30-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 5

 

Een dag later, op dinsdag, de 30ste dag van kalendermaand januari 2007, werd ik, iets na 17u00, met infuus, zuurstoffles, kunstlong, beademing en al de rest dat er bij hoort, op een brancard gelegd, het ziekenhuis uit en een klaar staande ziekenwagen in gerold. En weg waren we, richting provinciehoofdstad. Waar we een kleine drie kwartuur later ter bestemming arriveerden: het algemeen ziekenhuis met de naam van een heilige, die tot voor die benoeming, actief was als evangelist. Waren de vooruitzichten rooskleuriger geweest, dan had ik me vast gevoeld als een medewerker van één of andere consumentenorganisatie, die een vergelijkend onderzoek doet naar de kwaliteit van de Vlaamse ziekenhuizen.

Veel kon ik niet zien van op die van wieltjes voorziene draagbaar, waar ik, door middel van riemen, veilig lag op vast gebonden. Maar ik merkte het wel toen we arriveerden op de plaats waar ik werd verwacht: de afdeling 'intensieve zorgen'. Ook hier allemaal cellen. Maar iets rustgevender dan die waar ik eerder in verbleef. Wat ik zag waren allemaal kleine glazen kamertjes met een, ook al glazen deur in het midden. En een achterwand vol apparatuur.

In één van die hokjes werd ik binnen gerold, en naar het aldaar aanwezige bed getransfereerd. In de hoek rechts van mij stond een computerscherm waarop ik, zoals ik later merkte, een aantal data van de aan mijn lijf gekoppelde toestellen kon aflezen. En rechts bovenaan ontwaarde ik zowaar een groot digitaal televisietoestel. Dat zou vast nog van pas komen om de te verwachten sleur van de komende dagen te breken.

Op een wandklok kon ik aflezen dat het intussen even na 18u00 was geworden. De ontvangst op deze dienst was vrij hartelijk. Of het inbeelding was of niet, dat weet ik, niet, maar het voelde er aan alsof er, in de mate dat dit kan op zulk een afdeling, toch een goede sfeer heerste. Middels mijn letters annex cijferkaart probeerde ik met het personeel te communiceren. Sommigen voelden zich daar onwennig bij, maar deden toch hun best om me te verstaan. Anderen hadden niet het geduld om er aan mee te werken. Gelukkig behoorde die laatste groep tot de minderheid.

De volgende dag kwam één van de longartsen naar me toe. Een vriendelijke, zich eenvoudig gedragende man. Hij stelde zichzelf voor en zei dat hij begreep dat ik van die longmachine af wou en terug wou proberen zelfstandig te ademen vooraleer andere opties in overweging te nemen. Ik knikte van ja.

De arts zij dat er haast bij was! Want hoe langer men wachtte met me opnieuw zelfstandig te laten ademen, hoe kleiner mijn kans op slagen werd. De arts vroeg me op een gemoedelijke toon: "Gaan we het proberen?" Uiteraard knikte ik enthousiast van ja. De man legde me de procedure uit. Hij zou, geassisteerd door een verpleegkundige, eerst nog een bronchoscopie uitvoeren om zoveel mogelijk fluimen uit mijn luchtwegen te verwijderen. Vervolgens zou hij de tubes uit mijn keel halen, waarna men mij maximaal ging beademen met een mond/neusmasker. De eerste 24 uur zouden cruciaal zijn. Het was afwachten of mijn longen in staat zouden zijn om hun taak weer op zich te nemen.

De die dag voor mij verantwoordelijke verpleegster positioneerde me, met de hulp van een stagiaire, zo rechtop mogelijk in bed. Nadat, met een mobiel apparaat, de bronchoscopie was uitgevoerd, begon de dokter met het losmaken van de banden waarmee de tubes in mijn ademhalingskanaal, aan mijn hoofd waren vastgemaakt. De verpleegster hield reeds een masker op mijn neus. De zuurstofstroom voelde hard en koel aan. Bij de volgende handeling van de arts werd een ganse buisconstructie uit mijn mond en keel gehaald en kreeg ik het zuurstofmasker op de mond gedrukt. Met maximale luchttoevoer. En ik begon weer zelf te ademen! Nogal gejaagd, ondanks het feit dat ik innerlijk erg rustig was. Mijn lichaam zou zich moeten aanpassen aan de vernieuwde situatie en een aangepast, rustig ademritme moeten zoeken en hopelijk vinden. Zelf had ik daar weinig invloed op.  Mijn zoveelste strijd was begonnen.

Toen ik een tijdje alleen werd gelaten, trok ik mijn zuurstofmasker enkele centimeters weg van mijn gezicht en probeerde mijn stem uit. Dat lukte. Ik kon weer spreken! Met een rauwe stem weliswaar, maar daar had de longarts me voor verwittigd. En dat zou tijdelijk zijn. Dus baarde mij dit helemaal geen zorgen.

Een tijdje later stond de verpleegster alweer aan mijn bed. Met de bedoeling me een aerosolbehandeling te geven. Mijn bezwaren, gezien mijn negatieve ervaringen ermee in de stadskliniek van mijn woonplaats, werden echter weggewuifd. Op voorschrift van de dokter had ik dit nodig, zo zei ze kordaat, en dus moest en zou ik de kuur krijgen toegediend. Einde discussie!

En ik had er helaas opnieuw dezelfde slechte ervaring mee. Of eerder nog slechter! Wellicht omdat mijn lichaam nog zwaarder verzwakt was geworden. De tweede aerosolbeurt, een uur of vier later, liet ik nog toe, maar toen was het voor mij genoeg geweest. De dokter, waar men na mijn weigering heen holde, deed helemaal niet moeilijk en liet me overschakelen op een andere therapie. Die me niet zo een fysieke last bezorgde.

De eerste avond, nacht en volgende dag waren afschuwelijk. En afmattend! Zelfstandig ademen, zelfs met behulp van die grote hoeveelheid zuivere zuurstof, was geen sinecure. Geconcentreerd moest ik trachtten rustig in en uit te ademen. Op het computerscherm in mijn kamertje kon ik het zuurstofgehalte in mijn bloed volgen. Telkens mijn ademritme even stokte, ging die waarde onrustwekkend naar beneden. Aan slapen kwam ik helemaal niet toe. Eenzaam en alleen lag ik daar te vechten in de hoop deze hel te overleven en in de toekomst alsnog een beetje een menswaardig leven te kunnen leiden. Niet afhankelijk van machines.

Zoals voor mijn opname beloofd, en ook al om de tijd de doden, stuurde ik met mijn mobiele telefoon berichtjes naar mijn thuisverpleegkundigen, kinesist en assistenten. Waarin ik hen op de hoogte bracht van mijn huidige fysieke toestand en de vooruitzichten die er waren. Uitgeput en bang, zoals ik op dat moment was, wond ik er, als naar gewoonte, geen doekjes om en zond ik hen een Sms'je met de melding dat 'mijn toestand uitzichtloos leek en dat ik ten einde raad was'.

Buiten de zorgen over mijn gezondheid was ik ook bevreesd om, na mijn beoogd herstel, bij thuiskomst niet meer in mijn geleidelijk opgebouwde normale routine, met afgesproken tijdstippen van verzorging, therapie en hulp, te kunnen vallen. Omdat bijvoorbeeld mijn vaste momenten inmiddels waren ingenomen door andere personen. Want mijn thuisverzorgers en - assistentes konden toch niet blijven gaten open houden en eindeloos wachten op mijn terugkeer?

Tegen de middag aan deed de dokter zijn ronde. Met in zijn kielzog de hoofdverpleegkundige, de verpleegkundige die me die ochtend had verzorgd, een kinesitherapeut  en nog enkele andere personen. De dokter kwam, samen met zijn gevolg, uiteraard ook bij mij langs. En leek opgetogen over het feit dat ik het eerste etmaal zonder kunstmatige beademing, in medisch opzicht, quasi probleemloos was door gesparteld. Hij gaf orders aan de kinesist om een intensieve therapie op te starten. Vier keer kiné per dag, zo zei de arts. De kinesist knikte braaf instemmend. Maar, zo werd naderhand vlug duidelijk, in de praktijk zou daar weinig van terecht komen. Ik mocht al blij zijn met één behandeling per dag. Wat trouwens bleek te volstaan. Want meer was nogal belastend voor mijn lichaam. Ik was tevreden met een dagelijkse mobilisatie van mijn ledematen en een beetje tapoteren op de borstkast om mijn luchtwegen vrij te houden.

Enkel de eerste paar dagen diende de arts mijn slijmen weg te nemen met zijn mobiel bronchoscopietoestel. Daarna kon ik het nog resterende slijm, waaruit alle slechte beestjes waren verdwenen, ophoesten met, en ook vaak zonder de hulp van de kinesist. De hoeveelheid extra zuurstof werd geleidelijk aan afgebouwd en ik kreeg ze toegediend via een neusmaskertje, wat me meer comfort gaf. Om te spreken bijvoorbeeld. Of om te trachten iets te eten of te drinken.

Toen het artsenteam eens gezamenlijk bijeen tot aan mijn bed kwam en samen met mij mijn toestand besprak, gaf hun nederig gedrag mij een goed gevoel, kwam hun menselijkheid duidelijk naar boven en leek het erop alsof ook zij overtuigd waren van het gegeven dat een patiënt een specialist kan zijn in zijn eigen specifieke problematiek. Verwijzend naar het gemak waarmee ik een bronchoscopie liet uitvoeren zei één van deze specialisten,  al gekscherend: "Binnenkort doet hij alles zelf." Wat ons allen deed glimlachen.

Door de televisie aan te zetten trachtte ik wat kleur en afwisseling te brengen in dat ellendige, eenzame verblijf op "intensieve zorgen'. Maar geen van de programma's kon me ooit boeien. En het nieuws, alsook het weerrapport konden me al helemaal gestolen worden. Steeds weer was het uitkijken naar de bezoekuren. Om 15u en om 19u. Telkens voor maximaal twee personen, ouder van 14 jaar en voor niet langer dan een half uurtje.

Gelukkig kregen we van de hoofdverpleegkundige van de afdeling de toestemming om mijn toen tienjarige zoons tijdens het eerste weekend van februari even bij me op bezoek te laten komen. De jongens keken beduusd en onder de indruk rondom zich en achter mij, naar al die toestellen, knopjes, lampjes, slangen, schermen en zo meer. Mij deed het goed hen even te zien. Per slot van rekening waren zij, sinds die noodlottige operatie in mei 2000, mijn enige motivatie om, ondanks dat verlamde, willoze lichaam, toch verder te gaan met mijn leven. Actief participerend in de maatschappij. Of dat althans voortdurend proberend.

Vaak lag ik 's nachts te ijlen en had ik nachtmerries. De fysieke pijn en het psychisch leed door het missen van de kinderen en mijn onzekere toekomst lagen aan de basis hiervan. Alsook allicht de mij toegediende medicatie. En fantasie en werkelijkheid waren in deze angstdromen dikwijls met elkaar vermengd.

Langzaamaan begon ik terug te eten en te drinken. Eerst een potje natuuryoghurt, later al eens een boterham, en vervolgens ook warm eten. Kleine hapjes die me werden aangereikt door een verpleegkundige, een logistiek assistente of een stagiaire. En waar ik goed op knabbelde, waarna ik het voedsel behoedzaam inslikte... zonder verslikken!

Van papperige drankjes stapte ik af. Want ook het drinken leverde niet langer problemen op. Het was wel even wennen. En ik dronk met kleine slokjes en uiterst omzichtig. Maar ook dat zelfs zonder ook maar de neiging tot verslikken. Oef!

Eens ik wat beter was liet ik ook mijn schootcomputer overbrengen. Op het Internet gaan kon ik niet, maar teksten schrijven en mijn correspondentie en administratie doen, dat ging wel. En alle twee dagen gaf ik mijn laptop mee met mijn namiddagbezoekers, die bij mij thuis het e-mailverkeer uitwisselden, om dan mijn machine met bijgewerkte post, via mijn bezoekers van 's avonds terug aan mij te bezorgen. Een mens moet zijn plan trekken in het leven, hé?!

De dag na mijn aankomst in deze kliniek, werd ook mijn rolstoel overgebracht. En hier mocht die wel in mijn cel staan. Eens ik door de slechtste periode heen was, dus vanaf enkele dagen na mijn aankomst, werd ik er na mijn ochtendtoilet en mobilisatie; steeds in gezet en bleef ik er in zitten tot 's avonds.

Dagelijks werd bloed afgenomen via een permanente naald in een slagader van mijn pols. Met het aldus verkregen bloedstaal werden de bloedgassen gecontroleerd. Een test om de verhouding zuurstof (O2) en koolstofdioxide (CO2) in het bloed te bepalen en het zuur-base evenwicht te controleren.

Bij een gunstig evenwicht verminderde men stelselmatig de hoeveelheid zuurstof die me werd toegediend. Soms drong ik zelf aan op een snellere vermindering van de bijbeademing. Maar als men daarop inging gebeurde het wel eens dat mijn zuurstofsaturatie een duikvlucht nam en ook de bloedgassen slecht waren.

Maar uiteindelijk kwam alles op een aanvaardbaar niveau te staan. De bijbeademing gebeurde, zoals voormeld, dus inmiddels enkel nog via een neusmaskertje dat, tijdens het verzorgen, zelfs werd afgezet. Al moet ik bekennen dat ik naderhand steeds blij was dat ding dat zuurstof aanvoerde, weer terug op mijn neus te hebben. Ondertussen had gelukkig ook de overdreven slijmvorming opgehouden zich te manifesteren.

