opener, enkele plastic bekertjes, een blok vacuüm verpakte kaas en een mes. We waren wachtend tot iemand met wat méér handfunctie dan wij hebben, ons zou komen vervoegen. Om de fles te ontkurken, de wijn in de bekertjes te schenken en de kaas uit zijn verpakking te halen en in blokjes te snijden. Maar er kwam niemand opdagen.

Uiteraard hadden we iemand van de verpleging kunnen vragen om ons te helpen, maar dat was tegen de geest van zelfredzaamheid, die bij die avonden hoorde. We hebben dan maar, zo goed en kwaad als het ging, die spullen op mijn schoot gelegd en zijn naar onze kamers gereden. Dit was meteen ook het einde van de "Gezellig Samenzijn" reeks.

Die maat van me heeft trouwens ooit eens iets voorgehad na zo een feestje. De arme man zat er een beetje door die dag. Mentaal bedoel ik dus. Het ging al een tijdje niet goed met zijn therapie, hij zat ongemakkelijk in zijn stoel en hij had ook nog wel wat andere ongemakken. Was een beetje neerslachtig dus. Niet ongewoon. Je zou voor minder.

Allicht uit ervaring beter wetend, maar waarschijnlijk toch hopend dat dit hem wat zou oppeppen, had hij zich nogal tegoed gedaan aan alcoholische dranken. Vooral bier (pils) en wijn, meen ik mij te herinneren. Hij begon wat te roepen en met zijn armen te slaan, waarbij enkele bekertjes met drank op de grond belandden. De meest mobielen onder ons ruimden dat onmiddellijk op, terwijl we tevens mijn gabber trachten te kalmeren. Alhoewel ik toen dacht, en nog steeds van mening ben, dat een emotionele ontlading, zoals die zich nu bij hem voordeed, best naderhand een rustgevend effect kon hebben.

De nachtzusters hadden het tumult gehoord en kwamen kijken wat er aan de hand was. In plaats van hem even te laten betijen, wilden ze mijn vriend perse naar zijn kamer brengen. Desnoods hardhandig en tegen zijn zin. Ze trachtten de remmen van zijn rolstoel los te zetten, zodat ze met hem konden wegrijden, maar hij sloeg naar hen met zijn handen en liet daar bovenop zijn tanden zien en waarschuwde hen dat, als ze hem niet met rust zouden laten, hij hen zou bijten! Wat hij ook probeerde toen ze, zijn waarschuwing in de wind slaand, toch probeerden zijn rolstoel, met hem erin uiteraard, richting gang te duwen. Hilariteit alom! Allemaal toch in min of meerdere mate enigszins door geestrijke drank beneveld, genoten we van het schouwspel van een happende patiënt en twee krijsende verpleegsters. Uiteindelijk heb ik hem toch tot aan zijn kamer mogen begeleiden en konden de verpleegkundigen hem zonder verdere problemen in bed stoppen.

De volgende maandag hoorde ik dat er, omwille van het voorval met mijn maat enkele avonden voordien,  in spoed een multidisciplinair team was bijeengeroepen. Dat bestaat normaliter uit het diensthoofd, de revalidatiearts, de hoofdverpleger, een kinesist, een ergotherapeut, de sociaal verpleegkundige en de psycholoog. Alhoewel ik me niet kan herinneren of ze in dit geval ook effectief allemaal aanwezig waren; ik vermoed van niet.

Ik dacht: "Da's fijn. Ze gaan mijn vriend zijn problemen nu eindelijk eens ernstig, en zelfs in groep, bekijken en aanpakken" en was oprecht blij voor de man. Dus toen ik hem later die voormiddag het vergaderlokaal zag uitrijden zoefde ik onmiddellijk zijn richting uit, om met een brede grijns op mijn gezicht te vragen: "En, alles uitgeklaard? Gaan ze een aangepast programma voor je opstellen en de problemen met je stoel oplossen?" Waarop mijn maat meesmuilend antwoordde: "Jij gelooft zeker ook nog in sprookjes? Ze hebben me gewoon simpelweg gezegd dat, als ik me nog eens misdraag, ik aan de deur zal worden gezet. Op staande voet!" Een verlamde! Hoe gingen ze dat doen?

