29-06-12

Herinneringen uit mijn verleden - Hengelaarplezier & sportvisserijvertier

      

Reeds van op heel jonge leeftijd ging ik vissen. Mee met mijn pa, en meestal op paling. Eens ik als tiener, door mijn ouders oud genoeg werd bevonden, trok ik er alleen op uit. Meestal richting provinciaal domein. Een gigantisch terrein met een kasteel, bossen, bloementuinen, een dierenpark, speeltuin en enkele visvijvers. Gelegen op een kilometer of vijf van mijn ouderlijke woonst.

Toentertijd was fietsen binnen het domein niet toegelaten. En omdat de afstand tussen de ingang van het domein en de visputten, toch enkele kilometers bedroeg, had ik voor het transport van mijn spullen een karretje gemaakt. Van het onderstel van een oude kinderwagen, waarop ik een plank had bevestigd.

Het karretje plaatste ik op de bagagedrager achteraan mijn fiets. Mijn door mijn pa, met recuperatiemateriaal gemaakte houten vissersbak, kwam daar nog bovenop te staan. Met snelbinders bevestigde ik dit alles stevig aan mijn fiets. Mijn in een kokervormige stoffen tas gestopte werphengels en oude vissersparaplu, bevestigde ik, met oude lederen riempjes, aan de buis van mijn fiets.

Met al mijn visspullen op de fiets reed ik dan van thuis tot aan de ingang van het domein. En; van daar trok ik vervolgens het karretje met mijn visgerei, middels een stevig touw, tot aan de visvijver.

Het vissen was een vrij sociaal gebeuren. Rond de vijvers trof je vaak dezelfde mensen aan, waaronder ook heel wat jongelui. En bijna uitsluitend jongens en mannen. Eens geïnstalleerd op ons plekje aan het water, gingen we doorgaans bij de reeds eerder aanwezige hengelaars even gaan luisteren of ze al wat hadden gevangen. En zo het antwoord bevestigend was, keken we met graagte naar het door de visser even uit het water getilde leefnet. Om de zich daarin bevindende gevangen vis te aanschouwen. En de betreffende visser te feliciteren met zijn vangst.

Ook als we na een uur of zo turen naar onze dobber, of geduldig wachten op enig geluid van het aan onze werphengels bevestigde alarmbelletje, geen beweging of geluid waarnamen, gingen we elkaar opzoeken. Om onze nood te klagen. En onze benen te strekken. En als er iemand ‘beet’ had, dan kwamen de vissers uit diens buurt rond die gelukzak staan. Om hem bewonderend, en niet zelden met enige jalousie, de buit te zien binnenhalen. Vooral als het grote kanjers betrof, die meestal nogal wat weerwerk boden en moesten worden moe gemaakt, vooraleer te worden opgehaald, gaven nogal wat omstanders gretig hun ongevraagd en meestal ook onnodig en ongewenst advies. Gewoonlijk wel welkom was dan weer de hulp die collega-vissers boden door het reeds in het water houden van het schepnet met behulp waarvan de aan de haak van de vislijn hangende vis op de oever en dus het droge moest worden gebracht.

*****

Op een zekere dag in de vakantie, was ik met een vriend een namiddag gaan vissen in dat provinciaal domein. De buit was mager. Buiten de dikke aal die ik had gevangen. Nogal wat andere, rond de vijver verzamelde vissers, waren jaloers op mijn vangst.

Zo ook de corpulente zoon van de champetter uit een gehucht, grenzend aan de buurt waar ik woonde. Die kerel was een jaar of twee ouder dan mij. Daardoor en tevens door het feit dat we nooit bij elkaar op school hadden gezeten, kende ik de jongen slechts vaag.

Toen mijn maat en ik ons boeltje bij elkaar hadden gepakt en net op het punt stonden om ons via de, naast de vijver lopende, geasfalteerde laan, naar de uitgang van het domein te begeven, kwam die kerel, samen met zijn twee maten, op me af. En vroeg me of hij mijn vangst nog eens mocht zien.

Met enige tegenzin haalde ik de snelbinder van rond mijn op mijn karretje staande vissersbak, opende de klep ervan en haalde er het wit stoffen zakje uit waarin de door mij gevangen aal zat opgesloten. Ik loste de strop waarmee het zakje werd dicht gehouden en liet de inhoud zien: een vette paling van een centimeter of 40 lang, wel minstens 2 centimeter dik en vast minimaal 800 gram zwaar. Die lag te kronkelen in een door hemzelf geproduceerd half transparant wit slijm.

De ogen van de dikke tiener voor me puilden bijna uit hun kassen. Hij wou de aal van me afkopen. En bood er mij maar liefst 500 Belgische Franken voor aan, een goeie 12 Euro. In die tijd, eind de jaren zeventig, was dat, voor een jongere, een ferm bedrag.

Toch was mijn vangst verkopen geen optie. Die nam ik mee naar huis. Om aan mijn huisgenoten te tonen, te doden, te stropen, te kuisen en later zelf op te eten. En ik dacht er nog niet aan om dat ritueel te verbreken voor wat geld.

Die dikzak snapte dat evenwel niet. Hij bekende me dat hij thuis bij voorbaat had opgeschept over zijn visserstalent en de vangt die hij naar huis zou meebrengen. En nu dreigde hij gezichtsverlies te lijden door met kompleet lege handen weer te keren. Dus wou hij hoe dan ook mijn aal. En kwam dreigend en boos kijkend op me af toen ik het zakje weer dicht bond, wegstopte en mijn vissersbak weer aan mijn karretje vastmaakte.

Nu was ik in die tijd zelf geen hummel en best potig, maar toch vermeed ik liefst een fysieke confrontatie met die gast van minstens een kop groter dan mij en met een lichaamsvolume van wel drie keer het mijne. Dus wenkte ik mijn maat en zette het samen met hem op een lopen. Mijn karretje achter me aantrekkend.

De zoon van de champetter bleef eerst enkele seconden verbouwereerd ter plaatse staan, maar gaf toen met de palm van zijn dikke vette pollen zijn beide maten een flinke duw in de rug en zette zich samen met hen in beweging. Me onderwijl dingen toeroepend die ik niet kon verstaan. Want wij waren inmiddels al op geruime afstand van elkaar verwijderd. Met zijn logge lijf, nog verzwaard door de ballast van zijn visgerei, kon die gast trouwens mijn tempo absoluut niet aanhouden. Toen hij en zijn vrienden de uitgang van het domein bereikten, zaten mijn vriend en ik reeds op onze met het visgerei geladen fietsen en reden we gezwind weg van de fietsstelplaats. Die vetzak zonder visvangst het nakijken gevend.

Thuisgekomen toonde ik vol van trots mijn vangst aan mijn moeder. Die blij was met mijn succes. En verzekerde me dat ook mijn pa, bij thuiskomst van zijn werk, verheugd zou zijn over mijn vangst van zulk een ferme paling.

Over het conflict met de zoon van de champetter zweeg ik wijselijk. Het had geen zin om mijn ma nodeloos bezorgd te maken. Bovendien wou ik ten alle prijze vermijden dat ze me niet langer zou toelaten om alleen of met vrienden te gaan vissen.

Als steeds maakte ik zelf mijn vangst gereed om klaar te maken voor consumptie. Daar was ik goed in. Ook de buurjongens kwamen, als ze bij het vissen iets hadden gevangen, bij mij langs om hun vis te laten doden en kuisen. Dat deed ik buiten, of bij slecht weer, in onze garage.

Net onder de kop van mijn nog levende paling maakte ik met een scherp mes een snede. Waarna ik, terwijl ik met een vod de kop vasthield, met een oude platte bektang, de huid van de aal vastkneep en van diens lijf stroopte. Vervolgens sneed ik zijn buik open in de lengterichting. En haalde alle ingewanden uit het lijf door mijn duim van aan de kop tot aan de staart door het lijf te bewegen. Dan sneed ik de kop eraf en spoelde en wreef de overgebleven resten proper in een emmer met proper putwater. Dat ik middels onze oude waterpomp aan de oppervlakte had gebracht. Met keukenpapier depte ik daarna het vlees proper. En bracht het dan naar mijn ma. Die het in een zakje stopte en in de diepvries deponeerde. Om er later, samen met andere door mijn pa en mij gevangen palingen, een heerlijke maaltijd mee te bereiden.

*****

Door dat vaak uit vissen gaan naar dezelfde waterput, leerde ik er dus snel jongens kennen die daar dezelfde hobby uitoefenden. Het waren doorgaans kerels van ongeveer mijn leeftijd of enkele jaren ouder. Soms zat ieder gewoon op zijn eigen plekje en brachten we elkaar zo nu en dan een bezoekje. Om te zien wat de andere al had gevangen, maar vaak ook gewoon om een praatje te slaan en zo de tijd te doden.

