16-06-12

Heden en verleden - Onwelkome ratten en andere muizenissen

       

Afgelopen zomer was ik, op een warme namiddag, gezeten in mijn elektrische rolstoel, rustig aan het plassen, op een plek voor mijn garage en rechts van mijn met klimop begroeide haag. Plots zag ik, voor de witte garagepoort, over de betontegels op de grond, iets razendsnel van rechts naar links bewegen. Nog net zag ik een grijs muisje ritselend verdwijnen door een gat in de klimophaag.

Muizen en ratten… ik hou niet van deze knaagdiertjes met hun lange staart. De reden daarvoor weet ik eigenlijk niet. Mogelijks is het omwille van hun enge voorkomen en hun kwalijke reputatie als ziekteverspreider. En vast ook omdat ze zo graag ongegeneerd en ongenood tuinhuisjes, berghokken, garages en zelfs woningen plachten binnen te dringen.

Al mijn confrontaties met die ongeliefde zoogdieren verhalen, zou meteen leiden tot een omslachtig boekwerk. Vandaar dat ik mij hier ga beperken tot enkele bijzondere ontmoetingen met deze gretig knagende plaagdieren. Die zowat overal opduiken waar eten aanwezig is.

Als kind zag ik vaak huismuizen en veldmuizen in de omgeving van ons huis en stallingen. Meer dan eens zelfs onze huisgevel opklimmend. Gelukkig hielden onze katten toen de aangroei van die muizenpopulatie onder controle. Door nogal dikwijls eentje te pakken te nemen en vervolgens lustig op te vreten. Alleen, of de buit delend met de eigen kroost of andere op onze hof verblijvende soortgenoten.

Spitsmuizen of dolletjes zoals wij die noemden, werden dan weer niet verorberd door onze huiskatten. Met deze diertjes speelden of dolden ze alleen maar wat. Deze insectenetende zoogdiertjes worden overigens dan wel muizen genoemd, ze zijn het niet!

Net zo min als mijn zus haar, als (buitens)huisdier gehouden steenratjes ratten waren. Cavia’s waren het. Maar ze plantten zich wel haast net zo snel voort als de bruine rat. De laatste kooi die mijn handige pa als verblijf voor die beestjes in elkaar had geknutseld, werd vele jaren na het heengaan van de laatste cavia, gebruikt als opslagplaats voor het stro waarvan regelmatig een vers deel in de schuilplaats werd gelegd van de twee vrouwtjeseenden, die in mijn ouders hun achtertuin een stukje afgebakend terrein bewoonden.

Op een zekere dag in het oogstseizoen had de boer, die eigenaar was van de akkers die gelegen waren naast mijn ouderlijke woonst, het graan dat er op werd geteeld, door loonwerkers laten maaidorsen. Waarna de op het land achtergebleven droge plantenstengels en uitgedorste aren door een andere machine werden bijeen geschraapt  en samengeperst tot rechthoekige strobalen.

Als naar gewoonte, en met instemming van de boer, raapte ik nadien de nog op het land achtergebleven resten stro bij elkaar. Toen ik, om mijn buit op te bergen, het deksel optilde van de kooi waarin voorheen de cavia’s huisden, schrok ik mij haast een ongeluk. Omdat ik daar, bovenin het opeengestapelde stro, een nest muizen aantrof. Die, als in koor, luid piepten toen het deksel was opgelicht. Van schrik liet ik het terstond los, waardoor het met een klap terug op zijn plaats kwam te liggen. Dat verzamelde stro heb ik die dag netjes in een zak naast die kooi gezet, want ik bleef toch liever uit de buurt van die kroostrijke muizenfamilie.

Later is het ook eens voorgevallen dat ik de eenden eten ging brengen en van op een afstand zag dat er precies een ander dier stond te eten aan het, een stukje boven de grond opgestelde en overdekte, voederbakje. Toen ik tot op een meter of vijf genaderd was, zag ik wie die maïsdief was: een grote bruine rat! Ze stond met haar achterpoten op de grond en de voorpoten in het zich zowat 10 centimeter boven de grond bevindende voederschaaltje. Het beest, met een heel lange staart, bleek helemaal niet bevreesd te zijn voor mij. Die perplex het schouwspel volgde. En pas terug in beweging kwam toen dat enge beest er uiteindelijk toch vandoor ging.

*****

Als kind ging ik vaak vissen. In de stilstaande waters van beken, vaarten en vijvers uit de buurt. En tevens in het getijdenwater van de in Nederland stromende Westerschelde. Van op heel jonge leeftijd trok ik mee met mijn vader. En later ging ik ook al eens alleen, of met kameraden. Normaliter visten wij, van op de oever, met de vaste hengelroede en/of de werphengel. Maar ik ben ook enkele keren met mijn pa gaan peuren. Dat is een speciale en tevens één van de oudste manieren voor het vangen van paling.

Een drijvend gemaakte afgeschreven paraplu, of zoals wij het deden, een rechthoekige bak met drie naar binnen geplooide wanden en aan één zijde verhoogd met een in een kader gevat net, wordt hierbij te water gelaten. En middels een oude hengelstok, tot op een vijftal meter van de oever gebracht. Daarnaast wordt een hengelroe gehouden, waar aan de top ervan een draad is bevestigd met een dikke dobber en aan het uiteinde een tros aaneengeregen regenwormen hangt. Die wordt verzwaard met lood. En waarvan het de bedoeling is dat deze de bodem net niet raakt. Waarna de geur van de wormen de paling moet aantrekken.

Op het moment dat je, door de beweging van je roe, of het ondergaan van de dobber, vermoed dat er een paling aan de pieren knabbelt, dien je met een vlugge, doch rustige beweging, de top van de hengelroe op te halen en de tros regenwormen zacht tegen de binnenkant van, al naargelang, het regenscherm of de netwand van de bak te kletsen. Zodanig dat de lustig wormen etende paling deze lost en in de paraplukom of bak valt. Die je vervolgens naar je toe trekt om de buit binnen te halen.

Het beste moment om deze activiteit uit te voeren is ’s nachts. Omdat aal het grootste deel van de dag op de bodem van het water ligt ingegraven en pas in de nachtelijke uren gaat jagen. Dus zaten wij daar dus in het donker aan de waterkant. Wachtend tot die palingen zouden toehappen. En de stilte van de nacht werd enkel verstoord door onze ademhaling en door het plonzen van muskusratten, die vanaf de oever het water indoken en met hun grote lijf en lange staart vlak voor onze voeten voorbij zwommen. Griezelig!

*****

Van iets minder lang geleden dateert het volgende voorval, dat plaatsvond in Afrika. Met mijn echtgenote was ik op rondreis in haar geboorteland. We bevonden ons op een gegeven moment in een dorpje aan de rand van de woestijn. In het lemen gebouwtje dat door moest gaan als restaurant, zaten we als enige klanten in het sober ingerichte etablissement. Op houten stoelen aan een houten tafeltje aten we het enige gerecht dat daar die dag verkrijgbaar was.

We waren in alle rust en stilte gemoedelijk en smakelijk aan het eten toen ik ineens, onder één van de andere tafeltjes in het vertrek, een gigantisch groot ogende, grijskleurige woestijnrat zag verschijnen. Het diertje slalomde ongehaast tussen de verschillende stoel- en tafelpoten van het meubilair in het eethuis. Vooraleer mijn echtgenote, die de rat ook had opgemerkt, en ikzelf, verbouwereerd onze mond konden openen om er iets over op te merken, was het beestje alweer door de openstaande deur naar buiten getrippeld. Geloof me vrij dat het eten ons daarna niet meer zo erg smaakte. En we spoedig afrekenden en die plek verlieten.

Later kwam ik te weten dat er hier in Europa, en mogelijk ook elders, mensen zijn die deze beestjes houden als huisdier. Omdat ze zo vriendelijk, nieuwsgierig, rustig en gemakkelijk in de omgang zijn. Dat heb ik gemerkt, ja!

*****

Toen ik nog maar pas een jaar of twee thuis was, na anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, heb ik, op eigen initiatief, een tijdlang logopedie gevolgd. Omdat ik door een verminderde long- en middenriffunctie minder krachtig kon praten. En met professionele hulp technieken wou aanleren om, uit mijn beperkte mogelijkheden, toch de maximale spraak- en zangcapaciteit te halen.

Op een zekere voormiddag waren wij, zoals dat vaak het geval was, aan het oefenen in de zitkamer van mijn woning. Mijn logopediste, gezeten op een stoel, met haar rug naar het groot terrasvenster gericht. En ik tegenover haar, gezeten in mijn onafscheidelijke elektrische rolstoel. Terwijl ik bezig was met een door haar voorgedane oefening te herhalen, zag ik buiten een vrij grote bruine rat over ons verhard tuinpad lopen. Mijn adem stokte even en een zachte rilling ging door mijn lijf. Mijn logopediste merkte dat uiteraard. En vroeg me wat er aan de hand was. Wijselijk verzweeg ik wat ik net had gezien. Ik wou immers niet het minste risico lopen dat ze niet meer zou komen, omwille van de aanwezigheid van dat ongedierte op mijn hof.

*****

Een maand of twee later zat ik, zoals ik op zomerse dagen nogal eens placht te doen, bij valavond voor de openstaande deur in de inkomhal, een boek te lezen. Van licht voorzien door de maan, de straatlantaarns die de rijweg verlichten en de in de hal hangende gloeilamp. Plots dook er uit de duisternis een bruine rat op die zich, onder mijn, op de steunen van mijn rolstoel geplaatste voeten door, in de richting van het voor ons huis aangelegde vijvertje voortbewoog, Alwaar het beest, vanaf de rand, met een plons het water indook. En even later met de kop weer boven kwam. Om rustig, lustig en ongegeneerd te beginnen eten van het zich dobberend in een drijvende ring bevindende visvoer.

Ru(sh)di(e), 19 december 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

05-09-11

Herinneringen uit mijn verleden – Happy Mike

Een jaar of 16 geleden was ik volop bezig met het verbouwen van de woning, die ik toen pas had gekocht en waar we heden nog steeds in resideren. Een tweewoonst, waarvan het de bedoeling was dat één deel zou worden ingericht als handelsruimte en het andere deel als gezinswoonst. Aangezien ik het vele werk niet allemaal in mijn eentje aankon, schakelde ik voor het klaren van vele klussen familieleden en vrienden in. Enkel als het niet anders kon, kwamen er professionele werklui aan te pas. Het mij beschikbare budget liet een andere werkwijze niet toe.

Tijdens de eerste zomerperiode van de twee vernieuwbouwjaren had een vriend van mij, die ik hier Tjen zal noemen, een speciale logé. Waarmee mijn levenspartner en ik kennis maakten tijdens een etentje, in beperkte kring, in de achtertuin van Tjen zijn woonst. De gast, van wiens bestaan en aanwezigheid op het adres van mijn vriend, ik reeds eerder telefonisch was op de hoogte gebracht, was alleszins een opmerkelijk wezen.

De man, met naar ik schat een leeftijd van midden van de veertig, was niet al te groot, nogal pezig en had een bleke gelaatskleur en lang blond haar, dat bijeengehouden werd als een paardenstaart. ’s Mans hoofd was getooid met een genre cowboyhoed,  waarvan de zijranden waren omhoog gevouwen. De naam waarmee hij zichzelf voorstelde wens ik niet kenbaar te maken, maar voor de eenvoud zal ik hem benoemen als ‘Happy Mike’. Hij was naar eigen zeggen een Britse hippie, die leefde van een werkloosheidsuitkering en wat schnabbelen hier en daar. En hij zei er ook niet van terug te schrikken desnoods geld te vergaren als bedelaar.

Mijn vriend Tjen had hem opgepikt toen hij stond te liften aan een rustplaats langsheen de autostrade van de kust naar het binnenland. Tijdens het gesprek dat ze in de auto voerden, vertelde de uitsluitend Engels sprekende man dat hij gewoonlijk bij een koppel op kamers woonde, maar dat hij recentelijk hommeles had gehad met iemand uit de streek van zijn woonplaats. En hij derhalve wijselijk had beslist er voor enige tijd vanonder te muizen. En gezien hij in eigen land al zowat alle kantjes en hoekjes had gezien, had Mike beslist om nog maar eens Engeland te verlaten, de plas over te steken en een tijdje op het continent rond te dwalen.

Toen duidelijk werd dat Mike dus zomaar wat op de dool was, hopend ergens aan de bak te komen om op verplaatsing in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en onderdak te kunnen bekostigen, stelde de, toen alleen wonende Tjen voor om Mike naar zijn huis mee te nemen. Hij had immers nogal wat op te knappen klussen, waar hij, uit tijdsgebrek, zelf niet aan toe kwam, en andere, waarbij wat hulp meer dan welkom zou zijn. Hij bood Happy Mike aan om zijn tijdelijke kluspartner te worden. Tegen een gering uurloon, met daarbovenop gratis kost en inwoon. Waarmee de man dus tevreden had ingestemd.

Happy Mike kreeg een eigen slaapvertrek ter beschikking, in een gebouw dat vroeger een stal was geweest. Elke weekdag klopte hij overdag zijn uurtjes en ‘s avonds en in het weekend was hij vrij. En ging hij te voet op zoek naar een kroeg waar men Engels sprak en hij zich welkom voelde. Of anders was hij, onder invloed van het roken van wiet, gelukzalig, doch wezenloos voor zich uit kijkend, te vinden in de achtertuin van mijn vriend. Soms zelfs zittend bovenop de ronde houten dwarsbalk die deel uitmaakte van een daar opgestelde kinderschommel.

Enkele weken na het aannemen van Mike, had mijn vriend geen werk meer voor hem. Terwijl de man eigenlijk nog geen zin had om op te krassen en verder te trekken. Want hij had in een café kennis gemaakt met een alleenstaande moeder van vier kinderen. En hij genoot van de gesprekken die ze voerden en de ongeremde seks die ze bij haar thuis bedreven.

Nu wou ik de man wel werk verschaffen, want er was bij ons nog genoeg te doen, maar hem onderdak verschaffen, dat zag ik niet zitten. Tjen zat er evenwel niet mee in dat Happy Mike nog een tijdje van zijn slaapaccommodatie gebruik zou maken. We spraken af dat ik, tijdens weekdagen, in de ochtend Mike zou ophalen bij mijn vriend, wij hem ’s middags en ’s avonds te eten zouden geven en ik hem ’s avonds opnieuw aan het huis van mijn vriend zou droppen. Wat me geen extra verplaatsing opleverde, want ik moest daar toch passeren, op de weg naar mijn ouderlijk huis, alwaar toentertijd mijn handelszaak was gevestigd.

De voornaamste klus die ik in eerste instantie voor de hippie voor ogen had, was het uitgraven van de boomstronk en de daaraan bevestigde wortels van een reeds eerder gevelde boom. Die ik liet neerleggen omdat hij het zicht vanuit de living compleet belemmerde. En de nog in de grond zittende overblijfselen moesten weg omdat ik die zone wou opnemen in de nog aan te leggen parking.

Gelukkig viel het weer goed mee, die zomer. Het was droog, er was veel zonneschijn, dus lekker warm, maar toch niet overdreven heet. Ideaal weer om in buiten te werken. Bleke Mike, uitgedost in korte broek en in bloot bovenlijf kweet zich vlijtig van zijn taak en kreeg er zelfs wat kleur van. Maar opdat zijn bleke vel toch wat zou beschermd zijn, bezorgde ik hem een bus zonnemelk.

Na minstens een volle week werk aan uitgraven en wortels doorzagen en doorhakken, door Mike, trokken we, met een man of vier, de boomstronk uit de grond met de stevige lier van Tjen. Na het dempen van de ontstane put, kon ik Happy Mike een andere taak toevertrouwen. De overhangende houten dakgoot en onze stenen schouw wit verven was er één. En omdat mijn ladder daarvoor niet ver genoeg kon uitgeschoven worden en ik over geen stellage beschikte, ging Mike, voor het uitvoeren van deze klus, in de dakgoot liggen. Terwijl ik hem, veilig van op de grond, nauwlettend in het oog hield. Toen hij op een bepaald moment, door een verkeerd manoeuvre, eens bijna naar beneden donderde, vroeg hij me naderhand wat ik zou gedaan hebben zo hij daadwerkelijk naar beneden was gevallen. Hij was immers niet verzekerd. Geheel onwillig om dat doemscenario ook maar even ernstig in overweging te nemen,  antwoordde ik laconiek dat ik hem in dat geval zonder veel omhaal zou begraven hebben op de plaats waar we die boomstronk hadden weggehaald.

Inmiddels maakte Tjen plannen om op reis te gaan. En aangezien ik tevreden was met het door Happy Mike verrichtte werk, en ik hem graag nog even ‘in dienst’ wou houden, stelde ik, na overleg met mijn vrouw, aan de man voor alsnog een tijdje bij ons te komen wonen. Wijzelf verbleven toentertijd in een tijdelijk tot appartement omgebouwd etage in een deel van de tweewoonst. De kant waar later de burelen van mijn handelszaak moesten komen. Aan Mike bood ik, als tijdelijke slaapplaats, een vertrek aan op de eerste verdieping van de andere zijde van de woning. Een ruimte welke later onze slaapkamer moest worden. Ik bezorgde hem een matras, een deken, lakens en zelfs een nachtkastje. Happy Mike zag het helemaal zitten. Dus haalden we zijn spullen op bij Tjen, zodat die kon vertrekken zonder zich zorgen te moeten maken over een nog op zijn eigendom verblijvende gast.

Terwijl Mike bezig was met het bijeen scharrelen van zijn spullen voor het verkassen, nam mijn vriend me even bij de arm. Hij stopte me een gesloten envelop in de hand en vertrouwde me toe dat daarin een geldbedrag zat dat Happy Mike nog van hem tegoed had voor geleverd werk. Tjenn meldde mij dat hij aan Mike had verteld hem dat geld te zullen bezorgen bij zijn terugkeer van de reis. Maar hij zei me Mike die envelop reeds te mogen overhandigen van zodra deze zijn werkzaamheden bij mij had beëindigd en verder wou trekken. Maar niet eerder, want dan zou de man vast niet meer gemotiveerd zijn om nog voor mij te werken. En daarenboven allicht onmiddellijk alle geld zou verkwisten aan drugs, drank en vrouwen. Mijn vriend raadde mij ook aan om strenge regels te stellen: geen drank noch drugs toelaten in huis en ook niet tolereren dat Mike volk meebracht of tijdens de week dronken was.

De eerste dag hadden we al prijs. Wij wilden, vooraleer slapen te gaan, er toch zeker van zijn dat ook Mike zijn bedstee had opgezocht. Niet dus. Aangezien ik het niet wou meemaken dat die kerel al op zijn eerste nacht bij ons stomdronken zou thuiskomen, besloot ik om samen met mijn vrouw naar hem op zoek te gaan. In eerste instantie reden we naar een etablissement vlakbij ons huis. Een kleine, vervallen café. Wegens de gordijntjes voor de vensterramen, konden we daar helaas niet naar binnen loeren. Dus stapten we schoorvoetend naar binnen.

Alwaar we ogenblikkelijk constateerden dat er in de kleine verbruikszaal geen Happy Mike aanwezig was. Onverrichter zake op onze stappen terugkeren, dat konden we niet maken, zo vond ik. Dus groetten we de weinige daar aanwezige manspersonen en gingen aan een tafeltje zitten. Onder de spiedende blikken van de kroegbaas van middelbare leeftijd en zijn twee, al wat oudere klanten. Geen enkele van de drie mannen had ik ooit eerder ontmoet. De uitbater van het café wist blijkbaar wel wie ik was. Want toen hij de door ons bestelde frisdranken bracht, stelde hij ons, voor de vorm de vraag, waarop hij duidelijk een bevestigend antwoord verwachtte, of wij niet de nieuwe bewoners waren, van de witte villa wat verder in de straat.

Toen de baas terug achter zijn toog stond, waar één klant hem, gezeten op een barkruk, gezelschap hield, hervatten deze twee en de andere klant, die aan een tafeltje zat, hun gekeuvel over onbelangrijke feiten uit hun bekrompen dagdagelijks leven. En wij dronken snel ons glas leeg want we wilden onze missie verder zetten: het vinden en naar zijn slaapstee brengen van Mike.

We waren, na het verlaten van de kroeg, het in de auto stappen en verlaten van de parking, nog maar enkele honderden meters gereden, toen we aan de overkant van de straat een met vaste tred stappende Mike opmerkten. Ik draaide de auto even verder, op een veilige plek, veranderde hierdoor van rijrichting en hield stil eens we ter hoogte van Mike arriveerden. Die prompt het achterportier opende en plaats nam in de auto. Aangezien hij in dat buurtcafé enkel oude knarren had aangetroffen, die daarenboven uitsluitend hun Vlaamse dialect spraken en geen jota Engels verstonden, laat staan het konden spreken, was Happy Mike nog eens tot bij zijn vriendin langs geweest. Vijf kilometer verder! Maar die afstand had hem niet gedeerd.

Happy Mike was in nuchtere toestand een vlijtige werker, die evenwel op tijd en stond een rustpauze inlaste. En ook soms verrassend uit de hoek kwam. Zo arriveerde ik op een zekere dag in de namiddag thuis van werk en stelde vast dat hij de opstaande latten van onze tijdelijke hekjes, afwisselend bruin en wit had geverfd. Met de overschot van de verf die hij, in opdracht van mij had gebruikt voor het schilderen van enkele deuren en een raamkozijn. De ongevraagde arbeid was totaal onnodig geweest en een verkwisting van duur betaalde en ook nog elders bruikbare verf. Maar ik vond Mike’s initiatief best wel grappig. Bovendien brachten de geverfde hekjes wat kleur aan onze toen nog schraal ogende eigendom. Dus gaf ik de man in plaats van een uitbrander, een compliment. Hij straalde!

Toen hij reeds sinds enkele dagen bij ons verbleef, vroeg Happy Mike me op een gegeven moment, langs zijn neus weg, waar hij zich ergens in de buurt prikkelende lectuur kon aanschaffen. Naar hij zei om op eenzame avonden zijn lichaam wat op te warmen bij het lezen van het ophitsende leesvoer en het kijken naar de erin gepubliceerde foto’s. Ik verwees hem naar een klein krantenwinkeltje dat is gevestigd op een kilometer of twee van onze woning.

De volgende dag meldde Happy Mike me, in het winkeltje zijn gerief te hebben gevonden. Engelstalige boekjes had hij er niet kunnen bemachtigen, maar in het Nederlandstalige blad dat hij had aangekocht, was de tekst voor hem dan wel onverstaanbaar, maar de kwaliteit van de afgebeelde behaarde ‘poesjes’ was de aanschaf meer dan waard en genoot zijn waardering. Hij beloofde mij, bij zijn vertrek, het boekje voor me achter te laten. Waarop ik als antwoord even glimlachte.

Tegen het weekend aan vroeg hij me of ik hem naar Nederland wou brengen. Want tijdens zijn verblijf bij Tjen was hij eens, op aanraden van een cafévriend, al liftend, in een dorpje beland, net over de grens. En had daar verbaast vastgesteld dat achter de talloze huizen, waar de afbeelding van een indiaan met vedertooi was aangebracht op het glas van het vensterraam of op de toegangsdeur, een koffieshop schuilging. Waar je zomaar ongegeneerd en probleemloos elk type wiet kon aankopen en verbruiken. Zalig om er te vertoeven, vond Happy Mike. En hij wou ook wel wat voorraad inslaan.

Drugkoerier spelen, daar paste ik voor. Zelfs op zijn voorstel om hem tot vlak voor de landsgrens te brengen, ging ik niet in. De man aanvaardde schoorvoetend mijn houding. Hij kon ook moeilijk anders. Of, en in positief geval hoe, hij over de grens is geraakt, weet ik niet. En ik heb er hem aan het einde van dat weekend ook niet achter gevraagd. Maar zolang de man bij ons verbleef zag ik hem nimmer stoned.

In zijn vrije tijd zat hij soms in onze grote achtertuin. Maar meestal was hij uithuizig. Als we bezoek hadden gedroeg Mick zich steeds voorkomend. De meeste mensen vonden het minstens interessant dat wij zo een Engelse landloper onderdak verschaften. En hij kende de kunst om met mensen om te gaan, ze te animeren en hun sympathie voor hem op te wekken. Toen de schoonmoeder van mijn oudste zus van deze laatste te horen kreeg dat die arme drommel nauwelijks kledij had en, terwijl hij de ene set aan had, eigenhandig de andere set waste en vervolgens te drogen hing, vond ze in te moeten grijpen. Ze verzamelde een ganse vuilzak nauwelijks gedragen kleding van haar jongste zoon, die nogal graag en vaak van outfit wisselde en liet die via mijn zuster aan Happy Mike geworden. Die de spullen dankbaar in ontvangst nam. Alhoewel ik me afvroeg of ze wel zijn stijl waren. Bij een vluchtige blik in de zak ontwaarde ik immers vooral kleren in felle kleuren. Niet zo verwonderlijk aangezien ik weet had van de homofiele geaardheid van de vorige eigenaar ervan, en zijn typisch nichterige houding en vrouwelijke trekjes.

Op de momenten die we samen doorbrachten hebben we vaak gefilosofeerd over van alles en nog wat. Of verhaalden we eigen belevenissen. Happy Mike vertelde, over wat hij had meegemaakt, graag straffe verhalen. Waarvan de inhoud ongetwijfeld niet altijd volledig overeenstemde met wat er in werkelijkheid was gebeurd. Maar toch klonk alles plausibel. Zo vertelde hij eens een tijdje te hebben gewoond bij zijn volwassen zoon en diens partner, een mooie jongedame die steeds in een sexy outfit door het huis drentelde. Op een bepaald moment was Mike’s begeerte om met die griet van bil te gaan, zo groot dat het er van kwam. En die geile griet liet gewillig begaan en deed zelfs heel actief mee. Naderhand bekenden beiden hun daad aan de zoon. Die hen deze evenwel probleemloos vergaf. Meer zelfs. Van dan af mocht die vurige meid naar eigen goeddunken haar seksuele lusten botvieren op, om beurten vader en zoon.

Hoewel Happy Mike tijdens de weekdagen vaak met een stoppelbaard rondliep, was hij toch steeds verzorgd. Hij waste zich, in de tuin, net als ons, met koud water. Behalve die één of twee keer dat we hem uitnodigden om bij ons een douche te komen nemen, met kraantjeswater dat we opwarmden met een waterkoker.

Ondanks zijn nonchalante levenswijze en vrijbuiterbestaan had Happy Mike begrip voor andersdenkenden en gedroeg hij zich doorgaans als een heer. Galant en charmant. Hij toonde ten allen tijde respect voor onze privacy. En heeft ondanks zijn zwak voor vrouwen, dat ik en menige andere man deel met hem, nimmer avances gemaakt jegens mijn levenspartner of enige andere vrouw die bij ons over de vloer kwam.

Toen de jaarlijkse tiendaagse feestweek in onze woonplaats van start ging, verbleef Mike nog steeds bij ons. We spraken af dat we hem op een weekendavond mee zouden nemen naar de festiviteiten. Wat hij een prettig idee vond. Dus vertrokken we dat weekend met ons drieën, richting feestgedruis. Ik parkeerde de auto zo dicht mogelijk bij de feestzone, waarna we de mensenzee indoken.

Lang bleef Happy Mike niet bij ons lopen. Hij ging al vlug zijn eigen weg: richting een terrasje. Terwijl wij wel wat over de ganse oppervlakte van het feestterrein wilden rond kuieren. We spraken met Mike een plaats en tijdstip af waarop we elkaar opnieuw zouden treffen om naar huis te rijden.

Mijn vrouw en ik hadden een aangename avond. We genoten van de, op de diverse pleintjes ten gehore gebrachte muziek en tentoongespreide show. Het was leuk om eens een rustige avond te beleven, in een andere omgeving, na het vele werken voor mijn onderneming en aan de renovatie van ons huis. Omstreeks de overeengekomen tijd verschenen we op de afgesproken plek. En troffen daar wonderwel, in de door het nachtelijke uur sterk uitgedunde mensenmassa, ook Happy Mike aan. Eenzaam zittend op een houten vouwstoel naast een dito leeggemaakt tafeltje. En stomdronken, zo bleek.

We hielpen hem recht en ondersteunden hem op onze weg naar de auto. Hij braakte wat onzin uit, die nogal grappig klonk en waaruit we konden afleiden dat ook hij een fijne avond achter de rug had. We deponeerden dronken Mike achterin de auto, stapten zelf voorin en verlieten onze parkeerplaats, om huiswaarts te rijden.

Ondanks zijn beschonken toestand was Happy Mike toch nog alert genoeg om ons bij het passeren ervan, op eigen initiatief, de kroeg aan te wijzen, een Turks cafeetje, waar hij al menige avond had doorgebracht. Samen met de allochtone buurtbewoners. Keuvelend, pinten drinkend en wiet rokend.

We draaiden net onze parking op toen de passagier op de achterzetel te kennen gaf dat hij misselijk was. Net op tijd kon ik de elektrisch bediende achterruit van mijn auto openen, zodat zijn kots naar buiten vloog in plaats van mijn autozetel te besmeuren. Enkel een deel van het koetswerk heb ik de volgende ochtend mogen reinigen.

Op een gegeven moment gaf Mike aan te willen vertrekken. Hij zei het niet, maar ik vermoedde wel dat hij nu nog enkel wachtte op de voor het komende weekend voorziene terugkeer van mijn vriend Tjen. Om het saldo van zijn loon te incasseren. Aangezien ik evenwel wou dat Mike de klus afwerkte waar hij toen mee bezig was, verklapte ik niet dat ik dit geld reeds onder mijn hoede had gekregen.

Pas op het einde van de laatste werkdag van die week, haalde ik, na met Mike af te rekenen voor het werk dat hij voor mij had verricht, ook de envelop van mijn vriend te voorschijn. Happy Mike was boos. Want, zo zei hij, als hij had geweten dat ik dat geld in bezit had, dan was hij er al eerder vandoor gegaan. Uiteraard goot ik geen olie op het vuur door hem diets te maken dat zulks net de reden was geweest voor het tijdelijk achterhouden van dat geld. Wijselijk zweeg ik en Happy Mike telde tevreden zijn bankbriefjes en was meteen weer afgekoeld en terug zijn eigen gemoedelijke zelve.

Die avond, de laatste die hij in ons huis doorbracht, vergastte Happy Mike ons op een typisch Engelse maaltijd: zelf gesneden gebakken frietjes en spek met eieren. We lieten het ons smaken. Onderwijl nog eens luisterend naar een sterk verhaal van hem. En vervolgens keuvelend over koetjes, kalfjes en onze plannen voor de nabije toekomst. Voor hem een voorlopig zwervend bestaan.

Toen ik de volgende ochtend naar beneden kwam, zat Happy Mike al op me te wachten. Met zijn hoed op het hoofd en leunend op zijn tas met schouderriem Hij droeg een gele trui, waarvan ik vermoedde dat hij afkomstig was uit die tweedehands kledingzak.

Aangezien mijn echtgenote die zaterdag de trein wou nemen naar onze hoofdstad, om daar wat boodschappen te doen, had ik Mike aangeboden hen beiden naar het station te brengen. Alwaar Happy Mike besliste om zijn verdere tocht ook in de hoofdstad te starten. Maar hij zou de openbare bus nemen, omdat dit een goedkopere reiswijze is.

Nadat ik de auto had geparkeerd namen we afscheid op het pleintje voor het station. Mike beloofde me op mijn nakende verjaardag een kaartje te zullen sturen. En stapte vervolgens in de richting van de opstapplaatsen voor busreizigers. Mijn echtgenote en ikzelf gingen het stationsgebouw binnen. Alwaar zij zich aan het loket een retourticket aankocht voor de verplaatsing tussen onze woonplaats en de hoofdstad van ons land.

Meteen vond ik het zonde dat Mike zich niet met de trein zou verplaatsen. Omwille van een eerder gering financieel verschil. Dus stelde ik mijn vrouw voor om dit bij te passen zodat Happy Mike met haar mee kon reizen. Wat zij een goed idee vond. Dus liep ik vlug het station uit, in de richting van het bushokje waar onze ex-logee op zijn bus wachtte. Verbaast keek de man mij aan. Maar gelukkig aanvaardde hij dankbaar het extra geld voor een treinticket. Zodat hij toch iets comfortabeler kon reizen. En desgewenst onderweg nog een praatje kon slaan met mijn vrouw. We holden samen naar het station. Alwaar ik binnen in het gebouw mijn partner een afscheidskus gaf, terwijl Mike in de rij voor het loket aanschoof om zich een ticket enkele reis naar de hoofdstad, aan te schaffen. Ik zwaaide hem nog eens vriendelijk toe vooraleer me naar mijn auto te begeven.

Toen ik, terug thuis gekomen, Mike zijn voormalige slaapstee opzocht om de boel daar op te ruimen, zag ik dat hij de meeste van de gekregen kledij had laten liggen. Wat me niet verwonderde. Mensen zoals hij sleuren geen onnodige ballast mee. Die beperken zich tot het hoogst noodzakelijke. Zijn oude kledij en wat kleine rommel had hij zelf al in een plastieken boodschappentas gestopt. Zonder de inhoud te onderzoeken dumpte ik het zakje in de grijze huisvuilzak die ik, vooruitziend, naar boven had meegebracht. Het saldo van de hem geschonken kleren besloot ik te behouden. Sommige van die spullen konden immers mogelijks nog dienst doen als werkkledij.

Op de matras die Happy Mike tijdens zijn verblijf bij ons als bed had gebruikt, lag een Hollands porno magazine. Glimlachend nam ik het ter hand. Happy Mike had woord gehouden! Ik bladerde even in het blad. De foto’s van de tentoon gespreide vrouwelijke geslachtsdelen waren niet van dien aard dat ik er seksueel van opgewonden geraakte. Maar ja, er waren wel meer onderwerpen waarover Happy Mike en ik een verschillende visie hadden.

Het slaapvertrek was netjes achtergelaten. Enkel in een aanpalend kamertje vond ik wat vuile oranjebruinachtige plekken op de vloer en tegen de wand. Waar ook een onaangename reuk aan vast hing. Waarschijnlijk resten van één of ander brouwsel dat ‘onze zwerver’ daar had geproduceerd. Niks aan de hand. Deze ruimte moest immers toch nog volledig worden gerenoveerd.

Een verjaardagskaart heb ik van Happy Mike niet ontvangen. En zelf heb ik hem ook nimmer een brief of kaartje gestuurd. Sommige gebeurtenissen of ontmoetingen in je mensenleven moet je koesteren, zonder te trachten er een vaak op teleurstelling eindigend vervolg aan te breien.

Ru(sh)di(e), 5 november 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 30 maart 2011.

02-11-10

Heden en verleden - Damesfiets

      

Gedurende de laatste jaren van mijn middelbare schooltijd gebruikte ik vaak mijn moeder haar, toen nieuwe, bruinkleurige fiets om me naar school te verplaatsen. Ik reed immers veel liever met een damesfiets, waarop je rechtop kan zitten, dan met een herenfiets, waarop je je in een voorover gebogen zithouding voortbeweegt.

Toentertijd had ik halflang haar. En droeg ik meestal een jeansbroek. Van die nauw om je lichaam spannende exemplaren. En mijn bovenlichaam stak vaak in een trui die tot onder mijn zitvlak reikte. Of een hemd van een type dat zowel door meisjes als door jongens werd gedragen, met de lange slippen boven de broek gehangen. Met als gevolg dat ik, als fietser, zo nu en dan door jongens werd nagefloten. Die zagen mij, vanaf de rug gezien, immers aan als meisje! Toen vond ik dat helemaal niet leuk. Maar als ik daar nu aan terugdenk, vind ik dat vrij grappig.

Op de dagen dat ik met mijn ma haar fiets mijn schoolse plicht vervulde, stalde ik dit stalen ros niet in de reguliere, door de onderwijsinstelling voorziene parkeerstalling. Daar moest die immers aan een haak worden gehangen. Wat heel sletig was voor het rijwiel. En ik vond het mijn plicht om uiterste zorg te dragen voor mijn ma’s gerief. Ik was al blij dat ze die fiets zo gewillig aan mij toevertrouwde. Dus haar eigendom in goede staat houden was het minste wat mijn ma van me mocht verwachten.

Daarom plaatste ik haar mooie rijwiel tussen de bomen aan de hoofdingang van de school. Op een plek waar voortdurend volk passeerde. En netjes beveiligd met het wielslot waar ma’s velo mee was uitgerust. Een toenmalig modern gadget dat het gedoe met losse fietssloten overbodig maakte. De eerste keren dat ik met ma’s fiets naar school kwam, controleerde ik tijdens de pauzes telkenmale of hij er nog stond. Maar al snel stapte ik af van die gewoonte.

Toen ik na een examen, waarbij we de school mochten verlaten eens we ons antwoordenblad hadden afgegeven, bij de fiets arriveerde, kwam ik tot de vaststelling dat ik het sleuteltje van het fietsslot kwijt was. Ik tastte alle zakken van mijn kledij af, maar kon dat drommelse kleine ding helaas niet vinden. Was ik het dan verloren, onderweg van het klaslokaal naar de stalplaats? Ik speurde het ganse traject af, tot twee keer toe, maar kon jammer genoeg het sleuteltje niet vinden.

Dus ben ik maar in een werkplaats van de school een stevige tang gaan lenen. Een zogenoemde betonschaar. In elk van mijn pollen hield ik het uiteinde van één van die wel een halve meter lange handvatten vast. De hardstalen bekken van het werktuig plaatste ik op het stukje buis van het fietsslot dat tussen de spaken van het achterwiel stak om zodoende het ronddraaien ervan te vermijden. Met pijn in het hart bracht ik met een, vanwege het hefboomeffect, weinig benodigde kracht, mijn handen naar elkaar. Waarbij het stukje buis werd doorgeknipt en ik het vervolgens probleemloos kon verwijderen. En na het terugbrengen van dat stuk knipgereedschap, gezwind met de fiets naar huis kon rijden.

Met een ei in mijn strakke broek natuurlijk, want ik had mijn ma haar mooie, nieuwe, voor haar verplaatsingen zoals boodschappen doen zo noodzakelijk instrument, een stukje kapot gemaakt. Welks scene er zich bij mijn thuiskomst afspeelde, kan ik mij niet meer herinneren. Dus vermoed ik dat mijn ma niet al te zwaar heeft getild aan het gebeurde. Ze kende mij als een zorgzaam type persoon en wist dus dat ik dat sleuteltje niet uit onachtzaamheid zou zijn kwijtgespeeld. Dat ik een goed examen had gemaakt interesseerde haar toen vast meer. En dat ik die namiddag onbezorgd studeerde voor het examen van de dag nadien was op dat moment waarschijnlijk ook een grotere bekommernis. Vermoedelijk is moederlief, vanaf die dag, om haar rijwiel vast te zetten, terug een gewoon cijferslot uit onze collectie beginnen gebruiken.

*****

Toen mijn ma zich vele jaren later opnieuw een nieuwe fiets aanschafte, gaf ze de oude, een iets meer dan een decennium eerder soms nog door mij bereden fiets, aan mijn echtgenote cadeau. Nog steeds in goede staat, want zorgzaam onderhouden door mijn ouders. En inclusief fietszakken, die inmiddels aan het fietsstoeltje waren bevestigd. Dat wielslot bevond zich ook nog steeds in de toestand waarin ik het had gebracht. Dus onbruikbaar. Het door de fietsmaker later vervangen door een nieuw exemplaar was er blijkbaar nooit van gekomen. Of mogelijks door mijn ouders te duur bevonden.

De fiets kreeg een plaatsje toegewezen bij de andere rijwielen in onze garage. Waaronder de voorheen door mijn vrouw gebruikte tweedehands fiets. Welke werd op rust gesteld, maar behouden als reservefiets. Zo begon ma’s oude fiets aan een nieuw leven. Waarin het voortverplaatsingsmiddel heel wat minder intensief werd gebruikt. Af en toe voor een marktbezoek, nu en dan eens om brood te halen bij de bakker en hoogst zelden voor een fietstochtje.