Ru(sh)di(e) 7 februari 2003 (revisie op 5 april 2009)

08-04-09

De avonturen van Rudi & Co, nog eens een aflevering

 

Heden ochtend ben ik naar de wekelijkse markt geweest. Alleen, want mijn echtgenote lag ziek te bed. Een zware verkoudheid. Inmiddels is het avond en na een dag met veel rust, voelt ze zich alweer een stuk beter.

De zon kon vandaag slechts af en toe doorheen het wolkendek breken. Mijn rondje naar en op de markt was dan ook niet echt aangenaam. Daarom hield ik het er vrij spoedig voor gezien. Echter niet na eerst een warme braadworst in een krokant broodje te bestellen aan de hamburgertent. Eén van de vriendelijke dames die daar de dienst uitmaken nam mijn bestelling in ontvangst en bracht de snack even later netjes ingepakt en in een zakje gestoken tot op mijn schoot. Ik liet haar zelf de verschuldigde som uit mijn geldbeugel halen.

Een goeie minuut later had ik een plaatsje gevonden, weg van de drukte, om mijn etenswaar te verorberen. Terwijl ik met mijn tanden de verpakking van het broodje aan het verwijderen was, kwam een oude allochtone man, die net een winkel had verlaten, op me toegesneld om een handje toe te steken. Toch fijn te merken dat er in deze hedendaagse egocentrische wereld toch nog mensen rondlopen die ook oog hebben voor een ander.

Deze namiddag ben ik, als naar gewoonte, met mijn rakkers naar hun voetbaltraining gereden. Aangezien de toegangsweg naar de kleedkamers vol putten lig, reed ik sinds enige weken naar het gebouw waarin de kleedhokjes zijn ingericht, over het voetbalterrein, via een opening in de balustrade omheen dat grasveld. Bleek vandaag dat ze de opening in die reling hadden gedicht!

Voorheen hebben ze het me ook al knap lastig gemaakt door de slagboom aan de toegangsweg tot het jeugdcomplex van een hangslot te voorzien. Zogezegd omdat anders te veel mensen via deze weg met de auto het terrein opreden. Als gevolg hiervan moest ik wekenlang omrijden om via een andere toegangsweg ter plaatse te geraken. Totdat ik dit kotsbeu was en derhalve mijn assistent met een schop ter plaatse stuurde om naast de slagboom een pad voor me te graven.

Toeval of sabotage? Mag of moet ik met andere woorden uit deze voorvallen concluderen ginds niet echt welkom te zijn?

Gisteren namiddag ben ik, om de tijd te verdrijven, naar een warenhuis gereden, dat gelegen is aan de andere kant van de stad waar ik woon. Het weer was prachtig: continue zonneschijn, een aangename temperatuur en slechts een zachte bries. Een assistent reed per fiets met me mee. Eigenlijk wel stom dat ik een (bezoldigd) persoon met me moet meenemen eigenlijk enkel en alleen omdat ik niet zonder hulp kan plassen.

Er waren reeds bijna drie jaar verlopen sinds mijn laatste bezoek (als stapper) aan deze winkel. De indeling van de zaak bleek vrijwel onveranderd te zijn sinds mijn laatste visite. En ook van de personeelsleden meende ik de meeste te herkennen van vroeger. Omdat ik tijdig aan de schoolpoort moest staan om mijn kinderen na schooltijd huiswaarts te begeleiden, reed ik gehaast de winkelgangen door, liet mijn helper uit de rekken nemen wat ik nodig had en spoedde me naar de kassa's. Daar was het ontzettend rustig. Ik liet mijn assistent de waren op de band leggen en bekeek middelerwijl de covers van de tijdschriften die in een standje aan de kassa stonden opgesteld. De caissière riep me iets toe en wees naar de ruimte waarlangs de klanten normaliter al dan niet een winkelwagentje voor zich uitduwend, haar kassa moesten passeren. Die doorgang was potverdikke te smal voor mijn rolstoel!

De kassierster zei me dat er vooraan in de winkel, aan de eerste kassa, wél een gang was waar ik doorheen kon. Inderdaad, daar hing trouwens een groot blauw bord boven, met een witte rolstoel erop en iets van 'brede doorgang'. Nogal vernederend vind ik dat. Dit betekent ook dat, als ik alleen ben en de eerste kassa niet open is, ik iemand moet aanspreken om hetzij die kassa speciaal voor mij te openen (dream on, man... hahaha), hetzij in mijn plaats de kassa te passeren en af te rekenen. Vaarwel zelfstandigheid!