Soms troepten we ook samen en zaten we allemaal naast elkaar met onze vislijnen. Door ons gestoei en gebabbel werden de vissen vast afgeschrikt, want veel werd er op die momenten doorgaans niet gevangen. Ook niet die keer dat ik als twaalfjarige met de enkele jaren oudere, aan de visput ontmoette Wouter en nog een tweetal andere gelegenheidsvrienden, aan het vissen was. Het was warm weer en we hadden dan wel nog niet eens beet gehad, de leute was er niet minder om.

Op een gegeven moment kwam er op het wandelpad, gelegen op een tiental meter van, en iets hoger dan, de visvijver, een knap blond grietje aangetrippeld. Uiteraard was Wouter de eerste uit ons groepje die het meisje had opgemerkt. De praatgrage kerel zat immers meer rondom zich te kijken dan naar de dobber van zijn vislijn. Hij maakte ons, de andere drie, met opgewonden stem, attent op die mooie verschijning. En het korte rokje dat ze droeg onder het al even weinig verhullende topje van het, voor haar vermoedelijk zowat vijftien jarige leeftijd, reeds fraai gevormde lichaam.

Wouter floot luid tussen zijn tanden. De frêle schoonheid stopte en keek ons glimlachend aan. Waarop Wouter haar uitdagend vroeg of dat rokje niet nog wat hoger kon. “Oh, jawel hoor!” zei het meisje lachend, “Ik draag er toch nog een broekje onder!” Waarop het lekker ding haar minirokje optilde en wij een nauw om haar lijf spannend bleekroos onderbroekje te zien kregen.

Wouter sprong van opwinding bijna uit zijn eigen broek. Zenuwachtig, met blozende kaken en trillende stem vroeg hij aan het meisje waar ze heen ging. De speeltuin, zo liet ze weten. En toen ze met haar lieflijke stem positief antwoordde op zijn vraag of hij mee mocht gaan met haar, was Wouter niet meer te houden. Verbaast keken we toe hoe de jongen vliegensvlug al zijn visgerij bij elkaar scharrelde, ons nog snel ten afscheid groette en vervolgens naar dat meisje toe holde.

Wij, achterblijvers, keken die twee nog even na. Wouter met zijn zware visbak middels een riem op de rug dragend, in één hand de lange smalle zak met zijn vislijnen en met de andere hand wild gebaren makend. Terwijl het naast hem stappende meisje hem, onder het verleidelijk bij elkaar nemen van haar lange sluike haar, glimlachend aankeek. Waarschijnlijk was onze maat die knappe deerne een verzonnen verhaal aan het vertellen over eerdere wonderbaarlijke visvangsten.

Wouter zagen we die dag niet meer terug. Maar een dag later was hij wel terug van de partij. En bracht de jonge kerel, onder het vissen, in geuren en kleuren verslag uit van de formidabele namiddag die hij had beleefd met die mooie, vrouwelijke leeftijdgenote.

Ru(sh)di(e), 23 oktober 2011 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 januari 2012.

19-03-10

De avonturen van Rudi & Co - Dienst 100, altijd paraat!

  

Samen met mijn twee zonen was ik ergens heen geweest. En op de weg naar huis hadden de jongens zich nogal vervelend gedragen. Zulks gebeurt nu eenmaal en is eigen aan opgroeiende, zich een weg door het leven zoekende jongelui. Maar, zoals het een ouder betaamd, had ik hen een aantal keren berispt. Wat me door mijn 'lieverds' niet in dank werd afgenomen.

Toen we thuis arriveerden en ik mijn kroost om hulp verzocht om me iets rechter in mijn rolstoel te positioneren, omdat ik onder het rijden wat onderuit was geschoven, namen zij hun kans op vergelding te baat door dit botweg te weigeren. Ik werd boos en zei dat, als zij het niet deden, ik met mijn mobieltje de 100 zou bellen. En, eens ze hier waren gearriveerd, het wel aan hen zou vragen. Waarop ik wegreed, en vanuit een ooghoek de jongens onze woning zag betreden.

Ik plaatste me met mijn rolstoel aan de kant van de straat, tussen onze haag en het fietspad. En kantelde mijn zitting en rugleuning, zodat ik in een liggende positie lag. En mijn lichaam de kans kreeg om even te bekomen van de rit. Lang bleef ik daar evenwel niet staan, want die onmin met mijn kroost moest worden opgelost.

Veel was daar niet voor nodig. We hadden zo een systeem waarbij, als ik het even tevoren stout of ongehoorzaam zijn van de kinderen ter sprake bracht, ze prompt naar me toe kwamen en met volle kracht lucht op mijn voorhoofd bliezen, om alle slechte herinneringen uit mijn geheugen te laten verdwijnen. Een dikke zoen op mijn wang vervolledigde deze 'alles vergeven en daarbovenop ook vergeten' procedure. Die op de koop toe, en goed voor hen, nog werkte ook!

Dus toen ik ons huis binnen reed en tegen mijn daar rondhangende nakomelingen begon te 'zagen' pasten zij snel de geijkte methode toe. En hielpen me vervolgens spontaan met het verbeteren van mijn zitpositie. Waarna de kinderen hun bezigheden hervatten en ik genoot van het kijken ernaar.

Ik zat met mijn gezicht naar onze achtertuin gericht, toen plots de deurbel weerklonk. De jongens keken op van de plaats waar ze zaten en ik zag hun verbijsterde gezichten.

"Dus jij hebt werkelijk de '100' gebeld?" vroeg één van hen me. Vooraleer ik, nu zelf ten zeerste verbaast, ontkennend kon antwoorden, was de jongen reeds de voordeur gaan openen. En stond hij even later, terwijl ik me inmiddels een kwartslag had gedraaid, voor me, met naast hem een ambulancier. Dat kon ik zien aan diens outfit en aan het feit dat zijn functie ook op de borstzakjes en bovenaan de mouwen van zijn jas was gedrukt.

"Ik hoorde het net van je zoon, en wij dachten zelf ook al dat er niks aan de hand was" zo begon de man. "Maar iemand die met zijn auto voorbij je huis passeerde had een man in een rolstoel zien liggen, met de ogen gesloten, en belde het noodnummer omdat hij dacht dat die persoon onwel was geworden en derhalve in nood verkeerde. Toen we de locatie hoorden, vermoedden we onmiddellijk dat jij het was, die even zat te dutten voor je woning. Maar we konden evenwel geen risico nemen, dus rukten we toch uit."

Verbluft door dat verhaal en de toevalligheid van het samengaan met mijn dreigement, kon ik niet meer uitstamelen dan een dankjewel. Waarna de man afscheid nam en vlug verdween. Door me nog een kwartslag verder te draaien kon ik door het vensterraam in de voorgevel van ons huis, nog net de gele ziekenwagen zien wegrijden, richting stalplaats, het stedelijk algemeen ziekenhuis.

Dat de ambulanciers onnodig waren uitgerukt vond ik uiteraard jammer. Maar de ganse situatie op zich was geweldig grappig. En de stomverbaasde gezichten van mijn zoons staan allicht tot het einde mijner dagen in mijn geheugen gegrift!

Rudi, 27 augustus 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 februari 2010.

29-11-09

Rudi's ontboezemingen - Vrouwen

 

Vrouwen. "Ze zijn soms zo moeilijk te begrijpen", hoor je vaak zeggen. Door mannen, vooral. "Dat is omdat die kutwijven van een andere planeet komen dan wij, fijne venten!" zo hoorde ik in mijn prille kindertijd ooit eens zeggen, toen ik mij, onopgemerkt, in het gezelschap bevond van enkele oudere buurjongens. Die reeds op een leeftijd waren aanbeland waarop ze hun eerste echte liefdesavonturen beleefden.

Dat was dus tevens het moment waarop ik te weten kwam dat wij, in tegenstelling tot wat mijn pa me had verteld, niet uit de kolen komen. Waarna ik concludeerde dat het andere verhaal over onze afkomst, dat de ronde deed, dan allicht toch geen verzinsel was, zoals mijn pa nochtans beweerde. Zouden kindjes dan toch door de ooievaar worden afgeleverd? Al naargelang het om een jongen of een meisje gaat, vanaf verschillende hemellichamen, naar de verwachtingsvolle ouders op aarde gebracht? Ferme vogels, als die veronderstelling juist zou zijn. Maar was het inderdaad zo? En hoe zou die bestelling dan in haar werk gaan? Dat vroeg ik mij af, als kleine rakker. Die grote jongens wisten vast het antwoord wel. Maar ik durfde het hen niet te vragen.

Dat het vrouwvolk een moeizaam te bevatten soort is, dat heb ik inmiddels zelf ook wel begrepen. Bij een jongedame, waar ik als rijpe twintiger een innige relatie mee had, liet ik ooit eens een gigantisch boeket rode & witte rozen bezorgen. Ter gelegenheid van haar verjaardag was dat. Maar dat meisje was nog niet content. De bloemen en het ornament er rond vond het wicht ontzettend mooi. Maar de door de koerier bijgeleverde rekening was er voor haar te veel aan.

