02-06-10

Herinneringen uit mijn verleden - Te paard

  

Als klein ventje was ik gek van 'het Wilde Westen', waar de cowboys en indianen hun dagen vulden. Vaak liep ik, dikwijls na het bekijken van een westernfilm op onze zwart/wit televisie, rond in onze tuin, verkleed als cowboy of als indiaan. Dat wisselde wel eens. Mijn voorkeur en sympathie ging eigenlijk vooral uit naar de roodhuiden, doorgaans de underdogs. Dat gegeven sprak mij aan. Alsook de lichtbruine huidskleur van deze mensen, hun lange haardos, hun kledij en het feit dat deze dappere krijgers geen nood hadden aan een zadel om hun paard te berijden.

Toch was ik ook graag cowboy. Als knaap had ik zelfs een heus cowboykostuum. Toch was het vooral het hoofddeksel van de veedrijvers dat me aansprak. Er zijn tijden geweest dat ik elk moment dat ik thuis was, een cowboyhoed op mijn hoofd had. Ik herinner me een bruin exemplaar dat ik heb gedragen tot het op de draad was versleten. Jammer genoeg kon ik me toentertijd geen echte cowboyhoed permitteren. Want het feit dat je daar, zoals ik in menige film had waargenomen, om te drinken of je te verfrissen, water mee kon scheppen uit bijvoorbeeld een rivier of regenton, zonder dat die vloeistof uit de hoed lekte of hem stuk maakte, sprak me enorm aan.

Als Verre Westen bewoner had ik uiteraard ook nood aan een vervoermiddel. En zoals het zowel een cowboy als een indiaan betaamd, was dat een rijpaard. Mijn eerste paard was een 'stokpaard'. Eigenhandig vervaardigd uit een bezemsteel waarop aan één uiteinde een paardenkop was bevestigd. Of althans iets dat werd verondersteld dit te zijn. Twee stukken aan elkaar gekleefd karton, waarop ik het voorste deel van een paard had getekend en dit met een klein schaartje had uitgeknipt. Een stukje touw dat, net onder de paardenkop, aan de bezemsteel was vastgeknoopt, fungeerde als teugel.

Met dit beestje haalde ik, zowel binnen in ons kleine huis als buitenshuis, de gekste toeren uit. Tot mijn ma ons huis wou schuren en derhalve haar bezemsteel terug eiste. Dus diende ik op zoek te gaan naar iets anders. En dat vond ik wonderwel. De houten zaagbok die achterin onze tuin stond opgesteld, en eigenlijk diende als hulpmiddel om lange stukken boomtakken te fixeren om ze gemakkelijker verder tot kleinere stukken stoofhout te verzagen, kon uitstekend dienst doen als prairiepaard!

Het was wel nodig er een (zadel)deken op te leggen, want het wippen op dat harde hout, bij het in galop rijden, deed anders te veel pijn aan mijn bibs. En ook splinters in mijn gat kon ik missen als koude pap. Een stuk touw uit onze stallingen kon ook bij dit houten paard fungeren als leidsel. En het moest lukken dat mijn, toen nog in leven zijnde grootvader langs mijn pa's kant, er ook zo eentje op zijn erf had staan. Wat maakte dat ik mijn activiteiten als cowboy of indiaan, ook kon ontplooien op momenten dat ons gezin zich ter locatie van mijn vaders ouderlijk huis bevond.

Aangezien bij ons thuis mijn pa af en toe mijn rijdier gebruikte in de functie waarvoor het eigenlijk in de wieg was gelegd, knutselde ik er vrij snel zelf één in elkaar. Niet zo mooi, sterk en stevig als het origineel, maar mijn kopie was, al zeg ik het zelf, als werk van een pretiener, best geslaagd te noemen. En zorgde ervoor dat ik nooit paardloos was.

Toen ik iets ouder werd, gingen wij zo nu en dan, tijdens het weekend, of in de vakantie, naar een buitenmanege, die zich niet zo ver verwijderd van onze woonst bevond. Aldaar kon je, tegen betaling uiteraard, ronderitjes maken op de rug van een klein paard of pony. Zo een beetje zoals je heden ten dage de paardenritten hebt op de kermis, maar dan geheel in open lucht en met een grotere stapcirkel. De ouders die hun kinderen niet dienden vast te houden tijdens de ritjes, konden tussendoor een drankje nuttigen op het buitenterras van deze uitspanning. En toen wij, ruiters in spé, de teugels van ons rijdier hadden doorgegeven aan andere, ongedurig op hun beurt wachtende kinderen, lustten wij ook wel een drankje, of een ijsje!

Wat ik mij ook herinner is dat er, naast die paarden en pony's, ook een ezel mee stapte. Of althans werd verondersteld om mee te trippelen. Want het beest deed werkelijk keer op keer zijn naam alle eer aan. Het dier weigerde immers halsstarrig mee te stappen met de andere soorten paardachtigen. Maar bleef integendeel hetzij koppig ter plaatste trappelen, hetzij tevergeefs trachtend zich achterwaarts voort te bewegen, of in de tegengestelde richting. Wat de begeleiders van de dieren uiteraard niet toelieten.

Waar ik, als jonge knul naar uitkeek, was het moment waarop ik oud genoeg zou zijn om deel te nemen aan een andere, op deze locatie georganiseerde activiteit. Namelijk het, gezeten op een groot paard, in groep, door het bij deze uitbating horende bos rijden. Om dan later, als een volleerd ruiter, op mijn eentje mijn, van deze mensen geleend paard, tussen de bomen te laten galopperen. Helaas is, vooraleer dit moment aanbrak, de 'Rijhoeve' ten ziele gegaan.

De geneugten van het berijden van een echt, levend dier, veroorzaakten bij de kleine ik, een zekere desinteresse voor de houten varianten. Gelukkig hadden de buren van naast ons, zich een schaap aangeschaft. Een dier dat luisterde naar de naam 'Miette'. Alhoewel het eigenlijk reageerde op om het even welke naam waarmee je het aansprak. En dan luid blatend, terstond jouw richting uitkwam. Althans zo ver als de ketting, waarmee de lederen halsband van het beest was verbonden met een in de grond geklopte stalen pen, het toeliet.

