16-06-12

Heden en verleden - Onwelkome ratten en andere muizenissen

       

Afgelopen zomer was ik, op een warme namiddag, gezeten in mijn elektrische rolstoel, rustig aan het plassen, op een plek voor mijn garage en rechts van mijn met klimop begroeide haag. Plots zag ik, voor de witte garagepoort, over de betontegels op de grond, iets razendsnel van rechts naar links bewegen. Nog net zag ik een grijs muisje ritselend verdwijnen door een gat in de klimophaag.

Muizen en ratten… ik hou niet van deze knaagdiertjes met hun lange staart. De reden daarvoor weet ik eigenlijk niet. Mogelijks is het omwille van hun enge voorkomen en hun kwalijke reputatie als ziekteverspreider. En vast ook omdat ze zo graag ongegeneerd en ongenood tuinhuisjes, berghokken, garages en zelfs woningen plachten binnen te dringen.

Al mijn confrontaties met die ongeliefde zoogdieren verhalen, zou meteen leiden tot een omslachtig boekwerk. Vandaar dat ik mij hier ga beperken tot enkele bijzondere ontmoetingen met deze gretig knagende plaagdieren. Die zowat overal opduiken waar eten aanwezig is.

Als kind zag ik vaak huismuizen en veldmuizen in de omgeving van ons huis en stallingen. Meer dan eens zelfs onze huisgevel opklimmend. Gelukkig hielden onze katten toen de aangroei van die muizenpopulatie onder controle. Door nogal dikwijls eentje te pakken te nemen en vervolgens lustig op te vreten. Alleen, of de buit delend met de eigen kroost of andere op onze hof verblijvende soortgenoten.

Spitsmuizen of dolletjes zoals wij die noemden, werden dan weer niet verorberd door onze huiskatten. Met deze diertjes speelden of dolden ze alleen maar wat. Deze insectenetende zoogdiertjes worden overigens dan wel muizen genoemd, ze zijn het niet!

Net zo min als mijn zus haar, als (buitens)huisdier gehouden steenratjes ratten waren. Cavia’s waren het. Maar ze plantten zich wel haast net zo snel voort als de bruine rat. De laatste kooi die mijn handige pa als verblijf voor die beestjes in elkaar had geknutseld, werd vele jaren na het heengaan van de laatste cavia, gebruikt als opslagplaats voor het stro waarvan regelmatig een vers deel in de schuilplaats werd gelegd van de twee vrouwtjeseenden, die in mijn ouders hun achtertuin een stukje afgebakend terrein bewoonden.

Op een zekere dag in het oogstseizoen had de boer, die eigenaar was van de akkers die gelegen waren naast mijn ouderlijke woonst, het graan dat er op werd geteeld, door loonwerkers laten maaidorsen. Waarna de op het land achtergebleven droge plantenstengels en uitgedorste aren door een andere machine werden bijeen geschraapt  en samengeperst tot rechthoekige strobalen.

Als naar gewoonte, en met instemming van de boer, raapte ik nadien de nog op het land achtergebleven resten stro bij elkaar. Toen ik, om mijn buit op te bergen, het deksel optilde van de kooi waarin voorheen de cavia’s huisden, schrok ik mij haast een ongeluk. Omdat ik daar, bovenin het opeengestapelde stro, een nest muizen aantrof. Die, als in koor, luid piepten toen het deksel was opgelicht. Van schrik liet ik het terstond los, waardoor het met een klap terug op zijn plaats kwam te liggen. Dat verzamelde stro heb ik die dag netjes in een zak naast die kooi gezet, want ik bleef toch liever uit de buurt van die kroostrijke muizenfamilie.

Later is het ook eens voorgevallen dat ik de eenden eten ging brengen en van op een afstand zag dat er precies een ander dier stond te eten aan het, een stukje boven de grond opgestelde en overdekte, voederbakje. Toen ik tot op een meter of vijf genaderd was, zag ik wie die maïsdief was: een grote bruine rat! Ze stond met haar achterpoten op de grond en de voorpoten in het zich zowat 10 centimeter boven de grond bevindende voederschaaltje. Het beest, met een heel lange staart, bleek helemaal niet bevreesd te zijn voor mij. Die perplex het schouwspel volgde. En pas terug in beweging kwam toen dat enge beest er uiteindelijk toch vandoor ging.

*****

Als kind ging ik vaak vissen. In de stilstaande waters van beken, vaarten en vijvers uit de buurt. En tevens in het getijdenwater van de in Nederland stromende Westerschelde. Van op heel jonge leeftijd trok ik mee met mijn vader. En later ging ik ook al eens alleen, of met kameraden. Normaliter visten wij, van op de oever, met de vaste hengelroede en/of de werphengel. Maar ik ben ook enkele keren met mijn pa gaan peuren. Dat is een speciale en tevens één van de oudste manieren voor het vangen van paling.

Een drijvend gemaakte afgeschreven paraplu, of zoals wij het deden, een rechthoekige bak met drie naar binnen geplooide wanden en aan één zijde verhoogd met een in een kader gevat net, wordt hierbij te water gelaten. En middels een oude hengelstok, tot op een vijftal meter van de oever gebracht. Daarnaast wordt een hengelroe gehouden, waar aan de top ervan een draad is bevestigd met een dikke dobber en aan het uiteinde een tros aaneengeregen regenwormen hangt. Die wordt verzwaard met lood. En waarvan het de bedoeling is dat deze de bodem net niet raakt. Waarna de geur van de wormen de paling moet aantrekken.

Op het moment dat je, door de beweging van je roe, of het ondergaan van de dobber, vermoed dat er een paling aan de pieren knabbelt, dien je met een vlugge, doch rustige beweging, de top van de hengelroe op te halen en de tros regenwormen zacht tegen de binnenkant van, al naargelang, het regenscherm of de netwand van de bak te kletsen. Zodanig dat de lustig wormen etende paling deze lost en in de paraplukom of bak valt. Die je vervolgens naar je toe trekt om de buit binnen te halen.

Het beste moment om deze activiteit uit te voeren is ’s nachts. Omdat aal het grootste deel van de dag op de bodem van het water ligt ingegraven en pas in de nachtelijke uren gaat jagen. Dus zaten wij daar dus in het donker aan de waterkant. Wachtend tot die palingen zouden toehappen. En de stilte van de nacht werd enkel verstoord door onze ademhaling en door het plonzen van muskusratten, die vanaf de oever het water indoken en met hun grote lijf en lange staart vlak voor onze voeten voorbij zwommen. Griezelig!

*****

Van iets minder lang geleden dateert het volgende voorval, dat plaatsvond in Afrika. Met mijn echtgenote was ik op rondreis in haar geboorteland. We bevonden ons op een gegeven moment in een dorpje aan de rand van de woestijn. In het lemen gebouwtje dat door moest gaan als restaurant, zaten we als enige klanten in het sober ingerichte etablissement. Op houten stoelen aan een houten tafeltje aten we het enige gerecht dat daar die dag verkrijgbaar was.

We waren in alle rust en stilte gemoedelijk en smakelijk aan het eten toen ik ineens, onder één van de andere tafeltjes in het vertrek, een gigantisch groot ogende, grijskleurige woestijnrat zag verschijnen. Het diertje slalomde ongehaast tussen de verschillende stoel- en tafelpoten van het meubilair in het eethuis. Vooraleer mijn echtgenote, die de rat ook had opgemerkt, en ikzelf, verbouwereerd onze mond konden openen om er iets over op te merken, was het beestje alweer door de openstaande deur naar buiten getrippeld. Geloof me vrij dat het eten ons daarna niet meer zo erg smaakte. En we spoedig afrekenden en die plek verlieten.

Later kwam ik te weten dat er hier in Europa, en mogelijk ook elders, mensen zijn die deze beestjes houden als huisdier. Omdat ze zo vriendelijk, nieuwsgierig, rustig en gemakkelijk in de omgang zijn. Dat heb ik gemerkt, ja!

*****

Toen ik nog maar pas een jaar of twee thuis was, na anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, heb ik, op eigen initiatief, een tijdlang logopedie gevolgd. Omdat ik door een verminderde long- en middenriffunctie minder krachtig kon praten. En met professionele hulp technieken wou aanleren om, uit mijn beperkte mogelijkheden, toch de maximale spraak- en zangcapaciteit te halen.

Op een zekere voormiddag waren wij, zoals dat vaak het geval was, aan het oefenen in de zitkamer van mijn woning. Mijn logopediste, gezeten op een stoel, met haar rug naar het groot terrasvenster gericht. En ik tegenover haar, gezeten in mijn onafscheidelijke elektrische rolstoel. Terwijl ik bezig was met een door haar voorgedane oefening te herhalen, zag ik buiten een vrij grote bruine rat over ons verhard tuinpad lopen. Mijn adem stokte even en een zachte rilling ging door mijn lijf. Mijn logopediste merkte dat uiteraard. En vroeg me wat er aan de hand was. Wijselijk verzweeg ik wat ik net had gezien. Ik wou immers niet het minste risico lopen dat ze niet meer zou komen, omwille van de aanwezigheid van dat ongedierte op mijn hof.

*****

Een maand of twee later zat ik, zoals ik op zomerse dagen nogal eens placht te doen, bij valavond voor de openstaande deur in de inkomhal, een boek te lezen. Van licht voorzien door de maan, de straatlantaarns die de rijweg verlichten en de in de hal hangende gloeilamp. Plots dook er uit de duisternis een bruine rat op die zich, onder mijn, op de steunen van mijn rolstoel geplaatste voeten door, in de richting van het voor ons huis aangelegde vijvertje voortbewoog, Alwaar het beest, vanaf de rand, met een plons het water indook. En even later met de kop weer boven kwam. Om rustig, lustig en ongegeneerd te beginnen eten van het zich dobberend in een drijvende ring bevindende visvoer.

Ru(sh)di(e), 19 december 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

05-09-11

Herinneringen uit mijn verleden – Happy Mike

Een jaar of 16 geleden was ik volop bezig met het verbouwen van de woning, die ik toen pas had gekocht en waar we heden nog steeds in resideren. Een tweewoonst, waarvan het de bedoeling was dat één deel zou worden ingericht als handelsruimte en het andere deel als gezinswoonst. Aangezien ik het vele werk niet allemaal in mijn eentje aankon, schakelde ik voor het klaren van vele klussen familieleden en vrienden in. Enkel als het niet anders kon, kwamen er professionele werklui aan te pas. Het mij beschikbare budget liet een andere werkwijze niet toe.

Tijdens de eerste zomerperiode van de twee vernieuwbouwjaren had een vriend van mij, die ik hier Tjen zal noemen, een speciale logé. Waarmee mijn levenspartner en ik kennis maakten tijdens een etentje, in beperkte kring, in de achtertuin van Tjen zijn woonst. De gast, van wiens bestaan en aanwezigheid op het adres van mijn vriend, ik reeds eerder telefonisch was op de hoogte gebracht, was alleszins een opmerkelijk wezen.

De man, met naar ik schat een leeftijd van midden van de veertig, was niet al te groot, nogal pezig en had een bleke gelaatskleur en lang blond haar, dat bijeengehouden werd als een paardenstaart. ’s Mans hoofd was getooid met een genre cowboyhoed,  waarvan de zijranden waren omhoog gevouwen. De naam waarmee hij zichzelf voorstelde wens ik niet kenbaar te maken, maar voor de eenvoud zal ik hem benoemen als ‘Happy Mike’. Hij was naar eigen zeggen een Britse hippie, die leefde van een werkloosheidsuitkering en wat schnabbelen hier en daar. En hij zei er ook niet van terug te schrikken desnoods geld te vergaren als bedelaar.

Mijn vriend Tjen had hem opgepikt toen hij stond te liften aan een rustplaats langsheen de autostrade van de kust naar het binnenland. Tijdens het gesprek dat ze in de auto voerden, vertelde de uitsluitend Engels sprekende man dat hij gewoonlijk bij een koppel op kamers woonde, maar dat hij recentelijk hommeles had gehad met iemand uit de streek van zijn woonplaats. En hij derhalve wijselijk had beslist er voor enige tijd vanonder te muizen. En gezien hij in eigen land al zowat alle kantjes en hoekjes had gezien, had Mike beslist om nog maar eens Engeland te verlaten, de plas over te steken en een tijdje op het continent rond te dwalen.

Toen duidelijk werd dat Mike dus zomaar wat op de dool was, hopend ergens aan de bak te komen om op verplaatsing in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en onderdak te kunnen bekostigen, stelde de, toen alleen wonende Tjen voor om Mike naar zijn huis mee te nemen. Hij had immers nogal wat op te knappen klussen, waar hij, uit tijdsgebrek, zelf niet aan toe kwam, en andere, waarbij wat hulp meer dan welkom zou zijn. Hij bood Happy Mike aan om zijn tijdelijke kluspartner te worden. Tegen een gering uurloon, met daarbovenop gratis kost en inwoon. Waarmee de man dus tevreden had ingestemd.

Happy Mike kreeg een eigen slaapvertrek ter beschikking, in een gebouw dat vroeger een stal was geweest. Elke weekdag klopte hij overdag zijn uurtjes en ‘s avonds en in het weekend was hij vrij. En ging hij te voet op zoek naar een kroeg waar men Engels sprak en hij zich welkom voelde. Of anders was hij, onder invloed van het roken van wiet, gelukzalig, doch wezenloos voor zich uit kijkend, te vinden in de achtertuin van mijn vriend. Soms zelfs zittend bovenop de ronde houten dwarsbalk die deel uitmaakte van een daar opgestelde kinderschommel.

Enkele weken na het aannemen van Mike, had mijn vriend geen werk meer voor hem. Terwijl de man eigenlijk nog geen zin had om op te krassen en verder te trekken. Want hij had in een café kennis gemaakt met een alleenstaande moeder van vier kinderen. En hij genoot van de gesprekken die ze voerden en de ongeremde seks die ze bij haar thuis bedreven.

Nu wou ik de man wel werk verschaffen, want er was bij ons nog genoeg te doen, maar hem onderdak verschaffen, dat zag ik niet zitten. Tjen zat er evenwel niet mee in dat Happy Mike nog een tijdje van zijn slaapaccommodatie gebruik zou maken. We spraken af dat ik, tijdens weekdagen, in de ochtend Mike zou ophalen bij mijn vriend, wij hem ’s middags en ’s avonds te eten zouden geven en ik hem ’s avonds opnieuw aan het huis van mijn vriend zou droppen. Wat me geen extra verplaatsing opleverde, want ik moest daar toch passeren, op de weg naar mijn ouderlijk huis, alwaar toentertijd mijn handelszaak was gevestigd.

De voornaamste klus die ik in eerste instantie voor de hippie voor ogen had, was het uitgraven van de boomstronk en de daaraan bevestigde wortels van een reeds eerder gevelde boom. Die ik liet neerleggen omdat hij het zicht vanuit de living compleet belemmerde. En de nog in de grond zittende overblijfselen moesten weg omdat ik die zone wou opnemen in de nog aan te leggen parking.

Gelukkig viel het weer goed mee, die zomer. Het was droog, er was veel zonneschijn, dus lekker warm, maar toch niet overdreven heet. Ideaal weer om in buiten te werken. Bleke Mike, uitgedost in korte broek en in bloot bovenlijf kweet zich vlijtig van zijn taak en kreeg er zelfs wat kleur van. Maar opdat zijn bleke vel toch wat zou beschermd zijn, bezorgde ik hem een bus zonnemelk.

Na minstens een volle week werk aan uitgraven en wortels doorzagen en doorhakken, door Mike, trokken we, met een man of vier, de boomstronk uit de grond met de stevige lier van Tjen. Na het dempen van de ontstane put, kon ik Happy Mike een andere taak toevertrouwen. De overhangende houten dakgoot en onze stenen schouw wit verven was er één. En omdat mijn ladder daarvoor niet ver genoeg kon uitgeschoven worden en ik over geen stellage beschikte, ging Mike, voor het uitvoeren van deze klus, in de dakgoot liggen. Terwijl ik hem, veilig van op de grond, nauwlettend in het oog hield. Toen hij op een bepaald moment, door een verkeerd manoeuvre, eens bijna naar beneden donderde, vroeg hij me naderhand wat ik zou gedaan hebben zo hij daadwerkelijk naar beneden was gevallen. Hij was immers niet verzekerd. Geheel onwillig om dat doemscenario ook maar even ernstig in overweging te nemen,  antwoordde ik laconiek dat ik hem in dat geval zonder veel omhaal zou begraven hebben op de plaats waar we die boomstronk hadden weggehaald.

Inmiddels maakte Tjen plannen om op reis te gaan. En aangezien ik tevreden was met het door Happy Mike verrichtte werk, en ik hem graag nog even ‘in dienst’ wou houden, stelde ik, na overleg met mijn vrouw, aan de man voor alsnog een tijdje bij ons te komen wonen. Wijzelf verbleven toentertijd in een tijdelijk tot appartement omgebouwd etage in een deel van de tweewoonst. De kant waar later de burelen van mijn handelszaak moesten komen. Aan Mike bood ik, als tijdelijke slaapplaats, een vertrek aan op de eerste verdieping van de andere zijde van de woning. Een ruimte welke later onze slaapkamer moest worden. Ik bezorgde hem een matras, een deken, lakens en zelfs een nachtkastje. Happy Mike zag het helemaal zitten. Dus haalden we zijn spullen op bij Tjen, zodat die kon vertrekken zonder zich zorgen te moeten maken over een nog op zijn eigendom verblijvende gast.

Terwijl Mike bezig was met het bijeen scharrelen van zijn spullen voor het verkassen, nam mijn vriend me even bij de arm. Hij stopte me een gesloten envelop in de hand en vertrouwde me toe dat daarin een geldbedrag zat dat Happy Mike nog van hem tegoed had voor geleverd werk. Tjenn meldde mij dat hij aan Mike had verteld hem dat geld te zullen bezorgen bij zijn terugkeer van de reis. Maar hij zei me Mike die envelop reeds te mogen overhandigen van zodra deze zijn werkzaamheden bij mij had beëindigd en verder wou trekken. Maar niet eerder, want dan zou de man vast niet meer gemotiveerd zijn om nog voor mij te werken. En daarenboven allicht onmiddellijk alle geld zou verkwisten aan drugs, drank en vrouwen. Mijn vriend raadde mij ook aan om strenge regels te stellen: geen drank noch drugs toelaten in huis en ook niet tolereren dat Mike volk meebracht of tijdens de week dronken was.

De eerste dag hadden we al prijs. Wij wilden, vooraleer slapen te gaan, er toch zeker van zijn dat ook Mike zijn bedstee had opgezocht. Niet dus. Aangezien ik het niet wou meemaken dat die kerel al op zijn eerste nacht bij ons stomdronken zou thuiskomen, besloot ik om samen met mijn vrouw naar hem op zoek te gaan. In eerste instantie reden we naar een etablissement vlakbij ons huis. Een kleine, vervallen café. Wegens de gordijntjes voor de vensterramen, konden we daar helaas niet naar binnen loeren. Dus stapten we schoorvoetend naar binnen.

Alwaar we ogenblikkelijk constateerden dat er in de kleine verbruikszaal geen Happy Mike aanwezig was. Onverrichter zake op onze stappen terugkeren, dat konden we niet maken, zo vond ik. Dus groetten we de weinige daar aanwezige manspersonen en gingen aan een tafeltje zitten. Onder de spiedende blikken van de kroegbaas van middelbare leeftijd en zijn twee, al wat oudere klanten. Geen enkele van de drie mannen had ik ooit eerder ontmoet. De uitbater van het café wist blijkbaar wel wie ik was. Want toen hij de door ons bestelde frisdranken bracht, stelde hij ons, voor de vorm de vraag, waarop hij duidelijk een bevestigend antwoord verwachtte, of wij niet de nieuwe bewoners waren, van de witte villa wat verder in de straat.

Toen de baas terug achter zijn toog stond, waar één klant hem, gezeten op een barkruk, gezelschap hield, hervatten deze twee en de andere klant, die aan een tafeltje zat, hun gekeuvel over onbelangrijke feiten uit hun bekrompen dagdagelijks leven. En wij dronken snel ons glas leeg want we wilden onze missie verder zetten: het vinden en naar zijn slaapstee brengen van Mike.

We waren, na het verlaten van de kroeg, het in de auto stappen en verlaten van de parking, nog maar enkele honderden meters gereden, toen we aan de overkant van de straat een met vaste tred stappende Mike opmerkten. Ik draaide de auto even verder, op een veilige plek, veranderde hierdoor van rijrichting en hield stil eens we ter hoogte van Mike arriveerden. Die prompt het achterportier opende en plaats nam in de auto. Aangezien hij in dat buurtcafé enkel oude knarren had aangetroffen, die daarenboven uitsluitend hun Vlaamse dialect spraken en geen jota Engels verstonden, laat staan het konden spreken, was Happy Mike nog eens tot bij zijn vriendin langs geweest. Vijf kilometer verder! Maar die afstand had hem niet gedeerd.

Happy Mike was in nuchtere toestand een vlijtige werker, die evenwel op tijd en stond een rustpauze inlaste. En ook soms verrassend uit de hoek kwam. Zo arriveerde ik op een zekere dag in de namiddag thuis van werk en stelde vast dat hij de opstaande latten van onze tijdelijke hekjes, afwisselend bruin en wit had geverfd. Met de overschot van de verf die hij, in opdracht van mij had gebruikt voor het schilderen van enkele deuren en een raamkozijn. De ongevraagde arbeid was totaal onnodig geweest en een verkwisting van duur betaalde en ook nog elders bruikbare verf. Maar ik vond Mike’s initiatief best wel grappig. Bovendien brachten de geverfde hekjes wat kleur aan onze toen nog schraal ogende eigendom. Dus gaf ik de man in plaats van een uitbrander, een compliment. Hij straalde!

Toen hij reeds sinds enkele dagen bij ons verbleef, vroeg Happy Mike me op een gegeven moment, langs zijn neus weg, waar hij zich ergens in de buurt prikkelende lectuur kon aanschaffen. Naar hij zei om op eenzame avonden zijn lichaam wat op te warmen bij het lezen van het ophitsende leesvoer en het kijken naar de erin gepubliceerde foto’s. Ik verwees hem naar een klein krantenwinkeltje dat is gevestigd op een kilometer of twee van onze woning.

De volgende dag meldde Happy Mike me, in het winkeltje zijn gerief te hebben gevonden. Engelstalige boekjes had hij er niet kunnen bemachtigen, maar in het Nederlandstalige blad dat hij had aangekocht, was de tekst voor hem dan wel onverstaanbaar, maar de kwaliteit van de afgebeelde behaarde ‘poesjes’ was de aanschaf meer dan waard en genoot zijn waardering. Hij beloofde mij, bij zijn vertrek, het boekje voor me achter te laten. Waarop ik als antwoord even glimlachte.

Tegen het weekend aan vroeg hij me of ik hem naar Nederland wou brengen. Want tijdens zijn verblijf bij Tjen was hij eens, op aanraden van een cafévriend, al liftend, in een dorpje beland, net over de grens. En had daar verbaast vastgesteld dat achter de talloze huizen, waar de afbeelding van een indiaan met vedertooi was aangebracht op het glas van het vensterraam of op de toegangsdeur, een koffieshop schuilging. Waar je zomaar ongegeneerd en probleemloos elk type wiet kon aankopen en verbruiken. Zalig om er te vertoeven, vond Happy Mike. En hij wou ook wel wat voorraad inslaan.

Drugkoerier spelen, daar paste ik voor. Zelfs op zijn voorstel om hem tot vlak voor de landsgrens te brengen, ging ik niet in. De man aanvaardde schoorvoetend mijn houding. Hij kon ook moeilijk anders. Of, en in positief geval hoe, hij over de grens is geraakt, weet ik niet. En ik heb er hem aan het einde van dat weekend ook niet achter gevraagd. Maar zolang de man bij ons verbleef zag ik hem nimmer stoned.

In zijn vrije tijd zat hij soms in onze grote achtertuin. Maar meestal was hij uithuizig. Als we bezoek hadden gedroeg Mick zich steeds voorkomend. De meeste mensen vonden het minstens interessant dat wij zo een Engelse landloper onderdak verschaften. En hij kende de kunst om met mensen om te gaan, ze te animeren en hun sympathie voor hem op te wekken. Toen de schoonmoeder van mijn oudste zus van deze laatste te horen kreeg dat die arme drommel nauwelijks kledij had en, terwijl hij de ene set aan had, eigenhandig de andere set waste en vervolgens te drogen hing, vond ze in te moeten grijpen. Ze verzamelde een ganse vuilzak nauwelijks gedragen kleding van haar jongste zoon, die nogal graag en vaak van outfit wisselde en liet die via mijn zuster aan Happy Mike geworden. Die de spullen dankbaar in ontvangst nam. Alhoewel ik me afvroeg of ze wel zijn stijl waren. Bij een vluchtige blik in de zak ontwaarde ik immers vooral kleren in felle kleuren. Niet zo verwonderlijk aangezien ik weet had van de homofiele geaardheid van de vorige eigenaar ervan, en zijn typisch nichterige houding en vrouwelijke trekjes.

Op de momenten die we samen doorbrachten hebben we vaak gefilosofeerd over van alles en nog wat. Of verhaalden we eigen belevenissen. Happy Mike vertelde, over wat hij had meegemaakt, graag straffe verhalen. Waarvan de inhoud ongetwijfeld niet altijd volledig overeenstemde met wat er in werkelijkheid was gebeurd. Maar toch klonk alles plausibel. Zo vertelde hij eens een tijdje te hebben gewoond bij zijn volwassen zoon en diens partner, een mooie jongedame die steeds in een sexy outfit door het huis drentelde. Op een bepaald moment was Mike’s begeerte om met die griet van bil te gaan, zo groot dat het er van kwam. En die geile griet liet gewillig begaan en deed zelfs heel actief mee. Naderhand bekenden beiden hun daad aan de zoon. Die hen deze evenwel probleemloos vergaf. Meer zelfs. Van dan af mocht die vurige meid naar eigen goeddunken haar seksuele lusten botvieren op, om beurten vader en zoon.

Hoewel Happy Mike tijdens de weekdagen vaak met een stoppelbaard rondliep, was hij toch steeds verzorgd. Hij waste zich, in de tuin, net als ons, met koud water. Behalve die één of twee keer dat we hem uitnodigden om bij ons een douche te komen nemen, met kraantjeswater dat we opwarmden met een waterkoker.

Ondanks zijn nonchalante levenswijze en vrijbuiterbestaan had Happy Mike begrip voor andersdenkenden en gedroeg hij zich doorgaans als een heer. Galant en charmant. Hij toonde ten allen tijde respect voor onze privacy. En heeft ondanks zijn zwak voor vrouwen, dat ik en menige andere man deel met hem, nimmer avances gemaakt jegens mijn levenspartner of enige andere vrouw die bij ons over de vloer kwam.

Toen de jaarlijkse tiendaagse feestweek in onze woonplaats van start ging, verbleef Mike nog steeds bij ons. We spraken af dat we hem op een weekendavond mee zouden nemen naar de festiviteiten. Wat hij een prettig idee vond. Dus vertrokken we dat weekend met ons drieën, richting feestgedruis. Ik parkeerde de auto zo dicht mogelijk bij de feestzone, waarna we de mensenzee indoken.

Lang bleef Happy Mike niet bij ons lopen. Hij ging al vlug zijn eigen weg: richting een terrasje. Terwijl wij wel wat over de ganse oppervlakte van het feestterrein wilden rond kuieren. We spraken met Mike een plaats en tijdstip af waarop we elkaar opnieuw zouden treffen om naar huis te rijden.

Mijn vrouw en ik hadden een aangename avond. We genoten van de, op de diverse pleintjes ten gehore gebrachte muziek en tentoongespreide show. Het was leuk om eens een rustige avond te beleven, in een andere omgeving, na het vele werken voor mijn onderneming en aan de renovatie van ons huis. Omstreeks de overeengekomen tijd verschenen we op de afgesproken plek. En troffen daar wonderwel, in de door het nachtelijke uur sterk uitgedunde mensenmassa, ook Happy Mike aan. Eenzaam zittend op een houten vouwstoel naast een dito leeggemaakt tafeltje. En stomdronken, zo bleek.

We hielpen hem recht en ondersteunden hem op onze weg naar de auto. Hij braakte wat onzin uit, die nogal grappig klonk en waaruit we konden afleiden dat ook hij een fijne avond achter de rug had. We deponeerden dronken Mike achterin de auto, stapten zelf voorin en verlieten onze parkeerplaats, om huiswaarts te rijden.

Ondanks zijn beschonken toestand was Happy Mike toch nog alert genoeg om ons bij het passeren ervan, op eigen initiatief, de kroeg aan te wijzen, een Turks cafeetje, waar hij al menige avond had doorgebracht. Samen met de allochtone buurtbewoners. Keuvelend, pinten drinkend en wiet rokend.

We draaiden net onze parking op toen de passagier op de achterzetel te kennen gaf dat hij misselijk was. Net op tijd kon ik de elektrisch bediende achterruit van mijn auto openen, zodat zijn kots naar buiten vloog in plaats van mijn autozetel te besmeuren. Enkel een deel van het koetswerk heb ik de volgende ochtend mogen reinigen.

Op een gegeven moment gaf Mike aan te willen vertrekken. Hij zei het niet, maar ik vermoedde wel dat hij nu nog enkel wachtte op de voor het komende weekend voorziene terugkeer van mijn vriend Tjen. Om het saldo van zijn loon te incasseren. Aangezien ik evenwel wou dat Mike de klus afwerkte waar hij toen mee bezig was, verklapte ik niet dat ik dit geld reeds onder mijn hoede had gekregen.

Pas op het einde van de laatste werkdag van die week, haalde ik, na met Mike af te rekenen voor het werk dat hij voor mij had verricht, ook de envelop van mijn vriend te voorschijn. Happy Mike was boos. Want, zo zei hij, als hij had geweten dat ik dat geld in bezit had, dan was hij er al eerder vandoor gegaan. Uiteraard goot ik geen olie op het vuur door hem diets te maken dat zulks net de reden was geweest voor het tijdelijk achterhouden van dat geld. Wijselijk zweeg ik en Happy Mike telde tevreden zijn bankbriefjes en was meteen weer afgekoeld en terug zijn eigen gemoedelijke zelve.

Die avond, de laatste die hij in ons huis doorbracht, vergastte Happy Mike ons op een typisch Engelse maaltijd: zelf gesneden gebakken frietjes en spek met eieren. We lieten het ons smaken. Onderwijl nog eens luisterend naar een sterk verhaal van hem. En vervolgens keuvelend over koetjes, kalfjes en onze plannen voor de nabije toekomst. Voor hem een voorlopig zwervend bestaan.

Toen ik de volgende ochtend naar beneden kwam, zat Happy Mike al op me te wachten. Met zijn hoed op het hoofd en leunend op zijn tas met schouderriem Hij droeg een gele trui, waarvan ik vermoedde dat hij afkomstig was uit die tweedehands kledingzak.

Aangezien mijn echtgenote die zaterdag de trein wou nemen naar onze hoofdstad, om daar wat boodschappen te doen, had ik Mike aangeboden hen beiden naar het station te brengen. Alwaar Happy Mike besliste om zijn verdere tocht ook in de hoofdstad te starten. Maar hij zou de openbare bus nemen, omdat dit een goedkopere reiswijze is.

Nadat ik de auto had geparkeerd namen we afscheid op het pleintje voor het station. Mike beloofde me op mijn nakende verjaardag een kaartje te zullen sturen. En stapte vervolgens in de richting van de opstapplaatsen voor busreizigers. Mijn echtgenote en ikzelf gingen het stationsgebouw binnen. Alwaar zij zich aan het loket een retourticket aankocht voor de verplaatsing tussen onze woonplaats en de hoofdstad van ons land.

Meteen vond ik het zonde dat Mike zich niet met de trein zou verplaatsen. Omwille van een eerder gering financieel verschil. Dus stelde ik mijn vrouw voor om dit bij te passen zodat Happy Mike met haar mee kon reizen. Wat zij een goed idee vond. Dus liep ik vlug het station uit, in de richting van het bushokje waar onze ex-logee op zijn bus wachtte. Verbaast keek de man mij aan. Maar gelukkig aanvaardde hij dankbaar het extra geld voor een treinticket. Zodat hij toch iets comfortabeler kon reizen. En desgewenst onderweg nog een praatje kon slaan met mijn vrouw. We holden samen naar het station. Alwaar ik binnen in het gebouw mijn partner een afscheidskus gaf, terwijl Mike in de rij voor het loket aanschoof om zich een ticket enkele reis naar de hoofdstad, aan te schaffen. Ik zwaaide hem nog eens vriendelijk toe vooraleer me naar mijn auto te begeven.

Toen ik, terug thuis gekomen, Mike zijn voormalige slaapstee opzocht om de boel daar op te ruimen, zag ik dat hij de meeste van de gekregen kledij had laten liggen. Wat me niet verwonderde. Mensen zoals hij sleuren geen onnodige ballast mee. Die beperken zich tot het hoogst noodzakelijke. Zijn oude kledij en wat kleine rommel had hij zelf al in een plastieken boodschappentas gestopt. Zonder de inhoud te onderzoeken dumpte ik het zakje in de grijze huisvuilzak die ik, vooruitziend, naar boven had meegebracht. Het saldo van de hem geschonken kleren besloot ik te behouden. Sommige van die spullen konden immers mogelijks nog dienst doen als werkkledij.

Op de matras die Happy Mike tijdens zijn verblijf bij ons als bed had gebruikt, lag een Hollands porno magazine. Glimlachend nam ik het ter hand. Happy Mike had woord gehouden! Ik bladerde even in het blad. De foto’s van de tentoon gespreide vrouwelijke geslachtsdelen waren niet van dien aard dat ik er seksueel van opgewonden geraakte. Maar ja, er waren wel meer onderwerpen waarover Happy Mike en ik een verschillende visie hadden.

Het slaapvertrek was netjes achtergelaten. Enkel in een aanpalend kamertje vond ik wat vuile oranjebruinachtige plekken op de vloer en tegen de wand. Waar ook een onaangename reuk aan vast hing. Waarschijnlijk resten van één of ander brouwsel dat ‘onze zwerver’ daar had geproduceerd. Niks aan de hand. Deze ruimte moest immers toch nog volledig worden gerenoveerd.

Een verjaardagskaart heb ik van Happy Mike niet ontvangen. En zelf heb ik hem ook nimmer een brief of kaartje gestuurd. Sommige gebeurtenissen of ontmoetingen in je mensenleven moet je koesteren, zonder te trachten er een vaak op teleurstelling eindigend vervolg aan te breien.

Ru(sh)di(e), 5 november 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 30 maart 2011.

02-11-10

Heden en verleden - Damesfiets

      

Gedurende de laatste jaren van mijn middelbare schooltijd gebruikte ik vaak mijn moeder haar, toen nieuwe, bruinkleurige fiets om me naar school te verplaatsen. Ik reed immers veel liever met een damesfiets, waarop je rechtop kan zitten, dan met een herenfiets, waarop je je in een voorover gebogen zithouding voortbeweegt.

Toentertijd had ik halflang haar. En droeg ik meestal een jeansbroek. Van die nauw om je lichaam spannende exemplaren. En mijn bovenlichaam stak vaak in een trui die tot onder mijn zitvlak reikte. Of een hemd van een type dat zowel door meisjes als door jongens werd gedragen, met de lange slippen boven de broek gehangen. Met als gevolg dat ik, als fietser, zo nu en dan door jongens werd nagefloten. Die zagen mij, vanaf de rug gezien, immers aan als meisje! Toen vond ik dat helemaal niet leuk. Maar als ik daar nu aan terugdenk, vind ik dat vrij grappig.

Op de dagen dat ik met mijn ma haar fiets mijn schoolse plicht vervulde, stalde ik dit stalen ros niet in de reguliere, door de onderwijsinstelling voorziene parkeerstalling. Daar moest die immers aan een haak worden gehangen. Wat heel sletig was voor het rijwiel. En ik vond het mijn plicht om uiterste zorg te dragen voor mijn ma’s gerief. Ik was al blij dat ze die fiets zo gewillig aan mij toevertrouwde. Dus haar eigendom in goede staat houden was het minste wat mijn ma van me mocht verwachten.

Daarom plaatste ik haar mooie rijwiel tussen de bomen aan de hoofdingang van de school. Op een plek waar voortdurend volk passeerde. En netjes beveiligd met het wielslot waar ma’s velo mee was uitgerust. Een toenmalig modern gadget dat het gedoe met losse fietssloten overbodig maakte. De eerste keren dat ik met ma’s fiets naar school kwam, controleerde ik tijdens de pauzes telkenmale of hij er nog stond. Maar al snel stapte ik af van die gewoonte.

Toen ik na een examen, waarbij we de school mochten verlaten eens we ons antwoordenblad hadden afgegeven, bij de fiets arriveerde, kwam ik tot de vaststelling dat ik het sleuteltje van het fietsslot kwijt was. Ik tastte alle zakken van mijn kledij af, maar kon dat drommelse kleine ding helaas niet vinden. Was ik het dan verloren, onderweg van het klaslokaal naar de stalplaats? Ik speurde het ganse traject af, tot twee keer toe, maar kon jammer genoeg het sleuteltje niet vinden.

Dus ben ik maar in een werkplaats van de school een stevige tang gaan lenen. Een zogenoemde betonschaar. In elk van mijn pollen hield ik het uiteinde van één van die wel een halve meter lange handvatten vast. De hardstalen bekken van het werktuig plaatste ik op het stukje buis van het fietsslot dat tussen de spaken van het achterwiel stak om zodoende het ronddraaien ervan te vermijden. Met pijn in het hart bracht ik met een, vanwege het hefboomeffect, weinig benodigde kracht, mijn handen naar elkaar. Waarbij het stukje buis werd doorgeknipt en ik het vervolgens probleemloos kon verwijderen. En na het terugbrengen van dat stuk knipgereedschap, gezwind met de fiets naar huis kon rijden.