*****

Een jaar of drie geleden kocht ik mijn beide zoons elk een moderne, sportieve herenfiets. Waarvan ze, binnen het door mij beschikbaar gestelde budget, ieder voor zich, zelf het merk en model mochten uitkiezen. Waar ze heel blij mee waren. Dit in tegenstelling tot de gevoelens die ze uitten toen ik hen naderhand een mooie, sobere maar kwalitatieve fietshelm bezorgde. Waarvan ik verwachtte dat ze die op hun hoofdje zouden zetten bij elke verplaatsing met hun nieuwe, overeenkomstig hun lichaamsgrootte, nog net iets te grote fiets.

Sinds het begin van dit jaar is één van mijn zoons begonnen met nogal vaak zijn moeders fiets te gebruiken bij zijn verplaatsingen naar school, het zwembad, de bakker of andere bestemmingen. Vooral die fietszakken vind de jongen erg praktisch en handig. Om het brood van bij de bakker in op te bergen, zijn inline skates of zwemgerei in te vervoeren bij het uit sporten gaan en zo meer.

Het rijwiel is, door een vrijwel totaal gebrek aan onderhoud, volledig doorroest en oogt helemaal niet fraai meer. Maar dat deert mijn zoon blijkbaar niet. Volgens hem bolt het oude karretje trouwens zelfs beter dan zijn door opa’s noeste arbeid nog steeds als nieuw ogende herenfiets.

Mijn zoon Brian op de van oorsprong zijn oma’s fiets… een déja vu? De kledij waarmee de jongen op de fiets zit verschilt wel wezenlijk van mijn toenmalige outfit. Hij draagt ook wel vaak jeans, maar van die net iets te grote modellen, die hij dan overeenkomstig de huidige mode, halverwege zijn poep laat hangen. Zodat minstens de helft van zijn onderbroek voor iedereen zichtbaar is. Terwijl in mijn tijd ondergoed zedig werd onttrokken aan het oog van anderen.

Lange truien of dito hemden draagt mijn zoon niet. En zijn bruine krulletjes worden meestal heel kort gehouden. Behalve als hij, zoals nu, aan het sparen is voor wat haar om er vervolgens vlechtjes in te laten leggen. Zoals menig topvoetballer, rapper of hiphopartiest.

Aangezien mijn dertienjarige zoon er dus, in tegenstelling tot zijn pa, bijna twee decennia eerder, langs geen enkele kant bekeken, ook maar een beetje vrouwelijk uitziet, zal hij allicht nimmer door jongens worden nagefloten. Tenzij het dan kerels zou betreffen die vallen voor menselijke exemplaren van hun eigen soort. Maar van dergelijke voorvallen heb ik geen weet. En ik ben er heel zeker van dat zoonlief zulks absoluut niet leuk zou vinden. En helemaal niet grappig!

Rudi, 20 mei 2010 (publicatie op mijn blog ‘Rudi’s kijk op de wereld’), revisie op 2 november 2010.

18-05-10

Belevenissen in het UZ – Liftperikelen in het UZ

      

Toen ik, in de zomer van 2000, pas in de revalidatiekliniek, het RC genoemd, was gearriveerd, keek ik wel mijn ogen uit. Van een ex-kamergenoot op de verpleegafdeling neurochirurgie, die al eerder naar het RC was getransfereerd, maar zo nu en dan nog eens terug kwam, had ik nochtans vooraf wel al te horen gekregen waar ik me aan kon verwachten.

Nogal wat mensen met een tetraplegie, dus verlamming van ondermeer de vier ledematen. Tevens een aantal personen met een paraplegie, zijnde verlamd aan de onderste ledematen. En voorts iemand met een hemiplegie, dus halfzijdig verlamd, en voorts enkele individuen die één of meerdere ledematen misten of althans een deel ervan.

Een bont allegaartje fysiek beperkte personen dus. Waarvan de meeste onder hen zich verplaatsten met gebruik van één of twee krukken, een wandelrekje of middels een rolstoel. Manueel of elektrisch. Enkele mannen waren daar evenwel nog niet aan toe en werden in hun kamer van bed naar massagetafel getransfereerd en al liggend naar de oefenzaal verplaatst.

Allen samen zouden zij de eerstvolgende tijd, die ik zo kort als mogelijk wou houden, een belangrijk deel uitmaken van mijn leefwereld. Ondanks de voorafgaandelijk verkregen informatie en spijts het feit dat ik zestien jaar eerder ook al eens een half jaar op die plek verbleef, was het toch even wennen.

De eerste keer dat ik mijn kamer werd uitgerold, gezeten in een zwartkleurige manuele rolstoel, die ik reeds op de verpleegafdeling op eigen dwingend verzoek had ter beschikking gekregen, zag ik bij het passeren van de ontspanningsruimte een vent zitten die zo uit een humoristische sketch kon zijn geplukt!

De al iets oudere heer, zat in een compacte elektrische rolstoel, met grote wielen achteraan, en iets kleinere vooraan. Met één van zijn armen in witte plaaster gestoken en, ter hoogte van de schouder, gestrekt naar voren gericht. En op die plaats en in die positie gehouden door een constructie met dunne, doch stevige metalen waterleidingsbuizen.

Dit kon toch niet echt zijn? Zulke constructies werden toch enkel in humorfilmpjes gebruikt? Het bleek evenwel geen frats te zijn. Enkele dagen later kreeg ik van de man in kwestie, die ik hier gemakshalve Jozef zal noemen, te horen, dat hij enkele maanden daarvoor, zittend in zijn auto, na een hoofdbeweging, ineens zijn lichaam niet meer kon verroeren. Waarschijnlijk ten gevolge van een bloedklonter die zich plots, ter hoogte van de nekwervels, in het ruggenmerg had vastgezet.

Zo was Jozef dus verlamd geworden aan de vier ledematen. Om zijn grotendeels willoze armen en handen toch nog enige functionaliteit te geven, zou hij een aantal heelkundige ingrepen ondergaan waarbij ondermeer pezen werden verplaatst, verkort en/of verlengd. En ik meen mij te herinneren dat die lachwekkende lichaamspositie waarin Jozef zich tijdelijk verplaatste, onderdeel was van de helingprocedure na één van die medisch-technische operaties.

Van Jozef, die helaas inmiddels reeds sinds enkele jaren is overleden, herinner ik me trouwens een incident waarin de brave man de hoofdrol speelt.

Omdat hij zelf niet op de knop kon drukken om de kokerlift aan de vragen of de automatische deuren er van te openen, diende de brave man, zo hij op dat moment de enige wachtende potentiële liftgebruiker was, steeds iemand aan te spreken om op de knop te drukken. En eens in de liftcabine, ook op de knop te drukken van de etage waar hij heen wou. Het gelijkvloers, de kelder of de eerste verdieping.

Waarna de vriendelijke helper of helpster vlug de kooi uitsprong. Want aangezien Jozef achterwaarts de lift inreed, kon hij immers, eens aangekomen op de juiste hoogte, zonder de hulp van derden, probleemloos, en zonder tegen iets of iemand aan te botsen, door de elektrische schuifdeuren, de lift uitrijden.

Nu was die lift al een sinds een jaar of dertig geïnstalleerd en begon deze ouderdomsverschijnselen te vertonen en slijtageproblemen. Waardoor hij regelmatig dienst weigerde. En iedereen diende gebruik te maken van de tweede in het gebouw aanwezige lift. Die overigens veel kleiner was dan het andere exemplaar.

Tot de gespecialiseerde herstelploeg ter plaatse kwam. Wat meestal vrij snel gebeurde. Tenminste als die, via de noodtelefoon in de liftkooi of anders telefonisch door iemand van de verpleging, paramedici, kuisploeg, refterdames... van het euvel op de hoogte werden gebracht.

Wat niet gebeurde op het moment dat de lift kwam vast te zitten met enkel en alleen Jozef erin. Want de man kon telefonisch geen alarm slaan omdat hij fysisch niet in staat was om de noodhoorn vast te nemen. En elke andere persoon die de lift wou nemen, ineens doorstapte of doorreed naar de volgende lift.

Tot er dan toch iemand dromerig en geduldig op de lift wachtte waarin Jozef vastzat. Geen notie nemend van de rode indicator die een panne aanduidt. De lift kwam niet, maar de met een goed gehoor behepte dromer hoorde wel het flauwe hulpgeroep van Jozef. De verlamming had immers ook de werking van 's man spier en pees van het middenrif aangetast. Wat dan weer een invloed had op Jozef zijn longwerking en ergo de onmogelijkheid veroorzaakte om luid te praten, laat staan te roepen. Uiteindelijk is Jozef, na minstens een half uur eenzaam opgesloten te hebben gezeten, na een dringend ingrijpen van de technische herstelploeg, uit de lift kunnen rijden.

Zelf ben ik ook ooit eens komen vast te zitten in een lift. En wel op de terugweg van een mij, via de onderaardse gangen van het ziekenhuiscomplex, in de late namiddag naar een afspraak begeven in één van de poliklinieken. Toen verplaatste ik me reeds sinds geruime tijd middels een elektrische rolstoel.

Op mijn heenweg had ik een, zich daar in die molpijpen al fietsend voortbewegend personeelslid, aangesproken om de manueel te openen liftdeur voor me open te houden, zodat ik er achterwaarts in kon rijden, de knop van de eerste etage, waar ik zijn moest, in te drukken en de deur voor me te sluiten.

Een bedankje, een groet en ik was weg, de hoogte in. Van -1, over 0, tot +1, alwaar de lift halt hield. Ik reed met mijn blauwe elektrische rolstoel zachtjes vooruit. De druk tegen de liftdeur, door mijn op de voetsteunen van mijn verplaatsingsmiddel staande onwillige stappers, liet deze op scharnieren draaiende deur open gaan, zodat ik de wachtruimte van dit dispensarium kon inrijden. Waarna de deur zachtjes achter me dichtklapte. Nog vooraleer een verbaasde, van zijn stoel opstaande, op zijn beurt wachtende persoon zijn intenties om me met de deur te helpen, had kunnen waarmaken.

Toen het consult was beëindigd, was het in de gang behoorlijk donker en was er in de wachtzaal niemand meer te bespeuren. Dus reed ik terug de gang in om een nog in het gebouw aanwezige menspersoon te zoeken die me naar beneden kon helpen. In een kantoortje waar nog licht brandde, zag ik door het half gematteerde vensterraam enige beweging. Ik tikte op het raam. Waarop een dame, met haar jas reeds aan, en een handtas in de hand, de deur opende. Zij wou me met graagte helpen en moest trouwens de kant van de lift uit. Om via de trap ernaast, naar de uitgang te stappen op het gelijkvloer. Want het sluitingsuur van het zittingslokaal voor poliklinische behandeling was reeds ruimschoots voorbij. Zodat deze dame, net zoals haar collega's die reeds vertrokken waren, ook huiswaarts mocht gaan.

De vriendelijke dame hielp me dus de lift in, drukte op de knop voor transport naar de kelderverdieping, ontving mijn dank, en sloot na onze wederzijdse afscheidsgroet, de liftdeur. Waarop de liftcel zich in beweging zette. Om even later tot stilstand te komen... tussen twee verdiepingen! De licht in de cabine ging uit. Wat nu? Een mobieltje had ik toen nog niet. Wie had ik trouwens met dat ding moeten bellen? Met wat wringen van mijn lichaam slaagde ik er in om in het duister de knop te vinden en er met de wijsvinger van mijn linkerhand zelfs op te drukken. Waarop de lift zich weer in beweging zette.

Zij die van drama houden zullen op hun honger blijven zitten, want ik ben tot in de kelderverdieping geraakt zonder dat er zich een herhaling van het probleem voordeed. Maar dit voorval was voor mij een nuttige les. Nadien ben ik, ondanks het vaak voorkomende onbegrip van derden, omwille van deze houding en dit principe, nooit meer een krappe, oude lift ingereden, zonder een andere, valide persoon bij me. De enige liften waarin ik me wel nog alleen in durf te laten verplaatsen zijn de grote, ruime exemplaren, waarin ik me probleemloos kan draaien, het bedieningspaneel kan bedienen en van de noodtelefoon gebruik kan maken. En die je voornamelijk vind in moderne, recent gebouwde ziekenhuizen, grote winkelcentra, overheidsgebouwen...

Ru(sh)di(e), 2 maart 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 2 mei 2010.

02-05-10

De avonturen van Rudi & Co - De fietser fietst verder

   

Vorig weekend ben ik nog eens naar buiten gekomen. Na al sinds meer dan een week de vier muren van mijn multifunctionele verblijfsruimte niet te hebben verlaten, ten gevolge van de ongunstige weersomstandigheden en staat van de weg. Zaterdag jongstleden leek het me doenbaar en die ochtend reed ik dus naar de bibliotheek om er een voorraad stripverhalen en boeken op te slaan, als leesvoer voor mijn kroost. Een assistente vergezelde mij, want in mijn eentje kan ik in de bib maar bitter weinig uitrichten. Bovendien moest ik warm ingeduffeld worden vooraleer mijn goed verwarmde leefruimte te ruilen voor de koude buitenlucht.

Op onze terugweg werden mijn achter mij fietsende assistente en ikzelf voorbijgestoken door een zich snel voortbewegende mountainbike berijder. Hij was, om zijn snelheid niet te hoeven verminderen, op een strookje gras gaan rijden, dat het fietspad scheidt van de parkeerstrook naast een drukke rijbaan. Onder het ons passeren zei hij iets dat ik evenwel niet verstond. En een meter of twee verder bleef de sportieveling met één van de wielen van zijn fiets steken in de greppel naast het betonnen fietspad en vloog van zijn rijwiel. De man, die gelukkig een helm droeg, kwam na een rolbeweging van zijn lichaam over de betonstrook, in foetushouding in de andere grasstrook naast de fietsbaan terecht en net niet in de gracht ernaast.

Ik hield halt en vroeg de man onmiddellijk naar hoe het met hem was gesteld. Hij antwoordde evenwel niet, maar veerde op, onder het slaken van een vloek, die ik echter hier niet ga herhalen. Wegens nogal godslasterend. En ik wil mijn gelovige lezers eens een keer ontzien. Die fietser stond dus recht, boog zich terstond over zijn rijwiel, dat daar werkloos het fietspad versperde. Doch slechts heel even, want de eigenaar zette het recht, schudde er eens duchtig aan, sprong gezwind op het stalen ros en reed er snel mee vandoor. Om evenwel slechts enkele meters verder terug van zijn nog bollende mountainbike te springen, gehurkt zittend aan trapper en achterwiel te rutselen en vervolgens opnieuw het mobiliteitsmiddel te bestijgen. Waarna de, in een bij deze sport horende outfit uitgedoste fietser, vrij snel uit ons gezichtsveld verdween.

Dat een fietser valt, waarbij zij of hij zichzelf doorgaans bezeerd en waarna er vaak ook materiaalpanne is, dat wens ik niemand toe. Maar ik stel vast dat er vele fietsers zijn die de valpartij zelf uitlokken, het onheil opzoeken. Dat kinderen onveilig rijden, daar is, hoe zeer ik zulks ook schuw, de verschoningsgrond van hun jeugdigheid en onervarenheid. Maar volwassenen die met hun vrijetijdsfiets geen geduld hebben om een andere fietser op een daartoe geschikte plek te passeren, maar hun fietsbel laten rinkelen en verwachten dat hun voorligger terstond naar rechts uitwijkt, zodat zij deze, zonder vaart te minderen, ongehinderd kunnen passeren, dat vind ik arrogant, onveilig en bijgevolg ontoelaatbaar!

Er is ook het fenomeen van de wielrenners of mountainbikers, amateurs of professionelen op training, die zich tegen hoge snelheid over de fietspaden voortbewegen en gedragen alsof zijn er de alleenheerser over zijn. En van iedere andere weggebruiker verwachten dat die baan ruimt op het moment dat zij in aantocht zijn. En onbeleefde opmerkingen maken tegen degene die dat niet doet, of niet snel genoeg. Als ik die domme, onbeschofte kerels, want het zijn doorgaans mannen, bezig zie, dan hoop ik steeds dat ze geen ongeval veroorzaken. Waarbij, door hun onbehoorlijk rijgedrag, onschuldige slachtoffers vallen.

Om af te sluiten met een positieve noot wens ik op te merken dat er ook veel hoffelijke personen zijn onder de verschillende types van fietser. Mensen die elkaar  spontaan ruimte bieden, fietsers die degene die voor hen rijdt vriendelijk verzoeken om deze te mogen passeren, fietsers die de persoon die hen vrije doorgang verleent danken, waarop de andere antwoord dat met graagte te hebben gedaan... Situaties waarbij ook ik soms één van de personages ben in het scenario. En wees eerlijk, je door het leven bewegen en je medemens bejegenen op een niet opgefokte manier, maar daarentegen beschaafd, gemoedelijk en aardig, is toch voor alle partijen de meest aangename omgangsvorm?!

Rudi, 21 januari 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 26 april 2010.

13-04-10

Heden en verleden - Vijf huizen & ander fraais op de boerenbuiten

    

Heel af en toe rij ik eens naar mijn ouders. Mijn ma en pa zijn nog steeds woonachtig op de plek en in de gemeente, waar ik mijn jeugd doorbracht. Hun huis staat meer bepaald in een gehucht van een deelgemeente van de stad waar ik op heden woon, en op ongeveer 6 kilometer afstand van het huis dat ik samen met mijn gezinsleden bewoon.

Mijn ouderlijk huis is gelegen op, zoals men placht te zeggen, de boerenbuiten. Alhoewel er daar heden ten dage niet veel boerderijen meer te vinden zijn. Veel boeren kozen eieren voor hun geld en incasseerden flink wat duiten toen grote delen van wat voorheen landbouwgebied was, een herbestemming kreeg als woonzone. Goedkope landbouwgronden, die tot dan toe dienst deden als wei- of akkerland, werden ineens waardevolle percelen bouwgrond.

Massaal werden er verkavelingvergunningen aangevraagd en werden grote stukken grond verdeeld in meerdere delen of kavels en te koop aangeboden als grond voor woningbouw. Inmiddels was in onze buurt, als ik het mij goed herinner, wat chronologie betreft, ook de ruilverkaveling in volle gang. Waarbij de plaatselijke boeren, op vrijwillige basis, hun her en der gelegen kleine blokjes landbouwgrond onderling ruilden voor stukken land welke dichter bij hun erf waren gelegen. Vaak ontstonden hierdoor grotere percelen agrarische grond, waardoor het landschap in sterke mate veranderde.

Zo herinner ik mij het bestaan van enkele kleine percelen dicht bij ons huis, die bij elkaar werden gevoegd tot één grote akker. De redelijk jonge eigenaar dempte daarvoor zelfs de tussenliggende grachten. Zodat hij het ganse terrein ineens kon ploegen, bezaaien, sproeien, oogsten... Maar vaak reed hij zich met zijn tractor bijna of werkelijk vast in de drassige stroken land waar voorheen een sloot was. Dat die greppel er daarvoor was ontstaan, of aangelegd, met een reden, dat die met name zorgde voor de afwatering, dat had die kerel blijkbaar over het hoofd gezien. Met als gevolg dat hij af en toe naar zijn boerenerf mocht lopen om vrouw of knecht op te trommelen om met hun tweede tractor, of deze van een bereidwillige collega, zijn zware tractor los te trekken uit de modder.

Later werd de verkaveling professioneler aangepakt. En werd er wel rekening gehouden met de natuurelementen, werden er verkavelingwegen aangelegd ten bate van de bereikbaarheid van de kavels voor de boeren, maar ook paden voor recreatief fietsverkeer in landbouwgebied. En hier en daar werden er nieuwe bosjes aangelegd en andere stukjes natuurgebied.

Naast het telen van gewassen voor eigen gebruik, grotendeels voedsel voor de beesten, werden er op de akkers voornamelijk suikerbieten verbouwd. Maar sinds de suikerfabriek in een naburige gemeente, zowat anderhalf jaar geleden haar activiteiten stopzette, is daar een einde aan gekomen. Vandaag de dag worden de meeste akkers door de overgebleven boeren verpacht aan industriële landbouwbedrijven. Elders verbouwen die soms maïs, maar op de landbouwgronden in de buurt van mijn ouderlijke woonst worden hoofdzakelijk aardappelen geteeld.

Niet alleen het landschappelijk uiterlijk van de buurt waar ik opgroeide is grondig gewijzigd. Daar waar er vroeger aan de straatkant veel akkers en weilanden grensden, zijn die gronden nu op veel plaatsen bebouwd met woningen, omgeven door een tuintje. En veel oude hoeves werden hetzij gerenoveerd, hetzij afgebroken en vervangen door een nieuwbouwwoning. Bovendien is de straat waar mijn ouders wonen sinds een tweetal decennia voorzien van een van de rijbaan afgescheiden tweerichtingsfietspad.

Een opmerkelijke plek in deze straat, waar de bebouwing, zoals weleer nog steeds voornamelijk bestaat uit vrijstaande woningen en hier en daar twee huizen in een halfopen bebouwing, is één rijtje aaneen gebouwde huizen. Een locatie die in onze buurt als 'de vijfhuizen' werd aangeduid. Nochtans waren het er slecht vier. Maar niemand leek zich aan dit detail te storen. Behalve ik dan, die als klein, ook toen reeds punctueel, ventje deze foute benaming belachelijk vond. Maar geen enkele persoon leek gehoor te geven aan mijn gedacht hieromtrent. Mogelijks te wijten aan het feit dat ik te 'beschaamd' was om er openlijk voor uit te komen?

Later kwamen twee van de vier huisjes in handen van één persoon, die ze samenvoegde tot één, wat ruimer huis. Dus sindsdien bestaat het huizenrijtje slechts uit drie woningen. Maar tot op de dag van vandaag worden deze aaneen gebouwde woningen, in de buurt, zowel door de mensen die er al jaren wonen, als door de nieuwkomers, nog steeds 'de vijfhuizen' genoemd!

Rudi, 20 december 2009 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

07-04-10

De avonturen van Rudi & Co - Opschudding in de zaal

  

Naar buiten en onder het volk komen is voor elke mens zo belangrijk. En je komt al eens 'iets' of 'iemand' tegen als je je als persoon in kwestie buitenshuis verplaatst. Dat kan eenieder getuigen, en ook ik ben daar geen uitzondering op.

Zaterdag jongstleden ben ik naar de plaatselijke Kerstmarkt geweest. Het zag er allemaal best gezellig uit. Maar voor mij is zulk een evenement iets dat je best en liefst in gezinsverband aandoet. Zelf had ik in mijn uppie ook jammer genoeg niet de kans om een warme chocomelk te drinken of van één van die aanlokkelijke warme snacks te smullen. Mijn enige, beperkt functionele hand, de linker, was immers volledig verstijfd van de kou.

Toch vond ik dit uitje de moeite waard. Al was het maar omwille van de vriendelijke begroetingen door bekenden, de burgemeester incluis, de vele vrolijke mensen, al dan niet in die toestand als gevolg van het drinken van alcoholische dranken, de sfeervolle Kerstmuziek... en vooral de artiest die op een podium ijssculpturen vervaardigde. Uit blokken ijs heb ik die man, met kettingzaagjes en beitels als gereedschap, een Kerstster (met staart) en een engeltje zien tevoorschijn toveren. Prachtig vond ik dat!

Een drietal weken eerder bezocht ik de zondagse rommelmarkt op het stationsplein van mijn woonplaats. In gezelschap die keer. Maar er waren jammer genoeg vele gelegenheidshandelaars niet komen opdagen. Allicht omwille van het toenmalig wisselvallige weer.

Toen ik op het punt stond om naar huis te rijden, maar nog even genoot van het zicht op de activiteiten op het plein, kwam een vrouw op ons af die de mij vergezellende jongedame aansprak. Ik zei de vrouw, luid en duidelijk dat, als ze iets te zeggen had, ze mij moest aanspreken. Ze bekeek me eens raar en begon toen weer te babbelen tegen het meisje naast me. Ik herhaalde wat ik ook daarvoor reeds had gezegd, maar mijn woorden mochten niet baten.

Na nog eens hetzelfde scenario kwam ik dan toch te weten dat die vrouw me weg wou van de plaats waar ik stond. Omdat haar man zo meteen ging komen met de auto, om hun spullen in te laden.

Als er nu iets is waar ik een hekel aan heb, dan is het om te worden aanzien, beschouwd en behandeld als zijnde een breinloos, onmondig, in de weg staand 'object'. Dus zei ik die vrouw dat ik mij wel zou verplaatsen op het moment dat de omstandigheden dat zouden vereisen, in casu als haar man met hun vierwieler ten tonele zou verschijnen.

De vrouw keek me dom aan. Ik keerde haar de rug toe, maar draaide me onmiddellijk terug om en zei dat ik het niet prettig vond om als een 'obstakel' te worden behandeld en dat ze het in de toekomst best zou laten om mij en anderen zo te behandelen. Als antwoord kreeg ik te horen 'een zaag' te zijn, waarna de vrouw wegliep. Ik draaide me geheel rond. Tijdens het keren was ze teruggekeerd. Toen ik haar zei dat van me weglopen wel erg laf was, stak het vrouwmens haar armen in de lucht en riep ze uit: "Ik heb het hem beleefd gevraagd, maar 'die' wil hier maar niet weggaan!" "Dat is omdat dit plein van iedereen is en niet van jou alleen" liet ik haar nog weten, waarna ik doorreed. Net op het moment dat die partner met zijn auto verscheen. Verbaast kijkend naar zijn met haar armen hemelwaarts gerichte partner.

Het vrouwmens is waarschijnlijk zwak begaafd, maar dat is naar mijn mening geen excuus. Al te vaak kom ik in contact met personen die het huis niet meer uitkomen omdat ze buitenshuis vaak 'onmenselijk' worden behandeld, of voortdurend het slachtoffer zijn van ontoegankelijkheid. Dus blijf ik tot in den treure tegen al dit onrecht ageren. In het belang van de 'mensheid' en de 'menselijkheid'! Ze hadden potverdikke die Nobelprijs voor de Vrede net zo goed aan mij kunnen geven, in plaats van aan Obama! Deze laatste, vaak verkeerdelijk als 'zwarte' aangeduid, zit er blijkbaar ook mee verveeld deze eerbetuiging (nu al) te krijgen. Dat zou ondermeer kunnen af te leiden zijn uit wat hij over zijn eigen dankrede zegde. Namelijk dat hij ze best goed vond opgemaakt, en zelfs in die mate dat hij aan het eind ervan, er bijna zichzelf mee had overtuigd dat bij die prijs wel echt heeft verdiend.

Dit najaar ben ik reeds een aantal keer op donderdagavond naar de film geweest in het Cultureel Centrum van mijn woonplaats. Hun filmplanning past goed in mijn leefschema: aanvang om kwart na acht, dus doorgaans afgelopen omstreeks tien uur. Zodat ik zonder me te hoeven haasten, terug thuis ben tegen half elf, het tijdstip waarop mijn thuisverpleegkundige me normaliter komt verzorgen en in bed helpen.

De laatste keer dat ik ging kijken, draaide men er de Franse film 'Un prophète'. Een boeiend, interessant, maar 'ruig' gevangenisdrama. Veel volk was er niet. Ik denk een honderdvijftigtal personen. En allen zaten ze op de tribune. Terwijl ik op de begane grond, in het gangpad stond, tussen de onbezette stoelen.

Toen de film, naar ik vermoed, een drietal kwartier bezig was, werd er een huiveringwekkende scène getoond. In zijn eigen cel werd een kerel, door het hoofdpersonage, met een scheermesje de keel overgesneden. Waarna je het slachtoffer op de vloer zag liggen doodbloeden, terwijl er nog een aantal keer een sluiptrekking door diens lichaam ging. Net echt!

Kort daarna hoorde ik stemmen in de zaal. En toen ik rechts van me keek, zag ik mensen de trappen afgaan en via het gangpad aan de andere kant van de zaal, zich begeven naar de uitgang aldaar. Waren die zo geschokt door dat bloedige fragment dat ze verkozen er vandoor te gaan? Maar kon dat dan niet zonder de andere bioscoopbezoekers te storen?

Terwijl ik deze overdenking maakte, en middelerwijl ook trachtte het verhaal verder te volgen, stopte men de filmspoel. Hier moest dus meer aan de hand zijn. Een dame haastte zich tot vooraan in de zaal. Om ons toe te spreken en de reden voor de onderbreking mede te delen, zo verwachtte ik. Maar het was om de lichten aan te steken. Het bleef dus gissen naar de reden van de interruptie. Misschien was men, zoals ik al een keer eerder meemaakte, de verkeerde film aan het afdraaien? Of was er ergens in de zaal brand uitgebroken? Of in de ontvangstzaal ernaast, want sommige mensen liepen de zaal waarin ik me bevond, eerst uit, en vervolgens weer in.

Gedurende het omdraaien van mijn rolstoel, teneinde de filmliefhebbers op de tribune te zien, bedacht ik ook de mogelijkheid dat er iemand onwel was geworden bij het zien van die even daarvoor vertoonde gruwelijke beelden. En, afgaande op wat mijn ogen even later te zien kregen, was dit inderdaad de oorzaak van de ongeplande en ongewenste pauze.

Een groepje mensen zat en stond omheen een ietwat corpulente heer die op een zitje zat op één van de bovenste tribunerijen en die er, gezien vanaf mijn positie, niet erg fris uitzag. Nu was het klimaat er wel naar geschapen om onpasselijk te worden: een warme zaal en op het scherm een bloederig tafereel. De nooddeuren in de zijwand werden open gezet om wat koelte en zuurstof in de zaal te brengen. Tenminste ik vermoed dat dit de intentie was, want nog steeds had niemand het initiatief genomen om alle aanwezigen in de zaal op de hoogte te stellen van wat er aan de hand was.

Verschillende mensen verlieten de zaal. Die hielden het blijkbaar voor bekeken. Omdat de inhoud van wat ze tot dan toe van de film zagen, hen niet aanstond? Omdat de interruptie hen al te lang duurde? Of omdat ook zij in katzwijm dreigden te vallen? Joost mag het weten. Maar hoeft het niet aan me door te zeggen omdat deze informatie totaal onbelangrijk is.

Alhoewel het er naar uitzag dat er niks meer aan de hand was dan een appelflauwte, werd naar hetgeen ik van op mijn plek kon horen, toch de 100 gebeld. In afwachting van de ziekenwagen, werd de 'zieke' , ondersteund door zijn gezellen, de trappen af en naar buiten geleid. Even later kwam de technisch verantwoordelijke van dienst dan melden dat hij de projectie zou laten verdergaan. Niemand protesteerde. Het incident had alles bij elkaar een twintigtal minuten oponthoud veroorzaakt.

Het vervolg van de film bleef hard en gewelddadig, maar de meest akelige scène hadden we klaarblijkelijk toch reeds gezien. Of het door de onverwachte onderbreking kwam of gewoon omwille van het feit dat een film naar mijn goesting niet al te lang mag duren, feit is dat ik een uur later een beetje ongeduldig op het einde van de prent zat te wachten. Die film bleef immers maar duren. En op een gegeven moment kreeg ik al een SMS'je van mijn verpleger met de vraag of ik reeds thuis was.

Liever het einde van de film missen, die me toch niet echt meer boeide, dan een nacht in mijn rolstoel te moeten doorbrengen. Het was trouwens niet enkel mijn thuisverpleegkundige die me thuis verwachtte. Ik had er ook op gerekend bijtijds thuis te zijn om het op een redelijk tijdstip naar bed gaan van mijn zoons te controleren!

Maar hoe zou ik voortijdig de zaal kunnen verlaten? Ik trachtte oogcontact te maken met de toeschouwers die het minst ver van me af zaten. Mogelijks door de duisternis bleef deze actie evenwel zonder succes. Alle ogen bleven op het witte doek gevestigd. Gebaren durfde ik niet te maken, want gezien hetgeen eerder die avond was gebeurd, dacht men dan mogelijks dat er ook met mij iets loos was. En ik wou het niet meemaken dat men ook voor mij, en onnodig, de filmprojectie zou stoppen.

Dus zette ik mijn lichten aan en reed zachtjes achterwaarts richting uitgang. Waar ik hoopte dat de deuren zouden openklappen als ik er zachtjes tegenaan reed. Dat lukte... deels. Halverwege kwam ik namelijk vast te zitten. Ik slaakte een zucht en gromde toen een vloek waarin de naam voorkomt van dat opperwezen waarin ik niet meer geloof. Dat hielp me wonderwel vooruit, want het woord was nog niet koud of daar stond reeds een werknemer van het Cultureel Centrum naast me, die me uit mijn benarde positie kon redden. Van die man vernam ik ook dat die film er één is die tweeëneenhalf uur duurt!

Diezelfde persoon ging ook met me mee om de dubbele draaideuren aan de toegang tot het gebouw open te houden. Waarna niks me nog in de weg stond om, na even snel telefonisch mijn komst aan te kondigen, in de stilte van de donkere nacht, gezwind huiswaarts te rijden.

Rudi, 15 december 2009 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 26 december 2009.

03-04-10

Rudi’s overdenkingen - Dubieuze getuigenissen

  

Vorige zaterdag was het Halloween. En mijn zoon Brian had het plan opgevat om, net zoals vorig jaar, met een maat de huizen in onze buurt af te gaan. Puur voor de lol en in iets mindere mate tevens om gratis aan wat lekkers en aan enkele Euro's te geraken! Vorig jaar had die activiteit hem immers ook een aardige buit opgeleverd.

De avond ervoor kwam er een vriend logeren, die net als hij eigenlijk reeds de vrijdagavond op pad wou. Daar hadden wij, de ouders, niks op tegen, zolang de jongens voorzichtig zouden zijn en terug thuis op het door ons vooropgestelde tijdstip.

Voor ze vertrokken lieten ze zich door ons keuren. In tegenstelling tot eerdere plannen had Brian geen masker opgezet, waardoor hij goed herkenbaar was. Dus had ik er geen bezwaar tegen dat hij een neppistool meenam. De buren die hij wou verrassen, kennen mijn zoon goed genoeg om niet te denken met echte overvallers te doen te hebben.

Nog geen half uur waren ze weg, toen er op de deur werd geklopt. Wij verwachtten geen bezoek, dus ik vermoedde dat het of onze eigen jongen en zijn maat waren die voor de deur stonden, of andere verklede individuen die ook niet tot de volgende dag hadden kunnen wachten vooraleer op Halloweentocht te gaan.

Lichte paniek bij mijn vrouw, want ze had niet onmiddellijk snoepjes bij de hand om af te staan. Dus ging ze maar eerst de voordeur openen. Ik hoorde wat over en weer gepraat, draaide me richting binnendeur en zag daar even later twee personen verschijnen. Verkleed... in een blauwe outfit. Een Politie-uniform. Het bleken trouwens echte agenten te zijn, of inspecteurs, want dat werd er niet bijgezegd.

Na hen verwachtte ik mijn zoon en diens maat te zien verschijnen, want ik vermoedde onmiddellijk dat dit politie was op patrouille die de jongens abusievelijk als schurken had aanzien en na verhoor van de jongens nu bij de ouders hun verhaal kwam checken.

Niks van dat evenwel. Hun bezoek had te maken met iets totaal anders. Op 15 augustus van dit jaar zijn wij met het gezin naar het Oogstfeest geweest van de plaatselijke Landelijke Gilde. Waar mijn zoon Brian 's avonds de playbackshow won.

Nu bleek daar, volgens de mannelijke helft van het politieduo, in de buurt van waar dat evenement was doorgegaan, een weiland te liggen, waar toen van die grote, ronde, in plastiek gewikkelde balen stro zouden  hebben gelegen. Waarvan er die dag enkele zouden zijn beschadigd. En een 'getuige' zou mijn vrouw hebben zien staan telefoneren op de verharde weg naast dat land, terwijl haar kinderen op die balen aan het spelen waren.

Een 'getuigenis' die uiterst dubieus is. Mijn kinderen hebben die dag niet met elkaar opgetrokken, dus kunnen nooit samen op zo een baal stro zijn gezien. Het enige dat klopt in het verhaal is dat mijn kinderen hun mama op een gegeven moment een wandeling is gaan maken. Ze meende zich inderdaad te herinneren en acht het heel waarschijnlijk dat ze toen aan het bellen is geweest. Maar van op balen stro spelende kinderen dacht ze niet iets te hebben opgemerkt.

Onze kinderen kunnen het in ieder geval niet zijn geweest, want die waren op dat moment elk op een andere plek aanwezig op het 'evenemententerrein'. En ik had daar goed zicht op want ik heb, omwille van de overdadige zonneschijnhitte die dag, de ganse tijd in de schaduw gezeten aan de rand van dat plein.

Los van de feiten vraag ik mij af welke schade spelende kinderen aan die balen kunnen hebben aangericht. Waarvoor de eigenaar nu van de 'daders' een schadevergoeding wil eisen. Volgens die politiebeambte was een deel van de plastiekfolie eromheen, kapot getrokken. Maar daar gaat dat stro toch niet van 'stuk'? En wat dan met de twee rollen ongecoate hooibalen die bij één van de spelletjes werden gebruikt? Niet goed genoeg meer als voer voor de beesten of desnoods als vloerbedekking in de stallen?

Wat een laffe en achterbakse 'pseudogetuige' overigens! Als die toen iets heeft gezien dat niet hoorde, waarom heeft die dan niet ogenblikkelijk gereageerd? Hadden mijn vrouw, ik of zelfs één van onze kinderen 'iemand' vandalenstreken zien uitrichten, dan hadden wij die lui onmiddellijk gesommeerd daarmee op te houden en bij vaststelling van schade de organisatoren van dat feest verwittigd. Want dat is toch de enige juiste reactie? Het zou mij niet verwonderen mochten jullie uit de aangebrachte data dezelfde conclusie trekken als ik doe.

*****

Zo een situaties heb ik eerder meegemaakt. Samen met mijn zonen Brian en Austin, een twee-eiige tweeling, bezocht ik jaren geleden het filiaal van een grote doe-het-zelf winkel in de buurt van onze woning. Op zoek naar een aantal spullen die ik nodig had om dingen te laten maken in en om ons huis.

Austin was een beetje, of eigenlijk nogal veel, tegen zijn goesting meegekomen en bleef dus dicht in mijn buurt rondhangen, terwijl zijn broer op stap ging om me te helpen de benodigde items bij elkaar te zoeken.

Op een bepaald moment kwam er een redelijk jonge vrouw me voorbij gestoven. Een personeelslid van de winkel, zo kon ik zien aan haar kledij. Voor ze de gelegenheid kreeg mijn zoon aan te spreken, vroeg ik haar beleefd me te vertellen wat er aan de hand was. Verbaast en verward keek ze me aan. Die vrouw was klaarblijkelijk zo gefocust geweest op mijn jongen dat ze mijn aanwezigheid niet eens had opgemerkt.

Ze vertelde mij dat ze er 'getuige' van was geweest dat die jongen, die daar, ook al verrast, stond te kijken, spullen uit de rekken had gehaald en er vervolgens mee aan de haal was gegaan. Ik kon niet volgen, want Austin was de ganse tijd in mijn gezichtsveld gebleven en ik had hem wel al naar de prijs van bepaalde producten laten kijken, maar hij had nog niet eens iets aangeraakt.

Toen verscheen Brian ten tonele. In een geheel andere outfit dan zijn broer en het haar heel kort geschoren, terwijl broerlief kleine krulletjes had. In zijn handjes had het jongetje een aantal zakjes en doosjes met spullen in waarvan hij hoopte dat dit nu eindelijk was wat ik zocht. Want het ventje was al een aantal keer tevergeefs heen en weer gehold.

De winkeldame stond perplex. Keek van de ene jongen naar de andere en vervolgens terug naar zijn broer en daarna naar mij. Ze wist duidelijk niet was zeggen, dus sprak ik maar voor haar. Dat ik concludeerde dat ze in al haar vooringenomenheid een grove flater had begaan. Maar denk je dat ze, zoals je in zulk een situatie zou durven vermoeden, haar verontschuldigingen aanbood? Neen hoor. Niks daarvan! Uit haar strot kwam slechts een goedpraten van haar fout gedrag. Want ja, er werd immers zoveel uit de winkel gestolen, door jonge kinderen.