Op 6 februari 2007 mocht ik naar de verzorgafdeling pneumologie worden overgebracht. Als ik het mij goed herinner heb ik dat gedaan op eigen krachten, dus me verplaatsend middels mijn elektrische rolstoel. Eens buiten mijn kamertje zag ik pas goed de omvang en inrichting van de afdeling I.Z., waar ik een week had doorgebracht.

Op pneumologie kreeg ik een tweepersoonskamer toegewezen voor mij alleen. Want men had ruimte nodig om naast mijn bed ook een tillift en mijn rolstoel een plaats te geven. Mijn kamer was voorzien van een koelkastje en een Tv, en had een groot raam, met zicht op de hemel en enkele boomkruinen. Een allesbehalve spectaculair panorama, maar alleszins veel beter dan die totale geslotenheid op de afdeling waar ik vandaan kwam.

In den beginne was ik niet erg op mijn gemak, zo zonder dat continue toezicht op mijn fysieke toestand, middels allerlei aan mijn lichaam gekoppelde apparatuur en ook visueel. Daarom had ik ook het liefst dat mijn kamerdeur bleef open staan op momenten dat ik er alleen in aanwezig was.

Bezoek kon ik nu dagelijks ontvangen van 14u tot 20u. Buiten mijn naaste familie kwam er evenwel niet veel volk over de vloer. Aan meer visite had ik trouwens ook helemaal geen behoefte.

De pneumoloog die me tot dan toe, tot mijn volle tevredenheid en met een gunstig resultaat, had behandeld, liet de zorg over mij over aan één van zijn collega's, een vrouwelijke arts, die naast pneumologe, ook interniste is, en ooit assistente, of althans een studente was van de longarts die me behandelde in die andere, door mij liefst te mijden kliniek.

Deze arts liet een slaaptest op me uitvoeren, waarna ze me een compact, digitaal bestuurd bijbeademingstoestel voorstelde. Eén met een dubbele werking, en een regelbare luchtstroom, zodat het mijn natuurlijk longmechanisme en ademhalingsritme kon volgen. Het zou voor ondersteuning zorgen bij zowel het inademen als bij het uitademen, zodat het moeiteloos mijn ademhalingspatroon, kon volgen en mij meer comfort bezorgen.

Slapen met het toestel ging eigenlijk vanaf de eerste nacht reeds prima. Het was wel even slikken toen me werd diets gemaakt dat ik wellicht tot op het einde mijner levensdagen van een dergelijk toestel zou afhankelijk zijn. Steeds slapen gaan met een groot masker op mijn neus was geen prettig vooruitzicht. Maar aangezien mijn wettige echtgenote reeds jarenlang geen interesse meer vertoonde om met mij het bed te delen, was er in elk geval geen partnerprobleem. Het was enkel maar te hopen dat mijn tienerzoons, die af en toe nog eens een nacht doorbrachten in de woonkamer, alwaar mijn bed staat opgesteld, niet door mijn masker zouden worden afgeschrikt.

De kinesitherapeut probeerde een hulpapparaat uit van begin de jaren tachtig: de Vibrax. Een alternatief voor het op de borstkast trommelen met de handen. Het is een toestel dat het uitzicht heeft van een vlakschuurmachine. Het wordt op de thorax gezet en genereert vibraties. Die waren evenwel te agressief, voor mij. Vele uren na de behandeling deed mijn borstkast nog pijn, en voelde ik het in mijn binnenste nog steeds natrillen. Slecht nieuws voor de kinesist wiens job, bij gebruik van dat ding, minder inspanning vergde.

In deze kliniek was de manier waarop het personeel me benaderde en behandelde veel beter dan in het hospitaal waar ik de vorige keer verbleef. Toch moest ik me ook hier dikwijls inhouden om te reageren op stomme uitspraken door verplegend personeel of paramedici. Of opmerkingen te maken over hun wijze van handelen.

Tijdens die talloze, eenzame momenten, overdacht ik de afgelopen nare periode. En diende helaas te concluderen dat ik het hier wel het minst slecht van overal had. Maar dat ik toch in elke kliniek, op elke afdeling, af en toe kreeg te maken met medisch geschoold personeel dat ofwel onkundig was, of onvoldoende geïnformeerd, of cru, of uitblonk door een totaal gebrek aan inlevingsvermogen. Buiten hetgeen reeds eerder aan bod kwam in dit verhaal, hierna nog een aantal voorbeelden om dit te illustreren.

Als ik wil urineren, dient men mijn penis vast te houden en er een plaskan ofte urinaal onder te houden. Ze deden dan handschoenen aan. Omwille van de hygiëne. Eens mijn blaas was geleegd, ging men de gebruikte urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er meestal niet bij. Tenzij ik daar uitdrukkelijk om verzocht. Vervolgens werd de plaskan nogal vaak netjes gedeponeerd tussen de pralines en de fruitmand. Hygiënisch?

En als ik hen niet vroeg om mijn piemel na het plassen af te deppen, dan stopten ze gegarandeerd mijn nog nadruppelende jongeheer zonder meer in mijn broek. De lust bekroop me dan om hen te vragen of zij hun spleet ook nooit afkuisen nadat ze hebben geürineerd. En of het daar dan naar de avond toe niet ontzettend erg gaat jeuken... en stinken? Maar ik beheerste me telkenmale, want ik was afhankelijk van hen.

Dat ik het verzoek om me te (her)positioneren in bed niet keer op keer vroeg om moeilijk te doen, maar uit noodzaak, om spierpijnen te doen ophouden en doorligwonden te voorkomen, dat kon ik sommigen ook niet aan het verstand brengen. Terwijl anderen net mee nadachten over manieren om me zoveel mogelijk comfort en zo weinig mogelijk fysieke last te bezorgen.

Het fenomeen 'spasmen' was ook iets waar velen blijkbaar niks van afwisten. Dan gaf ik meestal geduldig een bondige uitleg over de oorzaak van deze bij de meeste 'verlamde' personen optredende ongecontroleerde spiersamentrekkingen. Terwijl ik me afvroeg of ze dat dan niet leerden op school? Of waren ze het dan alweer vergeten?

Schort er wat aan de opleiding? Of is die wel compleet en ligt het aan de desinteresse van die individuen? Zelf weet ik het antwoord niet, maar iemand anders misschien wel.

Waar ik ook moeite mee heb is dat, als het eten arriveert terwijl je bezoek hebt, er als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat zij je dus wel zullen helpen. Maar dat wil ik niet! En als ik hierop commentaar leverde, dan kreeg ik steeds de wind van voor. En werd ik in een verdedigende positie geduwd. Maar ik zie niet in waarom ik telkens met mijn gefundeerde redenen voor de dag zou moeten gekomen zijn. Deze zijn mijns inziens immers niet van belang. Ik wil het niet, punt uit.

Uiteindelijk kwam het moment er aan dat mijn artsen me zegden dat, wat hen betrof, ik het hospitaal mocht verlaten, vanaf het moment dat ik mij er zelf toe in staat voelde. Die toch wel 'veilige', 'geborgen' omgeving inruilen voor mijn plekje thuis... het gedacht eraan bezorgde me gemengde gevoelens. Want ik was continue uitgeput en moe, ondanks voldoende slaap. En ik kon de reden hiervan maar niet achterhalen. En ook de artsen noch verpleegkundigen hadden enig idee.

Toch begon ik, als voorbereiding op mijn terug naar huis gaan, op eigen initiatief met het afbouwen van mijn zuurstofafhankelijkheid. Twee opeenvolgende uurtjes zonder, werden er drie, vervolgens vijf. Tot het moment aanbrak waarop ik de arts meldde dat ik inmiddels had bepaald wanneer ik naar huis wou. Een voorschrift voor zuurstof thuis kreeg ik niet. Mijn toestel voor 's nachts moest volstaan.

Wat uiteindelijk de oorzaak is geweest van mijn ganse problematiek, zal ik nooit te weten komen. Maar allicht en vooral hopelijk, kan ik een herhaling ervan voorkomen door veel te drinken, vooral ook na de maaltijden, 's nachts te slapen in een positie waarbij mijn lichaam met de benen omhoog ligt en het hoofd naar beneden, zodat het sinds 25 augustus 2000 in mijn lichaam geplaatste pompje, dat overtollig hersenvocht in mijn nekstreek, rechtstreeks afvoert  naar mijn hart, zijn werk kan doen. En zo voorkomt dat mijn ruggenmerg in verdrukking komt, met functieverlies als gevolg. En tot slot zal ongetwijfeld ook bijzonder preventief werken, het gebruik van het toestel dat me 's nachts helpt zo veel longblaasjes als mogelijk met lucht te vullen en derhalve te laten functioneren. Wat hoe dan ook bevorderlijk zal zijn voor mijn lichamelijke conditie. En maar hopen nooit geen snotvalling, verkoudheid of andere (vies) slijm producerende ziekte op te lopen!

Op woensdag 14 februari 2007 verliet ik de kliniek. Op Valentijnsdag. Een mooi moment om naar thuis te komen. Waar ik in de late voormiddag arriveerde. Met een via de mutualiteit besteld rolstoelvervoer. Uiterst moe en uitgeput. Juist op tijd om samen met de andere leden van mijn gezin, het middagmaal te nuttigen.

Gelukkig kon mijn verpleegkundige en paramedische verzorging nog steeds gebeuren op dezelfde tijdstippen als voor mijn ziekenhuisopname. Terug in mijn eigen omgeving zijn deed me goed. Maar zo helemaal zonder extra zuurstof ademen deed raar en maakte mij onzeker. Zou ik het blijven redden zonder bijbeademing? En die loomheid bleef ook de volgende dagen in mijn lijf zitten. Koorts had ik niet. Maar mijn urine en ontlasting waren donker gekleurd. En mijn huid kleurde gelig.

De eerste dagen zat ik alweer vaak in de inkomhal van ons huis. Want daar kon ik naar wat extra zuurstof snakken. Soms liet ik ook mijn bijbeademingstoestel overdag over mijn neus plaatsen. Om toch maar wat extra zuurstof in mijn longen te krijgen. Want de slijmvorming behoorde dan wel tot het verleden, maar mijn luchtwegen hadden de afgelopen maanden enorm afgezien en hadden tijd nodig om er weer bovenop te komen, zich te herstellen naar de toestand van voordat die problematiek optrad!

Omdat ik me elke dag meer vermoeid voelde en mijn urine en stoelgang een uiterst rare kleur hadden, belde ik mijn huisarts op met de vraag om eens langs te komen. Wat gebeurde. Een bloedonderzoek bevestigde een dag later zijn, en eigenlijk ook mijn vermoeden en dat van mijn thuisverpleging. Ik had Hepatitis, een virale leverontsteking.

Eens die diagnose was gesteld, en de vereiste medicatiekuur was gestart, voelde ik me meer gerust. Maar ik was wel totaal uitgeput. En elke dag manifesteerde het uiterlijk kenmerk van de ziekte, de zogenaamde geelzucht, zich meer en meer. In de kliniek hadden ze zich daar geen vragen bij gesteld. En de donkere urine en dito ontlasting hadden, bij de verpleegkundigen aldaar, eigenaardig genoeg, ook geen belletje doen rinkelen. Uiteindelijk is het, dankzij de nodige en juiste medicatie, dus terug in orde gekomen met mijn lever en kreeg ik naderhand ook mijn normale, blanke huidskleur terug. En door ook deze ziekte te doorstaan en te overleven was ik in staat tot het doorvertellen van het ganse verhaal, waarvan dit de laatste woorden zijn.

Ru(sh)di(e), 28 februari 2007 (revisie op 30 september 2009)

10-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 3


Het exact aantal dagen dat ik doorbracht op 'I.Z.', dat kan ik me niet herinneren. Een kleine week, vermoed ik. Maar uuiteindelijk mocht ik dan toch verhuizen naar de verzorgafdeling pneumologie. Wat was ik blij weg te zijn uit dat zottenkot! Maar op de verpleegafdeling waar ik toen terecht kwam, en waar in de decoratie en aankleding van de kamers de kleur geel gelukkig niet (meer) domineerde, ging het er eigenlijk helemaal niet beter aan toe, zo zou ik spoedig merken.

Mijn oom had mijn rolstoel reeds overgebracht. En omdat ik die perse in mijn kamer wou, had men het tweede bed er uit verwijderd, zodat er wat manoeuvreerruimte was. Want gebruik maken van de techniek van de transfer middels een draaischijf, dat zagen de verpleegkundigen op die afdeling niet zitten. Sukkels! Om mij te verplaatsen van bed naar rolstoel en omgekeerd, hadden ook zij dus een tillift nodig.

Elke dag, na gewassen te zijn, en in mijn pyjama gestopt, werd in dus verplaatst van mijn bed naar mijn rolstoel. Waarin ik dan de ganse dag bleef zitten. Luisterend naar muziek, of werkend aan mijn laptop, die ik had laten meebrengen van thuis. Een televisie had ik ook ter beschikking, maar wat daarop te zien was kon me slechts zelden boeien.