Met een ei in mijn strakke broek natuurlijk, want ik had mijn ma haar mooie, nieuwe, voor haar verplaatsingen zoals boodschappen doen zo noodzakelijk instrument, een stukje kapot gemaakt. Welks scene er zich bij mijn thuiskomst afspeelde, kan ik mij niet meer herinneren. Dus vermoed ik dat mijn ma niet al te zwaar heeft getild aan het gebeurde. Ze kende mij als een zorgzaam type persoon en wist dus dat ik dat sleuteltje niet uit onachtzaamheid zou zijn kwijtgespeeld. Dat ik een goed examen had gemaakt interesseerde haar toen vast meer. En dat ik die namiddag onbezorgd studeerde voor het examen van de dag nadien was op dat moment waarschijnlijk ook een grotere bekommernis. Vermoedelijk is moederlief, vanaf die dag, om haar rijwiel vast te zetten, terug een gewoon cijferslot uit onze collectie beginnen gebruiken.

*****

Toen mijn ma zich vele jaren later opnieuw een nieuwe fiets aanschafte, gaf ze de oude, een iets meer dan een decennium eerder soms nog door mij bereden fiets, aan mijn echtgenote cadeau. Nog steeds in goede staat, want zorgzaam onderhouden door mijn ouders. En inclusief fietszakken, die inmiddels aan het fietsstoeltje waren bevestigd. Dat wielslot bevond zich ook nog steeds in de toestand waarin ik het had gebracht. Dus onbruikbaar. Het door de fietsmaker later vervangen door een nieuw exemplaar was er blijkbaar nooit van gekomen. Of mogelijks door mijn ouders te duur bevonden.

De fiets kreeg een plaatsje toegewezen bij de andere rijwielen in onze garage. Waaronder de voorheen door mijn vrouw gebruikte tweedehands fiets. Welke werd op rust gesteld, maar behouden als reservefiets. Zo begon ma’s oude fiets aan een nieuw leven. Waarin het voortverplaatsingsmiddel heel wat minder intensief werd gebruikt. Af en toe voor een marktbezoek, nu en dan eens om brood te halen bij de bakker en hoogst zelden voor een fietstochtje.

*****

Een jaar of drie geleden kocht ik mijn beide zoons elk een moderne, sportieve herenfiets. Waarvan ze, binnen het door mij beschikbaar gestelde budget, ieder voor zich, zelf het merk en model mochten uitkiezen. Waar ze heel blij mee waren. Dit in tegenstelling tot de gevoelens die ze uitten toen ik hen naderhand een mooie, sobere maar kwalitatieve fietshelm bezorgde. Waarvan ik verwachtte dat ze die op hun hoofdje zouden zetten bij elke verplaatsing met hun nieuwe, overeenkomstig hun lichaamsgrootte, nog net iets te grote fiets.

Sinds het begin van dit jaar is één van mijn zoons begonnen met nogal vaak zijn moeders fiets te gebruiken bij zijn verplaatsingen naar school, het zwembad, de bakker of andere bestemmingen. Vooral die fietszakken vind de jongen erg praktisch en handig. Om het brood van bij de bakker in op te bergen, zijn inline skates of zwemgerei in te vervoeren bij het uit sporten gaan en zo meer.

Het rijwiel is, door een vrijwel totaal gebrek aan onderhoud, volledig doorroest en oogt helemaal niet fraai meer. Maar dat deert mijn zoon blijkbaar niet. Volgens hem bolt het oude karretje trouwens zelfs beter dan zijn door opa’s noeste arbeid nog steeds als nieuw ogende herenfiets.

Mijn zoon Brian op de van oorsprong zijn oma’s fiets… een déja vu? De kledij waarmee de jongen op de fiets zit verschilt wel wezenlijk van mijn toenmalige outfit. Hij draagt ook wel vaak jeans, maar van die net iets te grote modellen, die hij dan overeenkomstig de huidige mode, halverwege zijn poep laat hangen. Zodat minstens de helft van zijn onderbroek voor iedereen zichtbaar is. Terwijl in mijn tijd ondergoed zedig werd onttrokken aan het oog van anderen.

Lange truien of dito hemden draagt mijn zoon niet. En zijn bruine krulletjes worden meestal heel kort gehouden. Behalve als hij, zoals nu, aan het sparen is voor wat haar om er vervolgens vlechtjes in te laten leggen. Zoals menig topvoetballer, rapper of hiphopartiest.

Aangezien mijn dertienjarige zoon er dus, in tegenstelling tot zijn pa, bijna twee decennia eerder, langs geen enkele kant bekeken, ook maar een beetje vrouwelijk uitziet, zal hij allicht nimmer door jongens worden nagefloten. Tenzij het dan kerels zou betreffen die vallen voor menselijke exemplaren van hun eigen soort. Maar van dergelijke voorvallen heb ik geen weet. En ik ben er heel zeker van dat zoonlief zulks absoluut niet leuk zou vinden. En helemaal niet grappig!

Rudi, 20 mei 2010 (publicatie op mijn blog ‘Rudi’s kijk op de wereld’), revisie op 2 november 2010.

18-05-10

Belevenissen in het UZ – Liftperikelen in het UZ

      

Toen ik, in de zomer van 2000, pas in de revalidatiekliniek, het RC genoemd, was gearriveerd, keek ik wel mijn ogen uit. Van een ex-kamergenoot op de verpleegafdeling neurochirurgie, die al eerder naar het RC was getransfereerd, maar zo nu en dan nog eens terug kwam, had ik nochtans vooraf wel al te horen gekregen waar ik me aan kon verwachten.

Nogal wat mensen met een tetraplegie, dus verlamming van ondermeer de vier ledematen. Tevens een aantal personen met een paraplegie, zijnde verlamd aan de onderste ledematen. En voorts iemand met een hemiplegie, dus halfzijdig verlamd, en voorts enkele individuen die één of meerdere ledematen misten of althans een deel ervan.

Een bont allegaartje fysiek beperkte personen dus. Waarvan de meeste onder hen zich verplaatsten met gebruik van één of twee krukken, een wandelrekje of middels een rolstoel. Manueel of elektrisch. Enkele mannen waren daar evenwel nog niet aan toe en werden in hun kamer van bed naar massagetafel getransfereerd en al liggend naar de oefenzaal verplaatst.

Allen samen zouden zij de eerstvolgende tijd, die ik zo kort als mogelijk wou houden, een belangrijk deel uitmaken van mijn leefwereld. Ondanks de voorafgaandelijk verkregen informatie en spijts het feit dat ik zestien jaar eerder ook al eens een half jaar op die plek verbleef, was het toch even wennen.

De eerste keer dat ik mijn kamer werd uitgerold, gezeten in een zwartkleurige manuele rolstoel, die ik reeds op de verpleegafdeling op eigen dwingend verzoek had ter beschikking gekregen, zag ik bij het passeren van de ontspanningsruimte een vent zitten die zo uit een humoristische sketch kon zijn geplukt!

De al iets oudere heer, zat in een compacte elektrische rolstoel, met grote wielen achteraan, en iets kleinere vooraan. Met één van zijn armen in witte plaaster gestoken en, ter hoogte van de schouder, gestrekt naar voren gericht. En op die plaats en in die positie gehouden door een constructie met dunne, doch stevige metalen waterleidingsbuizen.

Dit kon toch niet echt zijn? Zulke constructies werden toch enkel in humorfilmpjes gebruikt? Het bleek evenwel geen frats te zijn. Enkele dagen later kreeg ik van de man in kwestie, die ik hier gemakshalve Jozef zal noemen, te horen, dat hij enkele maanden daarvoor, zittend in zijn auto, na een hoofdbeweging, ineens zijn lichaam niet meer kon verroeren. Waarschijnlijk ten gevolge van een bloedklonter die zich plots, ter hoogte van de nekwervels, in het ruggenmerg had vastgezet.

Zo was Jozef dus verlamd geworden aan de vier ledematen. Om zijn grotendeels willoze armen en handen toch nog enige functionaliteit te geven, zou hij een aantal heelkundige ingrepen ondergaan waarbij ondermeer pezen werden verplaatst, verkort en/of verlengd. En ik meen mij te herinneren dat die lachwekkende lichaamspositie waarin Jozef zich tijdelijk verplaatste, onderdeel was van de helingprocedure na één van die medisch-technische operaties.

Van Jozef, die helaas inmiddels reeds sinds enkele jaren is overleden, herinner ik me trouwens een incident waarin de brave man de hoofdrol speelt.

Omdat hij zelf niet op de knop kon drukken om de kokerlift aan de vragen of de automatische deuren er van te openen, diende de brave man, zo hij op dat moment de enige wachtende potentiële liftgebruiker was, steeds iemand aan te spreken om op de knop te drukken. En eens in de liftcabine, ook op de knop te drukken van de etage waar hij heen wou. Het gelijkvloers, de kelder of de eerste verdieping.

Waarna de vriendelijke helper of helpster vlug de kooi uitsprong. Want aangezien Jozef achterwaarts de lift inreed, kon hij immers, eens aangekomen op de juiste hoogte, zonder de hulp van derden, probleemloos, en zonder tegen iets of iemand aan te botsen, door de elektrische schuifdeuren, de lift uitrijden.

Nu was die lift al een sinds een jaar of dertig geïnstalleerd en begon deze ouderdomsverschijnselen te vertonen en slijtageproblemen. Waardoor hij regelmatig dienst weigerde. En iedereen diende gebruik te maken van de tweede in het gebouw aanwezige lift. Die overigens veel kleiner was dan het andere exemplaar.

Tot de gespecialiseerde herstelploeg ter plaatse kwam. Wat meestal vrij snel gebeurde. Tenminste als die, via de noodtelefoon in de liftkooi of anders telefonisch door iemand van de verpleging, paramedici, kuisploeg, refterdames... van het euvel op de hoogte werden gebracht.

Wat niet gebeurde op het moment dat de lift kwam vast te zitten met enkel en alleen Jozef erin. Want de man kon telefonisch geen alarm slaan omdat hij fysisch niet in staat was om de noodhoorn vast te nemen. En elke andere persoon die de lift wou nemen, ineens doorstapte of doorreed naar de volgende lift.

Tot er dan toch iemand dromerig en geduldig op de lift wachtte waarin Jozef vastzat. Geen notie nemend van de rode indicator die een panne aanduidt. De lift kwam niet, maar de met een goed gehoor behepte dromer hoorde wel het flauwe hulpgeroep van Jozef. De verlamming had immers ook de werking van 's man spier en pees van het middenrif aangetast. Wat dan weer een invloed had op Jozef zijn longwerking en ergo de onmogelijkheid veroorzaakte om luid te praten, laat staan te roepen. Uiteindelijk is Jozef, na minstens een half uur eenzaam opgesloten te hebben gezeten, na een dringend ingrijpen van de technische herstelploeg, uit de lift kunnen rijden.

Zelf ben ik ook ooit eens komen vast te zitten in een lift. En wel op de terugweg van een mij, via de onderaardse gangen van het ziekenhuiscomplex, in de late namiddag naar een afspraak begeven in één van de poliklinieken. Toen verplaatste ik me reeds sinds geruime tijd middels een elektrische rolstoel.

Op mijn heenweg had ik een, zich daar in die molpijpen al fietsend voortbewegend personeelslid, aangesproken om de manueel te openen liftdeur voor me open te houden, zodat ik er achterwaarts in kon rijden, de knop van de eerste etage, waar ik zijn moest, in te drukken en de deur voor me te sluiten.

Een bedankje, een groet en ik was weg, de hoogte in. Van -1, over 0, tot +1, alwaar de lift halt hield. Ik reed met mijn blauwe elektrische rolstoel zachtjes vooruit. De druk tegen de liftdeur, door mijn op de voetsteunen van mijn verplaatsingsmiddel staande onwillige stappers, liet deze op scharnieren draaiende deur open gaan, zodat ik de wachtruimte van dit dispensarium kon inrijden. Waarna de deur zachtjes achter me dichtklapte. Nog vooraleer een verbaasde, van zijn stoel opstaande, op zijn beurt wachtende persoon zijn intenties om me met de deur te helpen, had kunnen waarmaken.

Toen het consult was beëindigd, was het in de gang behoorlijk donker en was er in de wachtzaal niemand meer te bespeuren. Dus reed ik terug de gang in om een nog in het gebouw aanwezige menspersoon te zoeken die me naar beneden kon helpen. In een kantoortje waar nog licht brandde, zag ik door het half gematteerde vensterraam enige beweging. Ik tikte op het raam. Waarop een dame, met haar jas reeds aan, en een handtas in de hand, de deur opende. Zij wou me met graagte helpen en moest trouwens de kant van de lift uit. Om via de trap ernaast, naar de uitgang te stappen op het gelijkvloer. Want het sluitingsuur van het zittingslokaal voor poliklinische behandeling was reeds ruimschoots voorbij. Zodat deze dame, net zoals haar collega's die reeds vertrokken waren, ook huiswaarts mocht gaan.

De vriendelijke dame hielp me dus de lift in, drukte op de knop voor transport naar de kelderverdieping, ontving mijn dank, en sloot na onze wederzijdse afscheidsgroet, de liftdeur. Waarop de liftcel zich in beweging zette. Om even later tot stilstand te komen... tussen twee verdiepingen! De licht in de cabine ging uit. Wat nu? Een mobieltje had ik toen nog niet. Wie had ik trouwens met dat ding moeten bellen? Met wat wringen van mijn lichaam slaagde ik er in om in het duister de knop te vinden en er met de wijsvinger van mijn linkerhand zelfs op te drukken. Waarop de lift zich weer in beweging zette.

Zij die van drama houden zullen op hun honger blijven zitten, want ik ben tot in de kelderverdieping geraakt zonder dat er zich een herhaling van het probleem voordeed. Maar dit voorval was voor mij een nuttige les. Nadien ben ik, ondanks het vaak voorkomende onbegrip van derden, omwille van deze houding en dit principe, nooit meer een krappe, oude lift ingereden, zonder een andere, valide persoon bij me. De enige liften waarin ik me wel nog alleen in durf te laten verplaatsen zijn de grote, ruime exemplaren, waarin ik me probleemloos kan draaien, het bedieningspaneel kan bedienen en van de noodtelefoon gebruik kan maken. En die je voornamelijk vind in moderne, recent gebouwde ziekenhuizen, grote winkelcentra, overheidsgebouwen...

Ru(sh)di(e), 2 maart 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 2 mei 2010.

20-04-10

Belevenissen in het UZ – Een beetje tipsy

      

Een revalidatiegenoot, die in het centrum verbleef omdat hij een voet, onderbeen en knie was kwijtgeraakt, alle drie de lichaamsdelen gelukkig van dezelfde lichaamszijde, had mij en enkele andere revalidatiegenoten uitgenodigd om na het middagmaal in zijn kamer een glas te komen drinken.

Als ik het mij goed herinner was die man zijn ledemaat kwijt geraakt bij een arbeidsongeval. Vandaar allicht dat hij de privilege had in een eenpersoonskamer te mogen verblijven. Dat zal waarschijnlijk wel in de polis van de ongevallenverzekering van zijn werkgever zijn voorzien geweest. En de kerel kon er maar wel bij varen. Want enige privacy vermindert toch het ongemak van het verblijf in een verzorgingsinstelling.

Een uitnodiging om wat geestrijke drank in mijn lichaam te kappen, dat sloeg ik uiteraard niet af. Bovendien rekende ik erop dat het een leuk onderonsje zou worden. Het kliekje dat de brave man had geïnviteerd was gewoonlijk al een vrolijke bende. En eens we wat alcohol in ons bloed zouden hebben, werden we vast nog plezanter!

Na het eten spoedde ik me dus, al rollend uiteraard, naar die kerel zijn kamer. En kwam daar toch niet als eerste aan, want er stond al volk aan de deur. Op het punt naar binnen te gaan. Ik rolde achter hen aan de kamer in. Waar we niet in de ruimte zwommen, want onder de gasten, een vijftal, denk ik, zowel van vrouwelijke als van mannelijke kunne en van diverse leeftijden, zat het merendeel in een rolstoel. Maar enkel ik in een elektrische.

Mijn maat was goed voorzien in zijn eenpersoonskamer. Hij toverde enkele borrelglaasjes uit een kast. Uit het koelkastje naast zijn bed, haalde hij ijsblokjes en uit nog een andere kast toverde hij een fles Cointreau te voorschijn. Een Franse likeur met een alcoholpercentage van 40%. Een drank die vaak als bestanddeel in cocktails wordt gebruikt. Maar wij zouden het spul puur drinken. Met, voor wie dat wou, enkele ijsblokjes er bij in het glas.

Alleen al de geur die vrijkwam bij het geroutineerd openen van de fles door onze gabber, deed ons reeds goesting krijgen. De glazen werden gevuld en er werd geklonken op de vriendschap, een voorspoedige evolutie van onze revalidatie en een goeie start van onze voor nadien geplande activiteiten.

En het werd nog beter! Onze revalidatievriend haalde uit een boodschappentas die op zijn bed stond, een zak toasten naar boven. En kwam, uit zijn koelkastje, ook met een stuk boerenpaté voor de dag. Waarvan een dikke laag op elk van de toastjes werd gesmeerd. Lekker! En welgekomen, want ik begon, van de drank, al wat duizelig te worden.

Zo zaten we daar te genieten van spijs en drank en elkaars gezelschap. En werd er honderduit gepraat over heden, verleden en vooral de toekomst. Wat onze plannen waren voor na de revalidatie. Onze hoop, verlangens, maar ook onze angst. Alles werd ten berde gebracht. De geestrijke drank, die inmiddels reeds door onze aders stroomde, stimuleerde uiteraard de openheid van ons gesprek.

Man, dat was genieten! Gezelligheid alom. Maar hoe prettig we ons samenzijn ook vonden, we dienden er een eind aan te maken, om onze namiddagactiviteiten aan te kunnen vatten. Bij mij was dat op de eerste plaats een afspraak bij de bandagist, samen met mijn revalidatiearts!

Toen ik dat aan mijn lotgenoten vertelde, barstten ze allen samen uit in lachen. Beneveld door de inhoud van mijn, door de gastheer, geregeld gretig bijgevuld glas Cointreau, was ik immers zelf ook nogal lacherig geworden, en zag ik er naar verluidt niet meer erg fris uit. Bovendien zou, volgens hen, mijn adem ook vast naar de geconsumeerde drank ruiken!

Verdorie toch! Moest ik nu juist vandaag een afspraak met de dokter hebben? Onze traktant had evenwel klaarblijkelijk ervaring in het verdoezelen van een (lichte) beschonkenheid. Hij gaf direct een stukje kauwgum aan me, om op te knabbelen, zodat alvast de drankgeur werd weggemoffeld. Maar ik at volgens hem best ook eerst nog een toastje, om die opkomende slaperigheid te verminderen. En ook eventjes buiten wat frisse lucht gaan opsnuiven zou in deze vast helpen.

Ik volgde de man zijn goede raad op. En verorberde dus nog een laatste, super lekker toastje met een dikke laag, zeer smaakvolle paté en stak vervolgens een stukje kauwgum in mijn mond. De smaak van het knabbelblokje was aardbei. Dat viel dus nog best mee. Toch begin ik er  met enige tegenzin op te knabbelen, want dat kauwen laat ik doorgaans liever over aan de runderen, schapen, geiten en de overige herkauwers onder de zoogdieren.

De gasten dankten elkaar voor de fijne babbel en het aangenaam gezelschap en de gastheer daarbovenop ook voor de uitnodiging, het ter beschikking stellen van zijn tijdelijke woonplaats en de door hem geserveerde lekkere drank en belegde beschuitjes.

Ontzettend licht in mijn hoofd reed ik, na het verlaten van mijn maat zijn kamer, de gang in en trachtte in een rechte lijn naar de uitgang te rijden. Waar ik dankzij de automatisch openschuivende deuren, zonder de hulp van derden, naar buiten geraakte. Alwaar een aantal revalidatiecentrumbewoners een sigaret zat te roken. Om frisse lucht op te snuiven moest ik dus wat verder rijden, tot aan de autoweg, die binnen het universitair ziekenhuisterrein de verschillende gebouwen bereikbaar maakt.

Al kauwend reed ik een vijftal minuten later terug het centrum binnen. Iets minder licht in het hoofd, maar wel lichtjes zigzaggend. Want mijn coördinatie had toch wat te lijden onder mijn licht benevelde toestand. Maar toch geraakte ik, zonder ergens tegenaan te botsen, tot aan het dokterkabinet. Het geluk stond voor één keer aan mijn zijde. De secretaresse van de revalidatiearts meldde me dat haar overste was weggeroepen voor een dringende interventie. Waardoor ik op mijn eentje naar de bandagist mocht 'gaan'.

Dat 'gaan' werd een zwalpend rijden. Maar ook nu reed ik niemand onder de voet en botste ik nergens tegenaan. Nochtans niet eenvoudig in enigszins duizelige toestand en met een wazig zicht. Want in de gang die ik doormoest stonden er her en der stoelen tegen de wand, sommige met een persoon op, andere onbezet en ook nog wel wat andere obstakels, doorgaans medische hulpmiddelen. Voorts was er daar inmiddels ook al heel wat volk in beweging. Zowel residenten van het revalidatiecentrum als ambulante patiënten. Rolstoelers, personen met één of twee krukken, met een rollator...

Gelukkig hoefde ik aan het atelier niet te wachten op de bandagist, want anders was ik ongetwijfeld ter plaatse in slaap gevallen. De man was reeds aanwezig en onmiddellijk beschikbaar om met mij de reden van mijn komst te bespreken. En ik slaagde er wonderwel in om mezelf, gedurende het ganse onderhoud, wakker en deftig te houden.

Ru(sh)di(e), 9 januari 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

26-03-10

Heden en verleden - Omvallende bomen

  

Mijn ouders hun huis en stallingen stonden op een lap grond, waarop voor de woning een gewone tuin met graspleintjes en bloemperkjes was aangelegd en achteraan een moestuin. Hun eigendom was gelegen naast een veldweg, een 'slag' zoals wij dat noemden. Welke gebruikt werd door de boeren uit de buurt, om tot bij hun weiden of landbouwgrond te geraken.

Vanaf de straat gezien was onze doening rechts van die veldweg gelegen. Terwijl links ervan een stuk landbouwgrond lag. Nu stond aan de straatkant, over de ganse breedte van die akker, een rij hoge bomen. De eerste van de rij, deze op de hoek van de akker en het begin van de veldweg, die trouwens door mijn pa gratis en voor niks werd onderhouden, was eigendom van mijn ouders. En als kleine rakker was ik er reuze trots op dat zij de eigenaars waren van zo een gigantische boom!

De rest van de bomenrij was reeds jaren daarvoor geveld en vervangen door jonge aanplant, en ons oude huis en het grootste gedeelte van de stallingen gesloopt en vervangen door een door mijn pa eigenhandig gezette nieuwbouw, toen een jaar minder dan een kwarteeuw geleden, mijn pa het plan opvatte om ook 'onze' boom te vellen. Om wat voor reden durf ik niet met zekerheid te schrijven, maar ik vermoed dat hij goedkope brandstof wou voor de allesbrander, die toen al sinds enkele jaren 's winters onze living en keuken verwarmde.

Alhoewel ik inmiddels reeds in mij adolescentiejaren vertoefde, was ik ook als 18-jarige toch niet onverdeeld gelukkig met mij vaders voornemen. Maar ik had in deze kwestie niks in de pap te brokken. Die boom zou neergaan en daarmee basta!

Deze klus laten klaren door een professionele, in dit soort dingen gespecialiseerde firma, werd slechts heel even overwogen. Maar vrij snel als optie van de baan geveegd. Wegens veel te duur. De opbrengst van het hout zou niet eens toereikend zijn geweest om de kosten te dekken van het vellen. Dus zou mijn vader, een ervaren doe het zelver, met de hulp van enkele buurmannen, de boom zelf neerleggen.

Op een mooie lentedag was het zo ver. Vanuit onze living, waar ik met een, bij mij op bezoek zijnde, leeftijdsgenoot, een maat uit de buurt, zat te keuvelen, zag ik mijn vader en enkele mannen, alles in gereedheid brengen voor de job. En er stonden ook nog enkele andere buren te kijken en aanwijzingen en commentaar te leveren op de voorbereidende werkzaamheden

Er werd een lange houten ladder tegen de boom geplaatst en we konden zien dat mijn pa een dik touw rond de stam bevestigde, zo hoog mogelijk in de boom als waar hij met zijn handen kon reiken. De uiteinden van dat touw werden vastgemaakt aan de tractor van een boer uit de buurt. Trouwens tevens de eigenaar van de akker waarop het de bedoeling was dat onze boom terecht zou komen.

De boom helde over in de richting van ons huis, maar de tractor stond, met het touw gespannen, zo opgesteld dat deze de vallende boom de andere richting uit zou kunnen trekken. En de ervaren doe het zelf boomhakker uit onze buurt, die had aangeboden het afzagen van de boom voor zijn rekening te nemen, had ook de kant van de akker uitgekozen om, middels zijn kettingzaag, een spie uit de boomstam te halen.

Die boom kon dus niet verkeerd vallen, veronderstelde iedereen. Maar wat zag ik, en allicht ook ieder ander die toekeek? Dat, eens de boom in beweging kwam, hij geheel en al viel, in de richting van ons huis! Verbijsterd en met schrik zag ik die kolos van een boom recht op ons afkomen. Mijn maat en ik keken elkaar angstig aan. Wat hij vervolgens deed, dat weet ik niet, maar ik schreeuwde "oh, neen!" en kneep mijn ogen dicht tot het gevaarte neerkwam, met een harde bonk, die de grond onder onze voeten deed daveren.

Toen ik mijn ogen opnieuw opende, was er van de door mij gevreesde ravage, binnenshuis niks te merken De buitengevels stonden er nog allemaal en ook het glas in de vensterramen was niet gebroken. We spoedden ons naar buiten. Waar de zon, als het ware spottend, enkele zuinige stralen in de richting van de aarde stuurde. Waar in onze voortuin de boom lag die volgens het vooropgezette plan nochtans had moeten landen op de akker, enkele meters ernaast.

Naderhand bleek de oorzaak van deze ellendige misser het feit te zijn dat de boer te laat in actie was gekomen en dan op de koop toe zijn tractor niet onmiddellijk kreeg gestart. Toen dat luttele seconden later dan toch lukte, was hij nog enkel in staat geweest om de schade te beperken. Die al bij al nog meeviel. Enkele zware takken van de kruin van de boom hadden een deel van onze uit betonplaten met daarboven draad gespannen afsluiting vernield. En enkele minder zware takken hadden nog net de hoek van de overhangende dakgoot kapot gemaakt. De gevel van ons huis was niet geraakt en dus intact gebleven. Gelukkig maar!

Mijn vader was geschrokken en boos. Met zijn gebalde vuisten hemelwaarts gericht, nam hij de schade op. Ook mijn ma was vanuit haar keuken naar buiten gerend. En stond een beetje wezenloos de boel te aanschouwen. Een deel van haar bloemenperk was naar de knoppen. Wat haar evenwel op dat ogenblik allicht het minste zorgen baarde.

Het is uiteindelijk allemaal nog snel en zonder al te veel werk en kosten, in orde gekomen. Die dakgoot kon voor weinig geld worden hersteld, de afsluiting maken was een kwestie van het aankopen van enkele nieuwe betonpalen en -platen, en het spannen van een nieuw stuk draad, dus dat was ook de kost niet. Die boom werd onmiddellijk na zijn val geheel en al in stukken gezaagd. Die vervolgens ook nog eens werden gekliefd met een kliefhamer, een combinatie van een bijl en een voorhamer. Dat die boom dit trieste lot onderging was niet als straf voor de aangerichte schade, maar gewoonweg de uitvoering van het origineel plan.

Een van de buurmannen, die mijn vader hielp bij dit stoofhout kappen, grapte dat het hout van deze boom hem twee keer warmte zou verschaffen. Een eerste keer toen, op dat moment, door het stijgen van zijn lichaamstemperatuur bij het zagen, hakken en klieven en een tweede keer op het moment dat het hout van de boom zou branden in de stoof.

****

Als rijpe twintiger verhuisde ik naar mijn eigen woning, waar ook een grote tuin aan is verbonden. De hoogste boom in deze tuin met allerlei boom- en struiksoorten en allerhande ander groen, was een kolos van een zilverberk. Ooit door een vorige eigenaar van dit perceel, gepland op een positie ongeveer halverwege de achtertuin, en ook in de breedterichting op ongeveer dezelfde afstand van de grens met de naburige percelen, links en rechts van mijn tuin.

Die reus van een zilverberk stond daar te pronken als trotse, alle andere bomen en struiken overheersende tuinbegroeiing. Van ver in de omtrek van mijn eigendom kon je hem zien staan. Die houten gigant, die ook door geen enkele boom in de tuinen van de buren, in de ruime omgeving van onze woning, werd overtroffen qua hoogte en omvang. Onaantastbaar en onverwoestbaar, zo leek hij te zijn.

Tot het noodlot toesloeg, in de vorm van een blikseminslag bij noodweer. Hoge bomen vangen, ook letterlijk, niet enkel veel wind, maar zijn ongelukkigerwijs tevens een gemakkelijke prooi en doelwit voor andere natuurfenomenen.

Dat de bliksem ernstige schade had aangebracht aan de zilverberk, dat kon ik de dag na de inslag zichtbaar vaststellen. Vanaf de top van de stam, tot enkele meters lager, was een scheur te zien. Maar niks wees er op dat er een onmiddellijk gevaar bestond voor het naar beneden komen van een deel van deze monsterboom.

Lange tijd later woedde er op een zondagochtend een heel zware storm. Normaliter hadden mijn zoons die voormiddag een voetbalwedstrijd moeten spelen. Maar omwille van dit slechte weer, was die op het laatste moment afgelast. Dat nieuws bereikte ons trouwens pas toen zowel mijn zoons als ikzelf, warm ingeduffeld, de wind trotserend, reeds op weg waren naar het voetbalterrein.

Dus keerden we onverrichter zake terug huiswaarts. Er woei een geweldige wind, maar het was helemaal niet koud, noch vochtig. Derhalve had ik ontzettend weinig zin om reeds onmiddellijk terug onze woning binnen te rijden. Waar ik dan ongetwijfeld ook de rest van de dag zou moeten doorbrengen. Liever had ik even in onze achtertuin vertoefd, maar ik realiseerde mij dat dit, met zulk een stormachtig weer, niet erg verstandig zou zijn geweest.

Wat even later werd bewezen. Want we waren nog maar net binnen in huis, en ik had nog maar pas mijn jas uit, toen één van mijn jongens me meldde dat onze grootste boom uit het gezichtsveld was verdwenen. Wantrouwig, vermoedend dat ik in het ootje werd genomen, verplaatste ik mij snel naar de verandaramen achteraan in ons huis en keek van daaraf naar buiten. Mijn kijkers kregen een totaal ander uitzicht op de tuin te zien dan ze gewoon waren, want die doorgaans direct in het oog springende zilverberk was inderdaad foetsie!

De volgende dag, toen het weer terug wat rustiger was, reed ik de tuin in en vond de kolos, meedogenloos geveld, op het grasveld. Een triest zicht, vond ik dat. Maar nu die boom beneden lag, ontdekte ik wat de schors al die tijd had kunnen verborgen houden, namelijk dat de boomstam binnenin volledig was uitgedroogd. Het was eigenlijk een wonder dat dit gevaarte niet eerder tegen de vlakte was gegaan.

Het grasperk, dat voordien door de weelderige kruin van de zilverberk, als het ware van de buitenwereld werd afgeschermd, baadde nu in een zee van licht.  Dat mijn mooie boom wijlen was, daar ben ik toch wel enkele dagen verdrietig om geweest. Niet dat ik triest in een hoekje ging zitten, maar het neergaan van mijn lievelingsboom, en het feit dat ik hem als gevolg daarvan tot brandhout moest laten verwerken, had me toch wel geraakt. Figuurlijk althans, want ik zat, zoals voorheen geschreven, veilig binnen in huis toen die mastodont neerviel.

Mijn mooie tussenhaag was spijtig genoeg wel getroffen. Maar kom, die was enkele maanden na het gebeurde, alweer de oude. Bomen, planten, struiken en zo meer hebben het geluk dat, wat ze kwijt spelen, er naderhand vaak vrij eenvoudig terug aangroeit. Dat het mensdom daar eens een voorbeeld aan neemt!

****

Helemaal rechts achterin onze tuin, op de scheiding van ons perceel met dat van de achterburen en de buren aan de zijkant, stond een fruitboom die al sinds jaren op rust was. Dus reeds lang geen vruchten meer produceerde. En die een kruin had waarvan nog slechts enkele takken het geluk kenden in de lente de basis te zijn van enkel groene bladeren.

Die boom, of althans wat er nog van overbleef, had mazzel gevat te zitten in de zijtakken van een, er vlak naast staande, nog steeds volop in leven zijnde spar. Met het verstrijken van de jaren was deze boom, met een toch wel redelijke stamdikte, zijnde een goeie 40 centimeter, evenwel geleidelijk aan schuin komen te staan. En verloor de spar er daardoor beetje bij beetje haar greep op.

Aangezien hij naar onze tuin overhelde, en bij een eventueel vallen dus niet op de eigendom van onze buren terecht kon komen en desgevallend schade aanrichten, was ik vrij gerust. Toch zocht ik naar een oplossing om de boom te verwijderen. Want na elke periode met hevige rukwinden, kwam de boom steeds schuiner te staan. En hoewel er vrijwel nooit iemand in die hoek vertoefde, wou ik toch niet het risico lopen dat, als het toch eens zou gebeuren, degene die er liep, dat gevaarte op het hoofd zou krijgen.

Die nare ervaring uit mijn jonge jaren indachtig, wou ik de klus in geen enkel geval laten klaren door amateurs. Maar integendeel de job laten uitvoeren door professionelen. Aangezien de plek waar die boom stond, moeilijk bereikbaar was, konden die daar evenwel niet geraken met een hoogtewerker. En een lange ladder tegen die hellende boom plaatsen was te riskant. Een ladder tegen de spar plaatsen en vanuit die positie met een zware boomzaag aan het werk gaan, was ook niet echt een acceptabel alternatief.

Wikkend en wegend hoe ik die bejaarde fruitboom daar dan wel weg zou krijgen, reed ik op een zonnige namiddag nog eens naar die hoek, om de situatie aldaar nog eens deftig te bekijken. Vlak naast de scheiding met de tuin van onze achterbuur, en op een meter of vijf afstand van de boom, bleef ik staan. Maar niet voor lang. Want ik voelde mij allesbehalve veilig op de plaats waar ik stilstond. Want ik kon zien dat de spar haar greep op de boom nagenoeg volledig was kwijt geraakt en de oude fruitboom meer dan ooit overhelde, in de richting van waar ik zat!

Die moest daar dus uiterst spoedig weg, besliste ik. En ik zou daar eerstdaags werk van laten maken! Maar zo ver hoefde het niet te komen, want de natuurelementen namen me het werk uit handen. Nog diezelfde avond stak er, gelijktijdig met een fikse regenbui, een sterke wind op, die in de loop van de nacht nog toenam in snelheid en kracht!

De volgende ochtend had ik reeds het vermoeden dat er die nacht wel eens iets met die boom zou kunnen gebeurd zijn. En aangezien het stormen en regenen tegen de middag aan zo goed als helemaal voorbij was, ging ik toen een kijkje nemen achterin de tuin. Waar het onweer hevig te keer was gegaan, want alle paden en graspleintjes lagen bezaaid met takken, bladeren en ander groen en anderskleurige tuinelementen, waarmee de wind een spel had gespeeld.

En, zoals verwacht had die wind ook de boom in de hoek neergehaald. Hij was gevallen pal op de plek waar ik de dag ervoor nog had gezeten! Toch vriendelijk van die boom om te wachten met zich neer te laten leggen tot ik van het toneel was verdwenen. Stel je voor dat ik die brok hout met alles wat er aan hing, op mijn kop en alles wat daar aan hangt, had gekregen. Dood was ik dan allicht niet geweest. Tenzij het al te lang zou hebben geduurd vooraleer men mij kwam 'redden'. En er in dat geval al zo veel bloed uit mijn lichaam zou zijn gestroomd, dat mijn lichaam er dan toch 'het bijltje' zou hebben bij neergelegd.

Maar hoogst waarschijnlijk was het resultaat van dat onder die vallende boom terecht komen, veel erger geweest. En had ik het avontuur overleefd met nogal wat lichamelijke schade aan mijn lijf en materiële schade aan mijn elektrische rolstoel. Verzekeringsgewijs is dit laatste trouwens ook lichamelijk, wegens een onontbeerlijk hulpmiddel zijnde, en een materieel verlengde van de persoon die er aan gebonden is.

Voor de kwebbelaars in mijn woonplaats was het zonder twijfel jammer dat geen van de twee laatst vermeldde scenario's bewaarheid is geworden. Want er zou ongetwijfeld enorm veel geroddeld zijn geweest nopens dit voorval. En vooral verzonnen. Een verhaal dat dan zeker de ronde zou hebben gedaan, is dat van de poging tot zelfdoding. Daar zou ik trouwens zelf ook wel één en ander rond kunnen verzinnen. Maar voor dit verhaal heb ik me netjes aan waar gebeurde feiten gehouden.

Ru(sh)di(e), 4 oktober 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

07-03-10

Herinneringen uit mijn verleden - Hogeschool anekdotes

  

Zoals reeds eerder door mezelf in mijn schrijfsels ootmoedig bekend gemaakt, ben ik eigenlijk altijd nogal een brave leerling, scholier & student geweest. Maar voor een kwinkslag of een grapje zat ik dus nooit verlegen.