Het arme schaap fungeerde als alternatief voor een manuele grasmaaier, een 'stekertje', zoals wij dat noemden. Het was de bedoeling dat het dier het gazon in de voortuin van onze, in de stad opgegroeide buren, kort zou houden. Dat je, om over de ganse oppervlakte van het grasland, eenzelfde grashoogte te hebben, dat beest regelmatig moest verplaatsen, dat had de buurman over het hoofd gezien. Dus zorgde ik daar voor, op momenten dat buurman, buurvrouw en hun beide kinderen, enkele dagen afwezig waren.

Zo ging ik dan dagelijks op bezoek bij Miette. Trachtend met mijn voeten niet te trappen in de door het wolbeest geproduceerde en achterlangs afgescheiden bolletjes uitwerpselen. Ook al een element waarmee de buurman geen rekening had gehouden. En ten gevolge waarvan zijn koters niet op het grasplein mochten spelen. Terwijl dat grasperk eigenlijk in eerste instantie was aangelegd als ravotterrein voor die kindjes.

Uitgedost als een cowboy, met mijn mouwloos vestje aan, mijn wapenholster met revolver erin, vastgehecht aan mijn broeksriem en mijn cowboyhoed op het hoofd, kweet ik me vlijtig van de door mij geheel vrijwillig aanvaarde taak. En eens het arme schaap op zijn nieuwe plek was geïnstalleerd, met een oude braadketel met pompwater in, binnen bereik, ging ik naast het beest staan, zwaaide één been over de flank en rug van het dier, veerde mijn lichaam met mijn andere voet omhoog en kwam zo op de rug van het schaap te zitten. Mijn pseudopaard.

Aangezien ik slechts af en toe de beschikking had over Miette als rijpaard, reed ik noodgedwongen nog vaak op mijn eigenhandig gemaakte houten zaagbokpaard. Dat ik, de kleine blonde cowboy, heel af en toe aan de kant mocht laten staan om een ritje te maken op het kleinste van de paarden van onze overburen. Zonder zadel! Vrij in de wei. Dat was pas genieten! Yiehaaaa!!!!!!!

Rudi, 8 april 2010 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 12 mei 2010.

26-03-10

Heden en verleden - Omvallende bomen

  

Mijn ouders hun huis en stallingen stonden op een lap grond, waarop voor de woning een gewone tuin met graspleintjes en bloemperkjes was aangelegd en achteraan een moestuin. Hun eigendom was gelegen naast een veldweg, een 'slag' zoals wij dat noemden. Welke gebruikt werd door de boeren uit de buurt, om tot bij hun weiden of landbouwgrond te geraken.

Vanaf de straat gezien was onze doening rechts van die veldweg gelegen. Terwijl links ervan een stuk landbouwgrond lag. Nu stond aan de straatkant, over de ganse breedte van die akker, een rij hoge bomen. De eerste van de rij, deze op de hoek van de akker en het begin van de veldweg, die trouwens door mijn pa gratis en voor niks werd onderhouden, was eigendom van mijn ouders. En als kleine rakker was ik er reuze trots op dat zij de eigenaars waren van zo een gigantische boom!

De rest van de bomenrij was reeds jaren daarvoor geveld en vervangen door jonge aanplant, en ons oude huis en het grootste gedeelte van de stallingen gesloopt en vervangen door een door mijn pa eigenhandig gezette nieuwbouw, toen een jaar minder dan een kwarteeuw geleden, mijn pa het plan opvatte om ook 'onze' boom te vellen. Om wat voor reden durf ik niet met zekerheid te schrijven, maar ik vermoed dat hij goedkope brandstof wou voor de allesbrander, die toen al sinds enkele jaren 's winters onze living en keuken verwarmde.

Alhoewel ik inmiddels reeds in mij adolescentiejaren vertoefde, was ik ook als 18-jarige toch niet onverdeeld gelukkig met mij vaders voornemen. Maar ik had in deze kwestie niks in de pap te brokken. Die boom zou neergaan en daarmee basta!

Deze klus laten klaren door een professionele, in dit soort dingen gespecialiseerde firma, werd slechts heel even overwogen. Maar vrij snel als optie van de baan geveegd. Wegens veel te duur. De opbrengst van het hout zou niet eens toereikend zijn geweest om de kosten te dekken van het vellen. Dus zou mijn vader, een ervaren doe het zelver, met de hulp van enkele buurmannen, de boom zelf neerleggen.

Op een mooie lentedag was het zo ver. Vanuit onze living, waar ik met een, bij mij op bezoek zijnde, leeftijdsgenoot, een maat uit de buurt, zat te keuvelen, zag ik mijn vader en enkele mannen, alles in gereedheid brengen voor de job. En er stonden ook nog enkele andere buren te kijken en aanwijzingen en commentaar te leveren op de voorbereidende werkzaamheden

Er werd een lange houten ladder tegen de boom geplaatst en we konden zien dat mijn pa een dik touw rond de stam bevestigde, zo hoog mogelijk in de boom als waar hij met zijn handen kon reiken. De uiteinden van dat touw werden vastgemaakt aan de tractor van een boer uit de buurt. Trouwens tevens de eigenaar van de akker waarop het de bedoeling was dat onze boom terecht zou komen.

De boom helde over in de richting van ons huis, maar de tractor stond, met het touw gespannen, zo opgesteld dat deze de vallende boom de andere richting uit zou kunnen trekken. En de ervaren doe het zelf boomhakker uit onze buurt, die had aangeboden het afzagen van de boom voor zijn rekening te nemen, had ook de kant van de akker uitgekozen om, middels zijn kettingzaag, een spie uit de boomstam te halen.

Die boom kon dus niet verkeerd vallen, veronderstelde iedereen. Maar wat zag ik, en allicht ook ieder ander die toekeek? Dat, eens de boom in beweging kwam, hij geheel en al viel, in de richting van ons huis! Verbijsterd en met schrik zag ik die kolos van een boom recht op ons afkomen. Mijn maat en ik keken elkaar angstig aan. Wat hij vervolgens deed, dat weet ik niet, maar ik schreeuwde "oh, neen!" en kneep mijn ogen dicht tot het gevaarte neerkwam, met een harde bonk, die de grond onder onze voeten deed daveren.