Maar het kan nog erger. Eén van de eerste zondagen van het nieuwe jaar kregen we het bezoek van een vriendin die als nieuwjaarsgeschenk voor mijn jongens een autobaan had meegebracht. Toen ze véle uren later, mijn instructies volgend, eindelijk dat ding min of meer in elkaar hadden gekregen, zaten we nog met het probleem dat die racebaan batterijen nodig had om die autootjes in beweging te zetten.

Dus reed ik even later met één van mijn jongens richting centrum, om op zoek te gaan naar batterijen. De nachtwinkel waar ik gehoopt had deze spullen te vinden, bleek ook in het weekend pas vanaf 's avonds geopend te zijn. Dan maar koers gezet naar een winkel waar, naast kleding, ook zowat alles wat je in een huishouden kan nodig hebben, wordt verkocht en waarvan ik wist dat hij iedere zondag open was. Ik kon daar sowieso niet binnen en hield dus buiten de wacht terwijl mijn zoontje op zoek ging naar die batterijen.

Terwijl ik geduldig wachtte bekeek ik de etalage van de winkel. Op diverse aanplakbrieven werd duidelijk gemaakt dat handtassen niet echt welkom waren en hoe dan ook aan de kassa dienden geopend te worden. Er stond ook een bord waarop in grote letters geschreven stond: 'Strikt verboden', met daaronder in een iets kleiner lettertype een ganse opsomming. Glimlachend dacht ik: straks staat daar nog tussen: 'voor rolstoelers' . Ik overliep het lijstje. Stond daar potverdorie 'kinderwagens' tussen! Nu kan ik me best voorstellen dat ze in die zaak een probleem hebben met diefstal. Zelf heb ik immers ook jarenlang een winkel gehad en kreeg ik derhalve ook te maken met het fenomeen. Maar als diefstalpreventie kinderwagens uit je zaak weren, gaat me toch wel net iets te ver. Ik twijfel trouwens aan de wettelijkheid van dergelijk verbod.

Oh ja, die batterijen dienden we uiteindelijk te halen in een nachtwinkeltje dat op zon- en feestdagen ook overdag open is en die auto's hebben we, na het overwinnen van nog enige onvolkomenheden in de constructie, dus diezelfde dag nog over de autobaan kunnen laten racen.

Ru(sh)di(e), 26 februari 2003 (revisie op 5 april 2009)

07-04-09

Weerloos slachtoffer - Tweede en gelukkig meteen ook laatste deel

 

Nog zo een grap die een personeelslid van het R.C. met me uithaalde wordt verhaald in hetgeen volgt. Na een bioscoopbezoek waren we, zoals gewoonlijk, nog even afgezakt naar de kroeg, gelegen tegenover de hoofdingang van het U.Z..

Een dame, van een jaar of vijftig, had nogal veel interesse voor mij. Ze ging gedurig rond mijn nek, zeggende dat ze het zo triest vond en meer van dat en ik moest zelfs enkele zoenen op mijn wangen incasseren. Toen ze me op zeker moment moed insprak en, om haar woorden kracht bij te zetten, me op één van mijn schouders klopte, riep de organisator van het uitje, met een ernstig gezicht, dat ze moest oppassen met me daar aan te raken, want daar zat mijn pacemaker! De dame trok verschrikt haar hand terug en verontschuldigde zich. En iedereen maar lachen, ik incluis.

Nog was dat vrouwtje niet bij me weg te krijgen. Verliet ze wel even het strijdtoneel, dan kwam ze toch weer terug, nu om me een drankje aan te bieden. Ik sloeg haar aanbod beleefd af. Wie weet wat ze in ruil daarvoor van mij verwachtte? Mogelijk niks, maar ik nam toch liever geen risico. En iedereen plezier hebben. Let op, ik lachte ook... groen. Neen, echt, ik vond de situatie ook wel best grappig en heb trouwens onlangs, toen ik op stap was met vrienden, iets gelijkaardigs meegemaakt, ook met een oudere dame, maar toch... Was het nu een jong mokske geweest, dan had ik haar misschien wel op mijn schoot genomen, maar deze hier....

De volgende ochtend, op een moment dat ik nog op mijn kamer was, wachtend op een verpleegkundige om mij in mijn wielkar te helpen, komt een kinesist mijn kamer binnen gestapt. Met een ernstig gezicht deelt hij me mede even daarvoor, ter hoogte van de receptie te zijn aangesproken door een al wat oudere dame die een bezoekje wou brengen aan een jongen in een blauwe rolstoel, die ze de vorige avond had ontmoet. Hij zei me de vrouw te hebben gevraagd in de wachtzaal tegenover de receptie plaats te nemen, terwijl hij me zou verwittigen.