Er werkten op de afdeling een aantal heel lieve verpleegkundigen, jonge en minder jonge. Maar er was daar ook een feeks van een ancien tewerk gesteld, die de werklust van haar collega's en hun aandacht voor de patiënten, niet kon waarderen. En zij zwaaide daar blijkbaar de plak. Zelf de veel jongere hoofdverpleegster had ze blijkbaar in haar macht. Een heel rare situatie vond ik dat. Verplicht lang durende koffiepauzes en verpleegsters die me stiekem kwamen helpen buiten de vaste verzorgtoer.

Met twee schoolgaande kinderen thuis en plots alleen gevallen bij het beredderen van ons huishouden en met het bijkomend probleem van de afstand tot de kliniek, kon mijn vrouw slechts nu en dan en dan telkens maar voor korte tijd, bij mij op bezoek komen. Maar toen ze er dan wel eens was, wou ik dat we rustig konden praten en samen mijn door haar meegebrachte briefwisseling doornemen. Haar belasten met het ontlasten van het ziekenhuispersoneel, was wel het laatste dat ik wou!

Maar deze laatst genoemden dachten daar anders over. Allicht onder de negatieve invloed van die eerder vermelde helleveeg. Lafaards! Tijdens zo een bezoekje moest ik op een gegeven moment plassen. Dus drukte ik op het knopje waarmee een belletje afging in mijn kamer en in het verpleeglokaal en, in de gang, het lampje boven de deur van mijn kamer, rood kleurde. Een minuut of vijf later stak een, al wat oudere verpleegster, haar domme kop binnen en vroeg verveeld of het dringend was, want ze had niet onmiddellijk tijd. Toen ze, alweer een minuut of vijf later, mogelijks waren het er zelfs tien, terug in mijn kamer kwam, zag die trut er nog steeds ontstemd uit. Ze vond het vervelend dat ik niet wou wachten op hulp tot ze een half uur later aan haar late namiddag verzorgronde zou beginnen.

Terwijl ze mijn plasser in de urinaal stopte, en ik enkele keren zachtjes op de zijkant van mijn buik klopte om de boel in gang te zetten, vroeg ze me op gedempte toon, met haar heksenkin wijzend naar mijn, ondertussen documenten invullende eega, of dat niet mijn vrouw was. Terwijl het plassen startte, beantwoorde ik haar vraag met een ja. Waarop dat wijf verontwaardigd repliceerde dat ik mij dan toch door haar had kunnen laten helpen? Waarop ik reageerde met het antwoord dat ik er nog niet aan dacht mijn vrouw, niet tewerkgesteld in die kliniek, een job te laten doen waarvoor de vrouw, die mijn plasser vast hield, werd bezoldigd! Die uitleg viel niet in goeie aarde. Maar dat zou mij een zorg wezen. Mijn echtgenote was niet naar me toe gekomen om me te verzorgen, maar om me te  bezoeken!

Dat mens werkte dan toch de klus af. Propte mijn nog nadruppelende penis in mijn pyjamabroek, zodat die vochtig werd en ging al morrend de urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er alweer niet bij. De, van de nog aan de rand hangende pis, stinkende plaskan, werd met een smak op mijn nachtkastje gedropt. Voor de verandering eens niet naast iets eetbaars. Het dom schepsel verliet boos de kamer. Mijn opmerking dat ze mijn broek had natgemaakt door ongeconcentreerd en onzorgvuldig te werk te gaan, daar antwoordde ze niet eens meer op.

Een poosje later kwam er een logistiek assistente de kamer binnen. Met mijn avondmaal. Die floot ik ook terug toen ze zei dat mevrouw me zeker wel zou helpen? "Neen" antwoordde ik, "mevrouw gaat mij niet helpen. Mevrouw gaat zo meteen naar huis, waar werk op haar ligt te wachten, dat ze zelfs niet eens kan trachten op een ander af te schuiven!" Het wicht keek me even verbaast aan en zei dan dat ze terug bij mij zou komen eens alle maaltijden waren bedeeld. Die vroeg zich wellicht af hoe het kwam dat ik reageerde alsof iets mij misvallen was, terwijl ik nog niet eens iets had gegeten!

Mensen toch, wat een rotte mentaliteit heerste daar op de afdeling! En, hoewel sommige jongere vrouwen ook in hetzelfde bedje ziek waren, betrof het vaak zo van die rijpere vrouwen, die nog net niet in de overgang zijn, en tijdens de periode van hun maandelijkse regels, de last die ze daarvan hebben, milderen voor zichzelf, door de personen die ze worden verondersteld te verzorgen en gerust te stellen, te kwellen met eigen, verzonnen regeltjes.

Of zijn het van die kakmadammen die hun slip of string te hoog hebben opgetrokken, in een ijdele poging daarmee hun loddergat een iets minder neerwaarts hangend en wat strakker aanzien te geven. En de frustratie van het falen van deze truc en de pijn die ze hebben van die snijdende randen van dat ondergoed in hun lies, spleet en reet, uitwerken  op hun patiënten. Ongehoord is dat!

Het kunnen er trouwens ook zijn die voortdurend ongemakkelijk lopen omdat ze heimelijk lesbienne zijn. En door de aanwezigheid van hun talloze vrouwelijke collega's, onophoudelijk opgewonden zijn. Wat zich uit in het steeds vochtig zijn van hun poes, waardoor deze haast onophoudelijk in een toestand verkeert van net niet verzuipen.

Zo, daarmee zijn die gedachten en gevoelens ook eens uit mijn brein gehaald en publiekelijk gemaakt. Voor alle duidelijkheid: in zowel deze kliniek, als die waar ik eerst verbleef heb ik ontzettend veel plichtsbewuste, slimme, inventieve, lieve mensen ontmoet, voor wie geen enkele moeite te veel is. Het heeft niks met leeftijd te maken. Sommige oudere verpleegsters zijn duidelijk uitgeblust, maar meestal zijn dat wel net diegenen die al gans hun carrière liever lui zijn dan moe en totaal geen inlevingsvermogen hebben. Onder de jongere heb je er ook die geen fluit waard zijn.

En soms was het echt wel van dom, dommer, domst. Zo was er een verpleegster aan wie ik uitlegde hoe ik het liefst werd gewassen. En dat ik tijdens de wasbeurt graag een badhanddoek over me heen had. "Geen sprake van" luidde haar repliek, "want dan kan ik niet zien wat ik aan het doen ben!" Het huilen stond me nader dan het lachen terwijl ik dat kalf dan toch maar rustig en geduldig uitlegde dat het lichaamsdeel dat ze waste uiteraard wel mocht worden ontbloot. Ze keek me nog steeds 'het niet begrijpend' aan. Gelukkig kwam er toen net een collega van haar mijn kamer binnen en deed die het haar even voor.

Een andere keer stonden ze met vier aan mijn bed om me te verzorgen. Een mannelijke en een vrouwelijke verpleegkundige en twee verpleegstertjes in opleiding. Zoals ik bij aanvang van dat toilet had kunnen voorspellen, ging het helemaal mis. Ze stonden gedurig in elkaars weg, of de ene wreef zeep op een lichaamsdeel dat de andere reeds had afgespoeld en afgedroogd, en bij het op mijn zij draaien werkten ze elkaar ook ongewild tegen.

Men was nog bezig met mijn verzorging toen er een vijfde collega verscheen. "Ha, jullie zijn bezig met vier", zei ze "Zoals bij hem thuis!" De mannelijke verpleger keek diep verbaast en ongelovig, eerst naar zijn collega en toen naar mij. En vroeg vervolgens of ze mij inderdaad met vier kwamen verzorgen. Zijn collega antwoordde in mijn plaats: "Dat heeft mijnheer mij toch gezegd!"

Ik had die dame inderdaad tijdens een eerdere verzorgingssessie gezegd dat er bij mij thuis vier verpleegkundigen over de vloer kwamen. Waarop zij blijkbaar verkeerdelijk had verondersteld dat die steeds allemaal samen mijn verzorging deden. Dus legde ik nu aan die domme geit en de vier anderen uit dat er inderdaad vier verpleegkundigen kwamen om mij tweemaal daags te verzorgen, maar dat ze werkten in een roulatiesysteem, waarbij er telkens slechts één van hen aan mijn bed stond.

Wat mijn fysische toestand betreft, was die ongewenste slijmvorming jammer genoeg niet weg gebleven bij het wisselen van afdeling. De frequentie van me in een toestand van ademnood bevinden was gelukkig wel reeds afgenomen Maar af en toe zaten mijn luchtwegen terug vol met taaie, hardnekkige slijmen.

Zo ook de tweede nacht van mijn verblijf op pneumologie. Ik verwittigde de verpleging middels mijn bedbelletje. De kinesist van wacht werd er bij gehaald. Die kwam pas een hele tijd later. Naar eigen zeggen omdat hij eerst nog op intensieve zorgen had moeten assisteren bij de reanimatie van een kindje. Een actie met een succesvol resultaat, overigens. Ook mij kon de man helpen. Middels tapoteren, gebruik van de kuchassistent en aspireren, verloste deze paramedicus me van de mij kwellende slijmen.

Toen ik de volgende nacht weer last had van slijmvorming, wou de nachtzuster evenwel de kinesist niet oproepen. Twee dagen na elkaar, voor hetzelfde probleem, dat kon volgens haar niet. Tenzij het echt dringend was en dus niet anders kon. Volgens haar was mijn bijna in het slijm stikken dus niet echt urgent?! Ze vond de nachtrust van de kinesist belangrijker dan mijn ademnood. En begon zelf op een amateuristische wijze te knoeien met de cough assistent en een aspiratietoestel.

De nachtverpleegster zei dat de mensen van de wachtdienst niet te veel mochten gestoord worden, want ze hadden niet graag dat ze telkens weer uit hun slaap werden gehaald. Worden die dan niet betaald om wakker te blijven? Ja, toch? Maar ik weet wel hoe dat in elkaar zit hoor. Zij hebben vaak ook een privépraktijk. En als ze dan 's nachts een wachtdienst 'lopen' zonder 'oproepen', dan kunnen ze de ganse nacht door slapen en uitgerust en met een frisse kop de job in hun privépraktijk aanvatten. En is het extra inkomen uiteraard gemakkelijk verdiend!

Op zich kan je het die mensen niet kwalijk nemen gebruik te maken van de hen aangereikte mogelijkheden. Maar dat men' hen ontziet ten nadele van de patiënten, dat vind ik helemaal niet logisch en normaal. Maar dat systeem is blijkbaar de ziekenhuiscultuur binnen geslopen en wordt als logisch aanvaard. Misschien zelfs vaak zonder dat zij die er profijt van hebben, er ook van op de hoogte zijn.

Enkele dagen na mijn aankomst op de verzorgafdeling, trachtte ik geleidelijk aan weer te eten. Het voedsel werd me gegeven door een verpleegster, een verzorgende, een logistiek assistente of een stagiaire in opleiding voor één van voornoemde beroepen. Doordat zij het eten in mijn mond stopten, kon ik mij zelf volledig concentreren op het kauwen en doorslikken van het voedsel.

Drinken zonder verslikken, dat lukte niet. Tot een vriendin van me, die verpleegster is, met de suggestie kwam om mijn drankjes middels een poeder te verdikken, en dus papperig te maken. Dus vroeg ik daar naar bij de verpleging, die een doosje van dat spul voor mij bestelde bij de centrale apotheek. Waardoor ik er reeds enkele uren later de beschikking over had.

Met dat poeder verdikt water drinken zonder me te verslikken, lukte. Maar dat papje was slecht van smaak! Koffie met dat poeder was verschrikkelijk! Enkel fruitsap was drinkbaar en behield ook enige smaak.

Toen mijn toestand nog wat meer was verbeterd mocht ik ook al eens mijn kamer verlaten. En aangezien het weekend was en mijn kroost bij me op bezoek was, kon ik met hen op 'stap'. Een kleine zuurstoffles werd in een daarvoor gemaakte rugzak gestopt, die één van mijn zoons op de rug nam. Zo bleef ik voorzien van wat extra luchttoevoer, middels een neusmasker, verbonden aan die fles. De zakken suikerwater en medicatie, die aan mijn infuus waren verbonden, werden op een mobiele, verrolbare houder bevestigd, die mijn ander zoontje voor zich uitduwde.

Aldus vertrokken we op wandel. Mijn zoon vond het rondstappen met die zuurstoffles in een tas op zijn rug best cool! Het zag eruit als de luchtvoorziening bij een duiker. Zelf vond ik de door de luchtslang teweeg gebrachte fysieke verbondenheid met en de afhankelijkheid van mijn zoontje, best aangenaam. Zou dat continue afhankelijk zijn van zuurstof trouwens mijn nieuwe toekomst zijn?

Wat mij helemaal ontstemde was het feit dat men luidop plannen maakte om me enige tijd te laten revalideren in het centrum waar ik, als jonge dertiger, na die desastreuze nekoperatie, in de jaren 2000/2001 anderhalf jaar van mijn leven doorbracht. De arts die verantwoordelijk was voor de verdieping waar ik nu verbleef was gelukkig een goeie man. Eén die luisterde naar wat ik te vertellen had en er ook naar handelde. En mij geenszins wou dwingen tot iets waar ik niet voor te vinden was.