Op mijn vraag of dat dan voor haar betekende dat alle kinderen potentiële dieven waren of enkel die met een melkchocoladen huidskleurtje, kreeg ik geen antwoord. Het groengeklede spook had zich, nog vlugger dan ze op mijn zoon was afgekomen, terug van ons weggehaast!

*****

Enkele jaren eerder, in het voor mijn gezin en mij zo noodlottig en ingrijpend jaar 2000, bracht mijn echtgenote op een gegeven moment een brief mee naar het ziekenhuis, van de autoverzekeraar van mijn vennootschap. Afkomstig van het hoofdkantoor en waarin stond dat ik werd verzocht om contact op te nemen met mijn makelaar teneinde de formaliteiten af te handelen van de aanrijding, op de parking van het ziekenhuis, tussen mijn vrachtwagen en een ook bij hen verzekerde personenauto. Waarbij de bestuurder van mijn voertuig de veroorzaker van de botsing zou zijn geweest.

Niettegenstaande ik reeds drie maanden plat op mijn rug te bed lag, viel ik bij dit bericht, pardoes uit de lucht. Dit laatste, in tegenstelling tot het eerste, uiteraard slechts figuurlijk. Gelukkig maar, want ik was er al erg genoeg aan toe na die mismeesterde nekoperatie.

Mijn vrachtauto zou dus een accident hebben veroorzaakt... Maar mijn firma bezat helemaal geen camion! Zelfs geen camionette. Enkel een kleine bestelwagen. Waar aan de zijkanten in het groot het logo, met naam en andere firmagegevens was op gekleefd. Een auto die doorgaans door mijn echtgenote werd bestuurd en waar zij zich ook geregeld mee verplaatste om me te bezoeken in het ziekenhuis.

Van een aanrijding had zij evenwel geen weet. En bovendien was ze, op de dag waarop het voorval zou hebben plaatsgevonden, niet eens bij mij geweest. Meer nog, dat bestelwagentje was die dag, om redenen die ik mij niet meer herinner en die hier trouwens ook helemaal niet ter zake doen, niet eens uit de garage geweest!

Mijn makelaar onderzocht de kwestie en kwam te weten dat er tegen de auto was gebotst van een bij dezelfde verzekeringsmaatschappij als mijn firma, aangesloten persoon. Een 'getuige' van dit malheur had een vrachtauto zien wegrijden met een naam op, die ook mijn firma draagt. De verzekeringsagent van de eigenaar van het aangereden voertuig had alle data doorgegeven aan de maatschappij en, waarschijnlijk omdat die voertuigeigenaar omnium was verzekerd, was de dossierbeheerder aldaar in het klantenbestand op zoek gegaan naar de door de 'getuige' opgegeven firmanaam en was zo uitgekomen bij mijn vennootschap. Had die domkop, die allicht van zichzelf dacht dat hij een slimme detective was, een heel klein beetje nagedacht, dan had hij zelfs alleen al op basis van het vermogen van dat wagentje van mij, kunnen concluderen dat hij met zijn vondst abuis was.

*****

Een voorval dat van nog veel vroeger dateert, betreft mijn drie jaar oudere zus,  die op het moment dat het hiernavolgende zich afspeelde, een jaar of zestien was. Het meisje volgde toen les aan een middelbare school, die was gelegen in een buurgemeente van onze woonplaats. En fietste elke ochtend naar die onderwijsinstelling. Samen met haar beste vriendin. Een meisje dat met haar ouders op een boerderij woonde, gelegen in dezelfde straat, en zelfs langs dezelfde straatkant als ons ouderlijk huis. Dat kind wachtte 's ochtends bij haar thuis mijn zus op en vanaf daar reden de meisjes samen verder.

Op een zekere ochtend, waarop mijn vader, die toen in ploegen werkte, nog thuis was en ik toevallig een vrije schooldag had, kwam er op een gegeven moment een auto op onze hof gereden. Met achter het stuur een afgeborstelde kerel, zo te zien gekleed in een maatpak en met naast hem, op de passagierszetel van de auto, een jonge gast. Nieuwsgierig wachtte ik af met wat voor een reden dit duo ons op een bezoek kwam vergasten. Want ma noch pa verwachtten die ochtend visite.

Mijn moeder ging de voordeur openen terwijl ook mijn vader zijn krant aan de kant legde en opstond uit zijn zetel. We hoorden wat gebabbel, waarna even later mijn ma de deur opende tussen de inkomhal en de living, waarin mijn pa en ik ons bevonden.

Die, inderdaad in een kostuum gestoken heer, kwam binnen, met in zijn kielzog een slungelachtige pummel. Mijn moeder meldde mijn vader dat het heerschap een verzekeringsagent was, en de jongen naast hem, een cliënt. Welke  zou hebben beweerd met zijn bromfiets te zijn gevallen, door toedoen van mijn zus, waarvan hij bij een eerder passeren had opgemerkt dat ze in ons huis woonde

Mijn ouders werden bleek om de neus, want dachten onmiddellijk dat ook zij was gevallen. Maar de verzekeraar stelde hen onmiddellijk gerust. Mijn zus was niet gewond. Waarop mijn vader dacht aan haar fiets en haar kledij. Ze had net een nieuwe groene Parka gekregen, een type jas met aangehechte kap, dat in die tijd mode was. Maar ook daar was geen schade aan, zo wist de man ons te vertellen.

Die verzekeringsagent had zich inmiddels onuitgenodigd neergezet op een stoel en zijn mapje met paperassen op een hoek van onze eettafel opengelegd. Met de pen in de hand wou die kerel mijn vader er toe overhalen een document te ondertekenen, een onderling akkoord voor de forfaitaire vergoeding van de door de jonge bromfietser geleden schade.

Dat mijn vader daar niet wou op ingaan, dat begreep die arrogante vent niet. En dat, spijts zijn geveinsde charmeoffensief, ook mijn ma niet was te overtuigen, al evenmin. Nochtans had hij een 'getuige' die alles had gezien, dus hadden mijn ouders volgens hem geen enkele reden om zijn voorstel te weigeren. Wat ze evenwel toch deden. De man en de jongen werden tegen hun zin buiten gewerkt. We aten ons middagmaal, mijn vader maakte zich klaar  om te gaan werken en vertrok, toch nog enigszins bezorgd, richting autofabriek.

Toen mijn zus in de late namiddag thuis kwam van school, inspecteerde mijn ma het meisje van kop tot teen. En was super blij dat ze geen lichamelijke letsels had. Dat ook haar jas, naar schoolse uniformnormen in lichtgroene kleur, onbeschadigd was, zag ze als bijzaak, maar was toch een meevaller. Mijn zus begreep slechts deels wat er aan de hand was. Een dame die op het schoolsecretariaat werkte had ook al aan mijn zus gemeld dat er een man op school was langs geweest die haar wou spreken, maar dat zij resoluut hadden geweigerd mijn zus uit de klas te halen. Waarop de man verontwaardigd was afgedropen.

Mijn moeder bracht haar dochter volledig op de hoogte van hetgeen wij die voormiddag hadden te horen gekregen. Mijn zus en haar vriendin hadden die jongen met zijn bromfiets die ochtend inderdaad opgemerkt. Vooral omdat die sukkel, na hen te zijn voorbijgereden, een beetje verder met zijn klikken en zijn klakken tegen de vlakte was gegaan. Ze waren nog gestopt om te vragen of ze hem konden helpen, maar dat bleek niet nodig te zijn. De jongeman was niet gewond en van bromfietstechniek, -mechanica en - carrosserie hadden de meisjes geen kaas gegeten, dus was het nog niet eens bij hen opgekomen om die bromfiets aan een onderzoek te onderwerpen. Bovendien dienden zij tijdig op school te zijn. En hadden ze die verlegen jongen, die hen nagenoeg dagelijks voorbij stak, meestal schichtig en geniepig naar de schoolmeisjes loerend, achtergelaten bij de andere omstanders.

Mijn vader was woedend toen hij 's avonds na zijn avondshift thuis kwam van zijn werk en van mijn ma de ware toedracht te horen kreeg van wat er die ochtend was voorgevallen. Nog steeds heel boos is hij de volgende ochtend naar de plek van het voorval gereden om die 'getuige' te confronteren met haar valse 'getuigenis'. Haar uitleg was even zielig als het mens zelf. Ze had de vorige ochtend de daar dagelijks voorbij fietsende meisjes opgemerkt, kort daarop een klap gehoord, was naar buiten gehold, had die meisjes naast de reeds recht geklauterde jongen en zijn deels op straat en gedeeltelijk op de fietsstrook liggende bromfiets opgemerkt en daaruit verkeerdelijk geconcludeerd dat alle drie betrokkenen waren in het accident. Meer zelfs, dat de meisjes er de oorzaak van waren!

Maar, zo zei ze, had ze geweten dat één van de meisjes mijn vader zijn dochter was, dan zou ze geen verklaring hebben afgelegd ten overstaan van die verzekeringsagent. Pure nonsens! Uiteraard heeft mijn vader pertinent geweigerd in te stemmen met ook maar om het even welke overeenkomst. Naar ik meen heeft onze eigen verzekeringsagent die listige beroepscollega van hem, terecht gewezen en zonder buit wandelen gestuurd.

Rudi, 6 november 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

30-03-10

Rudi’s overdenkingen - Mensen, daar reken je niet op!

        

Op mensen rekenen doe ik niet meer. Neen, rekenen doe ik enkel nog op stukjes kladpapier, op een calculator op zonne-energie of in het programma Excel op mijn laptop. En wel na een spijtig voorval dat nogal betreurenswaardig was. Evenwel niet voor mij, want ik had het zelf uitgelokt. Alhoewel niet helemaal. Bij nader inzien zelfs helemaal niet, want de ander was begonnen.

Aangezien wellicht zowel de aandachtige lezers als de onoplettende haastigen, mijn uiteenzetting nu al niet meer kunnen volgen, wat hen geenszins kan kwalijk worden genomen, verklaar ik me nader.

Heel veel jaren geleden, toen ik nog niet eens stemgerechtigd was, waren er op een gegeven ogenblik verkiezingen. Ja, inderdaad, in mijn jeugd amuseerden zij, die toen bij de overheid werkten, zich daar ook al mee. Met die pesterijen van de brave burger. Maar je kon hen dat bezwaarlijk kwalijk nemen, want die mensen moesten uiteraard toch iets om handen hebben, om hun dagen mee te vullen?!

Tegenwoordig heeft het overheidspersoneel de beschikking over computers met een snelle Internetverbinding. En kunnen ze derhalve hun tijd besteden aan chatten op sociale netwerksites, een lief zoeken op datingsites of spelletjes spelen op één van de daarin gespecialiseerde websites. Maar vroeger bestond dat alles nog niet en was het zich ledig houden met het organiseren van verkiezingen een favoriete bezigheid van de overheidambtenaren. Toentertijd om ondermeer die reden, door het gewone volk ook wel eens smalend aangeduid als ambetantenaren.

Heden ten dage gebeurt bijna alles automatisch en wordt er op vele plaatsen elektronisch gestemd. Maar in mijn pubertijd was dat anders. Toen gebeurde het stemmen nog in alle bureaus manueel, en was er derhalve nogal wat werk te verrichten aan de voorbereiding ervan. Potloden scherpen en uitproberen op een stukje papier en meer van dit soort zaken. Vermoed ik, want helemaal zeker daarvan ben ik niet. Misschien waren die bureaucraten wel zo leep dat ze deze opdracht aan een externe firma toevertrouwden. Dan hadden ze meteen ook een besteding voor het overheidsgeld. Alweer een zorg minder!

Vooraleer ik hier boze reacties krijg en haatmail vind in mijn elektronische brievenbus, wens ik vlug en terloops even te melden dat hetgeen hierboven staat gewoon maar om te lachen is! Alhoewel ik het geld van de brave burger verkwisten nu niet bepaald grappig vind. Oh ja, ik ben er mij ook terdege van bewust dat verkiezingen een moeizaam verworven democratisch recht is. Dus ook daar hoeft niemand mij op te wijzen!

Dit gezegd, of eerder 'geschreven' zijnde, ga ik door met de essentie van mijn verhaal. Als ik mij dat, na al dat afwijken trouwens nog kan herinneren. Bon! Uit herlezing van het begin van dit epistel blijkt het dus over 'rekenen op' te gaan. En een jammerlijk incident dat mij er toe heeft gebracht om het op mensen rekenen uit mijn dagdagelijkse leven te bannen.

In de aanloop naar die eerder aangehaalde, door zich vervelende ambtenaren georganiseerde, naar ik mij halvelings herinner, gemeente- en provincieraadsverkiezingen, werd er lokaal nogal wat publiciteit gemaakt. Cadeautjes geven en gadgets uitdelen om stemmen te kopen... euh, ik bedoel uiteraard 'winnen' dat mocht toen nog, begin de jaren tachtig. En ook het plaatsen van huizenhoge affiches was nog toegestaan.

Eén van de kandidaten, een rijkeluiszoon, die nergens voor deugde maar een postje in de gemeentepolitiek wel zag zitten, maakte bij zijn campagne gretig gebruik van al deze promotiemiddelen. En bekostigde alles met het geld van papa. Die al lang blij was dat zoonlief eindelijk iets had gevonden dat hem interesseerde.

In mijn woonplaats en langs de toegangswegen erheen stonden of hingen affiches met zijn beeltenis en slogan. Die trouwens slim was bedacht, maar vast niet door de kandidaat zelf. Hij stapte immers naar de kiezer met de leuze: 'Op MIJ kan je rekenen!' Een slagzin waarvan de figuurlijke betekenis bij het overgrote deel van het kiespubliek de verwachtingsvolle interesse opwekte.

De politiek interesseerde mijn vrienden en mij slechts in beperkte mate. Maar toen die 'veel belovende' kandidaat een meeting organiseerde waarop hij, volgens de uitnodiging, zijn programma uit de doeken zou doen en toelichten, gaven wij toch present. Niet in her minst omdat er gratis hapjes en drank waren voorzien.

En wij waren niet de enigen die daar die avond op afkwamen. Het parochiezaaltje waar de bijeenkomst doorging, liep vol van het volk. In een mum van tijd waren alle, zorgvuldig op een rij tafels klaargezette snacks verdwenen. En de reeds in bekers gegoten drankjes werden ook in een ijltempo weg gegraaid. We stonden allemaal dicht op elkaar gepakt. En toen de kandidaat en zijn gevolg, waaronder zijn trotse ouders, hun  entree maakten, werden we zelfs op elkaar gedrukt.

Nu viel dat, wat mij betrof, helemaal niet tegen. Integendeel zelfs. Met mijn rug en schouders werd ik tegen de zachte omvangrijke boezem van de dame achter mij gedrukt. En mijn voorkant kreeg de achterkant van een welgevormd jong meisje tegen het lijf geduwd. En ze rook daarenboven zo lekker, dat langharig blondje, dat zowat een kop kleiner was dan mij, waardoor ik toch het zicht op de binnentredende verkiezingskandidaat bleef behouden.

Ondanks mijn toch wel comfortabele positie verliet ik deze, na een samenzweerderige blik te hebben uitgewisseld met mijn kameraden. De ster van de avond genoot zichtbaar van de hoge opkomst en van de aandacht die aan hem werd geschonken. Hij had inmiddels zijn jasje uitgedaan. Waarschijnlijk in de eerste plaats omdat hij het net als ons te warm had gekregen in dat met mensen volgestouwde zaaltje. Maar vast ook om met zijn campagneshirt te pronken. Een witte T-shirt met, naast het partijlogo,  in zwarte opdruk zijn naam en slogan.

Terwijl twee van mijn maten de kerel langs voren benaderden en hem bezig hielden door het stellen van enkele onzinnige vragen, waarop die kinkel dan ook nog eens idiote antwoorden gaf, ging ik, samen met een andere maat, langs achter op de kandidaat af. We namen onze, met voorbedachten rade, voor dat doel meegebrachte dikke viltstiften uit onze jaszakken en begonnen met op 's mans T-shirt becijferingen te maken. In het rood, en groot!

Door de drukte, het voortdurend deinen van de menigte en het her en der porren en geduw, duurde het even voor we werden opgemerkt. En die man zijn partijgenoten doorhadden en zagen wat wij hadden uitgericht. Zelf kon hij van ons geschrijf niet zo veel zien, maar zijn papa vertelde hem de details. Die kerel kon er niet mee lachen. Alle gestommel en gepraat was gestopt. Ieders ogen waren gericht op de kandidaat, die ons, ziedend van woede, aankeek, met een rood aangelopen gezicht. De zweetdruppels vloeiden vanaf de nat geworden, kortgeknipte haardos, over zijn wangen, langs zijn nek,  en belandden alzo op het kunstig door ons bewerkte shirt.

Op zijn bits gestelde vraag waarom wij op zijn kleren aan het cijferen waren gegaan, antwoordde mijn mededader laconiek dat wij toch wel het recht hadden om hetgeen hij als slogan gebruikte, aan de praktijk te toetsen?! Om te zien of zijn 'op mij kan je rekenen' op enige waarheid berustte. Maar de kerel stapte boos van ons weg.

Waarschijnlijk vond hij het vooral niet leuk dat we enkel maar berekeningen had uitgevoerd met nullen. 0 * 0 = 0 bijvoorbeeld. Maar geen deling door nul, want dat kan en mag niet, zo heeft mijn leerkracht Wiskunde mijn medeleerlingen en mij ooit in het hoofd geprent. "Deel nooit door 0!" zo waarschuwde hij ons. Nu ja, ik heb me daar steeds aan gehouden. Dus ook bij het bekladden van dat witte campagneshirt. Die vent en zijn partij waren er wel zelf de oorzaak van dat we hen slechts een nul waard achtten.

Mijn kameraden en ik maakten ons snel uit te voeten. We hadden daar immers toch niks meer te zoeken. Want alle spijs en drank was al op. En de te verwachten toespraak en andere prietpraat, daar hadden mijn maten en ik ook geen boodschap aan.

Gelukkig hadden de meeste van mijn wel stemgerechtigde medeburgers klaarblijkelijk ook door dat hun stem niet goed besteed zou zijn aan die rijke domkop. Zodat, spijts alle promotie en gulle schenkingen, en ondanks zijn verkiesbare plaats op de kieslijst van de partij waarvoor hij opkwam, deze kerel toch niet verkozen geraakte. Maar goed ook! Mensen zonder gevoel voor humor horen niet thuis in het politiek landschap. Geef mij maar levend geworden karikaturen zoals Freddy Willockx, diens partijgenoot Louis Tobback en CD&V'ers Jean-Luc Dehaene en Pieter De Crem. Om langs blauwe kant Guy Verhofstadt en Annemie Neys niet te vergeten. Alleen al bij het zien van hun kop, barst je uit in een onbedaarlijke lachbui!

Wie onder anderen eigenlijk ook thuishoort in het voorgaande lijstje is Frank Vandenbroucke. Maar die man is, helaas voor hem, zijn entourage en adepten, inmiddels een stille dood gestorven. Op politiek vlak welteverstaan. Want het hart van de man klopt nog altijd. Dit in tegenstelling tot dat van zijn naamgenoot, de wielrenner. Die het Afrikaanse Senegal uitkoos om er, na een laatste wip met een plaatselijke schone, het tijdige leven vaarwel te zeggen en te ruilen voor de eeuwige dood.

Rudi, 25 oktober 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

26-03-10

Heden en verleden - Omvallende bomen

  

Mijn ouders hun huis en stallingen stonden op een lap grond, waarop voor de woning een gewone tuin met graspleintjes en bloemperkjes was aangelegd en achteraan een moestuin. Hun eigendom was gelegen naast een veldweg, een 'slag' zoals wij dat noemden. Welke gebruikt werd door de boeren uit de buurt, om tot bij hun weiden of landbouwgrond te geraken.

Vanaf de straat gezien was onze doening rechts van die veldweg gelegen. Terwijl links ervan een stuk landbouwgrond lag. Nu stond aan de straatkant, over de ganse breedte van die akker, een rij hoge bomen. De eerste van de rij, deze op de hoek van de akker en het begin van de veldweg, die trouwens door mijn pa gratis en voor niks werd onderhouden, was eigendom van mijn ouders. En als kleine rakker was ik er reuze trots op dat zij de eigenaars waren van zo een gigantische boom!

De rest van de bomenrij was reeds jaren daarvoor geveld en vervangen door jonge aanplant, en ons oude huis en het grootste gedeelte van de stallingen gesloopt en vervangen door een door mijn pa eigenhandig gezette nieuwbouw, toen een jaar minder dan een kwarteeuw geleden, mijn pa het plan opvatte om ook 'onze' boom te vellen. Om wat voor reden durf ik niet met zekerheid te schrijven, maar ik vermoed dat hij goedkope brandstof wou voor de allesbrander, die toen al sinds enkele jaren 's winters onze living en keuken verwarmde.

Alhoewel ik inmiddels reeds in mij adolescentiejaren vertoefde, was ik ook als 18-jarige toch niet onverdeeld gelukkig met mij vaders voornemen. Maar ik had in deze kwestie niks in de pap te brokken. Die boom zou neergaan en daarmee basta!

Deze klus laten klaren door een professionele, in dit soort dingen gespecialiseerde firma, werd slechts heel even overwogen. Maar vrij snel als optie van de baan geveegd. Wegens veel te duur. De opbrengst van het hout zou niet eens toereikend zijn geweest om de kosten te dekken van het vellen. Dus zou mijn vader, een ervaren doe het zelver, met de hulp van enkele buurmannen, de boom zelf neerleggen.

Op een mooie lentedag was het zo ver. Vanuit onze living, waar ik met een, bij mij op bezoek zijnde, leeftijdsgenoot, een maat uit de buurt, zat te keuvelen, zag ik mijn vader en enkele mannen, alles in gereedheid brengen voor de job. En er stonden ook nog enkele andere buren te kijken en aanwijzingen en commentaar te leveren op de voorbereidende werkzaamheden

Er werd een lange houten ladder tegen de boom geplaatst en we konden zien dat mijn pa een dik touw rond de stam bevestigde, zo hoog mogelijk in de boom als waar hij met zijn handen kon reiken. De uiteinden van dat touw werden vastgemaakt aan de tractor van een boer uit de buurt. Trouwens tevens de eigenaar van de akker waarop het de bedoeling was dat onze boom terecht zou komen.

De boom helde over in de richting van ons huis, maar de tractor stond, met het touw gespannen, zo opgesteld dat deze de vallende boom de andere richting uit zou kunnen trekken. En de ervaren doe het zelf boomhakker uit onze buurt, die had aangeboden het afzagen van de boom voor zijn rekening te nemen, had ook de kant van de akker uitgekozen om, middels zijn kettingzaag, een spie uit de boomstam te halen.

Die boom kon dus niet verkeerd vallen, veronderstelde iedereen. Maar wat zag ik, en allicht ook ieder ander die toekeek? Dat, eens de boom in beweging kwam, hij geheel en al viel, in de richting van ons huis! Verbijsterd en met schrik zag ik die kolos van een boom recht op ons afkomen. Mijn maat en ik keken elkaar angstig aan. Wat hij vervolgens deed, dat weet ik niet, maar ik schreeuwde "oh, neen!" en kneep mijn ogen dicht tot het gevaarte neerkwam, met een harde bonk, die de grond onder onze voeten deed daveren.

Toen ik mijn ogen opnieuw opende, was er van de door mij gevreesde ravage, binnenshuis niks te merken De buitengevels stonden er nog allemaal en ook het glas in de vensterramen was niet gebroken. We spoedden ons naar buiten. Waar de zon, als het ware spottend, enkele zuinige stralen in de richting van de aarde stuurde. Waar in onze voortuin de boom lag die volgens het vooropgezette plan nochtans had moeten landen op de akker, enkele meters ernaast.

Naderhand bleek de oorzaak van deze ellendige misser het feit te zijn dat de boer te laat in actie was gekomen en dan op de koop toe zijn tractor niet onmiddellijk kreeg gestart. Toen dat luttele seconden later dan toch lukte, was hij nog enkel in staat geweest om de schade te beperken. Die al bij al nog meeviel. Enkele zware takken van de kruin van de boom hadden een deel van onze uit betonplaten met daarboven draad gespannen afsluiting vernield. En enkele minder zware takken hadden nog net de hoek van de overhangende dakgoot kapot gemaakt. De gevel van ons huis was niet geraakt en dus intact gebleven. Gelukkig maar!

Mijn vader was geschrokken en boos. Met zijn gebalde vuisten hemelwaarts gericht, nam hij de schade op. Ook mijn ma was vanuit haar keuken naar buiten gerend. En stond een beetje wezenloos de boel te aanschouwen. Een deel van haar bloemenperk was naar de knoppen. Wat haar evenwel op dat ogenblik allicht het minste zorgen baarde.

Het is uiteindelijk allemaal nog snel en zonder al te veel werk en kosten, in orde gekomen. Die dakgoot kon voor weinig geld worden hersteld, de afsluiting maken was een kwestie van het aankopen van enkele nieuwe betonpalen en -platen, en het spannen van een nieuw stuk draad, dus dat was ook de kost niet. Die boom werd onmiddellijk na zijn val geheel en al in stukken gezaagd. Die vervolgens ook nog eens werden gekliefd met een kliefhamer, een combinatie van een bijl en een voorhamer. Dat die boom dit trieste lot onderging was niet als straf voor de aangerichte schade, maar gewoonweg de uitvoering van het origineel plan.

Een van de buurmannen, die mijn vader hielp bij dit stoofhout kappen, grapte dat het hout van deze boom hem twee keer warmte zou verschaffen. Een eerste keer toen, op dat moment, door het stijgen van zijn lichaamstemperatuur bij het zagen, hakken en klieven en een tweede keer op het moment dat het hout van de boom zou branden in de stoof.

****

Als rijpe twintiger verhuisde ik naar mijn eigen woning, waar ook een grote tuin aan is verbonden. De hoogste boom in deze tuin met allerlei boom- en struiksoorten en allerhande ander groen, was een kolos van een zilverberk. Ooit door een vorige eigenaar van dit perceel, gepland op een positie ongeveer halverwege de achtertuin, en ook in de breedterichting op ongeveer dezelfde afstand van de grens met de naburige percelen, links en rechts van mijn tuin.

Die reus van een zilverberk stond daar te pronken als trotse, alle andere bomen en struiken overheersende tuinbegroeiing. Van ver in de omtrek van mijn eigendom kon je hem zien staan. Die houten gigant, die ook door geen enkele boom in de tuinen van de buren, in de ruime omgeving van onze woning, werd overtroffen qua hoogte en omvang. Onaantastbaar en onverwoestbaar, zo leek hij te zijn.

Tot het noodlot toesloeg, in de vorm van een blikseminslag bij noodweer. Hoge bomen vangen, ook letterlijk, niet enkel veel wind, maar zijn ongelukkigerwijs tevens een gemakkelijke prooi en doelwit voor andere natuurfenomenen.

Dat de bliksem ernstige schade had aangebracht aan de zilverberk, dat kon ik de dag na de inslag zichtbaar vaststellen. Vanaf de top van de stam, tot enkele meters lager, was een scheur te zien. Maar niks wees er op dat er een onmiddellijk gevaar bestond voor het naar beneden komen van een deel van deze monsterboom.

Lange tijd later woedde er op een zondagochtend een heel zware storm. Normaliter hadden mijn zoons die voormiddag een voetbalwedstrijd moeten spelen. Maar omwille van dit slechte weer, was die op het laatste moment afgelast. Dat nieuws bereikte ons trouwens pas toen zowel mijn zoons als ikzelf, warm ingeduffeld, de wind trotserend, reeds op weg waren naar het voetbalterrein.

Dus keerden we onverrichter zake terug huiswaarts. Er woei een geweldige wind, maar het was helemaal niet koud, noch vochtig. Derhalve had ik ontzettend weinig zin om reeds onmiddellijk terug onze woning binnen te rijden. Waar ik dan ongetwijfeld ook de rest van de dag zou moeten doorbrengen. Liever had ik even in onze achtertuin vertoefd, maar ik realiseerde mij dat dit, met zulk een stormachtig weer, niet erg verstandig zou zijn geweest.

Wat even later werd bewezen. Want we waren nog maar net binnen in huis, en ik had nog maar pas mijn jas uit, toen één van mijn jongens me meldde dat onze grootste boom uit het gezichtsveld was verdwenen. Wantrouwig, vermoedend dat ik in het ootje werd genomen, verplaatste ik mij snel naar de verandaramen achteraan in ons huis en keek van daaraf naar buiten. Mijn kijkers kregen een totaal ander uitzicht op de tuin te zien dan ze gewoon waren, want die doorgaans direct in het oog springende zilverberk was inderdaad foetsie!

De volgende dag, toen het weer terug wat rustiger was, reed ik de tuin in en vond de kolos, meedogenloos geveld, op het grasveld. Een triest zicht, vond ik dat. Maar nu die boom beneden lag, ontdekte ik wat de schors al die tijd had kunnen verborgen houden, namelijk dat de boomstam binnenin volledig was uitgedroogd. Het was eigenlijk een wonder dat dit gevaarte niet eerder tegen de vlakte was gegaan.

Het grasperk, dat voordien door de weelderige kruin van de zilverberk, als het ware van de buitenwereld werd afgeschermd, baadde nu in een zee van licht.  Dat mijn mooie boom wijlen was, daar ben ik toch wel enkele dagen verdrietig om geweest. Niet dat ik triest in een hoekje ging zitten, maar het neergaan van mijn lievelingsboom, en het feit dat ik hem als gevolg daarvan tot brandhout moest laten verwerken, had me toch wel geraakt. Figuurlijk althans, want ik zat, zoals voorheen geschreven, veilig binnen in huis toen die mastodont neerviel.

Mijn mooie tussenhaag was spijtig genoeg wel getroffen. Maar kom, die was enkele maanden na het gebeurde, alweer de oude. Bomen, planten, struiken en zo meer hebben het geluk dat, wat ze kwijt spelen, er naderhand vaak vrij eenvoudig terug aangroeit. Dat het mensdom daar eens een voorbeeld aan neemt!

****

Helemaal rechts achterin onze tuin, op de scheiding van ons perceel met dat van de achterburen en de buren aan de zijkant, stond een fruitboom die al sinds jaren op rust was. Dus reeds lang geen vruchten meer produceerde. En die een kruin had waarvan nog slechts enkele takken het geluk kenden in de lente de basis te zijn van enkel groene bladeren.

Die boom, of althans wat er nog van overbleef, had mazzel gevat te zitten in de zijtakken van een, er vlak naast staande, nog steeds volop in leven zijnde spar. Met het verstrijken van de jaren was deze boom, met een toch wel redelijke stamdikte, zijnde een goeie 40 centimeter, evenwel geleidelijk aan schuin komen te staan. En verloor de spar er daardoor beetje bij beetje haar greep op.

Aangezien hij naar onze tuin overhelde, en bij een eventueel vallen dus niet op de eigendom van onze buren terecht kon komen en desgevallend schade aanrichten, was ik vrij gerust. Toch zocht ik naar een oplossing om de boom te verwijderen. Want na elke periode met hevige rukwinden, kwam de boom steeds schuiner te staan. En hoewel er vrijwel nooit iemand in die hoek vertoefde, wou ik toch niet het risico lopen dat, als het toch eens zou gebeuren, degene die er liep, dat gevaarte op het hoofd zou krijgen.

Die nare ervaring uit mijn jonge jaren indachtig, wou ik de klus in geen enkel geval laten klaren door amateurs. Maar integendeel de job laten uitvoeren door professionelen. Aangezien de plek waar die boom stond, moeilijk bereikbaar was, konden die daar evenwel niet geraken met een hoogtewerker. En een lange ladder tegen die hellende boom plaatsen was te riskant. Een ladder tegen de spar plaatsen en vanuit die positie met een zware boomzaag aan het werk gaan, was ook niet echt een acceptabel alternatief.

Wikkend en wegend hoe ik die bejaarde fruitboom daar dan wel weg zou krijgen, reed ik op een zonnige namiddag nog eens naar die hoek, om de situatie aldaar nog eens deftig te bekijken. Vlak naast de scheiding met de tuin van onze achterbuur, en op een meter of vijf afstand van de boom, bleef ik staan. Maar niet voor lang. Want ik voelde mij allesbehalve veilig op de plaats waar ik stilstond. Want ik kon zien dat de spar haar greep op de boom nagenoeg volledig was kwijt geraakt en de oude fruitboom meer dan ooit overhelde, in de richting van waar ik zat!

Die moest daar dus uiterst spoedig weg, besliste ik. En ik zou daar eerstdaags werk van laten maken! Maar zo ver hoefde het niet te komen, want de natuurelementen namen me het werk uit handen. Nog diezelfde avond stak er, gelijktijdig met een fikse regenbui, een sterke wind op, die in de loop van de nacht nog toenam in snelheid en kracht!

De volgende ochtend had ik reeds het vermoeden dat er die nacht wel eens iets met die boom zou kunnen gebeurd zijn. En aangezien het stormen en regenen tegen de middag aan zo goed als helemaal voorbij was, ging ik toen een kijkje nemen achterin de tuin. Waar het onweer hevig te keer was gegaan, want alle paden en graspleintjes lagen bezaaid met takken, bladeren en ander groen en anderskleurige tuinelementen, waarmee de wind een spel had gespeeld.

En, zoals verwacht had die wind ook de boom in de hoek neergehaald. Hij was gevallen pal op de plek waar ik de dag ervoor nog had gezeten! Toch vriendelijk van die boom om te wachten met zich neer te laten leggen tot ik van het toneel was verdwenen. Stel je voor dat ik die brok hout met alles wat er aan hing, op mijn kop en alles wat daar aan hangt, had gekregen. Dood was ik dan allicht niet geweest. Tenzij het al te lang zou hebben geduurd vooraleer men mij kwam 'redden'. En er in dat geval al zo veel bloed uit mijn lichaam zou zijn gestroomd, dat mijn lichaam er dan toch 'het bijltje' zou hebben bij neergelegd.

Maar hoogst waarschijnlijk was het resultaat van dat onder die vallende boom terecht komen, veel erger geweest. En had ik het avontuur overleefd met nogal wat lichamelijke schade aan mijn lijf en materiële schade aan mijn elektrische rolstoel. Verzekeringsgewijs is dit laatste trouwens ook lichamelijk, wegens een onontbeerlijk hulpmiddel zijnde, en een materieel verlengde van de persoon die er aan gebonden is.

Voor de kwebbelaars in mijn woonplaats was het zonder twijfel jammer dat geen van de twee laatst vermeldde scenario's bewaarheid is geworden. Want er zou ongetwijfeld enorm veel geroddeld zijn geweest nopens dit voorval. En vooral verzonnen. Een verhaal dat dan zeker de ronde zou hebben gedaan, is dat van de poging tot zelfdoding. Daar zou ik trouwens zelf ook wel één en ander rond kunnen verzinnen. Maar voor dit verhaal heb ik me netjes aan waar gebeurde feiten gehouden.

Ru(sh)di(e), 4 oktober 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

24-03-10

Rudi’s overpeinzingen - Leve de burka!

  

Gelukkig is die figuurlijke wind nu wat gaan liggen, maar er is heel wat trammelant geweest rond het dragen van een hoofddoek op school. Nochtans hoeft dat hoofdbedeksel geen probleem te vormen. Op de school waar mijn zoon Austin het tweede jaar handel volgt, nemen de moslimmeisjes die daar school lopen, hun hoofddoek af, eens ze op school arriveren en gaat die weer op als ze door de schoolpoort de campus verlaten. Dat staat zo gestipuleerd in het schoolreglement, meen ik mij te herinneren. En er is, voor zover me bekend, daaromtrent nog nooit enig geschil geweest

Al de commotie rond die hoofddoeken van moslima's, heeft evenwel mijn verbeelding serieus aan het werk gezet. Niet om met zever voor de dag te komen, maar daarentegen met, althans naar mijn bescheiden mening, interessante, misschien zelfs realiseerbare fantasieën.

Het is immers zo dat ik al sinds vele jaren vaststel dat de jeugd van tegenwoordig, onder druk van leeftijdsgenoten, blijkbaar enkel nog tevreden is met merkkledij. Ook van kennissen met opgroeiende kinderen verneem ik eenzelfde constatering en menigmaal las ik iets in dezelfde trant op deze of gene weblog die ik frequenteer.

Zowel meisjes als jongens zijn pas tevreden met kledij en schoeisel, als het een specifiek type is, van een bepaald merk. Maar geen namaak uit een derde wereldland, hé! Het moet de echte, originele koopwaar zijn! En het jong volkje heeft blijkbaar de expertise om nep van echt te onderscheiden.

Spullen uit een budgetwinkel zijn, ondanks de vaak uitstekende kwaliteit, maar door de gigantische verkoopshoeveelheid lage prijs, helemaal uit den boze! Dat is gerief voor allochtonen en bedelaars, zo gaat het in de sociale kringen van jongeren de ronde. En de echte Belgen, Vlamingen, autochtone jeugd... wenst absoluut niet met die mensen te worden geassocieerd.

Dit maatschappelijk klimaat is terug te vinden in alle (middelbare) scholen, van alle netten en in alle studierichtingen. Dus niet langer beperkt tot uitsluitend de zogenaamde 'elitescholen'. Zoals in de jaren tachtig bijvoorbeeld het geval was met die exclusieve ski-jassen van het Franse merk 'Millet'. Toen de arrogant elitaire motieven van die enkele 'uitverkoren' jongeren, die over zo een exemplaar beschikten, trouwens door menig persoon als schokkend werden ervaren. De dragers van deze 'Millet-jassen' voelden zich namelijk verheven boven de rest.

Gelukkig loopt het nu niet zo een vaart. Toch is het een evolutie die mijns inziens best nauwlettend in het oog dient te worden gehouden. Door zowel ouders als mensen uit onderwijskringen. Zodat tijdig kan worden ingegrepen op het moment dat een (nieuwe) rage of modetrend dreigt te ontaarden in excessen.

Nu ben ik in beginsel helemaal niet van het principe dat trends dienen te worden gevolgd. Integendeel zelfs. Maar je kind de kans te laten lopen uitgesloten te worden of je tiener zich gefrustreerd door haar of zijn jonge leven zien worstelen, omwille van je eigen principes, vind ik ook onverantwoord ouderlijk gedrag.

Bij mijn zoons is de merkvereiste gelukkig beperkt tot enkel schoenen. Noodgedwongen volg ik hen in hun keuze. De afspraak is evenwel dat ze steeds een deel van de kostprijs uit eigen zak betalen. Zij zelf zitten daar niet mee in, maar ik vind het zonde dat hun zorgzaam bijeen gespaarde Euro's als het ware worden verkwist aan een simpel merklabeltje. Terwijl de inhoud van hun spaarpot naar mijn mening beter aan andere, meer interessante en nuttiger zaken zou kunnen worden besteed. Een kleurige hoofddoek voor een vriendinnetje bijvoorbeeld.

Als oplossing voor deze merkproductenrage problematiek opperde iemand uit mijn omgeving, de terugkeer naar het schooluniform. Waar ik helemaal ben voor te vinden. Maar daarmee los je het probleem van de merkschoenen niet op. En ook wat het kapsel betreft biedt dit geen uitkomst. Waardoor er dan een ongelijkheid blijft bestaan tussen jongeren die het zich kunnen permitteren, of juister uitgedrukt, wiens ouders het zich kunnen veroorloven dat zoon of dochterlief maandelijks het kapsalon aandoet en zij die hun kinderen slechts elke 3 maand of elk halfjaar op een bijgesneden of nieuwe coupe kunnen vergasten.

De door mij bedachte oplossing gaat nog net iets verder. En ik overweeg zelfs er een patent op te nemen. Dames en heren, meisjes en jongens, laat me aan jullie allen voorstellen: de 'uniseks-burka'. Geleverd door de school, in twee verschillende kleuren per school: één voor de jongens en één voor de meisjes. Dit om mistoestanden in de toiletten zoveel als mogelijk te vermijden. Alhoewel uiteraard niet valt uit te sluiten dat stouterds daar toch in zullen slagen. Of het althans zullen proberen.