Zo volgde ik na mijn middelbare studies een voorbereidende cursus Wiskunde aan een Vlaamse industriële hogeschool. We zaten in de klas met een 50 à 60 studenten, afkomstig uit allerlei studierichtingen en woonachtig in de ruime regio van de stad waar we deze cursus volgden.

Op een gegeven moment was onze docent bezig met een omvangrijke vergelijking. Een ingewikkelde berekening, waar integralen en differentialen aan te pas kwamen. Het gigantische krijtbord stond vol gekriebeld met formules en voor leken onduidelijke tekens.

Plots werd er aan de deur geklopt en kwam er iemand van het secretariaat het lokaal binnen. De man fluisterde onze leerkracht wat in het oor. Waarna deze laatste ons meldde er even vandoor te moeten gaan, maar dat hij zo meteen terug zou zijn. En vervolgens samen met de boodschapper het leslokaal verliet.

Ik wipte terstond van mijn stoel en liep naar het krijtbord toe. Waarop ik simpelweg in de laatst geschreven berekeningslijn één cijfertje wijzigde, waardoor de docent nooit meer tot een juiste oplossing kon komen.

Nog maar net had ik haastig mijn plaats terug ingenomen, of daar was onze leraar al terug! De man verontschuldigde zich voor de korte onderbreking en toog terug verder aan zijn arbeid, zijnde de wiskundige vergelijking op het bord.

Hij bezag zijn laatst geschreven regel en ging daarop verder met zijn berekening, waarbij hij ons middelerwijl van de nodige kundige uitleg voorzag. Enkele minuten later hield de docent evenwel ineens op met schrijven. Hij zei: "Hier klopt iets niet!"

Alhoewel ik op de eerste rij zat, voelde ik, of beeldde ik me in, dat iedereen naar mij keek. En toen de docent het gewijzigde karakter had ontdekt, en het lokaal inkeek, speurend naar de dader, proestte ik het uit. En mijn medestudenten lachten vrolijk mee. Met een, van schaamte en ingehouden spanning, bloedrood aangelopen hoofd, bekende ik schuld! En moest erkennen dat de docent, wat Wiskunde betreft, goed van wanten wist, aangezien de man heel snel doorhad dat er ergens met de cijfers was geknoeid. Of was het vooral zijn ervaring met guitige studenten die daar aan ten grondslag lag?

Nu ja, de man kon een grapje klaarblijkelijk wel appreciëren. Dat hij me bij het verbeteren van de proef, aan het einde van de cursus, weinig punten gaf, werd dan ook helemaal niet veroorzaakt door deze deugnieterij. De reden daarvan was ontegensprekelijk elders te vinden. In plaats van vlijtig te studeren spendeerde ik mogelijks te veel mijn vrije momenten door met mijn maten te kaarten. En tijdens de lessen verloor ik misschien wat al te veel aandacht voor de leerstof door het loeren naar die massa knappe wijven in mijn groep.

Omdat ik als modelstudent vooraan in het lokaal zat, op de eerste rij voor dat enorme krijtbord, moest ik trouwens steeds achterom kijken om een glimp op te vangen van mijn vrouwelijke medestudenten. Om eerlijk te zijn was dat vooraan zitten trouwens ook enkel om reden van de slechtziendheid van één van mijn maten.

Toen de cursus zo goed als ten einde was, vroeg één van onze docenten, zo langs zijn neus weg, wat onze verdere plannen waren. Welke school en opleiding we wilden volgen.

Sommige van mijn medecursisten waren al ingeschreven op de school waar we les volgden, anderen op deze met eenzelfde studieaanbod, maar van een ander onderwijsnet. Er was een jongen die het aan de universiteit ging proberen en twee meisjes die een opleiding waarin Wiskunde een belangrijk vak is, toch niet meer zagen zitten en een andere richting wilden uitgaan.

Ook ik stak mijn hand op en toen het mijn beurt was om te zeggen waar ik was ingeschreven, antwoordde ik al gekscherend: "Bij den RVA!" De ganse zaal lag plat van 't lachen! Docent incluis!

Ru(sh)di(e), 20 juni 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld' op 1 september 2009), revisie op 25 februari 2010.

13-12-09

Rudi's ontboezemingen - Regels

 

Je komt als jongeman soms nogal wat tegen met de meiden! Daar kan ik persoonlijk ook enkele pittige anekdotes over vertellen. Zoals die keer toen ik als prille twintiger eens een vriendinnetje meenam om te gaan shoppen in Maastricht. We waren daar al gearriveerd toen ze pas ontdekte dat ze haar handtas thuis op het tafeltje in de inkomhal van haar studio had laten liggen. Ik zei: "Da's niks, ik heb geld bij, een haarborstel en ook een extra zakdoek & zo" en voegde er, om te zwanzen, aan toe: "Gelukkig is het niet je onderbroek die je thuis bent vergeten!" Het meisje kleurde terstond bloedrood.

Een andere keer was ik samen met een jongedame. Ik weet niet meer juist onder welke omstandigheden, en ik herinner me ook de reden niet meer, maar ze zei in elk geval, op een bepaald moment: "Ik heb zo mijn regels!" Waarop ik antwoordde: "Ga dan maar vlug naar het toilet om een inlegkruisje in je slip te stoppen!" Dat meisje is effectief weggehold. Niet naar het toilet, maar gewoon weg van mij!

Een andere griet heeft mij dat trouwens eens, in halfdronken toestand, wankel op haar benen staand, bekend: "Schone jongen" zei je, zoals gemeld was ze zat, dus had ze vast een troebel zicht, "Ik ben weg van jou!" Onmiddellijk respondeerde ik met: "Neen, dat is niet waar, want je bent hier nog. Maar ik zou wel graag hebben dat je weg bent van mij, want je stinkt uit je bek. En bovendien hou ik niet van zatte wijven!"

"Tenzij ze jong en sexy zijn", had ik er nog aan kunnen toevoegen. Maar dat deed ik niet, want dat vrouwmens zou dat toch niet meer hebben gehoord, want ze was al weg gewaggeld en ik heb haar daarna gelukkig nooit meer teruggezien!

Het was in die tijd, de jaren tachtig, en waarschijnlijk nog steeds, trouwens niet altijd eenvoudig om een griet aan de haak te slaan. Figuurlijk dus, welteverstaan! Alhoewel ik er, als zeventienjarige, toch eens een keer in ben geslaagd om dat, ongepland, bijna letterlijk voor elkaar te krijgen.

Op de fuiven, waar ik, als rijpe tiener, in de weekends met mijn, uit jongens en meisjes bestaande vriendengroepje, heen hing, was al meer dan eens mijn oog gevallen op een knap jong meisje. Eentje met een weelderige bos krullend donkerbruin haar. Bij de toen nog populaire kusjesdans probeerde ik al eens om haar in mijn armen, en aan mijn lippen, te krijgen. Maar helaas slaagde ik daar niet in. En mijn kansen waren uiterst beperkt omdat die schoonheid meestal niet meedeed aan dat kusgedoe.

Ook voor een slow, die altijd volgde op die kusjesdans, kon ik, ondanks herhaalde beleefde uitnodigingen daartoe, de bevallige deerne niet strikken. En dan, op een keer, toen ik me na zo een massadans, door de menigte bewoog, op zoek naar een danspartner, werd ik door de vriendin van dat meisje op de schouder getikt.

Terwijl ik verder stapte, deed het meisje me teken om achterom te kijken. Dus hield ik halt, draaide me om en keek recht in de ogen van die zo door mij begeerde brunette. Menslief, wat was ze toch knap. En nu liep zij dus achter mij aan?

Fout gedacht! Op mijn blauwe jeansvestje waren twee kleine buttons gespeld. En bij het haar ongemerkt passeren, allicht omdat ik op dat moment een ander schoon grietje in het vizier had, was ze met een deel van haar enorme haardos aan me vast komen te zitten. Vandaar die achtervolging door de rumoerige en lawaaierige danshal.

Weken- of misschien wel maanden later, heb ik toch nog eens een poging ondernomen om dat, in mijn ogen goddelijk, schepsel, aan de haak te slaan. Figuurlijk dan, deze keer! Ze zat, samen met een aantal jongens, aan een tafeltje, naast de tafels die mijn maten en ik hadden ingepalmd.

Naarmate de avond vorderde merkte ik dat het meisje nogal dikwijls alleen op haar stoel, aan dat tafeltje achterbleef. En als die kerels, van het type 'zware jongen', er toch waren, kroop geen enkele van hen dicht tegen haar aan of stelde zich amoureus tegenover haar op. Daaruit concludeerde ik dat het meisje geen vriendje had. En leek deze avond voor mij het uitgelezen moment om mijn kans te wagen om dit mooie meisje nader te leren kennen.

En ik had al een plannetje beraamd om dit prachtig schepsel der natuur te bekoren. Naderhand beschouwd een nogal ridicuul idee. Van elk beschikbaar drankje dat op die fuif was te verkrijgen, wou ik er namelijk één bestellen. En het ganse aanbod zou ik voor haar bevallige neusje plaatsen, zodat ze maar te nemen had wat ze drinken wou.

Slechts één, niet onbelangrijk, probleem doemde op. Om al die drankjes te kunnen bekostigen, had ik geld nodig. En ik had die avond al een groot deel van mijn budget gebruikt om benzine te kopen voor mijn bromfiets. En het saldo had ik aangewend als mijn aandeel in de drankpot, die inmiddels was uitgeput. Er zat dus niks anders op dan bij wat maten aan te kloppen voor een beetje geld. Die maakten daar geen probleem van. Temeer daar ik hen deel maakte van mijn plan.

Nu de voorbereidingen waren getroffen, rijgde ik de veters van mijn 'stoute' combat schoenen nog wat sterker aan, trok mijn nauwsluitende jeansbroek recht, liet mijn vingers even door mijn haren glijden, om mijn kapsel ietwat te fatsoeneren en ging vervolgens recht op de jonge vrouw af.

Ze keek op toe ik me, het lichaam voorovergebogen, voorstelde aan haar. Ze glimlachte vriendelijk en deelde me ook haar naam mee. Op mijn vraag of ik even bij haar mocht komen zitten, antwoordde het lieflijk ogend creatuurtje positief! Ze bleek met haar broers en hun maten naar deze fuif te zijn gekomen. Omdat ze wel zin had om uit te gaan, maar haar vriendin ziek was en haar ouders niet wilden dat ze alleen op stap ging. Toen ik haar zei dat ik haar een drankje zou bezorgen, reageerde het meisje onmiddellijk met de woorden: "Neen, niet nodig hoor. Ik heb deze avond reeds genoeg gedronken en heb nu echt geen zin meer in om het even welk drankje!"

De schoonheid vervolgde: "Ik zeg dat steeds liever onmiddellijk, zodat niemand haar of zijn geld besteed aan een drankje dat ik dan toch niet uitdrink." Net op dat moment kwam de ober eraan met een schaal waarop minstens 10 verschillende soorten drankjes stonden. Oei! Hoe moest ik dat hier oplossen? Zonder gezichtsverlies te lijden. Ik zei die jongen dat hij alle drankjes bij elkaar op tafel mocht zetten en dat ik dan wel voor de verdeling zou zorgen. Nadat ik de drankbezorger met het geleende geld had betaald, riep ik enkele maten bij me.

Die keken me vragend aan, want ze hadden zich gedeinsd gehouden omdat ze dachten dat ik toch liever alleen bleef zitten bij het meisje mijner dromen. En waren nog meer verbaasd, toen ik hen uitnodigde om een drankje te nemen. Erg succesvol was mijn broederlijk delen overigens niet, want mijn maten waren niet geïnteresseerd in het drinken, of zelfs maar proeven van de meeste van die daar op tafel gepresenteerde brouwsels.

Wat er daarna is gebeurd en hoe die avond is afgelopen, daar heb ik het raden naar, want ik kan het me met de beste wil van de wereld niet meer herinneren. Eén ding is zeker: dat meisje is noch die zaterdagavond, noch op een later moment, ooit de mijne geworden. In tegengesteld geval had ik die gedenkwaardige informatie zonder twijfel voor eeuwig en altijd ergens in een veilig hoekje van mijn grijze hersenmassa bewaard. Dus waarschijnlijk is onze beginnende communicatie vrij snel op een sisser uitgelopen. Mogelijk koos ik een fout moment uit om met het meisje in contact te treden. Had ze misschien haar regels?!

Ru(sh)di(e), 4 april 2009. (publicatie op de weblog 'Rudi's kijk op de wereld' op 10 juni 2009) 

29-11-09

Rudi's ontboezemingen - Vrouwen

 

Vrouwen. "Ze zijn soms zo moeilijk te begrijpen", hoor je vaak zeggen. Door mannen, vooral. "Dat is omdat die kutwijven van een andere planeet komen dan wij, fijne venten!" zo hoorde ik in mijn prille kindertijd ooit eens zeggen, toen ik mij, onopgemerkt, in het gezelschap bevond van enkele oudere buurjongens. Die reeds op een leeftijd waren aanbeland waarop ze hun eerste echte liefdesavonturen beleefden.

Dat was dus tevens het moment waarop ik te weten kwam dat wij, in tegenstelling tot wat mijn pa me had verteld, niet uit de kolen komen. Waarna ik concludeerde dat het andere verhaal over onze afkomst, dat de ronde deed, dan allicht toch geen verzinsel was, zoals mijn pa nochtans beweerde. Zouden kindjes dan toch door de ooievaar worden afgeleverd? Al naargelang het om een jongen of een meisje gaat, vanaf verschillende hemellichamen, naar de verwachtingsvolle ouders op aarde gebracht? Ferme vogels, als die veronderstelling juist zou zijn. Maar was het inderdaad zo? En hoe zou die bestelling dan in haar werk gaan? Dat vroeg ik mij af, als kleine rakker. Die grote jongens wisten vast het antwoord wel. Maar ik durfde het hen niet te vragen.

Dat het vrouwvolk een moeizaam te bevatten soort is, dat heb ik inmiddels zelf ook wel begrepen. Bij een jongedame, waar ik als rijpe twintiger een innige relatie mee had, liet ik ooit eens een gigantisch boeket rode & witte rozen bezorgen. Ter gelegenheid van haar verjaardag was dat. Maar dat meisje was nog niet content. De bloemen en het ornament er rond vond het wicht ontzettend mooi. Maar de door de koerier bijgeleverde rekening was er voor haar te veel aan.

Ja zeg, kon ik er aan doen dat ik op dat moment op zwart zaad zat omdat al mijn geld er was doorgedraaid door haar voorgangster? Zeggen ze niet: "Het is het gebaar dat telt?' En ik was in elk geval mijn liefste haar geboortedag niet vergeten! Belachelijk was het, dat ze struikelde over die futiliteit van het zelf moeten betalen van die klote bloemen.

Toen ik als adolescent eens met mijn fiets huiswaarts reed, zag ik aan de overkant van de drievaksbaan een fantastisch mooi meisje staan. En daarenboven uiterst sexy gekleed. Naar mijn normen, in elk geval. Een glanzend zwart rokje dat tot midden haar bovenbenen reikte, zwarte kniekousen, bordeaux laarsjes en een blazer in dezelfde kleur. Een zwart tasje hing op heuphoogte, op die plaats gehouden door een dunne schouderriem. De kastanjebruine steile haardos lag gedrapeerd over de schone deerne haar hals en schouders.

Potverdikke! Mijn hormonen noopten mij tot actie! Dus reed ik verder tot aan het eerstvolgende kruispunt. Alwaar ik, bij groen licht, in plaats van rechts af te slaan, richting ouderlijk huis, links de baan overstak. En rustig terug fietste in de richting van de plaats waar die wachtende schoonheid stond.

Eens ter hoogte van haar standplaats gearriveerd, hield ik halt. Richtte mij op van mijn fietsstuur en lachte het meisje, dat bij mijn aankomst een pas had achteruit gezet, liefdevol toe. Ze keek me met haar bruine ogen verbaast en vragend aan. Maar niet geschokt of verschrikt. Dat viel dus al mee. Mijn God, van dichtbij was deze griet nog veel mooier dan van veraf! Een prachtig gevormd gezichtje met een lichtbruine gelaatskleur. Geen make-up. Niet nodig! Maar ze had wel een vleugje parfum op haar welgevormde lichaam gespoten. Daardoor rook het schatje uiterst zwoel. Zelfs van op die anderhalve meter afstand die ons beiden van elkaar scheidde.

Met mijn meest vriendelijke en verleidelijke stem zei ik: "Hopelijk heb ik je niet te lang laten wachten?" Het meisje keek me niet begrijpend aan. En opende haar mond. Maar vooraleer ze iets kon zeggen, vervolgde ik: "Ik ben jouw droomprins op het witte paard. Nu ja, een stalen ros, en in een rode kleur, maar in elk geval de man die is voorbestemd om met jou het leven te delen!"

Oef! Dat was er allemaal vlot, en zonder al te veel nadenken, uitgekomen! Verwachtingsvol keek ik het meisje aan. Dat stond daar met haar lieve snoet in mijn richting te kijken, met haar mondje vol perfecte parelwitte tanden!

Een antwoord heb ik niet gekregen. En deze ontmoeting is helaas op niks uitgedraaid. Want toen dat meisje haar, naar ik vermoed echte prins, opdaagde, een nogal potige kerel met een hoekig gezicht, zich verplaatsend in een grijze Jeep, maakte ik mij snel met mijn fiets uit de voeten!

Ru(sh)di(e), 17 april 2009 (publicatie op 30 mei 2009 op de blog 'Rudi's kijk op de wereld') - revisie & aanvulling op 29 november 2009.

30-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 5

 

Een dag later, op dinsdag, de 30ste dag van kalendermaand januari 2007, werd ik, iets na 17u00, met infuus, zuurstoffles, kunstlong, beademing en al de rest dat er bij hoort, op een brancard gelegd, het ziekenhuis uit en een klaar staande ziekenwagen in gerold. En weg waren we, richting provinciehoofdstad. Waar we een kleine drie kwartuur later ter bestemming arriveerden: het algemeen ziekenhuis met de naam van een heilige, die tot voor die benoeming, actief was als evangelist. Waren de vooruitzichten rooskleuriger geweest, dan had ik me vast gevoeld als een medewerker van één of andere consumentenorganisatie, die een vergelijkend onderzoek doet naar de kwaliteit van de Vlaamse ziekenhuizen.

Veel kon ik niet zien van op die van wieltjes voorziene draagbaar, waar ik, door middel van riemen, veilig lag op vast gebonden. Maar ik merkte het wel toen we arriveerden op de plaats waar ik werd verwacht: de afdeling 'intensieve zorgen'. Ook hier allemaal cellen. Maar iets rustgevender dan die waar ik eerder in verbleef. Wat ik zag waren allemaal kleine glazen kamertjes met een, ook al glazen deur in het midden. En een achterwand vol apparatuur.

In één van die hokjes werd ik binnen gerold, en naar het aldaar aanwezige bed getransfereerd. In de hoek rechts van mij stond een computerscherm waarop ik, zoals ik later merkte, een aantal data van de aan mijn lijf gekoppelde toestellen kon aflezen. En rechts bovenaan ontwaarde ik zowaar een groot digitaal televisietoestel. Dat zou vast nog van pas komen om de te verwachten sleur van de komende dagen te breken.

Op een wandklok kon ik aflezen dat het intussen even na 18u00 was geworden. De ontvangst op deze dienst was vrij hartelijk. Of het inbeelding was of niet, dat weet ik, niet, maar het voelde er aan alsof er, in de mate dat dit kan op zulk een afdeling, toch een goede sfeer heerste. Middels mijn letters annex cijferkaart probeerde ik met het personeel te communiceren. Sommigen voelden zich daar onwennig bij, maar deden toch hun best om me te verstaan. Anderen hadden niet het geduld om er aan mee te werken. Gelukkig behoorde die laatste groep tot de minderheid.

De volgende dag kwam één van de longartsen naar me toe. Een vriendelijke, zich eenvoudig gedragende man. Hij stelde zichzelf voor en zei dat hij begreep dat ik van die longmachine af wou en terug wou proberen zelfstandig te ademen vooraleer andere opties in overweging te nemen. Ik knikte van ja.

De arts zij dat er haast bij was! Want hoe langer men wachtte met me opnieuw zelfstandig te laten ademen, hoe kleiner mijn kans op slagen werd. De arts vroeg me op een gemoedelijke toon: "Gaan we het proberen?" Uiteraard knikte ik enthousiast van ja. De man legde me de procedure uit. Hij zou, geassisteerd door een verpleegkundige, eerst nog een bronchoscopie uitvoeren om zoveel mogelijk fluimen uit mijn luchtwegen te verwijderen. Vervolgens zou hij de tubes uit mijn keel halen, waarna men mij maximaal ging beademen met een mond/neusmasker. De eerste 24 uur zouden cruciaal zijn. Het was afwachten of mijn longen in staat zouden zijn om hun taak weer op zich te nemen.

De die dag voor mij verantwoordelijke verpleegster positioneerde me, met de hulp van een stagiaire, zo rechtop mogelijk in bed. Nadat, met een mobiel apparaat, de bronchoscopie was uitgevoerd, begon de dokter met het losmaken van de banden waarmee de tubes in mijn ademhalingskanaal, aan mijn hoofd waren vastgemaakt. De verpleegster hield reeds een masker op mijn neus. De zuurstofstroom voelde hard en koel aan. Bij de volgende handeling van de arts werd een ganse buisconstructie uit mijn mond en keel gehaald en kreeg ik het zuurstofmasker op de mond gedrukt. Met maximale luchttoevoer. En ik begon weer zelf te ademen! Nogal gejaagd, ondanks het feit dat ik innerlijk erg rustig was. Mijn lichaam zou zich moeten aanpassen aan de vernieuwde situatie en een aangepast, rustig ademritme moeten zoeken en hopelijk vinden. Zelf had ik daar weinig invloed op.  Mijn zoveelste strijd was begonnen.

Toen ik een tijdje alleen werd gelaten, trok ik mijn zuurstofmasker enkele centimeters weg van mijn gezicht en probeerde mijn stem uit. Dat lukte. Ik kon weer spreken! Met een rauwe stem weliswaar, maar daar had de longarts me voor verwittigd. En dat zou tijdelijk zijn. Dus baarde mij dit helemaal geen zorgen.

Een tijdje later stond de verpleegster alweer aan mijn bed. Met de bedoeling me een aerosolbehandeling te geven. Mijn bezwaren, gezien mijn negatieve ervaringen ermee in de stadskliniek van mijn woonplaats, werden echter weggewuifd. Op voorschrift van de dokter had ik dit nodig, zo zei ze kordaat, en dus moest en zou ik de kuur krijgen toegediend. Einde discussie!

En ik had er helaas opnieuw dezelfde slechte ervaring mee. Of eerder nog slechter! Wellicht omdat mijn lichaam nog zwaarder verzwakt was geworden. De tweede aerosolbeurt, een uur of vier later, liet ik nog toe, maar toen was het voor mij genoeg geweest. De dokter, waar men na mijn weigering heen holde, deed helemaal niet moeilijk en liet me overschakelen op een andere therapie. Die me niet zo een fysieke last bezorgde.

De eerste avond, nacht en volgende dag waren afschuwelijk. En afmattend! Zelfstandig ademen, zelfs met behulp van die grote hoeveelheid zuivere zuurstof, was geen sinecure. Geconcentreerd moest ik trachtten rustig in en uit te ademen. Op het computerscherm in mijn kamertje kon ik het zuurstofgehalte in mijn bloed volgen. Telkens mijn ademritme even stokte, ging die waarde onrustwekkend naar beneden. Aan slapen kwam ik helemaal niet toe. Eenzaam en alleen lag ik daar te vechten in de hoop deze hel te overleven en in de toekomst alsnog een beetje een menswaardig leven te kunnen leiden. Niet afhankelijk van machines.

Zoals voor mijn opname beloofd, en ook al om de tijd de doden, stuurde ik met mijn mobiele telefoon berichtjes naar mijn thuisverpleegkundigen, kinesist en assistenten. Waarin ik hen op de hoogte bracht van mijn huidige fysieke toestand en de vooruitzichten die er waren. Uitgeput en bang, zoals ik op dat moment was, wond ik er, als naar gewoonte, geen doekjes om en zond ik hen een Sms'je met de melding dat 'mijn toestand uitzichtloos leek en dat ik ten einde raad was'.

Buiten de zorgen over mijn gezondheid was ik ook bevreesd om, na mijn beoogd herstel, bij thuiskomst niet meer in mijn geleidelijk opgebouwde normale routine, met afgesproken tijdstippen van verzorging, therapie en hulp, te kunnen vallen. Omdat bijvoorbeeld mijn vaste momenten inmiddels waren ingenomen door andere personen. Want mijn thuisverzorgers en - assistentes konden toch niet blijven gaten open houden en eindeloos wachten op mijn terugkeer?

Tegen de middag aan deed de dokter zijn ronde. Met in zijn kielzog de hoofdverpleegkundige, de verpleegkundige die me die ochtend had verzorgd, een kinesitherapeut  en nog enkele andere personen. De dokter kwam, samen met zijn gevolg, uiteraard ook bij mij langs. En leek opgetogen over het feit dat ik het eerste etmaal zonder kunstmatige beademing, in medisch opzicht, quasi probleemloos was door gesparteld. Hij gaf orders aan de kinesist om een intensieve therapie op te starten. Vier keer kiné per dag, zo zei de arts. De kinesist knikte braaf instemmend. Maar, zo werd naderhand vlug duidelijk, in de praktijk zou daar weinig van terecht komen. Ik mocht al blij zijn met één behandeling per dag. Wat trouwens bleek te volstaan. Want meer was nogal belastend voor mijn lichaam. Ik was tevreden met een dagelijkse mobilisatie van mijn ledematen en een beetje tapoteren op de borstkast om mijn luchtwegen vrij te houden.

Enkel de eerste paar dagen diende de arts mijn slijmen weg te nemen met zijn mobiel bronchoscopietoestel. Daarna kon ik het nog resterende slijm, waaruit alle slechte beestjes waren verdwenen, ophoesten met, en ook vaak zonder de hulp van de kinesist. De hoeveelheid extra zuurstof werd geleidelijk aan afgebouwd en ik kreeg ze toegediend via een neusmaskertje, wat me meer comfort gaf. Om te spreken bijvoorbeeld. Of om te trachten iets te eten of te drinken.

Toen het artsenteam eens gezamenlijk bijeen tot aan mijn bed kwam en samen met mij mijn toestand besprak, gaf hun nederig gedrag mij een goed gevoel, kwam hun menselijkheid duidelijk naar boven en leek het erop alsof ook zij overtuigd waren van het gegeven dat een patiënt een specialist kan zijn in zijn eigen specifieke problematiek. Verwijzend naar het gemak waarmee ik een bronchoscopie liet uitvoeren zei één van deze specialisten,  al gekscherend: "Binnenkort doet hij alles zelf." Wat ons allen deed glimlachen.

Door de televisie aan te zetten trachtte ik wat kleur en afwisseling te brengen in dat ellendige, eenzame verblijf op "intensieve zorgen'. Maar geen van de programma's kon me ooit boeien. En het nieuws, alsook het weerrapport konden me al helemaal gestolen worden. Steeds weer was het uitkijken naar de bezoekuren. Om 15u en om 19u. Telkens voor maximaal twee personen, ouder van 14 jaar en voor niet langer dan een half uurtje.

Gelukkig kregen we van de hoofdverpleegkundige van de afdeling de toestemming om mijn toen tienjarige zoons tijdens het eerste weekend van februari even bij me op bezoek te laten komen. De jongens keken beduusd en onder de indruk rondom zich en achter mij, naar al die toestellen, knopjes, lampjes, slangen, schermen en zo meer. Mij deed het goed hen even te zien. Per slot van rekening waren zij, sinds die noodlottige operatie in mei 2000, mijn enige motivatie om, ondanks dat verlamde, willoze lichaam, toch verder te gaan met mijn leven. Actief participerend in de maatschappij. Of dat althans voortdurend proberend.

Vaak lag ik 's nachts te ijlen en had ik nachtmerries. De fysieke pijn en het psychisch leed door het missen van de kinderen en mijn onzekere toekomst lagen aan de basis hiervan. Alsook allicht de mij toegediende medicatie. En fantasie en werkelijkheid waren in deze angstdromen dikwijls met elkaar vermengd.

Langzaamaan begon ik terug te eten en te drinken. Eerst een potje natuuryoghurt, later al eens een boterham, en vervolgens ook warm eten. Kleine hapjes die me werden aangereikt door een verpleegkundige, een logistiek assistente of een stagiaire. En waar ik goed op knabbelde, waarna ik het voedsel behoedzaam inslikte... zonder verslikken!

Van papperige drankjes stapte ik af. Want ook het drinken leverde niet langer problemen op. Het was wel even wennen. En ik dronk met kleine slokjes en uiterst omzichtig. Maar ook dat zelfs zonder ook maar de neiging tot verslikken. Oef!

Eens ik wat beter was liet ik ook mijn schootcomputer overbrengen. Op het Internet gaan kon ik niet, maar teksten schrijven en mijn correspondentie en administratie doen, dat ging wel. En alle twee dagen gaf ik mijn laptop mee met mijn namiddagbezoekers, die bij mij thuis het e-mailverkeer uitwisselden, om dan mijn machine met bijgewerkte post, via mijn bezoekers van 's avonds terug aan mij te bezorgen. Een mens moet zijn plan trekken in het leven, hé?!

De dag na mijn aankomst in deze kliniek, werd ook mijn rolstoel overgebracht. En hier mocht die wel in mijn cel staan. Eens ik door de slechtste periode heen was, dus vanaf enkele dagen na mijn aankomst, werd ik er na mijn ochtendtoilet en mobilisatie; steeds in gezet en bleef ik er in zitten tot 's avonds.

Dagelijks werd bloed afgenomen via een permanente naald in een slagader van mijn pols. Met het aldus verkregen bloedstaal werden de bloedgassen gecontroleerd. Een test om de verhouding zuurstof (O2) en koolstofdioxide (CO2) in het bloed te bepalen en het zuur-base evenwicht te controleren.

Bij een gunstig evenwicht verminderde men stelselmatig de hoeveelheid zuurstof die me werd toegediend. Soms drong ik zelf aan op een snellere vermindering van de bijbeademing. Maar als men daarop inging gebeurde het wel eens dat mijn zuurstofsaturatie een duikvlucht nam en ook de bloedgassen slecht waren.

Maar uiteindelijk kwam alles op een aanvaardbaar niveau te staan. De bijbeademing gebeurde, zoals voormeld, dus inmiddels enkel nog via een neusmaskertje dat, tijdens het verzorgen, zelfs werd afgezet. Al moet ik bekennen dat ik naderhand steeds blij was dat ding dat zuurstof aanvoerde, weer terug op mijn neus te hebben. Ondertussen had gelukkig ook de overdreven slijmvorming opgehouden zich te manifesteren.

Op 6 februari 2007 mocht ik naar de verzorgafdeling pneumologie worden overgebracht. Als ik het mij goed herinner heb ik dat gedaan op eigen krachten, dus me verplaatsend middels mijn elektrische rolstoel. Eens buiten mijn kamertje zag ik pas goed de omvang en inrichting van de afdeling I.Z., waar ik een week had doorgebracht.

Op pneumologie kreeg ik een tweepersoonskamer toegewezen voor mij alleen. Want men had ruimte nodig om naast mijn bed ook een tillift en mijn rolstoel een plaats te geven. Mijn kamer was voorzien van een koelkastje en een Tv, en had een groot raam, met zicht op de hemel en enkele boomkruinen. Een allesbehalve spectaculair panorama, maar alleszins veel beter dan die totale geslotenheid op de afdeling waar ik vandaan kwam.

In den beginne was ik niet erg op mijn gemak, zo zonder dat continue toezicht op mijn fysieke toestand, middels allerlei aan mijn lichaam gekoppelde apparatuur en ook visueel. Daarom had ik ook het liefst dat mijn kamerdeur bleef open staan op momenten dat ik er alleen in aanwezig was.

Bezoek kon ik nu dagelijks ontvangen van 14u tot 20u. Buiten mijn naaste familie kwam er evenwel niet veel volk over de vloer. Aan meer visite had ik trouwens ook helemaal geen behoefte.

De pneumoloog die me tot dan toe, tot mijn volle tevredenheid en met een gunstig resultaat, had behandeld, liet de zorg over mij over aan één van zijn collega's, een vrouwelijke arts, die naast pneumologe, ook interniste is, en ooit assistente, of althans een studente was van de longarts die me behandelde in die andere, door mij liefst te mijden kliniek.

Deze arts liet een slaaptest op me uitvoeren, waarna ze me een compact, digitaal bestuurd bijbeademingstoestel voorstelde. Eén met een dubbele werking, en een regelbare luchtstroom, zodat het mijn natuurlijk longmechanisme en ademhalingsritme kon volgen. Het zou voor ondersteuning zorgen bij zowel het inademen als bij het uitademen, zodat het moeiteloos mijn ademhalingspatroon, kon volgen en mij meer comfort bezorgen.

Slapen met het toestel ging eigenlijk vanaf de eerste nacht reeds prima. Het was wel even slikken toen me werd diets gemaakt dat ik wellicht tot op het einde mijner levensdagen van een dergelijk toestel zou afhankelijk zijn. Steeds slapen gaan met een groot masker op mijn neus was geen prettig vooruitzicht. Maar aangezien mijn wettige echtgenote reeds jarenlang geen interesse meer vertoonde om met mij het bed te delen, was er in elk geval geen partnerprobleem. Het was enkel maar te hopen dat mijn tienerzoons, die af en toe nog eens een nacht doorbrachten in de woonkamer, alwaar mijn bed staat opgesteld, niet door mijn masker zouden worden afgeschrikt.

De kinesitherapeut probeerde een hulpapparaat uit van begin de jaren tachtig: de Vibrax. Een alternatief voor het op de borstkast trommelen met de handen. Het is een toestel dat het uitzicht heeft van een vlakschuurmachine. Het wordt op de thorax gezet en genereert vibraties. Die waren evenwel te agressief, voor mij. Vele uren na de behandeling deed mijn borstkast nog pijn, en voelde ik het in mijn binnenste nog steeds natrillen. Slecht nieuws voor de kinesist wiens job, bij gebruik van dat ding, minder inspanning vergde.

In deze kliniek was de manier waarop het personeel me benaderde en behandelde veel beter dan in het hospitaal waar ik de vorige keer verbleef. Toch moest ik me ook hier dikwijls inhouden om te reageren op stomme uitspraken door verplegend personeel of paramedici. Of opmerkingen te maken over hun wijze van handelen.

Tijdens die talloze, eenzame momenten, overdacht ik de afgelopen nare periode. En diende helaas te concluderen dat ik het hier wel het minst slecht van overal had. Maar dat ik toch in elke kliniek, op elke afdeling, af en toe kreeg te maken met medisch geschoold personeel dat ofwel onkundig was, of onvoldoende geïnformeerd, of cru, of uitblonk door een totaal gebrek aan inlevingsvermogen. Buiten hetgeen reeds eerder aan bod kwam in dit verhaal, hierna nog een aantal voorbeelden om dit te illustreren.

Als ik wil urineren, dient men mijn penis vast te houden en er een plaskan ofte urinaal onder te houden. Ze deden dan handschoenen aan. Omwille van de hygiëne. Eens mijn blaas was geleegd, ging men de gebruikte urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er meestal niet bij. Tenzij ik daar uitdrukkelijk om verzocht. Vervolgens werd de plaskan nogal vaak netjes gedeponeerd tussen de pralines en de fruitmand. Hygiënisch?

En als ik hen niet vroeg om mijn piemel na het plassen af te deppen, dan stopten ze gegarandeerd mijn nog nadruppelende jongeheer zonder meer in mijn broek. De lust bekroop me dan om hen te vragen of zij hun spleet ook nooit afkuisen nadat ze hebben geürineerd. En of het daar dan naar de avond toe niet ontzettend erg gaat jeuken... en stinken? Maar ik beheerste me telkenmale, want ik was afhankelijk van hen.

Dat ik het verzoek om me te (her)positioneren in bed niet keer op keer vroeg om moeilijk te doen, maar uit noodzaak, om spierpijnen te doen ophouden en doorligwonden te voorkomen, dat kon ik sommigen ook niet aan het verstand brengen. Terwijl anderen net mee nadachten over manieren om me zoveel mogelijk comfort en zo weinig mogelijk fysieke last te bezorgen.

Het fenomeen 'spasmen' was ook iets waar velen blijkbaar niks van afwisten. Dan gaf ik meestal geduldig een bondige uitleg over de oorzaak van deze bij de meeste 'verlamde' personen optredende ongecontroleerde spiersamentrekkingen. Terwijl ik me afvroeg of ze dat dan niet leerden op school? Of waren ze het dan alweer vergeten?

Schort er wat aan de opleiding? Of is die wel compleet en ligt het aan de desinteresse van die individuen? Zelf weet ik het antwoord niet, maar iemand anders misschien wel.

Waar ik ook moeite mee heb is dat, als het eten arriveert terwijl je bezoek hebt, er als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat zij je dus wel zullen helpen. Maar dat wil ik niet! En als ik hierop commentaar leverde, dan kreeg ik steeds de wind van voor. En werd ik in een verdedigende positie geduwd. Maar ik zie niet in waarom ik telkens met mijn gefundeerde redenen voor de dag zou moeten gekomen zijn. Deze zijn mijns inziens immers niet van belang. Ik wil het niet, punt uit.

Uiteindelijk kwam het moment er aan dat mijn artsen me zegden dat, wat hen betrof, ik het hospitaal mocht verlaten, vanaf het moment dat ik mij er zelf toe in staat voelde. Die toch wel 'veilige', 'geborgen' omgeving inruilen voor mijn plekje thuis... het gedacht eraan bezorgde me gemengde gevoelens. Want ik was continue uitgeput en moe, ondanks voldoende slaap. En ik kon de reden hiervan maar niet achterhalen. En ook de artsen noch verpleegkundigen hadden enig idee.