Ja zeg, kon ik er aan doen dat ik op dat moment op zwart zaad zat omdat al mijn geld er was doorgedraaid door haar voorgangster? Zeggen ze niet: "Het is het gebaar dat telt?' En ik was in elk geval mijn liefste haar geboortedag niet vergeten! Belachelijk was het, dat ze struikelde over die futiliteit van het zelf moeten betalen van die klote bloemen.

Toen ik als adolescent eens met mijn fiets huiswaarts reed, zag ik aan de overkant van de drievaksbaan een fantastisch mooi meisje staan. En daarenboven uiterst sexy gekleed. Naar mijn normen, in elk geval. Een glanzend zwart rokje dat tot midden haar bovenbenen reikte, zwarte kniekousen, bordeaux laarsjes en een blazer in dezelfde kleur. Een zwart tasje hing op heuphoogte, op die plaats gehouden door een dunne schouderriem. De kastanjebruine steile haardos lag gedrapeerd over de schone deerne haar hals en schouders.

Potverdikke! Mijn hormonen noopten mij tot actie! Dus reed ik verder tot aan het eerstvolgende kruispunt. Alwaar ik, bij groen licht, in plaats van rechts af te slaan, richting ouderlijk huis, links de baan overstak. En rustig terug fietste in de richting van de plaats waar die wachtende schoonheid stond.

Eens ter hoogte van haar standplaats gearriveerd, hield ik halt. Richtte mij op van mijn fietsstuur en lachte het meisje, dat bij mijn aankomst een pas had achteruit gezet, liefdevol toe. Ze keek me met haar bruine ogen verbaast en vragend aan. Maar niet geschokt of verschrikt. Dat viel dus al mee. Mijn God, van dichtbij was deze griet nog veel mooier dan van veraf! Een prachtig gevormd gezichtje met een lichtbruine gelaatskleur. Geen make-up. Niet nodig! Maar ze had wel een vleugje parfum op haar welgevormde lichaam gespoten. Daardoor rook het schatje uiterst zwoel. Zelfs van op die anderhalve meter afstand die ons beiden van elkaar scheidde.

Met mijn meest vriendelijke en verleidelijke stem zei ik: "Hopelijk heb ik je niet te lang laten wachten?" Het meisje keek me niet begrijpend aan. En opende haar mond. Maar vooraleer ze iets kon zeggen, vervolgde ik: "Ik ben jouw droomprins op het witte paard. Nu ja, een stalen ros, en in een rode kleur, maar in elk geval de man die is voorbestemd om met jou het leven te delen!"

Oef! Dat was er allemaal vlot, en zonder al te veel nadenken, uitgekomen! Verwachtingsvol keek ik het meisje aan. Dat stond daar met haar lieve snoet in mijn richting te kijken, met haar mondje vol perfecte parelwitte tanden!

Een antwoord heb ik niet gekregen. En deze ontmoeting is helaas op niks uitgedraaid. Want toen dat meisje haar, naar ik vermoed echte prins, opdaagde, een nogal potige kerel met een hoekig gezicht, zich verplaatsend in een grijze Jeep, maakte ik mij snel met mijn fiets uit de voeten!

Ru(sh)di(e), 17 april 2009 (publicatie op 30 mei 2009 op de blog 'Rudi's kijk op de wereld') - revisie & aanvulling op 29 november 2009.

30-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 5

 

Een dag later, op dinsdag, de 30ste dag van kalendermaand januari 2007, werd ik, iets na 17u00, met infuus, zuurstoffles, kunstlong, beademing en al de rest dat er bij hoort, op een brancard gelegd, het ziekenhuis uit en een klaar staande ziekenwagen in gerold. En weg waren we, richting provinciehoofdstad. Waar we een kleine drie kwartuur later ter bestemming arriveerden: het algemeen ziekenhuis met de naam van een heilige, die tot voor die benoeming, actief was als evangelist. Waren de vooruitzichten rooskleuriger geweest, dan had ik me vast gevoeld als een medewerker van één of andere consumentenorganisatie, die een vergelijkend onderzoek doet naar de kwaliteit van de Vlaamse ziekenhuizen.

Veel kon ik niet zien van op die van wieltjes voorziene draagbaar, waar ik, door middel van riemen, veilig lag op vast gebonden. Maar ik merkte het wel toen we arriveerden op de plaats waar ik werd verwacht: de afdeling 'intensieve zorgen'. Ook hier allemaal cellen. Maar iets rustgevender dan die waar ik eerder in verbleef. Wat ik zag waren allemaal kleine glazen kamertjes met een, ook al glazen deur in het midden. En een achterwand vol apparatuur.

In één van die hokjes werd ik binnen gerold, en naar het aldaar aanwezige bed getransfereerd. In de hoek rechts van mij stond een computerscherm waarop ik, zoals ik later merkte, een aantal data van de aan mijn lijf gekoppelde toestellen kon aflezen. En rechts bovenaan ontwaarde ik zowaar een groot digitaal televisietoestel. Dat zou vast nog van pas komen om de te verwachten sleur van de komende dagen te breken.

Op een wandklok kon ik aflezen dat het intussen even na 18u00 was geworden. De ontvangst op deze dienst was vrij hartelijk. Of het inbeelding was of niet, dat weet ik, niet, maar het voelde er aan alsof er, in de mate dat dit kan op zulk een afdeling, toch een goede sfeer heerste. Middels mijn letters annex cijferkaart probeerde ik met het personeel te communiceren. Sommigen voelden zich daar onwennig bij, maar deden toch hun best om me te verstaan. Anderen hadden niet het geduld om er aan mee te werken. Gelukkig behoorde die laatste groep tot de minderheid.

De volgende dag kwam één van de longartsen naar me toe. Een vriendelijke, zich eenvoudig gedragende man. Hij stelde zichzelf voor en zei dat hij begreep dat ik van die longmachine af wou en terug wou proberen zelfstandig te ademen vooraleer andere opties in overweging te nemen. Ik knikte van ja.

De arts zij dat er haast bij was! Want hoe langer men wachtte met me opnieuw zelfstandig te laten ademen, hoe kleiner mijn kans op slagen werd. De arts vroeg me op een gemoedelijke toon: "Gaan we het proberen?" Uiteraard knikte ik enthousiast van ja. De man legde me de procedure uit. Hij zou, geassisteerd door een verpleegkundige, eerst nog een bronchoscopie uitvoeren om zoveel mogelijk fluimen uit mijn luchtwegen te verwijderen. Vervolgens zou hij de tubes uit mijn keel halen, waarna men mij maximaal ging beademen met een mond/neusmasker. De eerste 24 uur zouden cruciaal zijn. Het was afwachten of mijn longen in staat zouden zijn om hun taak weer op zich te nemen.

De die dag voor mij verantwoordelijke verpleegster positioneerde me, met de hulp van een stagiaire, zo rechtop mogelijk in bed. Nadat, met een mobiel apparaat, de bronchoscopie was uitgevoerd, begon de dokter met het losmaken van de banden waarmee de tubes in mijn ademhalingskanaal, aan mijn hoofd waren vastgemaakt. De verpleegster hield reeds een masker op mijn neus. De zuurstofstroom voelde hard en koel aan. Bij de volgende handeling van de arts werd een ganse buisconstructie uit mijn mond en keel gehaald en kreeg ik het zuurstofmasker op de mond gedrukt. Met maximale luchttoevoer. En ik begon weer zelf te ademen! Nogal gejaagd, ondanks het feit dat ik innerlijk erg rustig was. Mijn lichaam zou zich moeten aanpassen aan de vernieuwde situatie en een aangepast, rustig ademritme moeten zoeken en hopelijk vinden. Zelf had ik daar weinig invloed op.  Mijn zoveelste strijd was begonnen.

Toen ik een tijdje alleen werd gelaten, trok ik mijn zuurstofmasker enkele centimeters weg van mijn gezicht en probeerde mijn stem uit. Dat lukte. Ik kon weer spreken! Met een rauwe stem weliswaar, maar daar had de longarts me voor verwittigd. En dat zou tijdelijk zijn. Dus baarde mij dit helemaal geen zorgen.

Een tijdje later stond de verpleegster alweer aan mijn bed. Met de bedoeling me een aerosolbehandeling te geven. Mijn bezwaren, gezien mijn negatieve ervaringen ermee in de stadskliniek van mijn woonplaats, werden echter weggewuifd. Op voorschrift van de dokter had ik dit nodig, zo zei ze kordaat, en dus moest en zou ik de kuur krijgen toegediend. Einde discussie!

En ik had er helaas opnieuw dezelfde slechte ervaring mee. Of eerder nog slechter! Wellicht omdat mijn lichaam nog zwaarder verzwakt was geworden. De tweede aerosolbeurt, een uur of vier later, liet ik nog toe, maar toen was het voor mij genoeg geweest. De dokter, waar men na mijn weigering heen holde, deed helemaal niet moeilijk en liet me overschakelen op een andere therapie. Die me niet zo een fysieke last bezorgde.