Het ultieme idee vind ik evenwel het burka meegroei-exemplaar. Waarbij de naden zijn ingelegd en worden gelost navenant de evolutie van de groei van het kind. Kostenbesparend en democratisch. Gedaan met alle elitaire gedoe, ongelijkheid, discriminatie en zo meer. Is het enkel ik die voor dit briljante uitvindsel te vinden is, of volgen jullie mij hierin? Laat het me weten, ik ben één en al oor! Figuurlijk welteverstaan!

Rudi, 26 september 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

21-03-10

Rudi’s overdenkingen - Waar een toevallige ontmoeting mijn gedachten al niet heen kan leiden

  

Met het prachtige nazomerweer waarop we de afgelopen dagen werden getrakteerd, liet ik geen enkel vrij moment of kans onbenut om buiten te vertoeven. Toen ik dondermiddag, onder een stralende zon, onderweg was, kwam er, voor ik een straat rechts wou inslaan, vanuit de andere richting een fietser aangereden, die me vriendelijk begroette, vooraleer net voor mij dezelfde straat in te rijden. Toen pas merkte ik dat het de oud-burgemeester van mijn woonplaats betrof. De man, die vast op weg was naar huis, kreeg van mij een hartelijke groet terug. "Leuk dat hij me nog herkent", dacht ik even. Want het was, naar ik mij herinnerde, toch reeds lange tijd geleden sinds we elkaar voor het laatst hadden gezien.

Maar onmiddellijk daarop realiseerde ik me dat die herkenning uiteraard vooral te wijten was aan die vier wielen onder mijn poep en de rest van dat prachtig toestel waarmee ik mij voortbeweeg. Het klinkt allicht ongeloofwaardig, maar toch is het zo dat ik vaak vergeet dat ik in een rolstoel zit.

Anderzijds gebeurt het soms dat ik voor het eerst met iemand afspreek en die persoon naar me toekomt, zeggend dat zij of hij me meteen herkende. Waarop ik dan reageer door te zeggen dat zulks niet moeilijk is. En terwijl die ander knikt en er een verlegen glimlach op diens gezicht verschijnt, zeg ik dan: "Door mijn lange haren, hé?!" Dan zie ik de gelaatsspieren van de persoon tegenover me in beweging komen en mijn gespreksgenoot denken, terwijl die ongemakkelijk op diens benen balanceert: "Zal ik het hem zeggen of niet?" Maar lang laat ik de vrouw of man in kwestie niet twijfelen, door snel zelf te zeggen: "En mijn rolstoel droeg allicht ook bij tot de herkenning?!" Waarna we dan doorgaans beiden hartelijk lachen. En ook meteen het ijs is gebroken.

Tja, een vos verliest zijn haren, maar niet zijn streken. Gelukkig dat eerste enkel figuurlijk, want ik zou niet graag vroegtijdig mijn weelderige haardos kwijt geraken. En deze integendeel zelfs het liefst van al behouden tot wanneer ik mijn laatste levensadem uitblaas. Een punt dat ik ooit al eens heel dicht benaderde, zoals in eerdere schrijfsels staat te lezen.

Een vos ben ik overigens ook niet. Tijdens mijn jeugd was deze roofdiersoort ook niet te vinden in mijn geboortedorp. De enige vossen die daar toentertijd verbleven waren de gezinsleden van de in mijn toenmalige woonplaats residerende familie De Vos. Tegenwoordig is dat evenwel anders. In de velden en bossen achter mijn ouderlijk huis leven al sinds geruime tijd tal van vossen. En sinds enkele jaren ook herten. In hrt wild, in de vrije natuur, hé! En die dieren planten zich daar vrolijk voort

Wie weet komen er, door de opwarming van de aarde, daar, en elders, misschien ook wel opnieuw diersoorten tot leven, die reeds op aarde ronddwaalden voor de eerste ijstijd een aanvang nam. Maar die ongelukkigerwijs de laatste ijstijd niet overleefden. De mammoet bijvoorbeeld, of de sabeltandtijger.

Dat opwarmen van de aarde, daar hoef ik niet voor te vrezen. Mijn voeten verbranden aan die opwarmende aardkorst kan niet gebeuren, want mijn onwillige stappers staan op een voetplankje, op enige afstand van de grond, dus veilig. Alhoewel? Als mijn banden smelten... Maar laat me aan dat doemscenario niet denken.

Mijn geest laat me immers al vrezen voor die potentiële, door de klimaatswijziging veroorzaakte heropstanding van gevaarlijke grote beesten Die blijven best nog even weg. Want ik heb schrik dat, als ik er, om wat voor reden dan ook, tijdens een boswandeling, zo één achter me aan krijg, ik mij nooit snel genoeg uit de voeten zal kunnen maken. Derhalve ben ik dus liefst, vooraleer dat die kolossen terug ten tonele verschijnen, de pijp uit.

Rudi, 20 september 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

19-03-10

De avonturen van Rudi & Co - Dienst 100, altijd paraat!

  

Samen met mijn twee zonen was ik ergens heen geweest. En op de weg naar huis hadden de jongens zich nogal vervelend gedragen. Zulks gebeurt nu eenmaal en is eigen aan opgroeiende, zich een weg door het leven zoekende jongelui. Maar, zoals het een ouder betaamd, had ik hen een aantal keren berispt. Wat me door mijn 'lieverds' niet in dank werd afgenomen.

Toen we thuis arriveerden en ik mijn kroost om hulp verzocht om me iets rechter in mijn rolstoel te positioneren, omdat ik onder het rijden wat onderuit was geschoven, namen zij hun kans op vergelding te baat door dit botweg te weigeren. Ik werd boos en zei dat, als zij het niet deden, ik met mijn mobieltje de 100 zou bellen. En, eens ze hier waren gearriveerd, het wel aan hen zou vragen. Waarop ik wegreed, en vanuit een ooghoek de jongens onze woning zag betreden.

Ik plaatste me met mijn rolstoel aan de kant van de straat, tussen onze haag en het fietspad. En kantelde mijn zitting en rugleuning, zodat ik in een liggende positie lag. En mijn lichaam de kans kreeg om even te bekomen van de rit. Lang bleef ik daar evenwel niet staan, want die onmin met mijn kroost moest worden opgelost.

Veel was daar niet voor nodig. We hadden zo een systeem waarbij, als ik het even tevoren stout of ongehoorzaam zijn van de kinderen ter sprake bracht, ze prompt naar me toe kwamen en met volle kracht lucht op mijn voorhoofd bliezen, om alle slechte herinneringen uit mijn geheugen te laten verdwijnen. Een dikke zoen op mijn wang vervolledigde deze 'alles vergeven en daarbovenop ook vergeten' procedure. Die op de koop toe, en goed voor hen, nog werkte ook!

Dus toen ik ons huis binnen reed en tegen mijn daar rondhangende nakomelingen begon te 'zagen' pasten zij snel de geijkte methode toe. En hielpen me vervolgens spontaan met het verbeteren van mijn zitpositie. Waarna de kinderen hun bezigheden hervatten en ik genoot van het kijken ernaar.

Ik zat met mijn gezicht naar onze achtertuin gericht, toen plots de deurbel weerklonk. De jongens keken op van de plaats waar ze zaten en ik zag hun verbijsterde gezichten.

"Dus jij hebt werkelijk de '100' gebeld?" vroeg één van hen me. Vooraleer ik, nu zelf ten zeerste verbaast, ontkennend kon antwoorden, was de jongen reeds de voordeur gaan openen. En stond hij even later, terwijl ik me inmiddels een kwartslag had gedraaid, voor me, met naast hem een ambulancier. Dat kon ik zien aan diens outfit en aan het feit dat zijn functie ook op de borstzakjes en bovenaan de mouwen van zijn jas was gedrukt.

"Ik hoorde het net van je zoon, en wij dachten zelf ook al dat er niks aan de hand was" zo begon de man. "Maar iemand die met zijn auto voorbij je huis passeerde had een man in een rolstoel zien liggen, met de ogen gesloten, en belde het noodnummer omdat hij dacht dat die persoon onwel was geworden en derhalve in nood verkeerde. Toen we de locatie hoorden, vermoedden we onmiddellijk dat jij het was, die even zat te dutten voor je woning. Maar we konden evenwel geen risico nemen, dus rukten we toch uit."

Verbluft door dat verhaal en de toevalligheid van het samengaan met mijn dreigement, kon ik niet meer uitstamelen dan een dankjewel. Waarna de man afscheid nam en vlug verdween. Door me nog een kwartslag verder te draaien kon ik door het vensterraam in de voorgevel van ons huis, nog net de gele ziekenwagen zien wegrijden, richting stalplaats, het stedelijk algemeen ziekenhuis.

Dat de ambulanciers onnodig waren uitgerukt vond ik uiteraard jammer. Maar de ganse situatie op zich was geweldig grappig. En de stomverbaasde gezichten van mijn zoons staan allicht tot het einde mijner dagen in mijn geheugen gegrift!

Rudi, 27 augustus 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 februari 2010.

07-03-10

Herinneringen uit mijn verleden - Hogeschool anekdotes

  

Zoals reeds eerder door mezelf in mijn schrijfsels ootmoedig bekend gemaakt, ben ik eigenlijk altijd nogal een brave leerling, scholier & student geweest. Maar voor een kwinkslag of een grapje zat ik dus nooit verlegen.

Zo volgde ik na mijn middelbare studies een voorbereidende cursus Wiskunde aan een Vlaamse industriële hogeschool. We zaten in de klas met een 50 à 60 studenten, afkomstig uit allerlei studierichtingen en woonachtig in de ruime regio van de stad waar we deze cursus volgden.

Op een gegeven moment was onze docent bezig met een omvangrijke vergelijking. Een ingewikkelde berekening, waar integralen en differentialen aan te pas kwamen. Het gigantische krijtbord stond vol gekriebeld met formules en voor leken onduidelijke tekens.

Plots werd er aan de deur geklopt en kwam er iemand van het secretariaat het lokaal binnen. De man fluisterde onze leerkracht wat in het oor. Waarna deze laatste ons meldde er even vandoor te moeten gaan, maar dat hij zo meteen terug zou zijn. En vervolgens samen met de boodschapper het leslokaal verliet.

Ik wipte terstond van mijn stoel en liep naar het krijtbord toe. Waarop ik simpelweg in de laatst geschreven berekeningslijn één cijfertje wijzigde, waardoor de docent nooit meer tot een juiste oplossing kon komen.

Nog maar net had ik haastig mijn plaats terug ingenomen, of daar was onze leraar al terug! De man verontschuldigde zich voor de korte onderbreking en toog terug verder aan zijn arbeid, zijnde de wiskundige vergelijking op het bord.

Hij bezag zijn laatst geschreven regel en ging daarop verder met zijn berekening, waarbij hij ons middelerwijl van de nodige kundige uitleg voorzag. Enkele minuten later hield de docent evenwel ineens op met schrijven. Hij zei: "Hier klopt iets niet!"

Alhoewel ik op de eerste rij zat, voelde ik, of beeldde ik me in, dat iedereen naar mij keek. En toen de docent het gewijzigde karakter had ontdekt, en het lokaal inkeek, speurend naar de dader, proestte ik het uit. En mijn medestudenten lachten vrolijk mee. Met een, van schaamte en ingehouden spanning, bloedrood aangelopen hoofd, bekende ik schuld! En moest erkennen dat de docent, wat Wiskunde betreft, goed van wanten wist, aangezien de man heel snel doorhad dat er ergens met de cijfers was geknoeid. Of was het vooral zijn ervaring met guitige studenten die daar aan ten grondslag lag?

Nu ja, de man kon een grapje klaarblijkelijk wel appreciëren. Dat hij me bij het verbeteren van de proef, aan het einde van de cursus, weinig punten gaf, werd dan ook helemaal niet veroorzaakt door deze deugnieterij. De reden daarvan was ontegensprekelijk elders te vinden. In plaats van vlijtig te studeren spendeerde ik mogelijks te veel mijn vrije momenten door met mijn maten te kaarten. En tijdens de lessen verloor ik misschien wat al te veel aandacht voor de leerstof door het loeren naar die massa knappe wijven in mijn groep.

Omdat ik als modelstudent vooraan in het lokaal zat, op de eerste rij voor dat enorme krijtbord, moest ik trouwens steeds achterom kijken om een glimp op te vangen van mijn vrouwelijke medestudenten. Om eerlijk te zijn was dat vooraan zitten trouwens ook enkel om reden van de slechtziendheid van één van mijn maten.

Toen de cursus zo goed als ten einde was, vroeg één van onze docenten, zo langs zijn neus weg, wat onze verdere plannen waren. Welke school en opleiding we wilden volgen.

Sommige van mijn medecursisten waren al ingeschreven op de school waar we les volgden, anderen op deze met eenzelfde studieaanbod, maar van een ander onderwijsnet. Er was een jongen die het aan de universiteit ging proberen en twee meisjes die een opleiding waarin Wiskunde een belangrijk vak is, toch niet meer zagen zitten en een andere richting wilden uitgaan.

Ook ik stak mijn hand op en toen het mijn beurt was om te zeggen waar ik was ingeschreven, antwoordde ik al gekscherend: "Bij den RVA!" De ganse zaal lag plat van 't lachen! Docent incluis!

Ru(sh)di(e), 20 juni 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld' op 1 september 2009), revisie op 25 februari 2010.

17-01-10

De avonturen van Rudi & Co - Zonder Co

  

Neen, ik ben niet geveld door de zon of in een diepe zomerslaap gezonken. En ook niet fysiek van de aardbol verdwenen,  Karel Van Miert, Yasmine, Farrah Fawcett, Michael Jackson en een resem andere mensen en dieren achterna. Neen, het zou wat al te gortig zijn om net nu ik een nieuwe rolstoel heb en terug enigszins mobiel ben, het tijdige te ruilen voor het permanente einde.

De reden voor mijn verminderde frequentie in het verhalen van mijn belevenissen is te wijten aan het feit dat ik mijn leven een beetje moest reorganiseren, als rechtstreeks gevolg van het sinds zaterdagochtend op reis vetrekken van mijn huisgenoten. En ik mocht inderdaad niet mee. Mijn bijdrage aan hun vakantietrip blijft beperkt tot het meefinancieren van de reis. Nochtans was ik ook wel graag eens een tijdje weg 'gegaan' van mijn vaste verblijfsstek. Helaas...

Doorheen de jaren las ik in zo vele publicaties keer op keer dat ieder mens nood heeft en recht op seks en vakantie. Wat ik ervaar in mijn omgeving is dat men er blijkbaar, ter wille van de eigen gemakkelijkheid en gemoedsrust, vanuit gaat dat ik de uitzondering ben op de regel. Wat dus een totaal foute veronderstelling is. Want het is niet omdat ik met mijn willoos lichaam in een invalidenkarretje rondcross, dat ik geen noden, verlangens noch gevoelens heb. Die heb ik wel degelijk.

Maandagnamiddag reed ik naar het oudercontact op zoon Brian zijn school. Als rolstoeler had ik het zalige genoegen buiten op de koer de leerkrachten van mijn kind te mogen spreken. Het gebouw is immers helemaal niet voorzien op zich op wielen voortbewegende medemensen.

Met het prachtige weer op die dag, was die, in wezen schandelijke ontoegankelijkheid, voor één keer geen straf, geen vernedering, maar daarentegen een zegen. Ik hoefde, in tegenstelling tot andere ouders immers niet in een, allicht door de warmte bevangen gang te gaan zitten vooraleer in een wellicht even muf klaslokaal te worden ontvangen. Neen, zalig in de schaduw van een boom vond ik mijn plekje!

Toen ik, in afwachting van een onderhoud met zijn klastitularis, door een mevrouw, naar ik vermoed werkzaam op het secretariaat van de school,  het rapport van zoon Brian kreeg overhandigd, dit met een bang hart opende en er tot mijn grote vreugde het A- attest in aantrof, raakte ik zowaar geëmotioneerd.

Gelukkig waren er geen vreemden in mijn onmiddellijke buurt, want door de emotie overmand zou spreken even moeilijk zijn geweest. Had ik dit nieuws op mijn eentje thuis vernomen, ik had waarlijk gehuild van opluchting en blijdschap. Jammer dat ik deze vreugde niet onmiddellijk met een naaste kon delen.

Een dag later was Austin zijn school aan de beurt. Per e-mail had ik met zijn klastitularis afgesproken, even voor de middag, in een lokaal op het gelijkvloers. Want ook deze school blinkt uit in haar ontoegankelijkheid voor minder mobiele medemensen.

De juf stond me al op te wachten... achter een gesloten deur. Het was dus geen slecht idee geweest om niet zonder assistente te komen, want anders had ik weer schoon alleen voor de deur kunnen staan wachten tot ik een passant kon aanspreken met het verzoek die deur voor me te openen. Met het gevaar dat ik, eens binnen, met de deur achter me dichtgeklapt, als een rat in de val had gezeten als daar niemand te bespeuren viel. Maar dat doemscenario viel me dus gelukkig niet ten deel. En ook hier ving ik een A- attest. Hoera!

Dol van vreugde ging ik, vooraleer huiswaarts te keren, een ritje maken. Onderweg at ik, in een schaduwplekje bezijden een verkeersarme straat, en met uitzicht op de spoorweg, mijn meegenomen boterhammen op. Eenzaam en alleen, want mens noch dier was te bespeuren in die buurt. Maar ik was in goed gezelschap: mijn eigen zelve!

Op weg naar huis reed ik langsheen een verpauperde volksbuurt. Uit de tegenovergestelde richting kwam een wijkagent aangereden, die even nadien de straat dwarste en zijn bromfiets parkeerde ter hoogte van een rijhuisje op de hoek. Terstond hield ik halt, want mogelijks kreeg ik aanstonds wel een interessant tafereel te zien. Met mijn GSM in de hand, veinzend dat ik aan het telefoneren was, hield ik nauwlettend de agent in het oog. En was benieuwd welk schouwspel er zich zo meteen in mijn gezichtsveld zou afspelen

De man, die zijn helm op het hoofd hield, belde aan bij het hoekhuis. Ging vervolgens twee stappen achteruit en wachtte af. Niemand deed open. Anderhalve minuut later zette de politiebeambte terug een stap naar voor en drukte met gestrekte arm op de bel.

Korte tijd later ging de deur langzaam open en verscheen er in de deuropening een knappe, niet al te grote griet van naar ik schat halfweg de twintig, met het lange blonde haar opgestoken in een dot. Het naakte lichaam nauwelijks bedekt door een minuscule bikini! Blijkbaar gegeneerd hield ze één arm voor haar boezem. Nochtans had ze volgens mij weinig te verstoppen, want voor zover ik het vanuit mijn positie kon zien was het wicht aan de voorkant zo plat als een vijg. Wat evenwel niks afdoet aan haar schoonheid!

De agent wees met zijn rechterarm naar het wel een halve meter hoog staande gras en onkruid in het amper enkele vierkante meters groot voortuintje en de vele op elkaar gestapelde, barstensvolle huisvuilzakken die ook al voor de woning een plekje hadden gekregen. Het meisje maakte met haar vrije arm wat gebaren en ik zag haar ook bevestigend met het hoofd knikken. Allicht beloofde ze de wijkagent de vuilnis op te laten ruimen en de voortuin een beetje te fatsoeneren.

Blijkbaar volstond dat voor de agent, want de man kroop terug op zijn brommertje en reed er vandoor. Toen hij me gepasseerd was, borg ik mijn mobieltje weg. Dat voorwenden aan het bellen te zijn, was immers niet meer nodig. En dat schone mokkel was al lang terug in haar huurhuisje verdwenen. En lag allicht alweer te zonnen op haar terras of koertje of in haar achtertuin.

Rudi, 1 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 15 januari 2010.

06-01-10

Herinneringen uit mijn verleden - Afkijken

  

Telkens de examentijd aanbreekt, of bij sommigen al volop aan de gang is, denk ik met plezier terug aan mijn eigen studententijd. Waaruit ik vooral de leuke aspecten en gebeurtenissen een blijvend plaatsje in mijn geheugen heb gegund.

Zoals reeds eerder verteld, was ik in mijn jonge jaren reeds even braaf als ik nu ben, als volwassene. Af en toe eens ondeugend misschien, dat geef ik grif toe, en nooit verlegen voor het bakken van een poets, maar daar schuilt mijn inziens helemaal geen kwaad in. Integendeel zelfs, dat brengt wat leven in de ... nu ja, figuurlijk uiteraard: brouwerij.

Spieken of 'afkijken' zoals wij dat toen noemden was iets dat bij het schoolse hoorde. En bij examens een interessante methode was om, ondanks geringe studie-inspanningen, toch behoorlijke resultaten te behalen bij toetsen, tentamens of examens.

Vanaf het moment dat ik de middelbare school aanvatte speelde ook ik nu en dan gretig het spelletje mee. Maar was er niet zo bedreven in dat ik het aandurfde doelbewust, zonder er voor te studeren, uitsluitend vertrouwend op spieken, een examen aan te vatten.

Behalve die ene keer dan. We zouden van één of ander technisch vak een examen krijgen over de inhoud van een boek, waaruit we geen les hadden gekregen. Uit tijdsgebrek. De leerstof was evenwel niet zo moeilijk of onduidelijk, dus een toelichting door de leerkracht was niet echt noodzakelijk. Aangewezen materie voor zelfstudie, dus. Maar de stof was niet erg interessant en de hoeveelheid was nogal omvangrijk.

De jongen die normaliter links van me zat in de klas, had er ook niet veel zin in. Dus samen bedachten we het, naar we toen vonden, lumineuze idee om elk de helft van het boek te lezen en grondig in te studeren! Aangezien we reeds sinds vele maanden meestal naast elkaar zaten in de klas, waren we er ook in geoefend om onopvallend te spieken.

Zo gezegd, zo gedaan. Dus las en leerde ik mijn helft van het cursusboek. Het werd een ware worsteling. Maar ik deed het toch. Die andere helft wou ik voor alle zekerheid ook even vlug doorlezen. Maar na twee bladzijden gaf ik het al op. Geen zin. En daarbij, mijn maat ging dat instuderen. En de kans dat ons plan in duigen viel omdat hij ziek was op de dag van het examen, achtte ik verwaarloosbaar klein. Boerenzoons, en hij was er één, worden immers niet snel ziek.

Toen we elkaar de ochtend van het examen op de speelplaats ontmoetten, bevestigde de jongen dat hij, zoals afgesproken, zijn helft van de leerstof had ingestudeerd. We konden dus met een gerust hart de toets aanvatten.

Dat was evenwel zonder de waard gerekend. Hier in de gedaante van de leerkracht. Die het, in zijn ogen allicht lumineuze, idee had opgevat om een aantal leerlingen uit mijn klas van hun vaste zitplaats weg te halen om ze elders te laten plaatsnemen. Mijn buurman mocht blijven zitten, op de tweede rij, maar ik moest mijn stek verlaten om op een stoel op de, doorgaans onbezette eerste rij te gaan zitten. Naast het gangpad. Dus zonder buurman aan mijn linkerkant! En rechts van me kwam er ook niemand zitten!

Op het gemor van mij en enkele andere jongens, reageerde de leerkracht niet eens. Verdorie! Het was nu maar te hopen dat de meeste vragen uit de door mij geleerde helft van het cursusboek zouden komen. Wat jammer voor mijn klasgenoot zou zijn, maar die moest dat later dan maar zien goed te maken. Dat zou hem vast lukken, want het was een verstandige kerel.

Twee vragen kregen we slechts. Elk op de helft van de punten. Gelukkig kwam er één uit de door mij geleerde leerstofhelft. Dus deed ik mijn uiterste best om een zo compleet als mogelijk antwoord neer te pennen. Want wat ik op die tweede vraag kon antwoorden, daar had ik het raden naar, want ik had er totaal geen idee van waar die over ging.

Doordat ik op de voorste rij zat, kon de leerkracht mij goed observeren. De man zag dat ik op de tweede vraag nog niet eens trachtte een antwoord te formuleren. Dat was hij niet gewoon van me. En het leek hem te irriteren. Want hij vroeg me of ik dat boek dan misschien niet had gelezen. Als naar gewoonte sprak hij me aan met mijn familienaam. Wat mij dan weer irriteerde. Want ik kon er niet bij dat wij onze leraars met het voorvoegsel 'mijnheer' moesten aanspreken, terwijl zij naar ons toe niet hetzelfde deden.

Maar kom, dat is een andere discussie. Mijn resultaat op het bewuste examen was dus 50%. Mijn klasgenoot had 60%. Die had het geluk gehad een glimp op het blad van zijn linker buurman te kunnen werpen. Zodat hij ook iets had kunnen schrijven onder de vraag die niet uit de door hem geleerde boekhelft kwam. Vandaar het bewuste resultaat.

We hebben uit het voorval onze lessen getrokken. Maar het heeft er ons uiteraard niet van weerhouden om, zo de gelegenheid zich voordeed, en we het geluk hadden naast elkaar te mogen zitten voor een toets, elkaars weergave van de kennis nopens de leerstof, aan te vullen door middel van een portie afkijken.

Rudi, 18 juni 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 6 januari 2010.

13-12-09

Rudi's ontboezemingen - Regels

 

Je komt als jongeman soms nogal wat tegen met de meiden! Daar kan ik persoonlijk ook enkele pittige anekdotes over vertellen. Zoals die keer toen ik als prille twintiger eens een vriendinnetje meenam om te gaan shoppen in Maastricht. We waren daar al gearriveerd toen ze pas ontdekte dat ze haar handtas thuis op het tafeltje in de inkomhal van haar studio had laten liggen. Ik zei: "Da's niks, ik heb geld bij, een haarborstel en ook een extra zakdoek & zo" en voegde er, om te zwanzen, aan toe: "Gelukkig is het niet je onderbroek die je thuis bent vergeten!" Het meisje kleurde terstond bloedrood.

Een andere keer was ik samen met een jongedame. Ik weet niet meer juist onder welke omstandigheden, en ik herinner me ook de reden niet meer, maar ze zei in elk geval, op een bepaald moment: "Ik heb zo mijn regels!" Waarop ik antwoordde: "Ga dan maar vlug naar het toilet om een inlegkruisje in je slip te stoppen!" Dat meisje is effectief weggehold. Niet naar het toilet, maar gewoon weg van mij!

Een andere griet heeft mij dat trouwens eens, in halfdronken toestand, wankel op haar benen staand, bekend: "Schone jongen" zei je, zoals gemeld was ze zat, dus had ze vast een troebel zicht, "Ik ben weg van jou!" Onmiddellijk respondeerde ik met: "Neen, dat is niet waar, want je bent hier nog. Maar ik zou wel graag hebben dat je weg bent van mij, want je stinkt uit je bek. En bovendien hou ik niet van zatte wijven!"

"Tenzij ze jong en sexy zijn", had ik er nog aan kunnen toevoegen. Maar dat deed ik niet, want dat vrouwmens zou dat toch niet meer hebben gehoord, want ze was al weg gewaggeld en ik heb haar daarna gelukkig nooit meer teruggezien!

Het was in die tijd, de jaren tachtig, en waarschijnlijk nog steeds, trouwens niet altijd eenvoudig om een griet aan de haak te slaan. Figuurlijk dus, welteverstaan! Alhoewel ik er, als zeventienjarige, toch eens een keer in ben geslaagd om dat, ongepland, bijna letterlijk voor elkaar te krijgen.

Op de fuiven, waar ik, als rijpe tiener, in de weekends met mijn, uit jongens en meisjes bestaande vriendengroepje, heen hing, was al meer dan eens mijn oog gevallen op een knap jong meisje. Eentje met een weelderige bos krullend donkerbruin haar. Bij de toen nog populaire kusjesdans probeerde ik al eens om haar in mijn armen, en aan mijn lippen, te krijgen. Maar helaas slaagde ik daar niet in. En mijn kansen waren uiterst beperkt omdat die schoonheid meestal niet meedeed aan dat kusgedoe.

Ook voor een slow, die altijd volgde op die kusjesdans, kon ik, ondanks herhaalde beleefde uitnodigingen daartoe, de bevallige deerne niet strikken. En dan, op een keer, toen ik me na zo een massadans, door de menigte bewoog, op zoek naar een danspartner, werd ik door de vriendin van dat meisje op de schouder getikt.

Terwijl ik verder stapte, deed het meisje me teken om achterom te kijken. Dus hield ik halt, draaide me om en keek recht in de ogen van die zo door mij begeerde brunette. Menslief, wat was ze toch knap. En nu liep zij dus achter mij aan?

Fout gedacht! Op mijn blauwe jeansvestje waren twee kleine buttons gespeld. En bij het haar ongemerkt passeren, allicht omdat ik op dat moment een ander schoon grietje in het vizier had, was ze met een deel van haar enorme haardos aan me vast komen te zitten. Vandaar die achtervolging door de rumoerige en lawaaierige danshal.

Weken- of misschien wel maanden later, heb ik toch nog eens een poging ondernomen om dat, in mijn ogen goddelijk, schepsel, aan de haak te slaan. Figuurlijk dan, deze keer! Ze zat, samen met een aantal jongens, aan een tafeltje, naast de tafels die mijn maten en ik hadden ingepalmd.

Naarmate de avond vorderde merkte ik dat het meisje nogal dikwijls alleen op haar stoel, aan dat tafeltje achterbleef. En als die kerels, van het type 'zware jongen', er toch waren, kroop geen enkele van hen dicht tegen haar aan of stelde zich amoureus tegenover haar op. Daaruit concludeerde ik dat het meisje geen vriendje had. En leek deze avond voor mij het uitgelezen moment om mijn kans te wagen om dit mooie meisje nader te leren kennen.

En ik had al een plannetje beraamd om dit prachtig schepsel der natuur te bekoren. Naderhand beschouwd een nogal ridicuul idee. Van elk beschikbaar drankje dat op die fuif was te verkrijgen, wou ik er namelijk één bestellen. En het ganse aanbod zou ik voor haar bevallige neusje plaatsen, zodat ze maar te nemen had wat ze drinken wou.

Slechts één, niet onbelangrijk, probleem doemde op. Om al die drankjes te kunnen bekostigen, had ik geld nodig. En ik had die avond al een groot deel van mijn budget gebruikt om benzine te kopen voor mijn bromfiets. En het saldo had ik aangewend als mijn aandeel in de drankpot, die inmiddels was uitgeput. Er zat dus niks anders op dan bij wat maten aan te kloppen voor een beetje geld. Die maakten daar geen probleem van. Temeer daar ik hen deel maakte van mijn plan.

Nu de voorbereidingen waren getroffen, rijgde ik de veters van mijn 'stoute' combat schoenen nog wat sterker aan, trok mijn nauwsluitende jeansbroek recht, liet mijn vingers even door mijn haren glijden, om mijn kapsel ietwat te fatsoeneren en ging vervolgens recht op de jonge vrouw af.

Ze keek op toe ik me, het lichaam voorovergebogen, voorstelde aan haar. Ze glimlachte vriendelijk en deelde me ook haar naam mee. Op mijn vraag of ik even bij haar mocht komen zitten, antwoordde het lieflijk ogend creatuurtje positief! Ze bleek met haar broers en hun maten naar deze fuif te zijn gekomen. Omdat ze wel zin had om uit te gaan, maar haar vriendin ziek was en haar ouders niet wilden dat ze alleen op stap ging. Toen ik haar zei dat ik haar een drankje zou bezorgen, reageerde het meisje onmiddellijk met de woorden: "Neen, niet nodig hoor. Ik heb deze avond reeds genoeg gedronken en heb nu echt geen zin meer in om het even welk drankje!"

De schoonheid vervolgde: "Ik zeg dat steeds liever onmiddellijk, zodat niemand haar of zijn geld besteed aan een drankje dat ik dan toch niet uitdrink." Net op dat moment kwam de ober eraan met een schaal waarop minstens 10 verschillende soorten drankjes stonden. Oei! Hoe moest ik dat hier oplossen? Zonder gezichtsverlies te lijden. Ik zei die jongen dat hij alle drankjes bij elkaar op tafel mocht zetten en dat ik dan wel voor de verdeling zou zorgen. Nadat ik de drankbezorger met het geleende geld had betaald, riep ik enkele maten bij me.

Die keken me vragend aan, want ze hadden zich gedeinsd gehouden omdat ze dachten dat ik toch liever alleen bleef zitten bij het meisje mijner dromen. En waren nog meer verbaasd, toen ik hen uitnodigde om een drankje te nemen. Erg succesvol was mijn broederlijk delen overigens niet, want mijn maten waren niet geïnteresseerd in het drinken, of zelfs maar proeven van de meeste van die daar op tafel gepresenteerde brouwsels.

Wat er daarna is gebeurd en hoe die avond is afgelopen, daar heb ik het raden naar, want ik kan het me met de beste wil van de wereld niet meer herinneren. Eén ding is zeker: dat meisje is noch die zaterdagavond, noch op een later moment, ooit de mijne geworden. In tegengesteld geval had ik die gedenkwaardige informatie zonder twijfel voor eeuwig en altijd ergens in een veilig hoekje van mijn grijze hersenmassa bewaard. Dus waarschijnlijk is onze beginnende communicatie vrij snel op een sisser uitgelopen. Mogelijk koos ik een fout moment uit om met het meisje in contact te treden. Had ze misschien haar regels?!

Ru(sh)di(e), 4 april 2009. (publicatie op de weblog 'Rudi's kijk op de wereld' op 10 juni 2009) 

29-11-09

Rudi's ontboezemingen - Vrouwen

 

Vrouwen. "Ze zijn soms zo moeilijk te begrijpen", hoor je vaak zeggen. Door mannen, vooral. "Dat is omdat die kutwijven van een andere planeet komen dan wij, fijne venten!" zo hoorde ik in mijn prille kindertijd ooit eens zeggen, toen ik mij, onopgemerkt, in het gezelschap bevond van enkele oudere buurjongens. Die reeds op een leeftijd waren aanbeland waarop ze hun eerste echte liefdesavonturen beleefden.

Dat was dus tevens het moment waarop ik te weten kwam dat wij, in tegenstelling tot wat mijn pa me had verteld, niet uit de kolen komen. Waarna ik concludeerde dat het andere verhaal over onze afkomst, dat de ronde deed, dan allicht toch geen verzinsel was, zoals mijn pa nochtans beweerde. Zouden kindjes dan toch door de ooievaar worden afgeleverd? Al naargelang het om een jongen of een meisje gaat, vanaf verschillende hemellichamen, naar de verwachtingsvolle ouders op aarde gebracht? Ferme vogels, als die veronderstelling juist zou zijn. Maar was het inderdaad zo? En hoe zou die bestelling dan in haar werk gaan? Dat vroeg ik mij af, als kleine rakker. Die grote jongens wisten vast het antwoord wel. Maar ik durfde het hen niet te vragen.

Dat het vrouwvolk een moeizaam te bevatten soort is, dat heb ik inmiddels zelf ook wel begrepen. Bij een jongedame, waar ik als rijpe twintiger een innige relatie mee had, liet ik ooit eens een gigantisch boeket rode & witte rozen bezorgen. Ter gelegenheid van haar verjaardag was dat. Maar dat meisje was nog niet content. De bloemen en het ornament er rond vond het wicht ontzettend mooi. Maar de door de koerier bijgeleverde rekening was er voor haar te veel aan.

Ja zeg, kon ik er aan doen dat ik op dat moment op zwart zaad zat omdat al mijn geld er was doorgedraaid door haar voorgangster? Zeggen ze niet: "Het is het gebaar dat telt?' En ik was in elk geval mijn liefste haar geboortedag niet vergeten! Belachelijk was het, dat ze struikelde over die futiliteit van het zelf moeten betalen van die klote bloemen.

Toen ik als adolescent eens met mijn fiets huiswaarts reed, zag ik aan de overkant van de drievaksbaan een fantastisch mooi meisje staan. En daarenboven uiterst sexy gekleed. Naar mijn normen, in elk geval. Een glanzend zwart rokje dat tot midden haar bovenbenen reikte, zwarte kniekousen, bordeaux laarsjes en een blazer in dezelfde kleur. Een zwart tasje hing op heuphoogte, op die plaats gehouden door een dunne schouderriem. De kastanjebruine steile haardos lag gedrapeerd over de schone deerne haar hals en schouders.

Potverdikke! Mijn hormonen noopten mij tot actie! Dus reed ik verder tot aan het eerstvolgende kruispunt. Alwaar ik, bij groen licht, in plaats van rechts af te slaan, richting ouderlijk huis, links de baan overstak. En rustig terug fietste in de richting van de plaats waar die wachtende schoonheid stond.

Eens ter hoogte van haar standplaats gearriveerd, hield ik halt. Richtte mij op van mijn fietsstuur en lachte het meisje, dat bij mijn aankomst een pas had achteruit gezet, liefdevol toe. Ze keek me met haar bruine ogen verbaast en vragend aan. Maar niet geschokt of verschrikt. Dat viel dus al mee. Mijn God, van dichtbij was deze griet nog veel mooier dan van veraf! Een prachtig gevormd gezichtje met een lichtbruine gelaatskleur. Geen make-up. Niet nodig! Maar ze had wel een vleugje parfum op haar welgevormde lichaam gespoten. Daardoor rook het schatje uiterst zwoel. Zelfs van op die anderhalve meter afstand die ons beiden van elkaar scheidde.

Met mijn meest vriendelijke en verleidelijke stem zei ik: "Hopelijk heb ik je niet te lang laten wachten?" Het meisje keek me niet begrijpend aan. En opende haar mond. Maar vooraleer ze iets kon zeggen, vervolgde ik: "Ik ben jouw droomprins op het witte paard. Nu ja, een stalen ros, en in een rode kleur, maar in elk geval de man die is voorbestemd om met jou het leven te delen!"

Oef! Dat was er allemaal vlot, en zonder al te veel nadenken, uitgekomen! Verwachtingsvol keek ik het meisje aan. Dat stond daar met haar lieve snoet in mijn richting te kijken, met haar mondje vol perfecte parelwitte tanden!

Een antwoord heb ik niet gekregen. En deze ontmoeting is helaas op niks uitgedraaid. Want toen dat meisje haar, naar ik vermoed echte prins, opdaagde, een nogal potige kerel met een hoekig gezicht, zich verplaatsend in een grijze Jeep, maakte ik mij snel met mijn fiets uit de voeten!

Ru(sh)di(e), 17 april 2009 (publicatie op 30 mei 2009 op de blog 'Rudi's kijk op de wereld') - revisie & aanvulling op 29 november 2009.

17-11-09

Herinneringen uit mijn verleden - bevoorrading

 

Mijn ouderlijk huis is gelegen in een gehucht van wat vroeger een klein dorp was. Wij woonden werkelijk in een boerengat. Veel van onze buren waren boeren met, zoals dat nu heet, een gemengd bedrijf, waarin dus zowel aan landbouw als aan veeteelt werd gedaan. Op heel kleine schaal weliswaar. Absoluut niet te vergelijken met de huidige omvangrijke boerenbedrijven.

De meeste andere buren waren arbeiders en hier en daar al eens iemand met een zelfstandige activiteit. Een metser of een schrijnwerker. En het merendeel van hen woonde, net zoals wij, op een voormalig boerenerf. In de stallen stonden dat wel geen koeien of varkens meer, maar dikwijls hield men nog wel wat kleinvee. Bij ons waren dat kippen en konijnen.

Onze inkopen deden we grotendeels in de buurtwinkels. En met 'we' doel ik op mijn ma, mijn zussen en mezelf. Want shoppen is mijn pa pas beginnen doen vanaf het moment dat wij een auto hadden, begin de jaren zeventig, tevens het moment dat er aan de rand van alle grote steden supermarkten opdoken. Waar alles op één adres te krijgen was, en bovendien veel goedkoper!

Maar de jaren voorheen werd alles wat wij nodig hadden, in onze eigen buurt gekocht. Zo kwam ons brood van bij de bakker uit onze straat. Wiens helper zelfs een keer of drie per week op ronde ging om ons aan huis van vers brood te voorzien. Die man sprak enkel over het weer. Goed weer, slecht weer, geen weer... iets anders kwam er niet uit dienen mens zijn spraakorgaan.