Toch begon ik, als voorbereiding op mijn terug naar huis gaan, op eigen initiatief met het afbouwen van mijn zuurstofafhankelijkheid. Twee opeenvolgende uurtjes zonder, werden er drie, vervolgens vijf. Tot het moment aanbrak waarop ik de arts meldde dat ik inmiddels had bepaald wanneer ik naar huis wou. Een voorschrift voor zuurstof thuis kreeg ik niet. Mijn toestel voor 's nachts moest volstaan.

Wat uiteindelijk de oorzaak is geweest van mijn ganse problematiek, zal ik nooit te weten komen. Maar allicht en vooral hopelijk, kan ik een herhaling ervan voorkomen door veel te drinken, vooral ook na de maaltijden, 's nachts te slapen in een positie waarbij mijn lichaam met de benen omhoog ligt en het hoofd naar beneden, zodat het sinds 25 augustus 2000 in mijn lichaam geplaatste pompje, dat overtollig hersenvocht in mijn nekstreek, rechtstreeks afvoert  naar mijn hart, zijn werk kan doen. En zo voorkomt dat mijn ruggenmerg in verdrukking komt, met functieverlies als gevolg. En tot slot zal ongetwijfeld ook bijzonder preventief werken, het gebruik van het toestel dat me 's nachts helpt zo veel longblaasjes als mogelijk met lucht te vullen en derhalve te laten functioneren. Wat hoe dan ook bevorderlijk zal zijn voor mijn lichamelijke conditie. En maar hopen nooit geen snotvalling, verkoudheid of andere (vies) slijm producerende ziekte op te lopen!

Op woensdag 14 februari 2007 verliet ik de kliniek. Op Valentijnsdag. Een mooi moment om naar thuis te komen. Waar ik in de late voormiddag arriveerde. Met een via de mutualiteit besteld rolstoelvervoer. Uiterst moe en uitgeput. Juist op tijd om samen met de andere leden van mijn gezin, het middagmaal te nuttigen.

Gelukkig kon mijn verpleegkundige en paramedische verzorging nog steeds gebeuren op dezelfde tijdstippen als voor mijn ziekenhuisopname. Terug in mijn eigen omgeving zijn deed me goed. Maar zo helemaal zonder extra zuurstof ademen deed raar en maakte mij onzeker. Zou ik het blijven redden zonder bijbeademing? En die loomheid bleef ook de volgende dagen in mijn lijf zitten. Koorts had ik niet. Maar mijn urine en ontlasting waren donker gekleurd. En mijn huid kleurde gelig.

De eerste dagen zat ik alweer vaak in de inkomhal van ons huis. Want daar kon ik naar wat extra zuurstof snakken. Soms liet ik ook mijn bijbeademingstoestel overdag over mijn neus plaatsen. Om toch maar wat extra zuurstof in mijn longen te krijgen. Want de slijmvorming behoorde dan wel tot het verleden, maar mijn luchtwegen hadden de afgelopen maanden enorm afgezien en hadden tijd nodig om er weer bovenop te komen, zich te herstellen naar de toestand van voordat die problematiek optrad!

Omdat ik me elke dag meer vermoeid voelde en mijn urine en stoelgang een uiterst rare kleur hadden, belde ik mijn huisarts op met de vraag om eens langs te komen. Wat gebeurde. Een bloedonderzoek bevestigde een dag later zijn, en eigenlijk ook mijn vermoeden en dat van mijn thuisverpleging. Ik had Hepatitis, een virale leverontsteking.

Eens die diagnose was gesteld, en de vereiste medicatiekuur was gestart, voelde ik me meer gerust. Maar ik was wel totaal uitgeput. En elke dag manifesteerde het uiterlijk kenmerk van de ziekte, de zogenaamde geelzucht, zich meer en meer. In de kliniek hadden ze zich daar geen vragen bij gesteld. En de donkere urine en dito ontlasting hadden, bij de verpleegkundigen aldaar, eigenaardig genoeg, ook geen belletje doen rinkelen. Uiteindelijk is het, dankzij de nodige en juiste medicatie, dus terug in orde gekomen met mijn lever en kreeg ik naderhand ook mijn normale, blanke huidskleur terug. En door ook deze ziekte te doorstaan en te overleven was ik in staat tot het doorvertellen van het ganse verhaal, waarvan dit de laatste woorden zijn.

Ru(sh)di(e), 28 februari 2007 (revisie op 30 september 2009)

15-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 4

 

Toen ik de kliniek verliet had ik een zuurstofsaturatie van 90%, daar waar de nnormaalwaarde voor volwassenen tussen de 93 en de 100 % ligt. Die waarde was dus te laag. Voor hen die geen medische achtergrond hebben, geef ik mee dat, simpel uitgelegd, zuurstofsaturatie het zuurstofgehalte in het bloed aangeeft. Ook het koolzuurgehalte in mijn bloed was niet goed; het lag te hoog. Eigenlijk was ik dus helemaal niet klaar voor een thuis verblijven zonder bijbeademing en medische opvolging.

Eten ging redelijk goed. Drinken deed ik alleen van met poeder papperig gemaakt fruitsap. Niet te veel evenwel, om mijn darmtransit een beetje onder controle te houden. Het ademen ging echter nog steeds moeizaam. Zuurstofgebrek was een steeds aanwezige medische klacht. Vaak ging ik, warm ingeduffeld met dekens. om geen verkoudheid te vatten, in de inkomhal van onze woning zitten om via de openstaande voordeur toch maar wat extra lucht in mijn lichaam te krijgen. Want daar snakte ik naar.

Voorts had ik te kampen met angstgevoelens. Wellicht ten dele te wijten aan dat asemtekort. En daarbovenop kwam ook nog een totale slapeloosheid. Telkens wanneer ik bijna indutte, schrok ik meteen weer wakker. Wellicht een natuurlijke reflex van mijn lichaam, dat in rust allicht nog minder zuurstof naar binnen kreeg dan wanneer ik in wakkere toestand geconcentreerd zo diep mogelijk in- en uitademde.

Inmiddels had het nieuwe jaar een aanvang genomen. En had ik al anderhalve week niet meer geslapen. Dus contacteerde ik mijn huisarts. Die schreef me, als alternatief voor de 'inslaper' die ik tot dan toe 's avonds innam, antidepressiva voor als slaapmiddel. De inname ervan leverde echter geen resultaat op. Althans niet in de positieve zin. Want die pillen droogden mijn slijmvliezen uit, waardoor ik nog meer ademhalingsproblemen kreeg. Dus consulteerde ik een andere arts, die me een voorschrift bezorgde voor een slaapmedicament dat ik reeds eerder gebruikte. En waarmee ik ook nu succes had!

Slapen kon ik dus weer. Maar de slijmvorming nam wederom toe. Waardoor ik alweer vaak met een reutelende ademhaling, in de deuropening naar adem zat te snakken.

Bij de aanvang van het laatste weekend van de maand januari in kalenderjaar 2007 was ik daarbovenop alweer doodziek. De nacht van zaterdag op zondag bleef ik wederom in mijn rolstoel zitten. Zoon Brian bood spontaan aan om bij mij te blijven waken, zodat hij bij nood de hulpdiensten kon verwittigen.

Het was al na middernacht, toen op die 28ste dag van het jaar 2007, mijn luchtpijp alweer volledig was dichtgeslibd. Geluid maken, klank voortbrengen, kon ik niet meer. Aan Brian deed ik teken de 100 te bellen. Wat de jongen terstond deed. Vervolgens verwittigde hij zijn ma en broer Austin, die op de bovenverdieping van ons huis lagen te slapen.

Zij kwamen net de trap af toen de ambulance arriveerde. De ambulanciers rolden een brancard binnen. Inmiddels kon ik weer een beetje ademen. En spreken. Aan de ambulanciers maakte ik duidelijk dat ik in geen geval liggend wou vervoerd worden. En aangezien mijn rolstoel hun ziekenwagen niet in kon, stelde ik voor dat ik zelf naar het ziekenhuis zou rijden. Als zij me dan zouden volgen, konden ze mij bij ademnood zuurstof toedienen. Of het na contact met de centrale was, dat weet ik niet, maar de ambulanciers gingen akkoord met mijn voorstel.

Zij namen mijn reeds gereedstaande tas met spullen mee in hun wagen. Zelf nam ik in stilte afscheid van mijn gezin en bedekt met een deken om mijn koortsig lichaam warm te houden, vatte ik de tocht aan naar het in mijn woonplaats gevestigde ziekenhuis. De vrouwelijke ambulancier ging te voet met me mee. Haar mannelijke collega volgde ons met de ambulance.

Na enige tijd stapte de vrouw echter ook in de ziekenwagen, want de snelheid waaraan ik reed, zo een 8 kilometer per uur, was toch net iets te snel voor een stapster. Bovendien was dat naast mij stappen helemaal niet nodig. Als het fout ging met me zouden ze dat ook vanuit hun wagen zien. De buitenlucht deed evenwel goed aan mij ademhaling. Het ging moeizaam, maar minder slecht dan toen ik even daarvoor in onze living zat.

Door de verlaten straten van mijn woonplaats reed ik dus de zowat 5 kilometer, richting ziekenhuis, geëscorteerd door een ambulance. De weinige mensen die we onderweg tegen kwamen, keken raar op toen ze ons opmerkten. Ondanks mijn miserie, de benarde positie waarin ik mij bevond en het uiterst onzeker toekomstperspectief, vond ik de situatie toch wel ietwat lachwekkend.

Even na 02u00 arriveerde ik in de kliniek. En werd terstond de mij behandelende longarts uit zijn vrij weekend gebeld. Van de vorige keer had men immers onthouden dat ik enkel met een bronchoscopie kon worden geholpen. Er werd, door een reeds aanwezige chirurg, onmiddellijk een centraal infuus aangebracht en even later, door de toegesnelde longarts, een bronchoscopie uitgevoerd. Waarna ik direct in een bed werd gelegd en naar een kamer op 'Intensieve Zorgen' werd overgebracht en gekoppeld aan diverse apparaten.

De longarts liet me over aan de goede zorgen van zijn collega         van wacht en de verpleegkundigen van de dienst 'Intensieve Zorgen'. De resterende uren van de nacht bracht ik door in een toestand tussen slapen en wakker zijn. Ondanks de toegediende medicatie was ik nog steeds koortsig en voelde ik me enorm ziek.

De korte bezoekmomenten op zondag deden me deugd. Maar mijn gezondheidstoestand was niet beter. Mijn rechterlong kwam steeds weer vol fluimen te zitten en mijn linkse long slibde dicht. Een uiterst hachelijke situatie, waar het continue toedienen van zuurstof, via een mond- en neusmaker, weinig aan kon verhelpen. Het was afwachten of de medicamenten zouden aanslaan. Hoe het verder moest met mij was dus een groot vraagteken.

De ganse dag door bleef ik me ziek voelen en het lastig hebben. Inmiddels had het labo gemeld dat er in mijn slijm en bloed sporen waren gevonden van een bacterie die de longinfectie had veroorzaakt. Waarop men een intraveneuze antibioticakuur had opgestart.

Mijn lichaam deed ook langs alle kanten pijn, wegens het telkens terug te lang in eenzelfde positie te blijven liggen. Er was een te lage frequentie in het wisselen van de drukpunten. En mijn sterk verzwakt lichaam was allicht hoe dan ook gevoeliger voor pijnprikkels.

De arts had blijkbaar voorgeschreven een 'aerosolkuur' bij me op te starten. Er werd me een masker op de mond gezet, waaronder een verstuiver met medicatie was aangebracht. Eens in werking gesteld werden de vernevelde medicamentenpartikels onder hoge druk naar mijn luchtwegen en longen gestuwd. Wat een 10 à 15 minuten duurde. Als ik het mij goed herinner was het de bedoeling dat ik er elke 4 uur zo één zou krijgen. Maar mijn lichaam kon daar helemaal niet tegen. Die behandeling was veel te agressief. Na twee beurten, die mij absoluut geen deugd deden, weigerde ik de derde. De verpleegkundigen wilden evenwel maar niet begrijpen dat mijn weigering tot het verder zetten van deze therapie, gefundeerd was. En behandelden me als een onwillig koppig klein kind.

Ook op zondagnacht diende de longspecialist nog eens te worden opgeroepen om een bronchoscopie uit te voeren. Om tijd uit te sparen had men het toestel reeds naar de afdeling intensieve zorgen overgebracht. En toen de arts arriveerde, werd het mijn kamertje in gerold. Nadat hij me alweer voor een levenseinde had behoed, gaf de specialist opdacht om het toestel niet terug naar zijn vaste plek op een andere verdieping te brengen, maar buiten in de gang op te stellen, schuin tegenover mijn deur. Want hij verwachtte het spoedig opnieuw nodig te hebben.

De volgende dag, de eerste van een nieuwe werkweek, kwam de specialist, van zodra hij een mogelijkheid zag, bij me op de kamer met de melding dat ik hoe dan ook terug naar een andere kliniek moest. Want dat hij, op zijn eentje, in dit kleine stadshospitaal, onmogelijk voor mij kon blijven zorgen. Liefst zag hij me terug naar dezelfde kliniek vertrekken als waarheen ik de vorige maand was overgebracht. Maar aangezien ik daar in geen geval heen wou, ging hij trachten een plek voor me te bekomen in een andere, aan een universiteit verbonden ziekenhuis. Wat ik de arts wel duidelijk maakte was dat ik, noch in deze kliniek, noch elders in zou gaan op de tijdens mijn eerste opname voorgestelde probleemoplossing, waardoor ik zou veranderen in een half bionisch wezen.

Te ziek om ook maar iets te doen, lag ik zieltogend in mijn bed wat naar muziek te luisteren. Onderwijl naar het plafond en de muren starend en geduldig wachtend tot er eens een berichtje verscheen op mijn mobiele telefoon. Naast dat ziek zijn en de benauwdheid wegens ademtekort, had ik ook die dag veel last van pijn aan mijn gehele lichaam, maar toch vooral aan mijn benen, zitvlak en rug. Dit als gevolg van een ongemakkelijke lighouding. Het ziekenhuispersoneel had dan wel, net als bij mijn vorige opname aldaar, gezorgd voor een elektrisch bedienbaar, in hoogte en verschillende standen verplaatsbaar bed, maar de nood aan wisselhoudingen kon daarmee totaal niet worden opgevangen. Af en toe kwam er wel eens iemand van de verpleging me verleggen, en wat kussens onder mijn benen en achter mijn rug stoppen, maar te meer daar ik niet echts iets had dat mijn gedachten kon afleiden van deze pijn en dit probleem, bleef het lastig. Eten deed ik niet, waardoor ook die momenten er niet waren als verstrooiing.

Maar het meest tergend was die reutelende ademhaling van me te horen, en het voortdurend moeten naar adem snakken. Enkel bij hoge nood mocht de arts worden opgeroepen, zo was me gezegd door het verplegend personeel. De dokter had me ook persoonlijk gevraagd om te trachten het zo lang mogelijk zonder zijn hulp te stellen. Want telkens met die buis in mijn luchtwegen gaan en fluimen wegzuigen, hield diverse gevaren in. Zoals beschadiging van mijn stembanden of longen. Maar het enige dat ik kon doen was rustig blijven en zo diep mogelijk in- en uitademen. In mijn fysieke toestand was dat op zich al een ganse prestatie.

De arts was weg. Maar het feit dat ik, vanaf de plaats waar ik lag, in de gang de machine zag staan waarmee de arts, in het geval dat hij, na een oproep, bij aankomst in de kliniek, onmiddellijk de levensreddende handelingen op mij kon uitvoeren, bezorgde mij, op geestelijk vlak, enige geruststelling.

Maar het veranderde natuurlijk niks aan mijn lichamelijke toestand. Die niet stabiel bleef, maar erop achteruit boerde. En ik kon er niks aan doen. En lag reutelend naar adem te snakken, met een continue open mond, in de hoop op die manier toch maar zoveel als mogelijk zuurstof tot aan mijn longen te krijgen. Helaas, mijn lichaam hield het niet vol. Ik diende alweer op mijn bedbelletje te drukken, dat ik voortdurend in mijn hand hield om bij nood de verpleging tot aan mijn bed te kunnen krijgen.

Met twee kwamen de verpleegkundigen mijn kamer binnen. Ze zagen zelf ook wel dat ik er slecht aan toe was. Eén van hen ging onmiddellijk de dokter bellen. En bracht even later het bronchoscopietoestel mijn kamer binnen. Geluid kon ik niet meer produceren. Het begin van een verstikking was ingetreden. Nog net zag ik de arts arriveren en, na een vluchtige blik op mij te hebben geworpen, zijn kiel aandoen. Vooraleer ik, door zuurstofgebrek, het bewustzijn verloor.

Toen ik weer ontwaakte stond er een arts aan mijn bed, een cardiologe. Ze vertelde mij dat zij en haar collega, de pneumoloog, me een beetje hadden geholpen. De longarts had mij geïntubeerd, dus een buis in mijn luchtpijp aangebracht en gekoppeld aan een machine, die het werk van mijn longen had overgenomen. Spreken zou ik niet kunnen. Er was ook een blaassonde ingebracht. Mijn enige nog beperkt functionerende arm was vastgebonden. Om te vermijden, aldus de arts,  dat ik de buizen uit mijn mond en keel zou trachtten te trekken, met op zijn minst ernstige letsels en in het slechtste geval mijn dood tot gevolg.

Hoewel ik wist dat mijn longarts in de kliniek waar ik op het einde van het vorig kalenderjaar boos mijn biezen had gepakt, zijn collega in deze kliniek steeds op het hart had gedrukt nooit over te gaan tot intuberen of tot een tracheotomie (het aanbrengen van een buisje in de luchtpijp via een snede in de hals),  had deze laatste het deze keer dus wel gedaan. Allicht vrezend dat hij me anders niet in leven had kunnen houden.

Maar ik vond het allemaal best. Ik voelde me 'zalig'. En had ik in staat geweest te spreken, wat door die buizen in mijn keel dus niet kon, dan had ik mijn pneumoloog gemeld dat hij, wat mij betrof, gerust zijn eerder voorgestelde plannen ten uitvoer kon brengen. Een tracheotomie voor continue kunstmatige beademing, een canule voor praten met een spraakmodule, een sonde voor het kunstmatig voeden,... ik zag het allemaal zitten! En toen mijn hand werd vrijgemaakt bevoelde ik het systeem dat aan mijn mond vast zat wel even, maar ik dacht er nog niet aan er aan te prutsen, laat staan het te verwijderen.

Veel later ben ik pas tot het besef gekomen dat ik mij toen zo gelukzalig voelde omdat ik zwaar was gedrogeerd. Ik verkeerde ook voortdurend in een toestand tussen slaap en doezelig wakker zijn. Maar bij de pakken blijven zitten was er ook in deze toestand, bij deze conditie niet bij. Toen mijn ouders op bezoek kwamen, slaagde ik er tijdens dat kwartiertje wonderwel in hen duidelijk te maken dat ik graag zou gehad hebben dat zij op een kartonnen blad A4-formaat alle letters van het alfabet zouden plaatsen, alsook de cijfers van 0 tot 9, zodat ik middels het aanduiden ervan woorden en zinnen zou kunnen vormen, waardoor ik terug met iedereen zou kunnen communiceren!

Die brave mensen hadden het begrepen en reeds bij hun volgende bezoek hadden ze het gevraagde mee. Exact zoals ik het had gevraagd, en zelfs geplastificeerd! Ik duidde letters aan, die zij opschreven. Feilloos werkte het niet, maar het systeem functioneerde toch redelijk goed. Alhoewel er soms wel sprake was van een communicatiestoornis. Mijn 'gespreks'partner begreep op zulke momenten niet wat ik wou 'zeggen', terwijl ik langs geen kanten begreep waarom dat zo was. Ook alweer later zou ik tot het besef komen dat ik, onder invloed van de hallucinerende middelen die me werden toegediend, vaak verwarde of onzinnige taal 'sprak'.

Inmiddels werd me ook duidelijk gemaakt dat ik dringend elders heen moest. En aangezien ik niet terug naar die universitaire monsterkliniek wou, waar ik eerder verbleef, was men elders op zoek gegaan en had men inmiddels een ziekenhuis gevonden dat me kon en wou opnemen. Ook één dat is gevestigd in onze provinciehoofdstad. Met een uit  diverse specialisten bestaande dienst pneumologie.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 28 februari 2007 (revisie op 14 september 2009)

10-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 3


Het exact aantal dagen dat ik doorbracht op 'I.Z.', dat kan ik me niet herinneren. Een kleine week, vermoed ik. Maar uuiteindelijk mocht ik dan toch verhuizen naar de verzorgafdeling pneumologie. Wat was ik blij weg te zijn uit dat zottenkot! Maar op de verpleegafdeling waar ik toen terecht kwam, en waar in de decoratie en aankleding van de kamers de kleur geel gelukkig niet (meer) domineerde, ging het er eigenlijk helemaal niet beter aan toe, zo zou ik spoedig merken.

Mijn oom had mijn rolstoel reeds overgebracht. En omdat ik die perse in mijn kamer wou, had men het tweede bed er uit verwijderd, zodat er wat manoeuvreerruimte was. Want gebruik maken van de techniek van de transfer middels een draaischijf, dat zagen de verpleegkundigen op die afdeling niet zitten. Sukkels! Om mij te verplaatsen van bed naar rolstoel en omgekeerd, hadden ook zij dus een tillift nodig.

Elke dag, na gewassen te zijn, en in mijn pyjama gestopt, werd in dus verplaatst van mijn bed naar mijn rolstoel. Waarin ik dan de ganse dag bleef zitten. Luisterend naar muziek, of werkend aan mijn laptop, die ik had laten meebrengen van thuis. Een televisie had ik ook ter beschikking, maar wat daarop te zien was kon me slechts zelden boeien.

Er werkten op de afdeling een aantal heel lieve verpleegkundigen, jonge en minder jonge. Maar er was daar ook een feeks van een ancien tewerk gesteld, die de werklust van haar collega's en hun aandacht voor de patiënten, niet kon waarderen. En zij zwaaide daar blijkbaar de plak. Zelf de veel jongere hoofdverpleegster had ze blijkbaar in haar macht. Een heel rare situatie vond ik dat. Verplicht lang durende koffiepauzes en verpleegsters die me stiekem kwamen helpen buiten de vaste verzorgtoer.

Met twee schoolgaande kinderen thuis en plots alleen gevallen bij het beredderen van ons huishouden en met het bijkomend probleem van de afstand tot de kliniek, kon mijn vrouw slechts nu en dan en dan telkens maar voor korte tijd, bij mij op bezoek komen. Maar toen ze er dan wel eens was, wou ik dat we rustig konden praten en samen mijn door haar meegebrachte briefwisseling doornemen. Haar belasten met het ontlasten van het ziekenhuispersoneel, was wel het laatste dat ik wou!

Maar deze laatst genoemden dachten daar anders over. Allicht onder de negatieve invloed van die eerder vermelde helleveeg. Lafaards! Tijdens zo een bezoekje moest ik op een gegeven moment plassen. Dus drukte ik op het knopje waarmee een belletje afging in mijn kamer en in het verpleeglokaal en, in de gang, het lampje boven de deur van mijn kamer, rood kleurde. Een minuut of vijf later stak een, al wat oudere verpleegster, haar domme kop binnen en vroeg verveeld of het dringend was, want ze had niet onmiddellijk tijd. Toen ze, alweer een minuut of vijf later, mogelijks waren het er zelfs tien, terug in mijn kamer kwam, zag die trut er nog steeds ontstemd uit. Ze vond het vervelend dat ik niet wou wachten op hulp tot ze een half uur later aan haar late namiddag verzorgronde zou beginnen.

Terwijl ze mijn plasser in de urinaal stopte, en ik enkele keren zachtjes op de zijkant van mijn buik klopte om de boel in gang te zetten, vroeg ze me op gedempte toon, met haar heksenkin wijzend naar mijn, ondertussen documenten invullende eega, of dat niet mijn vrouw was. Terwijl het plassen startte, beantwoorde ik haar vraag met een ja. Waarop dat wijf verontwaardigd repliceerde dat ik mij dan toch door haar had kunnen laten helpen? Waarop ik reageerde met het antwoord dat ik er nog niet aan dacht mijn vrouw, niet tewerkgesteld in die kliniek, een job te laten doen waarvoor de vrouw, die mijn plasser vast hield, werd bezoldigd! Die uitleg viel niet in goeie aarde. Maar dat zou mij een zorg wezen. Mijn echtgenote was niet naar me toe gekomen om me te verzorgen, maar om me te  bezoeken!

Dat mens werkte dan toch de klus af. Propte mijn nog nadruppelende penis in mijn pyjamabroek, zodat die vochtig werd en ging al morrend de urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er alweer niet bij. De, van de nog aan de rand hangende pis, stinkende plaskan, werd met een smak op mijn nachtkastje gedropt. Voor de verandering eens niet naast iets eetbaars. Het dom schepsel verliet boos de kamer. Mijn opmerking dat ze mijn broek had natgemaakt door ongeconcentreerd en onzorgvuldig te werk te gaan, daar antwoordde ze niet eens meer op.

Een poosje later kwam er een logistiek assistente de kamer binnen. Met mijn avondmaal. Die floot ik ook terug toen ze zei dat mevrouw me zeker wel zou helpen? "Neen" antwoordde ik, "mevrouw gaat mij niet helpen. Mevrouw gaat zo meteen naar huis, waar werk op haar ligt te wachten, dat ze zelfs niet eens kan trachten op een ander af te schuiven!" Het wicht keek me even verbaast aan en zei dan dat ze terug bij mij zou komen eens alle maaltijden waren bedeeld. Die vroeg zich wellicht af hoe het kwam dat ik reageerde alsof iets mij misvallen was, terwijl ik nog niet eens iets had gegeten!

Mensen toch, wat een rotte mentaliteit heerste daar op de afdeling! En, hoewel sommige jongere vrouwen ook in hetzelfde bedje ziek waren, betrof het vaak zo van die rijpere vrouwen, die nog net niet in de overgang zijn, en tijdens de periode van hun maandelijkse regels, de last die ze daarvan hebben, milderen voor zichzelf, door de personen die ze worden verondersteld te verzorgen en gerust te stellen, te kwellen met eigen, verzonnen regeltjes.

Of zijn het van die kakmadammen die hun slip of string te hoog hebben opgetrokken, in een ijdele poging daarmee hun loddergat een iets minder neerwaarts hangend en wat strakker aanzien te geven. En de frustratie van het falen van deze truc en de pijn die ze hebben van die snijdende randen van dat ondergoed in hun lies, spleet en reet, uitwerken  op hun patiënten. Ongehoord is dat!

Het kunnen er trouwens ook zijn die voortdurend ongemakkelijk lopen omdat ze heimelijk lesbienne zijn. En door de aanwezigheid van hun talloze vrouwelijke collega's, onophoudelijk opgewonden zijn. Wat zich uit in het steeds vochtig zijn van hun poes, waardoor deze haast onophoudelijk in een toestand verkeert van net niet verzuipen.

Zo, daarmee zijn die gedachten en gevoelens ook eens uit mijn brein gehaald en publiekelijk gemaakt. Voor alle duidelijkheid: in zowel deze kliniek, als die waar ik eerst verbleef heb ik ontzettend veel plichtsbewuste, slimme, inventieve, lieve mensen ontmoet, voor wie geen enkele moeite te veel is. Het heeft niks met leeftijd te maken. Sommige oudere verpleegsters zijn duidelijk uitgeblust, maar meestal zijn dat wel net diegenen die al gans hun carrière liever lui zijn dan moe en totaal geen inlevingsvermogen hebben. Onder de jongere heb je er ook die geen fluit waard zijn.

En soms was het echt wel van dom, dommer, domst. Zo was er een verpleegster aan wie ik uitlegde hoe ik het liefst werd gewassen. En dat ik tijdens de wasbeurt graag een badhanddoek over me heen had. "Geen sprake van" luidde haar repliek, "want dan kan ik niet zien wat ik aan het doen ben!" Het huilen stond me nader dan het lachen terwijl ik dat kalf dan toch maar rustig en geduldig uitlegde dat het lichaamsdeel dat ze waste uiteraard wel mocht worden ontbloot. Ze keek me nog steeds 'het niet begrijpend' aan. Gelukkig kwam er toen net een collega van haar mijn kamer binnen en deed die het haar even voor.

Een andere keer stonden ze met vier aan mijn bed om me te verzorgen. Een mannelijke en een vrouwelijke verpleegkundige en twee verpleegstertjes in opleiding. Zoals ik bij aanvang van dat toilet had kunnen voorspellen, ging het helemaal mis. Ze stonden gedurig in elkaars weg, of de ene wreef zeep op een lichaamsdeel dat de andere reeds had afgespoeld en afgedroogd, en bij het op mijn zij draaien werkten ze elkaar ook ongewild tegen.

Men was nog bezig met mijn verzorging toen er een vijfde collega verscheen. "Ha, jullie zijn bezig met vier", zei ze "Zoals bij hem thuis!" De mannelijke verpleger keek diep verbaast en ongelovig, eerst naar zijn collega en toen naar mij. En vroeg vervolgens of ze mij inderdaad met vier kwamen verzorgen. Zijn collega antwoordde in mijn plaats: "Dat heeft mijnheer mij toch gezegd!"

Ik had die dame inderdaad tijdens een eerdere verzorgingssessie gezegd dat er bij mij thuis vier verpleegkundigen over de vloer kwamen. Waarop zij blijkbaar verkeerdelijk had verondersteld dat die steeds allemaal samen mijn verzorging deden. Dus legde ik nu aan die domme geit en de vier anderen uit dat er inderdaad vier verpleegkundigen kwamen om mij tweemaal daags te verzorgen, maar dat ze werkten in een roulatiesysteem, waarbij er telkens slechts één van hen aan mijn bed stond.

Wat mijn fysische toestand betreft, was die ongewenste slijmvorming jammer genoeg niet weg gebleven bij het wisselen van afdeling. De frequentie van me in een toestand van ademnood bevinden was gelukkig wel reeds afgenomen Maar af en toe zaten mijn luchtwegen terug vol met taaie, hardnekkige slijmen.

Zo ook de tweede nacht van mijn verblijf op pneumologie. Ik verwittigde de verpleging middels mijn bedbelletje. De kinesist van wacht werd er bij gehaald. Die kwam pas een hele tijd later. Naar eigen zeggen omdat hij eerst nog op intensieve zorgen had moeten assisteren bij de reanimatie van een kindje. Een actie met een succesvol resultaat, overigens. Ook mij kon de man helpen. Middels tapoteren, gebruik van de kuchassistent en aspireren, verloste deze paramedicus me van de mij kwellende slijmen.

Toen ik de volgende nacht weer last had van slijmvorming, wou de nachtzuster evenwel de kinesist niet oproepen. Twee dagen na elkaar, voor hetzelfde probleem, dat kon volgens haar niet. Tenzij het echt dringend was en dus niet anders kon. Volgens haar was mijn bijna in het slijm stikken dus niet echt urgent?! Ze vond de nachtrust van de kinesist belangrijker dan mijn ademnood. En begon zelf op een amateuristische wijze te knoeien met de cough assistent en een aspiratietoestel.

De nachtverpleegster zei dat de mensen van de wachtdienst niet te veel mochten gestoord worden, want ze hadden niet graag dat ze telkens weer uit hun slaap werden gehaald. Worden die dan niet betaald om wakker te blijven? Ja, toch? Maar ik weet wel hoe dat in elkaar zit hoor. Zij hebben vaak ook een privépraktijk. En als ze dan 's nachts een wachtdienst 'lopen' zonder 'oproepen', dan kunnen ze de ganse nacht door slapen en uitgerust en met een frisse kop de job in hun privépraktijk aanvatten. En is het extra inkomen uiteraard gemakkelijk verdiend!

Op zich kan je het die mensen niet kwalijk nemen gebruik te maken van de hen aangereikte mogelijkheden. Maar dat men' hen ontziet ten nadele van de patiënten, dat vind ik helemaal niet logisch en normaal. Maar dat systeem is blijkbaar de ziekenhuiscultuur binnen geslopen en wordt als logisch aanvaard. Misschien zelfs vaak zonder dat zij die er profijt van hebben, er ook van op de hoogte zijn.

Enkele dagen na mijn aankomst op de verzorgafdeling, trachtte ik geleidelijk aan weer te eten. Het voedsel werd me gegeven door een verpleegster, een verzorgende, een logistiek assistente of een stagiaire in opleiding voor één van voornoemde beroepen. Doordat zij het eten in mijn mond stopten, kon ik mij zelf volledig concentreren op het kauwen en doorslikken van het voedsel.

Drinken zonder verslikken, dat lukte niet. Tot een vriendin van me, die verpleegster is, met de suggestie kwam om mijn drankjes middels een poeder te verdikken, en dus papperig te maken. Dus vroeg ik daar naar bij de verpleging, die een doosje van dat spul voor mij bestelde bij de centrale apotheek. Waardoor ik er reeds enkele uren later de beschikking over had.

Met dat poeder verdikt water drinken zonder me te verslikken, lukte. Maar dat papje was slecht van smaak! Koffie met dat poeder was verschrikkelijk! Enkel fruitsap was drinkbaar en behield ook enige smaak.

Toen mijn toestand nog wat meer was verbeterd mocht ik ook al eens mijn kamer verlaten. En aangezien het weekend was en mijn kroost bij me op bezoek was, kon ik met hen op 'stap'. Een kleine zuurstoffles werd in een daarvoor gemaakte rugzak gestopt, die één van mijn zoons op de rug nam. Zo bleef ik voorzien van wat extra luchttoevoer, middels een neusmasker, verbonden aan die fles. De zakken suikerwater en medicatie, die aan mijn infuus waren verbonden, werden op een mobiele, verrolbare houder bevestigd, die mijn ander zoontje voor zich uitduwde.

Aldus vertrokken we op wandel. Mijn zoon vond het rondstappen met die zuurstoffles in een tas op zijn rug best cool! Het zag eruit als de luchtvoorziening bij een duiker. Zelf vond ik de door de luchtslang teweeg gebrachte fysieke verbondenheid met en de afhankelijkheid van mijn zoontje, best aangenaam. Zou dat continue afhankelijk zijn van zuurstof trouwens mijn nieuwe toekomst zijn?

Wat mij helemaal ontstemde was het feit dat men luidop plannen maakte om me enige tijd te laten revalideren in het centrum waar ik, als jonge dertiger, na die desastreuze nekoperatie, in de jaren 2000/2001 anderhalf jaar van mijn leven doorbracht. De arts die verantwoordelijk was voor de verdieping waar ik nu verbleef was gelukkig een goeie man. Eén die luisterde naar wat ik te vertellen had en er ook naar handelde. En mij geenszins wou dwingen tot iets waar ik niet voor te vinden was.

Aangezien er blijkbaar geen enkele specialist in 'huis' was die ook maar enig idee had van wat de oorzaak was van mijn problematiek, had ik, na veel nadenken, wat geen probleem was aangezien ik alle tijd voor handen had, en grondig lezen in mijn medische encyclopedie, zelf een eigen diagnose gesteld. En hieromtrent vervolgens een theorie ontwikkeld, waarmee ik voor de dag kwam toen de arts met zijn gevolg op ronde was en daarbij mijn kamer aandeed.

Om zeker niks te vergeten zeggen of vragen, had ik alles wat ik in gedachten had, op enkele papiertjes laten noteren door mijn bezoekers en al eens een verpleegster, of een studente verpleegkunde. Zelf met een pen schrijven kan ik door die verlamming immers niet meer, en ik had geen printer bij de hand om mijn laptop te gebruiken en de daarop neergetypte ideeën dan uit te printen. Bovendien was het praktisch gezien niet steeds mogelijk om van mijn schootcomputer gebruik te maken.

De dokter kon zich vinden en was bereid me te volgen in mijn visie dat zelfs een niet medisch opgeleide patiënt, in casu ik, toch de beschikking heeft over de meeste kennis van diens eigen lichaam, het eigen medisch levensverloop en ziektebeeld, en mogelijks de juiste conclusies kan trekken uit wat hij voelt en weet, of althans de behandelende arts naar de juiste denkpiste kan leiden.

Zo kon ik dus mijn met redenen omklede opinie uit de doeken doen. Het had er naar mijn mening alle schijn van dat het niveau van mijn nekletsel zich steeds meer hogerop verplaatste. Wat ik afleidde uit de volgorde van de lichaamsfuncties die (deels) uitvielen. Er was de zindering in mijn linker arm, een verminderde werking van mijn slokdarm, middenriffunctie & longen die faalden... Waaruit ik concludeerde dat de oorzaak van mijn problematiek mogelijks zou kunnen te vinden zijn in een opeenhoping van spinaal vocht langsheen mijn ruggenmerg.

Om mijn theorie en vermoedens naar juistheid te toetsten, achtte ik het nuttig enkel gespecialiseerde onderzoeken te ondergaan. Een sliktest en röntgenfoto's, CT-scan & NMR-scan van mijn nek. De arts stemde er mee in en gaf orders aan zijn assistenten om de afspraken te regelen. Inmiddels was Kerst in aantocht. Wat de dokter betrof mocht ik deze dagen thuis doorbrengen, en daarna terug komen. Maar ik prefereerde te blijven tot alle bijkomende onderzoeken waren verricht. En ik het resultaat van de slikfunctietest door de neus-keel-oorarts zou gekregen hebben, en een onderhoud had met de neurochirurgen, om op basis van feiten, RX-foto's & CT-scan voorlopige conclusies te trekken. Want, gezien de lange wachtlijst voor dit onderzoek, zou het nog wel enkele weken duren vooraleer een NMR-scan zou kunnen genomen worden.