Toen ik mijn ogen opnieuw opende, was er van de door mij gevreesde ravage, binnenshuis niks te merken De buitengevels stonden er nog allemaal en ook het glas in de vensterramen was niet gebroken. We spoedden ons naar buiten. Waar de zon, als het ware spottend, enkele zuinige stralen in de richting van de aarde stuurde. Waar in onze voortuin de boom lag die volgens het vooropgezette plan nochtans had moeten landen op de akker, enkele meters ernaast.

Naderhand bleek de oorzaak van deze ellendige misser het feit te zijn dat de boer te laat in actie was gekomen en dan op de koop toe zijn tractor niet onmiddellijk kreeg gestart. Toen dat luttele seconden later dan toch lukte, was hij nog enkel in staat geweest om de schade te beperken. Die al bij al nog meeviel. Enkele zware takken van de kruin van de boom hadden een deel van onze uit betonplaten met daarboven draad gespannen afsluiting vernield. En enkele minder zware takken hadden nog net de hoek van de overhangende dakgoot kapot gemaakt. De gevel van ons huis was niet geraakt en dus intact gebleven. Gelukkig maar!

Mijn vader was geschrokken en boos. Met zijn gebalde vuisten hemelwaarts gericht, nam hij de schade op. Ook mijn ma was vanuit haar keuken naar buiten gerend. En stond een beetje wezenloos de boel te aanschouwen. Een deel van haar bloemenperk was naar de knoppen. Wat haar evenwel op dat ogenblik allicht het minste zorgen baarde.

Het is uiteindelijk allemaal nog snel en zonder al te veel werk en kosten, in orde gekomen. Die dakgoot kon voor weinig geld worden hersteld, de afsluiting maken was een kwestie van het aankopen van enkele nieuwe betonpalen en -platen, en het spannen van een nieuw stuk draad, dus dat was ook de kost niet. Die boom werd onmiddellijk na zijn val geheel en al in stukken gezaagd. Die vervolgens ook nog eens werden gekliefd met een kliefhamer, een combinatie van een bijl en een voorhamer. Dat die boom dit trieste lot onderging was niet als straf voor de aangerichte schade, maar gewoonweg de uitvoering van het origineel plan.

Een van de buurmannen, die mijn vader hielp bij dit stoofhout kappen, grapte dat het hout van deze boom hem twee keer warmte zou verschaffen. Een eerste keer toen, op dat moment, door het stijgen van zijn lichaamstemperatuur bij het zagen, hakken en klieven en een tweede keer op het moment dat het hout van de boom zou branden in de stoof.

****

Als rijpe twintiger verhuisde ik naar mijn eigen woning, waar ook een grote tuin aan is verbonden. De hoogste boom in deze tuin met allerlei boom- en struiksoorten en allerhande ander groen, was een kolos van een zilverberk. Ooit door een vorige eigenaar van dit perceel, gepland op een positie ongeveer halverwege de achtertuin, en ook in de breedterichting op ongeveer dezelfde afstand van de grens met de naburige percelen, links en rechts van mijn tuin.

Die reus van een zilverberk stond daar te pronken als trotse, alle andere bomen en struiken overheersende tuinbegroeiing. Van ver in de omtrek van mijn eigendom kon je hem zien staan. Die houten gigant, die ook door geen enkele boom in de tuinen van de buren, in de ruime omgeving van onze woning, werd overtroffen qua hoogte en omvang. Onaantastbaar en onverwoestbaar, zo leek hij te zijn.

Tot het noodlot toesloeg, in de vorm van een blikseminslag bij noodweer. Hoge bomen vangen, ook letterlijk, niet enkel veel wind, maar zijn ongelukkigerwijs tevens een gemakkelijke prooi en doelwit voor andere natuurfenomenen.

Dat de bliksem ernstige schade had aangebracht aan de zilverberk, dat kon ik de dag na de inslag zichtbaar vaststellen. Vanaf de top van de stam, tot enkele meters lager, was een scheur te zien. Maar niks wees er op dat er een onmiddellijk gevaar bestond voor het naar beneden komen van een deel van deze monsterboom.

Lange tijd later woedde er op een zondagochtend een heel zware storm. Normaliter hadden mijn zoons die voormiddag een voetbalwedstrijd moeten spelen. Maar omwille van dit slechte weer, was die op het laatste moment afgelast. Dat nieuws bereikte ons trouwens pas toen zowel mijn zoons als ikzelf, warm ingeduffeld, de wind trotserend, reeds op weg waren naar het voetbalterrein.

Dus keerden we onverrichter zake terug huiswaarts. Er woei een geweldige wind, maar het was helemaal niet koud, noch vochtig. Derhalve had ik ontzettend weinig zin om reeds onmiddellijk terug onze woning binnen te rijden. Waar ik dan ongetwijfeld ook de rest van de dag zou moeten doorbrengen. Liever had ik even in onze achtertuin vertoefd, maar ik realiseerde mij dat dit, met zulk een stormachtig weer, niet erg verstandig zou zijn geweest.

Wat even later werd bewezen. Want we waren nog maar net binnen in huis, en ik had nog maar pas mijn jas uit, toen één van mijn jongens me meldde dat onze grootste boom uit het gezichtsveld was verdwenen. Wantrouwig, vermoedend dat ik in het ootje werd genomen, verplaatste ik mij snel naar de verandaramen achteraan in ons huis en keek van daaraf naar buiten. Mijn kijkers kregen een totaal ander uitzicht op de tuin te zien dan ze gewoon waren, want die doorgaans direct in het oog springende zilverberk was inderdaad foetsie!

De volgende dag, toen het weer terug wat rustiger was, reed ik de tuin in en vond de kolos, meedogenloos geveld, op het grasveld. Een triest zicht, vond ik dat. Maar nu die boom beneden lag, ontdekte ik wat de schors al die tijd had kunnen verborgen houden, namelijk dat de boomstam binnenin volledig was uitgedroogd. Het was eigenlijk een wonder dat dit gevaarte niet eerder tegen de vlakte was gegaan.

