02-06-10

Herinneringen uit mijn verleden - Te paard

  

Als klein ventje was ik gek van 'het Wilde Westen', waar de cowboys en indianen hun dagen vulden. Vaak liep ik, dikwijls na het bekijken van een westernfilm op onze zwart/wit televisie, rond in onze tuin, verkleed als cowboy of als indiaan. Dat wisselde wel eens. Mijn voorkeur en sympathie ging eigenlijk vooral uit naar de roodhuiden, doorgaans de underdogs. Dat gegeven sprak mij aan. Alsook de lichtbruine huidskleur van deze mensen, hun lange haardos, hun kledij en het feit dat deze dappere krijgers geen nood hadden aan een zadel om hun paard te berijden.

Toch was ik ook graag cowboy. Als knaap had ik zelfs een heus cowboykostuum. Toch was het vooral het hoofddeksel van de veedrijvers dat me aansprak. Er zijn tijden geweest dat ik elk moment dat ik thuis was, een cowboyhoed op mijn hoofd had. Ik herinner me een bruin exemplaar dat ik heb gedragen tot het op de draad was versleten. Jammer genoeg kon ik me toentertijd geen echte cowboyhoed permitteren. Want het feit dat je daar, zoals ik in menige film had waargenomen, om te drinken of je te verfrissen, water mee kon scheppen uit bijvoorbeeld een rivier of regenton, zonder dat die vloeistof uit de hoed lekte of hem stuk maakte, sprak me enorm aan.

Als Verre Westen bewoner had ik uiteraard ook nood aan een vervoermiddel. En zoals het zowel een cowboy als een indiaan betaamd, was dat een rijpaard. Mijn eerste paard was een 'stokpaard'. Eigenhandig vervaardigd uit een bezemsteel waarop aan één uiteinde een paardenkop was bevestigd. Of althans iets dat werd verondersteld dit te zijn. Twee stukken aan elkaar gekleefd karton, waarop ik het voorste deel van een paard had getekend en dit met een klein schaartje had uitgeknipt. Een stukje touw dat, net onder de paardenkop, aan de bezemsteel was vastgeknoopt, fungeerde als teugel.

Met dit beestje haalde ik, zowel binnen in ons kleine huis als buitenshuis, de gekste toeren uit. Tot mijn ma ons huis wou schuren en derhalve haar bezemsteel terug eiste. Dus diende ik op zoek te gaan naar iets anders. En dat vond ik wonderwel. De houten zaagbok die achterin onze tuin stond opgesteld, en eigenlijk diende als hulpmiddel om lange stukken boomtakken te fixeren om ze gemakkelijker verder tot kleinere stukken stoofhout te verzagen, kon uitstekend dienst doen als prairiepaard!

Het was wel nodig er een (zadel)deken op te leggen, want het wippen op dat harde hout, bij het in galop rijden, deed anders te veel pijn aan mijn bibs. En ook splinters in mijn gat kon ik missen als koude pap. Een stuk touw uit onze stallingen kon ook bij dit houten paard fungeren als leidsel. En het moest lukken dat mijn, toen nog in leven zijnde grootvader langs mijn pa's kant, er ook zo eentje op zijn erf had staan. Wat maakte dat ik mijn activiteiten als cowboy of indiaan, ook kon ontplooien op momenten dat ons gezin zich ter locatie van mijn vaders ouderlijk huis bevond.

Aangezien bij ons thuis mijn pa af en toe mijn rijdier gebruikte in de functie waarvoor het eigenlijk in de wieg was gelegd, knutselde ik er vrij snel zelf één in elkaar. Niet zo mooi, sterk en stevig als het origineel, maar mijn kopie was, al zeg ik het zelf, als werk van een pretiener, best geslaagd te noemen. En zorgde ervoor dat ik nooit paardloos was.