Ik verzocht de arts evenwel reeds het centraal katheder te laten verwijderen aangezien daar geen nood meer aan was, gezien het feit dat ik reeds sinds enkele dagen at en dronk en geen intraveneuze medicatie meer kreeg toegediend.

Tevens meldde ik de man nog steeds in afwachting te zijn van de beloofde ademhalingstherapie en hoestoefeningen. En het aanleren en geven van instructies aan de mensen uit mijn omgeving om mij te helpen met hoesten. Door het drukken op mijn borstkast bijvoorbeeld?

En dat ik een antwoord wou op de vraag wat ik, eens thuis, moest aanvangen indien ik me verslikte of als gevolg van een andere factor, in ademnood geraakte. In mijn eigen woning had ik immers geen kuchassistentietoestel, noch een aspirator. Uiteraard bleef de man me het antwoord op deze vraag schuldig. Er zou worden nagekeken waar in de buurt van mijn woning een therapeut was gevestigd die een kuchtoestel bezat en deze techniek toepaste. Hoe ik, niet over een eigen voertuig beschikkend, op God weet welk onmogelijk tijdstip dat ik er dringend nood aan had, dan tot aan die praktijk zou geraken, mocht Joost weten. Want de dokter wist het niet.

Op mijn vraag om zuurstof voor te schrijven voor bijbeademing 's nachts ging de arts niet in. Dat ik tijdig diende verwittigd te worden bij een nakend ontslag zodat ik bijtijds vervoer kon regelen, daar zou hij de hoofdverpleegster over laten waken.

Dat tot na de Kerstperiode in het ziekenhuis blijven was een foute beslissing, zo bleek achteraf. Want eens die hoofdarts, die blijkbaar tijdens de Kerstdagen vrijaf had, van het toneel was verdwenen, hadden die pestverpleegster en haar gevolg vrij spel. Nu waren ze nog pissiger omdat ik een dokter had die naar me luisterde. Wat zij klaarblijkelijk niet konden verdragen. Is het niet vanzelfsprekend dat patiënt en arts hun kennis bundelen en samen naar een oplossing zoeken? Voor sommige mensen, zelfs medisch geschoold, dus blijkbaar niet.

Begrijpen die ook niet welke trauma's hun pestgedrag bij de patiënten kan aanrichten? Mogelijks zijn de meeste van hen er zich niet terdege van bewust welke, vaak blijvende psychische schade ze toebrengen door hun houding en gedrag. Wat dit evenwel geenszins rechtvaardigt, Wordt daar in hun opleiding geen aandacht aan besteed? Of hebben die niet opgelet tijdens de colleges waarin het gedrag van de zorgverlener ten overstaan van de zorgvragende werd behandeld? Allicht durven veel mensen, omwille van hun afhankelijkheid, niks te zeggen over onbetamelijk gedrag vanwege het verzorgend personeel of anderen. En doen ze dat ook niet achteraf, eens ze de kliniek hebben verlaten. Net zoals ikzelf redeneren die mensen allicht dat het dan toch geen zin meer heeft en ze hun energie beter aanwenden voor hun verder genezingsproces. En dat ze beter die nare ervaringen vergeten dan er nog verder mee bezig te blijven, zonder dat het hen een meerwaarde oplevert.

Kerstavond bracht ik dus alweer door zonder mijn gezin. Op Kerstdag kwamen ze even op bezoek. Maar het vooruitzicht binnenkort meer te weten over de oorzaak van mijn problemen, en vervolgens hopelijk een doeltreffende remedie te vinden om er een einde aan te maken en een herhaling in de toekomst te voorkomen, verzachtte het leed van het niet gezellig thuis, in gezinsverband kunnen doorbrengen van deze feestdag.

Met mijn longarts had ik afgesproken te wachten met naar huis gaan tot de zaterdag voor oudejaarsavond, een dag die toen op een zondag viel. Hij zou dan op vrijdag een persoon bij me op de kamer laten komen met een nieuw soort van bijbeademingstoestel, dat ik dan thuis 's nachts zou moeten ophebben. Happig was ik niet op het gebruik van zulk een apparaat, want ik had er, op deze dokter zijn advies en voorschrift, jarenlang één ter beschikking gehad. Ter bestrijding van mijn slaapapneu. Dat is een kwaal die, bij hen die er aan lijden, waaronder ik dus, nachtelijke desaturatie veroorzaakt. Wat wil zeggen dat die mens gedurende het nachtelijk slapen verschillende keren stopt met ademen. Telkenmale gedurende tientallen seconden tot zelfs enkele minuten!

Die zogenoemde CPAP (Continuous Positive Airway Pressure - voortdurend positieve druk in de luchtwegen) was een luidruchtig ding, met een veel te krachtige, agressieve druk, die mij bij het gebruik ervan de slaap onmogelijk maakte en een veel te hevige luchtstroom door mijn neuskanaal stuwde, en daarbij ook nog eens mijn slijmvliezen uitdroogde. Waardoor ik al helemaal niet meer kon ademen. En fysiologisch water nodig had om daar iets aan te verhelpen.

Maar het nieuwe apparaat was beter, zo verzekerde de longarts me. Stiller werkend, met een regelbare luchtstroom en voorzien van een luchtbevochtiger.

De laatste twee onderzoeken vonden op dezelfde dag plaats. De woensdag na Kerstdag. Eén voor de middag, en één kort na de middag. Een verpleegster maakte mij klaar voor de verplaatsing per bed, door een deken op mijn lichaam te leggen om me warm te houden, en een kleine zuurstoffles aan het voeteinde van mijn bed te hangen, zodat mijn bijbeademing gegarandeerd bleef. Voor ik vertrok vertrouwde ze me nog toe dat ik er niet op moest rekenen om bij mijn terugkomst nog eens opgezet te zullen worden. Haar boosaardige collega, waar elkeen omwille van haar pestgedrag, schrik voor had, had al luidop en met een reeds bij voorbaat van pret doordrongen stemgeluid, verkondigd dat ze niet zou dulden dat één van hen de namiddagroutine zou verstoren door me in mijn rolstoel te plaatsen.

Zoals dikwijls gebeurt bij onderzoeken, diende ik nogal veel te wachten. En werden de afgesproken tijdstippen niet gehaald. Omdat er al eens een dokter werd weggeroepen, een onderzoek langer duurde dan gepland, er een technisch probleem optrad, er iemand voorrang kreeg omwille van hoogdringendheid...? Weet ik veel. Toen ik, na de onderzoeken, in de namiddag, met behulp van iemand van het patiëntenvervoer, gelegen in mijn bed, terug op de afdeling en in mijn kamer arriveerde, had de bezoektijd reeds een aanvang genomen. Mijn vrouw zat ook al op me te wachten.

Onmiddellijk drukte ik op mijn bedbelletje. En toen na enige tijd een verpleegkundige verscheen, vroeg ik haar vriendelijk om in mijn rolstoel te worden gezet, want daar had ik nu toch wel even nood aan. Als reactie kreeg ik te horen:  "Sorry, maar daar is het nu te laat voor!" En ze sprak die woorden uit vol leedvermaak. Mijn argumentatie dat mijn lichaam daar nood aan had als voorbereiding op mijn naar huis gaan, waar ik op zijn minst 14 uur na elkaar uit bed zou zijn, en ook op mentaal vlak naar enkele uurtjes opzitten verlangde, daar luisterde ze niet eens naar. Zij, noch haar collega's hadden tijd om mij uit bed te halen en in mijn rolstoel te zetten, en daarmee basta! Waarop ze snel verdween om haar collega's te gaan vervoegen in het verpleeglokaal dat zich schuin tegenover mijn ziekenhuiskamer bevond. En waarvan het geluid van de leute die ze blijkbaar hadden, doordrong tot in mijn kamer. Ziedend van woede was ik. Toen ik kort daarna de longspecialist door de gangen zag stappen, vroeg ik aan mijn echtgenote om hem achterra te gaan en de man te verzoeken even tot bij mij komen.

Kort daarop was mijn vrouw terug in mijn kamer. Met de arts. Aan wie ik, nog opgewonden, het ganse verhaal deed, inclusief mijn argumentatie. De man vergoelijkte evenwel al lachend de verpleegster. Hij dacht allicht: "die patiënt is binnen twee dagen weg, maar met die verpleegster heb ik nog langer te maken." De arts wou de verpleegster niet sommeren mij toch voor enkele uurtjes in mijn rolstoel te zetten. Die reactie en houding maakten mij zo mogelijk nog bozer. En ontnamen me terstond alle vertrouwen dat ik tot dan toe in die specialist had. Dus zei ik hem dat, als het zo zat, ik niet langer in dat ziekenhuis wou blijven. En er vandoor zou gaan van zodra ik vervoer kon vinden.

De longarts zei me enkel schamper dat ik dan wel dat beademingsapparaat niet kon testen en mee naar huis nemen. Maar dat argument was niet krachtig genoeg om me op mijn besluit te doen terugkomen. De arts kon, wat mij op dat moment betrof, de pot op met dat toestel! En met die feeks van een verpleegster erbij!

Ik belde de vervoersdienst en kreeg geregeld dat ik de volgende dag kon worden opgehaald en naar huis gebracht. Mijn echtgenote verliet het hospitaal en toen 's avonds mijn ouders bij me op bezoek kwamen, gaf ik hen reeds het grootste deel van mijn spullen mee. Zodat het ziekenhuispersoneel de volgende ochtend enkel nog mijn toiletgerief en nachtkledij bij elkaar zouden moeten rapen en in een tas stoppen om met me mee te geven naar huis.

Zo verliet ik op donderdag 28 december 2006 het grote ziekenhuis, en liet me thuis brengen met het door mij bestelde, van een chauffeur voorziene rolstoelbusje.

Het door hoofdverpleegster Fatima in elkaar gestoken eindejaarsconcert, waarop ik was uitgenodigd en dat gepland was voor de volgende dag, op vrijdag, van 15u tot 16u, zou dus doorgaan zonder mijn aanwezigheid. Alsof dat ook maar iemand iets kon schelen.

Toen ik 's avonds thuis wat bekomen was, vroeg ik hulp om mijn tassen te ledigen en stelde ik vast dat men potverdorie was 'vergeten' om me mijn medicatie mee te geven! Dus diende mijn echtgenote die avond nog naar de kliniek te rijden om mijn slaappillen en andere medicatie op te halen. Bleek dat ze die gewoon bij hun voorraad hadden gevoegd! Terwijl dat medicamenten waren die ik van thuis uit naar het ziekenhuis had meegebracht!

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 8 september 2009)

31-08-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 2

 

In het algemeen ziekenhuis van mijn woonplaats werd alles in gereedheid gebracht om me over te brengen naar de grote partner in de provinciehoofdstad. In minder dan een uur na mijn akkoord, stonden er al twee jonge, aan dat ziekenhuis verbonden ambulanciers, aan mijn bed, om me op te halen. Mijn corpus werd op de smalle brancard getild en vastgesjord. Mijn tas met spullen kreeg ik op mijn benen gezet. En de zak met suikerwater dat middels een infuus mijn lichaam van het benodigde vocht voorzag, kwam op mijn buik te liggen. Zuurstof kreeg ik via een neusmaskertje dat verbonden werd met een kleine, aan de brancard bevestigde zuurstoffles. Weg waren we, naar de gereedstaande ziekenwagen. Het duo rolde mij met brancard en al in de vrij ruime camionette. De mannelijke helft van het ambulancekoppel kroop vooraan achter het stuur van het vehikel. Zijn vrouwelijke collega kwam gezellig naast me zitten. Een taakverdeling waarbij me niet vooraf om mijn mening was gevraagd, maar die desalniettemin mijn goedkeuring wegdroeg.

En zo verliet ik op die 14de december 2006, kort na het middaguur, het hospitaal in mijn woonplaats, om een goeie 25 kilometers verder in dat ander hospitaal, hopelijk naar voldoening te worden geholpen. De ambulanciers waren aangenaam gezelschap. Het meisje toonde me ook het aspiratietoestel dat ze aan boord hadden en verzekerde mij ervan dat ze er mee overweg kon en me in geval van nood dus zeker kon helpen om ongewenst, mijn ademhaling verstorend slijm, uit mijn luchtpijp te verwijderen. De kans dat dit nodig zou zijn was evenwel klein, want de longarts had net voor mijn vertrek mijn luchtwegen nog eens van fluimen gezuiverd middels een bronchoscopie. Die ik deze keer om God weet welke reden niet mee had mogen volgen op het scherm.

Vooraleer we op onze bestemming arriveerden, vulde mijn vrouwelijke gezel ook nog een inlichtingenblad in, met de antwoorden die ik gaf op de vragen die zij aflas van dit document.

Eens ter plaatse werd ik uit de ambulance gerold, een gebouw binnen gereden, toen de lift naar boven ingeholpen, tot ik op de juiste afdeling arriveerde: intensieve zorgen. Na de nodige plichtplegingen en uitwisseling van documenten, werd ik naar een bed gerold, losgemaakt van de brancard en vlot en probleemloos naar het hospitaalbed getransfereerd. Middels een speciaal daarvoor ontworpen hulpmiddel: een plank met een breedte van een gemiddeld mensenlichaam, waarop een, in de lengte rond deze plank verschuivende doek is bevestigd.

Het ambulanceteam nam afscheid van me en wenste me het beste. Weg geroezemoes en drukte. Maar toen pas hoorde ik een voortdurend getuit en gepiep. Vreselijk irritant. En ik was daar pas. Dat zou wat worden! Daar lag ik dan. Op mijn nieuwe verblijfplaats. Voor wie wist toen reeds hoelang? Nieuwsgierig keek ik rond. Voor zover dat mogelijk was. Zowel links al rechts van mij hing een geel gordijn. En ook voor mijn bed hing er zo één, dat evenwel deels was opzij geschoven. Mijn 'cel' was gevuld met medische apparatuur. En rechts van mijn bed stonden een toetsenbord en een computerscherm.

Aan de overzijde van het lokaal ontwaarde ik enkele cabines, waarschijnlijk identiek aan de mijne. Midden in de ruimte stonden bureaus met daarop grote computerschermen. En aan mijn rechterzijde zag ik vaag een aantal met glas afgeschermde ruimtes. Waarschijnlijk kamers met daarin ook personen die nood hadden aan intensieve verzorging, want zo nu en dan ging daar iemand naar binnen. Na eerst een lapje voor de mond te hebben gebonden en handschoenen te hebben aangedaan. En toen die persoon enkele tellen later terug buiten kwam, werden die dingen terug af- en uitgedaan en vervolgens in een prullenbak gegooid.

Er kwam eindelijk iemand naar me toe. Voorstellen was er niet bij. Mijn pyjama moest uit. Dat was de procedure. Ik weigerde, want zag daar de zin niet van in. De verpleegkundige drong niet aan maar verzekerde me dat men mij de volgende ochtend, na het ochtendtoilet dan wel van outfit zou laten wisselen. Daartegen had ik geen enkel verweer, dus ik zweeg. Ook al omdat het ademen alweer moeilijker begon te gaan. Dat verdomde slijm!

Een kinesist werd er bij gehaald om me te tapoteren op de borst. Dat is met een bepaalde techniek kloppen, om de fluimen los te krijgen. Vervolgens aspireerde hij. De jongeman kende de knepen van het vak. Hij kreeg het slijm vrij gemakkelijk uit mijn luchtpijp. Waarna ik weer wat ademruimte had. Hopelijk genoeg om de nacht door te komen.

En die nacht was vreselijk. De verlichting in de zaal werd gedimd, maar overal brandden en flikkerden er kleine en grotere gekleurde lampjes van de apparatuur verbonden aan de in de zaal geposteerde patiënten. Voortdurend weerklonk een tuten en piepen. En nu en dan ging er een alarm af. Op momenten dat één van de toestellen niet genoeg respons kreeg van het lichaam waaraan het verbonden was, vermoedde ik. En dat zou mij later uit eigen ervaring worden bevestigd. Die keren dat het alarm bij mij afging omdat het zuurstofgehalte in mijn bloed angstwekkend daalde. Doordat mijn longen niet meer gevuld raakten door dat verdomde slijm!

De volgende dag kreeg ik een kattenwas, waarbij helemaal geen rekening werd gehouden met mijn gevoelens noch verlangens. En na deze, nog niet eens de term 'half werk' waardig, activiteit werd me zo een operatieschortje aangedaan, dat veel te klein was! Voor een persoon met dwerggestalte was dat misschien net gepast. Maar allicht doet men die mensen dan een kindermodel aan. Want je aangekleed en op je gemak voelen is op een afdeling IZ blijkbaar niet toegestaan.

Dat dit schortje aanmoet om gemakkelijker de verschillende, aan apparaten verbonden elektroden op je lichaam te kunnen plaatsen is onzin. Dat gaat ook met iets meer textiel om je lijf. En het argument dat het dragen van dat shortje zogezegd is ingegeven vanuit hygiënische overwegingen, is ook nonsens. Een lapje stof dat niet eens je schouders bedekt, slechts net je intieme zone aan het zicht onttrekt en je rug en zitvlak bloot laat... een mensonwaardiger outfit bestaat niet. Verplicht exhibitionisme. En dat alles voor die verpleeglui hun gemak! Triest.

Het steeds maar naar die gele gordijnen moeten liggen turen begon danig op mijn zenuwen te werken. Welke idioot is er in God's, Allah's of wiens naam dan ook ooit op de idee gekomen om die opzichtige kleur te gebruiken? En welke, nog grotere idioten hebben er mee ingestemd en het voorstel goedgekeurd? Als straf zou men ze zelf eens een week in een geelgekleurde cel moeten opsluiten! Gek wordt je daarvan! Bij mij kon dat evenwel niet meer gebeuren, want ik was al gek... van de pijn! En ik moest telkenmale bedelen om pijndovend ijs, dat ik dan op de koop toe meestal niet eens kreeg. Ofwel negeerde men mijn aanwijzingen en plaatste het bevroren water op een plek waar het totaal geen nut had.

En om in plaats van tabletjes pijnmedicatie, via mijn infuus de veel sneller werkende vloeibare variant te krijgen toegediend, daar ging ook eerst een ganse lijdensweg aan vooraf. Onbegrijpelijk, want ik vroeg niet eens zware medicatie. Welke allicht massaal werd toegediend aan de andere personen in de ruimte. Want afgaande van wat ik er zo nu en dan van kon zien waren deze meer dood dan levend.

Af en toe gebeurde het wel eens dat er ineens een ganse resem alarmen tegelijkertijd afgingen. Komende vanuit dezelfde locatie. Dan kwam er langs alle kanten volk aangerend. De gordijnen gingen dicht, maar als de herrie van de overkant kwam, dan kon ik uit de aanvoer van materiaal op karretjes en het zenuwachtig gedoe van verpleegkundigen, artsen en al eens een kinesist, afleiden dat men de persoon in het bed aldaar hetzij trachtte in leven te houden, hetzij er terug leven in te krijgen middels allerlei reanimatietechnieken.

En als er naderhand, als de rust was weergekeerd, nagenoeg geen lichtjes meer schenen aan de overkant, veronderstelde ik dat alle pogingen vruchteloos waren geweest en Pietje de dood de strijd had gewonnen. Wat naderhand werd bevestigd door het feit dat er enkele uren later een leeg bed tegenover me stond. Wachtend op een nieuwe patiënt. En dat duurde nooit lang.

In tegenstelling tot de vorige I.Z.-afdeling waar ik verbleef, waren er in dit ziekenhuis slechts twee bezoekmomenten voorzien. Eén om 15u00 en één om 20u00. En kinderen moesten 14 jaar zijn vooraleer te worden toegelaten. Hier zou ik mijn kroost dus zeker niet te zien krijgen. Het was iedere keer eindeloos wachten op die bezoekmomenten. Van telkens een kwartiertje. Het waren kleine lichtpuntjes in troosteloze, en als oneindig durend aanvoelende dagen en nachten.

Inmiddels was ook mijn rolstoel overgebracht van het ziekenhuis in mijn woonplaats, naar de kliniek waar ik nu verbleef. De I.Z.-afdeling mocht die echter niet binnen. Omdat er geen plaats voor was en deze er ook niet thuishoorde, zo werd me gezegd. Dat ik een andere mening was toegedaan, dat kon niemand van het personeel een snars schelen. Ook niet dat ik bang was dat er iemand zou prutsen aan mijn onbewaakt gestalde rolstoel, in feite een mijn lichaam verplaats- en beweegbaar makende orthese. De stoel naast mijn bed plaatsen zodat ik dagelijks enkele uren zou kunnen opzitten, was helemaal uit den boze. Voor die transfers had men geen tijd en als die rolstoel naast mijn bed stond, zou men te veel moeite hebben om aan mij te werken.

Allemaal nonsens, want er werd nauwelijks naar me omgekeken. Buiten de vlugge wasbeurt 's ochtends en op gestelde tijden een bloedafname, een heraankoppelen van losgekomen elektrodes, en zo meer. Het aspireren werd overgelaten aan een kinesist, want de verpleegkundigen bakten daar niks van. En na een bezoek van de longarts, die ik al van vroeger kende, werd de 'Kuch assistent' ingeschakeld. Dat is een op elektriciteit werkend verplaatsbaar apparaat waaraan een luchtslang zit waaraan een masker is bevestigd, dat op je mond wordt geplaatst. Het toestel stimuleert een kuch door eerst een positieve druk op de luchtwegen te zetten en onmiddellijk erna een negatieve (dus onder-)druk. Waardoor je gaat kuchen. Op het einde van deze drukwissel laat de machine, gedurende een door de operator in te stellen tijd, de luchtwegen  even drukvrij. Waarna de cyclus zich herhaalt. Een aantal keer na elkaar.

Eigenlijk een technisch vrij eenvoudig apparaat, dat men uitsluitend benoemde met de Engelse term 'Cough Assistent'. Allicht om het apparaat, niet veel meer dan een omgebouwde vacuümpomp of zelfs stofzuiger, een meer bijzondere uitstraling te geven. Maar het mag worden gezegd dat ik effectief baat had bij het gebruik ervan. Zelfstandig was is helemaal niet in staat om slijmen op te hoesten, terwijl dat met behulp van dat door de kinesitherapeut bediend toestel, wel ten dele lukte.

Toen ik een keer de drang voelde om stoelgang te maken, meldde ik dat aan de verpleger van dienst. En vroeg om mij rectaal te toucheren. Dat is het manueel verwijderen van ontlasting. Men doet dat door, terwijl je met opgetrokken knieën op je zijde ligt, met de vingers de feces uit je endeldarm te lepelen. Weet je wat de aangesproken verpleegkundige zei? "Laat maar komen. We zullen dat daarna wel opkuisen!" Ik geloofde mijn eigen oren niet! Er werd van me verwacht dat ik 'gewoonweg' mezelf zou onderkakken, waarna ik, en mijn bed, zouden worden verschoond?! Dat kon hij toch niet menen? Maar hij meende het wel! Mijn bezwaren werden simpelweg weggewuifd.

Gelukkig was het loos alarm. Er kwam vrijwel niks. Maar 's avonds werd wel gans de boel ververst. En kwistig dat er werd omgesprongen met papier, lakens en handdoeken! Onverantwoord, vind ik. Hygiëne, akkoord, maar zijn 5 handdoeken, evenveel washandjes en 3 paar handschoenen gebruiken voor één wasbeurt echt nodig?

Wat die weigering om rectaal te toucheren betreft, luchtte ik mijn verontwaardiging bij de hoofdverpleegkundige. Dat was een foute zet. Want als gevolg van die klacht werd ik 's nachts afgedreigd door de nachtzuster. Ik schrok me een hoedje toen die me nors meldde dat, als ik nog een keer mijn bek zou opendoen tegen de hoofdverpleegkundige, het mijn beste dag niet zou zijn.

Daar lag ik dan met pijn en nog op tijd en stond serieuze ademnood, in een vijandige omgeving. Eigenlijk was het al vrij snel duidelijk geweest dat ik op die afdeling niet veel menselijkheid moest verwachten. Elk van de daar werkende verpleegkundigen had slechts een tweetal patiënten onder haar of zijn hoede. Allicht vaak in een toestand van balanceren op de grens tussen leven en dood. Dan zou je toch verwachten dat zij, bij aankomst op de afdeling, voor het aanvatten van hun werkshift, eens even een kijkje zouden nemen om te zien hoe het met die personen was gesteld?

Neen hoor, zij arriveerden, namen hun broodjes uit hun tas, plaatsten die in de koelkast, tokkelden wat op de computer, waar ze mogelijks wel de conditie van hun, op 5 meter daar vandaan liggende patiënt, aflazen, namen deel aan de overdracht door de ploeg voor hen, en kwamen dan een half uur na hun aankomst, tot aan je cel. Om daar wat op de, naast je bed staande computer, te tikken.

Pas toen ik hen zelf aansprak, keken ze voor het eerst mijn richting uit. Vaak een beetje geschrokken. Want gewoon praten deed het merendeel van hun patiënten niet. Die hielden zich doodstil, of waren hoogstens wat aan het ijlen. Als ze bij iemand aan bed kwamen spande dat personeel trouwens altijd eerst een maskertje voor de mond en deed men latex handschoenen aan. Ongetwijfeld noodzakelijk om de verspreiding van kwalijke bacteriën tegen te gaan, maar helemaal niet leuk om telkens zo te worden benaderd. Daar konden zij uiteraard niks aan veranderen, maar ik vermoed dat de meesten van hen daar zelf niet mee in zaten. Later hoorde ik van diverse verpleegkundigen, dat op een afdeling 'Intensieve Zorgen', vaak collega's werkzaam zijn die zich ook reeds tijdens hun studietijd kenmerkten door een asociaal gedrag.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 30 augustus 2009)

31-07-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 1


Het werd een Kerst in mineur voor schrijver dezes. Begin september 2006 raakten mijn longen geïnfecteerd door een virus. Dat zorgde voor kortademigheid. Gezien mijn longcapaciteit, als gevolg van mijn verlamming, bij een normale lichaamsconditie slechts net voldoende is om zelfstandig te kunnen ademen, had ik dus te maken met een ernstig probleem. Eén huisarts, twee specialisten, drie antibioticakuren en een griepvaccinatie verder, kwam daar nog bij dat enorme speekselfluimen in mijn luchtpijp mij bij wijlen in acute ademnood brachten. Zodat ik dreigde te stikken! Omdat ik niet de kracht had om dit slijm op te hoesten. Bovendien had ik bij het eten en drinken ook alsmaar meer moeite om het voedsel en de drank door te slikken.

En mijn lichaam reageerde uiterst heftig telkenmale deze problemen zich voordeden. Als ik door mijn verpleging of kinesist in bed werd gelegd, zette alles zich dicht,. De spieren van mijn buik en middenrif knepen als het ware mijn longen en luchtpijp samen, met als gevolg dat ik dan steeds snakte naar adem en hevig pufte van benauwdheid. Derhalve durfde ik niet meer geheel neer te liggen en trachtte ik in een half zittende positie te slapen.

Begin december ging ik op een zaterdagavond met mijn kroost naar de film. De Nederlandstalige film 'Windkracht 10' werd immers vertoond in het Cultureel Centrum van mijn woonplaats, en ik had voor kaarten gezorgd. Die dag had ik nauwelijks iets gegeten, want ik verslikte me voortdurend, wat angstaanjagend was en me dus enorm veel schrik bezorgde. Doodziek reed ik met mijn twee jongens naar die locatie. Omdat ik dacht dat de film me verstrooiing zou brengen. Tijdens de filmvoorstelling zat ik evenwel voortdurend naar adem te snakken.  En me af te vragen of ik na de voorstelling niet best meteen naar het daar dichtbijgelegen ziekenhuis zou rijden. Maar wat dan met de jongens, zo vroeg ik me af. Vandaar dat ik, na het einde van de film, samen met de fietsende zonen huiswaarts keerde.

Aangezien ik het niet aandurfde om me door mijn thuisverpleegkundige in bed te laten leggen, bracht ik de nacht door, al zittend in mijn rolstoel. Met mijn pyjamavestje aan en een deken over mijn ganse lichaam gelegd. Het was een vreselijke, slapeloze nacht, die ik al reutelend en snakkend naar adem doorspartelde. Op zondagochtend, de derde dag van de maand december 2006, liet ik me, uitgeput en ten einde raad, net voor de middag, met het busje van het rolstoelervervoer, georganiseerd door het locale O.C.M.W., naar het plaatselijke algemeen ziekenhuis brengen. Mijn éne tienjarige zoon reed mee met mij, zijn tweelingbroer en hun mama volgden met de auto. Voor mijn vertrek had ik mijn gezinsleden nog alle medicatie, toiletspullen, pyjama en zo meer in een plastic zak laten proppen.

Ik had hoge koorts en was helemaal op. Angstig, omdat nu en dan mijn luchtpijp nagenoeg volledig dichtslibde, waardoor ik geen enkele klank meer kon uitbrengen en nog nauwelijks kon ademen. Waarbij ik me bewust was van het gevaar dat er ten gevolge hiervan onvoldoende zuurstof naar mijn hersenen zou worden gestuwd, met mogelijks het afsterven van hersencellen tot gevolg. Met extra lichaamsfunctieverlies! Voorwaar geen prettige gedachte.

Daarbovenop was ik ontzettend moe door een gebrek aan slaap, het urenlang luisteren naar mijn eigen eentonige gereutel, mijn terechte vrees voor hersenbeschadiging en het onophoudelijk geconcentreerd ademen om toch nog wat hoogst noodzakelijke zuurstof in mijn corpus binnen te krijgen.

Ik ging binnen via de spoed, alwaar ik goed werd opgevangen door de verpleegkundige van dienst en het geluk had op een dokter van wacht te stoten met een grote luisterbereidheid. Geheel naar mijn wens werd ik niet op een bed gelegd en werd er, door een inderhaast opgeroepen chirurg, een centraal veneuze katheder aangebracht. Een kunststof slangetje, dat in tegenstelling tot een gewoon infuus, niet in een dunne ader in arm of been, maar in een groter bloedvat onder het sleutelbeen wordt aangebracht. Eén van de voordelen hiervan is een grotere bewegingsvrijheid.

Ik kreeg een kamer toegewezen op een verzorgafdeling. Mijn toekomstige kamergenoot keek raar op toen het naast hem staande lege bed naar buiten werd gerold en ik in mijn rolstoel in de plaats kwam.  Ik was nog maar pas geïnstalleerd of men kwam me reeds halen voor het maken van een medische beeldplaat. Er werd een Röntgenfoto genomen van mijn longen. De arts hielp zelf om dit voor elkaar te krijgen omdat deze handeling, met mij in mijn rolstoel, helemaal niet eenvoudig was.

Uiteindelijk achtte men het toch meer aangewezen om me onder te brengen in een box op de dienst intensieve zorgen. Ik kreeg een zuurstofmasker op neus en mond gedrukt, waarna ik het iets minder benauwd had en men verbond mijn lichaam aan allerlei apparaten. Zodoende kon men op allerhande schermpjes continu mijn bloeddruk, hartslag, zuurstofsaturatie en zo meer af kon lezen. Mijn antibiotica, waarvan ik, bang om er in te stikken, de laatste pillen niet meer had ingenomen, werd nu intraveneus ingebracht. Mijn gezinsleden gingen huiswaarts en ik was ervan overtuigd dat ik een dag of drie later hetzelfde zou kunnen doen.

Inmiddels was mijn toestand er uiteraard niet vanzelf op vooruit gegaan. Ik zat afwisselend te hoesten, te puffen en reutelend naar adem te snakken. Met een buisje, verbonden aan een vacuümsysteem, trachtte men via één van mijn neusgaten, of de mond en keelholte, tot bij de fluimen te komen die mijn luchtpijp afsloten, en deze zo af te zuigen. Dit, wat men in vaktermen 'aspireren' noemt, lukte evenwel niet goed. Bij de ene verpleegster ging het nog minder goed dan bij de andere. Slechts nu en dan leidde deze therapie tot enig resultaat. Meestal beschadigde men evenwel met de sonde mijn neus- en keelholte en kwam het uiteinde ervan in mijn slokdarm terecht, in plaats van in mijn luchtpijp. Of werd het pijpje binnengebracht via mijn neus en kwam het er via mijn mond opnieuw uit. Eén iemand slaagde er zelfs in om het buisje langs het éne neusgat binnen te brengen, waarna het er via het andere neusgat uitkwam en vervolgens kwam vast te zitten. 'Oesje' zei ze, 'het zit vast!' Ik talmde niet, nam het buisje uit haar hand en gaf er met alle kracht die ik nog in mijn lichaam had, een flinke ruk aan, zodat het los kwam.

De pneumoloog werd er bijgehaald. Die deed een bronchoscopie en verwijderde middelerwijl zo veel mogelijk fluimen. Meer gedetailleerd ging dit onderzoek als volgt in zijn werk. Mijn tong en keel werden verdoofd middels besproeiing met een bittere vloeistof. En ook in mijn luchtwegen werd wat verdovingsvloeistof gedruppeld. Vervolgens werd er een mondstukje tussen mijn tanden gepropt. En via het gat daarin werd een soepele buis met een diameter van zowat een halve centimeter, met daarin een videocamera en een afzuigbuisje, in mijn mond, via mijn keel, tot in mijn luchtpijp gebracht.

De arts, geassisteerd door een verpleegster, kreeg op een monitor te zien dat bijna al mijn grote luchtwegen waren dicht geslibd. En ik keek geïnteresseerd mee. En zag hoe de specialist de veroorzakers van mijn ademnood wegzoog. Een eerste deel slijmen werd opgevangen in een buisje, zodat ze aan het medisch labo konden worden overgemaakt, voor nader onderzoek. De rest werd opgevangen in een keteltje en zal allicht later bij het medisch afval zijn gedumpt.

Na deze interventie van de arts ging het ademen al beter. En durfde ik me in een bed te laten leggen. Gelukkig mocht ik kinesitherapie krijgen van de persoon die me ook thuis al sinds geruime tijd behandelde. Dat zorgde ervoor dat ik nagenoeg dagelijks toch alvast één bekende persoon aan mijn bed had. En hij deed ook mijn transfer van bed naar rolstoel. Want de nochtans eenvoudige techniek om die handeling uit te voeren middels de draaischijf, die ik van thuis had laten meebrengen, wou het verplegend personeel niet uitvoeren. Wegens 'geen ervaring', wat dan, door de wijze waarop men dit zei, eerder mocht worden geïnterpreteerd als 'geen goesting'

Dus moest ik 's avonds terug in bed met de tillift, ook wel, al dan niet smalend, de 'stalen verpleegster' genoemd. Een omslachtig systeem, waarvoor tevens nogal wat manoeuvreerruimte nodig is. En die was er in die intensieve zorgenkamer niet echt. Er wordt bij deze werkwijze een sterke doek onder je poep en rug geplaatst, de hoeken van die doek worden aan de armen van die lift bevestigd en zo wordt je lichaam dan met een pneumatisch systeem opgetild en kan je worden verplaatst, aan dat ding bengelend als een zak patatten. Een uiterst onprettig en onterend gevoel om het lijdend voorwerp te zijn bij een dergelijk manoeuvre.

En dat die procedure nogal wat tijd en ruimte in beslag nam, dat hadden mijn verzorgsters ook begrepen. Vandaar dat ze voorstelden om mij overdag een papieren luier aan te doen. In mijn eigen voordeel, zo werd me aangepraat. Dan kon ik pissen en kakken als het mij uitkwam. Zonder te moeten wachten op iemand van het verplegend personeel. Als goed verstaander begreep ik dat dit dus was om hen niet te moeten storen! Maar zij niet hoor! Ze konden mij dan wel zo ver krijgen om met een pis- & kakdoek in mijn elektrische rolstoel te zitten, maar als ik moest plassen, mochten ze opdraven met mijn plaskan! En aangezien ik geen vast voedsel at, zou het nog wel even duren vooraleer mijn lichaam ontlasting produceerde.

Waar haalt men het zich toch in het hoofd om een medemens zulk een vernederingen te laten ondergaan omwille van het eigen gemak en incompetentie?

Eten durfde ik niet en dat werd me ook door de specialist ontraden. Maar ik was kloek genoeg en via mijn infuus werden me de nodige voedingsstoffen toegediend.

Doorgaans op mijn eentje in een cel met slechts een klein buitenraampje, waardoor enkel een stukje hemel en een deel van de stam en kruin van een boom was te zien, mocht ik ervaren hoe ontzettend saai en eenzaam het is om in volle bewustzijn op zo een afdeling 'intensieve zorgen' te vertoeven. Je ligt daar in je eentje in een kooi, waarvan ze in mijn geval de glazen deur blindeerden, omdat ik anders mogelijks een glimp kon opvangen van wat zich in een andere cel of op de gang afspeelde. Aangezien ik, sinds die malafide arts mijn lichaam zo onwillig en lam maakte, aan een lichte vorm van claustrofobie lijd, was dit voorwaar niet bevorderlijk om me op mijn gemak te voelen.

Inmiddels zag het er ook niet naar uit dat ik daar spoedig weg zou zijn. En op de momenten dat ik me goed voelde verveelde ik mij enorm! Lezen lukte niet al te best. Ik kon me nogal moeilijk op de tekst concentreren. En zelfs met mijn leesbrilletje op zag ik de tekens slechts wazig. Allicht ten gevolge van de medicatie. Dus vulde ik mijn tijd vooral met het luisteren naar muziek die uit mijn MP3-speler weerklonk, het aflezen van de tijd op mijn GSM en met het wachten tot wanneer er eens iemand mijn cel betrad. Van het verplegend personeel bijvoorbeeld. Of familie, wat drie keer per dag was toegestaan. Om 11u00, om 15u00 en om 19u00. Telkens per twee, en steeds slechts voor een kwartiertje. En bezoek van kinderen onder de 12 jaar werd niet toegelaten. Dus kreeg ik mijn kroost niet te zien.