De eerste avond, nacht en volgende dag waren afschuwelijk. En afmattend! Zelfstandig ademen, zelfs met behulp van die grote hoeveelheid zuivere zuurstof, was geen sinecure. Geconcentreerd moest ik trachtten rustig in en uit te ademen. Op het computerscherm in mijn kamertje kon ik het zuurstofgehalte in mijn bloed volgen. Telkens mijn ademritme even stokte, ging die waarde onrustwekkend naar beneden. Aan slapen kwam ik helemaal niet toe. Eenzaam en alleen lag ik daar te vechten in de hoop deze hel te overleven en in de toekomst alsnog een beetje een menswaardig leven te kunnen leiden. Niet afhankelijk van machines.

Zoals voor mijn opname beloofd, en ook al om de tijd de doden, stuurde ik met mijn mobiele telefoon berichtjes naar mijn thuisverpleegkundigen, kinesist en assistenten. Waarin ik hen op de hoogte bracht van mijn huidige fysieke toestand en de vooruitzichten die er waren. Uitgeput en bang, zoals ik op dat moment was, wond ik er, als naar gewoonte, geen doekjes om en zond ik hen een Sms'je met de melding dat 'mijn toestand uitzichtloos leek en dat ik ten einde raad was'.

Buiten de zorgen over mijn gezondheid was ik ook bevreesd om, na mijn beoogd herstel, bij thuiskomst niet meer in mijn geleidelijk opgebouwde normale routine, met afgesproken tijdstippen van verzorging, therapie en hulp, te kunnen vallen. Omdat bijvoorbeeld mijn vaste momenten inmiddels waren ingenomen door andere personen. Want mijn thuisverzorgers en - assistentes konden toch niet blijven gaten open houden en eindeloos wachten op mijn terugkeer?

Tegen de middag aan deed de dokter zijn ronde. Met in zijn kielzog de hoofdverpleegkundige, de verpleegkundige die me die ochtend had verzorgd, een kinesitherapeut  en nog enkele andere personen. De dokter kwam, samen met zijn gevolg, uiteraard ook bij mij langs. En leek opgetogen over het feit dat ik het eerste etmaal zonder kunstmatige beademing, in medisch opzicht, quasi probleemloos was door gesparteld. Hij gaf orders aan de kinesist om een intensieve therapie op te starten. Vier keer kiné per dag, zo zei de arts. De kinesist knikte braaf instemmend. Maar, zo werd naderhand vlug duidelijk, in de praktijk zou daar weinig van terecht komen. Ik mocht al blij zijn met één behandeling per dag. Wat trouwens bleek te volstaan. Want meer was nogal belastend voor mijn lichaam. Ik was tevreden met een dagelijkse mobilisatie van mijn ledematen en een beetje tapoteren op de borstkast om mijn luchtwegen vrij te houden.

Enkel de eerste paar dagen diende de arts mijn slijmen weg te nemen met zijn mobiel bronchoscopietoestel. Daarna kon ik het nog resterende slijm, waaruit alle slechte beestjes waren verdwenen, ophoesten met, en ook vaak zonder de hulp van de kinesist. De hoeveelheid extra zuurstof werd geleidelijk aan afgebouwd en ik kreeg ze toegediend via een neusmaskertje, wat me meer comfort gaf. Om te spreken bijvoorbeeld. Of om te trachten iets te eten of te drinken.

Toen het artsenteam eens gezamenlijk bijeen tot aan mijn bed kwam en samen met mij mijn toestand besprak, gaf hun nederig gedrag mij een goed gevoel, kwam hun menselijkheid duidelijk naar boven en leek het erop alsof ook zij overtuigd waren van het gegeven dat een patiënt een specialist kan zijn in zijn eigen specifieke problematiek. Verwijzend naar het gemak waarmee ik een bronchoscopie liet uitvoeren zei één van deze specialisten,  al gekscherend: "Binnenkort doet hij alles zelf." Wat ons allen deed glimlachen.

Door de televisie aan te zetten trachtte ik wat kleur en afwisseling te brengen in dat ellendige, eenzame verblijf op "intensieve zorgen'. Maar geen van de programma's kon me ooit boeien. En het nieuws, alsook het weerrapport konden me al helemaal gestolen worden. Steeds weer was het uitkijken naar de bezoekuren. Om 15u en om 19u. Telkens voor maximaal twee personen, ouder van 14 jaar en voor niet langer dan een half uurtje.

Gelukkig kregen we van de hoofdverpleegkundige van de afdeling de toestemming om mijn toen tienjarige zoons tijdens het eerste weekend van februari even bij me op bezoek te laten komen. De jongens keken beduusd en onder de indruk rondom zich en achter mij, naar al die toestellen, knopjes, lampjes, slangen, schermen en zo meer. Mij deed het goed hen even te zien. Per slot van rekening waren zij, sinds die noodlottige operatie in mei 2000, mijn enige motivatie om, ondanks dat verlamde, willoze lichaam, toch verder te gaan met mijn leven. Actief participerend in de maatschappij. Of dat althans voortdurend proberend.

Vaak lag ik 's nachts te ijlen en had ik nachtmerries. De fysieke pijn en het psychisch leed door het missen van de kinderen en mijn onzekere toekomst lagen aan de basis hiervan. Alsook allicht de mij toegediende medicatie. En fantasie en werkelijkheid waren in deze angstdromen dikwijls met elkaar vermengd.

Langzaamaan begon ik terug te eten en te drinken. Eerst een potje natuuryoghurt, later al eens een boterham, en vervolgens ook warm eten. Kleine hapjes die me werden aangereikt door een verpleegkundige, een logistiek assistente of een stagiaire. En waar ik goed op knabbelde, waarna ik het voedsel behoedzaam inslikte... zonder verslikken!

Van papperige drankjes stapte ik af. Want ook het drinken leverde niet langer problemen op. Het was wel even wennen. En ik dronk met kleine slokjes en uiterst omzichtig. Maar ook dat zelfs zonder ook maar de neiging tot verslikken. Oef!

Eens ik wat beter was liet ik ook mijn schootcomputer overbrengen. Op het Internet gaan kon ik niet, maar teksten schrijven en mijn correspondentie en administratie doen, dat ging wel. En alle twee dagen gaf ik mijn laptop mee met mijn namiddagbezoekers, die bij mij thuis het e-mailverkeer uitwisselden, om dan mijn machine met bijgewerkte post, via mijn bezoekers van 's avonds terug aan mij te bezorgen. Een mens moet zijn plan trekken in het leven, hé?!

De dag na mijn aankomst in deze kliniek, werd ook mijn rolstoel overgebracht. En hier mocht die wel in mijn cel staan. Eens ik door de slechtste periode heen was, dus vanaf enkele dagen na mijn aankomst, werd ik er na mijn ochtendtoilet en mobilisatie; steeds in gezet en bleef ik er in zitten tot 's avonds.

Dagelijks werd bloed afgenomen via een permanente naald in een slagader van mijn pols. Met het aldus verkregen bloedstaal werden de bloedgassen gecontroleerd. Een test om de verhouding zuurstof (O2) en koolstofdioxide (CO2) in het bloed te bepalen en het zuur-base evenwicht te controleren.

Bij een gunstig evenwicht verminderde men stelselmatig de hoeveelheid zuurstof die me werd toegediend. Soms drong ik zelf aan op een snellere vermindering van de bijbeademing. Maar als men daarop inging gebeurde het wel eens dat mijn zuurstofsaturatie een duikvlucht nam en ook de bloedgassen slecht waren.

Maar uiteindelijk kwam alles op een aanvaardbaar niveau te staan. De bijbeademing gebeurde, zoals voormeld, dus inmiddels enkel nog via een neusmaskertje dat, tijdens het verzorgen, zelfs werd afgezet. Al moet ik bekennen dat ik naderhand steeds blij was dat ding dat zuurstof aanvoerde, weer terug op mijn neus te hebben. Ondertussen had gelukkig ook de overdreven slijmvorming opgehouden zich te manifesteren.

Op 6 februari 2007 mocht ik naar de verzorgafdeling pneumologie worden overgebracht. Als ik het mij goed herinner heb ik dat gedaan op eigen krachten, dus me verplaatsend middels mijn elektrische rolstoel. Eens buiten mijn kamertje zag ik pas goed de omvang en inrichting van de afdeling I.Z., waar ik een week had doorgebracht.

Op pneumologie kreeg ik een tweepersoonskamer toegewezen voor mij alleen. Want men had ruimte nodig om naast mijn bed ook een tillift en mijn rolstoel een plaats te geven. Mijn kamer was voorzien van een koelkastje en een Tv, en had een groot raam, met zicht op de hemel en enkele boomkruinen. Een allesbehalve spectaculair panorama, maar alleszins veel beter dan die totale geslotenheid op de afdeling waar ik vandaan kwam.