Maar ik zei: "Ah ja, jij hebt al gehoord van dat voorval gisteren natuurlijk, en wilt me in de luren leggen!" Waarop die therapeut, met een uitgestreken gezicht zei: "Voorval, gisteren... is er iets gebeurd dan?" Zijn onschuldig gezicht en dito antwoord kon mij niet overtuigen. Toch was ik niet zeker. Zou die madam hier misschien toch echt zijn? Dit kon toch niet waar zijn?!

Ik heb het, denk ik, niemand ooit gezegd, maar ik ben even later, met volle snelheid de wachtruimte voorbijgeraasd, met één oog loerend of dat vrouwmens er effectief zat. Er was daar volk aanwezig maar ik kon niemand onderscheiden. Zo snel als mogelijk reed ik  de veilige (?) refter in. Met een bang hartje, twijfelend en hopend dat men aan het trachten was mij in het ootje te nemen. Want gestalkt worden door een dame met een leeftijd dat ze mijn moeder had kunnen zijn, kon ik wel missen. Ik bleef extra lang aan de ontbijttafel zitten, om me daarna, terug supersnel, en zonder in de richting van de receptie, ingang en wachtzaal te (durven) kijken, naar de oefenzaal te reppen. Toen ik deze even later inreed merkte ik meteen aan de glimlach en de opmerking van mijn kinesist dat zijn verhaal was verzonnen en deed ik alsof ik hem van in den beginne door had.

Eigenlijk een gemene streek van die paramedicus, mij zo veel schrik aanjagen! Maar net datgene waar ik een goed gevoel aan heb overgehouden. Dit soort grappen brengt patiënten, verzorgenden en paramedici dichter bij elkaar, en maakt het maandenlage verblijf in het centrum een stuk draaglijker.

Ru(sh)di(e), 5 juni 2002 (revisie op 5 april 2009)

06-04-09

De avonturen van Rudi & Co, alweer een nieuwe aflevering

 

Het weekend is alweer voorbij. En het was voorwaar niet eens zo saai als gewoonlijk het geval is. Op zaterdag was ik reeds van in de voormiddag op stap met de jongens teneinde optimaal van het, in het laatste weerbericht aangekondigde, zonnige weer te genieten. Wat deerlijk tegenviel, want reeds vanaf kort na de middag werd de zon enorm gehinderd door een wolkendek, wat de temperatuur ook niet echt toeliet hoge toppen te scheren. Maar het was toch te doen, en voldoende warm om urenlang buiten te zitten. Maar niet zo aangenaam als ik had gehoopt. 's Avonds werd koers gezet naar het Cultureel Centrum van mijn woonplaats, voor een optreden van Paul Michiels. Mijn echtgenote had immers kaarten voor dit optreden. Ik had haar die de vrijdag voordien, met Valentijn, cadeau gedaan.

Het was een puik optreden, met nieuw werk van Paul Michiels en covers van zijn muzikale helden. Er werd een sfeer en een ambiance opgebouwd en het ganse concert was tot in de puntjes verzorgd en afgewerkt. Inclusief het duidelijk reeds vooraf geplande bis- aanhangsel. Alhoewel ik niks anders had verwacht van een man met zoveel talent en zulk een ervaring op diverse podia, en die met zijn muziek, indertijd met zijn kompaan Jan Leyers, als Soulsister zelfs doordrong tot hoog in de Amerikaanse hitlijsten.