Aangezien er thuis nogal wat dringend te behandelen onafgewerkte administratie op me lag te wachten en ik ook graag instructies wou geven aan mijn huisgenoten nopens het accuraat opvolgen van mijn inkomend internetverkeer, vroeg ik aan de hoofdverpleegkundige van de afdeling toestemming om mijn vrouw eens voor een langere tijd dan dat kwartiertje te mogen ontvangen. Zodat ze alle papieren en mijn laptop mee kon brengen en ik één en ander kon afwerken en voor de rest aanwijzigen kon geven aan mijn echtgenote, zodat onbetaalde rekeningen of onbeantwoorde brieven ons geen extra problemen zouden bezorgen. Want aan die van mijn wankele gezondheid hadden we op dat moment al meer dan genoeg!

Mijn goed gefundeerde vraag werd vrijwel onmiddellijk positief beantwoord. Aangezien ik blijkbaar voorlopig over de ergste fysieke nood heen was, mocht het al onmiddellijk de volgende dag. Middels mijn mobieltje liet ik dat weten aan mijn vrouw. Dus deden we de dag erna wat gedaan moest worden. Toch alweer een zorg minder voor ons allebei!

Weer een dag later was men nogal laat gestart met me te wassen. Bovendien werkte het jonge trutje van dienst ontzettend traag. Vooral ook omdat ze mijn aanwijzingen niet wou volgen. Als je reeds 6 jaar wordt gewassen door een ander, dan weet je onderhand wel welke handelswijze de beste is. Om je tussen je lamme, spastische benen te kunnen wassen bijvoorbeeld, of om je op je zijde te draaien. Maar als ik een techniek voorstelde, dan werd die suggestie steeds weggewuifd als zijnde niet toepasbaar. Als ik hierop dan repliceerde dat mijn thuisverpleegkundigen dat systeem nochtans sinds jaren succesvol toepasten, dan werd ik de mond gesnoerd met de ridicule dooddoener: "Hier is niet thuis, dit is een hospitaal!"           In mezelf dacht ik dan, dat die locatie toch ook wel 'ziekenHUIS' werd genoemd. Maar ik zweeg stil. Wat baten immers kaars en bril als de uil niet zienen wil?

Ze was nog maar net klaar met me te helpen bij het poetsen van mijn tanden, toen mijn vrouw arriveerde voor het toegestane kwartiertje ochtendbezoek. De verpleegster liet terstond alles liggen en wou er vandoor gaan. Toen ik dat wicht zei dat ze was vergeten de spullen op te ruimen, antwoordde ze gemeen dat mijn vrouw er nu was. En die kon dat toch doen?! Verbijsterd keek ik haar aan. En zei boos en vastberaden dat zulks mijn eega haar werk niet was. Ze mocht potverdikke maar 15 minuten bij me blijven en zou dan in die belachelijke tijdspanne ook nog eens een ander haar werk moeten voltooien?! Nijdig naar ons  kijkend deed ze het dan toch maar zelf. Als ze een langere koffiepauze wou, zo dacht ik bij mezelf, dan moest ze maar leren wat sneller, efficiëntr en productiever te werken.

Vooraleer de kamer te verlaten kon die jonge verpleegkundige het niet laten me te verwijten dat ik verwaand was. Niet begrijpend wat ze bedoelde vroeg ik om uitleg. Bits zei ze daarop dat ik onterecht faciliteiten verkreeg die de andere mensen  op de afdeling niet kregen toegestaan. Zoals bijvoorbeeld het dagelijks in mijn rolstoel worden gezet en het lange bezoek door mijn vrouw, een dag eerder.

Ho maar! Die andere mensen lagen daar doorgaans wel voor slechts één à twee dagen. En meestal na geopereerd te zijn. Opzitten en werken, daar was allicht geen van hen toe in staat. Maar, in navolging van sommige van haar collega's, ontbrak haar klaarblijkelijk het beetje verstand om dat te begrijpen. Dus mijn toch nog steeds uiterst geringe adem verspillen aan dat dom wicht zou zinloos zijn geweest, dus deed ik het bijgevolg niet.

Later die dag meldde ik het voorval, bij afwezigheid van de hoofdverpleegkundige, wel aan haar secondant. Maar die vergoelijkte het gedrag van het meisje. Dat volgens hem 'slechts' te wijten was aan haar jeugdige leeftijd en onervarenheid, gekoppeld aan een te hoge werkdruk. Van dat laatste had ik in al die dagen verblijf op de afdeling nochtans niks gemerkt. Maar ik hield wijselijk mijn mond.

Net geen week na mijn opname leek het dan toch beter met me te gaan en mocht ik verhuizen naar een 'gewone' kamer. Alwaar ik een ganse namiddag bezoek mocht ontvangen. Ook van mijn jongens. En ik liet ze naar de televisie kijken, opdat ze zo lang mogelijk zouden blijven, zonder zich te vervelen. Hen in de buurt hebben deed me goed. Gelukkig was de Sint niet in de war geweest door mijn afwezigheid in huis, en had de goede man op 6 december toch hun gereedstaande schoentjes gevuld.

Méér dan één dag hield ik het niet vol op de verzorgafdeling. 's Avonds was het al weer zover. Ademnood door slijmvorming. De vrouwelijke verpleegkundige van dienst probeerde ze vruchteloos weg te zuigen middels een mobiele aspirator. Maar de taaie slijmen wilden niet lossen. Een collega werd er bij gehaald. En er kwam er nog één. Ze overlegden wat er moest gebeuren. Zouden ze de behandelende arts bellen? Ze waren het er unaniem over eens dat er geen andere optie mogelijk was. En dat er haast bij was. Zelf kon ik me niet moeien in het gesprek want mijn keel zat dicht. Angstig keek ik naar de bezorgde gezichten van de verpleegsters om me heen. Degene die er het laatst was bijgekomen hield mijn hand vast, kneep er zachtjes in en moedigde me aan om vol te houden. Naderhand vernam ik dat deze dame toen vreesde dat mijn levenseinde in zicht was omdat mijn lippen en vingers al blauw aan het verkleuren waren.

De specialist werd uit zijn bed gebeld en stond dra naast mijn, inmiddels reeds naar de behandelkamer gerolde bed. Om met dringende spoed een levensreddende bronchoscopie uit te voeren. Waarna ik terug werd overgebracht naar de divisie 'intensieve verzorging'. De eerste tijd na deze actie, voelde ik mij een stuk beter. Het ademen verliep niet meer zo moeizaam. Echter niet voor lang. Slijmvorming in mijn longen deed keer na keer mijn rechterlong compleet dichtklappen en mijn linkerlong dichtslibben. Aspireren bracht dus geen soelaas, waardoor men telkens weer de longarts diende op te trommelen om te vermijden dat mijn lichaam de geest zou geven.

Steeds weer was ik opgelucht die man te zien verschijnen. En telkenmale dankte ik hem naderhand uiterst oprecht. Maar na enkele spoedinterventies waarbij hij vrouw, kinderen en slaap moest laten om mij te komen  'redden', was deze specialist het beu en drong hij er op aan mij verder te laten behandelen in het Universitair Ziekenhuis, gelegen in onze provinciehoofdstad. Gezien het feit dat ik net in die kliniek het slachtoffer was geworden van een medische blunder die mij zwaar verlamd maakte, stond ik niet te popelen om hieraan toe te geven. Bovendien had ik mij doelbewust in de locale kliniek laten opnemen, omdat ik dan dicht bij huis was. En als ze mij wilden zien, mijn gezinsleden slechts een kleine verplaatsing dienden te maken.

Maar de arts vond dat ik beter af zou zijn in een grote, aan een universiteit verbonden kliniek, waar meer expertise voorhanden was, waarmee een permanente oplossing voor mijn problematiek kon worden gevonden. Zelf fantaseerde hij luidop over het uitvoeren van een tracheotomie. Dat is een operatie waarbij men via de hals een snede maakt in de luchtpijp en daar dan een plastic buisje in plaatst, canule genaamd. Na die medische ingreep zou het wegzuigen van fluimen uit mijn longen langs die opening kunnen gebeuren, dus veel eenvoudiger. En ook mijn kunstmatige beademing kon dan via die weg gebeuren. Allemaal troeven! Het gevaar op infecties en vooral het na de ingreep niet meer kunnen gebruiken van mijn stembanden achtte de arts nadelen van mindere orde. Volgens hem was er voor dat laatste probleem trouwens ook wel een oplossing te vinden. Een spraakmodule die zou toelaten een synthetisch stemgeluid te produceren dat de menselijke stem benadert.

Voor het eten had de specialist ook een oplossing bedacht. Het verslikprobleem kon voorkomen worden door 'gewoonweg' geen voedsel meer via de mond tot mij te nemen. En me in de plaats daarvan te laten voorzien van een permanente maagsonde. Een slangetje, dat operatief, onder algehele narcose, via de buikwand rechtstreeks in de maag wordt gebracht. Via die, in medische termen PEG genoemd, kon ik dan probleemloos (?) worden gevoed.

Bij de complicaties die dergelijk 'systeem' met zich mee kan brengen, gaande van infecties en ontstekingen, over vergroeiingen, tot buikloop, had de man blijkbaar nog niet stilgestaan. En dat ook het eet- en smaakgenot me door deze ingreep zou ontnomen worden, was voor de arts blijkbaar van ondergeschikte orde.

De mij behandelende dokter was daarenboven van mening dat, in afwachting van een definitieve remedie, er nood aan was dat ik verder zou worden behandeld in een kliniek waar de afdeling pneumologie door meer dan één arts werd bevolkt. Zodat er steeds iemand paraat zou staan om me tijdig uit stervensnood te helpen. In deze kliniek stond hij er alleen voor en derhalve achtte hij mijn verblijf aldaar absoluut niet langer haalbaar.

Deze argumentatie en mijn vrees dat de arts me bij een volgend acuut ademhalingsprobleem op eigen initiatief tot een half kunstmatig wezen zou omtoveren door het ten uitvoer brengen van zijn ideeën, deed me uiteindelijk zwichten. Evenwel niet nadat ik allerhande alternatieven had overwogen, zijnde andere ziekenhuizen dan het voorgestelde UZ. Dat ik toch akkoord ging met dit, in mijn herinnering 'onheilsoord', kwam te  meer door het feit dat daar een pneumoloog werkzaam is die mijn voorgeschiedenis kende en bij wie ik, op aanraden van zijn collega in de kliniek van mijn woonplaats, ook in november reeds op consultatie was geweest en op wiens dienst ik toen tevens een longfunctietest had ondergaan.

Inmiddels was het reeds 14 december. En in die 12 dagen verblijf in het ziekenhuis was er reeds heel veel gebeurd, en had ik reeds heel wat meegemaakt. Slechte ervaringen, maar ook goede. Zo was ik tijdens mijn laatste twee dagen aldaar terug wat vast voedsel beginnen eten. En een verpleegster had speciaal voor mij voor wat lekkers gezorgd. Dat deed me wel iets. Persoonlijk vind ik trouwens dat zo een kleine kliniek ook zijn voordelen heeft. Meer en nauwere onderlinge contacten tussen de verschillende afdelingen bijvoorbeeld. En zij kunnen even kwalitatief werk leveren als de grotere broers, al is hun personeel daar vaak zelf niet van overtuigd. Zij schatten mijns inziens zichzelf en hun kliniek vaak veel te laag in.

Tot daar deze randbedenking, die toen door mijn hoofd spookte. En ik vreesde dat er nog veel zulke overdenkingen zouden volgen, want het einde van mijn lijden leek bij lange na nog niet in zicht.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 30 juli 2009)

13-05-09

Rudi’s ontboezemingen - Spam

 

Er zijn blijkbaar mensen die weten dat ik de tijd moet aflezen op mijn GSM. Personen die me bovendien voornaam inschatten, en van mening zijn dat een duur kwaliteitsuurwerk, van een vermaard fabrikaat, niet zou misstaan aan mijn pols. Dagelijks word ik immers, via mails, van het bestaan van dergelijke polshorloges op de hoogte gehouden. Bovendien worden die hebbedingetjes me telkenmale aan zeer concurrentiële prijzen aangeboden. Tenminste, als ik die reclame mag geloven, want ik ben niet thuis in die sector. Bovendien zijn het misschien vervalsingen.

Dat het tijd wordt voor een nieuwe versie van mijn computersoftware, ook daar wordt dagdagelijks, middels elektronische post, over aan mijn oren gezeurd. En ook voor deze producten kan ik rekenen op een fikse korting. Waarschijnlijk werken deze firma's samen met de aanbieders van farmaceutische producten zoals pijnstillers en antidepressiva. Middelen waar ik wel eens nood aan zou kunnen hebben, als ik wel mijn Euro's zou versassen, met de bedoeling nieuwe software te ontvangen, maar helaas zou moeten vaststellen bedrogen te zijn geworden. Gelukkig word me beloofd dat ik ook deze medicatie kan verkrijgen aan de laagste prijs.

Wat me dan weer verbaast is dat bepaalde individuen, op één of andere slinkse wijze, hebben achterhaald dat ik liever met een maatje méér was behept. Dat leid ik tenminste af uit de crèmes, pillen en stretchers die me nagenoeg dagelijks worden aangeboden, om wat groei te krijgen in mijn jongeheer. En de getuigenissen van lotgenoten, die de proef op de som hebben genomen, en dankzij die enkele centimeters méér, plots een ander leven leiden.

En mocht dat langer orgaan dan dienst weigeren, dan kan ik mijn toevlucht nemen tot erectiebevorderende pillen, die me ook al voortdurend in alle vormen, kleuren, maten en verpakkingseenheden worden aangeboden. Voor een zacht prijsje, wordt me een uitbundig seksleven in het vooruitzicht gesteld.

Als ik dan in het bezit ben van een stevige jongeheer, maar desondanks, of juist daardoor, een partner moet ontberen, dan vind ik vast mijn gading tussen de knappe jongedames die hun hart, ziel en verdere leven aan potentiële huwelijkskandidaten aanbieden op één of meerdere van de talloze datingsites, die me ook al meermaal daags van hun bestaan op de hoogte houden.

Over de voortdurende aanbiedingen van waterpijpen, kookpotten, allerhande computerapparatuur en zo meer, aan een fractie van de prijs die ik elders moet betalen, ga ik het hier niet hebben, want dan komt er ongetwijfeld geen einde aan dit verhaal.

Mocht het me, na maanden van mailbox bezoedeling, niet danig op de heupen zijn gaan werken, dan zou ik die berichten best wel grappig vinden. Nu niet, dus. Spam terreur? Neen, bedankt!

Ru(sh)di(e), 10 mei 2006 (revisie op 11 mei 2009)

12-05-09

De avonturen van Rudi & Co - Weekendrelaas

 

We hebben alweer een bewogen weekend achter de rug. Bewogen in de betekenis die dat woord voor me heeft, sinds ik continue in een invalidenkarretje zit. Want vroeger lagen de criteria vooraleer er van opwinding sprake was, een stuk hoger. Maar vroeger is vroeger, en nu is nu. In onze dromen kunnen we weliswaar nog eens heuglijke feiten uit ons verleden herbeleven. Maar het is het heden dat het belangrijkst is, want daar leven we in.

Op zaterdagochtend werd mijn voetballende kroost op het voetbalveld van de eigen club verwacht, voor de laatste competitiewedstrijd van het seizoen. Drie kwartier voor de aftrap waren we ter plaatse. Terwijl mijn twee zoons de kleedkamer opzochten, hoopte ik de kantine binnen te geraken.

Gelukkig zagen enkele andere ouders me aankomen. Want niet alleen de deur moet voor me worden open gehouden. Twee maand na opening van de kantine is er bovendien nog steeds geen hellend vlak aangelegd. Dus elke keer dat ik het gebouw binnen treed of verlaat, moet iemand zijn of haar handen vuilmaken om daar een, door mij in de buurt gevonden plaat, in de deuropening te leggen.

De papa van één van mijn zoons' ploegmaatjes kon dat niet méér aanzien en bracht daarom een week of vier geleden zelf een stevige oprijplaat mee. Het enige dat men nog moest doen was ze aan de grond bevestigen. Ze staat daar, ongebruikt, naast de deur. Toen die vader op zondag iemand van de verantwoordelijken hierover interpelleerde, kreeg hij als antwoord: "We hebben nog wel andere dingen te doen, hoor!

Terug naar zaterdag. Toen volgens mij en mijn horloge het moment van spelen was aangebroken, hield ik de scheidsrechter staande. Die man wist me te vertellen dat de tegenstrever nog niet was gearriveerd. "Misschien zijn ze naar de oude terreinlocatie gereden" werd door iemand geopperd. Waarom men, in tijden waar zelfs een klein kind met een mobiele telefoon rondloopt, niet trachtte de club van de tegenstrever per GSM te bereiken, is me een raadsel.

Een half uur nadat de aftrap had moeten gegeven zijn, had er dan toch iemand het initiatief genomen om de telefoon ter hand te nemen en te bellen. En kwam men zo te weten dat de tegenstrever niet genoeg spelertjes bij elkaar had gekregen, en daarom maar had beslist om thuis te blijven. Zonder te verwittigen!

Raar volk in die voetbalclubs, als je het mij vraagt. De moderne communicatietechnieken zijn klaarblijkelijk nog niet tot in die kringen doorgedrongen. In kerkelijke middens is dat dus wel het geval. Want die middag werd me, via mijn mobieltje, gevraagd of mijn kinderen die avond konden invallen als misdienaar, voor een jongen die ziek was. Meegaand als ik ben, stemde ik natuurlijk in.

Dus zat ik daar in de late namiddag, in plaats van aan de open haard in mijn huis, warm ingeduffeld in de kille kerk. Mijn kinderen dienden een pastoor, die blijkbaar inviel voor onze eigen pastoor. Of die laatstgenoemde ziek, op retraite, op reis, of waar dan ook was, kwamen we niet te weten.

De celebrant leidde de dienst net iets anders dan de parochianen gewoon zijn, waardoor één en ander niet volledig vlekkeloos verliep, maar niemand maalde daar om. Wat mij wel pissig maakte was het feit dat die priester mij de communie niet gaf. Ik floot even, maar hij hoorde mij niet. Mijn zoon moest die vent tot bij mij sturen.

"Het lichaam van Christus," zei hij. Waarop ik antwoordde: "'t zal tijd worden." Ze prediken potverdorie dat de gelovigen oog en oor moeten hebben voor hun naaste, en vooral voor dezen die ziek zijn of een handicap hebben. Maar zelf zien ze iemand die in een rolstoel zit, niet eens staan! Vergetelheid? Menselijk? Vergeet het! Schijnheiligheid noem ik dat, en een verkeerd voorbeeld voor iedereen. En denk je dat zo een klojo zich naderhand komt verontschuldigen? Vergeet het! Die ziet niet eens in hoe vernederend zijn gedrag is voor degene die er het slachtoffer van is.

Op zondag stonden we alweer op een voetbalveld. Voor een tornooi van vier wedstrijden. En alweer had een ploeg forfait gegeven. En het team waar de kinderen de dag voordien hadden moeten tegen spelen, was er nu wel, maar ze speelden in een andere reeks. Ik trek me van alle heisa rond zulke organisaties weinig aan. Zo lang mijn zonen maar tevreden zijn en de kans krijgen om hun favoriete sport te beoefenen.

In de kantine van de gastclub kon ik natuurlijk ook niet binnen, maar twee mannen waren onmiddellijk bereid enkele planken bij elkaar te zoeken, waarmee ik mij, met de hulp van enkele andere spelersvaders, kon behelpen. Het werd wel een lange dag, want we waren al ter plaatse voor de middag, en moesten tot zeven uur 's avonds wachten om terug huiswaarts te keren. Eerder kon het rolstoelvervoer ons niet afhalen. Zo gaat dat, als je voor je mobiliteit afhankelijk bent van derden.

's Avonds keek ik op Canvas naar Panorama, waarin men een Amerikaanse reportage uitzond over leningen tegen woekerintresten. Misschien moet ik bij ons maar eens op zoek gaan naar zo een bureau, om de financiering van een eigen busje te bekostigen. Ik zal dan uiteindelijk de helft méér uitgeven dan het basisbedrag, maar zo geraak ik dan tenminste toch aan de centen. Want met bidden alleen kom ik er allicht niet. Dat levert me slechts ternauwernood een hostie op. Was het gisteren wat minder koud geweest en had het niet geregend, dan had ik misschien een persoonlijke 1 mei optocht gehouden met de eis: 'iedere rolstoeler een eigen camionette!'

Ru(sh)di(e), 2 mei 2006 (revisie op 11 mei 2009)

11-05-09

Rudi’s overdenkingen - Vooringenomenheid

 

Vooringenomenheid is een kwalijke karaktereigenschap. Personen beoordelen op basis van hun uiterlijk, hun afkomst of geruchten die over hen de ronde doen, is verwerpelijk. Ik heb de jammerlijke pech in deze materie een onderlegd ervaringsdeskundige te zijn.

Sinds ik als prille twintiger van onder mijn ouders' vleugels kon vandaan komen, heb ik mijn haren laten groeien naar het voorbeeld van Jezus Christus. Nu ja, eigenlijk had God's enig geboren zoon niks met mijn keuze te maken. Ik voel me gewoon het prettigst met lange manen. Wat ik evenwel nooit begrepen heb, is dat vele van die vrome Christenen, die dat langharig personage aan het kruis aanbidden, mijn lange haartooi verwerpelijk vinden. Een langharige waarvan men gelooft dat hij mirakels kon verrichten, is een goeie. Iemand die goed studeert, hard werkt, maar géén mirakels op zijn actief heeft staan, is tuig. Dat is hetgeen ik daaruit concludeer, maar ook helemaal niet begrijp.

En sinds ik in een rolstoel zit, moet ik constant ervaren dat de grote massa er van uitgaat dat iemand die niet meer op zijn of haar benen kan staan, ook geestelijk niet meer functioneert. Het zijn potverdorie zij, die dat denken, wiens psyche stilligt! Maar maak het hen maar eens wijs. Tracht hen daar maar eens van te overtuigen. Als het aanwezig is, zit de vooringenomenheid er zo ingebakken, dat je het niet zomaar uit die mensen hun hoofd krijgt.

Ook ten overstaan van mensen met een andere huidskleur bestaat er heel veel vooringenomenheid. In Afrika ziet men de blanke man (en vrouw) doorgaans als een rijke stinkerd, die bij hem of haar thuis in Europa of Amerika, het geld maar voor het rapen heeft, zonder er arbeid voor te moeten verrichten.

En hier bij ons, in West Europa, worden mensen met een donkerbruin kleurtje nog al te vaak aanzien als gelukzoekers, die van onze sociale voorzieningen komen profiteren. Die zijn er ongetwijfeld ook, maar dat is een minderheid. En personen met een lichtbruine huidskleur en kroezelig haar, zijn helemaal de kop van jut. Want die krijgen, zonder onderscheidt het etiket 'Marokkaan' of 'Noord-Afrikaan' opgeplakt. En meteen gestigmatiseerd als crimineel. Nu zijn er wel problemen met bepaalde groepen jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst, maar om daarom iedereen met zo een uiterlijk over dezelfde kam te scheren, dat gaat veel te ver!

Mijn echtgenote is van West-Afrikaanse oorsprong. Donderbruin dus. En nog dikwijls verbaas ik mij erover hoe mensen tegenover haar reageren, uitsluitend omwille van haar huidskleur. Ofwel wordt ze genegeerd, ofwel wordt ze geviseerd. Om een voorbeeld te geven: het gebeurt dat ze in een groep staat, waar iemand bijkomt. Iedereen wordt door deze persoon begroet en krijgt een hand, behalve dat zwartje. Alsof zij géén mens is en géén gevoelens heeft. Nog een voorbeeld: in de supermarkt stoot zij met haar karretje per ongeluk iemand aan. Nog voor ze zich kan excuseren krijgt ze een lading verwensingen over zich heen, die helemaal niet in verhouding staat tot de omvang van het gebeurde. Maar ja, de aangestoten persoon heeft mijn eega haar huidskleur gezien. Het is een 'vreemde', dus zal ze het wel expres hebben gedaan!

Onze kinderen hebben een lichtbruine huidskleur. Als gevolg daarvan worden zij dikwijls verkeerdelijk aanzien als Noord-Afrikanen en dienovereenkomstig per definitie als boefjes bejegend. Ontelbaar zijn de keren dat zij onterecht als aanstokers werden aangeduid bij conflicten waar ze dikwijls niet eens bij betrokken waren. Ik heb het in een warenhuis meegemaakt, dat één van mijn zoons zogezegd op heterdaad werd betrapt met een artikel waar ik, die enkele gangen verder rondreed, de jongen had omgestuurd. Dezelfde jongen werd, in een andere grootwinkel, eens door het personeel op de vingers getikt, terwijl hij de pakjes chips, die een groepje andere jongeren had laten vallen, terug in de rekken legde.

Het gebeurde meermaals dat blanke ouders met hun blanke kroost vertrokken, op het moment dat mijn kinderen op een speelpleintje arriveerden, een springkasteel betraden of in het ballenbad doken. Vooringenomenheid leidt tot onverdraagzaamheid, discriminatie en racisme.

Uiteraard kan men voor iedere vorm van onverdraagzaamheid op zoek gaan naar de oorsprong ervan. En die is inderdaad wel, minstens deels, te wijten aan het gedrag van bepaalde individuen uit de geviseerde groep. Maar deze gebruiken als vergoelijking voor dit foute gedrag en denkbeeld, daar ben ik het totaal niet mee eens. Ieder persoon moet er naar streven elke soortgenoot met een open geest te benaderen. Hoe moeilijk dat bij tijd en wijl ook mag zijn.

Ru(sh)di(e), 1 mei 2006 (revisie op 7 mei 2009)

10-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - Zware jongens

 

Bij ons, op de middelbare school, zat gedurende enkele jaren ook een jongen met een lichamelijke beperking en een spraakgebrek. Hoe hij daar was aangekomen, weet ik niet meer. Mogelijks was hij één van de laatste slachtoffers van kinderverlamming. Maar ik denk niet dat ons dat eigenlijk interesseerde. Die jongen stapte moeilijk en had géén volledige handfunctionaliteit. Maar het was een toffe knul. En als mijn maten of ik in de buurt waren, moest niemand het ook maar wagen om die jongen uit te lachen. Op zeker moment verliet hij de school en bijgevolg verloren we hem uit het oog.

Als zeventienjarige ging ik nagenoeg wekelijks uit met mijn kameraden. We spraken steeds af in onze stamkroeg en trokken van daaruit meestal naar een fuif. Op een bepaalde zaterdagavond bevonden we ons op zo een openbaar dansfeest, toen er op een gegeven moment een bende ruige motards de danstent binnen kwam. Stoere, struise bonken met lang haar, in jeans, met zware botten aan hun voeten en een lederen jas aan. Met daarboven ook nog eens een mouwloos jeansvestje. Op de achterzijde van dat vestje waren het embleem en de naam van hun 'club' bevestigd.

Die kerels bleven samengetroept aan de kant van de dansvloer staan en startten spoedig met het hijsen van pinten schuimend bier. Een van de mannen trok mijn aandacht. Ik meende er mijn voormalige manke vriend in te herkennen. Ik bleef de bende gadeslaan, en in het bijzonder die éne persoon. Hij was zowat de kleinste en rustigste van de hele groep. De anderen gedroegen zich nogal wild en gingen hardhandig met elkaar om, maar hij hield zich op de vlakte.

Van een lichamelijke beperking bleek géén sprake meer te zijn. 'Zou die dan volledig genezen zijn?' vroeg ik me af. En hoe was hij bij die bende zware jongens verzeild geraakt? Ik ging zijn richting uit, maar hij bleek mij niet (meer) te herkennen. Dus liep ik hem voorbij en bleef ik hem van op enige afstand observeren. Waarschijnlijk was dit dus toch mijn vroegere vriend niet. En toen ik de jongeman even later, zonder haperingen, hoorde spreken, wist ik dat wel zeker!

Uit mijn ondeugende geest ontsproot daarop een plannetje voor een kwajongensstreek. Ik ging tot bij één van mijn makkers, die tot dan toe alleen maar oog had gehad voor zijn lief, en die nu, aan de toog stond te wachten, allicht op een drankje voor haar en hemzelf. Ik vroeg hem of hij zich nog onze manke maat herinnerde. 'Uiteraard!' zei hij. Waarop ik hem vertelde dat ik er net een kwartier mee had staan praten. Mijn maat vergat de drankjes en wou zelf ook meteen naar onze verloren vriend gaan.

Ik wees mijn kameraad de in leder en jeans gestoken jongen aan, en zijn ogen lichtten op. Mijn maat, nogal klein van gestalte, benaderde de motard langs achteren en gaf die anderhalve kop grotere kerel, als verrassende begroeting, met de palm van zijn hand, een harde klap op de rug. De jongeman draaide zich terstond om en keek mijn maat boosaardig aan. Die stond daar, uitnodigend, met open armen en een lachende bek, in een houding van: 'herken je me nu niet meer?!' Die andere ruige motormannen kwamen, met een pint bier in minstens één hand, dreigend rond mijn maat staan, want ze dachten dat die één van hen had aangevallen!

Enfin, mijn maat had vrij snel door dat hij niet voor zich had, wie hij dacht voor zich te hebben. En dat hij er door mij was ingeluisd! Gelukkig bleek die zware jongen nog de slechtste niet te zijn, want mijn vriend kon er zich uitpraten en geraakte zonder kleerscheuren tot bij mij. Hij had me daar, op een veilige afstand van het tafereel, zien staan lachen, terwijl hij zelf toch wel eventjes angstig was geweest. Maar nu kon ook hij lachen om mijn grap.

Geloof het of niet, maar het meest verbluffende deed zich de week daarop voor. Alweer op een fuif, in dezelfde gemeente, ontmoetten we onze enige échte ex-schoolkameraad. Jammer genoeg was hem géén mirakel ten deel gevallen. Hij stapte en sprak nog steeds even slecht. Maar het weerzien was hartelijk, want hij was ook nog steeds behept met zijn zelfde, toffe persoonlijkheid.

Ru(sh)di(e), 27 april 2006 (revisie op 7 mei 2009)

09-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - voertuigperikelen en andere ervaringen

 

Mijn middelbare schooltijd bracht ik door op een tamelijk grote school. Nogal wat leerlingen kwamen daar met de fiets naar school. Derhalve waren een aantal oude fabrieksgebouwen tegenover de school, aangekocht door de inrichtende macht van deze onderwijsinstelling, en ingericht als fietsenbergplaats.

Op zekere dag liep ik, na schooltijd, met enkele van mijn klasgenoten, druk pratend en in een uitgelaten stemming, richting fietsenstalling. Mijn makkers hadden al snel hun fiets te pakken, riepen nog iets ten afscheid en bolden naar buiten, huiswaarts.

Ik daarentegen liep voor de zoveelste keer alle gangen op en af, zonder mijn rijwiel te vinden. Iedereen haalde zijn fiets van de haak waaraan deze was opgehangen, zodat de opbergplaats vrij snel leeg begon te raken. Slechts enkel hier en daar was nog een opgehangen fiets te bemerken en de eigenaar die zich er heen bewoog.

Ik begon lichtjes in paniek te geraken. Tot ik mij dan toch herinnerde die dag met de bromfiets naar school te zijn gekomen. En dat gemotoriseerd stalen ros had ik aan het station geparkeerd.

Tja, zoiets kan gebeuren als je een verstrooid persoon bent, in het bezit van een derdehands motorvoertuig, dat meer op stal staat omwille van alweer een panne, dan dat je er gebruik van kan maken om je te verplaatsen.

Dat was trouwens nogal eens een tijd. Telkens als ik er met mijn brommer op uit trok, nam ik een heel arsenaal werktuigen en hulpmiddelen mee. Weggestopt in de ruimte onder mijn zadel, en in de zakken van mijn motorvest. Schroevendraaiers, een els, een bougiesleutel. Schuurpapier, een stuk ijzerdraad en reservelampjes. Die laatste had ik dikwijls nodig want mijn bromfietslampen sprongen nogal gewillig. Geregeld stond ik aan de kant van de weg te prutsen aan mijn machine. Maar altijd ben ik er mee thuis geraakt!

Als prille twintiger kon ik me gelukkig de aankoop van een nieuwe auto permitteren. Niks wees er toen op dat ik tien jaar later ook gedurig aan dit voertuig zou moeten sleutelen om het op de baan te houden. Maar dat is een ander verhaal. Voor een volgende keer.

Gedurende zowat een half jaar betrok ik met mijn vriendin een appartement in een Belgische provinciehoofdstad. Op zekere doordeweekse avond, besloten we naar de bioscoop te gaan. We reden met de auto vanaf onze verblijfplaats in de randstad, tot in het centrum.

In de centrumstraten vond ik niet meteen een parkeerplaats. Daarom reed ik binnen in een ondergrondse parkeergarage, in de buurt van het station. We kozen een aardige film uit. Welke dat was, kan ik me niet meer herinneren. Allicht viel ik, als naar gewoonte, halverwege de vertoning in slaap. Niet uit verveling, maar van vermoeidheid. Toentertijd had ik immers een bijzonder druk beroepsleven.

Na de film was ik in ieder geval klaarwakker, want ik stelde mijn partner voor om ergens in een café nog een slaapmutsje te gaan drinken. Toen ik een tweede drankje bestelde, attendeerde mijn vriendin me op het sluitingsuur van de ondergrondse autostalling. Ik was er echter van overtuigd dat die voor middernacht niet dicht ging.

Toen we een half uurtje later de gezellige, warme kroeg verlieten en we in de koele avondlucht terechtkwamen, overviel me een onheilspellend gevoel. Samen met mijn liefste spoedde ik mij door de verlaten straten, in de richting van de parkeergarage.

Het geluk lachte ons toe... dacht ik. Een auto kwam uit de garage gereden. De laatste voor die avond, zo werd even later duidelijk. Wij geraakten er niet méér binnen, laat staan dat ik de auto er buiten zou krijgen. Ik had me wel degelijk vergist. Op weekdagen was deze publieke garage bijlange na niet zo lang open als in het weekend, het moment waarop ik er dikwijls gebruik van maakte.

Dan maar met de tram naar huis, zei mijn partner. De auto stond daar veilig. We zouden die de volgende dag wel komen ophalen. Er zou wel veel moeten betaald worden, maar er zat niks anders op. We haastten ons dus in de richting van de dichtstbijzijnde tramhalte. Wat een geluk: daar stond net een tramstel. Maar tegen het moment dat we er aankwamen, was dat helaas al terug doorgereden.

En het was onze laatste kans geweest, zo bleek bij het overlopen van het in het tramhokje opgehangen rittenrooster. Er zat dus niks anders op dan te voet naar huis te keren. Dat had uiteraard ook zijn charme. We hadden onze avond evenwel liever op een andere manier afgesloten.

De volgende ochtend waren we vroeg uit de veren. We namen aan de halte, vlak voor onze deur, de tram naar het centrum en reden een dik half uur later met de auto de parkeergarage uit.

In zo een grote stad zie je trouwens soms rare dingen gebeuren. Zo zat ik eens op een zondagochtend in de auto te wachten, terwijl mijn partner bij de bakker stond aan te schuiven voor broodjes. Ik had er eerst géén erg in, maar toen ik op een raam een foto zag hangen van een halfnaakte dame met pluimen in haar achterste, realiseerde ik me dat we ons in een buurt bevonden waarin nogal wat cabaretzaken zijn gevestigd. Dat zijn trouwens veelal verdoken bordelen. Weet ik 'van horen zeggen'.

Plots zag ik daar, op de eerste verdieping van zo een etablissement, een raam open gaan. Een schichtig kijkende kerel verscheen in het vizier. Met zijn jas in de hand. Hij keek snel naar links en rechts, en vervolgens naar onder. Toen gooide de man één been naar buiten en wrong daarna ook zijn tweede been door de raamopening, zodat hij op de vensterbank kwam te zitten. Eén tel later duwde hij zich af en belandde meteen daarna op het trottoir.

De kerel stelde zich recht, stofte zijn kleren af en deed zijn jas aan. Hij keek nog één maal rondom zich en dan naar de gevel en het raam waarlangs hij het gebouw had verlaten. Vervolgens ging de man er haastig van door. De vraag of naderhand de achtervolging werd ingezet door iemand van het variététheater, moet ik helaas onbeantwoord laten, want inmiddels was mijn lief daar al, met een zak zalig ruikende verse broodjes, die we zo snel mogelijk thuis wilden gaan verorberen.

Ru(sh)di(e), 23 april 2006 (revisie op 1 mei 2009)

08-05-09

Rudi’s overdenkingen - Russische huwelijkskandidates

 

Vele jaren geleden maakte ik geregeld op een Engelstalige site een praatje met leeftijdsgenoten uit voornamelijk de Verenigde Staten van Amerika. Toentertijd vond ik dat best leuk. We wisselden ervaringen uit op zowel persoonlijk als professioneel vlak. Door allerlei factoren kwam het er niet meer van die website te bezoeken en de contacten gingen verloren.

De voorbije winter, op een sombere, donkere dag, had ik ineens heimwee naar die tijd, naar die praatjes. De site van toen vond ik niet meer terug. Uiteindelijk kwam ik na wat googelen, terecht op de chat van een datingsite. Vooraleer te kunnen chatten moest ik een persoonlijk profiel aanmaken. Ik worstelde mij er doorheen en plaatste er zelfs een foto bij. Toen ik eindelijk met chatten kon starten, bleek echter, in geen enkele discussiegroep, het voeren van een ernstig gesprek mogelijk te zijn. Dus was ik er, enigszins teleurgesteld, snel weg.