In den beginne was ik niet erg op mijn gemak, zo zonder dat continue toezicht op mijn fysieke toestand, middels allerlei aan mijn lichaam gekoppelde apparatuur en ook visueel. Daarom had ik ook het liefst dat mijn kamerdeur bleef open staan op momenten dat ik er alleen in aanwezig was.

Bezoek kon ik nu dagelijks ontvangen van 14u tot 20u. Buiten mijn naaste familie kwam er evenwel niet veel volk over de vloer. Aan meer visite had ik trouwens ook helemaal geen behoefte.

De pneumoloog die me tot dan toe, tot mijn volle tevredenheid en met een gunstig resultaat, had behandeld, liet de zorg over mij over aan één van zijn collega's, een vrouwelijke arts, die naast pneumologe, ook interniste is, en ooit assistente, of althans een studente was van de longarts die me behandelde in die andere, door mij liefst te mijden kliniek.

Deze arts liet een slaaptest op me uitvoeren, waarna ze me een compact, digitaal bestuurd bijbeademingstoestel voorstelde. Eén met een dubbele werking, en een regelbare luchtstroom, zodat het mijn natuurlijk longmechanisme en ademhalingsritme kon volgen. Het zou voor ondersteuning zorgen bij zowel het inademen als bij het uitademen, zodat het moeiteloos mijn ademhalingspatroon, kon volgen en mij meer comfort bezorgen.

Slapen met het toestel ging eigenlijk vanaf de eerste nacht reeds prima. Het was wel even slikken toen me werd diets gemaakt dat ik wellicht tot op het einde mijner levensdagen van een dergelijk toestel zou afhankelijk zijn. Steeds slapen gaan met een groot masker op mijn neus was geen prettig vooruitzicht. Maar aangezien mijn wettige echtgenote reeds jarenlang geen interesse meer vertoonde om met mij het bed te delen, was er in elk geval geen partnerprobleem. Het was enkel maar te hopen dat mijn tienerzoons, die af en toe nog eens een nacht doorbrachten in de woonkamer, alwaar mijn bed staat opgesteld, niet door mijn masker zouden worden afgeschrikt.

De kinesitherapeut probeerde een hulpapparaat uit van begin de jaren tachtig: de Vibrax. Een alternatief voor het op de borstkast trommelen met de handen. Het is een toestel dat het uitzicht heeft van een vlakschuurmachine. Het wordt op de thorax gezet en genereert vibraties. Die waren evenwel te agressief, voor mij. Vele uren na de behandeling deed mijn borstkast nog pijn, en voelde ik het in mijn binnenste nog steeds natrillen. Slecht nieuws voor de kinesist wiens job, bij gebruik van dat ding, minder inspanning vergde.

In deze kliniek was de manier waarop het personeel me benaderde en behandelde veel beter dan in het hospitaal waar ik de vorige keer verbleef. Toch moest ik me ook hier dikwijls inhouden om te reageren op stomme uitspraken door verplegend personeel of paramedici. Of opmerkingen te maken over hun wijze van handelen.

Tijdens die talloze, eenzame momenten, overdacht ik de afgelopen nare periode. En diende helaas te concluderen dat ik het hier wel het minst slecht van overal had. Maar dat ik toch in elke kliniek, op elke afdeling, af en toe kreeg te maken met medisch geschoold personeel dat ofwel onkundig was, of onvoldoende geïnformeerd, of cru, of uitblonk door een totaal gebrek aan inlevingsvermogen. Buiten hetgeen reeds eerder aan bod kwam in dit verhaal, hierna nog een aantal voorbeelden om dit te illustreren.

Als ik wil urineren, dient men mijn penis vast te houden en er een plaskan ofte urinaal onder te houden. Ze deden dan handschoenen aan. Omwille van de hygiëne. Eens mijn blaas was geleegd, ging men de gebruikte urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er meestal niet bij. Tenzij ik daar uitdrukkelijk om verzocht. Vervolgens werd de plaskan nogal vaak netjes gedeponeerd tussen de pralines en de fruitmand. Hygiënisch?

En als ik hen niet vroeg om mijn piemel na het plassen af te deppen, dan stopten ze gegarandeerd mijn nog nadruppelende jongeheer zonder meer in mijn broek. De lust bekroop me dan om hen te vragen of zij hun spleet ook nooit afkuisen nadat ze hebben geürineerd. En of het daar dan naar de avond toe niet ontzettend erg gaat jeuken... en stinken? Maar ik beheerste me telkenmale, want ik was afhankelijk van hen.

Dat ik het verzoek om me te (her)positioneren in bed niet keer op keer vroeg om moeilijk te doen, maar uit noodzaak, om spierpijnen te doen ophouden en doorligwonden te voorkomen, dat kon ik sommigen ook niet aan het verstand brengen. Terwijl anderen net mee nadachten over manieren om me zoveel mogelijk comfort en zo weinig mogelijk fysieke last te bezorgen.

Het fenomeen 'spasmen' was ook iets waar velen blijkbaar niks van afwisten. Dan gaf ik meestal geduldig een bondige uitleg over de oorzaak van deze bij de meeste 'verlamde' personen optredende ongecontroleerde spiersamentrekkingen. Terwijl ik me afvroeg of ze dat dan niet leerden op school? Of waren ze het dan alweer vergeten?

Schort er wat aan de opleiding? Of is die wel compleet en ligt het aan de desinteresse van die individuen? Zelf weet ik het antwoord niet, maar iemand anders misschien wel.

Waar ik ook moeite mee heb is dat, als het eten arriveert terwijl je bezoek hebt, er als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat zij je dus wel zullen helpen. Maar dat wil ik niet! En als ik hierop commentaar leverde, dan kreeg ik steeds de wind van voor. En werd ik in een verdedigende positie geduwd. Maar ik zie niet in waarom ik telkens met mijn gefundeerde redenen voor de dag zou moeten gekomen zijn. Deze zijn mijns inziens immers niet van belang. Ik wil het niet, punt uit.

Uiteindelijk kwam het moment er aan dat mijn artsen me zegden dat, wat hen betrof, ik het hospitaal mocht verlaten, vanaf het moment dat ik mij er zelf toe in staat voelde. Die toch wel 'veilige', 'geborgen' omgeving inruilen voor mijn plekje thuis... het gedacht eraan bezorgde me gemengde gevoelens. Want ik was continue uitgeput en moe, ondanks voldoende slaap. En ik kon de reden hiervan maar niet achterhalen. En ook de artsen noch verpleegkundigen hadden enig idee.

Toch begon ik, als voorbereiding op mijn terug naar huis gaan, op eigen initiatief met het afbouwen van mijn zuurstofafhankelijkheid. Twee opeenvolgende uurtjes zonder, werden er drie, vervolgens vijf. Tot het moment aanbrak waarop ik de arts meldde dat ik inmiddels had bepaald wanneer ik naar huis wou. Een voorschrift voor zuurstof thuis kreeg ik niet. Mijn toestel voor 's nachts moest volstaan.

Wat uiteindelijk de oorzaak is geweest van mijn ganse problematiek, zal ik nooit te weten komen. Maar allicht en vooral hopelijk, kan ik een herhaling ervan voorkomen door veel te drinken, vooral ook na de maaltijden, 's nachts te slapen in een positie waarbij mijn lichaam met de benen omhoog ligt en het hoofd naar beneden, zodat het sinds 25 augustus 2000 in mijn lichaam geplaatste pompje, dat overtollig hersenvocht in mijn nekstreek, rechtstreeks afvoert  naar mijn hart, zijn werk kan doen. En zo voorkomt dat mijn ruggenmerg in verdrukking komt, met functieverlies als gevolg. En tot slot zal ongetwijfeld ook bijzonder preventief werken, het gebruik van het toestel dat me 's nachts helpt zo veel longblaasjes als mogelijk met lucht te vullen en derhalve te laten functioneren. Wat hoe dan ook bevorderlijk zal zijn voor mijn lichamelijke conditie. En maar hopen nooit geen snotvalling, verkoudheid of andere (vies) slijm producerende ziekte op te lopen!

Op woensdag 14 februari 2007 verliet ik de kliniek. Op Valentijnsdag. Een mooi moment om naar thuis te komen. Waar ik in de late voormiddag arriveerde. Met een via de mutualiteit besteld rolstoelvervoer. Uiterst moe en uitgeput. Juist op tijd om samen met de andere leden van mijn gezin, het middagmaal te nuttigen.

Gelukkig kon mijn verpleegkundige en paramedische verzorging nog steeds gebeuren op dezelfde tijdstippen als voor mijn ziekenhuisopname. Terug in mijn eigen omgeving zijn deed me goed. Maar zo helemaal zonder extra zuurstof ademen deed raar en maakte mij onzeker. Zou ik het blijven redden zonder bijbeademing? En die loomheid bleef ook de volgende dagen in mijn lijf zitten. Koorts had ik niet. Maar mijn urine en ontlasting waren donker gekleurd. En mijn huid kleurde gelig.