Aangezien er blijkbaar geen enkele specialist in 'huis' was die ook maar enig idee had van wat de oorzaak was van mijn problematiek, had ik, na veel nadenken, wat geen probleem was aangezien ik alle tijd voor handen had, en grondig lezen in mijn medische encyclopedie, zelf een eigen diagnose gesteld. En hieromtrent vervolgens een theorie ontwikkeld, waarmee ik voor de dag kwam toen de arts met zijn gevolg op ronde was en daarbij mijn kamer aandeed.

Om zeker niks te vergeten zeggen of vragen, had ik alles wat ik in gedachten had, op enkele papiertjes laten noteren door mijn bezoekers en al eens een verpleegster, of een studente verpleegkunde. Zelf met een pen schrijven kan ik door die verlamming immers niet meer, en ik had geen printer bij de hand om mijn laptop te gebruiken en de daarop neergetypte ideeën dan uit te printen. Bovendien was het praktisch gezien niet steeds mogelijk om van mijn schootcomputer gebruik te maken.

De dokter kon zich vinden en was bereid me te volgen in mijn visie dat zelfs een niet medisch opgeleide patiënt, in casu ik, toch de beschikking heeft over de meeste kennis van diens eigen lichaam, het eigen medisch levensverloop en ziektebeeld, en mogelijks de juiste conclusies kan trekken uit wat hij voelt en weet, of althans de behandelende arts naar de juiste denkpiste kan leiden.

Zo kon ik dus mijn met redenen omklede opinie uit de doeken doen. Het had er naar mijn mening alle schijn van dat het niveau van mijn nekletsel zich steeds meer hogerop verplaatste. Wat ik afleidde uit de volgorde van de lichaamsfuncties die (deels) uitvielen. Er was de zindering in mijn linker arm, een verminderde werking van mijn slokdarm, middenriffunctie & longen die faalden... Waaruit ik concludeerde dat de oorzaak van mijn problematiek mogelijks zou kunnen te vinden zijn in een opeenhoping van spinaal vocht langsheen mijn ruggenmerg.

Om mijn theorie en vermoedens naar juistheid te toetsten, achtte ik het nuttig enkel gespecialiseerde onderzoeken te ondergaan. Een sliktest en röntgenfoto's, CT-scan & NMR-scan van mijn nek. De arts stemde er mee in en gaf orders aan zijn assistenten om de afspraken te regelen. Inmiddels was Kerst in aantocht. Wat de dokter betrof mocht ik deze dagen thuis doorbrengen, en daarna terug komen. Maar ik prefereerde te blijven tot alle bijkomende onderzoeken waren verricht. En ik het resultaat van de slikfunctietest door de neus-keel-oorarts zou gekregen hebben, en een onderhoud had met de neurochirurgen, om op basis van feiten, RX-foto's & CT-scan voorlopige conclusies te trekken. Want, gezien de lange wachtlijst voor dit onderzoek, zou het nog wel enkele weken duren vooraleer een NMR-scan zou kunnen genomen worden.

Ik verzocht de arts evenwel reeds het centraal katheder te laten verwijderen aangezien daar geen nood meer aan was, gezien het feit dat ik reeds sinds enkele dagen at en dronk en geen intraveneuze medicatie meer kreeg toegediend.

Tevens meldde ik de man nog steeds in afwachting te zijn van de beloofde ademhalingstherapie en hoestoefeningen. En het aanleren en geven van instructies aan de mensen uit mijn omgeving om mij te helpen met hoesten. Door het drukken op mijn borstkast bijvoorbeeld?

En dat ik een antwoord wou op de vraag wat ik, eens thuis, moest aanvangen indien ik me verslikte of als gevolg van een andere factor, in ademnood geraakte. In mijn eigen woning had ik immers geen kuchassistentietoestel, noch een aspirator. Uiteraard bleef de man me het antwoord op deze vraag schuldig. Er zou worden nagekeken waar in de buurt van mijn woning een therapeut was gevestigd die een kuchtoestel bezat en deze techniek toepaste. Hoe ik, niet over een eigen voertuig beschikkend, op God weet welk onmogelijk tijdstip dat ik er dringend nood aan had, dan tot aan die praktijk zou geraken, mocht Joost weten. Want de dokter wist het niet.

Op mijn vraag om zuurstof voor te schrijven voor bijbeademing 's nachts ging de arts niet in. Dat ik tijdig diende verwittigd te worden bij een nakend ontslag zodat ik bijtijds vervoer kon regelen, daar zou hij de hoofdverpleegster over laten waken.

Dat tot na de Kerstperiode in het ziekenhuis blijven was een foute beslissing, zo bleek achteraf. Want eens die hoofdarts, die blijkbaar tijdens de Kerstdagen vrijaf had, van het toneel was verdwenen, hadden die pestverpleegster en haar gevolg vrij spel. Nu waren ze nog pissiger omdat ik een dokter had die naar me luisterde. Wat zij klaarblijkelijk niet konden verdragen. Is het niet vanzelfsprekend dat patiënt en arts hun kennis bundelen en samen naar een oplossing zoeken? Voor sommige mensen, zelfs medisch geschoold, dus blijkbaar niet.

Begrijpen die ook niet welke trauma's hun pestgedrag bij de patiënten kan aanrichten? Mogelijks zijn de meeste van hen er zich niet terdege van bewust welke, vaak blijvende psychische schade ze toebrengen door hun houding en gedrag. Wat dit evenwel geenszins rechtvaardigt, Wordt daar in hun opleiding geen aandacht aan besteed? Of hebben die niet opgelet tijdens de colleges waarin het gedrag van de zorgverlener ten overstaan van de zorgvragende werd behandeld? Allicht durven veel mensen, omwille van hun afhankelijkheid, niks te zeggen over onbetamelijk gedrag vanwege het verzorgend personeel of anderen. En doen ze dat ook niet achteraf, eens ze de kliniek hebben verlaten. Net zoals ikzelf redeneren die mensen allicht dat het dan toch geen zin meer heeft en ze hun energie beter aanwenden voor hun verder genezingsproces. En dat ze beter die nare ervaringen vergeten dan er nog verder mee bezig te blijven, zonder dat het hen een meerwaarde oplevert.

Kerstavond bracht ik dus alweer door zonder mijn gezin. Op Kerstdag kwamen ze even op bezoek. Maar het vooruitzicht binnenkort meer te weten over de oorzaak van mijn problemen, en vervolgens hopelijk een doeltreffende remedie te vinden om er een einde aan te maken en een herhaling in de toekomst te voorkomen, verzachtte het leed van het niet gezellig thuis, in gezinsverband kunnen doorbrengen van deze feestdag.

Met mijn longarts had ik afgesproken te wachten met naar huis gaan tot de zaterdag voor oudejaarsavond, een dag die toen op een zondag viel. Hij zou dan op vrijdag een persoon bij me op de kamer laten komen met een nieuw soort van bijbeademingstoestel, dat ik dan thuis 's nachts zou moeten ophebben. Happig was ik niet op het gebruik van zulk een apparaat, want ik had er, op deze dokter zijn advies en voorschrift, jarenlang één ter beschikking gehad. Ter bestrijding van mijn slaapapneu. Dat is een kwaal die, bij hen die er aan lijden, waaronder ik dus, nachtelijke desaturatie veroorzaakt. Wat wil zeggen dat die mens gedurende het nachtelijk slapen verschillende keren stopt met ademen. Telkenmale gedurende tientallen seconden tot zelfs enkele minuten!

Die zogenoemde CPAP (Continuous Positive Airway Pressure - voortdurend positieve druk in de luchtwegen) was een luidruchtig ding, met een veel te krachtige, agressieve druk, die mij bij het gebruik ervan de slaap onmogelijk maakte en een veel te hevige luchtstroom door mijn neuskanaal stuwde, en daarbij ook nog eens mijn slijmvliezen uitdroogde. Waardoor ik al helemaal niet meer kon ademen. En fysiologisch water nodig had om daar iets aan te verhelpen.

Maar het nieuwe apparaat was beter, zo verzekerde de longarts me. Stiller werkend, met een regelbare luchtstroom en voorzien van een luchtbevochtiger.

De laatste twee onderzoeken vonden op dezelfde dag plaats. De woensdag na Kerstdag. Eén voor de middag, en één kort na de middag. Een verpleegster maakte mij klaar voor de verplaatsing per bed, door een deken op mijn lichaam te leggen om me warm te houden, en een kleine zuurstoffles aan het voeteinde van mijn bed te hangen, zodat mijn bijbeademing gegarandeerd bleef. Voor ik vertrok vertrouwde ze me nog toe dat ik er niet op moest rekenen om bij mijn terugkomst nog eens opgezet te zullen worden. Haar boosaardige collega, waar elkeen omwille van haar pestgedrag, schrik voor had, had al luidop en met een reeds bij voorbaat van pret doordrongen stemgeluid, verkondigd dat ze niet zou dulden dat één van hen de namiddagroutine zou verstoren door me in mijn rolstoel te plaatsen.

Zoals dikwijls gebeurt bij onderzoeken, diende ik nogal veel te wachten. En werden de afgesproken tijdstippen niet gehaald. Omdat er al eens een dokter werd weggeroepen, een onderzoek langer duurde dan gepland, er een technisch probleem optrad, er iemand voorrang kreeg omwille van hoogdringendheid...? Weet ik veel. Toen ik, na de onderzoeken, in de namiddag, met behulp van iemand van het patiëntenvervoer, gelegen in mijn bed, terug op de afdeling en in mijn kamer arriveerde, had de bezoektijd reeds een aanvang genomen. Mijn vrouw zat ook al op me te wachten.

Onmiddellijk drukte ik op mijn bedbelletje. En toen na enige tijd een verpleegkundige verscheen, vroeg ik haar vriendelijk om in mijn rolstoel te worden gezet, want daar had ik nu toch wel even nood aan. Als reactie kreeg ik te horen:  "Sorry, maar daar is het nu te laat voor!" En ze sprak die woorden uit vol leedvermaak. Mijn argumentatie dat mijn lichaam daar nood aan had als voorbereiding op mijn naar huis gaan, waar ik op zijn minst 14 uur na elkaar uit bed zou zijn, en ook op mentaal vlak naar enkele uurtjes opzitten verlangde, daar luisterde ze niet eens naar. Zij, noch haar collega's hadden tijd om mij uit bed te halen en in mijn rolstoel te zetten, en daarmee basta! Waarop ze snel verdween om haar collega's te gaan vervoegen in het verpleeglokaal dat zich schuin tegenover mijn ziekenhuiskamer bevond. En waarvan het geluid van de leute die ze blijkbaar hadden, doordrong tot in mijn kamer. Ziedend van woede was ik. Toen ik kort daarna de longspecialist door de gangen zag stappen, vroeg ik aan mijn echtgenote om hem achterra te gaan en de man te verzoeken even tot bij mij komen.

Kort daarop was mijn vrouw terug in mijn kamer. Met de arts. Aan wie ik, nog opgewonden, het ganse verhaal deed, inclusief mijn argumentatie. De man vergoelijkte evenwel al lachend de verpleegster. Hij dacht allicht: "die patiënt is binnen twee dagen weg, maar met die verpleegster heb ik nog langer te maken." De arts wou de verpleegster niet sommeren mij toch voor enkele uurtjes in mijn rolstoel te zetten. Die reactie en houding maakten mij zo mogelijk nog bozer. En ontnamen me terstond alle vertrouwen dat ik tot dan toe in die specialist had. Dus zei ik hem dat, als het zo zat, ik niet langer in dat ziekenhuis wou blijven. En er vandoor zou gaan van zodra ik vervoer kon vinden.

De longarts zei me enkel schamper dat ik dan wel dat beademingsapparaat niet kon testen en mee naar huis nemen. Maar dat argument was niet krachtig genoeg om me op mijn besluit te doen terugkomen. De arts kon, wat mij op dat moment betrof, de pot op met dat toestel! En met die feeks van een verpleegster erbij!

Ik belde de vervoersdienst en kreeg geregeld dat ik de volgende dag kon worden opgehaald en naar huis gebracht. Mijn echtgenote verliet het hospitaal en toen 's avonds mijn ouders bij me op bezoek kwamen, gaf ik hen reeds het grootste deel van mijn spullen mee. Zodat het ziekenhuispersoneel de volgende ochtend enkel nog mijn toiletgerief en nachtkledij bij elkaar zouden moeten rapen en in een tas stoppen om met me mee te geven naar huis.

Zo verliet ik op donderdag 28 december 2006 het grote ziekenhuis, en liet me thuis brengen met het door mij bestelde, van een chauffeur voorziene rolstoelbusje.

Het door hoofdverpleegster Fatima in elkaar gestoken eindejaarsconcert, waarop ik was uitgenodigd en dat gepland was voor de volgende dag, op vrijdag, van 15u tot 16u, zou dus doorgaan zonder mijn aanwezigheid. Alsof dat ook maar iemand iets kon schelen.

Toen ik 's avonds thuis wat bekomen was, vroeg ik hulp om mijn tassen te ledigen en stelde ik vast dat men potverdorie was 'vergeten' om me mijn medicatie mee te geven! Dus diende mijn echtgenote die avond nog naar de kliniek te rijden om mijn slaappillen en andere medicatie op te halen. Bleek dat ze die gewoon bij hun voorraad hadden gevoegd! Terwijl dat medicamenten waren die ik van thuis uit naar het ziekenhuis had meegebracht!

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 8 september 2009)

19-06-09

Rudi’s overdenkingen - Hemel of hel? Maakt niet uit, als het er maar warm is!