Een goeie week na die mislukte chat-sessie, kreeg ik in mijn elektronische brievenbus de melding dat er in de mailbox, verbonden aan mijn profiel op de datingsite, een bericht was toegekomen. Nieuwsgierig ging ik vlug een kijkje nemen. Toen ik het bericht opende werd in eerste instantie mijn aandacht getrokken door de foto van een knappe, langharige blondine. Uit het in slecht Engels opgesteld berichtje kon ik opmaken dat deze achtentwintigjarige Russische dame op zoek was naar een Europese huwelijkspartner. Afgaande op mijn profiel meende ze dat ik wel eens voor haar de ware zou kunnen zijn.

Alhoewel ik onmiddellijk mijn bedenkingen had, moet ik toegeven dat ik me toch enigszins gevleid voelde. Per slot van rekening had die knappe griet mij uitgekozen uit ik weet niet hoeveel kandidaten. Allicht was ik niet de enige kanshebber, maar ik lag in ieder geval in de goede schuif. Ik besloot te reageren, teneinde iets meer te weten te komen over dit meisje en haar beweegredenen.

In mijn profiel staat dat ik gehuwd ben en kinderen heb. Dat stelde ik in mijn antwoord nog eens duidelijk. En dat ik derhalve geen potentiële huwelijkspartner was. Olga liet zich hierdoor echter niet afschrikken en liet me weten dat ze ook was geïnteresseerd in een gewone vriendschap. Ik had daar zo mijn twijfels over. We stuurden nog een aantal berichten naar elkaar. Zo kwam ik te weten dat mijn correspondente alleen woonde in een kleine flat en ondanks een universitair diploma een armzalig kantoorbaantje had. Vader was als soldaat gestorven op het slagveld. En zij wou graag in staat zijn beter te zorgen voor haar moeder en haar nog thuiswonende broer. En een beter leven voor zichzelf. Niet in Rusland waar, naar ze schreef, de mannen enkel zuipen en hun vrouw slaan. Een leven in Europa was haar doel!

Toen ik Olga voorzichtig duidelijk maakte dat het leven in West-Europa ook niet steeds over een pad van rozen loopt en dat ze bij een eventuele migratie ook het taalprobleem, het verschil in cultuur en mogelijks het opduiken van heimwee, niet over het hoofd mocht zien, kreeg ik geen respons meer. En ik vond het best zo. Ik wist genoeg.

Aangezien het me toch niks kost behield ik mijn profiel op de datingsite. Sindsdien ga ik, telkens wanneer er enkele meldingen van nieuwe berichten in mijn mailbox zijn verschenen, een kijkje nemen.

Af en toe zit er een berichtje tussen van iemand die op zoek is naar een zakenpartner. Of een persoon die handelswaar heeft aan te bieden. Maar het gros der berichten betreft dames die op zoek zijn naar de ware. Voornamelijk twintigers en dertigers. Hun toekomstige mag meestal wat ouder zijn. Dat steekt niet zo nauw. Als hij er maar warmpjes bijzit. En met de vrouwtjes wil trouwen. Want ze azen uiteraard voornamelijk op een Europees paspoort. En een onbekommerd, luxueus leven. En wie kan het hen kwalijk nemen, die meiden uit vooral Rusland. Alhoewel, af en toe glipt er wel eens iemand met een andere nationaliteit tussen.

Zoals de exotische Nigeriaanse Tamy. Die wel ver gaat in haar pogingen om in Europa een echtgenoot aan de haak te slaan. De naar eigen verklaring oprechte en vredevolle dame, zond me een foto waarop ze haar in weinig verhullende kleding gestopte ebbenhoutkleurige lichaam verleidelijk etaleert. Ze schrijft verder een man te zoeken die relaties uitermate ernstig neemt en weet hoe een vrouw te behagen.

Maar de meeste mail is dus afkomstig van dames uit diverse lidstaten van de Russische federatie. Juliya, Alesya, Lena, Olga (nog één),.... Stuk voor stuk knappe grieten. En nagenoeg allemaal hebben ze een universitair diploma. Maar geen enkele van die intelligente modellen slaagt er in om zich in een deftig Engelstalig briefje voor te stellen. Vrij vertaald klinkt het steeds ongeveer als volgt:

"Dag, hoe jij?

Mijn naam is xxx. Tot mij, xx jaar, ik woon in Rusland, in de stad xxx.

Ik bestudeerde je structuur en wou zien dat jij de man bent die interessant genoeg is om te ontmoeten. Ik ben een harmonieuze jonge vrouw, sociaal en charmant. Ik zou graag meer verbonden worden met jou. En jou leren kennen is beter. Als je niet tegen mij bent om te communiceren, zal ik je brief verwachten.

Ik zal vooruit kijken!"

Deze kunstmatige zinsbouw, met veelal nogal wat onleesbare tekst en tekens ertussen, doet me vermoeden dat de dames geen gebenedijd woord Engels kennen en gebruik maken van vertaalrobots. Die vindt je tegenwoordig immers overal. Zelfs op het internet. Het zou me trouwens niet verbazen indien er een ganse organisatie zou schuilgaan achter die naar een huwelijk hunkerende vrouwen. Een bruidjesmaffia die gebruik maakt van de datingsite om Russische vrouwen legaal in Europa te krijgen! En die sturen wellicht berichtjes met afbeeldingen van mooie vrouwen naar alle West-Europese mannen die op de datingsite een persoonlijk profiel hebben aangemaakt. Er zal er af en toe wel één zijn die zich laat vangen, zeker?

Moeten er nog Russische bruidjes zijn? Ik heb de connecties!

Ru(sh)di(e), 14 april 2006 (revisie op 27 april 2009)

07-05-09

Rudi’s overdenkingen - Rijkswacht, politie, justitie & (on)gerechtigheid

 

Vorige week ontving ik een bruine envelop met als afzender het Parket van de procureur des Konings. Het angstzweet brak me uit! Wat voor nare tijding zou hier weer uit te voorschijn komen? Van een foutieve bestelling door de postbode was in alle geval geen sprake. In sierlijke letters stond wel degelijk mijn adres op de envelop geschreven.

Het viel nog mee! In de envelop bleek een brief te steken met een antwoord op mijn schrijven van een viertal maanden ervoor. Ik had daarin de heer procureur verzocht me te melden hoe ver het onderzoek stond inzake een verduistering van goederen, waarvan ik het slachtoffer was. Feiten die dateren van medio oktober 2000 en waarvan ik sinds het neerleggen van de klacht niks meer had vernomen.

En nu liet de voornoemde mij via zijn adjunct secretaris weten dat hij de eer had mij mede te delen dat hij besloten had het dossier te seponeren. De reden van deze beslissing: andere prioriteiten bij vervolgings- en opsporingsbeleid! Zo staat dat daar, zwart op wit. Voor zover mij bekend werd geen enkele onderzoeksdaad verricht, en dat terwijl de dader bekend is!

In die brief staat nog dat mij toestemming wordt verleend tot inzage van het strafdossier. Maar wat heb ik daar aan? Kosten maken voor een zaak die ik reeds heb verloren?

Een andere nare kennismaking met politie en gerecht betreft een voorval van een tiental jaar geleden. Op zekere dag stapten in mijn computerzaak twee individuen binnen. Een kleine geblokte en een lange magere. Neen, geen grap, geen verborgen camera; dit is realiteit!. De twee jongemannen stelden honderduit vragen en kochten voor een relatief beperkt bedrag aan computeronderdelen. Ze betaalden met een zakencheque, wat me niet verwonderde, want ik had door de etalageruit gezien dat die twee zich met een busje verplaatsten. En ze waren nogal sjofel gekleed, alsof ze op dit late namiddaguur recht van een bouwwerf kwamen. De leveringsbon werd getekend en ik noteerde tevens hun beider naam en adres, met het oog op het hen toesturen van mijn periodieke infofolder.

Een dikke week later werd het eerder bijgeschreven bedrag van de cheque, terug van mijn rekening gehaald. Reden: geen provisie! Ik vroeg de cheque op bij mijn bank en achterhaalde naam en adres van de uitschrijver. Vervolgens was het een koud kunstje om bij de inlichtingendienst van de telefoonmaatschappij het telefoonnummer van de betrokkene te achterhalen.

De man die mijn oproep beantwoordde kwam met de melding dat zijn cheques een week of twee eerder werden gestolen. Hij vond het vreemd dat iemand met één ervan handelswaar had gekocht in mijn winkel.

Hup, ik met cheque, leveringsbon en alle informatie die ik had naar de Rijkswacht, omdat ik van mening was dat ik bij hen nog het best af zou zijn om resultaat te boeken. Ik werd ontvangen door een vriendelijke inspecteur aan wie ik de bewuste cheque overhandigde. Het object werd onmiddellijk in beslag genomen. De inspecteur luisterde naar mijn verhaal en typte er op zijn computer een verslag over neer in een Proces verbaal, met vermelding van alle details die ik ter beschikking had.

Maanden, mogelijks zelfs een jaar, later, werd ik opgebeld door iemand van de Rijkswachtzone waarin de eigenaar der cheques zijn woonplaats had en die zodoende deze zaak in handen had. Of ik eens bij hen langs kon komen? Omdat dat voor mij niet onmiddellijk mogelijk was, werd voorgesteld dat zij zelf tot bij mij zouden komen. Daar kon ik uiteraard niks op tegen hebben.

Nog diezelfde dag stonden er twee vriendelijke Rijkswachters in mijn zaak. Ze hadden het volledige dossier mee, waaruit ze enkele foto's haalden. Of die personen me bekend waren? Ik antwoordde ontkennend. Dat verbaasde hen niks. Het waren foto's van de personen die beantwoorden aan de naam- en adresgegevens die de uitschrijvers van de gestolen cheque me hadden opgegeven. Valse data dus. Die mensen waren ondervraagd geweest door Rijkswachters van alweer een ander district en de uitgetypte verslagen daarvan waren opgenomen in het dossier dat daar op mijn receptietoog lag. Zij bleken met de ganse zaak geen uitstaans te hebben. Ik was trouwens niet het enige slachtoffer van de oplichterij. Bij een hele reeks handelaars langsheen de weg waar ook mijn zaak was gevestigd, en die door meerdere gemeentes loopt, werden diezelfde dag aankopen gedaan met gestolen cheques.

Ik vroeg aan de heren van de Rijkswacht of ze de eigenaar van die cheques hadden ondervraagd. En of ze van die persoon geen foto bij zich hadden? Op beide vragen volgde een ontkennend antwoord. Misschien zat die kerel er zelf wel voor iets tussen, opperde ik. Want hij had toch wel eigenaardig gereageerd toen ik hem aan de telefoon had. Zover hadden de mannen van de Rijkswacht nog niet gedacht.

Een week of zo later, het kunnen er ook twee geweest zijn, kreeg ik weer een Rijkswachtinspecteur aan de lijn met de vraag of ze nog eens langs mochten komen met wat foto's. Ik had daar uiteraard niks op tegen. Een uur later reed een Rijkswachtcombi mijn parking op en even later stonden terug die twee Rijkswachters voor me. Met een A4-blad waarop met heel wat goede wil, kris kras door elkaar, zwart-wit kopijen vielen te ontwaren van diverse manspersonen. Of ik in één van de afgebeelde figuren, één van de personen herkende die toentertijd in mijn winkel waren geweest? Die kleine zag ik onmiddellijk, van die grote was ik niet zeker. Toch juist gezien! De uitschrijver van de cheques was de eigenaar ervan! Die had 's ochtends aangifte gedaan van diefstal van zijn cheques en ze vervolgens de rest van de dag op diverse plaatsen verzilverd.

Die kerel was trouwens niet aan zijn proefstuk toe, zo werd me gezegd. Hij bleek al één en ander op zijn kerfstok te hebben. Een ware beroepsmisdadiger. En bovendien moeilijk te klissen. De Rijkswachters zegden me dat, zolang ze géén materiële bewijzen hadden, ze die kerel niet tot een ondervraging konden dwingen. Ze nodigden die uit voor een ondervraging in het kader van een onderzoek, maar zulke kerels stuurden meestal hun kat en oppakken bleek niet te zijn toegestaan.

Toen ik op zeker moment bericht kreeg dat de zaak voor de rechtbank van eerste aanleg kwam, heb ik die tijding gewoon naast me neergelegd. Kosten maken voor een (dure) advocaat en een hoop administratie om iets dat waarschijnlijk toch op niks zou uitdraaien? Mij niet gezien! Het klungelige onderzoek had mijn vertrouwen in Rijkswacht, politie & justitie geen deugd gedaan.

Van méér recent dateert de kwestie rond een strafklacht met burgerlijke partijstelling. Mijn raadsman legde die klacht neer bij de procureur begin mei vorig jaar. Kort daarna stonden twee politieagenten aan mijn deur om dit te verifiëren. Dat gaat goed, én snel, dacht ik. Wat ik minder vond was dat ik aan mijn advocaat een provisie moest betalen, die hij diende door te storten aan het parket, want zonder centen beginnen die onderzoekers niet aan hun werk, zo werd me gemeld. Dus wie arm is kan via justitie geen gerechtigheid bekomen?

Toen ik begin dit jaar nog steeds niet het genoegen (?) had gehad een onderzoeksrechter bij me over de vloer te krijgen, informeerde ik bij mijn raadsman naar de stand van zaken. Bleek dat de procureur geweigerd had de strafklacht ontvankelijk te verklaren, omdat de zaak volgens hem was verjaard!

Inmiddels had mijn advocaat een specialist ingeschakeld om met bewijzen van het tegendeel voor de dag te kunnen komen en was hij zelf op zoek gegaan naar precedenten. In een omstandige brief werd dit alles ongeveer een maand geleden aan de procureur bezorgd als bewijs dat hij fout was! En nu maar wachten op actie. Waar gaat dat heen?

Vertrouwen in justitie? Gerechtigheid? Ik geloof er al lang niet meer in!

Ru(sh)di(e), 6 april 2006 (revisie op 27 april 2009)

06-05-09

Rudi’s ontboezemingen - struisvogeltactiek

 

Enkele dagen terug las ik enkele artikels met betrekking tot enerzijds mensen die hun kind of partner verloren door een ziekte of ongeval en anderzijds personen met een handicap en hoe hun omgeving daarop reageert. Er zijn heel wat parallellen te trekken tussen beide situaties. Alles kwam me weer nogal bekend voor. Omdat ik reeds eerder dergelijke verhalen hoorde en las en tevens omdat ze zo gelijklopend zijn met wat ikzelf continue ervaar.

Mensen die een familielid verliezen door om het even welke oorzaak, moeten dat van zich afzetten, verder gaan met hun leven. Eens melancholisch terugblikken op één van die zalige momenten samen, met het overleden familielid, of herinneringen ophalen uit die tijd, wordt door hun omgeving doorgaans niet getolereerd. Praten over wijlen kind, vader, oma of partner wordt aanzien als een teken van onverwerkt verdriet, en daar kan de omgeving niet mee omgaan, dus mag het niet!

Een zelfde fenomeen doet zich voor bij mensen met een handicap of ouders van een gehandicapt kind. Men vraagt wel hoe het met hen gaat, maar 'slecht' is een ongeaccepteerd antwoord. Je beklag doen over allerlei fysische kwalen, of praktische problemen als gevolg van de handicap, mag niet. Er zelfs naar waarheid gewoon melding van maken wordt niet geduld. Neen, dat wordt aanzien als een teken dat de handicap nog niet is verwerkt en daar kan de omgeving niet mee omgaan, dus mag het niet!

Ondertussen moeten zij die de leegte voelen die de afgestorvene heeft achtergelaten en zij die gebukt gaan onder de last van het beperkt functionerend lichaam van zichzelf of van hun kind, wel gedurig de klaagzang aanhoren van futiele lichamelijke kwalen waar hun gesprekspartner of iemand uit diens omgeving door wordt 'geplaagd'. Een zere rug, een aanhoudende verkoudheid, de pijnlijke wratten van oom Albert of de oh zo verschrikkelijke migraine van de bejaarde buurvrouw.

De grote massa kan niet omgaan met de gevoelens en uitingen die gepaard gaan met het verlies van een persoon of van lichamelijke of geestelijke functies. Dus moet er over gezwegen worden.  Liever stopt men zijn of haar kop in het zand en doet men alsof er niks aan de hand is. Hoe erg moet het niet zijn als je jouw levensgezel verloor en daar nooit meer eens met iemand over kan praten. Of als mama van een gehandicapt kind moeten ervaren dat men doet alsof je kind niks mankeert. Want het ziet er toch goed uit?! In plaats van die mensen te steunen door hen aan te zetten tot het luchten van hun hart. En bij personen met fysieke beperkingen, zo ervaar ik zelf, wordt de last ook voelbaar minder als men eens over zijn of haar handicap kan praten. Maar het aantal mensen bij wie dit kan is doorgaans uiterst beperkt. Zelf kan ik gelukkig veel kwijt in mijn schrijfsels. Veel van mijn lotgenoten beschikken echter jammer genoeg niet over zulk een uitlaatklep.

Ru(sh)di(e), 4 april 2006 (revisie op 27 april 2009)

05-05-09

Rudi’s ontboezemingen - Handel via het Internet

 

Als twintiger startte ik een handelszaak, die tien jaar later was uitgegroeid tot een bloeiende onderneming. Het duurde na die fatale foute operatie in 2000, waarbij ik verlamd werd, geruime tijd voor duidelijk werd dat ik het hospitaal het eerstvolgende jaar niet zou verlaten. Wat wel snel duidelijk werd was het feit dat zonder mij aan het roer, dit schip gedoemd was tot zinken.

In theorie had ik alles zo geregeld dat ook zonder mij de zaak probleemloos kon draaien. In de praktijk viel dat echter behoorlijk tegen. Ik werd het slachtoffer van een vertegenwoordiger die zich nog steeds door mij liet betalen, terwijl hij inmiddels reeds elders aan het werk was. Kreeg te maken met diefstal van handelswaar door medewerkers en misbruik van vertrouwen door leveranciers en zakenpartners. Mijn zorgvuldige administratie veranderde, zoals naderhand bleek, in een chaos. Om maar enkele voorbeelden te geven van wat er zoals misliep tijdens mijn afwezigheid.

Dit alles leidde ertoe dat ik, een half jaar na mijn ziekenhuisopname, de beslissing nam alle handelsactiviteiten stop te zetten en mijn firma op non-actief te plaatsen.

Een deel van de overgebleven voorraad werd naderhand aan spotprijzen verkocht op allerhande beurzen, de resterende goederen stonden opgeslagen in wat vroeger de winkelruimte was, maar momenteel wordt gebruikt als studeerkamer.

Reeds meermaals verhuisden die spullen van de ene kast naar de andere, tot ik in de zomer van vorig jaar alle nog verkoopbare spullen in bakken en dozen liet stoppen en mijn kinderen de kans gaf te trachten wat zakgeld te verdienen door deze waren te slijten op de plaatselijke wekelijkse rommelmarkt. De verkoop viel best mee, maar dit avontuur was niet onmiddellijk voor herhaling vatbaar. Om een goeie plek op de markt toegewezen te krijgen moet je immers reeds tegen een uur of zes ter plaatse zijn. En het is niet eenvoudig zulks te regelen als je voor alles van derden afhankelijk bent.

Sindsdien stonden de dozen en boxen voortdurend in de weg. Meermaals kwam ik er bij het manoeuvreren in de studeerkamer mee in aanrijding. Begin dit jaar kreeg ik dan het, naar ik toen dacht, lumineuze idee de spullen via ebay aan te bieden op het internet. Het systeem leek me degelijk en veilig. Je hebt wel van meet af aan kosten aangezien je moet betalen voor de plaatsing van je annonces. Maar dat wordt niet verheeld, zodat je daar als verkoper rekening mee kan houden.

Ik toog aan het werk door elk object dat ik wou aanbieden, van een titel en een omschrijving te voorzien en er een  digitale foto van te laten nemen. Daarna publiceerde ik elk object op het internet als aanbieding onder veilingvorm. De minimum verkoopprijs hield ik voor elk aanbod op één Euro.

Ik liet elk object wegen zodat ik de vermoedelijke portkosten kende, welke ik verhoogde met een forfaitair bedrag voor verpakking en behandeling. Ze mochten die goederen wel voor een symbolisch bedrag van me overnemen, maar ik was niet van plan geld in te steken aan deze operatie. Onder de noemer 'vervoerkosten' werd dit bedrag op de objectfiche genoteerd, met de melding erbij dat er een korting gold bij aankoop van meerdere objecten binnen een welbepaalde periode. Ik kon deze korting, welke ik zelf vaststelde op anderhalve Euro, ingeven in het systeem van de veilingsite.

Duidelijkheid en gebruiksgemak troef, dacht ik. Ook de gewenste betalingssystemen konden worden aangeduid. Ik opteerde voor 'bankoverschrijving' en liet me vangen om ook in te schrijven op 'Paypal', een betalingservice van ebay. Ik gaf op de fiches ook aan deze laatste betalingsmethode te prefereren. Veiligheid door het niet moeten doorgeven van bankgegevens was mijn motivatie hiervoor.

Het verkopen liep vlot. Bij het verlopen van de veilingperiode kreeg ik de ene melding na de andere over verkochte objecten. Met enkele muisklikjes kon ik de koper melden welk het exacte bedrag was dat hij of zij me diende te betalen. Had een zelfde koper meerdere aankopen gedaan, dan bood het systeem me de mogelijkheid hier een globale rekening voor door te sturen. De vooraf door mij bepaalde korting op verzendkosten werd automatisch in mindering gebracht.

Makkelijk zat, denk je dan. Maar toen kwamen de addertjes onder het gras vandaan. Een betaling die via een kredietkaart op mijn Paypal account was gestort, kon pas geïnd worden als ik mijn gratis rekening zou upgraden naar een 'Premier' account, waar men van elk binnenkomend bedrag een stukje afknabbelt, onder het mom van een 'vergoeding voor transactiekosten'. Dat zij ook geld verdienen aan het door hen beheerde geld, maar de klant geen intresten uitbetalen, daar stoort niemand zich blijkbaar aan. Soit. Ik had die ene persoon zijn geld nog maar net geweigerd en hem vriendelijk verzocht een andere betalingswijze te kiezen, of er waren er alweer twee die op dezelfde manier hadden betaald, mét een betaalkaart. Dus besliste ik om toch maar naar een 'Premier' rekening over te stappen. Met de voormelde financiële consequenties van dien.

Een volgende klant zou zijn pakje wel eens komen afhalen, maar accepteerde gelukkig dat ik daarmee niet akkoord ging. Want ik weet hoe dat gaat. Afspraken die telkens worden verplaatst, de koper die de waar eerst eens grondig wil inspecteren en dan ook nog probeert iets van de verkoopprijs af te doen. Niet aan mijn voordeur!

Een Franstalige landgenoot betaalde één Euro voor iets dat hij gemakkelijk voor vijfentwintig keer méér kan doorverkopen, maar trachtte me toch nog te bedriegen door zichzelf korting toe te kennen. Ik liet hem weten geen zaken te willen doen met profiteurs en stortte zijn geld terug. Hij zond me een ganse brief om zijn houding te vergoelijken, maar stortte wel opnieuw centen, het juiste bedrag deze keer. Maar omdat ik inmiddels van mijn Paypal rekening een Premier exemplaar had gemaakt, verloor ik daar aan commissie wat die vent de eerste keer te weinig had betaald. Ik wou volharden in mijn boosheid, maar het pakje lag al twee weken klaar, dus heb ik het toch maar opgestuurd. Mensen toch. Dat doet een gouden zaak, maar neen, da's nog niet genoeg. Die willen proberen het onderste uit de kan te halen.

Iemand meldde me een DVD te hebben ontvangen met krassen op. Hij wou eerst zijn geld terug en zou me dan de gekraste schijf terugbezorgen. Hoewel ik weinig geloof hechtte aan zijn verhaal, zond ik hem toch een ander exemplaar, en liet de klant daarbij weten dat hij ook de beschadigde disc mocht houden. Sindsdien heb ik niks meer van die kerel gehoord. Dat zegt genoeg, niet?

Iemand anders bood op verschillende van de door mij aangeboden objecten en plaatste het hoogste bod. Vooraleer ik haar de eindafrekening kon doormailen, had ze zelf al bepaald hoeveel ze wou betalen en dit te lage bedrag op mijn bankrekening gestort. Ik vroeg haar vriendelijk ook het saldo te betalen, maar dat wou ze niet. Ze vond dat ik te veel vroeg voor verpakking en verzending van de goederen. In plaats van gewoon het gevraagde bij te betalen, probeerde ze eerst af te dingen. Na mijn njet hierop wou ze vervolgens zelf de goederen af komen halen, en omdat ik ook dit niet wou, verlangde ze uiteindelijk van mij dat ik het pakje zou opsturen 'port betaald door de geadresseerde'. Jakkes, wat een gedoe, en dat voor enkele Euro's.

Aan elk ebay lid is een waarderingsforum verbonden. In theorie zorgt dit voor een sluitend systeem. In de praktijk durft echter nauwelijks iemand kritiek te geven op een ander, uit vrees ook zelf negatieve feedback te krijgen van deze, waardoor de tegenvallende transactie ook nog eens een smet zou leggen op de gehele eigen account.

Per email ontving ik van ebay mijn eerste, gedetailleerde factuur. Er werd een betalingstermijn aangeboden die liep tot het einde van de maand. Ik besloot echter niet zo lang te wachten met betalen en prepareerde de overschrijving via online banking, met uitvoeringsdatum ruim een week voor de vervaldag. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik een eerste betalingsherinnering ontving, voor de vervaldag, terwijl het bedrag inmiddels reeds op hun bankrekening was overgeschreven!

Vanaf die dag kon ik op hun site niet meer aan mijn persoonlijke gegevens vooraleer ik kennis had genomen van een beeldvullend bericht waarin me werd gesommeerd aanstonds de openstaande factuur te betalen. Toen ik gisteren alweer een aanmaning ontving, antwoordde ik meteen reeds méér dan een week geleden te hebben betaald. Deze ochtend stak hun antwoord in mijn elektronische brievenbus. Ze hadden inderdaad afgelopen week mijn betaling ontvangen. Waarom maanden ze mij dan jandorie gisteren nog aan tot betalen en dreigden ze met het bevriezen van mijn activiteiten?

Ebay? Voorlopig heb ik er mijn buik van vol!

Ru(sh)di(e), 3 april 2006 (revisie op 27 april 2009)

04-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - Vrome Christen mens

 

Een held ben ik hoegenaamd niet. Soms gedraag ik me evenwel als één. Mijn rechtvaardigheids- en eergevoel zijn immers véle keren groter en sterker dan mijn lafheid. Dat is altijd al zo geweest en het zal waarschijnlijk steeds zo blijven.

Zo was ik op zeventienjarige leeftijd, op een zaterdagavond, als naar gewoonte, met mijn vrienden en vriendinnen aanwezig op een fuif, in een buurtgemeente van de stad waar ik toen woonde en trouwens nog steeds woon. De organisatie was in handen van een professionele mobiele muziekstudio, die ook de lichtshow verzorgde. Het gebeuren vond plaats in een sporthal, die bijna wekelijks werd verhuurd voor de inrichting van wat wij toen noemden 'TD's.'

Na enig dansen op de dansvloer ging ik met enkele vrienden voor het podium staan, waarop de muziekinstallatie stond opgesteld. Vanuit die positie hadden we een excellent zicht op wat er zich op de dansvloer afspeelde en konden we bovendien meisjes spotten, met wie we later die avond wel eens een trage wilden dansen. We stonden daar eigenlijk nog maar net, toen één van de deejays aan de ganse rij vooraan kwam verzoeken om niet meer op het podium te gaan zitten of er tegen aan te leunen. Blijkbaar waren enkele jongens even daarvoor nogal wild te keer gegaan, wat problemen veroorzaakte met de naalden van de platenspelers. Toentertijd werden immers nog steeds vooral vinylschijfjes gedraaid.

Sommige jongeren gingen elders staan. Mijn vrienden, ik en een aantal anderen zetten gewoon een flinke stap vooruit. Een roodharige kerel, van naar ik schatte vooraan in de twintig, en daarmee een flink stuk ouder dan het gros der fuifbeesten, die ik even daarvoor had opgemerkt, leunend tegen het podium, kwam zwalpend op me af. Met dubbele tong, als gevolg van overmatig drankgebruik, zei hij dat ik van het podium weg moest gaan. Ik repliceerde dat ik het podium niet aanraakte. En, om hem dit als het ware aan te wijzen, keek ik in de richting van de leegte tussen mijn corpus en het podium. Op het moment dat ik mijn gezicht langzaam terugdraaide, haalde hij uit met zijn rechtervuist en een tel later incasseerde ik een flinke mep op mijn linkerwang. Het duizelde even voor mijn ogen en ik wankelde op mijn benen.

Mijn eerste gedacht was om die kerel terug te slaan. Ik maakte zelfs aanstalten daartoe, maar mijn vrienden hielden me tegen. Die kerel lachte inmiddels schamper en liet uitdagend zijn vuisten zien. Nagenoeg iedereen die op de fuif aanwezig was, troepte samen rondom ons. Mijn grijze hersencellen, licht beneveld door de enkele glaasjes bier die ik die avond reeds had gedronken, trachtten een oplossing te bedenken om een einde te maken aan deze voorstelling, zonder de avond helemaal te bederven.

Die andere ook een klap geven betekende geheid oorlog. Droop ik af, dan zou ik een enorm gezichtsverlies lijden en in de toekomst de boksbal zijn van elke klootzak die zich eens wou uitleven. Gelukkig kreeg ik de fantastische ingeving om me uit de handen van mijn vrienden los te werken, uitdagend voor die kerel te gaan staan en hem stoer, met de kin omhoog, mijn andere wang aan te bieden, door er met mijn rechter wijsvinger naar te wijzen. Mijn aanpak werkte: die kerel droop grijnzend af.

De volgende ochtend, in de praktijk reeds enkele uren na mijn avondje uit, woonde ik, devote Christen, slaapdronken de vroegmis bij in onze dorpskerk. Op zeker moment hoorde ik de celebrant volgende woorden uitspreken: "Jezus zegt: 'als iemand je een klap in je gezicht geeft, biedt hem dan ook de andere wang aan.'" Meteen was ik klaarwakker.

De voorganger vervolgde: "Want is er een krachtiger manier om de werkelijkheid van deze wereld te ontkennen dan door je andere wang aan te bieden? Je zegt dan: 'een klap in mijn gezicht is niet belangrijk. Met mij, het bewustzijn van liefde, is niets gebeurd. En dus is de klap niet belangrijk.' En zo vergeef jij je broeder die nog niet zoveel weet als jij, en ben je in staat om, ondanks de klap, met hem in éénheid te treden. Is er een krachtiger manier dan dit om deze wereld te ontkennen en je zo klaar te maken voor de wereld van God?" Ik dacht: "Allé, als het van God, Jezus en onze pastoor afhangt, ben ik dus goed bezig!"

Een tweetal weken later was ik terug aanwezig op een fuif, in dezelfde gemeente, op dezelfde locatie en met alweer dezelfde mensen die voor de muzikale omlijsting zorgden. Ik was, vlak naast de dansvloer, gezellig met enkele vrienden aan het babbelen, toen ik ineens die rosse terug op me af zag komen. Ik hield mij aanstonds gereed om een aanval af te slaan en balde mijn vuisten om zelf meppen uit te kunnen delen, want ondanks alles zou ik me deze keer niet laten aftroeven. Liever een slechte Christen, dan een goeie met een blauw oog of een bloedneus.

Die man, blijkbaar nuchter deze keer, opende echter zijn armen, toverde een brede glimlach op zijn gelaat en kwam zo tot vlak voor me staan. Hij nam me vast en bracht zijn hoofd dicht tot bij het mijne. Even vreesde ik dat het voorgaande show was geweest om me nu een flinke kopstoot te kunnen verkopen, maar die vrees bleek ongegrond. Die kerel hield met zijn beide handen mijn bovenarmen stevig beet, terwijl hij, boven de muziek uit, in het plaatselijke dialect, in mijn oor brulde: "Jij bent mijn vriend, hé?! Jij bent mijn vriend!", waarna hij mij enigszins verbaast achterliet en als gelukzalig knikkend zijn eigen kliekje opzocht. De man heeft mijn vrienden en mij daarna nooit meer lastiggevallen.

Ru(sh)di(e), 24 januari 2006 (revisie op 27 april 2009)

03-05-09

De avonturen van Rudi & Co - alweer een deel

 

Sinds zowat driekwart jaar oefen ik, met de hulp van een logopediste, mijn adembeheersing en spreekkwaliteit. Door die verlamming bedraagt mijn longcapaciteit immers slechts de helft van wat het voor een persoon van mijn leeftijd en gestalte zou moeten zijn, en nu tracht ik daar door oefenen en het gebruik van spreektechnieken, het maximale uit te halen.

Tijdens die stemoefeningen bleek dat ik een spraakgebrek heb. Ik was me daar totaal niet van bewust. Niemand heeft het me ooit gezegd en zelf had ik er blijkbaar nooit op gelet. Sommige letters spreek ik soms verkeerd uit: 'S' in plaats van 'Z', 'F' waar het 'V' moet zijn, en zo meer. En blijkbaar ben ik niet de enige die zulks doet.

Gisteren woonde ik, samen met mijn zoons, de eucharistieviering bij in de kerk, gelegen in het centrum van onze woonplaats. De celebrant had het er in zijn homilie over dat het tijd wordt dat gelovigen terug durven uit te komen voor hun overtuiging. Dat ze het Woord van Jezus Christus uitdragen, en dat, en hij herhaalde het een aantal keer: in naam van de 'Geilige Geest'!

Woensdag jongstleden was ik in het voetbalstadion van 'Sporting Lokeren'. Ik volgde de wedstrijd van de thuisploeg tegen Sint-Truiden in de 1/8 finale voor de 'Beker van België'. De kinderen had ik thuis gelaten, want op een schooldag horen die in bed te liggen op het uur dat de match aanving, zijnde acht uur 's avonds. Lokeren won de wedstrijd, met nogal wat geluk, en stoot als gevolg daarvan door naar de kwartfinales, waar het zal moeten optornen tegen provinciegenoot Gent.

Dat voor wat het sportieve gedeelte van de avond betreft. Ik wil immers melding maken van een incident dat plaatsvond naast de grasmat. Omdat er elders geen plaats voor me is, had ik naar gewoonte plaatsgenomen in de dug-out naast deze van de bezoekende club. Voor wie dat niet kent: een dug-out is een schuilhok met daarin (klap)stoelen, waarop doorgaans trainer(s), dokter, verzorger(s) en wisselspelers plaatsnemen, zodat ze enigszins beschut zijn tegen koude, regen en wind. In Lokeren hebben ze er dus ook zo eentje voor de 'mindervaliden'.

Toen ik arriveerde zaten er in 'het onze' reeds enkele mensen. Een oude heer in een manuele rolstoel, een valide oudere dame die zichzelf opwerpt als verantwoordelijke voor wat er in het invalidenschuilhok gebeurt en haar mentaal gehandicapte zoon van naar ik schat een jaar of vijfenveertig. Nadat ik hen gedag had gezegd en plaats had genomen voor de klapstoeltjes, kwam daar nog een dame bij met haar fysiek en mentaal beperkt zoontje, en wat later ook een jongeman met een meervoudige handicap, allen habitués.

Net voor de rust stond daar ineens die man in zijn rolstoel naast me. Die wou waarschijnlijk naar het toilet. Hij vroeg me plaats te maken, zodat hij me op de betonstrook kon passeren. Ik zag niet direct een uitweg, plaatste me een beetje schuin, zodat hij toch kon passeren, zonder op het gras te moeten rijden. Toen hij een minuut of vijf later terug kwam, ze ik: "Wacht, ik rij vooruit, dan heb je méér plaats om te passeren", maar die vent wou blijkbaar niet luisteren, want voordat ik mijn machine in beweging had gezet, reed hij me al voorbij: zijn twee linkerwielen op de betonstrook, zijn rechterwielen op het gras. Toen hij het betonvak wou oprijden, bleef zijn rolstoel steken. De man sloeg in paniek - voor zoiets idioots! - en riep om hulp. De zoon van de 'bazin' snelde meteen toe en duwde de oude in zijn kar het beton op.

Maar daar hield het niet bij op. De zoon keerde zich met een op onweer staand gezicht tot mij en brulde: "Niet profiteren, hé! Ik zal het zeggen tegen de bazen, hoor!" Ik waande me even in een kleuterschool. Ik wachtte even, verwachtend dat moeder hem tot de orde zou roepen, maar toen dat niet gebeurde, repliceerde ik dat hij zijn manieren en mond moest houden, en dat hij, als het hem niet aanstond, maar thuis moest blijven. Maar dat drong, zo denk ik, niet tot hem door.

Nu heb ik absoluut niks tegen mensen met een beperkt geestelijk vermogen. Ze kunnen er meestal zelf niet aan doen dat ze zo zijn. Maar dat geeft hen mijns inziens niet het recht om andere mensen te ambeteren. En als men weet dat zij zelf geen controle hebben over hun gedrag, dan moet hun begeleider hen maar in toom houden.

Tijdens de rust reed ik naar die man in zijn rolstoel toe en zei hem in het vervolg te wachten tot ik plaats maak, vooraleer me te passeren. De man zei dat hij me toen niet had verstaan. De moeder en de zoon, die naast de man zaten, hielden zich stil. Ik zweeg ook, want ik had geen zin in nog méér commotie. De meervoudig beperkte jongen kwam na de rust niet meer tussen ons zitten. Die nam plaats op een stoeltje, wel tien meter verder. Die vreesde allicht voor nog méér opschudding.

Ik kwam reeds eerder in aanvaring met het volk dat doorgaans de invaliden dug-out bemand. Ze zitten daar de lucht te bezoedelen met hun rookwaar, slaken oerkreten en zijn als de dood voor 'de bazen van boven': de voorzitter en zijn gevolg'. Maar als mijn zoons wat kabaal maken met hun claxons, beginnen ze te zagen. En als mijn rakkers wat staan te springen en meezingen met de leden van de spionkop, dan klagen ze ook dat ze niks zien en zijn ze, onterecht, bang dat de 'bazen van boven' hun ganse groep buiten het hek zal zetten.