Toen, op café, iemand het eens aandurfde om hem te vragen naar het waarom ervan, antwoordde de man simpelweg dat hij, door over niks anders dan het weer te spreken, hij ook niks verkeerds kon zeggen. Hij zag veel, hoorde ontzettend veel, was van veel gebeurtenissen, vaak ongewild getuige. Maar roddelen was niet aan de man besteed. Zo vermeed hij extra twisten en hield de kerel iedereen te vriend.

Ons vlees en onze charcuterie gingen we halen bij de beenhouwer aan 't kapelletje, het centrum van onze buurt. Als ik meeging met mij ma, dan kregen wij vaak de onverkoopbare restjes van de salami's mee naar huis. Ik was daar verlekkerd op! Toen ik al wat ouder was, zond mijn ma me al eens alleen naar die winkel. Dat deed ik graag. Alleen boodschappen doen, zoals een grote mens! Fantastisch vond ik dat!

Mijn ma gaf me dan altijd een briefje mee, waarop stond geschreven wat ik behoorde mee te brengen. Tijdens de fietsrit naar de beenhouwerij leerde ik dat dan van buiten. Want als een klein ventje de gewenste boodschappen van een briefje aflezen, dat vond ik maar niks. Daar voelde ik mij veel te groot voor!

Op een zekere dag stond ik in die winkel, te wachten tot het mijn beurt was. Het was er nogal druk. Er stond al wat volk in de zaak op het moment dat ik er arriveerde, en na mij waren er nog enkele personen binnen gekomen. Allemaal mensen uit de buurt. Want ander volk kwam daar niet. Toen het eindelijk mijn beurt was, wist ik niet meer wat er ook alweer op dat briefje stond geschreven. Verdikke!

Dus bestelde ik maar vast iets dat mijn ma meestal meebracht. Terwijl de beenhouwersvrouw bezig was met het snijden en wegen van dat ordertje, trachtte ik zo onopvallend mogelijk dat papiertje te bekijken dat mijn ma me had meegegeven. Het eerste lijntj e kon ik duidelijk lezen en bestelde ik. Maar terwijl ik op de winkelierster haar vraag of het iets meer mocht zijn dan het gevraagde gewicht, positief antwoordde, brak ik tezelfdertijd mijn hoofd over wat er in Gods naam verder op dat boodschappenlijstje  te lezen stond.

Het briefje aan de verkoopster te lezen geven, zoals mijn ma me steeds opdroeg te doen bij twijfel, daar dacht ik nog niet eens aan. Mij daar, met al dat volk in de winkel, belachelijk maken, was wel het laatste dat ik zinnes was. De roddeltantes die in dit oord overal pertinent aanwezig waren, zouden ongetwijfeld hun 'werk' doen en de eerstvolgende schooldag zou ik dan vast worden uitgelachen als het ventje dat bij het boodschappen doen mama's lijstje aan de verkoopster moest overhandigen, omdat ik zogezegd onbekwaam, achterlijk of dom zou zijn. Dat kende ik. Pesten was in die tijd in die bekrompen gemeenschap dagelijkse kost.

Om dat onheil te vermijden bestelde ik dus maar, op goed komen uit, zoals wij dat toen uitdrukten, wat fijne vleeswaren en ook een halve kilo gehakt. Dat laatste weet ik nog heel goed. Nochtans was ik absoluut niet zeker of dat item of iets wat daar van benaming op leek, ook op mijn ma's lijstje voorkwam. Maar ik had wel zin in gehaktballen, en dit, wat wij noemden 'gekapt' was daarvoor een onmisbaar bestanddeel.

Eens afgerekend reed ik rechtstreeks naar huis, want al dat vlees moest zo snel mogelijk de koelkast in. Want veel ervan kon snel bederven. Of sloeg een lelijke kleur uit, en dan was het op zijn minst niet lekker meer. En vaak zelfs helemaal oneetbaar. Zo wist ik van mijn ma. In die tijd luisterden kinderen immers nog naar hetgeen hun ouders hen, vaak tot vervelens toe, vertelden of uitlegden.

Mijn lieve ma was hoogst verbaast toen ze de boodschappen uit de tas haalde. Ze keek mij aan en begreep maar niet hoe die beenhouwersvrouw zich zo vergist kon hebben, te meer daar zulks nooit eerder was voorgevallen. Zelf vergoelijkte ik de beenhouwersvrouw door mijn ma te vertellen dat er toch wel een grote drukte heerste in de zaak en de dame allicht daardoor één en ander verkeerd van het briefje had afgelezen.

In mijn kindertijd moesten wij trouwens niet ver lopen om aan drank, voeding of om het even wat te geraken dat we thuis, in de huishouding konden nodig hebben. Schuin over onze deur was er een klein winkeltje. Naast en in hetzelfde gebouw gevestigd als een café, waarvan de uitbaatster, de cafébazin, ook de winkelierster was. Zulke gecombineerde uitbatingen, kwamen in die tijd veel voor in Vlaanderen. In onze, nochtans dunbevolkte buurt waren er zo zelf twee!

En voor zowat alles kon je daar terecht. Snoep, drank, koekjes, beschuiten, confituur en andere voedingsmiddelen, sigaretten, kaarsen, batterijen, kruidenierswaren, speelgoed... Als ik het mij goed herinner een aanbod dat een beetje vergelijkbaar is met hetgeen heden ten dage sommige nachtwinkels aanbieden. Maar in winkeloppervlakte waren ze doorgaans kleiner, en vaak nog meer volgepropt met allerlei spullen. Van bijna op de vloer tot haast aan het plafond.

In het winkeltje waar wij steeds aankopen deden kon je bonnetjes sparen, waarmee je dan uiteindelijk een geschenk bekwam. Zo zijn mijn ouders ooit aan een, toentertijd in elke huiskamer te vinden, op elektriciteit draaiende windmolen geraakt. Een lichtbruine, met lichtjes! En er speelde een muziekje terwijl de wieken draaiden! Het plastieken ding, signatuur 'made in Hongkong', waarvan ik toen de betekenis nog niet snapte, niemand uit ons dorp trouwens, was het pronkstuk onder de ornamenten die onze buffetkast sierden. Voor een tijdje althans. Want zulke prullen vervelen alras, zodat het object al vlug een plaatsje kreeg op een antieke, van een overleden familielid geërfde wastafel die in de traphal, annex voorraadkamer, annex mijn slaapplaats stond opgesteld. Inderdaad, in dat zowat anderhalve eeuw oude huisje waarin we woonden, was multifunctionaliteit een noodzaak. Lang voordat het woord werd uitgevonden!

Eens per week, meer bepaald op donderdag, kwam de visboer langs. Als je iets van hem wou kopen, dan moest je een emmertje aan je hekstijl hangen. Dan stopte de man sowieso voor je woonst. Je kon ook aan het hek staan wachten tot wanneer die venter met zijn viskraam opdaagde. En je hoorde hem van ver komen, want hij kraamde een in al die jaren nimmer wijzigende slogan uit. Zeker van de inhoud van zijn slagzin ben ik nooit geweest, maar het ging ongeveer als volgt: "Rauwe haring, bakharing,tarbot & kabeljauw! Steur, schar, zalm & schol! Hele grote mosselen! Goeie verse mosselen!" En geen bandje hé! Maar helemaal live!

En als hij je onderweg tegenkwam, riep hij je aan door zijn megafoon. Mij noemde de man steevast 'wittekop'. Niet toevallig omdat ik in die tijd qua haarkleur inderdaad nogal veel weg had van de witte van Zichem.

Die vismarchand heeft trouwens ooit eens slechte mosselen aan ons geleverd. Die werden in huis gebracht middels dat emmertje dat tot aan 's mans verschijnen aan het tuinhek hing. Want overal zakjes bij geven was toen nog niet in trek. Ofwel konden milieuactivisten, vanuit hun, naar wat later bleek, terechte vrees te worden overspoeld door die plastieken zakjes, toen de verspreiding nog even tegen houden.

Als je boodschappen deed laadde je alles meteen in je eigen, van huis meegebrachte kabas. Of, in dit geval bij de visverkoper, in je emmertje. Mosselen althans. Hoe die andere vis van dat kraam tot in huis werd gebracht, dat herinner ik mij niet meer. Bij die vraag krijg ik helaas geen informatie terug vanwege mijn grijze hersenmassa.

Van die slechte mosselen ben ik dus wel goed ziek geweest! Mijn ogen zwollen op in zulke ernstige mate dat ik nog nauwelijks iets kon zien. Het ziekenhuis moest ik er niet voor in. Wel binnen blijven en in de zetel blijven zitten of liggen. Want ik zou overal tegenaan zijn gebotst, met die opgezwollen, etterende ogen. Dit voorval heeft er toe geleid dat ik jarenlang niet meer van die schelpdieren heb gegeten.

Ook onze melkboer had een vaste wekelijkse ronde. Als je melk, yoghurt of een ander zuivelproduct uit die mens zijn aanbod wou, dan werd van je verwacht dat je de lege, herbruikbare flessen aan de straatkant voor je huis zette. Dan wist die persoon dat je iets nodig had en kwam die aankloppen aan de achterdeur. Veelal had hij toen al bij wat we doorgaans bestelden. Dat bespaarde hem het extra heen en weer stappen naar zijn zwaar beladen camionette.

Bij de brouwer werd hetzelfde systeem toegepast. Alhoewel we, wanneer we bijvoorbeeld  een bak bier wilden, we niet het ganse krat met lege flesjes aan de straat zetten. Want dan bestond immers het gevaar dat een onverlaat er mee aan de haal zou gaan. Omwille van het leeggoed. Er werd in die tijd veel meer met hervulbare flessen en statiegeld gewerkt. Onze limonade werd ook zo aangeleverd. In zware glazen literflessen. Waarmee je, zo gewenst, gerust een volwassen mens de kop kon inkloppen. Wat naar mijn weten trouwens nooit is gebeurd. Maar zeker is dat niet. Want toen was de media nog niet zo uitgebreid.

En bij ons thuis werd ook niet met die flessen op elkanders hoofd geklopt. Waar mijn ma ze wel voor gebruikte, was voor het verpulveren van beschuiten. Door er met zo een zware glazen frisdrankfles over te rollen maakte ze daar chapelure van. Naast gehakt en ei, een onontbeerlijk ingrediënt om gehaktballen te maken. Mijn pa had die graag in de uiensaus, maar dat vond ik vies en daarom bereidde mijn ma die van mij steeds apart. Welke bereiding mijn zussen prefereerden, dat herinner ik mij niet.

Al de drank die de brouwer kwam slijten was afkomstig van de familiale Belgische brouwerij Roman. Die trouwens op heden nog steeds actief is, en voor zover mij bekend is, met de 12de generatie Roman aan het roer, of toepasselijker gezegd de 'vaten', vooral bezig is met het brouwen van speciale bieren.

In de zomer kwam dan ook wel een keer of twee per week, en in de schoolvakantie nog vaker, vermoed ik, de ijscrèmekar langs. Van het type dat ook nu, sinds de laatste tien jaar, weer vaker in de straten opduikt. Een kleine bestelwagen die rondtoerde en middels een genre scheepsbel, van ver uit de buurt reeds zijn komst aankondigde.

Er reed ook een ijsventer rond op een soort van gemotoriseerde bakfiets. Een tripoteur werd dat bij ons genoemd. Niemand uit mijn directe omgeving sprak de Franse taal. Maar er werden geen twee zinnen uitgesproken of er zat wel een Frans woord tussen. Dit ter zijde. Die ijsjesventer zijn bak was uiteraard een diepvries. En boven de ganse lengte van zijn vehikel was een scherm aangebracht zodat zijn klanten, bij felle zonneschijn, in de schaduw konden staan. Neen, tegen de regen diende dat dak niet. Wegens niet sterk en waterdicht genoeg. Als het regende reed die kerel trouwens niet rond. Want wie loopt er nu buiten en heeft zin in een bolletje roomijs als de regensluizen open staan?

Ondanks zijn bijzonder en aantrekkelijk voertuig had deze ijsjesverkoper toch minder cliënteel dan de anderen. Het is allicht moeilijk om zo vele decennia later alsnog de reden voor 's mans geringere populariteit te achterhalen. Wat zou die kennis ons ten andere opbrengen, dat de moeite getroosten om dit toch te achterhalen, kan rechtvaardigen? Mocht je het antwoord weten, dan wens ik je proficiat voor je wijsheid en veel succes ermee!

Eens ook in de uithoek waar wij woonden, het bestaan van de diepvries bekend was geworden en de meeste inwoners zo een vriezer hadden in huis gehaald, daalde de populariteit en navenant de omzet van die ijsjesverkopers enorm. En ook hun frequentie van verschijnen nam gestaag af.

Anderzijds kende de huis-aan-huis diepvriesroomijs verkoop dan weer een steile opmars. Op vaste tijdstippen kwamen die mannen met hun vrachtwagen langs om te vragen of wij soms roomijs moesten hebben. Soms wel ja. Maar meestal zei mijn ma dat we die vent moesten zeggen voorlopig verder te kunnen. Wat meestal gelogen was, want ondanks het feit dat die aan huis bestelde ijscrème het lekkerst was, kochten mijn ouders die toch liever in de supermarkt. Want daar was die veel goedkoper. En sinds we een auto hadden, een witte vijfdeurs Simca 1100 zelfs, met een grote koffer, prefereerden mijn ouders het merendeel van hun inkopen in het grootwarenhuis te doen. Waardoor we telkenmale met een koffer vol spullen, geladen in gratis beschikbaar gestelde, voor eenmalig gebruik bestemde, bruine papieren zakken met aan de buitenkant in grote letters het logo van de winkel erop.

Maar de lokale groenten- en fruitboer, met winkel in de dorpskern, raakte wel zijn waar nog kwijt aan ons. Tenminste hetgeen mijn ouders niet zelf kweekten in hun uitgebreide moestuin. Die man kwam rond met zijn rijdende winkel, waar je langs een trapje achterin de wagen naar binnen stapte. Deze groentenmarchand mocht voornamelijk dames verwelkomen en bedienen. Die gingen steevast de groentekar binnen met in hun ene hand hun geldbeugel en hun eigen boodschappentas aan de gevouwen arm. De andere hand gebruikten ze om bij het binnentreden hun lichaam in evenwicht te houden.

Dergelijke deur-aan-deur winkeliers droegen toentertijd enorm bij aan het onderhoud van de sociale contacten. Want wie buiten kwam tot aan het kraam, ontmoette niet enkel de verkoper, maar steevast ook enkele buren die ook één en ander nodig hadden. En zo werden nieuwsfeiten uitgewisseld en kon men palaveren over van alles en nog wat.

Vroeger gebeurde het ook wel vaker dat je bij de buren over de vloer kwam. Om bijvoorbeeld een pakje boter te lenen of enkele klontjes suiker, tot je zelf tot aan de winkel geraakte. Of om te telefoneren als je, zoals bij ons het geval was, niet zelf over een telefoonverbinding beschikte. Of bij de boer om hooi te halen voor mijn ma haar konijnen. Of aardappelen. Of eieren van de scharrelkippen. Met een kan, verse melk halen bij één van onze 'boerenburen' deden we niet, want in ons gezin was er niemand die deze melk lustte.

Op geregelde tijdstippen kwamen aan huis ook de kolenmarchand en de verhuurder van gasflessen. Ten behoeve van het in ons achterhuis opgestelde, op gas werkend kookvuur. Van die grote, zware donkerblauwe bidons waren dat! De verkoper van textiel aan huis, heb ik enkel als heel kleine jongen weten langskomen. Inderdaad met handdoeken, zakdoeken, dweilen en zo meer.

Allicht vergeet ik in dit schrijfsel nog enkele leveranciers. Want er kwam ook van tijd tot tijd een messenslijper bij ons langs En er was geregeld een bloemist die, van deur tot deur, zijn waar aanbood. Onze krant werd heel vroeg in de achtend aan huis bezorgd door een gespecialiseerde bezorger, op een brommertje. Wij noemden dat een Mobylette, maar ik ben er vrij zeker van dat die man zijn bromfiets van een ander merk was. Toen mijn zussen de pubertijd instapten, leverde die man ons dan ook nog eens elke week een Joepie, een muziektijdschrift dat wonderwel ook de dag van vandaag nog bestaat.

Die gazettenman schakelde in de zomer trouwens schooljongens in om tijdens de gerenommeerde 'Ronde van Frankrijk', de dagelijks, ogenblikkelijk na de koers gedrukte speciale kranteneditie betreffende deze wielerwedstrijd, aan de man te brengen. Die jongens, met een koerspet op het hoofd, waarop als reclame, de naam van de krant stond gedrukt, reden per twee, ieder aan één straatkant, met hun fiets doorheen het dorp en de invalswegen. En bliezen, om hun in aantocht zijn, te melden, op een fluitje en schreeuwden er dan ook nog eens bij: "'Het Volk! Met de uitslag van de Ronde van Frankrijk!'"

De, voornamelijk mannen en jongens, werden zo hun woning uitgelokt. En alhoewel de meesten van ons de voorbije wedstrijdetappe live op Tv hadden gevolgd, waren we er toch tuk op om ons zo een krantje aan te schaffen. Om de hoogtepunten uit de wedstrijd te herzien op zwart/wit foto's, nabeschouwingen te lezen en interessante weetjes te achterhalen.

Het was mijn ambitie om, eens ik oud en groot genoeg zou zijn, ook  met zo een schoudertas over mijn hals gehangen, per fiets die krantjes te bedelen. In functie daarvan oefende ik al voor de job, in onze tuin. En reed op mijn koersfietsje, met een pet op het hoofd, de wegels door, zo nu en dan blazend op een fluitje dat met een touwtje rond mijn nek hing, regelmatig de slogan uitroepend en bruusk stoppend als mijn bereidwillig mee'spelende' ma of zus, teken deden dat ze een krant wilden kopen. Waarbij ik één van de eerder aangekochte kranten uit mijn schoudertas toverde, met de glimlach aan de koopster overhandigde en dankbaar het onzichtbare geld in ontvangst nam.

Voorbereid en geoefend was ik derhalve voldoende. Maar jammer genoeg is de traditie van die rondekrantjes reeds ter ziele gegaan vooraleer ik de leeftijd had bereikt waarop ik deze kranten had kunnen venten.

Uiteraard kwam ook in die tijd de postbode, ofte facteur reeds dagelijks langs. Dat waren nog echte, die tijd mochten maken voor de mensen. En voor zichzelf. Want ook die van ons ging dagelijks een druppel of een pintje drinken in het café van onze buren. En wellicht ook in de andere, voor een kleine buurt, groot in aantal zijnde kroegen.

En niet enkel leveren aan huis gebeurde. Ook afhalen. Zo deed de oud ijzerman geregeld zijn ronde. Waarbij je dikwijls nog een mooie prijs kreeg betaald voor het koper of ander waardevol metaal dat je de man kon aanbieden. En tegen het einde van elk jaar kwam er ook iemand langs die mijn ma betaalde om wat takken af te mogen snijden van de Hulst in onze achtertuin. Er stonden verschillende van deze groenblijvende loofbomen in de haag die zorgde voor de omzoming van onze achtertuin met logting, zoals wij onze moestuin noemden. De Hulst heeft leerachtige getande en van stekels voorziene bladeren en rode bessen. Welke ook  in die tijd reeds vaak werden gebruikt in Kerststukjes. En aangezien die boomsoort blijkbaar niet in groten getale overal te vinden was, kwam die heer elk jaar bij ons terecht om zich van een voldoende voorraad te voorzien. Wat mijn ma, zonder dat ze er arbeid voor diende te verrichten, toch een aardig extraatje opleverde.

Rudi, 17 mei 2009 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld') - revisie & aanvulling op 16 november 2009.

07-11-09

Rudi’s overdenkingen - Apenland

 

In België trekken sommige regels werkelijk op geen kloten! Zo betaal ik bijvoorbeeld, omdat ik daartoe ben verplicht, jaarlijks trouw mijn bijdrage voor de zorgverzekering. Weliswaar aan een gunsttarief, gezien mijn situatie. Maar hoewel ik aan alle voorwaarden om daar van te genieten, ruimschoots voldoe, wordt deze niet aan mij uitgekeerd!

Omdat ik een budget krijg uitbetaald om assistenten aan te werven en te betalen! Maar met dat geld kan ik niet hetzelfde doen als met het bedrag van de zorgpremie! Dat budget mag enkel en alleen worden aangewend om onder een arbeidscontract voor mij werkende personen te betalen, en tevens een beperkt aantal daaruit voortvloeiende kosten. En al die uitgaven moeten tot in de details met officiële documenten worden bewezen.

Gedurende het eerste jaar dat ik weer thuis woonde, na anderhalf jaar in het ziekenhuis te hebben vertoefd, maakten wij gebruik van de dienst thuiszorg, van de mutualiteit waarvan we toen lid waren. En waar we trouwens nu nog steeds zijn bij aangesloten. Die mensen kwamen ons huisgezin enkele dagen per week bijstaan voor het verrichten van allerlei huishoudelijke taken en het helpen van de verpleegkundigen bij mijn verzorging.

Op het einde van dat kalenderjaar werden we op een zekere namiddag opgebeld door de verantwoordelijke van deze dienst. Ze had me een maand daarvoor ook al eens gebeld voor een afspraak om mijn dossier te herbekijken. Toen was die ontmoeting evenwel niet doorgegaan, want ze was ziek geworden, zoals iemand van haar dienst me telefonisch had gemeld. En nu wou ze ineens dringend langskomen. Dat vrouwmens werd warempel boos toen mijn echtgenote haar kordaat meldde dat we haar de huidige week niet meer konden ontvangen! Als invalide wordt je immers verondersteld ten allen tijde, voor iedereen die dat wil, beschikbaar te zijn. Zieken en gehandicapten hebben toch geen plannen, noch bezigheden, zo veronderstelt men volkomen onterecht.

In het begin van de daarop volgende week kwam die vrouw dus op huisbezoek. Allicht van de maatschappelijk werker van de mutualiteit, behorende tot dezelfde zuil, maar dat wou ze niet bevestigen, had ze te horen gekregen dat me vanwege de overheid een integratietegemoetkoming was ten deel gevallen. Dus nu moest de ons aan te rekenen kostprijs, voor de door hen aangeboden thuishulp, worden herberekend. Als er (geld) te rapen valt, schiet men vlug in actie!

Toen ik tijdens de voorbije zomer van dat jaar die vrouw contacteerde omdat ik, in de zorgsector, een door hen gehanteerde vakantieperiode van drie (3) maand, met zeer beperkte dienstverlening, toch wat al te gortig vond, reageerde ze zo snel niet. Wat zeg ik? Ze heeft daarop helemaal niet gereageerd! Misschien wel omdat ze zelf ook zo een lange pauze nam?!

Om terug te komen op de reden van dat huisbezoek. Verrast merkte ik op dat, naar ik vernam, die integratiepremie me door de hogere overheid werd toegekend om deels de extra kosten die mijn handicap met zich meebrengt, te dekken. "En u wilt deze dus gebruiken om er uw organisatie mee te financieren?" zo stelde ik de dame beleefd de vraag. Je had die moeten zien steigeren! Ze ging me dus het bewijs opsturen dat mensen zoals zij wel degelijk recht van inzage hebben in mijn overheidsdossier en haar wijze van handelen, volkomen reglementair was!

Enkele dagen later ontving ik met de brievenpost een kopietje van één of andere wettekst, uitvoeringsbesluit of zoiets, waaruit dus moest blijken dat het mens gelijk had. En het recht had de prijs per uur op te trekken tot een astronomisch bedrag. We hebben die thuishulpdienst terstond buiten gebonjourd, want voor die prijs konden we net zo goed iemand uit de privé betalen!

Rudi, 4 april 2009 (revisie op 26 oktober 2009)

19-10-09

Heden & verleden - Crossfiets

 

Mijn zoon Austin heeft zich een BMX aangeschaft. Met zijn eigen spaarcenten en met goedkeuring van zijn ouders. Hij was reeds enkele jaren aan het twijfelen of hij nu ging sparen voor een laptop of voor een stalen ros. Uiteindelijk is het dus een BMX geworden. Kost bovendien slechts de helft van een schootcomputer, zodat de jongen het saldo van zijn spaargeld verder kan aandikken om op een later tijdstip alsnog een laptop aan te kopen.

BMX'en is opnieuw een rage aan het worden. Jongeren, voor zover mij bekend haast uitsluitend jongens, en uit alle milieus, groepen samen om op heuvelachtig terrein te crossen, over bulten en zelf aangemaakte schansen te springen en trucjes uit te halen. Een heel sociaal gebeuren dus, en een sport die bovendien voornamelijk buiten wordt beoefend.

Het enige minpunt vind ik het feit dat die BMX'en niet volledig conform de wegcode zijn uitgerust. Een fietsbel ontbreekt bijvoorbeeld, en reflectoren eveneens. Dat er op (laten) plaatsen vinden die jongelui 'niet kunnen.' Derhalve laat ik mijn zoon slechts met tegenzin met zijn BMX over de openbare weg naar het crossterrein rijden. Maar ja, hoe moet hij er anders geraken?

Het is wel leuk om te zien hoe de jongen, vooraleer hij zich naar het lokale crossterrein begeeft, eerst op YouTube gepubliceerde filmpjes bekijkt, met daarop voorbeelden van sprongen, trucs, bewegingen... Het gebeurt ook dat Austin in onze eigen achtertuin aan het 'trainen' is en opeens naar binnen komt gelopen met het verzoek snel even op mijn laptop naar een filmpje te mogen kijken om te zien hoe een bepaalde truc of beweging alweer dient te worden uitgevoerd.

Helemaal achterin onze tuin, tussen twee rijen sparren, heeft hij, samen met zijn broer en een aantal vrienden, een eigen parcours mogen aanleggen. Met een verhoog van zowat een meter, van waarop ze starten, een aanloopzone van een meter of tien en dan een diepte van een halve meter , een hoogte van vijftig centimeter, weer een diepte en nog een hoogte. De kunst is om, met de gepaste snelheid, de BMX, bij het nemen van de eerste hoogte, zo ver de lucht in te krijgen dat de volgende diepte en hoogte, al zwevend in de lucht worden overbrugd en er, zonder vallen, veilig en wel, op twee wielen wordt geland, op het vlakke stuk grond erachter.

Tijdens mijn prille jeugdjaren had ik een zelfgemaakte crossfiets. De basis was een afgedankte, roestige witte minifiets van mijn oudste zus. Je kent dat wel, zo een compacte fiets die bovendien kon worden dubbelgevouwen. Samen met mijn pa had ik op de schuine buis de brandstoftank gemonteerd van zijn ook al afgeschreven antieke motorfiets. En als zitting had ik een lang, grijs zadel dat eveneens van een motorfiets afkomstig was. En met een aangepast hoog stuur en een grote koplamp erbij, had ik een ferme crossfiets!

Je had mij in die tijd in onze tuin moeten zien rijden. Met mijn ook ouderwetse blauwe motorhelm op met een witte middenstreep; Die had lederen oorflappen, die met een sluiting onderaan de kin het ding op mijn hoofd hielden. Mijn plastieken stofbril completeerde het geheel! Op zondagen ging ik dikwijls met mijn vader naar de motorcross kijken. We konden na de prijsuitreiking voor mij part niet snel genoeg terug thuis zijn, zodat ik met mijn crossfiets de wedstrijd kon naspelen. Ik zette zelfs heuse parcours uit. Ik klopte stalen pinnen in de grond, verbond deze met touwen en hing zelfs hier en daar lintjes.

Omstreeks het begin van de jaren tachtig werd BMX crossfietsen een tijdje populair in onze contreien. Her en der werden er teams gevormd, clubs opgericht en wedstrijden georganiseerd. Veelal kwamen de jonge sporters uit het motorcrossmilieu. Met mijn pa ben ik nog naar enkele wedstrijden gaan kijken. In het eerste jaar middelbare school had ik trouwens ook een klasgenoot die in zulke crossen meereed.

Moest mijn lichaam, heden ten dage, als gevolg van dat geklungel van die chirurg, niet zo willoos zijn, ik zou toch wel eens stiekem op Austin zijn BMX durven kruipen. Terwijl de jongen naar school of om een andere reden thuis afwezig is. Om evenwicht- en andere kunstjes uit te proberen, want zulke dingen lijken me leuk. Omwille van de eerder aangehaalde reden zal het BMX'en evenwel in mijn dromen moeten geschieden. Wat dan weer als voordeel heeft dat ik er niet mee moet wachten tot mijn zoon er een keertje niet is!

Rudi, 6 maart 2009 (revisie op 14 oktober 2009)

14-10-09

De avonturen van Rudi & Co - Uitschot

 

De zondag voor Kerst was ik met mijn echtgenote en kinderen op de markt die elke zondagochtend wordt ingericht op de terreinen van de oude slachthuizen in wijk Kuregem, te Anderlecht. Les abattoirs de Cureghem, zoals die plaats het best is gekend door de voornamelijk Franstalige standhouders en bezoekers.

Het was geleden van de laatste zondag van februari van dit jaar, dat we daar nog eens waren geweest. Op deze multiculturele markt, waar je zowat alles vindt wat je nodig hebt of denkt te kunnen gebruiken. Voeding en niet-voeding. In het begin van het jaar waren we er zonder de kinderen. En deed er zich een incident voor dat me toen toch wel even boos maakte.

Vooraleer, na een ochtend kuieren, het uitgestrekte terrein te verlaten, wou mijn vrouw nog op zoek gaan naar enkele producten. Aangezien ik het enigszins beu was om me, uiterst behoedzaam en traag, tussen de mensenmassa te bewegen, stelde ik voor dat ze alleen zou gaan. Ik zou blijven wachten op de plaats waar we ons op dat moment bevonden.

Zo gezegd, zo gedaan. Mijn wederhelft verdween in de mensenzee en ik keek uit naar een plekje om op haar terugkeer te wachten. Ik bevond mij aan het begin van het marktgedeelte met de groenten en fruitstandjes. Ik positioneerde mij met mijn elektrische rolstoel schuin tegenover de hoek van een kraam waar ondermeer olijven en andere (zuiderse) vruchten werden aangeboden.

Door de positie waarin ik stond, kon enerzijds iedereen aan elk product dat op die marktstand werd verkocht en anderzijds bleef er in de gangen genoeg ruimte over voor de passanten. Ik zat daar dus goed, dacht ik. En hield me ledig met het observeren van de mensen die in mijn gezichtsveld kwamen. Zelf was ik die ochtend, als steeds, alweer door honderden mensen 'aangestaard' als ben ik een buitenaards wezen, wat naar mijn weten, nochtans niet het geval is.

Ineens stond daar die standhouder voor me, met het, in het Frans uitgesproken, dwingende en dringende 'verzoek' me elders op te stellen, want ik hinderde zijn klanten. Ik weigerde resoluut! En wees die vent op de zee van ruimte om me heen. Toch wou die kerel me nog steeds weg. Ik werd boos! En zei hem mijn gedacht. In het Nederlands! Dat was voor die kerel te veel. Iemand met een handicap die mondig Is en op de koop toe in een taal sprak waarvan hijzelf nog niet eens de basis machtig is, daar had die groentenmarchand zich helemaal niet aan verwacht! En het zich rondom ons verzamelde publiek had hij vast ook liever niet voor zijn kraam. Met mij tot kalmte aanmanende handgebaren, kroop hij terug achter zijn vijgen, olijven en andere dingen die ik niet lust kraam.

Inmiddels was Caroline terug. Maar uit koppigheid bleef ik nog vijf minuten op dezelfde plaats staan. En die vent maar vies lonken. Ik sneerde hem nog toe dat, als hij, in mijn land, in mijn hoofdstad, nog iets tegen mij wou zeggen, hij er voor moest zorgen mijn taal machtig te zijn. De man keek me toen aan als een koe die moet kalveren, of net gekalverd heeft, dus in elk geval nogal dwaas, waaruit ik afleidde dat die sukkel van mijn betoog geen jota begreep!

Dat was dus begin 2008. Nu terug naar zondag jongstleden. Als steeds, was het erg druk op de markt. We slenterden met ons vieren enkele uren rond en deden wat inkopen. Vooral kledij voor Brian en Austin. Die hebben regelmatig nieuw lichaamsbedeksel nodig. Omdat ze in de groei zitten! Zogezegd! En de ouders blijven status-quo qua grootte en moeten het dus maar stellen met de kleding die reeds in hun kast hangt! Zo gaat dat nu eenmaal als je kinderen hebt. En ik heb daar helemaal geen moeite mee.

Het was kort na de middag en we waren reeds op weg naar de uitgang van het, deels overdekte, marktterrein. Ik reed voorop. Iemand moet de leiding nemen, nietwaar?! Mijn rolstoel wiebelde een beetje. Ik dacht dat mijn zoons me aan het jennen waren, dus reageerde niet. Om hun pret te bederven. Hahaha! Er is wel wat meer nodig om me uit mijn tent te lokken!

Ineens hoorde ik hun mama iets schreeuwen. Een overdreven reactie op wat de jongens met me deden? Ik zag ineens iemand van achter mij vandaan komen, en haastig wegstappen. Neen, twee personen zelfs! En niet mijn jongens, maar wel jongelui. Een grote en een kleine. Ik stopte en wachtte op mijn gezellen, om verduidelijking te krijgen over wat er aan de hand was.

De verklaring kwam er snel. Austin had iemand betrapt terwijl die trachtte de rits van mijn rugzak te openen. Austin had onmiddellijk met zijn vlakke hand op dienen gast zijn vingers getikt! De kleinste van de twee, even voordien wegsnellende jongeren. En Caroline had hen kwaad toegeschreeuwd. Had ik onmiddellijk geweten dat die twee wegvluchtende gasten me hadden trachten te beroven, ik had ze terstond aangereden, zodat ze met hun klikken en hun klakken in een groentenkraam terecht kwamen. Met wat geluk, en liefst, in dat van die onsympathieke olijvenverkoper!

Ironisch genoeg had ik, in tegenstelling tot wat ik doorgaans altijd doe, mijn gezellen bij het betreden van de markt, deze keer NIET gewaarschuwd voor zakkenrollers, tasjesrovers en andere straatbandieten. En weerklonk er, net na dit voorval, voor het eerst die dag, uit de her en der opgehangen luidsprekers, een schel klinkende mannenstem die ons waarschuwde op onze hoede te zijn voor gauwdieven!

Je mag van me denken wat je wilt, maar ik heb mijn kinderen aangeraden om, als ze nog eens iets dergelijks zien, zulke kerels dan meteen met hun voet een flinke trap op de kin te geven. Gevolgd door een fameuze schop tussen de benen. De aanval is immers de beste verdediging! En die boeven verwachten geen verweer, weten dat zij in de fout zijn, en zullen steeds trachten er zo snel mogelijk van onder te muizen! Ze zullen vechten om andermans bezit in handen te krijgen, maar niet om hun eer. Want dat hebben die gasten niet; net zo min als normbesef. Vandaar dat het goed kan zijn ze eens een fikse rammeling te geven. Dan houden ze zich vast, op zijn minst, een tijdje gedeinsd!

Met gauwdieven en ander gespuis en uitschot, heb ik totaal geen compassie. Zelfs niet in de  Kerstperiode. Maar ik heb wel expres gewacht met dit verhaal te schrijven en te publiceren tot na Kerstmis. Want ik ben de dagen voor en na Kerstdag toch ook liever bezig met leuke, vredige gebeurtenissen. En met mij het gros der mensen, veronderstel ik. Vrede op aarde aan elkeen die met haar of zijn pollen afblijft van andermans bezit!

Rudi, 27 december 2008 (revisie op 14 oktober 2009)

11-10-09

Rudi's ontboezemingen - Wit – geel – bruin - …

 

De afkeer die sommige mensen hebben ten overstaan van personen met een andere huidskleur, zal ik allicht nooit begrijpen. Dat je er als blanke zelf niet geelachtig wil uitzien zoals een Chinees of een andere Aziaat, dat is verstaanbaar. Want ofwel heb je dan een verkeerde dagcrème gebruikt, of anders is er medisch iets niet met je in orde. Doorgaans een probleem met de lever.

Twee jaar geleden ben ik zelf uit het ziekenhuis gekomen met Hepatitis, een virale leverontsteking. Totaal uitgeput was ik, en elke dag manifesteerde het uiterlijk kenmerk van de ziekte, de zogenaamde geelzucht, zich meer en meer. In de kliniek hadden ze zich daar geen vragen bij gesteld. En de donkere urine en dito ontlasting hadden, bij de verpleegkundigen, ook geen belletje doen rinkelen. Uiteindelijk is het, dankzij de nodige en juiste medicatie, terug in orde gekomen met mijn lever en kreeg ik naderhand ook mijn normale, blanke huidskleur terug.

Een bruin tintje daarentegen, is nog altijd in. Dit ondanks alle waarschuwingen in de media om blootstelling van de huid aan de zon, zo veel mogelijk te beperken. Teneinde de kans op huidkanker tot een minimum te beperken. Toch blijven wij blanken zonnekloppers. In eigen land, of als de zon het hier laat afweten, in het buitenland. En ook het gebruik van de zonnebank blijft immens populair. De mensen willen er gezond uitzien. En veelal oogt een blanke persoon met een (licht)bruin kleurtje inderdaad gezonder!

Toen ik mijn echtgenote leerde kennen was ons verschil in huidskleur totaal onbelangrijk. Zoals ik daarnet reeds meldde en elkeen op de foto in de rechterbovenhoek van deze weblog kan zien, ben ik één en al blank. Mijn vrouw daarentegen, een Afrikaanse, is behoorlijk bruin. Maar dat is nooit een issue geweest bij onze keuze voor elkaar. Alhoewel je bij verliefdheid en liefde bezwaarlijk van kiezen kan spreken. Het is veel meer iets dat je overkomt. En kleur, religie, cultuur, afkomst... zijn op dat moment helemaal niet van belang. Althans bij mij was dat zo. Vooraleer me in het grote avontuur van het huwelijk te storten heb ik evenwel, ondanks mijn verliefdheid,  het voor en tegen ernstig afgewogen, niet de discrepantie in kleur, maar wel het verschil in cultuur en afkomst daarbij ernstig in overweging nemend. De liefde overwon!

Mijn vrouw en ik waren reeds enkele jaren gehuwd, toen plotsklaps een herinnering uit een ver verleden, tot dan toe opgeslagen in een verborgen gedeelte van de dataopslagplaats onder mijn schedelpan, gewoonlijk brein of hersenmassa genoemd, terug aan de oppervlakte kwam. Zonder aanleiding, bij wijze van spreken werd vrijgegeven, door mijn, zoals bij de meeste mensen, deels autonoom opererende hersenen.

Reeds in mijn kinderjaren was bruin mijn favoriete kleur. Hoe donkerder, hoe liever. En in mijn levensjaren ergens tussen kleuter- en tienertijd, wou ik ook zo een huidskleur. Dus nam ik me voor dat, als ik groot zou zijn, ik met een bruine madam zou trouwen. Dan kreeg ik in ieder geval bruine kindjes. En werd ik door veelvuldig (lichamelijk?) contact met mijn bruine partner, mogelijks zelf ook wel mooi bruin. Voor wie er aan denkt het zelf uit te testen, heb ik bedroevend nieuws. Het is verloren moeite. Die huidskleuroverdracht of  -transformatie gebeurt dus NIET! Daarvan ben ik het levende bewijs.

Ja, als ik regelmatig in de zon vertoef, kleurt het gedeelte van mijn lichaam dat de zonnestralen ontvangt, gewild roodbruin. Maar geenszins verkrijg ik, de als kind beoogde, ebbenhouten teint. Dat gekleurde velletje verdwijnt daarenboven uiterst snel, als sneeuw voor de zon, eens de blootstelling aan de stralen van het doorgaans als geel voorgestelde hemellichaam, zon genaamd, voor langere tijd wordt stopgezet. Heden, zowat 35 jaar na die kinderdroom, maal ik daar ook helemaal niet om. Maar ik ben wel gelukkig met de mooie lichtbruine huidskleur van mijn twee zoons! Dat gedeelte van mijn droom is, naast dat trouwen met een zwarte madam, in elk geval, en ongepland, ook uitgekomen!