Het grasperk, dat voordien door de weelderige kruin van de zilverberk, als het ware van de buitenwereld werd afgeschermd, baadde nu in een zee van licht.  Dat mijn mooie boom wijlen was, daar ben ik toch wel enkele dagen verdrietig om geweest. Niet dat ik triest in een hoekje ging zitten, maar het neergaan van mijn lievelingsboom, en het feit dat ik hem als gevolg daarvan tot brandhout moest laten verwerken, had me toch wel geraakt. Figuurlijk althans, want ik zat, zoals voorheen geschreven, veilig binnen in huis toen die mastodont neerviel.

Mijn mooie tussenhaag was spijtig genoeg wel getroffen. Maar kom, die was enkele maanden na het gebeurde, alweer de oude. Bomen, planten, struiken en zo meer hebben het geluk dat, wat ze kwijt spelen, er naderhand vaak vrij eenvoudig terug aangroeit. Dat het mensdom daar eens een voorbeeld aan neemt!

****

Helemaal rechts achterin onze tuin, op de scheiding van ons perceel met dat van de achterburen en de buren aan de zijkant, stond een fruitboom die al sinds jaren op rust was. Dus reeds lang geen vruchten meer produceerde. En die een kruin had waarvan nog slechts enkele takken het geluk kenden in de lente de basis te zijn van enkel groene bladeren.

Die boom, of althans wat er nog van overbleef, had mazzel gevat te zitten in de zijtakken van een, er vlak naast staande, nog steeds volop in leven zijnde spar. Met het verstrijken van de jaren was deze boom, met een toch wel redelijke stamdikte, zijnde een goeie 40 centimeter, evenwel geleidelijk aan schuin komen te staan. En verloor de spar er daardoor beetje bij beetje haar greep op.

Aangezien hij naar onze tuin overhelde, en bij een eventueel vallen dus niet op de eigendom van onze buren terecht kon komen en desgevallend schade aanrichten, was ik vrij gerust. Toch zocht ik naar een oplossing om de boom te verwijderen. Want na elke periode met hevige rukwinden, kwam de boom steeds schuiner te staan. En hoewel er vrijwel nooit iemand in die hoek vertoefde, wou ik toch niet het risico lopen dat, als het toch eens zou gebeuren, degene die er liep, dat gevaarte op het hoofd zou krijgen.

Die nare ervaring uit mijn jonge jaren indachtig, wou ik de klus in geen enkel geval laten klaren door amateurs. Maar integendeel de job laten uitvoeren door professionelen. Aangezien de plek waar die boom stond, moeilijk bereikbaar was, konden die daar evenwel niet geraken met een hoogtewerker. En een lange ladder tegen die hellende boom plaatsen was te riskant. Een ladder tegen de spar plaatsen en vanuit die positie met een zware boomzaag aan het werk gaan, was ook niet echt een acceptabel alternatief.

Wikkend en wegend hoe ik die bejaarde fruitboom daar dan wel weg zou krijgen, reed ik op een zonnige namiddag nog eens naar die hoek, om de situatie aldaar nog eens deftig te bekijken. Vlak naast de scheiding met de tuin van onze achterbuur, en op een meter of vijf afstand van de boom, bleef ik staan. Maar niet voor lang. Want ik voelde mij allesbehalve veilig op de plaats waar ik stilstond. Want ik kon zien dat de spar haar greep op de boom nagenoeg volledig was kwijt geraakt en de oude fruitboom meer dan ooit overhelde, in de richting van waar ik zat!

Die moest daar dus uiterst spoedig weg, besliste ik. En ik zou daar eerstdaags werk van laten maken! Maar zo ver hoefde het niet te komen, want de natuurelementen namen me het werk uit handen. Nog diezelfde avond stak er, gelijktijdig met een fikse regenbui, een sterke wind op, die in de loop van de nacht nog toenam in snelheid en kracht!

De volgende ochtend had ik reeds het vermoeden dat er die nacht wel eens iets met die boom zou kunnen gebeurd zijn. En aangezien het stormen en regenen tegen de middag aan zo goed als helemaal voorbij was, ging ik toen een kijkje nemen achterin de tuin. Waar het onweer hevig te keer was gegaan, want alle paden en graspleintjes lagen bezaaid met takken, bladeren en ander groen en anderskleurige tuinelementen, waarmee de wind een spel had gespeeld.

En, zoals verwacht had die wind ook de boom in de hoek neergehaald. Hij was gevallen pal op de plek waar ik de dag ervoor nog had gezeten! Toch vriendelijk van die boom om te wachten met zich neer te laten leggen tot ik van het toneel was verdwenen. Stel je voor dat ik die brok hout met alles wat er aan hing, op mijn kop en alles wat daar aan hangt, had gekregen. Dood was ik dan allicht niet geweest. Tenzij het al te lang zou hebben geduurd vooraleer men mij kwam 'redden'. En er in dat geval al zo veel bloed uit mijn lichaam zou zijn gestroomd, dat mijn lichaam er dan toch 'het bijltje' zou hebben bij neergelegd.

Maar hoogst waarschijnlijk was het resultaat van dat onder die vallende boom terecht komen, veel erger geweest. En had ik het avontuur overleefd met nogal wat lichamelijke schade aan mijn lijf en materiële schade aan mijn elektrische rolstoel. Verzekeringsgewijs is dit laatste trouwens ook lichamelijk, wegens een onontbeerlijk hulpmiddel zijnde, en een materieel verlengde van de persoon die er aan gebonden is.

Voor de kwebbelaars in mijn woonplaats was het zonder twijfel jammer dat geen van de twee laatst vermeldde scenario's bewaarheid is geworden. Want er zou ongetwijfeld enorm veel geroddeld zijn geweest nopens dit voorval. En vooral verzonnen. Een verhaal dat dan zeker de ronde zou hebben gedaan, is dat van de poging tot zelfdoding. Daar zou ik trouwens zelf ook wel één en ander rond kunnen verzinnen. Maar voor dit verhaal heb ik me netjes aan waar gebeurde feiten gehouden.