 

Sinds ik mijn Christelijk geloof heb afgezworen, en als niet-gelovige verder door het leven rij, kan ik me wat meer vrijheid veroorloven bij het schrijven over thema's als God, het geloof en in het bijzonder de Rooms- katholieke Kerk. Een club van gelovigen, waar ik overigens nog steeds lid van ben, aangezien ik me niet uit hun doopregisters heb laten schrappen. En net dat in de ban doen of excommuniceren, is een gevaar dat je bedreigt indien je als gelovige volhardt in de zonde.

En alleen reeds het verzaken aan het eerste van de 10 geboden, namelijk: 'Boven al bemin één God', kan voor de Kerk als zonde volstaan om je in de ban te doen. Nogal wiedes eigenlijk, omdat je daarmee verzaakt aan de belangrijkste pijler waarop de ganse ideologie van hun godsdienst is gebouwd. Waarschijnlijk begeef ik mij op gevaarlijk ijs, en riskeer ik een heleboel mensen voor het hoofd te stoten, maar toch ga ik hier en nu mijn gedacht zeggen over God en religie. Alsmaar meer groeit bij mij immers het vermoeden dat het bestaan van een opperwezen en een leven na de dood, ontsproten is uit de geest van enkele van onze, in hun tijd heersende, voorvaderen. Als zingeving voor het leven van de mensen en als verklaring voor toentertijd onverklaarbare gebeurtenissen en (natuur)verschijnselen. Opdat de menigte daaronder rustig zou blijven, en bovendien gemakkelijker te manipuleren en in de hand te houden. In de veronderstelling dat deze denkpiste de juiste is, en derhalve de waarheid, dan betreft dit de grootste bedriegerij ooit!

Het is mijn rationeel denken dat me tot deze vaststelling leidt. Tegen de meeste morele wetten van de godsdienst heb ik helemaal geen bezwaar. Integendeel zelfs. Morele waarden als respect, eerbied, naastenliefde... om maar enkele te noemen, kan ik volledig onderschrijven. En ik ben de laatste om mensen die geloven in een God, zoals die doorgaans wordt voorgesteld, te trachten op andere gedachten te brengen. Als zij in dat geloof troost vinden en er levenskracht uit kunnen putten, dan respecteer ik dat. Ze kunnen er maar wel bij varen. Maar ze hebben niet het recht om hun gedacht als het enige ware aan andere personen op te dringen. Men mag gerust zijn geloof prediken, maar niet van anderen verwachten, soms neigt het zelfs naar eisen, dat die hen daarin blindelings volgen. Ieder heeft recht op een eigen mening. Respect daarvoor is klaarblijkelijk een morele deugd die dikwijls ontbreekt op het lijstje van godsdienstfanaten.

In het dagelijks leven kom ik dikwijls in aanraking met personen die hun geloof hoe dan ook willen opdringen aan anderen. En die, in plaats van bij het werken aan een betere maatschappij, te starten bij zichzelf en door arbeid het door hen beoogde betere leven (lees: meer materiële welstand) te bekomen, alle vertrouwen leggen in hun geloof. Oprechte devotie en alles wordt door de goede God voor hen geregeld, is hun devies. Daar heb ik nogal wat bedenkingen bij. In de eerste plaats zijn die gelovigen blijkbaar net zozeer als de 'Almachtige' stekeblind voor alle miserie in de wereld, ook onder zeer gelovige medemensen. Voorts lijkt dit mij nogal een gemakkelijkheidoplossing: ze bidden en laten ondertussen de anderen het werk doen. Naderhand plukt men de vruchten van deze laatste hun arbeid en claimen dat dit het resultaat is van hun bidden tot God. Nogal wat zogenaamde gelovigen zijn daarenboven afgunstig van andermans bezit, wat een overtreding is van het 10de gebod!

Er schiet mij plotsklaps een mop te binnen, die ik jullie niet wil onthouden!

Een verpleegster sterft en, als resultaat van haar vrome aardse leven, verzeilt ze in de hemel. Alwaar ze wordt verwelkomt door Sint Pieter. Die is, na zijn jobs van achtereenvolgens apostel van Jezus en (eerste) katholieke paus, uiteindelijk voor eeuwig aangesteld als hemelpoortbewaarder.

Terwijl de dame, of in ieder geval haar ziel, met Sint Pieter de toegangsformaliteiten regelt en verslag uitbrengt over haar net beëindigde leven op aarde, ziet ze over de schouder van Sint Pieter heen een man zitten met een stethoscoop om de nek. Opgewonden vraagt ze: "Die man daar achter u, is dat een dokter?" Sint Pieter kijkt even op, lacht schamper en antwoord: "Neen, mevrouw, helemaal niet. Dat is God. Die denkt alleen maar dat hij mensen kan helen!"

Wat de Heer betreft, heb ik overigens nog een paar opmerkingen. Hoogmoed is de zonde der zonden, staat ergens in de bijbel geschreven. Deze zonde zou trouwens ook aan de basis liggen van de transformatie van God zijn perfecte engel Lucifer tot Satan, voor wie de hel werd geschapen. Dit terwijl God, alsook zijn enig geboren zoon Jezus Christus, naar mijn bescheiden mening, zelf ook niet vrij waren van enige zelfverheffing!

En de organisatie van die zondvloed, daar stel ik toch ook enkele vraagtekens bij. God zag dat zijn creaties zich niet gedroegen zoals Hij had verhoopt, gaf aan Noach opdracht een ark te bouwen, van elk levend wezen een paar aan boord te nemen, en toen dat geregeld was ging de Schepper over tot executie van alle overige levende wezens. Door hen te laten verzuipen!

Van zo een daden komt ook in deze moderne tijd zo nu en dan iets in het nieuws. Gezinsdrama's waarbij een ouder zijn kind van het leven beroofd, omdat het een handicap heeft. Of een jongeman die op straat een aantal mensen neerknalt omdat ze niet de huidskleur hebben die hij prefereert of die Duitser, zijn naam ontglipt me even, die bepaalde groepen mensen van een bepaalde afkomst of geaardheid ook liefst, en bij voorkeur gruwelijk, elimineerde. Naar hun eigen normen, hebben ze allen een geldige reden voor hun daad of daden. De samenleving denkt daar evenwel anders over. In deze gevallen noemt de maatschappij de dader doorgaans (massa)moordenaar!

Na al het voorgaande geschrijf, maak ik op dit ogenblik wellicht weinig kans om na mijn overlijden, voorbij de hemelpoort te geraken. Is daar ten andere al iets gedaan aan de infrastructuur, met het oog op de toegankelijkheid voor de overleden fysiek beperkte personen? Of mag die rolstoel na zo veel jaren trouwe dienst, de ziel van de rolstoeler niet vergezellen bij het ten hemel stijgen? Hem of haar vervoeren naar diens nieuwe en tevens laatste verblijfplaats? Nu ja, het heeft geen zin me daar het hoofd over te breken. Voor een ketter als mij blijft de boel daar ongetwijfeld sowieso potdicht. Jammer? Dat weet ik niet zozeer. Alle dagen rijstepap eten spreekt mij niet direct aan. En steeds met gouden lepels eten is ook niet zonder gevaar. Want als daar door veelvuldig gebruik schilfers van loskomen, dan kan je vergiftigd raken en behoorlijk ziek worden. Dat weet ik uit ervaring. Bij de overgang naar het nieuwe millennium heb ik een ganse fles champagne met goudschilfers leeggedronken. Zat werd ik er niet van, maar wel ziek! Een ganse week zelfs. En wat die engelen betreft. Ze kunnen dan misschien wel mooi en lieftallig ogen, maar ze zijn volgens bepaalde bronnen geslachtloos, dus veel valt daar dan toch niet mee aan te vangen! ;-)

Trouwens daar hoog in de wolken is het vast bitter koud, en ik hou net van de warmte. Dus laat mij gerust terechtkomen in de hel. Daar kan ik dan ook nog wat lol beleven bij het trekken aan de duivel zijn rattenstaart. Dan heb ik toch nog een beetje plezier gehad vooraleer ik opbrand in het vagevuur. Onder het beluisteren van kermismuziek die weerklinkt uit de luidsprekers van de, naar verluidt in de onderwereld geïnstalleerde jukebox!

Als God dan evenwel toch zou bestaan, wat ik niet uitsluit, want iedereen kan zich vergissen, hoop ik wel dat Hij niet de menselijke gedaante heeft van een blanke man met lang wit haar en dito baard, maar dat Zij een volslanke sexy zwarte vrouw is met een prachtig rastakapsel!

En die verdraagzame God zal me maar al te graag mijn niet-gelovig zijn vergeven en Sint Pieter opdracht geven om me, met zin of tegenzin, te redden van de verdoemenis, zodat  God me tegen Haar boezem kan drukken. En ik op die manier ook aan de begeerde warmte geraak.

Rudi, 10 november 2008 (revisie op 19 juni 2009)

 

02-05-09

De avonturen van Rudi & Co, een tragische week

 

Het is me weer een week geweest. Maandag, na het ochtendtoilet, dat bestaat uit een wasbeurt en aankleden op bed, wou mijn verpleegster me van mijn bed, in mijn rolstoel plaatsen. Die transfer gebeurt middels een draaischijf. Ik word op de rand van mijn bed gezet, mijn voeten op de draaischijf, de verpleegster duwt haar knieën tegen de mijne, ik kom recht, waarna ze me een kwartslag draait, zodat ik in het naast mijn bed opgesteld vehikel beland. Als alles goed gaat, tenminste. Wat vandaag dus niet het geval was. De verpleegster struikelde bij het draaien over haar eigen voeten, verloor haar evenwicht, viel, en sleurde mij mee in haar val.

Mijn lichaam ving ze op met het hare, maar mijn voorhoofd botste nogal onzacht tegen de stenen vloer van mijn living. Daar lagen we dan. Mijn voorhoofd bloedde hevig, maar ik voelde geen pijn. Eén van mijn zoontjes, die aan de ontbijttafel zat toen het accident gebeurde, snelde meteen ter hulp. We verzochten hem zijn mama te halen. Die was even later bij ons, samen met mijn andere zoontje. Inmiddels was de verpleegster, die zelf niet gewond was, onder me vandaan gekropen, had me in een iets comfortabeler positie gelegd, en ondersteunde mijn bovenlichaam en hoofd.

De verpleegster en mijn echtgenote tilden me op en plaatsten me in mijn rolstoel. Ik had er wel nood aan even te bekomen. Naar verluid vertoonde mijn voorhoofd een diepe snee van enkele centimeters lang. De verpleegster depte het bloed, reinigde mijn voorhoofd, kleefde een pleister op de wonde en zei dat ik ze zeker moest laten hechten. Het toeval wou dat ik, voor het weekend, met mijn huisarts een afspraak had gemaakt voor een huisbezoek op deze maandagochtend. Dat scheelde alweer een telefoontje.

Toen ik terugkwam van het naar school brengen van mijn tweeling, stond mijn kinesist reeds op me te wachten. Ik vertelde hem wat er was gebeurd en  vroeg of hij dacht dat de wonde gehecht zou moeten worden. Aangezien de jongeman toch reeds geruime tijd actief is als verzorger van de spelers van een voetbalclub in eerste klasse, veronderstelde ik immers dat hij wel enige ervaring zou hebben met (snij)wonden. Hij vond dus ook dat het gat best zou worden genaaid en vroeg langs zijn neus weg of we de wonde toch wel hadden ontsmet.

Daar hadden we echter, in alle consternatie rond het gebeuren, nog niet aan gedacht. Mijn vrouw kwam onmiddellijk met een flesje ontsmettingsmiddel, maakte het wondpleistertje langs één kant los en spoot wat van het spul op het letsel. Ik schreeuwde het uit! De kinesist keek me verschrikt aan. Mijn eega niet; die kent me te goed en zei: "Dat kan géén pijn doen, want er staat op het flacon dat het middel niet prikt!" Ik toverde op mijn gezicht een brede grijns, want uiteraard had ik die pijn geveinsd. Maar het product prikte me wel onaangenaam. Misschien omdat de snede te diep was?

Mijn assistente arriveerde en zag de pleister op mijn hoofd. Ze vroeg of ik op mijn hoofd was gevallen. Ik repliceerde met de wedervraag of ze daar dan, in al die tijd dat ze reeds voor mij werkte, nog nooit iets van had gemerkt? We lachten, waarna ik haar een omstandig relaas van het gebeurde verhaalde.

Ik deed mijn werk tot de dokter kwam. Liet deze eerst kijken naar de wonde op mijn voorhoofd en besprak daarna de zaken waarvoor ik hem had ontboden. Eens we rond waren, bezwoer mijn huisarts me om me zo snel mogelijk naar de spoedopname van ons plaatselijk ziekenhuis te begeven. Ik werkte echter eerst af waar ik mee bezig was geweest en vertrok daarna pas richting hospitaal.

Op mijn weg erheen reed ik eerst nog even langs bij de apotheek, zodat het middag was vooraleer ik in de kliniek arriveerde. Ik verzocht een passant de deur voor me te openen en meldde me aan bij de receptie. Terwijl de dame die het onthaalloket bemande mijn SIS- kaart in ontvangst nam, deelde ik haar de reden van mijn komst mee. Na inschrijving leidde ze me tot aan de spoed.

