29-06-12

Herinneringen uit mijn verleden - Hengelaarplezier & sportvisserijvertier

      

Reeds van op heel jonge leeftijd ging ik vissen. Mee met mijn pa, en meestal op paling. Eens ik als tiener, door mijn ouders oud genoeg werd bevonden, trok ik er alleen op uit. Meestal richting provinciaal domein. Een gigantisch terrein met een kasteel, bossen, bloementuinen, een dierenpark, speeltuin en enkele visvijvers. Gelegen op een kilometer of vijf van mijn ouderlijke woonst.

Toentertijd was fietsen binnen het domein niet toegelaten. En omdat de afstand tussen de ingang van het domein en de visputten, toch enkele kilometers bedroeg, had ik voor het transport van mijn spullen een karretje gemaakt. Van het onderstel van een oude kinderwagen, waarop ik een plank had bevestigd.

Het karretje plaatste ik op de bagagedrager achteraan mijn fiets. Mijn door mijn pa, met recuperatiemateriaal gemaakte houten vissersbak, kwam daar nog bovenop te staan. Met snelbinders bevestigde ik dit alles stevig aan mijn fiets. Mijn in een kokervormige stoffen tas gestopte werphengels en oude vissersparaplu, bevestigde ik, met oude lederen riempjes, aan de buis van mijn fiets.

Met al mijn visspullen op de fiets reed ik dan van thuis tot aan de ingang van het domein. En; van daar trok ik vervolgens het karretje met mijn visgerei, middels een stevig touw, tot aan de visvijver.

Het vissen was een vrij sociaal gebeuren. Rond de vijvers trof je vaak dezelfde mensen aan, waaronder ook heel wat jongelui. En bijna uitsluitend jongens en mannen. Eens geïnstalleerd op ons plekje aan het water, gingen we doorgaans bij de reeds eerder aanwezige hengelaars even gaan luisteren of ze al wat hadden gevangen. En zo het antwoord bevestigend was, keken we met graagte naar het door de visser even uit het water getilde leefnet. Om de zich daarin bevindende gevangen vis te aanschouwen. En de betreffende visser te feliciteren met zijn vangst.

Ook als we na een uur of zo turen naar onze dobber, of geduldig wachten op enig geluid van het aan onze werphengels bevestigde alarmbelletje, geen beweging of geluid waarnamen, gingen we elkaar opzoeken. Om onze nood te klagen. En onze benen te strekken. En als er iemand ‘beet’ had, dan kwamen de vissers uit diens buurt rond die gelukzak staan. Om hem bewonderend, en niet zelden met enige jalousie, de buit te zien binnenhalen. Vooral als het grote kanjers betrof, die meestal nogal wat weerwerk boden en moesten worden moe gemaakt, vooraleer te worden opgehaald, gaven nogal wat omstanders gretig hun ongevraagd en meestal ook onnodig en ongewenst advies. Gewoonlijk wel welkom was dan weer de hulp die collega-vissers boden door het reeds in het water houden van het schepnet met behulp waarvan de aan de haak van de vislijn hangende vis op de oever en dus het droge moest worden gebracht.

*****

Op een zekere dag in de vakantie, was ik met een vriend een namiddag gaan vissen in dat provinciaal domein. De buit was mager. Buiten de dikke aal die ik had gevangen. Nogal wat andere, rond de vijver verzamelde vissers, waren jaloers op mijn vangst.

Zo ook de corpulente zoon van de champetter uit een gehucht, grenzend aan de buurt waar ik woonde. Die kerel was een jaar of twee ouder dan mij. Daardoor en tevens door het feit dat we nooit bij elkaar op school hadden gezeten, kende ik de jongen slechts vaag.

Toen mijn maat en ik ons boeltje bij elkaar hadden gepakt en net op het punt stonden om ons via de, naast de vijver lopende, geasfalteerde laan, naar de uitgang van het domein te begeven, kwam die kerel, samen met zijn twee maten, op me af. En vroeg me of hij mijn vangst nog eens mocht zien.