Ru(sh)di(e), 4 oktober 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

19-10-09

Heden & verleden - Crossfiets

 

Mijn zoon Austin heeft zich een BMX aangeschaft. Met zijn eigen spaarcenten en met goedkeuring van zijn ouders. Hij was reeds enkele jaren aan het twijfelen of hij nu ging sparen voor een laptop of voor een stalen ros. Uiteindelijk is het dus een BMX geworden. Kost bovendien slechts de helft van een schootcomputer, zodat de jongen het saldo van zijn spaargeld verder kan aandikken om op een later tijdstip alsnog een laptop aan te kopen.

BMX'en is opnieuw een rage aan het worden. Jongeren, voor zover mij bekend haast uitsluitend jongens, en uit alle milieus, groepen samen om op heuvelachtig terrein te crossen, over bulten en zelf aangemaakte schansen te springen en trucjes uit te halen. Een heel sociaal gebeuren dus, en een sport die bovendien voornamelijk buiten wordt beoefend.

Het enige minpunt vind ik het feit dat die BMX'en niet volledig conform de wegcode zijn uitgerust. Een fietsbel ontbreekt bijvoorbeeld, en reflectoren eveneens. Dat er op (laten) plaatsen vinden die jongelui 'niet kunnen.' Derhalve laat ik mijn zoon slechts met tegenzin met zijn BMX over de openbare weg naar het crossterrein rijden. Maar ja, hoe moet hij er anders geraken?

Het is wel leuk om te zien hoe de jongen, vooraleer hij zich naar het lokale crossterrein begeeft, eerst op YouTube gepubliceerde filmpjes bekijkt, met daarop voorbeelden van sprongen, trucs, bewegingen... Het gebeurt ook dat Austin in onze eigen achtertuin aan het 'trainen' is en opeens naar binnen komt gelopen met het verzoek snel even op mijn laptop naar een filmpje te mogen kijken om te zien hoe een bepaalde truc of beweging alweer dient te worden uitgevoerd.

Helemaal achterin onze tuin, tussen twee rijen sparren, heeft hij, samen met zijn broer en een aantal vrienden, een eigen parcours mogen aanleggen. Met een verhoog van zowat een meter, van waarop ze starten, een aanloopzone van een meter of tien en dan een diepte van een halve meter , een hoogte van vijftig centimeter, weer een diepte en nog een hoogte. De kunst is om, met de gepaste snelheid, de BMX, bij het nemen van de eerste hoogte, zo ver de lucht in te krijgen dat de volgende diepte en hoogte, al zwevend in de lucht worden overbrugd en er, zonder vallen, veilig en wel, op twee wielen wordt geland, op het vlakke stuk grond erachter.

Tijdens mijn prille jeugdjaren had ik een zelfgemaakte crossfiets. De basis was een afgedankte, roestige witte minifiets van mijn oudste zus. Je kent dat wel, zo een compacte fiets die bovendien kon worden dubbelgevouwen. Samen met mijn pa had ik op de schuine buis de brandstoftank gemonteerd van zijn ook al afgeschreven antieke motorfiets. En als zitting had ik een lang, grijs zadel dat eveneens van een motorfiets afkomstig was. En met een aangepast hoog stuur en een grote koplamp erbij, had ik een ferme crossfiets!

Je had mij in die tijd in onze tuin moeten zien rijden. Met mijn ook ouderwetse blauwe motorhelm op met een witte middenstreep; Die had lederen oorflappen, die met een sluiting onderaan de kin het ding op mijn hoofd hielden. Mijn plastieken stofbril completeerde het geheel! Op zondagen ging ik dikwijls met mijn vader naar de motorcross kijken. We konden na de prijsuitreiking voor mij part niet snel genoeg terug thuis zijn, zodat ik met mijn crossfiets de wedstrijd kon naspelen. Ik zette zelfs heuse parcours uit. Ik klopte stalen pinnen in de grond, verbond deze met touwen en hing zelfs hier en daar lintjes.

Omstreeks het begin van de jaren tachtig werd BMX crossfietsen een tijdje populair in onze contreien. Her en der werden er teams gevormd, clubs opgericht en wedstrijden georganiseerd. Veelal kwamen de jonge sporters uit het motorcrossmilieu. Met mijn pa ben ik nog naar enkele wedstrijden gaan kijken. In het eerste jaar middelbare school had ik trouwens ook een klasgenoot die in zulke crossen meereed.

Moest mijn lichaam, heden ten dage, als gevolg van dat geklungel van die chirurg, niet zo willoos zijn, ik zou toch wel eens stiekem op Austin zijn BMX durven kruipen. Terwijl de jongen naar school of om een andere reden thuis afwezig is. Om evenwicht- en andere kunstjes uit te proberen, want zulke dingen lijken me leuk. Omwille van de eerder aangehaalde reden zal het BMX'en evenwel in mijn dromen moeten geschieden. Wat dan weer als voordeel heeft dat ik er niet mee moet wachten tot mijn zoon er een keertje niet is!

Rudi, 6 maart 2009 (revisie op 14 oktober 2009)

21-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Opschudding op ons adres!

  

Wij huizen in de linkerzijde van een dubbelwoonst. In het rechter gedeelte van het gebouw was vroeger mijn handelszaak gevestigd. Met op de bovenverdieping en op de zolder de burelen en op het gelijkvloers achteraan een werkplaats en vooraan een kleine winkel, met een aparte buitendeur en ook een deur die uitkomt in de inkomhal van het woongedeelte.

Die zaterdagnamiddag stond ik achteraan in de winkel uitleg te verschaffen aan een klant, toen ik een sirene hoorde. Terwijl ik verder praatte met de klant, keek ik door het etalageraam naar buiten. Even later zag ik op straat een politieauto verschijnen met het blauwe zwaailicht aan. En het voertuig kwam onze parking opgereden! Ik vreesde onmiddellijk dat er iets aan de hand was met mijn echtgenote of één van onze kinderen, die toen een jaar of twee oud waren. Ik wou naar de verbindingsdeur snellen, maar er stonden nogal wat klanten in de zaak en mijn medewerker stond net in die hoek een volledig computersysteem in de dozen te stoppen, nadat hij, zoals bij onze service hoorde, die mensen een bondige uitleg had gegeven over de werking van hun apparatuur.