De eerste dagen zat ik alweer vaak in de inkomhal van ons huis. Want daar kon ik naar wat extra zuurstof snakken. Soms liet ik ook mijn bijbeademingstoestel overdag over mijn neus plaatsen. Om toch maar wat extra zuurstof in mijn longen te krijgen. Want de slijmvorming behoorde dan wel tot het verleden, maar mijn luchtwegen hadden de afgelopen maanden enorm afgezien en hadden tijd nodig om er weer bovenop te komen, zich te herstellen naar de toestand van voordat die problematiek optrad!

Omdat ik me elke dag meer vermoeid voelde en mijn urine en stoelgang een uiterst rare kleur hadden, belde ik mijn huisarts op met de vraag om eens langs te komen. Wat gebeurde. Een bloedonderzoek bevestigde een dag later zijn, en eigenlijk ook mijn vermoeden en dat van mijn thuisverpleging. Ik had Hepatitis, een virale leverontsteking.

Eens die diagnose was gesteld, en de vereiste medicatiekuur was gestart, voelde ik me meer gerust. Maar ik was wel totaal uitgeput. En elke dag manifesteerde het uiterlijk kenmerk van de ziekte, de zogenaamde geelzucht, zich meer en meer. In de kliniek hadden ze zich daar geen vragen bij gesteld. En de donkere urine en dito ontlasting hadden, bij de verpleegkundigen aldaar, eigenaardig genoeg, ook geen belletje doen rinkelen. Uiteindelijk is het, dankzij de nodige en juiste medicatie, dus terug in orde gekomen met mijn lever en kreeg ik naderhand ook mijn normale, blanke huidskleur terug. En door ook deze ziekte te doorstaan en te overleven was ik in staat tot het doorvertellen van het ganse verhaal, waarvan dit de laatste woorden zijn.

Ru(sh)di(e), 28 februari 2007 (revisie op 30 september 2009)

01-06-09

Hopeloos verloren

 

Hier had eigenlijk een verhaal moeten staan uit mijn collectie van eerder gepubliceerde schrijfsels. Maar helaas, driewerf  helaas, een gans pak pennenvruchten is verloren gegaan bij een crash van mijn schootcomputer, omstreeks april vorig jaar. En zonder dat ik er een reservekopie van had. Want ik had net, met een geleende USB-stick, alle data van mijn oude, vaste computers en van mijn oude laptop overgebracht naar mijn nieuwe exemplaar.

Zo zou alle data gegroepeerd op één machine staan. Nog slechts enkele dagen had ik nodig vooraleer de klus was geklaard. En eens het zover was, zou ik onmiddellijk een veiligheidskopie nemen, zodat ik mijn belangrijkste data nooit zou kunnen kwijt geraken. De verplaatsbare harde schijf lag reeds klaar!

Het heeft evenwel niet mogen zijn. Een onaangekondigde fatale crash gooide roet in het eten, dwarsboomde mijn plannen. De harde schijf van mijn laptop weigerde mij de toegang. Gevolg: alle data kwijt ! Gelukkig had ik van veel gegevens wel een reservekopie. Zo ook van al mijn schrijfsels, dacht ik.

Verkeerdelijk, zo blijkt. Want na enkele weken koortsachtig zoeken op diskettes, ZIP media, cd-roms... heb ik de naar schatting minstens 30 teksten nergens kunnen terugvinden. Dan maar op het internet zoeken, dacht ik. De website waarop mijn schrijfsels eerder werden gepubliceerd is reeds lang ter ziele gegaan. Maar toch hoopte ik via het ingeven van flarden tekst die ik me herinner, via google toch nog één en ander te kunnen recupereren.

Soms blijft data van een stopgezette site immers nog ergens op een server staan. En vaak kopiëren onverlaten immers teksten en publiceren die dan vervolgens elders, met hun eigen naam eronder. Dit is mezelf ook een aantal keer overkomen met kortverhalen die ik op het Internet plaatste. Vandaar dat ik dergelijke schrijfsels niet meer op het web publiceer.

Maar mijn intens, volhardend speurwerk leverde jammer genoeg geen resultaat op. Tenzij er iemand uit het niets opduikt, die ooit een digitale kopie of een afdruk op papier heeft gemaakt van deze teksten toen ze nog online stonden, is alles hopeloos verloren gegaan.

Jammer, maar dit is het einde van de wereld niet. Alhoewel de betreurenswaardigheid van de Apocalyps ook uiterst discutabel is. Alweer een thema waarover ik mijn opinie onder woorden kan brengen. Dus nieuw leesvoer aanmaken is geen enkel probleem. En inspiratie heb ik in overvloed. Maar tijd en energie iets minder. Vandaar dat ik hier, in afwachting van nieuwe lectuur, de eerstkomende tijd enkele herwerkte teksten ga plaatsen, waarvan het origineel afkomstig is van mijn andere blog, Dus voor sommigen onder jullie zal dit leesvoer een herhaling zijn, voor vele anderen geheel nieuw. Aan allen wens ik veel leesgenot!

13-05-09

Rudi’s ontboezemingen - Spam

 

Er zijn blijkbaar mensen die weten dat ik de tijd moet aflezen op mijn GSM. Personen die me bovendien voornaam inschatten, en van mening zijn dat een duur kwaliteitsuurwerk, van een vermaard fabrikaat, niet zou misstaan aan mijn pols. Dagelijks word ik immers, via mails, van het bestaan van dergelijke polshorloges op de hoogte gehouden. Bovendien worden die hebbedingetjes me telkenmale aan zeer concurrentiële prijzen aangeboden. Tenminste, als ik die reclame mag geloven, want ik ben niet thuis in die sector. Bovendien zijn het misschien vervalsingen.

Dat het tijd wordt voor een nieuwe versie van mijn computersoftware, ook daar wordt dagdagelijks, middels elektronische post, over aan mijn oren gezeurd. En ook voor deze producten kan ik rekenen op een fikse korting. Waarschijnlijk werken deze firma's samen met de aanbieders van farmaceutische producten zoals pijnstillers en antidepressiva. Middelen waar ik wel eens nood aan zou kunnen hebben, als ik wel mijn Euro's zou versassen, met de bedoeling nieuwe software te ontvangen, maar helaas zou moeten vaststellen bedrogen te zijn geworden. Gelukkig word me beloofd dat ik ook deze medicatie kan verkrijgen aan de laagste prijs.

Wat me dan weer verbaast is dat bepaalde individuen, op één of andere slinkse wijze, hebben achterhaald dat ik liever met een maatje méér was behept. Dat leid ik tenminste af uit de crèmes, pillen en stretchers die me nagenoeg dagelijks worden aangeboden, om wat groei te krijgen in mijn jongeheer. En de getuigenissen van lotgenoten, die de proef op de som hebben genomen, en dankzij die enkele centimeters méér, plots een ander leven leiden.

En mocht dat langer orgaan dan dienst weigeren, dan kan ik mijn toevlucht nemen tot erectiebevorderende pillen, die me ook al voortdurend in alle vormen, kleuren, maten en verpakkingseenheden worden aangeboden. Voor een zacht prijsje, wordt me een uitbundig seksleven in het vooruitzicht gesteld.

Als ik dan in het bezit ben van een stevige jongeheer, maar desondanks, of juist daardoor, een partner moet ontberen, dan vind ik vast mijn gading tussen de knappe jongedames die hun hart, ziel en verdere leven aan potentiële huwelijkskandidaten aanbieden op één of meerdere van de talloze datingsites, die me ook al meermaal daags van hun bestaan op de hoogte houden.

Over de voortdurende aanbiedingen van waterpijpen, kookpotten, allerhande computerapparatuur en zo meer, aan een fractie van de prijs die ik elders moet betalen, ga ik het hier niet hebben, want dan komt er ongetwijfeld geen einde aan dit verhaal.

Mocht het me, na maanden van mailbox bezoedeling, niet danig op de heupen zijn gaan werken, dan zou ik die berichten best wel grappig vinden. Nu niet, dus. Spam terreur? Neen, bedankt!

Ru(sh)di(e), 10 mei 2006 (revisie op 11 mei 2009)

09-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - voertuigperikelen en andere ervaringen

 

Mijn middelbare schooltijd bracht ik door op een tamelijk grote school. Nogal wat leerlingen kwamen daar met de fiets naar school. Derhalve waren een aantal oude fabrieksgebouwen tegenover de school, aangekocht door de inrichtende macht van deze onderwijsinstelling, en ingericht als fietsenbergplaats.

Op zekere dag liep ik, na schooltijd, met enkele van mijn klasgenoten, druk pratend en in een uitgelaten stemming, richting fietsenstalling. Mijn makkers hadden al snel hun fiets te pakken, riepen nog iets ten afscheid en bolden naar buiten, huiswaarts.