Met enige tegenzin haalde ik de snelbinder van rond mijn op mijn karretje staande vissersbak, opende de klep ervan en haalde er het wit stoffen zakje uit waarin de door mij gevangen aal zat opgesloten. Ik loste de strop waarmee het zakje werd dicht gehouden en liet de inhoud zien: een vette paling van een centimeter of 40 lang, wel minstens 2 centimeter dik en vast minimaal 800 gram zwaar. Die lag te kronkelen in een door hemzelf geproduceerd half transparant wit slijm.

De ogen van de dikke tiener voor me puilden bijna uit hun kassen. Hij wou de aal van me afkopen. En bood er mij maar liefst 500 Belgische Franken voor aan, een goeie 12 Euro. In die tijd, eind de jaren zeventig, was dat, voor een jongere, een ferm bedrag.

Toch was mijn vangst verkopen geen optie. Die nam ik mee naar huis. Om aan mijn huisgenoten te tonen, te doden, te stropen, te kuisen en later zelf op te eten. En ik dacht er nog niet aan om dat ritueel te verbreken voor wat geld.

Die dikzak snapte dat evenwel niet. Hij bekende me dat hij thuis bij voorbaat had opgeschept over zijn visserstalent en de vangt die hij naar huis zou meebrengen. En nu dreigde hij gezichtsverlies te lijden door met kompleet lege handen weer te keren. Dus wou hij hoe dan ook mijn aal. En kwam dreigend en boos kijkend op me af toen ik het zakje weer dicht bond, wegstopte en mijn vissersbak weer aan mijn karretje vastmaakte.

Nu was ik in die tijd zelf geen hummel en best potig, maar toch vermeed ik liefst een fysieke confrontatie met die gast van minstens een kop groter dan mij en met een lichaamsvolume van wel drie keer het mijne. Dus wenkte ik mijn maat en zette het samen met hem op een lopen. Mijn karretje achter me aantrekkend.

De zoon van de champetter bleef eerst enkele seconden verbouwereerd ter plaatse staan, maar gaf toen met de palm van zijn dikke vette pollen zijn beide maten een flinke duw in de rug en zette zich samen met hen in beweging. Me onderwijl dingen toeroepend die ik niet kon verstaan. Want wij waren inmiddels al op geruime afstand van elkaar verwijderd. Met zijn logge lijf, nog verzwaard door de ballast van zijn visgerei, kon die gast trouwens mijn tempo absoluut niet aanhouden. Toen hij en zijn vrienden de uitgang van het domein bereikten, zaten mijn vriend en ik reeds op onze met het visgerei geladen fietsen en reden we gezwind weg van de fietsstelplaats. Die vetzak zonder visvangst het nakijken gevend.

Thuisgekomen toonde ik vol van trots mijn vangst aan mijn moeder. Die blij was met mijn succes. En verzekerde me dat ook mijn pa, bij thuiskomst van zijn werk, verheugd zou zijn over mijn vangst van zulk een ferme paling.

Over het conflict met de zoon van de champetter zweeg ik wijselijk. Het had geen zin om mijn ma nodeloos bezorgd te maken. Bovendien wou ik ten alle prijze vermijden dat ze me niet langer zou toelaten om alleen of met vrienden te gaan vissen.

Als steeds maakte ik zelf mijn vangst gereed om klaar te maken voor consumptie. Daar was ik goed in. Ook de buurjongens kwamen, als ze bij het vissen iets hadden gevangen, bij mij langs om hun vis te laten doden en kuisen. Dat deed ik buiten, of bij slecht weer, in onze garage.