Toen ik iets ouder werd, gingen wij zo nu en dan, tijdens het weekend, of in de vakantie, naar een buitenmanege, die zich niet zo ver verwijderd van onze woonst bevond. Aldaar kon je, tegen betaling uiteraard, ronderitjes maken op de rug van een klein paard of pony. Zo een beetje zoals je heden ten dage de paardenritten hebt op de kermis, maar dan geheel in open lucht en met een grotere stapcirkel. De ouders die hun kinderen niet dienden vast te houden tijdens de ritjes, konden tussendoor een drankje nuttigen op het buitenterras van deze uitspanning. En toen wij, ruiters in spé, de teugels van ons rijdier hadden doorgegeven aan andere, ongedurig op hun beurt wachtende kinderen, lustten wij ook wel een drankje, of een ijsje!

Wat ik mij ook herinner is dat er, naast die paarden en pony's, ook een ezel mee stapte. Of althans werd verondersteld om mee te trippelen. Want het beest deed werkelijk keer op keer zijn naam alle eer aan. Het dier weigerde immers halsstarrig mee te stappen met de andere soorten paardachtigen. Maar bleef integendeel hetzij koppig ter plaatste trappelen, hetzij tevergeefs trachtend zich achterwaarts voort te bewegen, of in de tegengestelde richting. Wat de begeleiders van de dieren uiteraard niet toelieten.

Waar ik, als jonge knul naar uitkeek, was het moment waarop ik oud genoeg zou zijn om deel te nemen aan een andere, op deze locatie georganiseerde activiteit. Namelijk het, gezeten op een groot paard, in groep, door het bij deze uitbating horende bos rijden. Om dan later, als een volleerd ruiter, op mijn eentje mijn, van deze mensen geleend paard, tussen de bomen te laten galopperen. Helaas is, vooraleer dit moment aanbrak, de 'Rijhoeve' ten ziele gegaan.

De geneugten van het berijden van een echt, levend dier, veroorzaakten bij de kleine ik, een zekere desinteresse voor de houten varianten. Gelukkig hadden de buren van naast ons, zich een schaap aangeschaft. Een dier dat luisterde naar de naam 'Miette'. Alhoewel het eigenlijk reageerde op om het even welke naam waarmee je het aansprak. En dan luid blatend, terstond jouw richting uitkwam. Althans zo ver als de ketting, waarmee de lederen halsband van het beest was verbonden met een in de grond geklopte stalen pen, het toeliet.

Het arme schaap fungeerde als alternatief voor een manuele grasmaaier, een 'stekertje', zoals wij dat noemden. Het was de bedoeling dat het dier het gazon in de voortuin van onze, in de stad opgegroeide buren, kort zou houden. Dat je, om over de ganse oppervlakte van het grasland, eenzelfde grashoogte te hebben, dat beest regelmatig moest verplaatsen, dat had de buurman over het hoofd gezien. Dus zorgde ik daar voor, op momenten dat buurman, buurvrouw en hun beide kinderen, enkele dagen afwezig waren.

Zo ging ik dan dagelijks op bezoek bij Miette. Trachtend met mijn voeten niet te trappen in de door het wolbeest geproduceerde en achterlangs afgescheiden bolletjes uitwerpselen. Ook al een element waarmee de buurman geen rekening had gehouden. En ten gevolge waarvan zijn koters niet op het grasplein mochten spelen. Terwijl dat grasperk eigenlijk in eerste instantie was aangelegd als ravotterrein voor die kindjes.

Uitgedost als een cowboy, met mijn mouwloos vestje aan, mijn wapenholster met revolver erin, vastgehecht aan mijn broeksriem en mijn cowboyhoed op het hoofd, kweet ik me vlijtig van de door mij geheel vrijwillig aanvaarde taak. En eens het arme schaap op zijn nieuwe plek was geïnstalleerd, met een oude braadketel met pompwater in, binnen bereik, ging ik naast het beest staan, zwaaide één been over de flank en rug van het dier, veerde mijn lichaam met mijn andere voet omhoog en kwam zo op de rug van het schaap te zitten. Mijn pseudopaard.

Aangezien ik slechts af en toe de beschikking had over Miette als rijpaard, reed ik noodgedwongen nog vaak op mijn eigenhandig gemaakte houten zaagbokpaard. Dat ik, de kleine blonde cowboy, heel af en toe aan de kant mocht laten staan om een ritje te maken op het kleinste van de paarden van onze overburen. Zonder zadel! Vrij in de wei. Dat was pas genieten! Yiehaaaa!!!!!!!