Daar werd ik overgedragen aan de zorgen van een vrouwelijke verpleegkundige, die de 'dokter van wacht' voor me opbelde. Ik werd alleen gelaten in de ruimte waar ik bijna twee jaar geleden ook was heengebracht, na die aanrijding door een vrachtwagen. Na enkele minuten werd me verzocht door te rijden naar een ander lokaal. Ik zei dat ik dat geen probleem vond, want dat ik zo de ganse afdeling te zien kreeg. Net toen ik klaar was met me volledig achterover te leggen in mijn stoel, arriveerde de dokter.

De verpleegster bracht zo een spiegelschijf met verschillende lampen in, zoals ze bij operaties gebruiken, dichterbij en plaatste ze over mijn hoofd. Dat ontlokte bij mij de uitspraak: "Allé, door dit voorval kom ik in ieder geval nog eens in de schijnwerpers te staan." De arts en de verpleegster lachten. Er werd een groene doek met een rond gat in, op mijn hoofd gelegd, en de spot werd aangeknipt. Met een spuitje verdoofde de dokter de zone rond de wonde. Zoals de verpleegster had voorspeld, veroorzaakten de prik van de naald en het inspuiten van de vloeistof, enige pijn, maar dat was slechts voor heel even.

De chirurg naaide vakkundig het gaatje dicht, waarna hij zijn assistente opdracht gaf er een klever op te plakken. Ik zei nog: "Een zwachtel rond mijn hoofd mag ook", maar zij nam die uitspraak niet ernstig, glimlachte even en kleefde, om de wond te bedekken, op mijn voorhoofd zo één van die transparante klevers waar in 't midden een stukje gaas zit.

Omdat de wonde blijkwaar weer even aan het bloeden was geweest, waardoor het wonddoekje een beetje rood was gekleurd, zei de verpleegster die me 's avonds kwam verzorgen en in  bed leggen, dat ze het jammer vond dat ze zelf niet zo'n wondklevers bij zich had. Ik niet. Zo een bebloede plakker op mijn hoofd stond best cool, vonden mijn kinderen. Bovendien gaf het mijn uiterlijk een enigszins dramatische look. En, nooit om een grap verlegen, had ik daarmee alles in handen, om de dag daarop, toen ik een afspraak had in het atelier van mijn rolstoelleverancier, enige lol te beleven.

De volgende dag, dinsdag dus, verliep alles conform het scenario dat ik in gedachten had. De bandagist en de technieker van de rolstoelhandel waren mijn eerste slachtoffers. Ze zagen de plakker op mijn hoofd, en het bloed, en vroegen me wat er was gebeurd. En ik vertelde droogweg dat ik bij een caféruzie een klap van een tafelpoot had gekregen! Met grote, vragende ogen keken ze me aan en stelden me de vraag, waarop ze eigenlijk een positief antwoord verwachtten: "Echt waar?" En ik, nu glimlachend: "Natuurlijk niet!" Ze lachten ermee, waarna ik hen het ware verhaal deed. En zo werden er die dag nog een aantal mensen volgens het zelfde scenario, in het ootje genomen.

Toen ik op woensdagmiddag op weg was van de wekelijkse markt in het centrum, naar de school van mijn kinderen, in onze wijk, passeerde ik een grote bouwwerf. Op een balkon op de tweede verdieping zag ik twee werklieden. Buiten hen was er niemand te zien. Ter hoogte van de werf stond een grote vrachtwagen, met zijn kipbak gekanteld. Men was blijkbaar zand  aan het lossen. Een dikke buis lag tussen de camion en het gelijkvloers van het appartementsgebouw in opbouw. Daar waar de buis op het fietspad lag, had men in hout een brugje gemaakt. De helling leek me nogal steil en hoog, waardoor ik even overwoog om, naast de camion, over de rijweg de werf te passeren. Uit veiligheidsoverwegingen besloot ik echter het toch maar via het fietspad te proberen. Ik reed zachtjes tegen het obstakel aan. Mijn trekkende voorwielen overwonnen moeiteloos de hindernis. En toen stond ik stil. Het chassis van mijn rolstoel stond vast op het brughoofd, waardoor mijn wielen nergens greep vonden en derhalve ronddraaiden in het ijle.

Eerst probeerde ik met wat wiebelen tot een oplossing te komen, maar dat lukte niet. Toen trachtte ik middels toeteren en hallo geroep de aandacht te trekken van de bouwvakkers op het balkon. Vrij snel kwam iemand me ter hulp, en met wat gesjor aan mijn vehikel geraakte ik terug vrij, zodat ik toch nog tijdig aan de schoolpoort arriveerde.

Op donderdag was het de beurt aan mijn eega om de inrichting van de spoedafdeling van ons plaatselijk ziekenhuis eens van nabij te gaan bezien. Ze kreeg die dag immers, bij het bereiden van ons middagmaal, kokende olie op haar linkerhand en raakte daardoor ernstig verbrand. Toen de verpleegkundige kwam voor mijn avondtoilet, deelde ik hem mee dat het team waarvan hij deel uitmaakt, er een patiënt had bij gekregen. Als geboren commerciant peilde ik naar het krijgen van een commissie op het aanbrengen van deze nieuwe patiënte, of  alleszins een korting, omdat we nu met twee te verzorgen personen waren op één adres. Ik kreeg evenwel enkel een grijns als antwoord.

En op vrijdag werd één van mijn zoons bij de voetbaltraining alweer onheus behandeld door een dolgedraaide trainer. Die bovendien te laf was om de confrontatie met me aan te gaan. Aangezien ik niet de intentie heb deze zaak zomaar aan mij voorbij te laten gaan, zal het voorval zeker een staartje krijgen Ik ben het trouwens grondig beu dat mijn kinderen omwille van hun huidskleur, de afkomst van hun mama en de fysieke toestand van hun pa, keer op keer worden benadeeld.

Het zou misschien best zijn dat ik me dit weekend, met oordopjes in, laat opsluiten in het toilet, want ik heb de laatste vijf dagen al genoeg opwinding beleefd.

Ru(sh)di(e), 14 januari 2005 (revisie op 28 april 2009)

30-04-09

Rudi's ontboezemingen - Flauwe plezanterik

 

Van de nood een deugd makend, durf ik de mensen die beroepsmatig bij me over de vloer komen voor mijn thuisverpleging, al eens in het ootje te nemen.

Hoe goed die mensen het immers ook menen, zij zijn een noodzakelijk kwaad, of misschien eerder een noodzakelijk 'goed'. Wat ik wil duidelijk maken is dat zij hier enkel over de vloer komen omdat hun hulp voor mij onontbeerlijk is. Met andere woorden: ik zou ze liever niet hebben, maar ik kan niet zonder ze. Dus maak ik er het beste van, voor hen, en voor mezelf.

Eigenlijk ben ik daar reeds mee begonnen tijdens mijn maandenlange revalidatie in het uz. Ook daar nam ik reeds nu en dan de verzorgenden in het ootje. Enorm veel plezier heb ik beleefd aan het volgende. In het revalidatiecentrum had ik het grootste gedeelte van mijn verblijf een kamer aan de straatzijde. Een straat die zich binnen het universiteitsterrein bevond, met aan de zijkant parkeerplaatsen voor auto's en ter hoogte van mijn kamer ook een fietsenrek. Tussen het gebouw en de weg, was er een strook groen, met een wandelpad en enkele bloemenperkjes.

Op een zeker moment begon men daar, vlak voor mijn vensterraam, een stenen muurtje te metsen. Ik liet hier en daar horen dat ik geruchten had opgevangen dat ze daar een vijvertje van gingen maken. Het nieuws verspreide zich als een lopend vuurtje. Op een ochtend kwam er een, al wat oudere kinesist mijn kamer binnen, keek door mijn raam naar buiten, en zei me: "Ik heb daarnet gehoord dat ze daar een vijver aan het maken zijn. Zijn ze nu helemaal op hun kop gevallen? Met al die personen met lichamelijke beperkingen en sommigen met hersenletsels, is dat vragen om moeilijkheden!" Ik knikte met een ernstige blik en beaamde zijn woorden.

Er werd de volgende dagen en weken nog duchtig geredetwist omtrent de vijver. Tot op het moment dat de bak werd ... volgestampt met teelaarde en de eerste bloembollen erin werden geplant.  Toen die kinesist van in mijn kamer de werkzaamheden kwam bezien, zei hij verwondert:  "Hé!" ze gaan daar precies een bloembak van maken?!" Ik antwoordde hem:  "Ja natuurlijk, dat heb ik altijd al geweten!"

Flauwe, droge grappen die ik maak zijn bijvoorbeeld, als een verpleegster me 's avonds, na het uitkleden en in bed stoppen vraagt: "Mogen die trui en die broek gewassen worden?" Dan antwoord ik: "Jazeker, maar breng die kledingstukken dan wel ten laatste overmorgen terug mee. En dan liefst ook gestreken en opgevouwd."

Na de mobilisatie van mijn ledematen vroeg mijn kinesiste of ze nog iets voor me kon doen. "Wel ja" zei ik, "Nu je het toch vraagt. Als je voor mij de vaat kan doen en me daarna kan helpen met onze strijk. En mocht je na het verrichten van die taken nog tijd en goesting hebben, zou ik het ten zeerste appreciëren als je de living zou dweilen, want ik heb via de banden van mijn rolstoel nogal wat zand mee naar binnen gebracht." Ze lachte schamper, want dat soort hulp had ze met haar vraag uiteraard niet bedoeld.

Toen ik nog gebruik maakte van de thuisverplegingsdienst van mijn mutualiteit, was er op een gegeven moment eens een jong meisje, pas afgestudeerd en net startend in de thuisverpleging, dat er voor moest instaan om mij 's avonds in bed te leggen. Voor mij meteen een mooie gelegenheid om een grap uit te halen. Het moet, als ik het me goed herinner, die dag de vierde of vijfde keer zijn geweest dat ze bij me langs kwam. Na me op mijn zij gerold te hebben als lig positie voor de nacht, verzocht ik haar mijn bed niet meer opnieuw tegen de muur aan te rollen, maar naar het midden van de kamer, de driezit zetel van ons salonmeubilair naar de vrijgekomen plaats te verschuiven en vervolgens mijn bed te positioneren op de plaats waar voorheen de sofa stond. Naarmate mijn uitleg vorderde was de mond van dat meisje alsmaar verder open gevallen. Ze keek me bovendien aan met zo een verbaasde, vragende blik van: meent die dat nou? Uiteraard niet dus. Ik zei: "grapje!", waarop dat kind gerustgesteld glimlachte. En sindsdien steeds op haar hoede was als ik iets zei.

Dit jaar heb ik ook een geslaagde '1 april' grap uitgehaald met de persoon die aan het hoofd staat van het team van zelfstandige verpleegkundigen, waarop ik sinds eind 2002, en heden nog steeds, beroep doe voor mijn dagelijkse persoonlijke verzorging. Zij had op deze verzendertjesdag vrijaf, maar toch belde ik haar even voor acht uur op.

Quasi in paniek, meldde ik haar met een nerveuze stem dat mijn kinderen al klaar stonden om naar school te gaan, terwijl ik nog ongewassen in bed lag. Haar collega, die werd verondersteld om zeven uur bij me te zijn, was immers nog steeds niet komen opdagen.

Mijn verpleegster klonk hoorbaar verveeld met de situatie en zei onmiddellijk de andere verpleegster te zullen bellen en dan meteen ook weer mij, om me te informeren over wat er aan de hand was. En wat er ging gebeuren.

Luttele seconden later rinkelde de gsm van de verpleegster die me net had gewassen, aangekleed en in mijn rolstoel gezet. Ze stond te gniffelen, maar nam niet op. Een minuut later was het mijn mobieltje dat lawaai maakte. "Ja, sorry hoor, maar ik kan haar niet bereiken." klonk het in mijn oor, "dus zal ik maar onmiddellijk zelf komen!" Waarop ik zei: "Oké, dat is goed. Maar wil je dan eerst even bij de viswinkel passeren om iets voor me mee te brengen?"

Zonder enig spoor van argwaan in haar stem, vroeg ze: "En wat dan wel?" Terwijl haar collega, naast me, met haar vlakke hand op de mond, stond dubbel gevouwen van ingehouden pret,  spelde ik, met een nog steeds ernstige, vaste stem: "A P R I L vis!"

Nu had de gefopte dame het door, want ze begon hartelijk te lachen en zei: "Ik nam dit jaar speciaal deze dag vrij om niet verzonden te worden, en nu heb ik het potverdorie toch weer aan mijn been!"

Tja, die malafide chirurg mag dan wel mijn lichaam om zeep hebben geholpen, mijn boosaardige geest is compleet intact gebleven.

De Mefisto voor de thuiszorg,

Ru(sh)di(e), 15 juni 2004 (revisie op 26 april 2009)

13-04-09

Belevenissen in het UZ, het negende deel

 

Enkele weken geleden kreeg ik vanwege één van mijn lezers de vraag gesteld wanneer ik nu eindelijk boven water ging komen met mijn seksbelevenissen in het UZ. Hij wenste dus inzage in de weergave van mijn seksuele escapades in de schoot van die kliniek. De zogenaamde seX-files. Met ronkende titels als 'In bad met de revalidatiearts', 'Met de prof onder de lakens' of 'Patiënten doen het met... elkaar'.