Net onder de kop van mijn nog levende paling maakte ik met een scherp mes een snede. Waarna ik, terwijl ik met een vod de kop vasthield, met een oude platte bektang, de huid van de aal vastkneep en van diens lijf stroopte. Vervolgens sneed ik zijn buik open in de lengterichting. En haalde alle ingewanden uit het lijf door mijn duim van aan de kop tot aan de staart door het lijf te bewegen. Dan sneed ik de kop eraf en spoelde en wreef de overgebleven resten proper in een emmer met proper putwater. Dat ik middels onze oude waterpomp aan de oppervlakte had gebracht. Met keukenpapier depte ik daarna het vlees proper. En bracht het dan naar mijn ma. Die het in een zakje stopte en in de diepvries deponeerde. Om er later, samen met andere door mijn pa en mij gevangen palingen, een heerlijke maaltijd mee te bereiden.

*****

Door dat vaak uit vissen gaan naar dezelfde waterput, leerde ik er dus snel jongens kennen die daar dezelfde hobby uitoefenden. Het waren doorgaans kerels van ongeveer mijn leeftijd of enkele jaren ouder. Soms zat ieder gewoon op zijn eigen plekje en brachten we elkaar zo nu en dan een bezoekje. Om te zien wat de andere al had gevangen, maar vaak ook gewoon om een praatje te slaan en zo de tijd te doden.

Soms troepten we ook samen en zaten we allemaal naast elkaar met onze vislijnen. Door ons gestoei en gebabbel werden de vissen vast afgeschrikt, want veel werd er op die momenten doorgaans niet gevangen. Ook niet die keer dat ik als twaalfjarige met de enkele jaren oudere, aan de visput ontmoette Wouter en nog een tweetal andere gelegenheidsvrienden, aan het vissen was. Het was warm weer en we hadden dan wel nog niet eens beet gehad, de leute was er niet minder om.

Op een gegeven moment kwam er op het wandelpad, gelegen op een tiental meter van, en iets hoger dan, de visvijver, een knap blond grietje aangetrippeld. Uiteraard was Wouter de eerste uit ons groepje die het meisje had opgemerkt. De praatgrage kerel zat immers meer rondom zich te kijken dan naar de dobber van zijn vislijn. Hij maakte ons, de andere drie, met opgewonden stem, attent op die mooie verschijning. En het korte rokje dat ze droeg onder het al even weinig verhullende topje van het, voor haar vermoedelijk zowat vijftien jarige leeftijd, reeds fraai gevormde lichaam.

Wouter floot luid tussen zijn tanden. De frêle schoonheid stopte en keek ons glimlachend aan. Waarop Wouter haar uitdagend vroeg of dat rokje niet nog wat hoger kon. “Oh, jawel hoor!” zei het meisje lachend, “Ik draag er toch nog een broekje onder!” Waarop het lekker ding haar minirokje optilde en wij een nauw om haar lijf spannend bleekroos onderbroekje te zien kregen.

Wouter sprong van opwinding bijna uit zijn eigen broek. Zenuwachtig, met blozende kaken en trillende stem vroeg hij aan het meisje waar ze heen ging. De speeltuin, zo liet ze weten. En toen ze met haar lieflijke stem positief antwoordde op zijn vraag of hij mee mocht gaan met haar, was Wouter niet meer te houden. Verbaast keken we toe hoe de jongen vliegensvlug al zijn visgerij bij elkaar scharrelde, ons nog snel ten afscheid groette en vervolgens naar dat meisje toe holde.

Wij, achterblijvers, keken die twee nog even na. Wouter met zijn zware visbak middels een riem op de rug dragend, in één hand de lange smalle zak met zijn vislijnen en met de andere hand wild gebaren makend. Terwijl het naast hem stappende meisje hem, onder het verleidelijk bij elkaar nemen van haar lange sluike haar, glimlachend aankeek. Waarschijnlijk was onze maat die knappe deerne een verzonnen verhaal aan het vertellen over eerdere wonderbaarlijke visvangsten.

Wouter zagen we die dag niet meer terug. Maar een dag later was hij wel terug van de partij. En bracht de jonge kerel, onder het vissen, in geuren en kleuren verslag uit van de formidabele namiddag die hij had beleefd met die mooie, vrouwelijke leeftijdgenote.

Ru(sh)di(e), 23 oktober 2011 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 januari 2012.