Rudi, 8 april 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 12 mei 2010.

26-03-10

Heden en verleden - Omvallende bomen

  

Mijn ouders hun huis en stallingen stonden op een lap grond, waarop voor de woning een gewone tuin met graspleintjes en bloemperkjes was aangelegd en achteraan een moestuin. Hun eigendom was gelegen naast een veldweg, een 'slag' zoals wij dat noemden. Welke gebruikt werd door de boeren uit de buurt, om tot bij hun weiden of landbouwgrond te geraken.

Vanaf de straat gezien was onze doening rechts van die veldweg gelegen. Terwijl links ervan een stuk landbouwgrond lag. Nu stond aan de straatkant, over de ganse breedte van die akker, een rij hoge bomen. De eerste van de rij, deze op de hoek van de akker en het begin van de veldweg, die trouwens door mijn pa gratis en voor niks werd onderhouden, was eigendom van mijn ouders. En als kleine rakker was ik er reuze trots op dat zij de eigenaars waren van zo een gigantische boom!

De rest van de bomenrij was reeds jaren daarvoor geveld en vervangen door jonge aanplant, en ons oude huis en het grootste gedeelte van de stallingen gesloopt en vervangen door een door mijn pa eigenhandig gezette nieuwbouw, toen een jaar minder dan een kwarteeuw geleden, mijn pa het plan opvatte om ook 'onze' boom te vellen. Om wat voor reden durf ik niet met zekerheid te schrijven, maar ik vermoed dat hij goedkope brandstof wou voor de allesbrander, die toen al sinds enkele jaren 's winters onze living en keuken verwarmde.

Alhoewel ik inmiddels reeds in mij adolescentiejaren vertoefde, was ik ook als 18-jarige toch niet onverdeeld gelukkig met mij vaders voornemen. Maar ik had in deze kwestie niks in de pap te brokken. Die boom zou neergaan en daarmee basta!

Deze klus laten klaren door een professionele, in dit soort dingen gespecialiseerde firma, werd slechts heel even overwogen. Maar vrij snel als optie van de baan geveegd. Wegens veel te duur. De opbrengst van het hout zou niet eens toereikend zijn geweest om de kosten te dekken van het vellen. Dus zou mijn vader, een ervaren doe het zelver, met de hulp van enkele buurmannen, de boom zelf neerleggen.

Op een mooie lentedag was het zo ver. Vanuit onze living, waar ik met een, bij mij op bezoek zijnde, leeftijdsgenoot, een maat uit de buurt, zat te keuvelen, zag ik mijn vader en enkele mannen, alles in gereedheid brengen voor de job. En er stonden ook nog enkele andere buren te kijken en aanwijzingen en commentaar te leveren op de voorbereidende werkzaamheden

Er werd een lange houten ladder tegen de boom geplaatst en we konden zien dat mijn pa een dik touw rond de stam bevestigde, zo hoog mogelijk in de boom als waar hij met zijn handen kon reiken. De uiteinden van dat touw werden vastgemaakt aan de tractor van een boer uit de buurt. Trouwens tevens de eigenaar van de akker waarop het de bedoeling was dat onze boom terecht zou komen.

De boom helde over in de richting van ons huis, maar de tractor stond, met het touw gespannen, zo opgesteld dat deze de vallende boom de andere richting uit zou kunnen trekken. En de ervaren doe het zelf boomhakker uit onze buurt, die had aangeboden het afzagen van de boom voor zijn rekening te nemen, had ook de kant van de akker uitgekozen om, middels zijn kettingzaag, een spie uit de boomstam te halen.

Die boom kon dus niet verkeerd vallen, veronderstelde iedereen. Maar wat zag ik, en allicht ook ieder ander die toekeek? Dat, eens de boom in beweging kwam, hij geheel en al viel, in de richting van ons huis! Verbijsterd en met schrik zag ik die kolos van een boom recht op ons afkomen. Mijn maat en ik keken elkaar angstig aan. Wat hij vervolgens deed, dat weet ik niet, maar ik schreeuwde "oh, neen!" en kneep mijn ogen dicht tot het gevaarte neerkwam, met een harde bonk, die de grond onder onze voeten deed daveren.