Ik daarentegen liep voor de zoveelste keer alle gangen op en af, zonder mijn rijwiel te vinden. Iedereen haalde zijn fiets van de haak waaraan deze was opgehangen, zodat de opbergplaats vrij snel leeg begon te raken. Slechts enkel hier en daar was nog een opgehangen fiets te bemerken en de eigenaar die zich er heen bewoog.

Ik begon lichtjes in paniek te geraken. Tot ik mij dan toch herinnerde die dag met de bromfiets naar school te zijn gekomen. En dat gemotoriseerd stalen ros had ik aan het station geparkeerd.

Tja, zoiets kan gebeuren als je een verstrooid persoon bent, in het bezit van een derdehands motorvoertuig, dat meer op stal staat omwille van alweer een panne, dan dat je er gebruik van kan maken om je te verplaatsen.

Dat was trouwens nogal eens een tijd. Telkens als ik er met mijn brommer op uit trok, nam ik een heel arsenaal werktuigen en hulpmiddelen mee. Weggestopt in de ruimte onder mijn zadel, en in de zakken van mijn motorvest. Schroevendraaiers, een els, een bougiesleutel. Schuurpapier, een stuk ijzerdraad en reservelampjes. Die laatste had ik dikwijls nodig want mijn bromfietslampen sprongen nogal gewillig. Geregeld stond ik aan de kant van de weg te prutsen aan mijn machine. Maar altijd ben ik er mee thuis geraakt!

Als prille twintiger kon ik me gelukkig de aankoop van een nieuwe auto permitteren. Niks wees er toen op dat ik tien jaar later ook gedurig aan dit voertuig zou moeten sleutelen om het op de baan te houden. Maar dat is een ander verhaal. Voor een volgende keer.

Gedurende zowat een half jaar betrok ik met mijn vriendin een appartement in een Belgische provinciehoofdstad. Op zekere doordeweekse avond, besloten we naar de bioscoop te gaan. We reden met de auto vanaf onze verblijfplaats in de randstad, tot in het centrum.

In de centrumstraten vond ik niet meteen een parkeerplaats. Daarom reed ik binnen in een ondergrondse parkeergarage, in de buurt van het station. We kozen een aardige film uit. Welke dat was, kan ik me niet meer herinneren. Allicht viel ik, als naar gewoonte, halverwege de vertoning in slaap. Niet uit verveling, maar van vermoeidheid. Toentertijd had ik immers een bijzonder druk beroepsleven.

Na de film was ik in ieder geval klaarwakker, want ik stelde mijn partner voor om ergens in een café nog een slaapmutsje te gaan drinken. Toen ik een tweede drankje bestelde, attendeerde mijn vriendin me op het sluitingsuur van de ondergrondse autostalling. Ik was er echter van overtuigd dat die voor middernacht niet dicht ging.

Toen we een half uurtje later de gezellige, warme kroeg verlieten en we in de koele avondlucht terechtkwamen, overviel me een onheilspellend gevoel. Samen met mijn liefste spoedde ik mij door de verlaten straten, in de richting van de parkeergarage.

Het geluk lachte ons toe... dacht ik. Een auto kwam uit de garage gereden. De laatste voor die avond, zo werd even later duidelijk. Wij geraakten er niet méér binnen, laat staan dat ik de auto er buiten zou krijgen. Ik had me wel degelijk vergist. Op weekdagen was deze publieke garage bijlange na niet zo lang open als in het weekend, het moment waarop ik er dikwijls gebruik van maakte.

Dan maar met de tram naar huis, zei mijn partner. De auto stond daar veilig. We zouden die de volgende dag wel komen ophalen. Er zou wel veel moeten betaald worden, maar er zat niks anders op. We haastten ons dus in de richting van de dichtstbijzijnde tramhalte. Wat een geluk: daar stond net een tramstel. Maar tegen het moment dat we er aankwamen, was dat helaas al terug doorgereden.

En het was onze laatste kans geweest, zo bleek bij het overlopen van het in het tramhokje opgehangen rittenrooster. Er zat dus niks anders op dan te voet naar huis te keren. Dat had uiteraard ook zijn charme. We hadden onze avond evenwel liever op een andere manier afgesloten.

De volgende ochtend waren we vroeg uit de veren. We namen aan de halte, vlak voor onze deur, de tram naar het centrum en reden een dik half uur later met de auto de parkeergarage uit.

In zo een grote stad zie je trouwens soms rare dingen gebeuren. Zo zat ik eens op een zondagochtend in de auto te wachten, terwijl mijn partner bij de bakker stond aan te schuiven voor broodjes. Ik had er eerst géén erg in, maar toen ik op een raam een foto zag hangen van een halfnaakte dame met pluimen in haar achterste, realiseerde ik me dat we ons in een buurt bevonden waarin nogal wat cabaretzaken zijn gevestigd. Dat zijn trouwens veelal verdoken bordelen. Weet ik 'van horen zeggen'.

Plots zag ik daar, op de eerste verdieping van zo een etablissement, een raam open gaan. Een schichtig kijkende kerel verscheen in het vizier. Met zijn jas in de hand. Hij keek snel naar links en rechts, en vervolgens naar onder. Toen gooide de man één been naar buiten en wrong daarna ook zijn tweede been door de raamopening, zodat hij op de vensterbank kwam te zitten. Eén tel later duwde hij zich af en belandde meteen daarna op het trottoir.

De kerel stelde zich recht, stofte zijn kleren af en deed zijn jas aan. Hij keek nog één maal rondom zich en dan naar de gevel en het raam waarlangs hij het gebouw had verlaten. Vervolgens ging de man er haastig van door. De vraag of naderhand de achtervolging werd ingezet door iemand van het variététheater, moet ik helaas onbeantwoord laten, want inmiddels was mijn lief daar al, met een zak zalig ruikende verse broodjes, die we zo snel mogelijk thuis wilden gaan verorberen.

Ru(sh)di(e), 23 april 2006 (revisie op 1 mei 2009)

23-03-09

Belevenissen in het UZ, het tweede deel

 

Op een zekere middag stonden we met enkele patiënten in de gang, toen we plots in het toilet iemand hoorden kreunen. Alert en hulpvaardig als we zijn, reed één van ons onmiddellijk richting verpleging met de melding dat er waarschijnlijk iemand in nood was.

Even later klopte een verpleegkundige op de WC- deur van waarachter het gekerm had weerklonken. Met daarbij de vraag of ze hulp kon bieden. Naar verluidt werd haar door een mannenstem verzekerd dat alles in orde was. Met deze melding stelde zij ook ons gerust en schouderophalend ging ze vervolgens terug aan het werk.

Terwijl de rest van ons gezelschap zich naar de oefenzaal repte, kon ik niet nalaten nog even in de buurt te blijven rondhangen. Luttele minuten later kwam uit de toiletten een koppeltje te voorschijn. Met een beetje een blozend gelaat, hun kledij fatsoenerend.

Het mafste verhaal dat ik ooit heb gehoord, is het volgende. Met Gaston, een medepatiënt uit het R.C. (RevalidatieCentrum), ging ik 's avonds regelmatig eten in het restaurant, gelegen op de 14de verdieping van kliniekgebouw K12. Die mogelijkheid werd ons geboden als alternatief voor het benutten van het avondmaal in de kale refter van het RC.

In het restaurant hadden we kennis gemaakt met twee patiënten, ook rolstoelers, die ieder op een verschillende afdeling en dus verdieping, van K12 verbleven, maar regelmatig samen naar boven kwamen om een sigaretje te roken en een pintje te drinken. Laat ik ze Walter en Alain noemen.

Op een zekere avond kwamen Gaston en ik eten in het restaurant. En zagen Walter daar zitten. Alleen. Ik vroeg hem waar zijn maat was. "Die hebben ze in zijn kamer gehouden" gaf hij als antwoord en begon vervolgens een amusant relaas te vertellen over wat zich die namiddag had afgespeeld.

Walter en Alain zaten samen op het 14de, toen een vriend van Alain ten tonele verscheen. Type schooier en duidelijk onder invloed van verdovende middelen. Na eerst een pint voor hun drieën te hebben gehaald, zette die kerel zich bij, en begon wat met Alain te praten. Walter hied zich discreet afzijdig.

Op zeker moment verdwenen Alain, zelf ook al een junk, en diens vriend, richting toiletten. Toen ze beiden even later terugkeerden was meteen duidelijk wat Walter reeds vermoedde: ze hadden een shot gezet.

Die spuit had Alain's vriend blijkbaar geen deugd gedaan want hij zag er nog beroerder uit dan toen hij in het restaurant arriveerde. Ze besloten om met zijn allen naar Alain's kamer te gaan. Diens kamergenoot werd die ochtend geopereerd en was nog niet terug.

Alain's kameraad voelde zich echt niet lekker en was moe. Waarop de eerst genoemde voorstelde aan de andere een tukje te doen in de zetel in diens kamer, terwijl hij met Walter in de taverne beneden nog een glas zou gaan drinken. Die kerel nam dat aanbod gretig aan en kroop in die fauteuil.