24-01-11

De avonturen van Rudi & Co - Vakantie

Vele jaren lang bracht ik mijn vakantie door in Graskant, in de buurt van Nieverans. Na recentelijk een tip op de radio te hebben gehoord, heb ik voor dit jaar in allerijl nog een last minute geregeld naar de Costa Mijngazon, nabij Pelouse. Dit verblijfsoord toont wel opvallend veel gelijkenissen met mijn vroegere vakantieplek, maar een mens in vakantiestemming maalt daar niet om.

Echt op vakantie gaan zit er voor mij, voor het tiende jaar op rij, helemaal niet in. Nochtans had ik vurig gehoopt deze zomer eens een weekje aan de kust te kunnen doorbrengen. Maar het zal er helaas niet van komen. Hopelijk krijg ik wel een daguitstap met het gezin naar de Noordzeekust georganiseerd. Want na ze het ganse vorige kalenderjaar ook al niet te hebben gezien, verlang ik werkelijk naar de golvende zee, het zandstrand, de duinen en de gezonde zoute lucht aldaar. Om nog te zwijgen over al het bijkomstige maar evenzeer geapprecieerde moois dat er doorgaans valt te bewonderen.

Gelukkig hoef  ik dit jaar niet de ganse periode alleen door te brengen, maar houden mijn gezinsleden me het grootste deel van de tijd gezelschap. Van het feit dat de Oost-Vlaamse provinciehoofdstad, waar ze de voorbije week druk aan het feesten zijn geweest, op korte afstand ligt van ons vakantieverblijf, hebben we trouwens dankbaar gebruik gemaakt om daar ook even de sfeer te gaan opsnuiven.

Mijn puberende zoons vonden dat uitje reeds bij voorbaat allesbehalve de max, want op stap gaan met je ouders wordt door kinderen uit hun leeftijdscategorie als niet cool bestempeld. Toch heb ik hen zo nu en dan, op een onbewaakt moment, wel eens zien verwonderd of bewonderend kijken, glimlachen en zelfs genieten van de straatacts en de podiummuziek.

In één van die talloze over de pleintjes en straten van de binnenstad verspreide verkooptentjes, kon je T-shirts kopen met allerlei opschriften. Terwijl de jongens met hun ma de andere daar te koop aangeboden prullaria van dichtbij gingen bekijken, las ik de opschriften van de hemdjes. Eentje ervan vond ik wel leuk. Namelijk dit met de tekst: “Tell ur boobs to stop staring at my eyes” (zeg jouw borsten op te houden met naar mijn ogen te staren). Waarschijnlijk reeds sinds jaren verkrijgbaar, maar helmaal nieuw voor mij.

Een half uurtje later kreeg ik zin in een ijsje en troonde daarom mijn gezellen mee naar de Italiaanse ijsjeskar, die ik vanuit de verte had opgemerkt. Er stond een lange rij wachtende mensen voor ons. Wat ik persoonlijk niet zo erg vond, want de persoon die ijsjes stond te scheppen was een knap verkoopstertje. Dat tijdens haar werkzaamheden haar geduldige klanten beloonde met een niet te vermijden, noch te versmaden, inkijk op haar fraaie boezem.

Tot haar compagnon, waarschijnlijk de vriend van het meisje, in de gaten kreeg dat de in hoofdzaak mannelijke klandizie, meer oog had voor de mooi gevormde, lichtbruin gekleurde bollen in het meisje haar topje, dan in de in allerlei kleuren en smaken beschikbare, uit de diepvriesvakken geschepte ijscrème bollen. De kerel nam over en liet het meisje enkel nog toe als kassierster te fungeren. In welke functie een diep voorover buigen niet langer nodig was.

Het kan toeval zijn, maar na deze wissel slonk de rij aanschuivende klanten al even snel weg als mijn net gekochte, in een koeken hoorntje gedeponeerde bolletje vers schepijs met pistachesmaak smolt, door de warmte van de zon en mijn gulzig likkende tong.