Bij de telefonische reservatie had ik melding gemaakt van mijn rolstoelafhankelijkheid. De dame aan de andere kant van de lijn verzekerde me dat ik een aangepaste zitruimte zou toegewezen krijgen. Dus toen ik de kaarten afhaalde en, na betaling van de verschuldigde som, tickets met de nummers H10 en H12 kreeg toegeschoven, dacht ik dat de H stond voor 'handicap'. Ik had dus enigszins verwacht in een rij met al dan niet rolstoelende kreupelen, verlamden en andere gehandicapten terecht te komen en begon die avond bij betreding van de zaal dan ook onmiddellijk naar zo een rij met zielenpoten te speuren. Inmiddels had mijn vrouw echter al lang de ons toegewezen plaatsen gevonden. Het was gewoon rij H, de stoelenlijn achter deze met de letter G, en voor deze met de letter I. Die H was dus gewoon toeval. Onze plaatsen waren echter reeds ingenomen door een koppeltje dat, zo bleek toen ze hun tickets naar boven haalden, verondersteld werd de plaatsen 10 en 12 op rij O te bezetten. Mijn eega stuurde hen dan ook vriendelijk, doch kordaat daarheen. Zelf bleef ik met mijn vehikel in het gangpad staan en ik stond daar best goed, met zelfs een mooi zicht op het podium, zonder het gezichtsveld van de toeschouwers achter mij te belemmeren. Nog een gelukkig toeval was het feit dat de bevallige achtergrondzangeressen aan onze zijde van de bühne stonden! En ik stond schuin tegenover mijn wederhelft, zodat ik ook haar continue zag en we bij intieme liedjes elkaars hand konden vasthouden.

Dit geslaagde avondlijke uitje volgde dus nadat ik de dag met mijn kroost in de buitenlucht had doorgebracht. Reeds van in de late voormiddag was ik met de kinderen naar een buurtpleintje gestapt. Dat bestaat uit een grasvlakte waarop twee goals staan neergepoot, een zitbank en een speeltuig met twee schommelzitjes. We hadden ballen meegebracht, en ook onze lunch, zodat we konden picknicken. Mijn kindjes doen dat immers ontzettend graag. En ik ook!

Omstreeks het middaguur waren mijn jongens aan het schommelen toen twee volwassen mannen met een zuiders uiterlijk en drie vrij kleine kinderen, over het grasplein, in onze richting kwamen aangestapt. Eén van de mannen keek me aan en vroeg: "Maroccain?" Ik schudde ontkennend het hoofd. "Belge?" Nu knikte ik bevestigend. Het volgende dat ik zag was dat die kerel mijn jongens van de zitjes haalde om zijn kinderen te laten schommelen. Hola! Dit kon ik niet zomaar laten gebeuren! Hoog tijd om die vent het haar op mijn tanden te laten zien!

Ik zei hem: "Excuseer, mijnheer, maar zo gaat de vlieger hier niet op. Als je jouw kinderen wilt laten schommelen, moeten jullie je beurt afwachten, zoals ieder fatsoenlijk mens doet." Inmiddels zaten die kinderen wel reeds te schommelen. En de mijne stonden er beteuterd naast, want meestal lieten zij spontaan andere kinderen aan de beurt, en ze waren absoluut niet gewoon door volwassenen van een speeltuig te worden gerukt.

Die kerel begon in het Frans tegen me te praten, maar ik snoerde hem de mond door hem te zeggen dat hij zich in Vlaanderen bevond en derhalve in het Nederlands tegen me moest praten en als hij dat niet kon, dan moest hij dat maar eens dringend leren!

Die andere volwassene kwam er bij en zei, ook in het Frans, dat ze in Brussel woonden en slechts hier op bezoek waren. Potverdorie! Nog erger! Die woonden zelfs niet eens in de buurt en dachten zich toch zomaar het recht toe te kunnen eigenen andere (buurt)kinderen weg te jagen, op het moment dat de heren hun kroost wilden laten spelen.

De neiging onderdrukkend hen in het Frans de reden van mijn onbehagen duidelijk te maken, zei ik in het Nederlands hun houding absoluut niet te tolereren en te verlangen dat ze hun kinderen van de schommels zouden halen en alsnog hun beurt af te wachten. Ze dropen af. Ik vond het spijtig voor die kindjes, maar zag mijn optreden als de enige juiste manier van handelen. De daaropvolgende uren hebben mijn jongens nog gevoetbald en gespeeld met wat allochtone buurtkinderen, terwijl ik hen van op enige afstand in het oog hield.

Een dag later ging ik 's ochtends met mijn ene zoon naar het voetbalpleintje achter de kerk, voor een vriendenmatch, terwijl mijn andere zoon als doelman bij de nationale ploeg van de eerstejaars duiveltjes van Sporting Lokeren, met de spelersbus naar Bergen was. Toen ik hem na de middag met zijn broer ging ophalen aan het stadion, bleek er naast de feestzaal van het stadioncomplex een speeldorp te staan opgesteld met allerlei springkastelen en een grote trampoline.