Gelukkig gebeuren er ook wel eens leuke dingen als ik me onder de mensen begeef. Zoals op tweede Kerstdag, toen ik met mijn gezin een Kerstfeestje bijwoonde. We hadden ons net geïnstalleerd aan een tafeltje, toen iemand zachtjes op mijn arm tikte. Ik keek op en zag een klein meisje staan. Ze zei glimlachend "Dag mijnheer" en wuifde me toe met het handje dat me even voorheen had aangeraakt. Ik beantwoordde haar groet breed glimlachend. Ze huppelde olijk weg. Mijn echtgenote vroeg me of ze een reden had tot ongerustheid. We barstten samen in lachen uit.

Het is eens iets anders, die aandacht van kleine meisjes. Tot voor kort waren het vooral dames van rijpere leeftijd die me aandacht schonken. En ik nam daar genoegen mee. Maar daar is recentelijk dus verandering in gekomen. Zo kreeg ik eind december Kerstkaartjes van twee klasgenootjes van mijn zoons. Omdat ze weten dat ziek zijn niet leuk is en ze hopen dat ik spoedig weer beter word. IJdele hoop, helaas, maar hun gebaar ontroerde me wel. Kindjes van acht, die oog hebben voor het leed van een medemens. Het stemt me hoopvol voor de toekomst.

Ru(sh)di(e), 24 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)

02-05-09

De avonturen van Rudi & Co, een tragische week

 

Het is me weer een week geweest. Maandag, na het ochtendtoilet, dat bestaat uit een wasbeurt en aankleden op bed, wou mijn verpleegster me van mijn bed, in mijn rolstoel plaatsen. Die transfer gebeurt middels een draaischijf. Ik word op de rand van mijn bed gezet, mijn voeten op de draaischijf, de verpleegster duwt haar knieën tegen de mijne, ik kom recht, waarna ze me een kwartslag draait, zodat ik in het naast mijn bed opgesteld vehikel beland. Als alles goed gaat, tenminste. Wat vandaag dus niet het geval was. De verpleegster struikelde bij het draaien over haar eigen voeten, verloor haar evenwicht, viel, en sleurde mij mee in haar val.

Mijn lichaam ving ze op met het hare, maar mijn voorhoofd botste nogal onzacht tegen de stenen vloer van mijn living. Daar lagen we dan. Mijn voorhoofd bloedde hevig, maar ik voelde geen pijn. Eén van mijn zoontjes, die aan de ontbijttafel zat toen het accident gebeurde, snelde meteen ter hulp. We verzochten hem zijn mama te halen. Die was even later bij ons, samen met mijn andere zoontje. Inmiddels was de verpleegster, die zelf niet gewond was, onder me vandaan gekropen, had me in een iets comfortabeler positie gelegd, en ondersteunde mijn bovenlichaam en hoofd.

De verpleegster en mijn echtgenote tilden me op en plaatsten me in mijn rolstoel. Ik had er wel nood aan even te bekomen. Naar verluid vertoonde mijn voorhoofd een diepe snee van enkele centimeters lang. De verpleegster depte het bloed, reinigde mijn voorhoofd, kleefde een pleister op de wonde en zei dat ik ze zeker moest laten hechten. Het toeval wou dat ik, voor het weekend, met mijn huisarts een afspraak had gemaakt voor een huisbezoek op deze maandagochtend. Dat scheelde alweer een telefoontje.

Toen ik terugkwam van het naar school brengen van mijn tweeling, stond mijn kinesist reeds op me te wachten. Ik vertelde hem wat er was gebeurd en  vroeg of hij dacht dat de wonde gehecht zou moeten worden. Aangezien de jongeman toch reeds geruime tijd actief is als verzorger van de spelers van een voetbalclub in eerste klasse, veronderstelde ik immers dat hij wel enige ervaring zou hebben met (snij)wonden. Hij vond dus ook dat het gat best zou worden genaaid en vroeg langs zijn neus weg of we de wonde toch wel hadden ontsmet.

Daar hadden we echter, in alle consternatie rond het gebeuren, nog niet aan gedacht. Mijn vrouw kwam onmiddellijk met een flesje ontsmettingsmiddel, maakte het wondpleistertje langs één kant los en spoot wat van het spul op het letsel. Ik schreeuwde het uit! De kinesist keek me verschrikt aan. Mijn eega niet; die kent me te goed en zei: "Dat kan géén pijn doen, want er staat op het flacon dat het middel niet prikt!" Ik toverde op mijn gezicht een brede grijns, want uiteraard had ik die pijn geveinsd. Maar het product prikte me wel onaangenaam. Misschien omdat de snede te diep was?

Mijn assistente arriveerde en zag de pleister op mijn hoofd. Ze vroeg of ik op mijn hoofd was gevallen. Ik repliceerde met de wedervraag of ze daar dan, in al die tijd dat ze reeds voor mij werkte, nog nooit iets van had gemerkt? We lachten, waarna ik haar een omstandig relaas van het gebeurde verhaalde.

Ik deed mijn werk tot de dokter kwam. Liet deze eerst kijken naar de wonde op mijn voorhoofd en besprak daarna de zaken waarvoor ik hem had ontboden. Eens we rond waren, bezwoer mijn huisarts me om me zo snel mogelijk naar de spoedopname van ons plaatselijk ziekenhuis te begeven. Ik werkte echter eerst af waar ik mee bezig was geweest en vertrok daarna pas richting hospitaal.

Op mijn weg erheen reed ik eerst nog even langs bij de apotheek, zodat het middag was vooraleer ik in de kliniek arriveerde. Ik verzocht een passant de deur voor me te openen en meldde me aan bij de receptie. Terwijl de dame die het onthaalloket bemande mijn SIS- kaart in ontvangst nam, deelde ik haar de reden van mijn komst mee. Na inschrijving leidde ze me tot aan de spoed.

Daar werd ik overgedragen aan de zorgen van een vrouwelijke verpleegkundige, die de 'dokter van wacht' voor me opbelde. Ik werd alleen gelaten in de ruimte waar ik bijna twee jaar geleden ook was heengebracht, na die aanrijding door een vrachtwagen. Na enkele minuten werd me verzocht door te rijden naar een ander lokaal. Ik zei dat ik dat geen probleem vond, want dat ik zo de ganse afdeling te zien kreeg. Net toen ik klaar was met me volledig achterover te leggen in mijn stoel, arriveerde de dokter.

De verpleegster bracht zo een spiegelschijf met verschillende lampen in, zoals ze bij operaties gebruiken, dichterbij en plaatste ze over mijn hoofd. Dat ontlokte bij mij de uitspraak: "Allé, door dit voorval kom ik in ieder geval nog eens in de schijnwerpers te staan." De arts en de verpleegster lachten. Er werd een groene doek met een rond gat in, op mijn hoofd gelegd, en de spot werd aangeknipt. Met een spuitje verdoofde de dokter de zone rond de wonde. Zoals de verpleegster had voorspeld, veroorzaakten de prik van de naald en het inspuiten van de vloeistof, enige pijn, maar dat was slechts voor heel even.

De chirurg naaide vakkundig het gaatje dicht, waarna hij zijn assistente opdracht gaf er een klever op te plakken. Ik zei nog: "Een zwachtel rond mijn hoofd mag ook", maar zij nam die uitspraak niet ernstig, glimlachte even en kleefde, om de wond te bedekken, op mijn voorhoofd zo één van die transparante klevers waar in 't midden een stukje gaas zit.

Omdat de wonde blijkwaar weer even aan het bloeden was geweest, waardoor het wonddoekje een beetje rood was gekleurd, zei de verpleegster die me 's avonds kwam verzorgen en in  bed leggen, dat ze het jammer vond dat ze zelf niet zo'n wondklevers bij zich had. Ik niet. Zo een bebloede plakker op mijn hoofd stond best cool, vonden mijn kinderen. Bovendien gaf het mijn uiterlijk een enigszins dramatische look. En, nooit om een grap verlegen, had ik daarmee alles in handen, om de dag daarop, toen ik een afspraak had in het atelier van mijn rolstoelleverancier, enige lol te beleven.

De volgende dag, dinsdag dus, verliep alles conform het scenario dat ik in gedachten had. De bandagist en de technieker van de rolstoelhandel waren mijn eerste slachtoffers. Ze zagen de plakker op mijn hoofd, en het bloed, en vroegen me wat er was gebeurd. En ik vertelde droogweg dat ik bij een caféruzie een klap van een tafelpoot had gekregen! Met grote, vragende ogen keken ze me aan en stelden me de vraag, waarop ze eigenlijk een positief antwoord verwachtten: "Echt waar?" En ik, nu glimlachend: "Natuurlijk niet!" Ze lachten ermee, waarna ik hen het ware verhaal deed. En zo werden er die dag nog een aantal mensen volgens het zelfde scenario, in het ootje genomen.

Toen ik op woensdagmiddag op weg was van de wekelijkse markt in het centrum, naar de school van mijn kinderen, in onze wijk, passeerde ik een grote bouwwerf. Op een balkon op de tweede verdieping zag ik twee werklieden. Buiten hen was er niemand te zien. Ter hoogte van de werf stond een grote vrachtwagen, met zijn kipbak gekanteld. Men was blijkbaar zand  aan het lossen. Een dikke buis lag tussen de camion en het gelijkvloers van het appartementsgebouw in opbouw. Daar waar de buis op het fietspad lag, had men in hout een brugje gemaakt. De helling leek me nogal steil en hoog, waardoor ik even overwoog om, naast de camion, over de rijweg de werf te passeren. Uit veiligheidsoverwegingen besloot ik echter het toch maar via het fietspad te proberen. Ik reed zachtjes tegen het obstakel aan. Mijn trekkende voorwielen overwonnen moeiteloos de hindernis. En toen stond ik stil. Het chassis van mijn rolstoel stond vast op het brughoofd, waardoor mijn wielen nergens greep vonden en derhalve ronddraaiden in het ijle.

Eerst probeerde ik met wat wiebelen tot een oplossing te komen, maar dat lukte niet. Toen trachtte ik middels toeteren en hallo geroep de aandacht te trekken van de bouwvakkers op het balkon. Vrij snel kwam iemand me ter hulp, en met wat gesjor aan mijn vehikel geraakte ik terug vrij, zodat ik toch nog tijdig aan de schoolpoort arriveerde.

Op donderdag was het de beurt aan mijn eega om de inrichting van de spoedafdeling van ons plaatselijk ziekenhuis eens van nabij te gaan bezien. Ze kreeg die dag immers, bij het bereiden van ons middagmaal, kokende olie op haar linkerhand en raakte daardoor ernstig verbrand. Toen de verpleegkundige kwam voor mijn avondtoilet, deelde ik hem mee dat het team waarvan hij deel uitmaakt, er een patiënt had bij gekregen. Als geboren commerciant peilde ik naar het krijgen van een commissie op het aanbrengen van deze nieuwe patiënte, of  alleszins een korting, omdat we nu met twee te verzorgen personen waren op één adres. Ik kreeg evenwel enkel een grijns als antwoord.

En op vrijdag werd één van mijn zoons bij de voetbaltraining alweer onheus behandeld door een dolgedraaide trainer. Die bovendien te laf was om de confrontatie met me aan te gaan. Aangezien ik niet de intentie heb deze zaak zomaar aan mij voorbij te laten gaan, zal het voorval zeker een staartje krijgen Ik ben het trouwens grondig beu dat mijn kinderen omwille van hun huidskleur, de afkomst van hun mama en de fysieke toestand van hun pa, keer op keer worden benadeeld.

Het zou misschien best zijn dat ik me dit weekend, met oordopjes in, laat opsluiten in het toilet, want ik heb de laatste vijf dagen al genoeg opwinding beleefd.

Ru(sh)di(e), 14 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)

01-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - Onverwacht spectakel

 

Jaren geleden, tijdens mijn tienerjaren, was ik met onder anderen mijn ouders, aanwezig op één of ander dijkfeest in een polderdorpje aan de Schelde. Op de verharde oeverboorden stonden allerlei kraampjes opgesteld en er was een gans evenementenprogramma opgebouwd, met activiteiten op en om het water.

Zo werd er op een gegeven ogenblik ook een luchtaanval geënsceneerd. Een dubbeldek vliegtuigje scheerde rakelings over het water en over onze hoofden. Uit de luidsprekers van het omroepsysteem weerklonk mortiergeratel. De luchtafweer aan de grond reageerde terstond. Er weergalmden enkele kanonschoten doorheen het luidsprekersysteem. Raak! De motor van het vliegtuigje begon te sputteren, viel uit, en de vliegmachine dwarrelde naar beneden, een rookpluim achter zich latend. Iedereen applaudisseerde.

Maar wat gebeurde er nu? De motor werd terug gestart, de dubbeldekker won terug hoogte en kwam even later alweer hevig schietend op ons af. Het luchtafweergeschut deed echter wederom haar werk. Opnieuw raak! Alweer een rookpluim. Applaus! En deze keer kreeg de piloot zijn machine niet meer terug aan de praat en verdween ijlings, in zweefvlucht, uit ons gezichtsveld. De menigte liet een oorverdovend applaus horen. De vijandelijke aanval was afgeslagen. Tot de omroeper van dienst ons door zijn microfoon meedeelde dat het vliegtuigje even verderop - ongewild - écht was neergestort. Hij meldde ook dat de piloot gelukkig ongedeerd was en verzocht de menigte kalm en ter plaatse te blijven.

Dat zag je van hier. Vlakbij een ramp gebeurd en het klootjesvolk zou niet gaan kijken? Dus terstond repte de helft van de aanwezige mensenmassa zich in de richting van waar men dacht dat de piloot had geprobeerd met zijn vliegtuigje een noodlanding te maken. Ineens was er op de Scheldedijk plaats te over.

Toen we ons een uur of twee later in de richting van mijn vaders' auto verplaatsten om huiswaarts te rijden, passeerden we voorbij het rampgebied. Uiteindelijk viel alles nog best mee. Naar men zei was de piloot er met enkele schrammen en de schrik vanaf gekomen. Zijn vliegtuig, dat in een bietenveld was terechtgekomen, en bij die landing over kop was gegaan, had zo te zien niet echt veel schade opgelopen. De dubbeldekker die daar ondersteboven in het lover lag, was in elk geval een ongeplande extra attractie voor de bezoekers aan de feestnamiddag.

Ja, op publieksevenementen kan je al eens op een extra onverwacht en onvoorzien spektakel worden getrakteerd. Zo heb ik ook eens iets meegemaakt tijdens een waterskishow. Ik zat, tussen de andere toeschouwers, op de oever van - alweer - de Schelde en volgde de wedstrijden die daar werden gestreden. Telkens 'rondes' waarbij de boten, en de personen die er achter hingen, meermaals voorbij onze neus passeerden. In elke boot zat één piloot en één copiloot. Deze laatste zat, zoals dat steeds gebeurt, met zijn gezicht naar de skiër gericht, zodat hij deze laatste zijn instructies kon zien en doorzeggen aan de bestuurder van de boot.

In een bepaalde reeks werden twee van de skiërs getrokken door speedboten die meer weg hadden van raceboten: smalle, lange motorboten, met een scherpe voorsteven. Onmiddellijk werd duidelijk dat de concurrentie niet op kon tegen hen. Die twee namen al vlug, mét voorsprong, de leiding. Het werd een nek aan nek race, tegen hoge snelheid. De waterskiërs konden zich nauwelijks op hun skilat rechthouden. Toen ze, in de laatste ronde, in de rush naar de eindmeet, weer op volle snelheid aankwamen, gebeurde er iets.

De speedboot die het dichtst tegen de oever vaarde waar wij zaten, schoot plots loodrecht hemelwaarts. De voorsteven, die reeds de ganse wedstrijd stevig boven de waterspiegel uitstak, ging nu helemaal de lucht in, en de ganse romp en zelfs de achtersteven volgde. De piloten vlogen door de lucht en belanden vervolgens in het water. Dank zij hun reddingsvesten bleven zij boven drijven.

Ook de boot kwam terug in het water. En zonk. De achterkant eerst, en toen snel de rest, tot ook de spitse voorkant onder water verdween. De speedbootpiloten en de waterskiër keken de zinkende boot en elkaar verbouwereerd en hulpeloos aan. Later die dag hebben ze die boot uit het water kunnen trekken met behulp van het touw waarmee de skiër aan de boot had gehangen en dat hij ook na het incident niet had losgelaten.

Elke mens is in zijn leven wel getuige van een hele resem speciale, al dan niet spectaculaire gebeurtenissen. Spektakel voor hen die er op toezien, leed voor diegenen die het overkomt. Toen ik nog in de lagere school zat is er ooit eens een bestelwagen, volgeladen met jute, afgebrand, voor een huis, twee huizen verwijderd van het onze. Toen de chauffeur zijn truck tot stilstand had gebracht nadat één van onze buren hem daartoe had gedwongen, stond de lading reeds in lichterlaaie. Het spuiten met de brandblusser uit zijn camion kon dan ook de brand niet stoppen. De man kon gelukkig nog wel de aanhangwagen loskoppelen van zijn trekker en zodoende deze laatste vrijwaren van schade.

Jezus! Wat een massa mensen kwam er die avond naar de uitbrandende laadbak kijken. Uit nieuwsgierigheid en sensatiezucht allicht. En ik durfde het niet zeggen, maar was ontzettend bang dat die brand zou uitslaan naar de stal van onze buren, zo naar zijn woning en vandaar naar de onze, want de wind zat wel zo. Gelukkig zijn we van dergelijk onheil gespaard gebleven. De spuitgasten moesten wel nog tot een stuk in de nacht nablussen om alle vuur gedoofd te houden.

Later heb ik gehoord dat het vuur zou zijn ontstaan door een sigarettenpeuk die de truckchauffeur achteloos door het opengedraaid portiervenstertje van zijn trekker zou hebben gegooid. Die onachtzaamheid zorgde er voor dat wij, kinderen uit de buurt, vele jaren later nog steeds zongen: "'ATRAMEF' is afgebrand!" En ik me daardoor, een paar decennia later, nog steeds de naam van het gedupeerde bedrijf herinner.

Een andere keer dat ik met vuur en met de brandweer in aanraking kwam, was op een, ik meen mij te herinneren, oudejaarsavond. Mijn vader had die ochtend onze houtkachel aangestoken. Deels als bijverwarming, maar vooral voor de gezelligheid. Toen ik 's namiddags in mijn kamer zat, ontwaarde ik buiten een dichte mist. Raar. Was die nu ineens, midden in de namiddag, opgekomen? Ik opende mijn kamervenster en wist aan de geur meteen dat dit géén mist, maar rook was. Hier was ongetwijfeld iets niet pluis!

Ik snelde naar onze woonkamer. Ook die was compleet gevuld met rook. Ik opende meteen de deur naar de inkomhal en daarna ook de buitendeur. Ik holde buiten, tot op enige afstand van mijn ouderlijke woonst, zodat ik de schouw kon zien. Ook daar kwam rook uit. Dus liep ik snel terug ons huis in. Ik opende de deurtjes van het houtvuur, bekeek het hout dat er in brandde, nam een pook, duwde de houtblokken uit elkaar en doofde het vuur. Vervolgens nam ik de nog smeulende blokken hout met beide handen vast en droeg ze rennend één na één naar buiten en gooide ze daar in de rijweg. De hitte aan mijn handen was tijdens deze klus bijna ondraaglijk, maar wonderlijk genoeg raakten ze toch niet verbrand. Tegen de tijd dat mijn huisgenoten de living binnen kwamen was de meeste rook reeds opgetrokken.

Tegen 's avonds riskeerde mijn vader het toch maar weer om het vuur aan te steken. Alle gasten waren reeds gearriveerd, toen het probleem van in de namiddag zich herhaalde. Maar nu kwamen er ook vlammen uit de schouw. En het branden stopte niet toen we het houtvuur doofden. Met vochtige doeken trachtten mijn ouders de schouwpijp die door hun zolder loopt, af te koelen, maar dat lukte niet. Mijn vader betrouwde het zaakje niet en zond me naar de overburen om de brandweer te bellen, want wij hadden toen zelf nog geen telefoonaansluiting.

Van aan haar hek riep ik onze naar buiten gesnelde buurvrouw toe de pompiers te bellen. Toen ik terug de straat wou oversteken, stelde ik vast dat het autoverkeer in deze dubbele bocht, waarin mijn ouderlijke woonst is gelegen, volledig in de knoop zat. Enerzijds door automobilisten die gestopt waren om te vragen of ze hulp konden bieden en anderzijds door vele anderen, die enkel halt hielden om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Om enige orde te scheppen in deze chaos en ongevallen te vermijden, begon ik dan maar het verkeer te regelen.

Toen even later de brandweer arriveerde met twee grote bluswagens, was daar nog meer nood aan, dus ik deed maar verder. Eens ik de combi van de politie zag toekomen dacht ik dat mijn taak er op zat. Die mannen plaatsten hun camionette achter één van die brandweerwagens, stapten allebei uit en gingen ons huis binnen, terwijl ze mij hun werk lieten verder doen.

Ook ik wou echter wel eens zien wat daar binnen aan de hand was en wat die spuitgasten allemaal deden. Dus liet ik het verkeer in onze straat voor wat het was en liep naar ons huis. De brandweer had ons houtvuur losgekoppeld van de schouw en het branden van de schouw gestopt door met een natte jutezak de schouw af te dichten. De schade was beperkt en we konden, met enige vertraging, alsnog dineren en de overgang van oud naar nieuw vieren zoals gepland.

Ru(sh)di(e), 30 augustus 2004 (revisie op 28 april 2009)

30-04-09

Rudi's ontboezemingen - Flauwe plezanterik

 

Van de nood een deugd makend, durf ik de mensen die beroepsmatig bij me over de vloer komen voor mijn thuisverpleging, al eens in het ootje te nemen.

Hoe goed die mensen het immers ook menen, zij zijn een noodzakelijk kwaad, of misschien eerder een noodzakelijk 'goed'. Wat ik wil duidelijk maken is dat zij hier enkel over de vloer komen omdat hun hulp voor mij onontbeerlijk is. Met andere woorden: ik zou ze liever niet hebben, maar ik kan niet zonder ze. Dus maak ik er het beste van, voor hen, en voor mezelf.

Eigenlijk ben ik daar reeds mee begonnen tijdens mijn maandenlange revalidatie in het uz. Ook daar nam ik reeds nu en dan de verzorgenden in het ootje. Enorm veel plezier heb ik beleefd aan het volgende. In het revalidatiecentrum had ik het grootste gedeelte van mijn verblijf een kamer aan de straatzijde. Een straat die zich binnen het universiteitsterrein bevond, met aan de zijkant parkeerplaatsen voor auto's en ter hoogte van mijn kamer ook een fietsenrek. Tussen het gebouw en de weg, was er een strook groen, met een wandelpad en enkele bloemenperkjes.

Op een zeker moment begon men daar, vlak voor mijn vensterraam, een stenen muurtje te metsen. Ik liet hier en daar horen dat ik geruchten had opgevangen dat ze daar een vijvertje van gingen maken. Het nieuws verspreide zich als een lopend vuurtje. Op een ochtend kwam er een, al wat oudere kinesist mijn kamer binnen, keek door mijn raam naar buiten, en zei me: "Ik heb daarnet gehoord dat ze daar een vijver aan het maken zijn. Zijn ze nu helemaal op hun kop gevallen? Met al die personen met lichamelijke beperkingen en sommigen met hersenletsels, is dat vragen om moeilijkheden!" Ik knikte met een ernstige blik en beaamde zijn woorden.

Er werd de volgende dagen en weken nog duchtig geredetwist omtrent de vijver. Tot op het moment dat de bak werd ... volgestampt met teelaarde en de eerste bloembollen erin werden geplant.  Toen die kinesist van in mijn kamer de werkzaamheden kwam bezien, zei hij verwondert:  "Hé!" ze gaan daar precies een bloembak van maken?!" Ik antwoordde hem:  "Ja natuurlijk, dat heb ik altijd al geweten!"

Flauwe, droge grappen die ik maak zijn bijvoorbeeld, als een verpleegster me 's avonds, na het uitkleden en in bed stoppen vraagt: "Mogen die trui en die broek gewassen worden?" Dan antwoord ik: "Jazeker, maar breng die kledingstukken dan wel ten laatste overmorgen terug mee. En dan liefst ook gestreken en opgevouwd."

Na de mobilisatie van mijn ledematen vroeg mijn kinesiste of ze nog iets voor me kon doen. "Wel ja" zei ik, "Nu je het toch vraagt. Als je voor mij de vaat kan doen en me daarna kan helpen met onze strijk. En mocht je na het verrichten van die taken nog tijd en goesting hebben, zou ik het ten zeerste appreciëren als je de living zou dweilen, want ik heb via de banden van mijn rolstoel nogal wat zand mee naar binnen gebracht." Ze lachte schamper, want dat soort hulp had ze met haar vraag uiteraard niet bedoeld.

Toen ik nog gebruik maakte van de thuisverplegingsdienst van mijn mutualiteit, was er op een gegeven moment eens een jong meisje, pas afgestudeerd en net startend in de thuisverpleging, dat er voor moest instaan om mij 's avonds in bed te leggen. Voor mij meteen een mooie gelegenheid om een grap uit te halen. Het moet, als ik het me goed herinner, die dag de vierde of vijfde keer zijn geweest dat ze bij me langs kwam. Na me op mijn zij gerold te hebben als lig positie voor de nacht, verzocht ik haar mijn bed niet meer opnieuw tegen de muur aan te rollen, maar naar het midden van de kamer, de driezit zetel van ons salonmeubilair naar de vrijgekomen plaats te verschuiven en vervolgens mijn bed te positioneren op de plaats waar voorheen de sofa stond. Naarmate mijn uitleg vorderde was de mond van dat meisje alsmaar verder open gevallen. Ze keek me bovendien aan met zo een verbaasde, vragende blik van: meent die dat nou? Uiteraard niet dus. Ik zei: "grapje!", waarop dat kind gerustgesteld glimlachte. En sindsdien steeds op haar hoede was als ik iets zei.

Dit jaar heb ik ook een geslaagde '1 april' grap uitgehaald met de persoon die aan het hoofd staat van het team van zelfstandige verpleegkundigen, waarop ik sinds eind 2002, en heden nog steeds, beroep doe voor mijn dagelijkse persoonlijke verzorging. Zij had op deze verzendertjesdag vrijaf, maar toch belde ik haar even voor acht uur op.

Quasi in paniek, meldde ik haar met een nerveuze stem dat mijn kinderen al klaar stonden om naar school te gaan, terwijl ik nog ongewassen in bed lag. Haar collega, die werd verondersteld om zeven uur bij me te zijn, was immers nog steeds niet komen opdagen.

Mijn verpleegster klonk hoorbaar verveeld met de situatie en zei onmiddellijk de andere verpleegster te zullen bellen en dan meteen ook weer mij, om me te informeren over wat er aan de hand was. En wat er ging gebeuren.

Luttele seconden later rinkelde de gsm van de verpleegster die me net had gewassen, aangekleed en in mijn rolstoel gezet. Ze stond te gniffelen, maar nam niet op. Een minuut later was het mijn mobieltje dat lawaai maakte. "Ja, sorry hoor, maar ik kan haar niet bereiken." klonk het in mijn oor, "dus zal ik maar onmiddellijk zelf komen!" Waarop ik zei: "Oké, dat is goed. Maar wil je dan eerst even bij de viswinkel passeren om iets voor me mee te brengen?"

Zonder enig spoor van argwaan in haar stem, vroeg ze: "En wat dan wel?" Terwijl haar collega, naast me, met haar vlakke hand op de mond, stond dubbel gevouwen van ingehouden pret,  spelde ik, met een nog steeds ernstige, vaste stem: "A P R I L vis!"

Nu had de gefopte dame het door, want ze begon hartelijk te lachen en zei: "Ik nam dit jaar speciaal deze dag vrij om niet verzonden te worden, en nu heb ik het potverdorie toch weer aan mijn been!"

Tja, die malafide chirurg mag dan wel mijn lichaam om zeep hebben geholpen, mijn boosaardige geest is compleet intact gebleven.

De Mefisto voor de thuiszorg,

Ru(sh)di(e), 15 juni 2004 (revisie op 26 april 2009)

29-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Heel goede en erg kwade dagen

 

Enkele dagen geleden gaf een veehoudster uit de buurt me haar telefoonnummer, met de melding dat ik maar moet bellen mocht ik ooit in panne staan en niet thuis geraken. Zij of haar man zullen me dan komen halen met hun bestelwagen. Een aardige geste.

Gelukkig ben ik de laatste tijd verstoken gebleven van defecten aan mijn rolstoel. Het ding is wel nog steeds niet geheel hersteld na die aanrijding in maart vorig jaar, maar ik kan me behelpen voor mijn dagelijkse activiteiten.

Zo heb ik me weer tien dagen in het feestgewoel gestort in Lokeren, op heden nog steeds mijn woonplaats. Géén nachtenlange zwalppartijen dit jaar. Neen, de jongens gingen meestal mee en dus keerden we steeds op een deftig uur huiswaarts. 'k Heb overigens ook een verpleegster die me 's avonds in bed legt, dus ook zij bepaalde eigenlijk mede het uur waarop ik thuis moest zijn.

Als je je dan zo dikwijls midden zo veel mensen bevindt, gebeurt er af te toe wel eens iets. En soms is dat iets grappigs. Zoals bijvoorbeeld op die dag dat ik me, met in mijn kielzog mijn kroost, doorheen de menigte op de kermis bewoog, als steeds trachtend niemand aan te rijden met mijn vehikel.

Op een zeker moment was er daar een gans gezin dat nog net voor mij van de ene kant van de doorgang naar de andere wou crossen. Dus stopte ik om hen door te laten. Luttele seconden later stonden ze allemaal links van mij. Behalve één jongen, die rechts van me bleef staan. Zijn ouders riepen hem toe en deden teken dat ook hij hun kant moest opkomen. Die jongen antwoordde iets, maar zijn woorden werden overstemt door de geluiden van de kermis.

Inmiddels bleef ik geduldig staan. Die vader daarentegen werd ongeduldig en kwam zijn zoon halen, onderwijl nerveus vragend waarom hij niet met de rest was meegekomen. Het ventje wees met beide handen naar beneden en opende tevens zijn mond om iets te zeggen. De handgebaren lieten het me reeds vermoeden en nu hoorde ik ook wat hij zei: hij kon zich niet verplaatsen want ik stond met mijn voorwiel op zijn linkervoet.

Ik reed een klein beetje vooruit zodat die jongen zijn vrijheid terugkreeg. Hij lachte schaapachtig, deed een stap opzij, en ging naar zijn ouders, broer en zus toe die hem verbijsterd aankeken. Allicht vroegen die zich af  hoe het kwam dat die jongen géén pijn had.

Het is inderdaad zo dat stappers het nauwelijks voelen als ik met mijn 200 kilogram over hun voeten rij of er op ga staan. Zelfs kindjes niet. Dat zal allicht wel te maken hebben met de verdeling van het gewicht over de vier wielen en het feit dat ik met luchtbanden rij.

Schoon vrouwvolk dat daar trouwens in de ganse feestzone flaneerde. Niet te doen. Luchtig gekleed bovendien, gezien het zwoele weer. En wij, rolstoelers, zitten op een bevoorrechte hoogte om, zonder dat het opvalt, al die fraai gevormde derrières te bewonderen.

De Reggae avond was een topper. Er was veel volk op de been en het was derhalve niet zo eenvoudig een plekje voor het podium te vinden. Ik stond daar op enige afstand van de dranghekkens, met een vrij goed zicht op hetgeen zich op het podium afspeelde. Kwam daar toch wel een griet vlak voor me staan zéker! Een knap Hollands blondje weliswaar. Vanaf dan zag ik van die gasten op het podium niks meer, maar daarentegen, welbeschouwd als niet onaardig alternatief, een schoonheid die haar mooie ranke lichaam van alle kanten aan me etaleerde. Ja, het was de moeite, al had ze wel wat meer vlees op haar heupen en bibs mogen hebben. Perfectie is echter niet van deze wereld. Oh ja, en de muziek die het Gentse JAMAN ondertussen ten gehore bracht mocht er ook best wezen, alhoewel veel nummers leken op een doorslagje van elkaar.

Tussen bezoekjes aan de kermis op de markt, de Fonne-, de Lokerse en nog iets met een andere naam Feesten, organiseerde ik ook nog een uitje naar het alternatieve Nederlandse theaterpark ''t land van Ooit'. Best leuk. Dat park pakt graag uit met zijn toegankelijkheid en speciale aandacht voor mensen met een beperking, maar daar heb ik helaas bitter weinig van gemerkt. Twee voorstellingen hebben we bijgewoond: eentje in de arena en één in de manege, en telkens moest ik in de doorgang zitten, dus voor de tribune waarop al het andere volk zat, zo ook mijn gezelschap, en niet tussen hen in, zoals ik prefereer. Bij het binnen rijden in de manege werd me trouwens op het hart gedrukt mijn stoel niet te schuin te plaatsen, teneinde de andere bezoekers niet te veel te hinderen.

Ik had graag met een positieve noot willen eindigen, kwestie van de balans een beetje in evenwicht te houden, maar dat wordt moeilijk. De lift van dat busje waarmee ik naar Ooit werd gevoerd, werkte bij thuiskomst niet meer, van het slotvuurwerk van de Lokerse Feesten heb ik nauwelijks iets gezien, door de warmte laat mijn stem het al een tweetal weken afweten, één van mijn hoorapparaatjes is stuk en zo gaat er de laatste tijd nog wel één en ander mis.

Dan maar iets van op de Gentse Feesten, eind vorige maand, toen het onheil allicht reeds in de lucht hing, maar nog niet was neergedaald. Mijn echtgenote en ik waren daar de nacht van die hevige wolkbreuk. We schuilden eerst onder de tuinparasols voor en vervolgens in het overdekt terras van een eethuis, waar we een drankje bestelden. De serveuse plaatste de kop warme, dampende thee voor mijn neus, terwijl mijn wederhelft mijn glas witte wijn kreeg geserveerd. Ik zei haar: "Je ziet alweer wie hier als dronkaard wordt aanzien." De dienster hoorde dat, draaide zich weer om, en zei: "Oh, was ik verkeerd?" En terwijl dat meisje de drankjes wisselde liet ze er, quasi ernstig, op volgen: "Maar u zou niet mogen drinken, mijnheer, u moet immers nog rijden!" Waarop we alledrie in lachen uitbarstten.

Ru(sh)di(e), 12 augustus 2004 (revisie op 26 april 2009)

28-04-09

Rudi's ontboezemingen - Nog enkele

 

Tijdens de wekelijkse marktdag in mijn woonplaats zijn er bijna altijd wel één of twee bedelaars actief. Eén van hen is een kreupele, naar ik denk, Oost-Europeaan, de andere is een nog vrij jonge hippie met een hond. Beiden hebben een schaaltje, waarin je als passant verondersteld wordt wat geld te gooien. En aangezien er in deze stad behoorlijk veel moslims wonen, die met het geven van een aalmoes aan de minstbedeelden hun verplichte goede daad verrichten, heb ik met eigen ogen kunnen vaststellen dat die schaaltjes telkenmale goed gevuld raken.

Als gevolg hiervan is me reeds meermaals de zin bekropen ook eens ergens, waar men mij niet kent, op een markt te gaan staan met een schaaltje, om op die manier ons gezinsinkomen wat te verhogen. Het is er echter nog nooit van gekomen.

Enkele weken geleden reed ik, vergezeld van een assistente, naar het centrum van mijn woonplaats. In de ontoegankelijke apotheek diende iets afgehaald te worden. Ik zond mijn assistente naar binnen en ging zelf, wat verder op het plein, in het zonnetje zitten, mijn gezicht naar de winkels gericht. Op zeker moment kwam een vrouw uit de kruidenierswinkel. Ze zag me staan en kwam recht op me af. Ze liet haar arm met samengeknepen vingers over mijn lichaam zweven. Het duurde even voor ik in de gaten had dat die dame op zoek was naar mijn (bedel)schaaltje, om het wisselgeld in te deponeren, dat men haar in de winkel had gegeven. 50 Eurocent! Daarvoor doe ik nog niet eens de moeite om de verkrampte vingers van mijn hand te strekken. Het vrouwmens zag haar vergissing in, vroeg of ik hulp nodig had en verdween stilzwijgend toen ik daar negatief op antwoordde.

Dat is trouwens ook iets dat ik heb moeten ervaren en gewoon worden sinds ik aan een rolstoel ben gekluisterd: dat men denkt dat mensen in een rolstoel (steeds en alleen) hulp nodig hebben. We staan daar met vijf personen bij elkaar. Er komt iemand aan die ons allen kent. Die groet de andere vier en aan mij, de rolstoeler, vraagt hij of zij of ik hulp nodig heb. Ze hebben geluk dat ik geen Palestijns terrorist ben, want op zo een momenten heb ik de bijna onweerstaanbare drang om (mij) te (laten) ontploffen.

Oh ja hoor, die mensen bedoelen het goed, maar wij zijn telkens de pineut. Ontelbaar zijn de keren dat ik me publiekelijk eens voorover boog om mijn bilspieren te ontspannen en mijn rug een beetje vrijheid te geven, waarop er binnen de kortste tijd een groepje mensen rond me stond die unaniem dachten dat ik onpasselijk was geworden. En moeite dat ik had om hen van het tegendeel te overtuigen. Eén keer stond men zelfs met de GSM in de aanslag, op het punt de dienst 100 te bellen! Nu zoek ik meestal een verlaten plekje op als ik even voorover wil liggen En dankzij mijn heupgordel kan ik toch niet uit mijn rolstoel vallen.

Ru(sh)di(e), 27 mei 2004 (revisie op 26 april 2009)