Helaas toch weer een minpuntje op deze feesten. Goed bedoeld, maar daarom niet minder beledigend kwam, terwijl wij naar een optreden keken, een man mijn echtgenote meedelen dat ik ook vooraan, op een speciaal voor rolstoelers voorziene plek kon gaan staan. Zelfs toen ik die kerel zelf aansprak, bleef zijn aandacht enkel op mijn eega gericht. De man zal nog eens grondig moeten worden gesensibiliseerd. Zo een invalidenplekje vind ik trouwens niks voor mij. Je ziet dan vaak wel meer van wat er op het podium gebeurt, maar mist de aanwezigheid van je gezellen en het je opgenomen voelen in de menigte. Als je trouwens de pech hebt dat er net die avond een groepje gehandicapten uit een instelling op die plek wordt gedropt, maak je trouwens veel kans voornamelijk de keelklanken van dat enthousiaste publiek te horen, terwijl dat echt niet de bedoeling is. Waarmee ik uiteraard niet wil zeggen dat ik die mensen hun amusement niet gun, want het tegendeel is waar.

Afsluiten doe ik, als naar gewoonte, met nog iets plezant en positief. Toen wij het feestgewoel al verlieten, arriveerden er vier vrolijke jonge feestvierders die gezamenlijk een opklapbare lange zitbank in hun armen en handen meezeulden. Slim bekeken, zo een mobiele zitplaats annex stapodium. Persoonlijk sleep ik ook overal een zitplaats mee naartoe. Maar enkel voor mezelf. En de armsteunen van mijn vehikel zijn alleen bruikbaar als verhoog voor kleine kinderen, dus helaas niet langer meer voor mijn eigen kroost. Maar die kerels zijn nu al groot genoeg om alles goed te kunnen bezien van op de begane grond.

Ru(sh)di(e), 25 juli 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

17-01-10

De avonturen van Rudi & Co - Zonder Co

  

Neen, ik ben niet geveld door de zon of in een diepe zomerslaap gezonken. En ook niet fysiek van de aardbol verdwenen,  Karel Van Miert, Yasmine, Farrah Fawcett, Michael Jackson en een resem andere mensen en dieren achterna. Neen, het zou wat al te gortig zijn om net nu ik een nieuwe rolstoel heb en terug enigszins mobiel ben, het tijdige te ruilen voor het permanente einde.

De reden voor mijn verminderde frequentie in het verhalen van mijn belevenissen is te wijten aan het feit dat ik mijn leven een beetje moest reorganiseren, als rechtstreeks gevolg van het sinds zaterdagochtend op reis vetrekken van mijn huisgenoten. En ik mocht inderdaad niet mee. Mijn bijdrage aan hun vakantietrip blijft beperkt tot het meefinancieren van de reis. Nochtans was ik ook wel graag eens een tijdje weg 'gegaan' van mijn vaste verblijfsstek. Helaas...

Doorheen de jaren las ik in zo vele publicaties keer op keer dat ieder mens nood heeft en recht op seks en vakantie. Wat ik ervaar in mijn omgeving is dat men er blijkbaar, ter wille van de eigen gemakkelijkheid en gemoedsrust, vanuit gaat dat ik de uitzondering ben op de regel. Wat dus een totaal foute veronderstelling is. Want het is niet omdat ik met mijn willoos lichaam in een invalidenkarretje rondcross, dat ik geen noden, verlangens noch gevoelens heb. Die heb ik wel degelijk.

Maandagnamiddag reed ik naar het oudercontact op zoon Brian zijn school. Als rolstoeler had ik het zalige genoegen buiten op de koer de leerkrachten van mijn kind te mogen spreken. Het gebouw is immers helemaal niet voorzien op zich op wielen voortbewegende medemensen.

Met het prachtige weer op die dag, was die, in wezen schandelijke ontoegankelijkheid, voor één keer geen straf, geen vernedering, maar daarentegen een zegen. Ik hoefde, in tegenstelling tot andere ouders immers niet in een, allicht door de warmte bevangen gang te gaan zitten vooraleer in een wellicht even muf klaslokaal te worden ontvangen. Neen, zalig in de schaduw van een boom vond ik mijn plekje!