Dus excuseerde ik me bij mijn klanten en liep ik via de achterdeur langs onze tuin naar de achterdeur van het huisdeel waar we wonen en holde via de veranda en daarna de keuken, de living binnen. Mijn kindjes zaten te spelen. Oef! Met hen was er alvast niks aan de hand. Maar waar was hun mama? Achteraf bleek dat zij middelerwijl via de verbindingsdeur in de winkel naar mij op zoek was gegaan omdat ze dacht dat er bij mij in de zaak iets was gebeurd. We troffen elkaar uiteindelijk aan in de inkomhal van onze woning, waar mijn echtgenote net de voordeur opende. Er stonden twee politieagenten. Eén van hen zei dat ze naar ons adres waren gestuurd omdat er bij de alarmcentrale een telefonische oproep was binnengekomen, afkomstig vanuit ons huis.

Mijn eega en ik keken elkaar vragend aan. De dienaar van de wet, die ons twee allicht uit de lucht zag vallen, vroeg of we kinderen hadden. We knikten allebei bevestigend en zeiden een tweeling te hebben van twee. Daarop openden we de deur naar de living. We keken de ruimte in. De telefoon stond op zijn gewone plaats. Met de hoorn netjes op de haak. En op mijn vraag of zij met de telefoon hadden gespeeld, schudden mijn kindjes uiteraard ontkennend het hoofd.

En toch moet één van onze jongens van een onoplettendheid van zijn mama hebben geprofiteerd om met de telefoon te spelen en, aangezien geen enkel nummer is voorgeprogrammeerd, puur toevallig het telefoonnummer van de hulpdiensten hebben ingetoetst.

We keerden terug naar de wachtende politiemannen in onze inkomhal en verontschuldigden ons voor de valse oproep. De agent zei glimlachend dat dit wel vaker voorkomt, waarna hij en zijn collega ons nog vriendelijk gedag zegden en teruggingen naar hun dienstwagen. En ik me terug naar de wachtende klanten in mijn winkel haastte.

Een dag later is die agent nog eens terug gekomen om mijn identiteitsgegevens te noteren ten behoeve van zijn verslag. Op mijn vraag of het voorval van de dag voordien nog een staartje zou krijgen antwoordde hij negatief. Zolang dit maar eenmalig bleef, zouden wij daar niks meer van horen.

En voorlopig houden mijn zoontjes zich nog steeds gedeinsd.

Ru(sh)di(e), 6 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

30-03-09

Herinneringen uit mijn verleden - Trouwe viervoeter

 

Jarenlang ging ik vrijwel nergens heen zonder mijn hond, een Schotse Collie. Da's een langharige, middelgrote herdershond, zoals Lassie, bekend van de films en televisieseries waarin deze hond de hoofdrol speelde.

Inmiddels is mijn lieve huisdier reeds bijna drie jaar overleden, maar ik denk nog heel vaak aan haar. Gezien ik de warmte en liefde die zij me gaf nu moet ontberen en de schier eindeloze reeks aangename herinneringen die ik heb aan mijn leven met haar. Enkele bijzondere daaruit wil ik hier graag met jullie delen.

Tijdens haar eerste levensjaren ging ik nagenoeg dagelijks met haar wandelen in het veld achter de woning van mijn ouders, waar ik toen nog woonde. Haar halsband was verbonden met een oprolbaar snoer, dat haar een ruime bewegingsvrijheid gaf, zonder dat ik de controle over het dier verloor, want het uiteinde hield ik stevig vast in mijn hand. Tijdens één van onze tochten dienden we over een gracht te geraken. Deze was niet erg breed, en ook niet heel diep, maar er stond wel wat vies water in. Hoe zeer ik mijn Collie ook aanzette daartoe, het dier wou niet springen. Dus besloot ik eerst zelf te springen en dan, vanaf de overkant, door aan de leiband te trekken en haar met mijn stem aan te moedigen, het dier er toe te bewegen om hetzelfde te doen.

Ik nam een aanloop, zette mijn voeten af aan de rand van de waterweg en sprong. Op het moment dat ik zowat halverwege die gracht hing kwam er ineens met een plof iets op mijn rug en schouders terecht. Het was mijn hond. Ze had alsnog besloten te springen... bovenop mij! Gevolg: ik lag daar met mijn klieken en mijn klakken in de sloot, en kwam met water in de schoenen en een bevuilde, natte broek aan de overkant, terwijl mijn hond vrolijk kwispelend en met droge poten op de oever rondhuppelde.

Skipper maakte trouwens haar pootjes niet graag nat of vuil en kon echt afkeurend kijken en haar neus optrekken als ze buiten moest voor haar natuurlijke behoeften, of om te wandelen, terwijl de tuin er nat en modderig bijlag.

Gedurende enkele jaren ben ik met haar als enige gezel, op reis gegaan. Steevast kreeg ik toen in de hotels waarin ik verbleef de lelijkste kamers toegewezen. Men ging er blijkbaar van uit dat wij de ruimte zouden bevuilen, terwijl ik de kamer steeds netjes hield en mijn dier haar pootjes steeds reinigde bij het betreden van het logementhuis. Daarom huurde ik meestal een studio, tenzij ik slechts voor enkele dagen ter plaatse bleef.

Alleen blijven in de kamer deed mijn hond niet graag. Dan begon ze veelal te janken of te blaffen. In een hotel aan de Moezel in Duitsland had ik haar toch eens alleen gelaten terwijl ik iets ging regelen aan de receptie op het gelijkvloers. Toen ik daarna de lift wou nemen naar de verdieping waar ik verbleef, kwam mijn hond kwispelstaartend uit de ascenseur gestapt. Hoe het dier daar was in geraakt zal wel eeuwig een raadsel blijven. Mijn kamerdeur, die ik niet op slot had gedaan, stond wagenwijd open. Die had Skipper wellicht geopend door met haar poten op de klink te springen en daarna met een duw van haar snoet volledig open te stellen. Daar was ze een kei in.

In winkels nam ik mijn hond nooit mee naar binnen. Ik bond haar leiband aan mijn rugzak en gebood haar dan aan de ingang te blijven zitten of te liggen en op mij te wachten. En dat deed ze ook.