Spijtig voor hem en voor elke ander persoon geïnteresseerd in onverbloemde verslagen van wilde seksuele uitspattingen, maar ik moet ze op hun honger laten zitten. Ik heb me immers gedurende die achttien maanden uiterst zedig gedragen, ben trouw gebleven aan mijn echtgenote en heb ook nooit oneerbare voorstellen gekregen.

Alhoewel! Eén keer kwam er een mooi meisje naar me toe toen ik in de sportzaal aan het oefenen was. Ik lag in een kooi, bezig mijn benen te trainen. Het meisje was een stagiaire kinesitherapie. Met een lieve snoet vroeg ze me: "Mag ik je kussen?" Enigszins beduusd door dit onverwacht verzoek, en daardoor allicht een beetje kleurend, zei ik toch glimlachend: "Ja, uiteraard!", haar middelerwijl mijn wang aanbiedend, want ik nam aan dat ze me zo publiekelijk niet een tong wou draaien. Luttele seconden later trok ze mijn kussen onder me vandaan, waardoor ik onzacht met mijn hoofd op de harde moes van de oefentafel terecht kwam. Dat had ik dus verkeerd begrepen! Ze zei nog "Dank je!" en toen "Sorry" en even later stopte ze het kussen achter de rug van een andere patiënt.

Dat vorige is trouwens niet echt gebeurd hoor, maar een uit mijn geest ontsproten verzinsel. Het dichtste dat ik ooit in de buurt kwam van seks in 't RC, verhaal ik hierna.

Het was zondagnamiddag. Mijn kamergenoot was op weekend naar huis. Ik lag in mijn bed een boekje te lezen. Plots kwamen daar twee verpleegkundigen mijn kamer binnen. Een man en een vrouw. Hij: een ietwat kalende veertiger, met een snorretje; getrouwd, maar als gezonde vent absoluut niet vies van het kijken naar ander vrouwelijk schoon. Zij: een vlot meisje van midden de twintig, die naar ik wist, ook een vaste vriend had. Ze keken me zwijgend aan en zeiden toen tegen elkaar: "We zullen deze jongeman eens op een show vergasten."

De man ging naar mijn kamerdeur, keek de gang in (allicht speurend of er nergens een rood lampje boven een deur knipperde, als teken dat hun assistentie was gewenst), knipte mijn deurlampje op wit als aanduiding dat men in deze kamer 'bezig' was en sloot de gordijnen voor het vensterraam. Onderwijl had het meisje ook het gordijn tussen de twee bedden reeds dicht geschoven, zodat onverhoedse passanten, die ondanks het brandende witte lampje boven de deur, deze toch zouden openen, niet direct zicht zouden hebben op hetgeen zich rond mijn bed afspeelde.

De twee verpleegkundigen gingen naast mijn bed tegenover elkaar staan. Hij frunnikte wat aan haar bloes. Zij opende enkele knopjes en liet me haar blote schouder zien. Alhoewel ik niet echt verwachte getuige te zullen zijn van de seksuele uitspattingen van deze twee, begon ik het toch wat warmer te krijgen. Want wat indien ze voor mijn ogen dan toch van bil zouden gaan?

Terwijl allerlei gedachten door me heen gingen, werden alle gordijnen echter alweer met één ruk geopend en even snel als ze gekomen waren, verdwenen die twee weer terug de gang op. Die hadden dus getracht me in het ootje te nemen en waren daar potverdorie ook nog gedeeltelijk in geslaagd

Dat verpleegstertje speelt trouwens ook de hoofdrol in het hiernavolgend relaas waarin nog maar eens wordt aangetoond hoe een dubbeltje rollen kan.

Op een zekere avond zaten we met een hele groep patiënten samen op het terras. Een flesje wijn krakend en voornamelijk nonsens aan elkaar vertellend. De échte levensgenieters daar bovenop lurkend aan een kankerstokje en daarmee ijverig proberend hun longen zo snel mogelijk om zeep te helpen en hun leven derhalve danig in te korten.

Op een gegeven ogenblik vroeg het meisje naast me: "Hoe is dat nu afgelopen met dat meisje dat verliefd op je was?" Bijna viel ik uit mijn van vier wielen voorziene stoel! Een meisje, verliefd op mij? En ik wist nergens van! Dus zei ik: "Wablief?" Waarop die juffrouw: "Wel ja, dat nieuwe verpleegstertje." Mijn vragende blik beantwoordend begon ze een beschrijving te geven van de persoon in kwestie. Vrij snel werd duidelijk om wie het ging. De schouders ontblotende jongedame waar ik het hiervoor over had. Zij? Verliefd op mij? Ik vroeg de deerne naast me van wie ze die informatie had gekregen. Ze gaf me de naam van een jongen, iemand van vooraan in de twintig. Tot enkele weken daarvoor was die ook nog patiënt geweest op onze afdeling.

En toen begon het bij me te dagen. Eén van de laatste zaterdagen dat die jongen bij ons resideerde, kwam hij mijn kamer binnen toen dat verpleegstertje, alweer samen met diezelfde collega, bij me bezig was, maar bijna klaar met mijn avondverzorging. Hij hengelde naar een afspraakje met haar. Ze had hem al verteld een vriend te hebben en bovendien eerder op dertigers te vallen, maar die wetenschap kon er hem blijkbaar niet van weerhouden achter haar aan te blijven rollen. Dus bleef hij aandringen, waarop die verpleger tot hem zei: "Je bent te laat makker. Die kerel hier - onderwijl naar mij wijzend - is je voor. Die heeft reeds een afspraakje beet voor heden avond." De jongen keek me vragend aan en ik zei: "Inderdaad, zo is dat!" Even voordien had ik immers aangekondigd naar de Gentse Feesten te trekken, waarop die verpleegster gekscherend had voorgesteld om met me mee te gaan. Na deze tijding was die verpleegster haar amoureuze belager kwijt, terwijl deze laatste moet hebben geconcludeerd dat het meisje een oogje op me had, en hij die totaal onjuiste informatie bovendien ook nog her en der was gaan rondbazuinen. 

Ru(sh)di(e), 13 maart 2003 (revisie op 5 april 2009)

11-04-09

Belevenissen in het UZ, het achtste deel - Gedaan met feesten!

 

Meermaals heb ik het meegemaakt dat er zich spontaan groepjes vormden van patiënten die goed met elkaar konden opschieten en ook 's avond samen zaten om de tijd op een zo aangenaam mogelijke wijze te verdrijven.

Na mijn avondmaal, dat ik meestal nuttigde in het restaurant van K12, keek ik in de Tv-zaal, op de grote televisie die daar stond opgesteld, op TV1 naar Blokken en daarna, op dezelfde zender, naar het nieuws. Tegen het moment dat die uitzending was afgelopen, was het bezoek van de meeste van mijn medebewoners huiswaarts gekeerd en kwam men mij gezelschap houden.

Op deze manier had zich een groepje personen gevormd dat bijna elke avond samen doorbracht. Zonder het echt te plannen ontstond de idee om elke vrijdagavond een "Gezellig samenzijn" te houden. Dat waren echt leuke momenten. We dronken een glaasje wijn, en / of een blik bier, aten wat chips, al eens wat kaas of salami, af en toe ook Tv-worstjes. Praten, zingen, lachen, moppen tappen, anekdotes vertellen en zo nu en dan ook eens ernstig zijn. Die avonden waren steeds geslaagd.

We hebben zelfs eens carnaval gevierd, en zijn toen, getooid met petjes en maskers en blazend op fluitjes, eerst de gang opgereden om de mensen die bedlegerig waren toch ook even van de zotskapsfeer te laten snuiven.

Wat ook tof was is het feit dat iedereen elkaar hielp. We hebben dikwijls wat afgelachen. Een tetra (heeft verlammingen aan de vier ledematen) die stuntelig een lotgenoot hielp, iemand met één been die rondhuppelde om ons van drank te voorzien et cetera... Veelal was de situatie gewoonweg hilarisch! En leerde die ons ook meteen onze handicaps relativeren.

Gelukkigerwijze voor degene die het te beurt viel, maar minder plezant voor de achterblijvers, bereikte er af te toe iemand het einde van zijn of haar revalidatie en dunde ons groepje derhalve geleidelijk aan uit.

Zo zaten we op een zekere avond nog slechts met twee man, beide tetraplegiekers, bij de televisie Met voor ons, op tafel, een fles wijn, een opener, enkele plastic bekertjes, een blok vacuüm verpakte kaas en een mes. We waren wachtend tot iemand met wat méér handfunctie dan wij hebben, ons zou komen vervoegen. Om de fles te ontkurken, de wijn in de bekertjes te schenken en de kaas uit zijn verpakking te halen en in blokjes te snijden. Maar er kwam niemand opdagen.

Uiteraard hadden we iemand van de verpleging kunnen vragen om ons te helpen, maar dat was tegen de geest van zelfredzaamheid, die bij die avonden hoorde. We hebben dan maar, zo goed en kwaad als het ging, die spullen op mijn schoot gelegd en zijn naar onze kamers gereden. Dit was meteen ook het einde van de "Gezellig Samenzijn" reeks.

Die maat van me heeft trouwens ooit eens iets voorgehad na zo een feestje. De arme man zat er een beetje door die dag. Mentaal bedoel ik dus. Het ging al een tijdje niet goed met zijn therapie, hij zat ongemakkelijk in zijn stoel en hij had ook nog wel wat andere ongemakken. Was een beetje neerslachtig dus. Niet ongewoon. Je zou voor minder.

Allicht uit ervaring beter wetend, maar waarschijnlijk toch hopend dat dit hem wat zou oppeppen, had hij zich nogal tegoed gedaan aan alcoholische dranken. Vooral bier (pils) en wijn, meen ik mij te herinneren. Hij begon wat te roepen en met zijn armen te slaan, waarbij enkele bekertjes met drank op de grond belandden. De meest mobielen onder ons ruimden dat onmiddellijk op, terwijl we tevens mijn gabber trachten te kalmeren. Alhoewel ik toen dacht, en nog steeds van mening ben, dat een emotionele ontlading, zoals die zich nu bij hem voordeed, best naderhand een rustgevend effect kon hebben.

De nachtzusters hadden het tumult gehoord en kwamen kijken wat er aan de hand was. In plaats van hem even te laten betijen, wilden ze mijn vriend perse naar zijn kamer brengen. Desnoods hardhandig en tegen zijn zin. Ze trachtten de remmen van zijn rolstoel los te zetten, zodat ze met hem konden wegrijden, maar hij sloeg naar hen met zijn handen en liet daar bovenop zijn tanden zien en waarschuwde hen dat, als ze hem niet met rust zouden laten, hij hen zou bijten! Wat hij ook probeerde toen ze, zijn waarschuwing in de wind slaand, toch probeerden zijn rolstoel, met hem erin uiteraard, richting gang te duwen. Hilariteit alom! Allemaal toch in min of meerdere mate enigszins door geestrijke drank beneveld, genoten we van het schouwspel van een happende patiënt en twee krijsende verpleegsters. Uiteindelijk heb ik hem toch tot aan zijn kamer mogen begeleiden en konden de verpleegkundigen hem zonder verdere problemen in bed stoppen.

De volgende maandag hoorde ik dat er, omwille van het voorval met mijn maat enkele avonden voordien,  in spoed een multidisciplinair team was bijeengeroepen. Dat bestaat normaliter uit het diensthoofd, de revalidatiearts, de hoofdverpleger, een kinesist, een ergotherapeut, de sociaal verpleegkundige en de psycholoog. Alhoewel ik me niet kan herinneren of ze in dit geval ook effectief allemaal aanwezig waren; ik vermoed van niet.

Ik dacht: "Da's fijn. Ze gaan mijn vriend zijn problemen nu eindelijk eens ernstig, en zelfs in groep, bekijken en aanpakken" en was oprecht blij voor de man. Dus toen ik hem later die voormiddag het vergaderlokaal zag uitrijden zoefde ik onmiddellijk zijn richting uit, om met een brede grijns op mijn gezicht te vragen: "En, alles uitgeklaard? Gaan ze een aangepast programma voor je opstellen en de problemen met je stoel oplossen?" Waarop mijn maat meesmuilend antwoordde: "Jij gelooft zeker ook nog in sprookjes? Ze hebben me gewoon simpelweg gezegd dat, als ik me nog eens misdraag, ik aan de deur zal worden gezet. Op staande voet!" Een verlamde! Hoe gingen ze dat doen?

Ru(sh)di(e) 7 februari 2003 (revisie op 5 april 2009)

03-04-09

Belevenissen in het UZ, het zesde deel

 

Herinner mij net iets van uit de tijd toen ik pas een goeie, ik denk anderhalve maand in het revalidatiecentrum, doorgaans kortweg RC genoemd, verbleef.

Als kamergenoot had ik sinds kort een jonge gast, die net zoals mij tetraplegisch (noot) is. En die al vanaf zijn eerste dag verblijf in het centrum, niet erg hield van het in de refter geserveerde voedsel, en dus regelmatig wat liet meebrengen van thuis of telefonisch bestelde pizza of frieten op zijn kamer liet afleveren.