Rudi, 4 december 2008 (revisie op 26 juni 2009)

04-10-09

De avonturen van Rudi & Co - Avontuur in de avonduren

 

Mijn lotsbestemming blijft verrassingen voor mij in petto hebben. Veel te veel naar mijn zin. Maar als er één zekerheid is in dit aardse bestaan, dan is het wel het feit dat je het lot hoe dan ook niet kan ontlopen.

Eergisteren ben ik met Caroline, mijn echtgenote, naar de middelbare school gewseest, waar onze zoon Brian zijn eerste jaar ASO (Algemeen Secundair Onderwijs) volgt. We waren immers uitgenodigd voor een oudercontact, waarbij ons werd aangeboden, tijdens een persoonlijk gesprek met de leerkrachten, de nodige toelichting te krijgen bij de studieresultaten van onze zoon, tot op heden.

Welkom voelde ik mij bij aankomst aan de school helemaal niet. Want dat plankje, met hellend vlak, om via de hoofdingang in de school binnen te geraken, lag niet klaar. Een attente dame zorgde er evenwel voor dat twee mannen, binnen de kortste keren de ramp voor de dorpel hadden geplaatst. En, eens ik binnen was, ook terug op zijn oorspronkelijke plek legden. Anders zou ik niet tot aan de lift zijn geraakt, die we nodig hadden om in de klaslokalen te geraken, waar de leerkrachten ons te woord zouden staan.

Die lift, dat is zo een oud type, met een vaste, zware, open te draaien deur, en zonder dubbele cabine. Wat betekent dat, eens je in de ascenseur staat en deze met een druk op de knop in beweging hebt gezet, je, aan de kant waar je bent ingestapt, de wand van de liftkoker vervaarlijk aan je voorbij ziet flitsen. Gevaarlijk vind ik dat! Dat systeem zal wellicht beveiligd zijn. Maar wat als die beveiliging faalt? Dan kan je net zo goed mee naar boven worden gesleurd, met alle kwalijke gevolgen van dien.

Aangezien de liftkoker dan ook nog eens aan de kleine kant is, pas ik er alleen maar in als ik mij met mijn rolstoel schuin in deze lift positioneer. Enkel op die manier  kan ik er gebruik van maken. Maar kom, we zijn gewoon van ons plan te trekken en we zijn, met behulp van dat systeem, in ieder geval op de verdiepingen geraakt waar we zijn moesten.

Alles bij elkaar genomen hebben we tweeënhalf (2,5) uur zitten wachten om drie (3) leerkrachten gedurende een vijftal minuutjes te spreken. Die tijd uittrekken en dat wachten heb ik er absoluut voor over, om met de leerkrachten van mijn zoon eens van gedachten te wisselen. Maar er zou wel eens een efficiënter formule mogen bedacht en toegepast worden. Want ik had graag ook nog met enkele andere leraars en leraressen kennis gemaakt. Nu was daar geen mogelijkheid toe. De globaal toegewezen tijd was immers op!

Wel vijf of zes mensen heb ik gisterenavond gezien, die lid zijn van het oudercomité, waarvan ook ik deel uitmaak. Die dames (?) en heer (?) vonden mij blijkbaar niet de moeite waard om gedag tegen te zeggen. Was het misschien omdat mijn echtgenote erbij was? Die heeft namelijk een bruine huidskleur. Er waren nochtans meer ouders met een kleurtje aanwezig. De schoolbevolking is immers nogal heterogeen samengesteld. Nu ja, ik ga mijn hoofd niet breken over de oorzaak en beweegredenen van die mensen hun totaal gebrek aan elementaire beleefdheid. Ten overstaan van Caroline en mij welteverstaan, want andere mensen werden wel door hen begroet. Dus zal het allicht aan onszelf liggen. Of berust dit op een misverstand en hebben die lui mij gewoonweg niet herkend?! ;-)

De leerkrachten daarentegen, zijn vriendelijk, gemotiveerd en vol goede intenties. De ene allicht al wat meer dan de andere, maar ik heb toch de indruk dat de school een goed leerkrachtenkorps heeft. Ook een aantal leerlingen van de hogere jaren lieten zich op deze oudercontactavond van hun beste kant zien. Al heb ik wel mijn bedenkingen bij de nogal onbehouwen wijze waarop ze hun taak uitvoerden. De jongeren gingen immers, in twee ploegen, denk ik, rond om aan de leerkrachten en wachtende ouders soep te bedelen. Wat ik zag en hoorde, was een meisje met een grote, en blijkbaar zware ketel soep. Naast haar een jongen met een grote pollepel, waarvan hij de steel in de ene hand en de schep in zijn andere hand hield, bovenop een aantal van resten soep doordrongen servetten. Niet echt een appetijtelijk aanzicht.

"Moet er iemand soep hebben?" vroeg de jongen. Wie reageerde zei "neen, dank u" of bewoog het hoofd een paar keer van links naar rechts en terug om hetzelfde antwoord te geven, maar dan visueel.  Ook ik bedankte voor het aanbod, dat nochtans niet rechtstreeks tot mij was gericht. Het kan idioot lijken, maar ik zag enkel die twee jongelui en veronderstelde dus dat iedereen uit diezelfde soeplepel moest drinken. Die dan telkens gereinigd werd, vandaar die doordrenkte servetten. Maar mijn mond aan die lepel zetten, wat even voordien ook een wildvreemde had gedaan, dat zag ik helemaal niet zitten. Zulks doe ik niet als ik in Europa ben! Opeens kwamen echter nog twee andere meisjes opdagen, waarvan er eentje een mand droeg met soepkommen, lepels en servetten in. Maar niemand van de ouders kwam op haar of zijn beslissing terug. Ook ik niet.

Niet stoppen met lezen, want mijn verhaal is nog lang niet ten einde. De plot moet nog komen! Tijdens het wachten op audiëntie door de leerkracht wiskunde, merkte ik op dat de gang stilaan leegliep. Diverse leerkrachten deden hun jas aan en vertrokken. Ook de meeste, ten behoeve van de wachtende ouders, in de gang geplaatste stoelen, stonden er nu werkloos bij. Aan Caroline liet ik weten dat ik er niet gerust in was. Dat wij nog met de lift naar beneden moesten en dat ik bang was dat we vast zouden komen te zitten in de lift en alzo opgesloten en achter zouden blijven in een verlaten schoolgebouw. Mijn eega deelde deze vrees niet.

Na het onderhoud met de wiskundeleraar, repten we ons naar de lift. Teneinde van de derde verdieping, waarop we ons bevonden, terug op het gelijkvloers te geraken. Ik reed de cabine schuin in. Caroline kwam naast mij staan, sloot de deur en drukte op de '0'. Er gebeurde niks. Geen van ons beiden stond we voor het oog/de ogen die de deur beveiligen. Dat kon dus niet de oorzaak zijn van de malfunctie. Dus nogmaals geprobeerd. En nog eens. Uiteindelijk kwam de lift dan toch in beweging, om even later met een schok alweer halt te houden, tussen twee verdiepingen in. Op welke knop er ook werd gedrukt, er kwam geen beweging in dat ding. Mijn voorgevoel dreigde bewaarheid te worden!

Caroline probeerde dan maar de lift te laten bewegen door de knop ingedrukt te houden. Eureka! Dat lukte... even. Alweer was de lift met een schok stil komen te staan. De truc met het ingedrukt houden van de knop werkte deze keer niet. Wat nu gezongen? Iemand bellen? Maar wie? En het belkrediet van mijn GSM-kaart was zo goed als opgebruikt. Hopelijk dat van Caroline niet. Maar ik durfde het haar niet te vragen. Gelukkig bleef de licht in de liftcabine branden. Na even gewacht te hebben, kwam er bij het blijven ingedrukt houden van de liftknop uiteindelijk toch weer beweging in de lift en geraakten we zo, in enkele etappes, dan toch terug op de begane grond. Oef! Dat was in elk geval de laatste keer dat die lift me heeft mogen vervoeren. Het risico vast te blijven zitten, neem ik niet meer.

Helemaal buiten geraken via de voordeur was er ook niet meer bij. Vrijwilligers om dat hellend vlak te helpen verplaatsen waren er niet te bespeuren. Gelukkig was de achterdeur niet op slot en kon ik dus in het pikkedonker langs de achterzijde het gebouw verlaten. Als een dief in de nacht. En met gevaar lek te rijden op een onzichtbaar object. Leuk is anders!

Rudi, 8 november 2008 (revisie op 19 juni 2009)

 

30-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 5

 

Een dag later, op dinsdag, de 30ste dag van kalendermaand januari 2007, werd ik, iets na 17u00, met infuus, zuurstoffles, kunstlong, beademing en al de rest dat er bij hoort, op een brancard gelegd, het ziekenhuis uit en een klaar staande ziekenwagen in gerold. En weg waren we, richting provinciehoofdstad. Waar we een kleine drie kwartuur later ter bestemming arriveerden: het algemeen ziekenhuis met de naam van een heilige, die tot voor die benoeming, actief was als evangelist. Waren de vooruitzichten rooskleuriger geweest, dan had ik me vast gevoeld als een medewerker van één of andere consumentenorganisatie, die een vergelijkend onderzoek doet naar de kwaliteit van de Vlaamse ziekenhuizen.

Veel kon ik niet zien van op die van wieltjes voorziene draagbaar, waar ik, door middel van riemen, veilig lag op vast gebonden. Maar ik merkte het wel toen we arriveerden op de plaats waar ik werd verwacht: de afdeling 'intensieve zorgen'. Ook hier allemaal cellen. Maar iets rustgevender dan die waar ik eerder in verbleef. Wat ik zag waren allemaal kleine glazen kamertjes met een, ook al glazen deur in het midden. En een achterwand vol apparatuur.

In één van die hokjes werd ik binnen gerold, en naar het aldaar aanwezige bed getransfereerd. In de hoek rechts van mij stond een computerscherm waarop ik, zoals ik later merkte, een aantal data van de aan mijn lijf gekoppelde toestellen kon aflezen. En rechts bovenaan ontwaarde ik zowaar een groot digitaal televisietoestel. Dat zou vast nog van pas komen om de te verwachten sleur van de komende dagen te breken.

Op een wandklok kon ik aflezen dat het intussen even na 18u00 was geworden. De ontvangst op deze dienst was vrij hartelijk. Of het inbeelding was of niet, dat weet ik, niet, maar het voelde er aan alsof er, in de mate dat dit kan op zulk een afdeling, toch een goede sfeer heerste. Middels mijn letters annex cijferkaart probeerde ik met het personeel te communiceren. Sommigen voelden zich daar onwennig bij, maar deden toch hun best om me te verstaan. Anderen hadden niet het geduld om er aan mee te werken. Gelukkig behoorde die laatste groep tot de minderheid.

De volgende dag kwam één van de longartsen naar me toe. Een vriendelijke, zich eenvoudig gedragende man. Hij stelde zichzelf voor en zei dat hij begreep dat ik van die longmachine af wou en terug wou proberen zelfstandig te ademen vooraleer andere opties in overweging te nemen. Ik knikte van ja.

De arts zij dat er haast bij was! Want hoe langer men wachtte met me opnieuw zelfstandig te laten ademen, hoe kleiner mijn kans op slagen werd. De arts vroeg me op een gemoedelijke toon: "Gaan we het proberen?" Uiteraard knikte ik enthousiast van ja. De man legde me de procedure uit. Hij zou, geassisteerd door een verpleegkundige, eerst nog een bronchoscopie uitvoeren om zoveel mogelijk fluimen uit mijn luchtwegen te verwijderen. Vervolgens zou hij de tubes uit mijn keel halen, waarna men mij maximaal ging beademen met een mond/neusmasker. De eerste 24 uur zouden cruciaal zijn. Het was afwachten of mijn longen in staat zouden zijn om hun taak weer op zich te nemen.

De die dag voor mij verantwoordelijke verpleegster positioneerde me, met de hulp van een stagiaire, zo rechtop mogelijk in bed. Nadat, met een mobiel apparaat, de bronchoscopie was uitgevoerd, begon de dokter met het losmaken van de banden waarmee de tubes in mijn ademhalingskanaal, aan mijn hoofd waren vastgemaakt. De verpleegster hield reeds een masker op mijn neus. De zuurstofstroom voelde hard en koel aan. Bij de volgende handeling van de arts werd een ganse buisconstructie uit mijn mond en keel gehaald en kreeg ik het zuurstofmasker op de mond gedrukt. Met maximale luchttoevoer. En ik begon weer zelf te ademen! Nogal gejaagd, ondanks het feit dat ik innerlijk erg rustig was. Mijn lichaam zou zich moeten aanpassen aan de vernieuwde situatie en een aangepast, rustig ademritme moeten zoeken en hopelijk vinden. Zelf had ik daar weinig invloed op.  Mijn zoveelste strijd was begonnen.

Toen ik een tijdje alleen werd gelaten, trok ik mijn zuurstofmasker enkele centimeters weg van mijn gezicht en probeerde mijn stem uit. Dat lukte. Ik kon weer spreken! Met een rauwe stem weliswaar, maar daar had de longarts me voor verwittigd. En dat zou tijdelijk zijn. Dus baarde mij dit helemaal geen zorgen.

Een tijdje later stond de verpleegster alweer aan mijn bed. Met de bedoeling me een aerosolbehandeling te geven. Mijn bezwaren, gezien mijn negatieve ervaringen ermee in de stadskliniek van mijn woonplaats, werden echter weggewuifd. Op voorschrift van de dokter had ik dit nodig, zo zei ze kordaat, en dus moest en zou ik de kuur krijgen toegediend. Einde discussie!

En ik had er helaas opnieuw dezelfde slechte ervaring mee. Of eerder nog slechter! Wellicht omdat mijn lichaam nog zwaarder verzwakt was geworden. De tweede aerosolbeurt, een uur of vier later, liet ik nog toe, maar toen was het voor mij genoeg geweest. De dokter, waar men na mijn weigering heen holde, deed helemaal niet moeilijk en liet me overschakelen op een andere therapie. Die me niet zo een fysieke last bezorgde.

De eerste avond, nacht en volgende dag waren afschuwelijk. En afmattend! Zelfstandig ademen, zelfs met behulp van die grote hoeveelheid zuivere zuurstof, was geen sinecure. Geconcentreerd moest ik trachtten rustig in en uit te ademen. Op het computerscherm in mijn kamertje kon ik het zuurstofgehalte in mijn bloed volgen. Telkens mijn ademritme even stokte, ging die waarde onrustwekkend naar beneden. Aan slapen kwam ik helemaal niet toe. Eenzaam en alleen lag ik daar te vechten in de hoop deze hel te overleven en in de toekomst alsnog een beetje een menswaardig leven te kunnen leiden. Niet afhankelijk van machines.

Zoals voor mijn opname beloofd, en ook al om de tijd de doden, stuurde ik met mijn mobiele telefoon berichtjes naar mijn thuisverpleegkundigen, kinesist en assistenten. Waarin ik hen op de hoogte bracht van mijn huidige fysieke toestand en de vooruitzichten die er waren. Uitgeput en bang, zoals ik op dat moment was, wond ik er, als naar gewoonte, geen doekjes om en zond ik hen een Sms'je met de melding dat 'mijn toestand uitzichtloos leek en dat ik ten einde raad was'.

Buiten de zorgen over mijn gezondheid was ik ook bevreesd om, na mijn beoogd herstel, bij thuiskomst niet meer in mijn geleidelijk opgebouwde normale routine, met afgesproken tijdstippen van verzorging, therapie en hulp, te kunnen vallen. Omdat bijvoorbeeld mijn vaste momenten inmiddels waren ingenomen door andere personen. Want mijn thuisverzorgers en - assistentes konden toch niet blijven gaten open houden en eindeloos wachten op mijn terugkeer?

Tegen de middag aan deed de dokter zijn ronde. Met in zijn kielzog de hoofdverpleegkundige, de verpleegkundige die me die ochtend had verzorgd, een kinesitherapeut  en nog enkele andere personen. De dokter kwam, samen met zijn gevolg, uiteraard ook bij mij langs. En leek opgetogen over het feit dat ik het eerste etmaal zonder kunstmatige beademing, in medisch opzicht, quasi probleemloos was door gesparteld. Hij gaf orders aan de kinesist om een intensieve therapie op te starten. Vier keer kiné per dag, zo zei de arts. De kinesist knikte braaf instemmend. Maar, zo werd naderhand vlug duidelijk, in de praktijk zou daar weinig van terecht komen. Ik mocht al blij zijn met één behandeling per dag. Wat trouwens bleek te volstaan. Want meer was nogal belastend voor mijn lichaam. Ik was tevreden met een dagelijkse mobilisatie van mijn ledematen en een beetje tapoteren op de borstkast om mijn luchtwegen vrij te houden.

Enkel de eerste paar dagen diende de arts mijn slijmen weg te nemen met zijn mobiel bronchoscopietoestel. Daarna kon ik het nog resterende slijm, waaruit alle slechte beestjes waren verdwenen, ophoesten met, en ook vaak zonder de hulp van de kinesist. De hoeveelheid extra zuurstof werd geleidelijk aan afgebouwd en ik kreeg ze toegediend via een neusmaskertje, wat me meer comfort gaf. Om te spreken bijvoorbeeld. Of om te trachten iets te eten of te drinken.

Toen het artsenteam eens gezamenlijk bijeen tot aan mijn bed kwam en samen met mij mijn toestand besprak, gaf hun nederig gedrag mij een goed gevoel, kwam hun menselijkheid duidelijk naar boven en leek het erop alsof ook zij overtuigd waren van het gegeven dat een patiënt een specialist kan zijn in zijn eigen specifieke problematiek. Verwijzend naar het gemak waarmee ik een bronchoscopie liet uitvoeren zei één van deze specialisten,  al gekscherend: "Binnenkort doet hij alles zelf." Wat ons allen deed glimlachen.

Door de televisie aan te zetten trachtte ik wat kleur en afwisseling te brengen in dat ellendige, eenzame verblijf op "intensieve zorgen'. Maar geen van de programma's kon me ooit boeien. En het nieuws, alsook het weerrapport konden me al helemaal gestolen worden. Steeds weer was het uitkijken naar de bezoekuren. Om 15u en om 19u. Telkens voor maximaal twee personen, ouder van 14 jaar en voor niet langer dan een half uurtje.

Gelukkig kregen we van de hoofdverpleegkundige van de afdeling de toestemming om mijn toen tienjarige zoons tijdens het eerste weekend van februari even bij me op bezoek te laten komen. De jongens keken beduusd en onder de indruk rondom zich en achter mij, naar al die toestellen, knopjes, lampjes, slangen, schermen en zo meer. Mij deed het goed hen even te zien. Per slot van rekening waren zij, sinds die noodlottige operatie in mei 2000, mijn enige motivatie om, ondanks dat verlamde, willoze lichaam, toch verder te gaan met mijn leven. Actief participerend in de maatschappij. Of dat althans voortdurend proberend.

Vaak lag ik 's nachts te ijlen en had ik nachtmerries. De fysieke pijn en het psychisch leed door het missen van de kinderen en mijn onzekere toekomst lagen aan de basis hiervan. Alsook allicht de mij toegediende medicatie. En fantasie en werkelijkheid waren in deze angstdromen dikwijls met elkaar vermengd.

Langzaamaan begon ik terug te eten en te drinken. Eerst een potje natuuryoghurt, later al eens een boterham, en vervolgens ook warm eten. Kleine hapjes die me werden aangereikt door een verpleegkundige, een logistiek assistente of een stagiaire. En waar ik goed op knabbelde, waarna ik het voedsel behoedzaam inslikte... zonder verslikken!

Van papperige drankjes stapte ik af. Want ook het drinken leverde niet langer problemen op. Het was wel even wennen. En ik dronk met kleine slokjes en uiterst omzichtig. Maar ook dat zelfs zonder ook maar de neiging tot verslikken. Oef!

Eens ik wat beter was liet ik ook mijn schootcomputer overbrengen. Op het Internet gaan kon ik niet, maar teksten schrijven en mijn correspondentie en administratie doen, dat ging wel. En alle twee dagen gaf ik mijn laptop mee met mijn namiddagbezoekers, die bij mij thuis het e-mailverkeer uitwisselden, om dan mijn machine met bijgewerkte post, via mijn bezoekers van 's avonds terug aan mij te bezorgen. Een mens moet zijn plan trekken in het leven, hé?!

De dag na mijn aankomst in deze kliniek, werd ook mijn rolstoel overgebracht. En hier mocht die wel in mijn cel staan. Eens ik door de slechtste periode heen was, dus vanaf enkele dagen na mijn aankomst, werd ik er na mijn ochtendtoilet en mobilisatie; steeds in gezet en bleef ik er in zitten tot 's avonds.

Dagelijks werd bloed afgenomen via een permanente naald in een slagader van mijn pols. Met het aldus verkregen bloedstaal werden de bloedgassen gecontroleerd. Een test om de verhouding zuurstof (O2) en koolstofdioxide (CO2) in het bloed te bepalen en het zuur-base evenwicht te controleren.

Bij een gunstig evenwicht verminderde men stelselmatig de hoeveelheid zuurstof die me werd toegediend. Soms drong ik zelf aan op een snellere vermindering van de bijbeademing. Maar als men daarop inging gebeurde het wel eens dat mijn zuurstofsaturatie een duikvlucht nam en ook de bloedgassen slecht waren.

Maar uiteindelijk kwam alles op een aanvaardbaar niveau te staan. De bijbeademing gebeurde, zoals voormeld, dus inmiddels enkel nog via een neusmaskertje dat, tijdens het verzorgen, zelfs werd afgezet. Al moet ik bekennen dat ik naderhand steeds blij was dat ding dat zuurstof aanvoerde, weer terug op mijn neus te hebben. Ondertussen had gelukkig ook de overdreven slijmvorming opgehouden zich te manifesteren.

Op 6 februari 2007 mocht ik naar de verzorgafdeling pneumologie worden overgebracht. Als ik het mij goed herinner heb ik dat gedaan op eigen krachten, dus me verplaatsend middels mijn elektrische rolstoel. Eens buiten mijn kamertje zag ik pas goed de omvang en inrichting van de afdeling I.Z., waar ik een week had doorgebracht.

Op pneumologie kreeg ik een tweepersoonskamer toegewezen voor mij alleen. Want men had ruimte nodig om naast mijn bed ook een tillift en mijn rolstoel een plaats te geven. Mijn kamer was voorzien van een koelkastje en een Tv, en had een groot raam, met zicht op de hemel en enkele boomkruinen. Een allesbehalve spectaculair panorama, maar alleszins veel beter dan die totale geslotenheid op de afdeling waar ik vandaan kwam.

In den beginne was ik niet erg op mijn gemak, zo zonder dat continue toezicht op mijn fysieke toestand, middels allerlei aan mijn lichaam gekoppelde apparatuur en ook visueel. Daarom had ik ook het liefst dat mijn kamerdeur bleef open staan op momenten dat ik er alleen in aanwezig was.

Bezoek kon ik nu dagelijks ontvangen van 14u tot 20u. Buiten mijn naaste familie kwam er evenwel niet veel volk over de vloer. Aan meer visite had ik trouwens ook helemaal geen behoefte.

De pneumoloog die me tot dan toe, tot mijn volle tevredenheid en met een gunstig resultaat, had behandeld, liet de zorg over mij over aan één van zijn collega's, een vrouwelijke arts, die naast pneumologe, ook interniste is, en ooit assistente, of althans een studente was van de longarts die me behandelde in die andere, door mij liefst te mijden kliniek.

Deze arts liet een slaaptest op me uitvoeren, waarna ze me een compact, digitaal bestuurd bijbeademingstoestel voorstelde. Eén met een dubbele werking, en een regelbare luchtstroom, zodat het mijn natuurlijk longmechanisme en ademhalingsritme kon volgen. Het zou voor ondersteuning zorgen bij zowel het inademen als bij het uitademen, zodat het moeiteloos mijn ademhalingspatroon, kon volgen en mij meer comfort bezorgen.

Slapen met het toestel ging eigenlijk vanaf de eerste nacht reeds prima. Het was wel even slikken toen me werd diets gemaakt dat ik wellicht tot op het einde mijner levensdagen van een dergelijk toestel zou afhankelijk zijn. Steeds slapen gaan met een groot masker op mijn neus was geen prettig vooruitzicht. Maar aangezien mijn wettige echtgenote reeds jarenlang geen interesse meer vertoonde om met mij het bed te delen, was er in elk geval geen partnerprobleem. Het was enkel maar te hopen dat mijn tienerzoons, die af en toe nog eens een nacht doorbrachten in de woonkamer, alwaar mijn bed staat opgesteld, niet door mijn masker zouden worden afgeschrikt.

De kinesitherapeut probeerde een hulpapparaat uit van begin de jaren tachtig: de Vibrax. Een alternatief voor het op de borstkast trommelen met de handen. Het is een toestel dat het uitzicht heeft van een vlakschuurmachine. Het wordt op de thorax gezet en genereert vibraties. Die waren evenwel te agressief, voor mij. Vele uren na de behandeling deed mijn borstkast nog pijn, en voelde ik het in mijn binnenste nog steeds natrillen. Slecht nieuws voor de kinesist wiens job, bij gebruik van dat ding, minder inspanning vergde.

In deze kliniek was de manier waarop het personeel me benaderde en behandelde veel beter dan in het hospitaal waar ik de vorige keer verbleef. Toch moest ik me ook hier dikwijls inhouden om te reageren op stomme uitspraken door verplegend personeel of paramedici. Of opmerkingen te maken over hun wijze van handelen.

Tijdens die talloze, eenzame momenten, overdacht ik de afgelopen nare periode. En diende helaas te concluderen dat ik het hier wel het minst slecht van overal had. Maar dat ik toch in elke kliniek, op elke afdeling, af en toe kreeg te maken met medisch geschoold personeel dat ofwel onkundig was, of onvoldoende geïnformeerd, of cru, of uitblonk door een totaal gebrek aan inlevingsvermogen. Buiten hetgeen reeds eerder aan bod kwam in dit verhaal, hierna nog een aantal voorbeelden om dit te illustreren.

Als ik wil urineren, dient men mijn penis vast te houden en er een plaskan ofte urinaal onder te houden. Ze deden dan handschoenen aan. Omwille van de hygiëne. Eens mijn blaas was geleegd, ging men de gebruikte urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er meestal niet bij. Tenzij ik daar uitdrukkelijk om verzocht. Vervolgens werd de plaskan nogal vaak netjes gedeponeerd tussen de pralines en de fruitmand. Hygiënisch?

En als ik hen niet vroeg om mijn piemel na het plassen af te deppen, dan stopten ze gegarandeerd mijn nog nadruppelende jongeheer zonder meer in mijn broek. De lust bekroop me dan om hen te vragen of zij hun spleet ook nooit afkuisen nadat ze hebben geürineerd. En of het daar dan naar de avond toe niet ontzettend erg gaat jeuken... en stinken? Maar ik beheerste me telkenmale, want ik was afhankelijk van hen.

Dat ik het verzoek om me te (her)positioneren in bed niet keer op keer vroeg om moeilijk te doen, maar uit noodzaak, om spierpijnen te doen ophouden en doorligwonden te voorkomen, dat kon ik sommigen ook niet aan het verstand brengen. Terwijl anderen net mee nadachten over manieren om me zoveel mogelijk comfort en zo weinig mogelijk fysieke last te bezorgen.

Het fenomeen 'spasmen' was ook iets waar velen blijkbaar niks van afwisten. Dan gaf ik meestal geduldig een bondige uitleg over de oorzaak van deze bij de meeste 'verlamde' personen optredende ongecontroleerde spiersamentrekkingen. Terwijl ik me afvroeg of ze dat dan niet leerden op school? Of waren ze het dan alweer vergeten?

Schort er wat aan de opleiding? Of is die wel compleet en ligt het aan de desinteresse van die individuen? Zelf weet ik het antwoord niet, maar iemand anders misschien wel.

Waar ik ook moeite mee heb is dat, als het eten arriveert terwijl je bezoek hebt, er als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat zij je dus wel zullen helpen. Maar dat wil ik niet! En als ik hierop commentaar leverde, dan kreeg ik steeds de wind van voor. En werd ik in een verdedigende positie geduwd. Maar ik zie niet in waarom ik telkens met mijn gefundeerde redenen voor de dag zou moeten gekomen zijn. Deze zijn mijns inziens immers niet van belang. Ik wil het niet, punt uit.

Uiteindelijk kwam het moment er aan dat mijn artsen me zegden dat, wat hen betrof, ik het hospitaal mocht verlaten, vanaf het moment dat ik mij er zelf toe in staat voelde. Die toch wel 'veilige', 'geborgen' omgeving inruilen voor mijn plekje thuis... het gedacht eraan bezorgde me gemengde gevoelens. Want ik was continue uitgeput en moe, ondanks voldoende slaap. En ik kon de reden hiervan maar niet achterhalen. En ook de artsen noch verpleegkundigen hadden enig idee.

Toch begon ik, als voorbereiding op mijn terug naar huis gaan, op eigen initiatief met het afbouwen van mijn zuurstofafhankelijkheid. Twee opeenvolgende uurtjes zonder, werden er drie, vervolgens vijf. Tot het moment aanbrak waarop ik de arts meldde dat ik inmiddels had bepaald wanneer ik naar huis wou. Een voorschrift voor zuurstof thuis kreeg ik niet. Mijn toestel voor 's nachts moest volstaan.

Wat uiteindelijk de oorzaak is geweest van mijn ganse problematiek, zal ik nooit te weten komen. Maar allicht en vooral hopelijk, kan ik een herhaling ervan voorkomen door veel te drinken, vooral ook na de maaltijden, 's nachts te slapen in een positie waarbij mijn lichaam met de benen omhoog ligt en het hoofd naar beneden, zodat het sinds 25 augustus 2000 in mijn lichaam geplaatste pompje, dat overtollig hersenvocht in mijn nekstreek, rechtstreeks afvoert  naar mijn hart, zijn werk kan doen. En zo voorkomt dat mijn ruggenmerg in verdrukking komt, met functieverlies als gevolg. En tot slot zal ongetwijfeld ook bijzonder preventief werken, het gebruik van het toestel dat me 's nachts helpt zo veel longblaasjes als mogelijk met lucht te vullen en derhalve te laten functioneren. Wat hoe dan ook bevorderlijk zal zijn voor mijn lichamelijke conditie. En maar hopen nooit geen snotvalling, verkoudheid of andere (vies) slijm producerende ziekte op te lopen!

Op woensdag 14 februari 2007 verliet ik de kliniek. Op Valentijnsdag. Een mooi moment om naar thuis te komen. Waar ik in de late voormiddag arriveerde. Met een via de mutualiteit besteld rolstoelvervoer. Uiterst moe en uitgeput. Juist op tijd om samen met de andere leden van mijn gezin, het middagmaal te nuttigen.

Gelukkig kon mijn verpleegkundige en paramedische verzorging nog steeds gebeuren op dezelfde tijdstippen als voor mijn ziekenhuisopname. Terug in mijn eigen omgeving zijn deed me goed. Maar zo helemaal zonder extra zuurstof ademen deed raar en maakte mij onzeker. Zou ik het blijven redden zonder bijbeademing? En die loomheid bleef ook de volgende dagen in mijn lijf zitten. Koorts had ik niet. Maar mijn urine en ontlasting waren donker gekleurd. En mijn huid kleurde gelig.

De eerste dagen zat ik alweer vaak in de inkomhal van ons huis. Want daar kon ik naar wat extra zuurstof snakken. Soms liet ik ook mijn bijbeademingstoestel overdag over mijn neus plaatsen. Om toch maar wat extra zuurstof in mijn longen te krijgen. Want de slijmvorming behoorde dan wel tot het verleden, maar mijn luchtwegen hadden de afgelopen maanden enorm afgezien en hadden tijd nodig om er weer bovenop te komen, zich te herstellen naar de toestand van voordat die problematiek optrad!

Omdat ik me elke dag meer vermoeid voelde en mijn urine en stoelgang een uiterst rare kleur hadden, belde ik mijn huisarts op met de vraag om eens langs te komen. Wat gebeurde. Een bloedonderzoek bevestigde een dag later zijn, en eigenlijk ook mijn vermoeden en dat van mijn thuisverpleging. Ik had Hepatitis, een virale leverontsteking.

Eens die diagnose was gesteld, en de vereiste medicatiekuur was gestart, voelde ik me meer gerust. Maar ik was wel totaal uitgeput. En elke dag manifesteerde het uiterlijk kenmerk van de ziekte, de zogenaamde geelzucht, zich meer en meer. In de kliniek hadden ze zich daar geen vragen bij gesteld. En de donkere urine en dito ontlasting hadden, bij de verpleegkundigen aldaar, eigenaardig genoeg, ook geen belletje doen rinkelen. Uiteindelijk is het, dankzij de nodige en juiste medicatie, dus terug in orde gekomen met mijn lever en kreeg ik naderhand ook mijn normale, blanke huidskleur terug. En door ook deze ziekte te doorstaan en te overleven was ik in staat tot het doorvertellen van het ganse verhaal, waarvan dit de laatste woorden zijn.

Ru(sh)di(e), 28 februari 2007 (revisie op 30 september 2009)

15-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 4

 

Toen ik de kliniek verliet had ik een zuurstofsaturatie van 90%, daar waar de nnormaalwaarde voor volwassenen tussen de 93 en de 100 % ligt. Die waarde was dus te laag. Voor hen die geen medische achtergrond hebben, geef ik mee dat, simpel uitgelegd, zuurstofsaturatie het zuurstofgehalte in het bloed aangeeft. Ook het koolzuurgehalte in mijn bloed was niet goed; het lag te hoog. Eigenlijk was ik dus helemaal niet klaar voor een thuis verblijven zonder bijbeademing en medische opvolging.

Eten ging redelijk goed. Drinken deed ik alleen van met poeder papperig gemaakt fruitsap. Niet te veel evenwel, om mijn darmtransit een beetje onder controle te houden. Het ademen ging echter nog steeds moeizaam. Zuurstofgebrek was een steeds aanwezige medische klacht. Vaak ging ik, warm ingeduffeld met dekens. om geen verkoudheid te vatten, in de inkomhal van onze woning zitten om via de openstaande voordeur toch maar wat extra lucht in mijn lichaam te krijgen. Want daar snakte ik naar.

Voorts had ik te kampen met angstgevoelens. Wellicht ten dele te wijten aan dat asemtekort. En daarbovenop kwam ook nog een totale slapeloosheid. Telkens wanneer ik bijna indutte, schrok ik meteen weer wakker. Wellicht een natuurlijke reflex van mijn lichaam, dat in rust allicht nog minder zuurstof naar binnen kreeg dan wanneer ik in wakkere toestand geconcentreerd zo diep mogelijk in- en uitademde.

Inmiddels had het nieuwe jaar een aanvang genomen. En had ik al anderhalve week niet meer geslapen. Dus contacteerde ik mijn huisarts. Die schreef me, als alternatief voor de 'inslaper' die ik tot dan toe 's avonds innam, antidepressiva voor als slaapmiddel. De inname ervan leverde echter geen resultaat op. Althans niet in de positieve zin. Want die pillen droogden mijn slijmvliezen uit, waardoor ik nog meer ademhalingsproblemen kreeg. Dus consulteerde ik een andere arts, die me een voorschrift bezorgde voor een slaapmedicament dat ik reeds eerder gebruikte. En waarmee ik ook nu succes had!

Slapen kon ik dus weer. Maar de slijmvorming nam wederom toe. Waardoor ik alweer vaak met een reutelende ademhaling, in de deuropening naar adem zat te snakken.

Bij de aanvang van het laatste weekend van de maand januari in kalenderjaar 2007 was ik daarbovenop alweer doodziek. De nacht van zaterdag op zondag bleef ik wederom in mijn rolstoel zitten. Zoon Brian bood spontaan aan om bij mij te blijven waken, zodat hij bij nood de hulpdiensten kon verwittigen.

Het was al na middernacht, toen op die 28ste dag van het jaar 2007, mijn luchtpijp alweer volledig was dichtgeslibd. Geluid maken, klank voortbrengen, kon ik niet meer. Aan Brian deed ik teken de 100 te bellen. Wat de jongen terstond deed. Vervolgens verwittigde hij zijn ma en broer Austin, die op de bovenverdieping van ons huis lagen te slapen.

Zij kwamen net de trap af toen de ambulance arriveerde. De ambulanciers rolden een brancard binnen. Inmiddels kon ik weer een beetje ademen. En spreken. Aan de ambulanciers maakte ik duidelijk dat ik in geen geval liggend wou vervoerd worden. En aangezien mijn rolstoel hun ziekenwagen niet in kon, stelde ik voor dat ik zelf naar het ziekenhuis zou rijden. Als zij me dan zouden volgen, konden ze mij bij ademnood zuurstof toedienen. Of het na contact met de centrale was, dat weet ik niet, maar de ambulanciers gingen akkoord met mijn voorstel.

Zij namen mijn reeds gereedstaande tas met spullen mee in hun wagen. Zelf nam ik in stilte afscheid van mijn gezin en bedekt met een deken om mijn koortsig lichaam warm te houden, vatte ik de tocht aan naar het in mijn woonplaats gevestigde ziekenhuis. De vrouwelijke ambulancier ging te voet met me mee. Haar mannelijke collega volgde ons met de ambulance.

Na enige tijd stapte de vrouw echter ook in de ziekenwagen, want de snelheid waaraan ik reed, zo een 8 kilometer per uur, was toch net iets te snel voor een stapster. Bovendien was dat naast mij stappen helemaal niet nodig. Als het fout ging met me zouden ze dat ook vanuit hun wagen zien. De buitenlucht deed evenwel goed aan mij ademhaling. Het ging moeizaam, maar minder slecht dan toen ik even daarvoor in onze living zat.

Door de verlaten straten van mijn woonplaats reed ik dus de zowat 5 kilometer, richting ziekenhuis, geëscorteerd door een ambulance. De weinige mensen die we onderweg tegen kwamen, keken raar op toen ze ons opmerkten. Ondanks mijn miserie, de benarde positie waarin ik mij bevond en het uiterst onzeker toekomstperspectief, vond ik de situatie toch wel ietwat lachwekkend.

Even na 02u00 arriveerde ik in de kliniek. En werd terstond de mij behandelende longarts uit zijn vrij weekend gebeld. Van de vorige keer had men immers onthouden dat ik enkel met een bronchoscopie kon worden geholpen. Er werd, door een reeds aanwezige chirurg, onmiddellijk een centraal infuus aangebracht en even later, door de toegesnelde longarts, een bronchoscopie uitgevoerd. Waarna ik direct in een bed werd gelegd en naar een kamer op 'Intensieve Zorgen' werd overgebracht en gekoppeld aan diverse apparaten.

De longarts liet me over aan de goede zorgen van zijn collega         van wacht en de verpleegkundigen van de dienst 'Intensieve Zorgen'. De resterende uren van de nacht bracht ik door in een toestand tussen slapen en wakker zijn. Ondanks de toegediende medicatie was ik nog steeds koortsig en voelde ik me enorm ziek.

De korte bezoekmomenten op zondag deden me deugd. Maar mijn gezondheidstoestand was niet beter. Mijn rechterlong kwam steeds weer vol fluimen te zitten en mijn linkse long slibde dicht. Een uiterst hachelijke situatie, waar het continue toedienen van zuurstof, via een mond- en neusmaker, weinig aan kon verhelpen. Het was afwachten of de medicamenten zouden aanslaan. Hoe het verder moest met mij was dus een groot vraagteken.

De ganse dag door bleef ik me ziek voelen en het lastig hebben. Inmiddels had het labo gemeld dat er in mijn slijm en bloed sporen waren gevonden van een bacterie die de longinfectie had veroorzaakt. Waarop men een intraveneuze antibioticakuur had opgestart.

Mijn lichaam deed ook langs alle kanten pijn, wegens het telkens terug te lang in eenzelfde positie te blijven liggen. Er was een te lage frequentie in het wisselen van de drukpunten. En mijn sterk verzwakt lichaam was allicht hoe dan ook gevoeliger voor pijnprikkels.