Ergens in, als ik me niet vergis, Oostenrijk, waren we aan het wandelen over een pad, dat naast een bergweide liep, waarop koeien stonden te grazen. Skipper liep los en kwam, één of ander spoor volgend, nogal dicht tegen de schrikdraad. Ik gebood haar bij me te komen, maar de geur van waarschijnlijk een haas of konijn was blijkbaar te aantrekkelijk om onmiddellijk op mijn bevel te reageren. En ja: plots weerklonk een luid kajiet, waarna ik het arme dier met een bliksemvaart aan me voorbij zag hollen. Ik lachte luid. Dat kwam er van als ze niet naar haar baasje luisterde!

Tien minuten later dienden we, als ik de op mijn stafkaart aangeduide weg wou blijven volgen, een omheind weiveld te doorkruisen. Ik zwaaide mijn ene been de lucht in en gebruikte mijn linkerhand om de draad naar beneden te duwen, teneinde het over de omheining stappen te vergemakkelijken. "Auw!" Ik sprong op één been in één keer wel twee meter achteruit en viel op mijn bibs. Zat daar potverdorie ook stroom op die draad!

Terwijl ik langzaam opstond en enigszins aan het bekomen was van de schok, kwam Skipper kwispelstaartend aangelopen. Was het inbeelding, want een dier kan dat toch niet?  Of zag ik daar toch wel een spottende blik verschijnen op dat beest haar aangezicht?

In noord Frankrijk heb ik eens een agent achter me aan gehad, toen we met de hond ergens wandelden waar het niet was toegelaten. Mijn vriendin en ik slenterden langsheen de waterlijn aan de Noordzeekust. Skipper liep los voor ons uit. Op een zeker ogenblik kwam daar een jonge agent in korte broek en met een lachwekkende kepie op zijn hoofd op ons afgelopen. Hij zei "Bonjour", wees naar mijn hond en deed een ganse uitleg. Ik verstond die, zoals even later zou blijken, totaal verkeerd. Waarschijnlijk was die agent een uitgeweken Waal of anders was het dan toch ik die niet zo goed Frans verstond als ik op dat moment dacht te verstaan. Of mogelijks een combinatie van beide.

Want ik ging er van uit dat hij zei dat ik mijn hond aan de leiband moest houden. Dus zei ik: "Oui, oui, d'accord, monsieur le gendarme", nam de leiband uit mijn jaszak en bevestigde die gehurkt aan mijn dier haar halsband. Die agent was inmiddels terug op weg naar zijn controlepost. Hand in hand met mijn geliefde, en daar tussenin de hond, vervolgden we onze weg.

Even later weerklonk het scherpe geluid van een fluitje. Skipper haar oren gingen rechtop staan en wij keerden ons hoofd in de richting van waar het geluid vandaan kwam. Het was die politieagent alweer. Hij kwam, met een rood aangelopen gezicht en ontzettend boos kijkend, in onze richting gehold. Mijn verbaasde blik kalmeerde hem echter terstond en hij bleek echt te geloven dat ik niet van kwade wil was en nu pas begreep dat wandelen met een hond aldaar helemaal niet was toegelaten. We keerden ons dus maar om en stapten terug in de richting van waar we vandaan kwamen. We hadden in ieder geval intussen een mooie wandeling gemaakt!

Zo een dier maakt sociaal contact trouwens ook een stuk eenvoudiger. Kinderen kwamen Skipper vaak strelen en ook veel volwassenen werden aangetrokken door het prachtige dier. Dikwijls begonnen ze dan te praten over hun eigen huisdier of over dieren in het algemeen, waarna vervolgens veelal op een ander onderwerp werd overgeschakeld.

Met enige schroom beken ik bij deze ook, toen ik nog vrijgezel was, meermaals het lieve dier misbruikt te hebben om mijn kansen bij de andere sekse te peilen. Als ik ergens een mooi meisje zag lopen, waarmee ik contact wou, dan floot ik eens kort ("Fwiet"), om haar aandacht te trekken. Draaide ze glimlachend, verlegen of neutraal kijkend haar hoofdje opzij, dan toonde ik haar mijn liefste glimlach, zei dag, en heel uitzonderlijk slaagde ik er vervolgens in met de deerne in kwestie een praatje te slaan.

Als de nagefloten schoonheid echter een boze blik in mijn richting stuurde, dan floot ik nogmaals, en riep vervolgens "Skipper!" en iets van "Allé jong, meisje, waar was je nu?" Lafhartig, ik geef het toe, maar liever dat dan een krijsend meisje met een zwaaiende handtas achter me aan.

Ru(sh)di(e), 16 januari 2003 (revisie op 23 maart 2009)

27-03-09

Herinneringen uit mijn verleden – Mee-eter(s)

 

Het volgende verhaal speelt zich af in de tijd toen onze kinderen nog baby's waren. Het was een mooie zomerochtend. Ik verliet als eerste het bed waarin ik samen met mijn echtgenote de nacht had doorgebracht, keek even in de bedjes van de kinderen, die toen nog bij ons in de slaapkamer stonden, verfriste me in de badkamer, kleedde me aan en wandelde gezwind de trappen af naar de gelijkvloerse verdieping van ons huis.

Onze hond richtte lui de kop op. Die was blijkbaar nog moe! Toch stond ze op, rekte zich uit en kwam toen kwispelend naar me toe. Terwijl ik haar door de woonkamer, via de keuken en veranda, naar buiten vergezelde voor haar ochtendplas en -kak, , herinnerde ik me plots dat we de avond tevoren stoofschotel met 'zwarte ogen' bonen hadden gegeten, mijn lievelingskost. En ik herinnerde me ook dat we de pot niet hadden leeggegeten. Er was dus ongetwijfeld nog een restje overgebleven, dat ik nu zou kunnen nuttigen als ontbijt. Lekker!

Inmiddels was ik terug in de keuken aanbeland en zag ik de bewuste pot op een bekken op het kookvuur staan. Maar het deksel lag ernaast en wat ik toen vreesde, werd mij luttele seconden later door mijn ogen bevestigd. De pot was leeg! Blijkbaar was mijn eega me voor geweest. Gisterenavond nog? Of deze nacht met honger wakker geworden? Ze moest in alle geval veel honger hebben gehad, want de ketel was compleet leeg.