De aantrekkingskracht daarheen was voor mijn kinderen enorm, en aangezien wij niet dringend thuis werden verwacht, trokken we erheen. Aan de verkleedde dame aan de ingang vroeg ik wat er aan de gang was en of dit speeldorp voor iedereen toegankelijk was. Er bleek een playback wedstrijd bezig te zijn in de feestzaal en zij waren ingehuurd om de kinderen van de (would be?) artiesten en hun toeschouwers bezig te houden. En dat waren er nogal wat.

Mits betaling van slechts twee Euro per kind konden ook mijn kinderen de ganse namiddag onbeperkt spelen. Dus even later was ik op zoek naar een plekje in de zon, met zicht op mijn rakkers, die inmiddels al lang hun schoenen hadden uitgedaan en met volle overgave aan het springen waren. Centraal op het door springkastelen in alle vormen, kleuren en maten omzoomd terreintje stond ook nog een soort van boksring waarin de kinderen, het hoofd beschermd door een helm en de handen in overmaatse bokshandschoenen gestoken, elkaar konden bekampen.

Zo. Ik had mijn kinderen naar een amusementsoord gebracht en zou nu geduldig wachten tot ze waren uitgespeeld. Correctie: tot wanneer ik besliste dat het tijd was om huiswaarts te keren, want die rekels weten nooit van ophouden! Mijn eigen amusement bestond uit het aanschouwen van de spelende kinderen. En het af en toe lonken naar de jongedames die verkleed de jonge meute entertainden: een fee (of beeldde ze een prinses uit?), een heks die voor de prijs van 1 Euro kindergezichtjes schminkte en een clown, die aan elk kind dat een toegangsbewijs kon voorleggen, een drankje of snoepje cadeau gaf.

Plots kwam één van hen naar me toe: de clown. Ik dacht nog: tja, dat meisje verveelt zich misschien en komt een praatje met me maken. Vrijwel onmiddellijk daarna bracht ik mezelf tot de realiteit: maak je toch geen illusies, die heeft waarschijnlijk enkel medelijden met dat zielig ventje in zijn rolstoel. Met een Zeeuws accent raadde ze me aan ter hoogte van het tentje aan de toegang te gaan zitten omdat de zonnestralen daar het felst waren. En verder zei ze dat ik zeker niet te beschaamd moest zijn om hulp te vragen, mocht ik die nodig hebben. Helaas, dus... of neen, toch niet? Toen ik even later haar raad opvolgde en postvatte naast het tentje, kwam ze op me toe en offreerde me een tasje koffie uit haar thermos. Ik antwoordde dat ik heel graag op haar aanbod in zou willen gaan, maar enige hulp nodig had bij het drinken. Die wou ze me evenwel graag aanbieden. Dus stond daar luttele minuten later die clown naast me met een tas warme koffie. Terwijl we wachtten tot het drankje voldoende zou zijn afgekoeld om drinkbaar te zijn, begon ik met haar een gesprek over ondermeer springkastelen en kinderen.

Toen ik daar zo zat te zitten is er trouwens nog iets grappigs voorgevallen. Die clown was alweer we en ik zat, een beetje voorover gebogen, in gedachten verzonken, toen ik een kinderstem hoorde roepen: "Mijnheer! Mijnheer!" Ik keek op en zag een klein ventje, zittend op de voorkant van een springkasteel, mijn kant uitkijkend, naar ik dacht de aandacht vragend van één van de mannen van het speeldorp, die daar rondliepen, en duidelijk te herkennen waren aan hun rode, met zwarte tekst bedrukte T-shirt. Ik liet mijn hoofd opnieuw zakken. Onmiddellijk weerklonk alweer dat stemmetje: "Mijnheer! Mijnheer!" Tiens, was die jongen zijn geroep dan toch voor mij bestemd? Ik richtte mijn hoofd weer op en glimlachte even naar dat glunderende mannetje, waarop hij opgewekt naar me begon te wuiven. Dat jongentje dacht voorzeker dat ik bij de attracties hoorde! Naderhand heeft die vlegel trouwens, op momenten dat ik de andere kant uitkeek, tot twee maal toe getracht mijn rolstoel te verplaatsen middels de bedieningspook. Gelukkig telkens met een te bruuske beweging, waardoor mijn wagentje, door een ingebouwde veiligheid, helemaal niet reageerde, en de snaak dus telkenmale in zijn opzet faalde.

Ru(sh)di(e), 24 februari 2003 (revisie op 4 april 2009)