Toen ik mijn ogen opnieuw opende, was er van de door mij gevreesde ravage, binnenshuis niks te merken De buitengevels stonden er nog allemaal en ook het glas in de vensterramen was niet gebroken. We spoedden ons naar buiten. Waar de zon, als het ware spottend, enkele zuinige stralen in de richting van de aarde stuurde. Waar in onze voortuin de boom lag die volgens het vooropgezette plan nochtans had moeten landen op de akker, enkele meters ernaast.

Naderhand bleek de oorzaak van deze ellendige misser het feit te zijn dat de boer te laat in actie was gekomen en dan op de koop toe zijn tractor niet onmiddellijk kreeg gestart. Toen dat luttele seconden later dan toch lukte, was hij nog enkel in staat geweest om de schade te beperken. Die al bij al nog meeviel. Enkele zware takken van de kruin van de boom hadden een deel van onze uit betonplaten met daarboven draad gespannen afsluiting vernield. En enkele minder zware takken hadden nog net de hoek van de overhangende dakgoot kapot gemaakt. De gevel van ons huis was niet geraakt en dus intact gebleven. Gelukkig maar!

Mijn vader was geschrokken en boos. Met zijn gebalde vuisten hemelwaarts gericht, nam hij de schade op. Ook mijn ma was vanuit haar keuken naar buiten gerend. En stond een beetje wezenloos de boel te aanschouwen. Een deel van haar bloemenperk was naar de knoppen. Wat haar evenwel op dat ogenblik allicht het minste zorgen baarde.

Het is uiteindelijk allemaal nog snel en zonder al te veel werk en kosten, in orde gekomen. Die dakgoot kon voor weinig geld worden hersteld, de afsluiting maken was een kwestie van het aankopen van enkele nieuwe betonpalen en -platen, en het spannen van een nieuw stuk draad, dus dat was ook de kost niet. Die boom werd onmiddellijk na zijn val geheel en al in stukken gezaagd. Die vervolgens ook nog eens werden gekliefd met een kliefhamer, een combinatie van een bijl en een voorhamer. Dat die boom dit trieste lot onderging was niet als straf voor de aangerichte schade, maar gewoonweg de uitvoering van het origineel plan.

Een van de buurmannen, die mijn vader hielp bij dit stoofhout kappen, grapte dat het hout van deze boom hem twee keer warmte zou verschaffen. Een eerste keer toen, op dat moment, door het stijgen van zijn lichaamstemperatuur bij het zagen, hakken en klieven en een tweede keer op het moment dat het hout van de boom zou branden in de stoof.

****

Als rijpe twintiger verhuisde ik naar mijn eigen woning, waar ook een grote tuin aan is verbonden. De hoogste boom in deze tuin met allerlei boom- en struiksoorten en allerhande ander groen, was een kolos van een zilverberk. Ooit door een vorige eigenaar van dit perceel, gepland op een positie ongeveer halverwege de achtertuin, en ook in de breedterichting op ongeveer dezelfde afstand van de grens met de naburige percelen, links en rechts van mijn tuin.

Die reus van een zilverberk stond daar te pronken als trotse, alle andere bomen en struiken overheersende tuinbegroeiing. Van ver in de omtrek van mijn eigendom kon je hem zien staan. Die houten gigant, die ook door geen enkele boom in de tuinen van de buren, in de ruime omgeving van onze woning, werd overtroffen qua hoogte en omvang. Onaantastbaar en onverwoestbaar, zo leek hij te zijn.

Tot het noodlot toesloeg, in de vorm van een blikseminslag bij noodweer. Hoge bomen vangen, ook letterlijk, niet enkel veel wind, maar zijn ongelukkigerwijs tevens een gemakkelijke prooi en doelwit voor andere natuurfenomenen.

Dat de bliksem ernstige schade had aangebracht aan de zilverberk, dat kon ik de dag na de inslag zichtbaar vaststellen. Vanaf de top van de stam, tot enkele meters lager, was een scheur te zien. Maar niks wees er op dat er een onmiddellijk gevaar bestond voor het naar beneden komen van een deel van deze monsterboom.