Toen mijn vrouw iets later ten tonele verscheen merkte ik schamper op dat ze wel erg egoïstisch was geweest door de overgebleven stoofschotel integraal zelf te verorberen en zelfs geen klein restje voor mij over te houden.

Mijn wederhelft keek me enorm verbaast aan en verzekerde mij NIET aan ons eten te hebben geraakt. Met open mond bekeken we vervolgens samen de lege pot. Met opengesperde ogen keken we elkaar aan. Als WIJ het resterende voedsel NIET hadden verorberd, WIE dan wel? Hadden we misschien onverwacht bezoek? Was er deze nacht iemand ons huis binnengekomen, op zoek naar eten en onderdak? Niet dat iets dergelijks reeds eerder was voorgevallen, maar het kon dus wel. Wij zijn nogal sociaal bewogen en wie ons kent weet dat men in nood steeds bij ons terecht kan. En noch de hekkens bezijden onze woning, noch onze achterdeur en verandadeur werden toentertijd 's nachts op slot gedaan.

Dus ik naar boven, op zoek naar die onbekende gast. In de logeerkamer was niemand te vinden. Net zo min als in de tweede slaapkamer, noch in de bergruimte, of op de zolder. Vervolgens ging ik naar de kelder en speurde ik ook doorheen elke plaats in het handelsgedeelte van ons huis, een tweewoonst. Onderwijl ging mijn echtgenote op onderzoek uit in de garages en in de stal. We vonden evenwel niemand. En zagen ook geen enkel spoor van iemands aanwezigheid.

Toch raar dat ook onze hond niks had gemerkt. Anders had die ongetwijfeld geblaft!  Vol onbeantwoorde vragen en met een vreemd, ongemakkelijk gevoel, begonnen we aan onze dagelijkse activiteiten.

Toen ik 's middags terugkwam van werk bij een klant, vond ik een vleesloos beentje aan het hek. Uit onze stoofpot? Had die mysterieuze eter deze nacht, opnieuw onze woning verlaten, onder het knabbelen aan een boutje? En na zijn peuzelwerk het overgebleven bot hier neergegooid? Raar.

Die avond waren we tijdens het avondmaal net opnieuw aan het discuteren over wie dan wel de afgelopen nacht met ons voedsel kon gaan lopen zijn geweest, toen de telefoon rinkelde. Het bleek een vriendin van mijn eega te zijn. Ze kreeg meteen het verhaal over de mysterieuze voedselverdwijning te horen.

Toen hun gesprek ten einde was, en de telefoon terug op de hoorn lag, wou ik wel eens weten wat die vriendin over het eigenaardige voorval dacht. "Ze vroeg of we een kat hebben." kreeg ik te horen. Tja, wij niet, maar onze buren wel, twee exemplaren zelfs. En die liepen ook geregeld door onze tuin. Maar die konden ons huis toch niet in?

Op dat moment ging er echter bij ons beiden een lichtje branden. Onze houten keukendeur, die uitgeeft op de veranda, waarvan de deur 's zomers open bleef staan, is voorzien van twaalf kleine venstertjes, waarvan één van de onderste twee na breuk, verwijderd was. Dus zo was die kat (of beide?) binnen geraakt, had waarschijnlijk met veel smaak de pot leeggegeten om vervolgens met haar krachtige, spitse tong de pot leeg te likken. En dat teruggevonden, door scherpe tanden afgeknaagd beentje, was ongetwijfeld een naar buiten gesleept restant van de buit. Toch was het raar dat de hond niks had gemerkt.

Een jaar of twee eerder woonden we ook reeds in hetzelfde gebouw. Aangezien we toen nog volop aan het verbouwen waren in het woongedeelte, verbleven we op de eerste verdieping van de andere huiszijde, boven de ruimte die later als winkel zou fungeren. Mijn zaak was inmiddels nog op het adres van mijn ouders gevestigd.

Toen ik die avond, na sluitingstijd, huiswaarts keerde, kwam mijn moeder met een doos versgebakken ronde cakejes aangestapt. Ze wist immers dat haar schoondochter daar dol op is, en ik eveneens. Ik dankte mijn ma voor de gift en verzocht haar de gebakjes in mijn tas te stoppen, bovenop mijn paperassen, terwijl ik onderwijl de rest van mijn spullen in de auto laadde.

Eens thuis plaatste ik alle meegebrachte waren, alsook de tas, in wat later de winkel zou worden en liep de trap op om mijn liefste te melden dat ik was thuisgekomen. Onze hond begroette mij enthousiast als eerste, en ook mijn echtgenote scheen tevreden dat ik thuis was. Ik vertelde haar over de gebakjes van haar schoonmama en vroeg haar me even te helpen om al mijn spullen naar boven te brengen. Dat wou ze. Wij dus naar beneden.

Ik nam een deel van de goederen ter hand, terwijl ik zag dat mijn schattebout vooreerst de inhoud van mijn tas inspecteerde. Op mijn aangezicht verscheen een glimlach. Mijn honnepon kon blijkbaar niet wachten tot we boven waren om een aanvang te nemen aan het verorberen van die koekjes.

"Wel, waar zijn ze?" kreeg ik te horen. "Hier zit niks in!" Ik dacht dat mijn wederhelft me in het ootje wou nemen, maar dat bleek niet zo. Ik nam de tas over van haar en bekeek de inhoud. Ik haalde er een dekselloze witte ijscrème- doos uit. Was dit niet de doos waarin mijn ma de cakejes had verpakt? Maar waar waren ze dan heen?

We keken rond in de ruimte. Op de grond waren geen koekjes te bespeuren. We zagen wel een likkebaardende hond. Zij zou toch niet...? Maar waar waren de papiertjes dan gebleven?

En toch! Het dier moet, afgaande op de aantrekkelijke geur van de ovenverse gebakjes, haar snuit in mijn tas hebben gestopt en,wetende dat het eigenlijk niet mocht en dat ook ik zeer spoedig naar beneden zou komen, uiterst snel alle gebakjes, inclusief verpakking, naar binnen hebben gespeeld.

Ru(sh)di(e), 7 december 2002 (revisie op 23 maart 2009)