De arts had blijkbaar voorgeschreven een 'aerosolkuur' bij me op te starten. Er werd me een masker op de mond gezet, waaronder een verstuiver met medicatie was aangebracht. Eens in werking gesteld werden de vernevelde medicamentenpartikels onder hoge druk naar mijn luchtwegen en longen gestuwd. Wat een 10 à 15 minuten duurde. Als ik het mij goed herinner was het de bedoeling dat ik er elke 4 uur zo één zou krijgen. Maar mijn lichaam kon daar helemaal niet tegen. Die behandeling was veel te agressief. Na twee beurten, die mij absoluut geen deugd deden, weigerde ik de derde. De verpleegkundigen wilden evenwel maar niet begrijpen dat mijn weigering tot het verder zetten van deze therapie, gefundeerd was. En behandelden me als een onwillig koppig klein kind.

Ook op zondagnacht diende de longspecialist nog eens te worden opgeroepen om een bronchoscopie uit te voeren. Om tijd uit te sparen had men het toestel reeds naar de afdeling intensieve zorgen overgebracht. En toen de arts arriveerde, werd het mijn kamertje in gerold. Nadat hij me alweer voor een levenseinde had behoed, gaf de specialist opdacht om het toestel niet terug naar zijn vaste plek op een andere verdieping te brengen, maar buiten in de gang op te stellen, schuin tegenover mijn deur. Want hij verwachtte het spoedig opnieuw nodig te hebben.

De volgende dag, de eerste van een nieuwe werkweek, kwam de specialist, van zodra hij een mogelijkheid zag, bij me op de kamer met de melding dat ik hoe dan ook terug naar een andere kliniek moest. Want dat hij, op zijn eentje, in dit kleine stadshospitaal, onmogelijk voor mij kon blijven zorgen. Liefst zag hij me terug naar dezelfde kliniek vertrekken als waarheen ik de vorige maand was overgebracht. Maar aangezien ik daar in geen geval heen wou, ging hij trachten een plek voor me te bekomen in een andere, aan een universiteit verbonden ziekenhuis. Wat ik de arts wel duidelijk maakte was dat ik, noch in deze kliniek, noch elders in zou gaan op de tijdens mijn eerste opname voorgestelde probleemoplossing, waardoor ik zou veranderen in een half bionisch wezen.

Te ziek om ook maar iets te doen, lag ik zieltogend in mijn bed wat naar muziek te luisteren. Onderwijl naar het plafond en de muren starend en geduldig wachtend tot er eens een berichtje verscheen op mijn mobiele telefoon. Naast dat ziek zijn en de benauwdheid wegens ademtekort, had ik ook die dag veel last van pijn aan mijn gehele lichaam, maar toch vooral aan mijn benen, zitvlak en rug. Dit als gevolg van een ongemakkelijke lighouding. Het ziekenhuispersoneel had dan wel, net als bij mijn vorige opname aldaar, gezorgd voor een elektrisch bedienbaar, in hoogte en verschillende standen verplaatsbaar bed, maar de nood aan wisselhoudingen kon daarmee totaal niet worden opgevangen. Af en toe kwam er wel eens iemand van de verpleging me verleggen, en wat kussens onder mijn benen en achter mijn rug stoppen, maar te meer daar ik niet echts iets had dat mijn gedachten kon afleiden van deze pijn en dit probleem, bleef het lastig. Eten deed ik niet, waardoor ook die momenten er niet waren als verstrooiing.

Maar het meest tergend was die reutelende ademhaling van me te horen, en het voortdurend moeten naar adem snakken. Enkel bij hoge nood mocht de arts worden opgeroepen, zo was me gezegd door het verplegend personeel. De dokter had me ook persoonlijk gevraagd om te trachten het zo lang mogelijk zonder zijn hulp te stellen. Want telkens met die buis in mijn luchtwegen gaan en fluimen wegzuigen, hield diverse gevaren in. Zoals beschadiging van mijn stembanden of longen. Maar het enige dat ik kon doen was rustig blijven en zo diep mogelijk in- en uitademen. In mijn fysieke toestand was dat op zich al een ganse prestatie.

De arts was weg. Maar het feit dat ik, vanaf de plaats waar ik lag, in de gang de machine zag staan waarmee de arts, in het geval dat hij, na een oproep, bij aankomst in de kliniek, onmiddellijk de levensreddende handelingen op mij kon uitvoeren, bezorgde mij, op geestelijk vlak, enige geruststelling.

Maar het veranderde natuurlijk niks aan mijn lichamelijke toestand. Die niet stabiel bleef, maar erop achteruit boerde. En ik kon er niks aan doen. En lag reutelend naar adem te snakken, met een continue open mond, in de hoop op die manier toch maar zoveel als mogelijk zuurstof tot aan mijn longen te krijgen. Helaas, mijn lichaam hield het niet vol. Ik diende alweer op mijn bedbelletje te drukken, dat ik voortdurend in mijn hand hield om bij nood de verpleging tot aan mijn bed te kunnen krijgen.

Met twee kwamen de verpleegkundigen mijn kamer binnen. Ze zagen zelf ook wel dat ik er slecht aan toe was. Eén van hen ging onmiddellijk de dokter bellen. En bracht even later het bronchoscopietoestel mijn kamer binnen. Geluid kon ik niet meer produceren. Het begin van een verstikking was ingetreden. Nog net zag ik de arts arriveren en, na een vluchtige blik op mij te hebben geworpen, zijn kiel aandoen. Vooraleer ik, door zuurstofgebrek, het bewustzijn verloor.

Toen ik weer ontwaakte stond er een arts aan mijn bed, een cardiologe. Ze vertelde mij dat zij en haar collega, de pneumoloog, me een beetje hadden geholpen. De longarts had mij geïntubeerd, dus een buis in mijn luchtpijp aangebracht en gekoppeld aan een machine, die het werk van mijn longen had overgenomen. Spreken zou ik niet kunnen. Er was ook een blaassonde ingebracht. Mijn enige nog beperkt functionerende arm was vastgebonden. Om te vermijden, aldus de arts,  dat ik de buizen uit mijn mond en keel zou trachtten te trekken, met op zijn minst ernstige letsels en in het slechtste geval mijn dood tot gevolg.

Hoewel ik wist dat mijn longarts in de kliniek waar ik op het einde van het vorig kalenderjaar boos mijn biezen had gepakt, zijn collega in deze kliniek steeds op het hart had gedrukt nooit over te gaan tot intuberen of tot een tracheotomie (het aanbrengen van een buisje in de luchtpijp via een snede in de hals),  had deze laatste het deze keer dus wel gedaan. Allicht vrezend dat hij me anders niet in leven had kunnen houden.

Maar ik vond het allemaal best. Ik voelde me 'zalig'. En had ik in staat geweest te spreken, wat door die buizen in mijn keel dus niet kon, dan had ik mijn pneumoloog gemeld dat hij, wat mij betrof, gerust zijn eerder voorgestelde plannen ten uitvoer kon brengen. Een tracheotomie voor continue kunstmatige beademing, een canule voor praten met een spraakmodule, een sonde voor het kunstmatig voeden,... ik zag het allemaal zitten! En toen mijn hand werd vrijgemaakt bevoelde ik het systeem dat aan mijn mond vast zat wel even, maar ik dacht er nog niet aan er aan te prutsen, laat staan het te verwijderen.

Veel later ben ik pas tot het besef gekomen dat ik mij toen zo gelukzalig voelde omdat ik zwaar was gedrogeerd. Ik verkeerde ook voortdurend in een toestand tussen slaap en doezelig wakker zijn. Maar bij de pakken blijven zitten was er ook in deze toestand, bij deze conditie niet bij. Toen mijn ouders op bezoek kwamen, slaagde ik er tijdens dat kwartiertje wonderwel in hen duidelijk te maken dat ik graag zou gehad hebben dat zij op een kartonnen blad A4-formaat alle letters van het alfabet zouden plaatsen, alsook de cijfers van 0 tot 9, zodat ik middels het aanduiden ervan woorden en zinnen zou kunnen vormen, waardoor ik terug met iedereen zou kunnen communiceren!

Die brave mensen hadden het begrepen en reeds bij hun volgende bezoek hadden ze het gevraagde mee. Exact zoals ik het had gevraagd, en zelfs geplastificeerd! Ik duidde letters aan, die zij opschreven. Feilloos werkte het niet, maar het systeem functioneerde toch redelijk goed. Alhoewel er soms wel sprake was van een communicatiestoornis. Mijn 'gespreks'partner begreep op zulke momenten niet wat ik wou 'zeggen', terwijl ik langs geen kanten begreep waarom dat zo was. Ook alweer later zou ik tot het besef komen dat ik, onder invloed van de hallucinerende middelen die me werden toegediend, vaak verwarde of onzinnige taal 'sprak'.

Inmiddels werd me ook duidelijk gemaakt dat ik dringend elders heen moest. En aangezien ik niet terug naar die universitaire monsterkliniek wou, waar ik eerder verbleef, was men elders op zoek gegaan en had men inmiddels een ziekenhuis gevonden dat me kon en wou opnemen. Ook één dat is gevestigd in onze provinciehoofdstad. Met een uit  diverse specialisten bestaande dienst pneumologie.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 28 februari 2007 (revisie op 14 september 2009)

10-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 3


Het exact aantal dagen dat ik doorbracht op 'I.Z.', dat kan ik me niet herinneren. Een kleine week, vermoed ik. Maar uuiteindelijk mocht ik dan toch verhuizen naar de verzorgafdeling pneumologie. Wat was ik blij weg te zijn uit dat zottenkot! Maar op de verpleegafdeling waar ik toen terecht kwam, en waar in de decoratie en aankleding van de kamers de kleur geel gelukkig niet (meer) domineerde, ging het er eigenlijk helemaal niet beter aan toe, zo zou ik spoedig merken.

Mijn oom had mijn rolstoel reeds overgebracht. En omdat ik die perse in mijn kamer wou, had men het tweede bed er uit verwijderd, zodat er wat manoeuvreerruimte was. Want gebruik maken van de techniek van de transfer middels een draaischijf, dat zagen de verpleegkundigen op die afdeling niet zitten. Sukkels! Om mij te verplaatsen van bed naar rolstoel en omgekeerd, hadden ook zij dus een tillift nodig.

Elke dag, na gewassen te zijn, en in mijn pyjama gestopt, werd in dus verplaatst van mijn bed naar mijn rolstoel. Waarin ik dan de ganse dag bleef zitten. Luisterend naar muziek, of werkend aan mijn laptop, die ik had laten meebrengen van thuis. Een televisie had ik ook ter beschikking, maar wat daarop te zien was kon me slechts zelden boeien.

Er werkten op de afdeling een aantal heel lieve verpleegkundigen, jonge en minder jonge. Maar er was daar ook een feeks van een ancien tewerk gesteld, die de werklust van haar collega's en hun aandacht voor de patiënten, niet kon waarderen. En zij zwaaide daar blijkbaar de plak. Zelf de veel jongere hoofdverpleegster had ze blijkbaar in haar macht. Een heel rare situatie vond ik dat. Verplicht lang durende koffiepauzes en verpleegsters die me stiekem kwamen helpen buiten de vaste verzorgtoer.

Met twee schoolgaande kinderen thuis en plots alleen gevallen bij het beredderen van ons huishouden en met het bijkomend probleem van de afstand tot de kliniek, kon mijn vrouw slechts nu en dan en dan telkens maar voor korte tijd, bij mij op bezoek komen. Maar toen ze er dan wel eens was, wou ik dat we rustig konden praten en samen mijn door haar meegebrachte briefwisseling doornemen. Haar belasten met het ontlasten van het ziekenhuispersoneel, was wel het laatste dat ik wou!

Maar deze laatst genoemden dachten daar anders over. Allicht onder de negatieve invloed van die eerder vermelde helleveeg. Lafaards! Tijdens zo een bezoekje moest ik op een gegeven moment plassen. Dus drukte ik op het knopje waarmee een belletje afging in mijn kamer en in het verpleeglokaal en, in de gang, het lampje boven de deur van mijn kamer, rood kleurde. Een minuut of vijf later stak een, al wat oudere verpleegster, haar domme kop binnen en vroeg verveeld of het dringend was, want ze had niet onmiddellijk tijd. Toen ze, alweer een minuut of vijf later, mogelijks waren het er zelfs tien, terug in mijn kamer kwam, zag die trut er nog steeds ontstemd uit. Ze vond het vervelend dat ik niet wou wachten op hulp tot ze een half uur later aan haar late namiddag verzorgronde zou beginnen.

Terwijl ze mijn plasser in de urinaal stopte, en ik enkele keren zachtjes op de zijkant van mijn buik klopte om de boel in gang te zetten, vroeg ze me op gedempte toon, met haar heksenkin wijzend naar mijn, ondertussen documenten invullende eega, of dat niet mijn vrouw was. Terwijl het plassen startte, beantwoorde ik haar vraag met een ja. Waarop dat wijf verontwaardigd repliceerde dat ik mij dan toch door haar had kunnen laten helpen? Waarop ik reageerde met het antwoord dat ik er nog niet aan dacht mijn vrouw, niet tewerkgesteld in die kliniek, een job te laten doen waarvoor de vrouw, die mijn plasser vast hield, werd bezoldigd! Die uitleg viel niet in goeie aarde. Maar dat zou mij een zorg wezen. Mijn echtgenote was niet naar me toe gekomen om me te verzorgen, maar om me te  bezoeken!

Dat mens werkte dan toch de klus af. Propte mijn nog nadruppelende penis in mijn pyjamabroek, zodat die vochtig werd en ging al morrend de urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er alweer niet bij. De, van de nog aan de rand hangende pis, stinkende plaskan, werd met een smak op mijn nachtkastje gedropt. Voor de verandering eens niet naast iets eetbaars. Het dom schepsel verliet boos de kamer. Mijn opmerking dat ze mijn broek had natgemaakt door ongeconcentreerd en onzorgvuldig te werk te gaan, daar antwoordde ze niet eens meer op.

Een poosje later kwam er een logistiek assistente de kamer binnen. Met mijn avondmaal. Die floot ik ook terug toen ze zei dat mevrouw me zeker wel zou helpen? "Neen" antwoordde ik, "mevrouw gaat mij niet helpen. Mevrouw gaat zo meteen naar huis, waar werk op haar ligt te wachten, dat ze zelfs niet eens kan trachten op een ander af te schuiven!" Het wicht keek me even verbaast aan en zei dan dat ze terug bij mij zou komen eens alle maaltijden waren bedeeld. Die vroeg zich wellicht af hoe het kwam dat ik reageerde alsof iets mij misvallen was, terwijl ik nog niet eens iets had gegeten!

Mensen toch, wat een rotte mentaliteit heerste daar op de afdeling! En, hoewel sommige jongere vrouwen ook in hetzelfde bedje ziek waren, betrof het vaak zo van die rijpere vrouwen, die nog net niet in de overgang zijn, en tijdens de periode van hun maandelijkse regels, de last die ze daarvan hebben, milderen voor zichzelf, door de personen die ze worden verondersteld te verzorgen en gerust te stellen, te kwellen met eigen, verzonnen regeltjes.

Of zijn het van die kakmadammen die hun slip of string te hoog hebben opgetrokken, in een ijdele poging daarmee hun loddergat een iets minder neerwaarts hangend en wat strakker aanzien te geven. En de frustratie van het falen van deze truc en de pijn die ze hebben van die snijdende randen van dat ondergoed in hun lies, spleet en reet, uitwerken  op hun patiënten. Ongehoord is dat!

Het kunnen er trouwens ook zijn die voortdurend ongemakkelijk lopen omdat ze heimelijk lesbienne zijn. En door de aanwezigheid van hun talloze vrouwelijke collega's, onophoudelijk opgewonden zijn. Wat zich uit in het steeds vochtig zijn van hun poes, waardoor deze haast onophoudelijk in een toestand verkeert van net niet verzuipen.

Zo, daarmee zijn die gedachten en gevoelens ook eens uit mijn brein gehaald en publiekelijk gemaakt. Voor alle duidelijkheid: in zowel deze kliniek, als die waar ik eerst verbleef heb ik ontzettend veel plichtsbewuste, slimme, inventieve, lieve mensen ontmoet, voor wie geen enkele moeite te veel is. Het heeft niks met leeftijd te maken. Sommige oudere verpleegsters zijn duidelijk uitgeblust, maar meestal zijn dat wel net diegenen die al gans hun carrière liever lui zijn dan moe en totaal geen inlevingsvermogen hebben. Onder de jongere heb je er ook die geen fluit waard zijn.

En soms was het echt wel van dom, dommer, domst. Zo was er een verpleegster aan wie ik uitlegde hoe ik het liefst werd gewassen. En dat ik tijdens de wasbeurt graag een badhanddoek over me heen had. "Geen sprake van" luidde haar repliek, "want dan kan ik niet zien wat ik aan het doen ben!" Het huilen stond me nader dan het lachen terwijl ik dat kalf dan toch maar rustig en geduldig uitlegde dat het lichaamsdeel dat ze waste uiteraard wel mocht worden ontbloot. Ze keek me nog steeds 'het niet begrijpend' aan. Gelukkig kwam er toen net een collega van haar mijn kamer binnen en deed die het haar even voor.

Een andere keer stonden ze met vier aan mijn bed om me te verzorgen. Een mannelijke en een vrouwelijke verpleegkundige en twee verpleegstertjes in opleiding. Zoals ik bij aanvang van dat toilet had kunnen voorspellen, ging het helemaal mis. Ze stonden gedurig in elkaars weg, of de ene wreef zeep op een lichaamsdeel dat de andere reeds had afgespoeld en afgedroogd, en bij het op mijn zij draaien werkten ze elkaar ook ongewild tegen.

Men was nog bezig met mijn verzorging toen er een vijfde collega verscheen. "Ha, jullie zijn bezig met vier", zei ze "Zoals bij hem thuis!" De mannelijke verpleger keek diep verbaast en ongelovig, eerst naar zijn collega en toen naar mij. En vroeg vervolgens of ze mij inderdaad met vier kwamen verzorgen. Zijn collega antwoordde in mijn plaats: "Dat heeft mijnheer mij toch gezegd!"

Ik had die dame inderdaad tijdens een eerdere verzorgingssessie gezegd dat er bij mij thuis vier verpleegkundigen over de vloer kwamen. Waarop zij blijkbaar verkeerdelijk had verondersteld dat die steeds allemaal samen mijn verzorging deden. Dus legde ik nu aan die domme geit en de vier anderen uit dat er inderdaad vier verpleegkundigen kwamen om mij tweemaal daags te verzorgen, maar dat ze werkten in een roulatiesysteem, waarbij er telkens slechts één van hen aan mijn bed stond.

Wat mijn fysische toestand betreft, was die ongewenste slijmvorming jammer genoeg niet weg gebleven bij het wisselen van afdeling. De frequentie van me in een toestand van ademnood bevinden was gelukkig wel reeds afgenomen Maar af en toe zaten mijn luchtwegen terug vol met taaie, hardnekkige slijmen.

Zo ook de tweede nacht van mijn verblijf op pneumologie. Ik verwittigde de verpleging middels mijn bedbelletje. De kinesist van wacht werd er bij gehaald. Die kwam pas een hele tijd later. Naar eigen zeggen omdat hij eerst nog op intensieve zorgen had moeten assisteren bij de reanimatie van een kindje. Een actie met een succesvol resultaat, overigens. Ook mij kon de man helpen. Middels tapoteren, gebruik van de kuchassistent en aspireren, verloste deze paramedicus me van de mij kwellende slijmen.

Toen ik de volgende nacht weer last had van slijmvorming, wou de nachtzuster evenwel de kinesist niet oproepen. Twee dagen na elkaar, voor hetzelfde probleem, dat kon volgens haar niet. Tenzij het echt dringend was en dus niet anders kon. Volgens haar was mijn bijna in het slijm stikken dus niet echt urgent?! Ze vond de nachtrust van de kinesist belangrijker dan mijn ademnood. En begon zelf op een amateuristische wijze te knoeien met de cough assistent en een aspiratietoestel.

De nachtverpleegster zei dat de mensen van de wachtdienst niet te veel mochten gestoord worden, want ze hadden niet graag dat ze telkens weer uit hun slaap werden gehaald. Worden die dan niet betaald om wakker te blijven? Ja, toch? Maar ik weet wel hoe dat in elkaar zit hoor. Zij hebben vaak ook een privépraktijk. En als ze dan 's nachts een wachtdienst 'lopen' zonder 'oproepen', dan kunnen ze de ganse nacht door slapen en uitgerust en met een frisse kop de job in hun privépraktijk aanvatten. En is het extra inkomen uiteraard gemakkelijk verdiend!

Op zich kan je het die mensen niet kwalijk nemen gebruik te maken van de hen aangereikte mogelijkheden. Maar dat men' hen ontziet ten nadele van de patiënten, dat vind ik helemaal niet logisch en normaal. Maar dat systeem is blijkbaar de ziekenhuiscultuur binnen geslopen en wordt als logisch aanvaard. Misschien zelfs vaak zonder dat zij die er profijt van hebben, er ook van op de hoogte zijn.

Enkele dagen na mijn aankomst op de verzorgafdeling, trachtte ik geleidelijk aan weer te eten. Het voedsel werd me gegeven door een verpleegster, een verzorgende, een logistiek assistente of een stagiaire in opleiding voor één van voornoemde beroepen. Doordat zij het eten in mijn mond stopten, kon ik mij zelf volledig concentreren op het kauwen en doorslikken van het voedsel.

Drinken zonder verslikken, dat lukte niet. Tot een vriendin van me, die verpleegster is, met de suggestie kwam om mijn drankjes middels een poeder te verdikken, en dus papperig te maken. Dus vroeg ik daar naar bij de verpleging, die een doosje van dat spul voor mij bestelde bij de centrale apotheek. Waardoor ik er reeds enkele uren later de beschikking over had.

Met dat poeder verdikt water drinken zonder me te verslikken, lukte. Maar dat papje was slecht van smaak! Koffie met dat poeder was verschrikkelijk! Enkel fruitsap was drinkbaar en behield ook enige smaak.

Toen mijn toestand nog wat meer was verbeterd mocht ik ook al eens mijn kamer verlaten. En aangezien het weekend was en mijn kroost bij me op bezoek was, kon ik met hen op 'stap'. Een kleine zuurstoffles werd in een daarvoor gemaakte rugzak gestopt, die één van mijn zoons op de rug nam. Zo bleef ik voorzien van wat extra luchttoevoer, middels een neusmasker, verbonden aan die fles. De zakken suikerwater en medicatie, die aan mijn infuus waren verbonden, werden op een mobiele, verrolbare houder bevestigd, die mijn ander zoontje voor zich uitduwde.

Aldus vertrokken we op wandel. Mijn zoon vond het rondstappen met die zuurstoffles in een tas op zijn rug best cool! Het zag eruit als de luchtvoorziening bij een duiker. Zelf vond ik de door de luchtslang teweeg gebrachte fysieke verbondenheid met en de afhankelijkheid van mijn zoontje, best aangenaam. Zou dat continue afhankelijk zijn van zuurstof trouwens mijn nieuwe toekomst zijn?

Wat mij helemaal ontstemde was het feit dat men luidop plannen maakte om me enige tijd te laten revalideren in het centrum waar ik, als jonge dertiger, na die desastreuze nekoperatie, in de jaren 2000/2001 anderhalf jaar van mijn leven doorbracht. De arts die verantwoordelijk was voor de verdieping waar ik nu verbleef was gelukkig een goeie man. Eén die luisterde naar wat ik te vertellen had en er ook naar handelde. En mij geenszins wou dwingen tot iets waar ik niet voor te vinden was.

Aangezien er blijkbaar geen enkele specialist in 'huis' was die ook maar enig idee had van wat de oorzaak was van mijn problematiek, had ik, na veel nadenken, wat geen probleem was aangezien ik alle tijd voor handen had, en grondig lezen in mijn medische encyclopedie, zelf een eigen diagnose gesteld. En hieromtrent vervolgens een theorie ontwikkeld, waarmee ik voor de dag kwam toen de arts met zijn gevolg op ronde was en daarbij mijn kamer aandeed.

Om zeker niks te vergeten zeggen of vragen, had ik alles wat ik in gedachten had, op enkele papiertjes laten noteren door mijn bezoekers en al eens een verpleegster, of een studente verpleegkunde. Zelf met een pen schrijven kan ik door die verlamming immers niet meer, en ik had geen printer bij de hand om mijn laptop te gebruiken en de daarop neergetypte ideeën dan uit te printen. Bovendien was het praktisch gezien niet steeds mogelijk om van mijn schootcomputer gebruik te maken.

De dokter kon zich vinden en was bereid me te volgen in mijn visie dat zelfs een niet medisch opgeleide patiënt, in casu ik, toch de beschikking heeft over de meeste kennis van diens eigen lichaam, het eigen medisch levensverloop en ziektebeeld, en mogelijks de juiste conclusies kan trekken uit wat hij voelt en weet, of althans de behandelende arts naar de juiste denkpiste kan leiden.

Zo kon ik dus mijn met redenen omklede opinie uit de doeken doen. Het had er naar mijn mening alle schijn van dat het niveau van mijn nekletsel zich steeds meer hogerop verplaatste. Wat ik afleidde uit de volgorde van de lichaamsfuncties die (deels) uitvielen. Er was de zindering in mijn linker arm, een verminderde werking van mijn slokdarm, middenriffunctie & longen die faalden... Waaruit ik concludeerde dat de oorzaak van mijn problematiek mogelijks zou kunnen te vinden zijn in een opeenhoping van spinaal vocht langsheen mijn ruggenmerg.

Om mijn theorie en vermoedens naar juistheid te toetsten, achtte ik het nuttig enkel gespecialiseerde onderzoeken te ondergaan. Een sliktest en röntgenfoto's, CT-scan & NMR-scan van mijn nek. De arts stemde er mee in en gaf orders aan zijn assistenten om de afspraken te regelen. Inmiddels was Kerst in aantocht. Wat de dokter betrof mocht ik deze dagen thuis doorbrengen, en daarna terug komen. Maar ik prefereerde te blijven tot alle bijkomende onderzoeken waren verricht. En ik het resultaat van de slikfunctietest door de neus-keel-oorarts zou gekregen hebben, en een onderhoud had met de neurochirurgen, om op basis van feiten, RX-foto's & CT-scan voorlopige conclusies te trekken. Want, gezien de lange wachtlijst voor dit onderzoek, zou het nog wel enkele weken duren vooraleer een NMR-scan zou kunnen genomen worden.

Ik verzocht de arts evenwel reeds het centraal katheder te laten verwijderen aangezien daar geen nood meer aan was, gezien het feit dat ik reeds sinds enkele dagen at en dronk en geen intraveneuze medicatie meer kreeg toegediend.

Tevens meldde ik de man nog steeds in afwachting te zijn van de beloofde ademhalingstherapie en hoestoefeningen. En het aanleren en geven van instructies aan de mensen uit mijn omgeving om mij te helpen met hoesten. Door het drukken op mijn borstkast bijvoorbeeld?

En dat ik een antwoord wou op de vraag wat ik, eens thuis, moest aanvangen indien ik me verslikte of als gevolg van een andere factor, in ademnood geraakte. In mijn eigen woning had ik immers geen kuchassistentietoestel, noch een aspirator. Uiteraard bleef de man me het antwoord op deze vraag schuldig. Er zou worden nagekeken waar in de buurt van mijn woning een therapeut was gevestigd die een kuchtoestel bezat en deze techniek toepaste. Hoe ik, niet over een eigen voertuig beschikkend, op God weet welk onmogelijk tijdstip dat ik er dringend nood aan had, dan tot aan die praktijk zou geraken, mocht Joost weten. Want de dokter wist het niet.

Op mijn vraag om zuurstof voor te schrijven voor bijbeademing 's nachts ging de arts niet in. Dat ik tijdig diende verwittigd te worden bij een nakend ontslag zodat ik bijtijds vervoer kon regelen, daar zou hij de hoofdverpleegster over laten waken.

Dat tot na de Kerstperiode in het ziekenhuis blijven was een foute beslissing, zo bleek achteraf. Want eens die hoofdarts, die blijkbaar tijdens de Kerstdagen vrijaf had, van het toneel was verdwenen, hadden die pestverpleegster en haar gevolg vrij spel. Nu waren ze nog pissiger omdat ik een dokter had die naar me luisterde. Wat zij klaarblijkelijk niet konden verdragen. Is het niet vanzelfsprekend dat patiënt en arts hun kennis bundelen en samen naar een oplossing zoeken? Voor sommige mensen, zelfs medisch geschoold, dus blijkbaar niet.

Begrijpen die ook niet welke trauma's hun pestgedrag bij de patiënten kan aanrichten? Mogelijks zijn de meeste van hen er zich niet terdege van bewust welke, vaak blijvende psychische schade ze toebrengen door hun houding en gedrag. Wat dit evenwel geenszins rechtvaardigt, Wordt daar in hun opleiding geen aandacht aan besteed? Of hebben die niet opgelet tijdens de colleges waarin het gedrag van de zorgverlener ten overstaan van de zorgvragende werd behandeld? Allicht durven veel mensen, omwille van hun afhankelijkheid, niks te zeggen over onbetamelijk gedrag vanwege het verzorgend personeel of anderen. En doen ze dat ook niet achteraf, eens ze de kliniek hebben verlaten. Net zoals ikzelf redeneren die mensen allicht dat het dan toch geen zin meer heeft en ze hun energie beter aanwenden voor hun verder genezingsproces. En dat ze beter die nare ervaringen vergeten dan er nog verder mee bezig te blijven, zonder dat het hen een meerwaarde oplevert.

Kerstavond bracht ik dus alweer door zonder mijn gezin. Op Kerstdag kwamen ze even op bezoek. Maar het vooruitzicht binnenkort meer te weten over de oorzaak van mijn problemen, en vervolgens hopelijk een doeltreffende remedie te vinden om er een einde aan te maken en een herhaling in de toekomst te voorkomen, verzachtte het leed van het niet gezellig thuis, in gezinsverband kunnen doorbrengen van deze feestdag.

Met mijn longarts had ik afgesproken te wachten met naar huis gaan tot de zaterdag voor oudejaarsavond, een dag die toen op een zondag viel. Hij zou dan op vrijdag een persoon bij me op de kamer laten komen met een nieuw soort van bijbeademingstoestel, dat ik dan thuis 's nachts zou moeten ophebben. Happig was ik niet op het gebruik van zulk een apparaat, want ik had er, op deze dokter zijn advies en voorschrift, jarenlang één ter beschikking gehad. Ter bestrijding van mijn slaapapneu. Dat is een kwaal die, bij hen die er aan lijden, waaronder ik dus, nachtelijke desaturatie veroorzaakt. Wat wil zeggen dat die mens gedurende het nachtelijk slapen verschillende keren stopt met ademen. Telkenmale gedurende tientallen seconden tot zelfs enkele minuten!

Die zogenoemde CPAP (Continuous Positive Airway Pressure - voortdurend positieve druk in de luchtwegen) was een luidruchtig ding, met een veel te krachtige, agressieve druk, die mij bij het gebruik ervan de slaap onmogelijk maakte en een veel te hevige luchtstroom door mijn neuskanaal stuwde, en daarbij ook nog eens mijn slijmvliezen uitdroogde. Waardoor ik al helemaal niet meer kon ademen. En fysiologisch water nodig had om daar iets aan te verhelpen.

Maar het nieuwe apparaat was beter, zo verzekerde de longarts me. Stiller werkend, met een regelbare luchtstroom en voorzien van een luchtbevochtiger.

De laatste twee onderzoeken vonden op dezelfde dag plaats. De woensdag na Kerstdag. Eén voor de middag, en één kort na de middag. Een verpleegster maakte mij klaar voor de verplaatsing per bed, door een deken op mijn lichaam te leggen om me warm te houden, en een kleine zuurstoffles aan het voeteinde van mijn bed te hangen, zodat mijn bijbeademing gegarandeerd bleef. Voor ik vertrok vertrouwde ze me nog toe dat ik er niet op moest rekenen om bij mijn terugkomst nog eens opgezet te zullen worden. Haar boosaardige collega, waar elkeen omwille van haar pestgedrag, schrik voor had, had al luidop en met een reeds bij voorbaat van pret doordrongen stemgeluid, verkondigd dat ze niet zou dulden dat één van hen de namiddagroutine zou verstoren door me in mijn rolstoel te plaatsen.

Zoals dikwijls gebeurt bij onderzoeken, diende ik nogal veel te wachten. En werden de afgesproken tijdstippen niet gehaald. Omdat er al eens een dokter werd weggeroepen, een onderzoek langer duurde dan gepland, er een technisch probleem optrad, er iemand voorrang kreeg omwille van hoogdringendheid...? Weet ik veel. Toen ik, na de onderzoeken, in de namiddag, met behulp van iemand van het patiëntenvervoer, gelegen in mijn bed, terug op de afdeling en in mijn kamer arriveerde, had de bezoektijd reeds een aanvang genomen. Mijn vrouw zat ook al op me te wachten.

Onmiddellijk drukte ik op mijn bedbelletje. En toen na enige tijd een verpleegkundige verscheen, vroeg ik haar vriendelijk om in mijn rolstoel te worden gezet, want daar had ik nu toch wel even nood aan. Als reactie kreeg ik te horen:  "Sorry, maar daar is het nu te laat voor!" En ze sprak die woorden uit vol leedvermaak. Mijn argumentatie dat mijn lichaam daar nood aan had als voorbereiding op mijn naar huis gaan, waar ik op zijn minst 14 uur na elkaar uit bed zou zijn, en ook op mentaal vlak naar enkele uurtjes opzitten verlangde, daar luisterde ze niet eens naar. Zij, noch haar collega's hadden tijd om mij uit bed te halen en in mijn rolstoel te zetten, en daarmee basta! Waarop ze snel verdween om haar collega's te gaan vervoegen in het verpleeglokaal dat zich schuin tegenover mijn ziekenhuiskamer bevond. En waarvan het geluid van de leute die ze blijkbaar hadden, doordrong tot in mijn kamer. Ziedend van woede was ik. Toen ik kort daarna de longspecialist door de gangen zag stappen, vroeg ik aan mijn echtgenote om hem achterra te gaan en de man te verzoeken even tot bij mij komen.

Kort daarop was mijn vrouw terug in mijn kamer. Met de arts. Aan wie ik, nog opgewonden, het ganse verhaal deed, inclusief mijn argumentatie. De man vergoelijkte evenwel al lachend de verpleegster. Hij dacht allicht: "die patiënt is binnen twee dagen weg, maar met die verpleegster heb ik nog langer te maken." De arts wou de verpleegster niet sommeren mij toch voor enkele uurtjes in mijn rolstoel te zetten. Die reactie en houding maakten mij zo mogelijk nog bozer. En ontnamen me terstond alle vertrouwen dat ik tot dan toe in die specialist had. Dus zei ik hem dat, als het zo zat, ik niet langer in dat ziekenhuis wou blijven. En er vandoor zou gaan van zodra ik vervoer kon vinden.

De longarts zei me enkel schamper dat ik dan wel dat beademingsapparaat niet kon testen en mee naar huis nemen. Maar dat argument was niet krachtig genoeg om me op mijn besluit te doen terugkomen. De arts kon, wat mij op dat moment betrof, de pot op met dat toestel! En met die feeks van een verpleegster erbij!

Ik belde de vervoersdienst en kreeg geregeld dat ik de volgende dag kon worden opgehaald en naar huis gebracht. Mijn echtgenote verliet het hospitaal en toen 's avonds mijn ouders bij me op bezoek kwamen, gaf ik hen reeds het grootste deel van mijn spullen mee. Zodat het ziekenhuispersoneel de volgende ochtend enkel nog mijn toiletgerief en nachtkledij bij elkaar zouden moeten rapen en in een tas stoppen om met me mee te geven naar huis.

Zo verliet ik op donderdag 28 december 2006 het grote ziekenhuis, en liet me thuis brengen met het door mij bestelde, van een chauffeur voorziene rolstoelbusje.

Het door hoofdverpleegster Fatima in elkaar gestoken eindejaarsconcert, waarop ik was uitgenodigd en dat gepland was voor de volgende dag, op vrijdag, van 15u tot 16u, zou dus doorgaan zonder mijn aanwezigheid. Alsof dat ook maar iemand iets kon schelen.

Toen ik 's avonds thuis wat bekomen was, vroeg ik hulp om mijn tassen te ledigen en stelde ik vast dat men potverdorie was 'vergeten' om me mijn medicatie mee te geven! Dus diende mijn echtgenote die avond nog naar de kliniek te rijden om mijn slaappillen en andere medicatie op te halen. Bleek dat ze die gewoon bij hun voorraad hadden gevoegd! Terwijl dat medicamenten waren die ik van thuis uit naar het ziekenhuis had meegebracht!

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 8 september 2009)

31-08-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 2

 

In het algemeen ziekenhuis van mijn woonplaats werd alles in gereedheid gebracht om me over te brengen naar de grote partner in de provinciehoofdstad. In minder dan een uur na mijn akkoord, stonden er al twee jonge, aan dat ziekenhuis verbonden ambulanciers, aan mijn bed, om me op te halen. Mijn corpus werd op de smalle brancard getild en vastgesjord. Mijn tas met spullen kreeg ik op mijn benen gezet. En de zak met suikerwater dat middels een infuus mijn lichaam van het benodigde vocht voorzag, kwam op mijn buik te liggen. Zuurstof kreeg ik via een neusmaskertje dat verbonden werd met een kleine, aan de brancard bevestigde zuurstoffles. Weg waren we, naar de gereedstaande ziekenwagen. Het duo rolde mij met brancard en al in de vrij ruime camionette. De mannelijke helft van het ambulancekoppel kroop vooraan achter het stuur van het vehikel. Zijn vrouwelijke collega kwam gezellig naast me zitten. Een taakverdeling waarbij me niet vooraf om mijn mening was gevraagd, maar die desalniettemin mijn goedkeuring wegdroeg.

En zo verliet ik op die 14de december 2006, kort na het middaguur, het hospitaal in mijn woonplaats, om een goeie 25 kilometers verder in dat ander hospitaal, hopelijk naar voldoening te worden geholpen. De ambulanciers waren aangenaam gezelschap. Het meisje toonde me ook het aspiratietoestel dat ze aan boord hadden en verzekerde mij ervan dat ze er mee overweg kon en me in geval van nood dus zeker kon helpen om ongewenst, mijn ademhaling verstorend slijm, uit mijn luchtpijp te verwijderen. De kans dat dit nodig zou zijn was evenwel klein, want de longarts had net voor mijn vertrek mijn luchtwegen nog eens van fluimen gezuiverd middels een bronchoscopie. Die ik deze keer om God weet welke reden niet mee had mogen volgen op het scherm.

Vooraleer we op onze bestemming arriveerden, vulde mijn vrouwelijke gezel ook nog een inlichtingenblad in, met de antwoorden die ik gaf op de vragen die zij aflas van dit document.

Eens ter plaatse werd ik uit de ambulance gerold, een gebouw binnen gereden, toen de lift naar boven ingeholpen, tot ik op de juiste afdeling arriveerde: intensieve zorgen. Na de nodige plichtplegingen en uitwisseling van documenten, werd ik naar een bed gerold, losgemaakt van de brancard en vlot en probleemloos naar het hospitaalbed getransfereerd. Middels een speciaal daarvoor ontworpen hulpmiddel: een plank met een breedte van een gemiddeld mensenlichaam, waarop een, in de lengte rond deze plank verschuivende doek is bevestigd.

Het ambulanceteam nam afscheid van me en wenste me het beste. Weg geroezemoes en drukte. Maar toen pas hoorde ik een voortdurend getuit en gepiep. Vreselijk irritant. En ik was daar pas. Dat zou wat worden! Daar lag ik dan. Op mijn nieuwe verblijfplaats. Voor wie wist toen reeds hoelang? Nieuwsgierig keek ik rond. Voor zover dat mogelijk was. Zowel links al rechts van mij hing een geel gordijn. En ook voor mijn bed hing er zo één, dat evenwel deels was opzij geschoven. Mijn 'cel' was gevuld met medische apparatuur. En rechts van mijn bed stonden een toetsenbord en een computerscherm.