Lange tijd later woedde er op een zondagochtend een heel zware storm. Normaliter hadden mijn zoons die voormiddag een voetbalwedstrijd moeten spelen. Maar omwille van dit slechte weer, was die op het laatste moment afgelast. Dat nieuws bereikte ons trouwens pas toen zowel mijn zoons als ikzelf, warm ingeduffeld, de wind trotserend, reeds op weg waren naar het voetbalterrein.

Dus keerden we onverrichter zake terug huiswaarts. Er woei een geweldige wind, maar het was helemaal niet koud, noch vochtig. Derhalve had ik ontzettend weinig zin om reeds onmiddellijk terug onze woning binnen te rijden. Waar ik dan ongetwijfeld ook de rest van de dag zou moeten doorbrengen. Liever had ik even in onze achtertuin vertoefd, maar ik realiseerde mij dat dit, met zulk een stormachtig weer, niet erg verstandig zou zijn geweest.

Wat even later werd bewezen. Want we waren nog maar net binnen in huis, en ik had nog maar pas mijn jas uit, toen één van mijn jongens me meldde dat onze grootste boom uit het gezichtsveld was verdwenen. Wantrouwig, vermoedend dat ik in het ootje werd genomen, verplaatste ik mij snel naar de verandaramen achteraan in ons huis en keek van daaraf naar buiten. Mijn kijkers kregen een totaal ander uitzicht op de tuin te zien dan ze gewoon waren, want die doorgaans direct in het oog springende zilverberk was inderdaad foetsie!

De volgende dag, toen het weer terug wat rustiger was, reed ik de tuin in en vond de kolos, meedogenloos geveld, op het grasveld. Een triest zicht, vond ik dat. Maar nu die boom beneden lag, ontdekte ik wat de schors al die tijd had kunnen verborgen houden, namelijk dat de boomstam binnenin volledig was uitgedroogd. Het was eigenlijk een wonder dat dit gevaarte niet eerder tegen de vlakte was gegaan.

Het grasperk, dat voordien door de weelderige kruin van de zilverberk, als het ware van de buitenwereld werd afgeschermd, baadde nu in een zee van licht.  Dat mijn mooie boom wijlen was, daar ben ik toch wel enkele dagen verdrietig om geweest. Niet dat ik triest in een hoekje ging zitten, maar het neergaan van mijn lievelingsboom, en het feit dat ik hem als gevolg daarvan tot brandhout moest laten verwerken, had me toch wel geraakt. Figuurlijk althans, want ik zat, zoals voorheen geschreven, veilig binnen in huis toen die mastodont neerviel.

Mijn mooie tussenhaag was spijtig genoeg wel getroffen. Maar kom, die was enkele maanden na het gebeurde, alweer de oude. Bomen, planten, struiken en zo meer hebben het geluk dat, wat ze kwijt spelen, er naderhand vaak vrij eenvoudig terug aangroeit. Dat het mensdom daar eens een voorbeeld aan neemt!

****

Helemaal rechts achterin onze tuin, op de scheiding van ons perceel met dat van de achterburen en de buren aan de zijkant, stond een fruitboom die al sinds jaren op rust was. Dus reeds lang geen vruchten meer produceerde. En die een kruin had waarvan nog slechts enkele takken het geluk kenden in de lente de basis te zijn van enkel groene bladeren.

Die boom, of althans wat er nog van overbleef, had mazzel gevat te zitten in de zijtakken van een, er vlak naast staande, nog steeds volop in leven zijnde spar. Met het verstrijken van de jaren was deze boom, met een toch wel redelijke stamdikte, zijnde een goeie 40 centimeter, evenwel geleidelijk aan schuin komen te staan. En verloor de spar er daardoor beetje bij beetje haar greep op.