Toen ik, in afwachting van een onderhoud met zijn klastitularis, door een mevrouw, naar ik vermoed werkzaam op het secretariaat van de school,  het rapport van zoon Brian kreeg overhandigd, dit met een bang hart opende en er tot mijn grote vreugde het A- attest in aantrof, raakte ik zowaar geëmotioneerd.

Gelukkig waren er geen vreemden in mijn onmiddellijke buurt, want door de emotie overmand zou spreken even moeilijk zijn geweest. Had ik dit nieuws op mijn eentje thuis vernomen, ik had waarlijk gehuild van opluchting en blijdschap. Jammer dat ik deze vreugde niet onmiddellijk met een naaste kon delen.

Een dag later was Austin zijn school aan de beurt. Per e-mail had ik met zijn klastitularis afgesproken, even voor de middag, in een lokaal op het gelijkvloers. Want ook deze school blinkt uit in haar ontoegankelijkheid voor minder mobiele medemensen.

De juf stond me al op te wachten... achter een gesloten deur. Het was dus geen slecht idee geweest om niet zonder assistente te komen, want anders had ik weer schoon alleen voor de deur kunnen staan wachten tot ik een passant kon aanspreken met het verzoek die deur voor me te openen. Met het gevaar dat ik, eens binnen, met de deur achter me dichtgeklapt, als een rat in de val had gezeten als daar niemand te bespeuren viel. Maar dat doemscenario viel me dus gelukkig niet ten deel. En ook hier ving ik een A- attest. Hoera!

Dol van vreugde ging ik, vooraleer huiswaarts te keren, een ritje maken. Onderweg at ik, in een schaduwplekje bezijden een verkeersarme straat, en met uitzicht op de spoorweg, mijn meegenomen boterhammen op. Eenzaam en alleen, want mens noch dier was te bespeuren in die buurt. Maar ik was in goed gezelschap: mijn eigen zelve!

Op weg naar huis reed ik langsheen een verpauperde volksbuurt. Uit de tegenovergestelde richting kwam een wijkagent aangereden, die even nadien de straat dwarste en zijn bromfiets parkeerde ter hoogte van een rijhuisje op de hoek. Terstond hield ik halt, want mogelijks kreeg ik aanstonds wel een interessant tafereel te zien. Met mijn GSM in de hand, veinzend dat ik aan het telefoneren was, hield ik nauwlettend de agent in het oog. En was benieuwd welk schouwspel er zich zo meteen in mijn gezichtsveld zou afspelen

De man, die zijn helm op het hoofd hield, belde aan bij het hoekhuis. Ging vervolgens twee stappen achteruit en wachtte af. Niemand deed open. Anderhalve minuut later zette de politiebeambte terug een stap naar voor en drukte met gestrekte arm op de bel.

Korte tijd later ging de deur langzaam open en verscheen er in de deuropening een knappe, niet al te grote griet van naar ik schat halfweg de twintig, met het lange blonde haar opgestoken in een dot. Het naakte lichaam nauwelijks bedekt door een minuscule bikini! Blijkbaar gegeneerd hield ze één arm voor haar boezem. Nochtans had ze volgens mij weinig te verstoppen, want voor zover ik het vanuit mijn positie kon zien was het wicht aan de voorkant zo plat als een vijg. Wat evenwel niks afdoet aan haar schoonheid!

De agent wees met zijn rechterarm naar het wel een halve meter hoog staande gras en onkruid in het amper enkele vierkante meters groot voortuintje en de vele op elkaar gestapelde, barstensvolle huisvuilzakken die ook al voor de woning een plekje hadden gekregen. Het meisje maakte met haar vrije arm wat gebaren en ik zag haar ook bevestigend met het hoofd knikken. Allicht beloofde ze de wijkagent de vuilnis op te laten ruimen en de voortuin een beetje te fatsoeneren.