Aan de overzijde van het lokaal ontwaarde ik enkele cabines, waarschijnlijk identiek aan de mijne. Midden in de ruimte stonden bureaus met daarop grote computerschermen. En aan mijn rechterzijde zag ik vaag een aantal met glas afgeschermde ruimtes. Waarschijnlijk kamers met daarin ook personen die nood hadden aan intensieve verzorging, want zo nu en dan ging daar iemand naar binnen. Na eerst een lapje voor de mond te hebben gebonden en handschoenen te hebben aangedaan. En toen die persoon enkele tellen later terug buiten kwam, werden die dingen terug af- en uitgedaan en vervolgens in een prullenbak gegooid.

Er kwam eindelijk iemand naar me toe. Voorstellen was er niet bij. Mijn pyjama moest uit. Dat was de procedure. Ik weigerde, want zag daar de zin niet van in. De verpleegkundige drong niet aan maar verzekerde me dat men mij de volgende ochtend, na het ochtendtoilet dan wel van outfit zou laten wisselen. Daartegen had ik geen enkel verweer, dus ik zweeg. Ook al omdat het ademen alweer moeilijker begon te gaan. Dat verdomde slijm!

Een kinesist werd er bij gehaald om me te tapoteren op de borst. Dat is met een bepaalde techniek kloppen, om de fluimen los te krijgen. Vervolgens aspireerde hij. De jongeman kende de knepen van het vak. Hij kreeg het slijm vrij gemakkelijk uit mijn luchtpijp. Waarna ik weer wat ademruimte had. Hopelijk genoeg om de nacht door te komen.

En die nacht was vreselijk. De verlichting in de zaal werd gedimd, maar overal brandden en flikkerden er kleine en grotere gekleurde lampjes van de apparatuur verbonden aan de in de zaal geposteerde patiënten. Voortdurend weerklonk een tuten en piepen. En nu en dan ging er een alarm af. Op momenten dat één van de toestellen niet genoeg respons kreeg van het lichaam waaraan het verbonden was, vermoedde ik. En dat zou mij later uit eigen ervaring worden bevestigd. Die keren dat het alarm bij mij afging omdat het zuurstofgehalte in mijn bloed angstwekkend daalde. Doordat mijn longen niet meer gevuld raakten door dat verdomde slijm!

De volgende dag kreeg ik een kattenwas, waarbij helemaal geen rekening werd gehouden met mijn gevoelens noch verlangens. En na deze, nog niet eens de term 'half werk' waardig, activiteit werd me zo een operatieschortje aangedaan, dat veel te klein was! Voor een persoon met dwerggestalte was dat misschien net gepast. Maar allicht doet men die mensen dan een kindermodel aan. Want je aangekleed en op je gemak voelen is op een afdeling IZ blijkbaar niet toegestaan.

Dat dit schortje aanmoet om gemakkelijker de verschillende, aan apparaten verbonden elektroden op je lichaam te kunnen plaatsen is onzin. Dat gaat ook met iets meer textiel om je lijf. En het argument dat het dragen van dat shortje zogezegd is ingegeven vanuit hygiënische overwegingen, is ook nonsens. Een lapje stof dat niet eens je schouders bedekt, slechts net je intieme zone aan het zicht onttrekt en je rug en zitvlak bloot laat... een mensonwaardiger outfit bestaat niet. Verplicht exhibitionisme. En dat alles voor die verpleeglui hun gemak! Triest.

Het steeds maar naar die gele gordijnen moeten liggen turen begon danig op mijn zenuwen te werken. Welke idioot is er in God's, Allah's of wiens naam dan ook ooit op de idee gekomen om die opzichtige kleur te gebruiken? En welke, nog grotere idioten hebben er mee ingestemd en het voorstel goedgekeurd? Als straf zou men ze zelf eens een week in een geelgekleurde cel moeten opsluiten! Gek wordt je daarvan! Bij mij kon dat evenwel niet meer gebeuren, want ik was al gek... van de pijn! En ik moest telkenmale bedelen om pijndovend ijs, dat ik dan op de koop toe meestal niet eens kreeg. Ofwel negeerde men mijn aanwijzingen en plaatste het bevroren water op een plek waar het totaal geen nut had.

En om in plaats van tabletjes pijnmedicatie, via mijn infuus de veel sneller werkende vloeibare variant te krijgen toegediend, daar ging ook eerst een ganse lijdensweg aan vooraf. Onbegrijpelijk, want ik vroeg niet eens zware medicatie. Welke allicht massaal werd toegediend aan de andere personen in de ruimte. Want afgaande van wat ik er zo nu en dan van kon zien waren deze meer dood dan levend.

Af en toe gebeurde het wel eens dat er ineens een ganse resem alarmen tegelijkertijd afgingen. Komende vanuit dezelfde locatie. Dan kwam er langs alle kanten volk aangerend. De gordijnen gingen dicht, maar als de herrie van de overkant kwam, dan kon ik uit de aanvoer van materiaal op karretjes en het zenuwachtig gedoe van verpleegkundigen, artsen en al eens een kinesist, afleiden dat men de persoon in het bed aldaar hetzij trachtte in leven te houden, hetzij er terug leven in te krijgen middels allerlei reanimatietechnieken.

En als er naderhand, als de rust was weergekeerd, nagenoeg geen lichtjes meer schenen aan de overkant, veronderstelde ik dat alle pogingen vruchteloos waren geweest en Pietje de dood de strijd had gewonnen. Wat naderhand werd bevestigd door het feit dat er enkele uren later een leeg bed tegenover me stond. Wachtend op een nieuwe patiënt. En dat duurde nooit lang.

In tegenstelling tot de vorige I.Z.-afdeling waar ik verbleef, waren er in dit ziekenhuis slechts twee bezoekmomenten voorzien. Eén om 15u00 en één om 20u00. En kinderen moesten 14 jaar zijn vooraleer te worden toegelaten. Hier zou ik mijn kroost dus zeker niet te zien krijgen. Het was iedere keer eindeloos wachten op die bezoekmomenten. Van telkens een kwartiertje. Het waren kleine lichtpuntjes in troosteloze, en als oneindig durend aanvoelende dagen en nachten.

Inmiddels was ook mijn rolstoel overgebracht van het ziekenhuis in mijn woonplaats, naar de kliniek waar ik nu verbleef. De I.Z.-afdeling mocht die echter niet binnen. Omdat er geen plaats voor was en deze er ook niet thuishoorde, zo werd me gezegd. Dat ik een andere mening was toegedaan, dat kon niemand van het personeel een snars schelen. Ook niet dat ik bang was dat er iemand zou prutsen aan mijn onbewaakt gestalde rolstoel, in feite een mijn lichaam verplaats- en beweegbaar makende orthese. De stoel naast mijn bed plaatsen zodat ik dagelijks enkele uren zou kunnen opzitten, was helemaal uit den boze. Voor die transfers had men geen tijd en als die rolstoel naast mijn bed stond, zou men te veel moeite hebben om aan mij te werken.

Allemaal nonsens, want er werd nauwelijks naar me omgekeken. Buiten de vlugge wasbeurt 's ochtends en op gestelde tijden een bloedafname, een heraankoppelen van losgekomen elektrodes, en zo meer. Het aspireren werd overgelaten aan een kinesist, want de verpleegkundigen bakten daar niks van. En na een bezoek van de longarts, die ik al van vroeger kende, werd de 'Kuch assistent' ingeschakeld. Dat is een op elektriciteit werkend verplaatsbaar apparaat waaraan een luchtslang zit waaraan een masker is bevestigd, dat op je mond wordt geplaatst. Het toestel stimuleert een kuch door eerst een positieve druk op de luchtwegen te zetten en onmiddellijk erna een negatieve (dus onder-)druk. Waardoor je gaat kuchen. Op het einde van deze drukwissel laat de machine, gedurende een door de operator in te stellen tijd, de luchtwegen  even drukvrij. Waarna de cyclus zich herhaalt. Een aantal keer na elkaar.

Eigenlijk een technisch vrij eenvoudig apparaat, dat men uitsluitend benoemde met de Engelse term 'Cough Assistent'. Allicht om het apparaat, niet veel meer dan een omgebouwde vacuümpomp of zelfs stofzuiger, een meer bijzondere uitstraling te geven. Maar het mag worden gezegd dat ik effectief baat had bij het gebruik ervan. Zelfstandig was is helemaal niet in staat om slijmen op te hoesten, terwijl dat met behulp van dat door de kinesitherapeut bediend toestel, wel ten dele lukte.

Toen ik een keer de drang voelde om stoelgang te maken, meldde ik dat aan de verpleger van dienst. En vroeg om mij rectaal te toucheren. Dat is het manueel verwijderen van ontlasting. Men doet dat door, terwijl je met opgetrokken knieën op je zijde ligt, met de vingers de feces uit je endeldarm te lepelen. Weet je wat de aangesproken verpleegkundige zei? "Laat maar komen. We zullen dat daarna wel opkuisen!" Ik geloofde mijn eigen oren niet! Er werd van me verwacht dat ik 'gewoonweg' mezelf zou onderkakken, waarna ik, en mijn bed, zouden worden verschoond?! Dat kon hij toch niet menen? Maar hij meende het wel! Mijn bezwaren werden simpelweg weggewuifd.

Gelukkig was het loos alarm. Er kwam vrijwel niks. Maar 's avonds werd wel gans de boel ververst. En kwistig dat er werd omgesprongen met papier, lakens en handdoeken! Onverantwoord, vind ik. Hygiëne, akkoord, maar zijn 5 handdoeken, evenveel washandjes en 3 paar handschoenen gebruiken voor één wasbeurt echt nodig?

Wat die weigering om rectaal te toucheren betreft, luchtte ik mijn verontwaardiging bij de hoofdverpleegkundige. Dat was een foute zet. Want als gevolg van die klacht werd ik 's nachts afgedreigd door de nachtzuster. Ik schrok me een hoedje toen die me nors meldde dat, als ik nog een keer mijn bek zou opendoen tegen de hoofdverpleegkundige, het mijn beste dag niet zou zijn.

Daar lag ik dan met pijn en nog op tijd en stond serieuze ademnood, in een vijandige omgeving. Eigenlijk was het al vrij snel duidelijk geweest dat ik op die afdeling niet veel menselijkheid moest verwachten. Elk van de daar werkende verpleegkundigen had slechts een tweetal patiënten onder haar of zijn hoede. Allicht vaak in een toestand van balanceren op de grens tussen leven en dood. Dan zou je toch verwachten dat zij, bij aankomst op de afdeling, voor het aanvatten van hun werkshift, eens even een kijkje zouden nemen om te zien hoe het met die personen was gesteld?

Neen hoor, zij arriveerden, namen hun broodjes uit hun tas, plaatsten die in de koelkast, tokkelden wat op de computer, waar ze mogelijks wel de conditie van hun, op 5 meter daar vandaan liggende patiënt, aflazen, namen deel aan de overdracht door de ploeg voor hen, en kwamen dan een half uur na hun aankomst, tot aan je cel. Om daar wat op de, naast je bed staande computer, te tikken.

Pas toen ik hen zelf aansprak, keken ze voor het eerst mijn richting uit. Vaak een beetje geschrokken. Want gewoon praten deed het merendeel van hun patiënten niet. Die hielden zich doodstil, of waren hoogstens wat aan het ijlen. Als ze bij iemand aan bed kwamen spande dat personeel trouwens altijd eerst een maskertje voor de mond en deed men latex handschoenen aan. Ongetwijfeld noodzakelijk om de verspreiding van kwalijke bacteriën tegen te gaan, maar helemaal niet leuk om telkens zo te worden benaderd. Daar konden zij uiteraard niks aan veranderen, maar ik vermoed dat de meesten van hen daar zelf niet mee in zaten. Later hoorde ik van diverse verpleegkundigen, dat op een afdeling 'Intensieve Zorgen', vaak collega's werkzaam zijn die zich ook reeds tijdens hun studietijd kenmerkten door een asociaal gedrag.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 30 augustus 2009)

31-07-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 1


Het werd een Kerst in mineur voor schrijver dezes. Begin september 2006 raakten mijn longen geïnfecteerd door een virus. Dat zorgde voor kortademigheid. Gezien mijn longcapaciteit, als gevolg van mijn verlamming, bij een normale lichaamsconditie slechts net voldoende is om zelfstandig te kunnen ademen, had ik dus te maken met een ernstig probleem. Eén huisarts, twee specialisten, drie antibioticakuren en een griepvaccinatie verder, kwam daar nog bij dat enorme speekselfluimen in mijn luchtpijp mij bij wijlen in acute ademnood brachten. Zodat ik dreigde te stikken! Omdat ik niet de kracht had om dit slijm op te hoesten. Bovendien had ik bij het eten en drinken ook alsmaar meer moeite om het voedsel en de drank door te slikken.

En mijn lichaam reageerde uiterst heftig telkenmale deze problemen zich voordeden. Als ik door mijn verpleging of kinesist in bed werd gelegd, zette alles zich dicht,. De spieren van mijn buik en middenrif knepen als het ware mijn longen en luchtpijp samen, met als gevolg dat ik dan steeds snakte naar adem en hevig pufte van benauwdheid. Derhalve durfde ik niet meer geheel neer te liggen en trachtte ik in een half zittende positie te slapen.

Begin december ging ik op een zaterdagavond met mijn kroost naar de film. De Nederlandstalige film 'Windkracht 10' werd immers vertoond in het Cultureel Centrum van mijn woonplaats, en ik had voor kaarten gezorgd. Die dag had ik nauwelijks iets gegeten, want ik verslikte me voortdurend, wat angstaanjagend was en me dus enorm veel schrik bezorgde. Doodziek reed ik met mijn twee jongens naar die locatie. Omdat ik dacht dat de film me verstrooiing zou brengen. Tijdens de filmvoorstelling zat ik evenwel voortdurend naar adem te snakken.  En me af te vragen of ik na de voorstelling niet best meteen naar het daar dichtbijgelegen ziekenhuis zou rijden. Maar wat dan met de jongens, zo vroeg ik me af. Vandaar dat ik, na het einde van de film, samen met de fietsende zonen huiswaarts keerde.

Aangezien ik het niet aandurfde om me door mijn thuisverpleegkundige in bed te laten leggen, bracht ik de nacht door, al zittend in mijn rolstoel. Met mijn pyjamavestje aan en een deken over mijn ganse lichaam gelegd. Het was een vreselijke, slapeloze nacht, die ik al reutelend en snakkend naar adem doorspartelde. Op zondagochtend, de derde dag van de maand december 2006, liet ik me, uitgeput en ten einde raad, net voor de middag, met het busje van het rolstoelervervoer, georganiseerd door het locale O.C.M.W., naar het plaatselijke algemeen ziekenhuis brengen. Mijn éne tienjarige zoon reed mee met mij, zijn tweelingbroer en hun mama volgden met de auto. Voor mijn vertrek had ik mijn gezinsleden nog alle medicatie, toiletspullen, pyjama en zo meer in een plastic zak laten proppen.

Ik had hoge koorts en was helemaal op. Angstig, omdat nu en dan mijn luchtpijp nagenoeg volledig dichtslibde, waardoor ik geen enkele klank meer kon uitbrengen en nog nauwelijks kon ademen. Waarbij ik me bewust was van het gevaar dat er ten gevolge hiervan onvoldoende zuurstof naar mijn hersenen zou worden gestuwd, met mogelijks het afsterven van hersencellen tot gevolg. Met extra lichaamsfunctieverlies! Voorwaar geen prettige gedachte.

Daarbovenop was ik ontzettend moe door een gebrek aan slaap, het urenlang luisteren naar mijn eigen eentonige gereutel, mijn terechte vrees voor hersenbeschadiging en het onophoudelijk geconcentreerd ademen om toch nog wat hoogst noodzakelijke zuurstof in mijn corpus binnen te krijgen.

Ik ging binnen via de spoed, alwaar ik goed werd opgevangen door de verpleegkundige van dienst en het geluk had op een dokter van wacht te stoten met een grote luisterbereidheid. Geheel naar mijn wens werd ik niet op een bed gelegd en werd er, door een inderhaast opgeroepen chirurg, een centraal veneuze katheder aangebracht. Een kunststof slangetje, dat in tegenstelling tot een gewoon infuus, niet in een dunne ader in arm of been, maar in een groter bloedvat onder het sleutelbeen wordt aangebracht. Eén van de voordelen hiervan is een grotere bewegingsvrijheid.

Ik kreeg een kamer toegewezen op een verzorgafdeling. Mijn toekomstige kamergenoot keek raar op toen het naast hem staande lege bed naar buiten werd gerold en ik in mijn rolstoel in de plaats kwam.  Ik was nog maar pas geïnstalleerd of men kwam me reeds halen voor het maken van een medische beeldplaat. Er werd een Röntgenfoto genomen van mijn longen. De arts hielp zelf om dit voor elkaar te krijgen omdat deze handeling, met mij in mijn rolstoel, helemaal niet eenvoudig was.

Uiteindelijk achtte men het toch meer aangewezen om me onder te brengen in een box op de dienst intensieve zorgen. Ik kreeg een zuurstofmasker op neus en mond gedrukt, waarna ik het iets minder benauwd had en men verbond mijn lichaam aan allerlei apparaten. Zodoende kon men op allerhande schermpjes continu mijn bloeddruk, hartslag, zuurstofsaturatie en zo meer af kon lezen. Mijn antibiotica, waarvan ik, bang om er in te stikken, de laatste pillen niet meer had ingenomen, werd nu intraveneus ingebracht. Mijn gezinsleden gingen huiswaarts en ik was ervan overtuigd dat ik een dag of drie later hetzelfde zou kunnen doen.

Inmiddels was mijn toestand er uiteraard niet vanzelf op vooruit gegaan. Ik zat afwisselend te hoesten, te puffen en reutelend naar adem te snakken. Met een buisje, verbonden aan een vacuümsysteem, trachtte men via één van mijn neusgaten, of de mond en keelholte, tot bij de fluimen te komen die mijn luchtpijp afsloten, en deze zo af te zuigen. Dit, wat men in vaktermen 'aspireren' noemt, lukte evenwel niet goed. Bij de ene verpleegster ging het nog minder goed dan bij de andere. Slechts nu en dan leidde deze therapie tot enig resultaat. Meestal beschadigde men evenwel met de sonde mijn neus- en keelholte en kwam het uiteinde ervan in mijn slokdarm terecht, in plaats van in mijn luchtpijp. Of werd het pijpje binnengebracht via mijn neus en kwam het er via mijn mond opnieuw uit. Eén iemand slaagde er zelfs in om het buisje langs het éne neusgat binnen te brengen, waarna het er via het andere neusgat uitkwam en vervolgens kwam vast te zitten. 'Oesje' zei ze, 'het zit vast!' Ik talmde niet, nam het buisje uit haar hand en gaf er met alle kracht die ik nog in mijn lichaam had, een flinke ruk aan, zodat het los kwam.

De pneumoloog werd er bijgehaald. Die deed een bronchoscopie en verwijderde middelerwijl zo veel mogelijk fluimen. Meer gedetailleerd ging dit onderzoek als volgt in zijn werk. Mijn tong en keel werden verdoofd middels besproeiing met een bittere vloeistof. En ook in mijn luchtwegen werd wat verdovingsvloeistof gedruppeld. Vervolgens werd er een mondstukje tussen mijn tanden gepropt. En via het gat daarin werd een soepele buis met een diameter van zowat een halve centimeter, met daarin een videocamera en een afzuigbuisje, in mijn mond, via mijn keel, tot in mijn luchtpijp gebracht.

De arts, geassisteerd door een verpleegster, kreeg op een monitor te zien dat bijna al mijn grote luchtwegen waren dicht geslibd. En ik keek geïnteresseerd mee. En zag hoe de specialist de veroorzakers van mijn ademnood wegzoog. Een eerste deel slijmen werd opgevangen in een buisje, zodat ze aan het medisch labo konden worden overgemaakt, voor nader onderzoek. De rest werd opgevangen in een keteltje en zal allicht later bij het medisch afval zijn gedumpt.

Na deze interventie van de arts ging het ademen al beter. En durfde ik me in een bed te laten leggen. Gelukkig mocht ik kinesitherapie krijgen van de persoon die me ook thuis al sinds geruime tijd behandelde. Dat zorgde ervoor dat ik nagenoeg dagelijks toch alvast één bekende persoon aan mijn bed had. En hij deed ook mijn transfer van bed naar rolstoel. Want de nochtans eenvoudige techniek om die handeling uit te voeren middels de draaischijf, die ik van thuis had laten meebrengen, wou het verplegend personeel niet uitvoeren. Wegens 'geen ervaring', wat dan, door de wijze waarop men dit zei, eerder mocht worden geïnterpreteerd als 'geen goesting'

Dus moest ik 's avonds terug in bed met de tillift, ook wel, al dan niet smalend, de 'stalen verpleegster' genoemd. Een omslachtig systeem, waarvoor tevens nogal wat manoeuvreerruimte nodig is. En die was er in die intensieve zorgenkamer niet echt. Er wordt bij deze werkwijze een sterke doek onder je poep en rug geplaatst, de hoeken van die doek worden aan de armen van die lift bevestigd en zo wordt je lichaam dan met een pneumatisch systeem opgetild en kan je worden verplaatst, aan dat ding bengelend als een zak patatten. Een uiterst onprettig en onterend gevoel om het lijdend voorwerp te zijn bij een dergelijk manoeuvre.

En dat die procedure nogal wat tijd en ruimte in beslag nam, dat hadden mijn verzorgsters ook begrepen. Vandaar dat ze voorstelden om mij overdag een papieren luier aan te doen. In mijn eigen voordeel, zo werd me aangepraat. Dan kon ik pissen en kakken als het mij uitkwam. Zonder te moeten wachten op iemand van het verplegend personeel. Als goed verstaander begreep ik dat dit dus was om hen niet te moeten storen! Maar zij niet hoor! Ze konden mij dan wel zo ver krijgen om met een pis- & kakdoek in mijn elektrische rolstoel te zitten, maar als ik moest plassen, mochten ze opdraven met mijn plaskan! En aangezien ik geen vast voedsel at, zou het nog wel even duren vooraleer mijn lichaam ontlasting produceerde.

Waar haalt men het zich toch in het hoofd om een medemens zulk een vernederingen te laten ondergaan omwille van het eigen gemak en incompetentie?

Eten durfde ik niet en dat werd me ook door de specialist ontraden. Maar ik was kloek genoeg en via mijn infuus werden me de nodige voedingsstoffen toegediend.

Doorgaans op mijn eentje in een cel met slechts een klein buitenraampje, waardoor enkel een stukje hemel en een deel van de stam en kruin van een boom was te zien, mocht ik ervaren hoe ontzettend saai en eenzaam het is om in volle bewustzijn op zo een afdeling 'intensieve zorgen' te vertoeven. Je ligt daar in je eentje in een kooi, waarvan ze in mijn geval de glazen deur blindeerden, omdat ik anders mogelijks een glimp kon opvangen van wat zich in een andere cel of op de gang afspeelde. Aangezien ik, sinds die malafide arts mijn lichaam zo onwillig en lam maakte, aan een lichte vorm van claustrofobie lijd, was dit voorwaar niet bevorderlijk om me op mijn gemak te voelen.

Inmiddels zag het er ook niet naar uit dat ik daar spoedig weg zou zijn. En op de momenten dat ik me goed voelde verveelde ik mij enorm! Lezen lukte niet al te best. Ik kon me nogal moeilijk op de tekst concentreren. En zelfs met mijn leesbrilletje op zag ik de tekens slechts wazig. Allicht ten gevolge van de medicatie. Dus vulde ik mijn tijd vooral met het luisteren naar muziek die uit mijn MP3-speler weerklonk, het aflezen van de tijd op mijn GSM en met het wachten tot wanneer er eens iemand mijn cel betrad. Van het verplegend personeel bijvoorbeeld. Of familie, wat drie keer per dag was toegestaan. Om 11u00, om 15u00 en om 19u00. Telkens per twee, en steeds slechts voor een kwartiertje. En bezoek van kinderen onder de 12 jaar werd niet toegelaten. Dus kreeg ik mijn kroost niet te zien.

Aangezien er thuis nogal wat dringend te behandelen onafgewerkte administratie op me lag te wachten en ik ook graag instructies wou geven aan mijn huisgenoten nopens het accuraat opvolgen van mijn inkomend internetverkeer, vroeg ik aan de hoofdverpleegkundige van de afdeling toestemming om mijn vrouw eens voor een langere tijd dan dat kwartiertje te mogen ontvangen. Zodat ze alle papieren en mijn laptop mee kon brengen en ik één en ander kon afwerken en voor de rest aanwijzigen kon geven aan mijn echtgenote, zodat onbetaalde rekeningen of onbeantwoorde brieven ons geen extra problemen zouden bezorgen. Want aan die van mijn wankele gezondheid hadden we op dat moment al meer dan genoeg!

Mijn goed gefundeerde vraag werd vrijwel onmiddellijk positief beantwoord. Aangezien ik blijkbaar voorlopig over de ergste fysieke nood heen was, mocht het al onmiddellijk de volgende dag. Middels mijn mobieltje liet ik dat weten aan mijn vrouw. Dus deden we de dag erna wat gedaan moest worden. Toch alweer een zorg minder voor ons allebei!

Weer een dag later was men nogal laat gestart met me te wassen. Bovendien werkte het jonge trutje van dienst ontzettend traag. Vooral ook omdat ze mijn aanwijzingen niet wou volgen. Als je reeds 6 jaar wordt gewassen door een ander, dan weet je onderhand wel welke handelswijze de beste is. Om je tussen je lamme, spastische benen te kunnen wassen bijvoorbeeld, of om je op je zijde te draaien. Maar als ik een techniek voorstelde, dan werd die suggestie steeds weggewuifd als zijnde niet toepasbaar. Als ik hierop dan repliceerde dat mijn thuisverpleegkundigen dat systeem nochtans sinds jaren succesvol toepasten, dan werd ik de mond gesnoerd met de ridicule dooddoener: "Hier is niet thuis, dit is een hospitaal!"           In mezelf dacht ik dan, dat die locatie toch ook wel 'ziekenHUIS' werd genoemd. Maar ik zweeg stil. Wat baten immers kaars en bril als de uil niet zienen wil?

Ze was nog maar net klaar met me te helpen bij het poetsen van mijn tanden, toen mijn vrouw arriveerde voor het toegestane kwartiertje ochtendbezoek. De verpleegster liet terstond alles liggen en wou er vandoor gaan. Toen ik dat wicht zei dat ze was vergeten de spullen op te ruimen, antwoordde ze gemeen dat mijn vrouw er nu was. En die kon dat toch doen?! Verbijsterd keek ik haar aan. En zei boos en vastberaden dat zulks mijn eega haar werk niet was. Ze mocht potverdikke maar 15 minuten bij me blijven en zou dan in die belachelijke tijdspanne ook nog eens een ander haar werk moeten voltooien?! Nijdig naar ons  kijkend deed ze het dan toch maar zelf. Als ze een langere koffiepauze wou, zo dacht ik bij mezelf, dan moest ze maar leren wat sneller, efficiëntr en productiever te werken.

Vooraleer de kamer te verlaten kon die jonge verpleegkundige het niet laten me te verwijten dat ik verwaand was. Niet begrijpend wat ze bedoelde vroeg ik om uitleg. Bits zei ze daarop dat ik onterecht faciliteiten verkreeg die de andere mensen  op de afdeling niet kregen toegestaan. Zoals bijvoorbeeld het dagelijks in mijn rolstoel worden gezet en het lange bezoek door mijn vrouw, een dag eerder.

Ho maar! Die andere mensen lagen daar doorgaans wel voor slechts één à twee dagen. En meestal na geopereerd te zijn. Opzitten en werken, daar was allicht geen van hen toe in staat. Maar, in navolging van sommige van haar collega's, ontbrak haar klaarblijkelijk het beetje verstand om dat te begrijpen. Dus mijn toch nog steeds uiterst geringe adem verspillen aan dat dom wicht zou zinloos zijn geweest, dus deed ik het bijgevolg niet.

Later die dag meldde ik het voorval, bij afwezigheid van de hoofdverpleegkundige, wel aan haar secondant. Maar die vergoelijkte het gedrag van het meisje. Dat volgens hem 'slechts' te wijten was aan haar jeugdige leeftijd en onervarenheid, gekoppeld aan een te hoge werkdruk. Van dat laatste had ik in al die dagen verblijf op de afdeling nochtans niks gemerkt. Maar ik hield wijselijk mijn mond.

Net geen week na mijn opname leek het dan toch beter met me te gaan en mocht ik verhuizen naar een 'gewone' kamer. Alwaar ik een ganse namiddag bezoek mocht ontvangen. Ook van mijn jongens. En ik liet ze naar de televisie kijken, opdat ze zo lang mogelijk zouden blijven, zonder zich te vervelen. Hen in de buurt hebben deed me goed. Gelukkig was de Sint niet in de war geweest door mijn afwezigheid in huis, en had de goede man op 6 december toch hun gereedstaande schoentjes gevuld.

Méér dan één dag hield ik het niet vol op de verzorgafdeling. 's Avonds was het al weer zover. Ademnood door slijmvorming. De vrouwelijke verpleegkundige van dienst probeerde ze vruchteloos weg te zuigen middels een mobiele aspirator. Maar de taaie slijmen wilden niet lossen. Een collega werd er bij gehaald. En er kwam er nog één. Ze overlegden wat er moest gebeuren. Zouden ze de behandelende arts bellen? Ze waren het er unaniem over eens dat er geen andere optie mogelijk was. En dat er haast bij was. Zelf kon ik me niet moeien in het gesprek want mijn keel zat dicht. Angstig keek ik naar de bezorgde gezichten van de verpleegsters om me heen. Degene die er het laatst was bijgekomen hield mijn hand vast, kneep er zachtjes in en moedigde me aan om vol te houden. Naderhand vernam ik dat deze dame toen vreesde dat mijn levenseinde in zicht was omdat mijn lippen en vingers al blauw aan het verkleuren waren.

De specialist werd uit zijn bed gebeld en stond dra naast mijn, inmiddels reeds naar de behandelkamer gerolde bed. Om met dringende spoed een levensreddende bronchoscopie uit te voeren. Waarna ik terug werd overgebracht naar de divisie 'intensieve verzorging'. De eerste tijd na deze actie, voelde ik mij een stuk beter. Het ademen verliep niet meer zo moeizaam. Echter niet voor lang. Slijmvorming in mijn longen deed keer na keer mijn rechterlong compleet dichtklappen en mijn linkerlong dichtslibben. Aspireren bracht dus geen soelaas, waardoor men telkens weer de longarts diende op te trommelen om te vermijden dat mijn lichaam de geest zou geven.

Steeds weer was ik opgelucht die man te zien verschijnen. En telkenmale dankte ik hem naderhand uiterst oprecht. Maar na enkele spoedinterventies waarbij hij vrouw, kinderen en slaap moest laten om mij te komen  'redden', was deze specialist het beu en drong hij er op aan mij verder te laten behandelen in het Universitair Ziekenhuis, gelegen in onze provinciehoofdstad. Gezien het feit dat ik net in die kliniek het slachtoffer was geworden van een medische blunder die mij zwaar verlamd maakte, stond ik niet te popelen om hieraan toe te geven. Bovendien had ik mij doelbewust in de locale kliniek laten opnemen, omdat ik dan dicht bij huis was. En als ze mij wilden zien, mijn gezinsleden slechts een kleine verplaatsing dienden te maken.

Maar de arts vond dat ik beter af zou zijn in een grote, aan een universiteit verbonden kliniek, waar meer expertise voorhanden was, waarmee een permanente oplossing voor mijn problematiek kon worden gevonden. Zelf fantaseerde hij luidop over het uitvoeren van een tracheotomie. Dat is een operatie waarbij men via de hals een snede maakt in de luchtpijp en daar dan een plastic buisje in plaatst, canule genaamd. Na die medische ingreep zou het wegzuigen van fluimen uit mijn longen langs die opening kunnen gebeuren, dus veel eenvoudiger. En ook mijn kunstmatige beademing kon dan via die weg gebeuren. Allemaal troeven! Het gevaar op infecties en vooral het na de ingreep niet meer kunnen gebruiken van mijn stembanden achtte de arts nadelen van mindere orde. Volgens hem was er voor dat laatste probleem trouwens ook wel een oplossing te vinden. Een spraakmodule die zou toelaten een synthetisch stemgeluid te produceren dat de menselijke stem benadert.

Voor het eten had de specialist ook een oplossing bedacht. Het verslikprobleem kon voorkomen worden door 'gewoonweg' geen voedsel meer via de mond tot mij te nemen. En me in de plaats daarvan te laten voorzien van een permanente maagsonde. Een slangetje, dat operatief, onder algehele narcose, via de buikwand rechtstreeks in de maag wordt gebracht. Via die, in medische termen PEG genoemd, kon ik dan probleemloos (?) worden gevoed.

Bij de complicaties die dergelijk 'systeem' met zich mee kan brengen, gaande van infecties en ontstekingen, over vergroeiingen, tot buikloop, had de man blijkbaar nog niet stilgestaan. En dat ook het eet- en smaakgenot me door deze ingreep zou ontnomen worden, was voor de arts blijkbaar van ondergeschikte orde.

De mij behandelende dokter was daarenboven van mening dat, in afwachting van een definitieve remedie, er nood aan was dat ik verder zou worden behandeld in een kliniek waar de afdeling pneumologie door meer dan één arts werd bevolkt. Zodat er steeds iemand paraat zou staan om me tijdig uit stervensnood te helpen. In deze kliniek stond hij er alleen voor en derhalve achtte hij mijn verblijf aldaar absoluut niet langer haalbaar.

Deze argumentatie en mijn vrees dat de arts me bij een volgend acuut ademhalingsprobleem op eigen initiatief tot een half kunstmatig wezen zou omtoveren door het ten uitvoer brengen van zijn ideeën, deed me uiteindelijk zwichten. Evenwel niet nadat ik allerhande alternatieven had overwogen, zijnde andere ziekenhuizen dan het voorgestelde UZ. Dat ik toch akkoord ging met dit, in mijn herinnering 'onheilsoord', kwam te  meer door het feit dat daar een pneumoloog werkzaam is die mijn voorgeschiedenis kende en bij wie ik, op aanraden van zijn collega in de kliniek van mijn woonplaats, ook in november reeds op consultatie was geweest en op wiens dienst ik toen tevens een longfunctietest had ondergaan.

Inmiddels was het reeds 14 december. En in die 12 dagen verblijf in het ziekenhuis was er reeds heel veel gebeurd, en had ik reeds heel wat meegemaakt. Slechte ervaringen, maar ook goede. Zo was ik tijdens mijn laatste twee dagen aldaar terug wat vast voedsel beginnen eten. En een verpleegster had speciaal voor mij voor wat lekkers gezorgd. Dat deed me wel iets. Persoonlijk vind ik trouwens dat zo een kleine kliniek ook zijn voordelen heeft. Meer en nauwere onderlinge contacten tussen de verschillende afdelingen bijvoorbeeld. En zij kunnen even kwalitatief werk leveren als de grotere broers, al is hun personeel daar vaak zelf niet van overtuigd. Zij schatten mijns inziens zichzelf en hun kliniek vaak veel te laag in.

Tot daar deze randbedenking, die toen door mijn hoofd spookte. En ik vreesde dat er nog veel zulke overdenkingen zouden volgen, want het einde van mijn lijden leek bij lange na nog niet in zicht.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 30 juli 2009)

26-06-09

Rudi's ontboezemingen - Iedereen gehandicapt!

 

Nogal wat mensen hebben een zintuiglijke beperking. Zij kunnen niet of minder goed horen of zien. Dikwijls kan dit gebrek voor een groot stuk worden verholpen door het dragen van respectievelijk een hoorapparaat of een bril. Een alternatief voor het laatst vermelde hulpmiddel zijn lenzen.

Heel wat kinderen dragen, om hun gebit te corrigeren, tijdelijk een orthese. De tandarts noemt dit een beugel. Menig persoon heeft een tandprothese, doorgaans kunstgebit genoemd. Ook steunzolen worden vaak voorgeschreven voor kleine en grote mensen met een voetafwijking. Zelfs sporters maken er dikwijls gebruik van, in functie van een optimale drukverdeling en een betere loopstand.

Een aantal van de voormelde beperkingen en bijhorende hulpmiddelen zijn sociaal aanvaard. Niemand maakt er ophef over, staart je aan of sluit je uit omdat je een bril draagt. En buiten een zeldzame onnozelaar die haar of hem ermee pest, slaat niemand acht op een kind met een beugel in de mond. Sommigen vinden dit zelfs schattig staan. En die steunzolen in de schoenen vallen al helemaal niet op. Net zo min als de contactlenzen die een persoon in heeft.

Iemand met een ernstige mentale beperking of een zware fysische beperking, of een combinatie van beide, loopt, strompelt, al dan niet met krukken, of rijdt zich in haar of zijn rolstoel, willens nillens uiteraard meer in de kijker. Daar is geen ontkomen aan. Ook een blinde of slechtziende persoon kan zijn witte geleidestok niet als toverstaf gebruiken om deze vervolgens te doen verdwijnen. En geleide- en hulphonden trekken ook de aandacht. Maar toch zijn ook hun baasjes en alle personen met ernstige beperkingen, levende wezens zoals ieder van ons. Met evenveel recht op respect en op een waardig leven. En aanvaarding door hun medemensen, van zichzelf en van hun hulpmiddelen, als daar zijn rolstoel, rollator, scooter, geleidestok, krukken, beugels...

Ben je fysiek helemaal in orde, of denk je dat te zijn, dan heb je mogelijks je te kleine of net te grote neus, over het hoofd gezien. Of je te dikke poep, of dat kuthaar op je hoofd, waar spijts vele pogingen van jou en van je kapper, geen model is in te krijgen. De mens heeft zichzelf niet geschapen, dus elk van ons heeft wel een schoonheidshandicap. En deze kan een belangrijke invloed hebben op je sociale contacten. Al is het maar omdat ze je onzeker maakt.

En anders heb je misschien wel een ontwikkelingsstoornis, een spraak- of een taalstoornis, of lig je psychisch compleet in de knoop, wat ook een ernstige hindernis kan zijn, vooral als het blijvend is. Ongetwijfeld ben ik nog één en ander vergeten. Maar als je het lijstje nu al eens overloopt, dan zou het al moeten lukken dat er niks tussen staat dat op jou van toepassing is. Je gaat het misschien niet graag horen, maar neem het gerust van me aan: het zijn allemaal handicaps!

Wordt nu niet depressief of voel je niet door mij in de grond geboord. Dat is wel het laatste dat ik zou willen! Wees integendeel blij dat je geen uitzondering bent, in deze wereld van naar lichaam en/of geest imperfecte mensen, Want het komt er inderdaad op neer dat iedere persoon wel in meer of mindere mate een fysieke of mentale functiebeperking heeft. Elke persoon heeft wel een aangeboren of opgelopen blijvende hindernis, die doorgaans wordt aangeduid met de stigmatiserende term 'handicap'.

In de inclusieve maatschappij, waar velen met mij naar streven, en waarin elke persoon belangrijk is, ongeacht afkomst, huidskleur, religie of wat dan ook, en naar waarde wordt geschat, op basis van wat zij of hij wel kan, zijn de grote of kleine fysieke of mentale functiebeperkingen van ieder individu van ondergeschikt belang. In deze verdraagzame samenleving zal niemand ooit worden uitgesloten omdat zij of hij onvoldoende of geen beperkingen heeft. Neen, ook die persoon zal door de groep worden aanvaard. Net dat gebrek aan een beperking is dan diens beperking, wat de persoon in kwestie dan ook weer even speciaal maakt als de anderen. Globaal gezien is in deze ideale open, mondiale leefgemeenschap iedereen gelijk, heeft elkeen beperkingen en is derhalve iedereen gehandicapt!

Rudi, 24 november 2008 (revisie op 24 juni 2009)