Aangezien hij naar onze tuin overhelde, en bij een eventueel vallen dus niet op de eigendom van onze buren terecht kon komen en desgevallend schade aanrichten, was ik vrij gerust. Toch zocht ik naar een oplossing om de boom te verwijderen. Want na elke periode met hevige rukwinden, kwam de boom steeds schuiner te staan. En hoewel er vrijwel nooit iemand in die hoek vertoefde, wou ik toch niet het risico lopen dat, als het toch eens zou gebeuren, degene die er liep, dat gevaarte op het hoofd zou krijgen.

Die nare ervaring uit mijn jonge jaren indachtig, wou ik de klus in geen enkel geval laten klaren door amateurs. Maar integendeel de job laten uitvoeren door professionelen. Aangezien de plek waar die boom stond, moeilijk bereikbaar was, konden die daar evenwel niet geraken met een hoogtewerker. En een lange ladder tegen die hellende boom plaatsen was te riskant. Een ladder tegen de spar plaatsen en vanuit die positie met een zware boomzaag aan het werk gaan, was ook niet echt een acceptabel alternatief.

Wikkend en wegend hoe ik die bejaarde fruitboom daar dan wel weg zou krijgen, reed ik op een zonnige namiddag nog eens naar die hoek, om de situatie aldaar nog eens deftig te bekijken. Vlak naast de scheiding met de tuin van onze achterbuur, en op een meter of vijf afstand van de boom, bleef ik staan. Maar niet voor lang. Want ik voelde mij allesbehalve veilig op de plaats waar ik stilstond. Want ik kon zien dat de spar haar greep op de boom nagenoeg volledig was kwijt geraakt en de oude fruitboom meer dan ooit overhelde, in de richting van waar ik zat!

Die moest daar dus uiterst spoedig weg, besliste ik. En ik zou daar eerstdaags werk van laten maken! Maar zo ver hoefde het niet te komen, want de natuurelementen namen me het werk uit handen. Nog diezelfde avond stak er, gelijktijdig met een fikse regenbui, een sterke wind op, die in de loop van de nacht nog toenam in snelheid en kracht!

De volgende ochtend had ik reeds het vermoeden dat er die nacht wel eens iets met die boom zou kunnen gebeurd zijn. En aangezien het stormen en regenen tegen de middag aan zo goed als helemaal voorbij was, ging ik toen een kijkje nemen achterin de tuin. Waar het onweer hevig te keer was gegaan, want alle paden en graspleintjes lagen bezaaid met takken, bladeren en ander groen en anderskleurige tuinelementen, waarmee de wind een spel had gespeeld.

En, zoals verwacht had die wind ook de boom in de hoek neergehaald. Hij was gevallen pal op de plek waar ik de dag ervoor nog had gezeten! Toch vriendelijk van die boom om te wachten met zich neer te laten leggen tot ik van het toneel was verdwenen. Stel je voor dat ik die brok hout met alles wat er aan hing, op mijn kop en alles wat daar aan hangt, had gekregen. Dood was ik dan allicht niet geweest. Tenzij het al te lang zou hebben geduurd vooraleer men mij kwam 'redden'. En er in dat geval al zo veel bloed uit mijn lichaam zou zijn gestroomd, dat mijn lichaam er dan toch 'het bijltje' zou hebben bij neergelegd.

Maar hoogst waarschijnlijk was het resultaat van dat onder die vallende boom terecht komen, veel erger geweest. En had ik het avontuur overleefd met nogal wat lichamelijke schade aan mijn lijf en materiële schade aan mijn elektrische rolstoel. Verzekeringsgewijs is dit laatste trouwens ook lichamelijk, wegens een onontbeerlijk hulpmiddel zijnde, en een materieel verlengde van de persoon die er aan gebonden is.

Voor de kwebbelaars in mijn woonplaats was het zonder twijfel jammer dat geen van de twee laatst vermeldde scenario's bewaarheid is geworden. Want er zou ongetwijfeld enorm veel geroddeld zijn geweest nopens dit voorval. En vooral verzonnen. Een verhaal dat dan zeker de ronde zou hebben gedaan, is dat van de poging tot zelfdoding. Daar zou ik trouwens zelf ook wel één en ander rond kunnen verzinnen. Maar voor dit verhaal heb ik me netjes aan waar gebeurde feiten gehouden.

Ru(sh)di(e), 4 oktober 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.