Toen Alain en Walter zowat anderhalf uur later terug op de afdeling verschenen, was er van de junkie geen spoor meer te bekennen. Alain's kamergenoot was terug, maar aan het slapen, dus kon die hen op dat moment geen informatie verstrekken. Kennelijk absoluut niet zinnens zich zorgen te maken over het lot van zijn gabber, veronderstelt Alain: "Allicht naar huis."

Niks van, echter. Want later bleek dat, toen Alain's kamergenoot terug naar zijn kamer werd gebracht, men had geprobeerd om die in de zetel slapende vriend wakker te maken, omdat de sofa waar hij in lag in de weg stond om dat bed naar zijn plaats te manoeuvreren. Toen dat niet lukte werd er een verpleegster bijgehaald, die op haar beurt een dokter ter hulp riep. Enfin, uiteindelijk hebben ze die man toch bij zijn positieven kunnen laten komen, onderzocht en overgebracht naar kliniekgebouw K13, psychiatrie. Mogelijks resideert hij daar nog steeds.

Een leuke vind ik zelf het verhaal van een patiënt die me zei dat hij, aan het begin van zijn adolescentie, een operatie had ondergaan - als ik mij goed herinner een liesbreuk - waarvoor een deel van zijn schaamhaar diende te worden weggeschoren. De charmante verpleegster die dat werkje zou uitvoeren had de assistentie van een knappe, jonge, uiterst lieve stagiaire.

Op aanwijzing van de verpleegkundige hield dat meisje die jongen zijn piemel in haar handpalm zodat eerstgenoemde probleemloos het haar op zijn onderbuik zou kunnen verwijderen. De warme meisjeshand veroorzaakte bij de jongeling echter een reactie die iets met hormonen heeft te maken. Enigszins verveelt om hetgeen gebeurde, maar ondanks alles toch ad rem genoeg om zich op een laconieke wijze uit deze situatie  te redden, zei die jongeman tegen de stagiaire: "Euh juffrouw, je mag je handje wel wegnemen hoor, hij kan nu niet meer vallen."

Ru(sh)di(e), 25 mei 2002  (revisie op 22 maart 2009)

19-03-09

Rudi’s overdenkingen – Zorgbehoefte

 

Heb gisteren een stukje afgewerkt met mijn verzuchtingen betreffende de thuiszorg, maar ik durf het eerlijk gezegd niet openbaar te maken. Ik vrees er nogal voor verkeerd begrepen te worden en ben bang mijn eigen ruiten in te gooien. Per slot van rekening ben ik voor een groot stuk afhankelijk van de mensen waar ik in dat schrijfsel (goed bedoelde) kritiek op spui. En ik schrijf om gelezen te worden, en zulke epistels dan nog met de bedoeling de betrokkenen een spiegel voor te houden in de hoop dat dit hen tot nadenken zal brengen. In het belang van al hun patiënten!

Het weze duidelijk dat ik opkom voor de rechten van elkeen die zich in een gelijkaardige positie bevind als de mijne, maar die niet durft of, bijvoorbeeld door onmondigheid, niet kan opkomen voor zichzelf.

Uiteraard weet ik dat de betrokkenen in de thuiszorg het ook niet altijd gemakkelijk hebben, maar dat is niet mijn probleem. Een vakbondsafgevaardigde verdedigt toch ook de rechten van de werknemers en probeert het onderste uit de kan te halen voor zijn leden, terwijl ook hij of zij weet met welke problemen de werkgevers te kampen hebben en welke verantwoordelijkheden er op diens schouders rusten.

Al te dikwijls blijven wij - hulpbehoevenden - apathisch aan de zijlijn staan, bevreesd als we zijn nog minder, of zelfs helemaal niet meer geholpen te worden. Schrik om van de regen in een stortvlaag terecht te komen. En als men dan toch eens naar buiten komt, dan is het om meer geld te vragen. Akkoord, dat is misschien ook wel nodig, maar ikzelf ben van mening dat net details,  die niks kosten, maar enkel mogelijks een extra inspanning en wat (re)organisatie vergen, het leven van de thuis verzorgde hulpbehoevende medemens een heel stuk aangenamer zou kunnen maken.

Ook ik ben bevreesd en heb geen zin om me door mijn geschriften nog meer miserie op de hals te halen dan ik nu al heb. Dat is trouwens het gevaar' van het geschreven woord, hè. Een epistel kan gelezen worden en verkeerd begrepen en je bent daar niet (altijd) bij om uitleg te verschaffen. Ik heb dit in het verleden reeds eerder ervaren.

Nu ik het over het 'geschreven woord' heb, valt mij ineens een mop te binnen. Een beetje aangebrand evenwel, dus lezen er minderjarigen over je schouder mee of kan je zelf niet tegen dit soort grapjes, sla deze passage dan over en ga onmiddellijk door naar de laatste vijf alinea's. Knipogen

Bert was razend verliefd op een meisje uit zijn dorp en had, als ultieme blijk voor wat hij voor haar voelde en om haar duidelijk te maken dat, wat hem betrof, hun verbintenis voor altijd zou blijven duren, de naam van zijn vriendin op zijn jongeheer laten tatoeëren. Netjes, in donkerblauwe inkt, stond daar het woord 'Jennie' te lezen.

Aangezien hij dit als een weldaad voor zijn corpus ervoer, en voor zijn geest,  ging Bert af en toe naar de sauna. Als hij de eerstvolgende keer, na de zweetcabine te hebben verlaten, onder de douche wou gaan, kwam daar net een grote, donkerhuidige man uit de cabine, kompleet naakt, en vooraleer hij een handdoek omheen zijn middel kon slaan zag Bert die kerel zijn piemel, waar ook een tatoeage op stond, met potverdorie zelfs de zelfde naam als deze op de zijne.

Dus zei hij, "Excuseer me hoor, maar ik zag het puur toevallig.  Jouw vriendin noemt dus ook Jennie?" Waarop die zwarte, lachend: "Neen hoor, toch niet. Wanneer zij mijn penis in haar handjes neemt wordt vrij snel de naam van mijn liefste leesbaar: Josephine-Antoinette."

Over lullen gesproken, maar dan in de betekenis van kletsen en praten: over mijn logevallen in het universitair ziekenhuis in Gent kan ik ook één en ander vertellen. En dit sluit eigenlijk perfect aan bij het eerste deel van dit schrijfsel, en niet alleen omdat het ondermeer over verzorging gaat, maar dat merk je wel als je verder leest.

Mijn eerste jaar verblijf in het hospitaal had ik stelselmatig - soms met veel moeite, wegens fysisch onvermogen - ingesproken en neer getypt. In een eerste versie gewoonweg de naakte feiten, zonder meer. Een tweede, herwerkt relaas was ronduit cynisch. Om mijn verhaal voor een zo groot mogelijk lezerspubliek vermakelijker te maken, besloot ik het uiteindelijk te romantiseren, in de derde persoon te schrijven en enige fictie toe te voegen.

Er was een uitgever die wel interesse had om mijn verhaal te drukken. Mits het aanbrengen van bepaalde wijzigingen. Met een beetje fantasie er bij kan je stellen dat mijn zitje op de voorbije editie van de jaarlijkse Antwerpse boekenbeurs al klaar stond. Alhoewel ik dat eigenlijk niet echt nodig had gezien het feit dat ik nergens heenga (of eigenlijk rijd) zonder mijn elektrische rolstoel.

Of mijn boekje afnemers zou hebben gevonden, misschien zelfs een bestseller zou zijn geworden? Geen idee, en ik zal het ook nooit te weten komen, aangezien ik alles integraal van de harde schijf van mijn computer heb gewist. En ook de afgedrukte en op diskette gekopieerde exemplaren zijn stuk voor stuk verwijderd. De opgevoerde karakters waren immers, mijns inziens, te herkenbaar en ik was tevens bang bepaalde mensen, ongewenst en onverdiend, te kwetsen. Al waren er anderzijds anderen bij die eigenlijk wel verdienden nog harder te worden aangepakt dan ik in mijn manuscript had gedaan.

Stom? Ik denk het niet en nu, bijna driekwart jaar na het uitwissen, heb ik er nog steeds geen spijt van. Mogelijks begin ik, wie weet misschien zelfs vrij spoedig, aan een nieuw verhaal, waarin ik mijn ervaringen tijdens mijn ziekenhuisverblijf verwerk. Ondertussen zal ik echter niet nalaten in mijn schrijfsels enige negatieve aspecten die ik tijdens mijn bijna anderhalf jaar verblijf in het UZ heb ervaren, aan de kaak te stellen. Maar net zo zeer zal ik bepaalde positieve bevindingen en leuke avonturen van toen, wereldkundig maken. Jullie horen nog van me!

Ru(sh)di(e), 29 mei 2002 (revisie op 15 maart 2009)