Blijkbaar volstond dat voor de agent, want de man kroop terug op zijn brommertje en reed er vandoor. Toen hij me gepasseerd was, borg ik mijn mobieltje weg. Dat voorwenden aan het bellen te zijn, was immers niet meer nodig. En dat schone mokkel was al lang terug in haar huurhuisje verdwenen. En lag allicht alweer te zonnen op haar terras of koertje of in haar achtertuin.

Rudi, 1 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 15 januari 2010.

23-04-09

Herinneringen uit mijn verleden – Ongeval

 

Zeventien jaar jong was ik, bijna achttien. En ik reed rond met een brommer. Een zwarte Yamaha RD 50, model baanmotor. Anders dan het typenummer laat vermoeden was de cilinderinhoud 49 cc. Géén 50, want dan zou de machine worden aanzien als een motorfiets, moest je bijgevolg achttien jaar zijn om het te mogen besturen en in het bezit zijn van een rijbewijs. Voor deze brommer niet, dus. Een bromfietsattest volstond. Dat had ik reeds bekomen kort na mijn zestiende verjaardag door in één beurt te slagen voor een schriftelijk examen over de verkeerscode.

Het was zomer. En zaterdagavond. Naar gewoonte reed ik na het avondeten op mijn bromfiets naar mijn stamcafé, twee dorpen verder dan daar waar ik met mijn ouders woonde. In die tijd had ik een uitgebreide groep vrienden en vriendinnen. Slechts enkelen van hen trof ik aan in de kroeg. Enkele leden van onze vriendengroep waren naar verluidt met hun ouders op vakantie, terwijl een ander deel op kamp was met de jeugdbeweging waar ze lid van waren.

De gesprekken verliepen moeizaam. We hadden elkaar immers weinig te vertellen, omdat er sinds de vorige week géén enkel van ons iets noemenswaardig was overkomen. Op de koop toe bleek er die avond in de wijde omtrek géén enkele fuif door te gaan, waar we eventueel hadden kunnen heentrekken. Na zowat een uurtje hield ik het daar dan ook voor bekeken en besloot nog eens naar het dorp te rijden waar ik enkele jaren eerder mijn eerste stappen in het uitgaansmilieu had gezet. Er was daar een populaire discotheek, met daar tegenover een al even gewild café. Het was in die laatste tent dat ik zinnens was op zoek te gaan naar oude bekenden.

Dus trok ik opnieuw mijn lederen motorjekker aan, nam afscheid van mijn gezelschap, en verliet de kroeg. Mijn brommer stond op de stoep, waar ik hem bij aankomst had achtergelaten. Ik ontgrendelde het stuurslot, zette mijn integraalhelm op en nam met beide handen mijn stuur vast. Vervolgens zwaaide ik mijn in een strak zittende stoffen witte broek gestoken rechterbeen over het zadel van mijn bromfiets, liet mijn zitvlak er op neer zakken, stak de sleutel in het contact, draaide hem een kwartslag om en startte de motor middels een flinke trap op de kickstarter.

Het was lekker rustig op de baan. Typisch voor een weekendavond in de zomer. De omgevingstemperatuur was aangenaam, dus was het bijgevolg zalig rijden. In de laatste straat die ik moest doorrijden vooraleer in de straat te belanden waar het café was gevestigd waar ik heen wou, was de helft van de straatverlichting buiten gebruik. Gelukkig had mijn vehikel een goede verlichting, die het voor één keer niet liet afweten, want ik had daar al dikwijls problemen mee gehad. Vandaag niet, dus. De koplampen deden hun werk: één verstraler en één lamp die op de grond onmiddellijk voor me was gericht.

Het fietspad waar ik op reed, was gelegen op een verhoogde berm. Op een gegeven ogenblik merkte ik dat dit rijwielpad deze berm verliet en links naast de stoep verder liep. Te laat! Ik kon onmogelijk nog naar links uitwijken en voor me doemde een stoeprand op. Ik trachtte nog mijn voorwiel op te heffen door mijn gewicht zoveel mogelijk naar achteraan de brommer te verplaatsen en met al mijn kracht mijn stuur de hoogte in te trekken, maar helaas! Mijn bromfiets botste tegen de trottoirband en ik vloog er af.

Ik rolde over de berm en zag tijdens het tollen dat ook mijn brommer een tuimeling maakte. Het licht van de verstraler scheen mijn richting uit. Toen zowel mijn tweewieler als mijn corpus tot stilstand waren gekomen, was het ineens muisstil. De motor van mijn brommer was stilgevallen en bijgevolg brandden ook zijn lichten niet meer. Ik rook benzine. En verwachtte elk ogenblik een horde mensen die bezorgd op me zouden komen toegelopen. In afwachting daarvan sloot ik mijn ogen en in een flits stelde ik me voor door een ambulance weggevoerd te worden. Ik maakte me zelfs reeds een voorstelling van mijn kameraden die bezorgd rondom mijn hospitaalbed stonden.

Toen er echter na enige tijd in mijn omgeving nog steeds géén beweging of geluid merkbaar was, opende ik opnieuw mijn oogleden en trachtte rechtop te staan. Dat lukte wonderwel! Enkel mijn rechterknie deed pijn en ook mijn ribben deden zeer. Waarschijnlijk gekneusd door de druk van het stuur op dit deel van mijn lichaam. Ik bekeek mijn kleding. Mijn mooie witte broek was niet gescheurd, maar ter hoogte van mijn knieën en rechterdij enorm vuil. Waarschijnlijk zou dat er niet meer kunnen uitgewassen worden. Mijn helm zat nog steeds op mijn hoofd.

Een beetje verloren keek ik om me heen. Ging er dan niemand komen opdagen om te zien of ik hulp nodig had? Het kon toch niet dat niet één persoon het ongeluk had zien gebeuren? Of toch? Op straat was er géén teken van leven te bespeuren. Aan de overkant van de weg was er uitsluitend akkergrond en aan de straatkant waar ik gevallen was stonden er slechts enkele huizen, die allemaal vrij ver van de straat waren gebouwd en een grote voortuin hadden. Er brandde wel licht achter de ramen, zo kon ik zien, maar ik zag géén beweging.

Een beetje stram stapte ik in de richting van mijn bromfiets en nam in het duister de schade op aan mijn tweewieler. Die bleek op het eerste zicht nog mee te vallen: een hoop krassen en een deuk in mijn benzinetank. Ik trok mijn brommer recht. Mijn stuur stond krom. Dat corrigeerde ik door voor mijn vehikel te gaan staan, met mijn benen en knieën mijn voorwiel vast te houden en met mijn handen een flinke ruk aan mijn stuur te geven.

Vervolgens nam ik plaats op het zadel. Mijn achteruitkijkspiegels waren door de schok ook los komen te zitten. Ik trachtte ze zo goed als mogelijk met mijn vingers terug vast te draaien. Op het moment dat ik mijn voertuig, al vanaf de eerste poging, gestart had gekregen, passeerde me voor het eerst sinds mijn val, een auto. Ik zette mijn bromfiets in beweging. Dat lukte. En de verlichting deed het ook nog. Aan een heel rustig tempo, hopend op eigen krachten thuis te geraken, reed ik op het fietspad verder. Even later stilletjes het etablissement passerend waar ik de avond had willen doorbrengen. Even verderop sloeg ik rechts een straat in om via de kortste weg terug bij mijn ouderlijke woning te geraken.

Onder het rijden merkte ik nog op dat mijn brandstoftank lekte. Met de wijsvinger van mijn linkerhand hield ik het scheurtje dicht. Zo arriveerde ik dan toch thuis. Niks deed vermoeden dat ik enkele maanden later opnieuw het slachtoffer zou worden van een verkeersongeval. En die keer met veel ernstiger gevolgen! Maar dat is een totaal ander verhaal, dat ik misschien later wel eens zal vertellen.

Ru(sh)di(e), 26 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)