Die avond lagen we elk in ons bed, een beetje te praten, toen hij voorstelde nog een pitta te bestellen. Ik had ook nog wel zin in iets, maar wel eerder in een pakje friet. Via het belletje aan ons bed riepen we de hulp in van een verpleegkundige om een patiënt te vinden die het telefoonnummer had van een pittazaak die aan huis leverde, en ook frieten in het gamma had. Die persoon werd gevonden, en had bovendien zelf ook wel zin in een snack. Ik trakteerde, want mijn kamergenoot had me reeds enkele keren laten meesmullen van door zijn mama meegebrachte spijzen.

Reeds een half uurtje later stond een meisje daar met onze hapjes. Aangezien ik dit zelf niet kon, liet ik haar het tegoed voor de geleverde mondkost uit mijn portemonnee nemen.

Toen die juffrouw onze kamer had verlaten wensten we elkaar smakelijk eten toe en begon ik aan die verpakking te prutsen. Dat liep niet van een leien dakje. Ik had immers over het hoofd gezien dat ik bijna geen handfunctie had. Lag ik daar, met mijn eten op mijn buik, kon ik verdorie nog niet eens het zilverpapier van rond mijn snack halen. En mijn maat had hetzelfde probleem. Honger, en nog véél méér goesting, maar niet bij machte die verpakking van zijn pitta te halen!

Uiteindelijk hebben we de hulp van de nachtverpleegkundige ingeroepen om de verpakkingen te openen en mijn frietjes in mijn mond te stoppen (want dat lukte me ook niet eigenhandig). Een lieve verpleegster overigens, alhoewel onze relatie enkele weken daarvoor slecht was gestart. En de reden daarvoor wordt hierna verklaard.

Nu gebruiken we een ander systeem voor mijn transfer vanuit de rolstoel naar het bed en omgekeerd, maar toen had men daar nog een tilift voor nodig. Normaliter liet ik mij steeds vrij vroeg op de avond in bed leggen, maar die avond had mijn kamergenoot veel bezoek en ik wou die mensen niet wegjagen en bleef dus wachten tot iedereen weg was, en dat was redelijk laat, na middernacht. Ik belde voor de verpleging, die echter maar niet kwam opdagen. Ik begon echt wel moe te worden en had bovendien pijn van het lange zitten. Toen daar eindelijk één van de vaste nachtzusters verscheen, maakte ik haar mijn ongenoegen kenbaar. "Ha, dan heb je jouw lesje wél geleerd." zei ze. "Wie laat wil opzitten, moet wachten om geholpen te worden tot de eerste nachtronde gedaan is."

Gewoonweg belachelijk. In plaats van bij aanvang simpelweg elkeen hun regels uit te leggen, en ons zodoende op zijn minst in onze eigenwaarde te laten, passen ze daar een systeem toe dat, mijns inziens, zelfs in een internaat voor kleuters verkeerd zou zijn. Enfin, naderhand konden we dus eigenlijk best goed opschieten met elkaar.

Om terug te komen op mijn kamergenoot. Vrij spoedig kwam aan de oppervlakte dat hij een verwent nest bleek te zijn. Een typisch product van een vrije 'opvoeding' (?): onbeschoft, respectloos en super egocentrisch. Hij heeft trouwens minder dan een jaar later een stoot uitgehaald, waarvan ik hiernavolgend verslag uitbreng.

Zekere namiddag had hij, als egotherapeutische bezigheid, met behulp van een stagiair, een cake gebakken. Hij had geopteerd voor een 'spacecake' en die stagiair had niet durven weigeren. Voor ouden van dagen en andere onwetenden: dat is een gebak waarin marihuana is verwerkt; een drugskoek dus als het ware.

Dat baksel kwam uit de oven en jawel hoor, de cake was gelukt! Die jongen ging zijn maten halen en begon vlijtig te delen met zijn vrienden. Eén ervan was een Italiaan, een dertiger, die zich steeds voordeed als een man van de wereld. Hij vroeg zich een groot stuk, want de spietjes die de anderen tot zich namen vond hij maar te min.

Toen hij, na het snel verorberen van het eerste, om nog een tweede stuk verzocht, vroeg de bakker van dienst hem voor de zekerheid of hij toch wel wist wat hij aan het opknabbelen was. Die macho deed alsof hij zich door die vraag beledigd voelde en verzekerde allen aan tafel dat hij uiteraard wist wat zij tot zich aan het nemen waren.

Die kerel moet even later onwel zijn geworden, waarna men hem naar de dokter op de dienst spoedgevallen heeft gebracht. Als ik mij goed herinner heeft men hem twee dagen ter observatie op intensieve zorgen gehouden. Bleek naderhand dat die vent nog nooit drugs tot zich had genomen en ook geen notie had van wat een spacecake was.

Die Italiaan heeft er uiteindelijk niks aan overgehouden, maar deze historie kon uiteraard niet zonder gevolg blijven. Resultaat: de kok van dienst kon zijn boeltje (laten) pakken. Het diensthoofd van het centrum kon er, in tegenstelling tot ons, niet mee lachen.

Euh, moet er nog cake zijn?

Ru(sh)di(e), 28 juni 2002 (revisie op 31 maart 2009)

Noot: tetraplegie: beschadiging van het ruggenmerg ter hoogte van de nek, met ondermeer, al dan niet volledige, verlamming in alle vier de ledematen en de romp tot gevolg.

26-03-09

Rudi’s ontboezemingen, een nieuw deel

 

Het was weer dik in orde vandaag. De verpleegster had twee maal moeten aanbellen heden ochtend, omdat mijn echtgenote bij hoge uitzondering nog niet klaarstond bij de deur om haar binnen te laten. Bijgevolg had hare doorluchtige hoogheid anderhalve minuut aan de voordeur moeten wachten vooraleer zij binnen kon komen. En daarom was ze boos.

"Er al eens aan gedacht dat ik ELKE dag moet wachten tot jij ergens tussen kwart na acht en negen uur opdaagt?" vroeg ik voorzichtig. Toen was het hek pas helemaal van de dam. Door vervolgens op haar dooddoener "Ik heb ook nog andere patiënten" te repliceren dat zulks haar bekommernis was en niet de mijne en ik dat argument bijgevolg dus niet accepteerde, was de ruimte helemaal te klein. Mijn slaapkamer, die tevens dienst doet als kantoor, living, eetkamer, badkamer en toilet, daverde op haar grondvesten toen mijn benen spastisch begonnen te trillen onder de giftige blik die mijn verzorgster me toewierp.

Tja, ze heeft vorige zomer al eens een tijd thuisgezeten omdat ze uitgeblust was. En nu hebben ze haar een patiënt gegeven die al eens een kritische opmerking durft te maken. En vindt dat ze de tijd die ze besteed aan zijn reclameblad te lezen, met de familiehulp te roddelen of kinderachtig te doen tegen zijn kroost, beter zou besteden aan dagelijks zijn voeten en onderbenen wassen.

Ze had reeds geruime tijd niet veel krediet meer, maar het voor mij helemaal verkorven door afgelopen week tijdens mijn wekelijkse haarwasbeurt de opmerking te maken dat ik mij gelukkig mocht prijzen zo te worden verwend. En maar niet wou inzien dat ik daar geen verwennerij in zag. In bed, met mijn nek ongemakkelijk in een kuip gelegen, handelingen te laten ondergaan die ik veel liever zelf zou doen.

Reeds tweeëneenhalf jaar moet ik het ontberen, maar toch kan ik me nog levendig herinneren hoe goed het aanvoelde mijn haar te wassen onder een keiharde, warme douchestraal. Dat was pas verwennerij! En ik had er geen verpleegster, noch familiale hulp bij nodig. En bijgevolg bleef ik toen ook gespaard van het geleuter tussen die twee. Als ik lawaai wou zette ik gewoon de radio aan!

Ook het dagelijks gewassen worden in bed, met een kommetje water, kan in mijn ogen bezwaarlijk als verwennerij worden aanzien. Maar dat dringt bij sommige uitgebluste thuisverpleegkundigen blijkbaar niet door.

Een mens zou van minder neerslachtig worden. Gelukkig zorgen onze kinderen met hun dikwijls grappige uitspraken, voor een vrolijke noot in huis. En wordt een wegzinken in mistroostigheid dientengevolge voorkomen. Om even een voorbeeld te geven. Voor hen zijn er twee soorten personen: kleine en grote 'kinderen' en 'mensen', volwassenen dus.

Vanuit deze gedachtegang concludeerden zij onlangs dat mijn kinesiste, een jong meisje, nadat ze hen had vertelt meestal bij haar vriend, maar ook nog een beetje bij haar ouders te wonen, dus eigenlijk nog geen mens was. Zij moest om die uitspraak hartelijk lachen, en ik evenzeer!

Op een zondagnamiddag, eind mei, zat ons gezin gezellig samen aan tafel in de veranda, met zicht op de tuin. We keken naar een koppeltje tortelduiven dat bovenop de schommel van de kinderen zat te flikflooien. Eén van mijn kleuters zei: "Kijk papa, die duifjes zoenen elkaar, die zijn verliefd!" Ik knikte bevestigend. Ineens sprong die ene bovenop de andere en begonnen de duifjes te paren.

Enigszins verveeld door het schouwspel, probeerde ik de aandacht van de kinderen af te leiden. Tevergeefs. Dan zei één van hen: "Hoe lief. De ene vogel krabt de andere. Die eerste heeft waarschijnlijk jeuk!" Ik glimlachte en dacht: "Ja, allicht!"

Ru(sh)di(e), 3 augustus 2002 (revisie op 23 maart 2009)

23-03-09

Belevenissen in het UZ, het tweede deel

 

Op een zekere middag stonden we met enkele patiënten in de gang, toen we plots in het toilet iemand hoorden kreunen. Alert en hulpvaardig als we zijn, reed één van ons onmiddellijk richting verpleging met de melding dat er waarschijnlijk iemand in nood was.

Even later klopte een verpleegkundige op de WC- deur van waarachter het gekerm had weerklonken. Met daarbij de vraag of ze hulp kon bieden. Naar verluidt werd haar door een mannenstem verzekerd dat alles in orde was. Met deze melding stelde zij ook ons gerust en schouderophalend ging ze vervolgens terug aan het werk.

Terwijl de rest van ons gezelschap zich naar de oefenzaal repte, kon ik niet nalaten nog even in de buurt te blijven rondhangen. Luttele minuten later kwam uit de toiletten een koppeltje te voorschijn. Met een beetje een blozend gelaat, hun kledij fatsoenerend.

Het mafste verhaal dat ik ooit heb gehoord, is het volgende. Met Gaston, een medepatiënt uit het R.C. (RevalidatieCentrum), ging ik 's avonds regelmatig eten in het restaurant, gelegen op de 14de verdieping van kliniekgebouw K12. Die mogelijkheid werd ons geboden als alternatief voor het benutten van het avondmaal in de kale refter van het RC.

In het restaurant hadden we kennis gemaakt met twee patiënten, ook rolstoelers, die ieder op een verschillende afdeling en dus verdieping, van K12 verbleven, maar regelmatig samen naar boven kwamen om een sigaretje te roken en een pintje te drinken. Laat ik ze Walter en Alain noemen.

Op een zekere avond kwamen Gaston en ik eten in het restaurant. En zagen Walter daar zitten. Alleen. Ik vroeg hem waar zijn maat was. "Die hebben ze in zijn kamer gehouden" gaf hij als antwoord en begon vervolgens een amusant relaas te vertellen over wat zich die namiddag had afgespeeld.

Walter en Alain zaten samen op het 14de, toen een vriend van Alain ten tonele verscheen. Type schooier en duidelijk onder invloed van verdovende middelen. Na eerst een pint voor hun drieën te hebben gehaald, zette die kerel zich bij, en begon wat met Alain te praten. Walter hied zich discreet afzijdig.

Op zeker moment verdwenen Alain, zelf ook al een junk, en diens vriend, richting toiletten. Toen ze beiden even later terugkeerden was meteen duidelijk wat Walter reeds vermoedde: ze hadden een shot gezet.

Die spuit had Alain's vriend blijkbaar geen deugd gedaan want hij zag er nog beroerder uit dan toen hij in het restaurant arriveerde. Ze besloten om met zijn allen naar Alain's kamer te gaan. Diens kamergenoot werd die ochtend geopereerd en was nog niet terug.

Alain's kameraad voelde zich echt niet lekker en was moe. Waarop de eerst genoemde voorstelde aan de andere een tukje te doen in de zetel in diens kamer, terwijl hij met Walter in de taverne beneden nog een glas zou gaan drinken. Die kerel nam dat aanbod gretig aan en kroop in die fauteuil.

Toen Alain en Walter zowat anderhalf uur later terug op de afdeling verschenen, was er van de junkie geen spoor meer te bekennen. Alain's kamergenoot was terug, maar aan het slapen, dus kon die hen op dat moment geen informatie verstrekken. Kennelijk absoluut niet zinnens zich zorgen te maken over het lot van zijn gabber, veronderstelt Alain: "Allicht naar huis."

Niks van, echter. Want later bleek dat, toen Alain's kamergenoot terug naar zijn kamer werd gebracht, men had geprobeerd om die in de zetel slapende vriend wakker te maken, omdat de sofa waar hij in lag in de weg stond om dat bed naar zijn plaats te manoeuvreren. Toen dat niet lukte werd er een verpleegster bijgehaald, die op haar beurt een dokter ter hulp riep. Enfin, uiteindelijk hebben ze die man toch bij zijn positieven kunnen laten komen, onderzocht en overgebracht naar kliniekgebouw K13, psychiatrie. Mogelijks resideert hij daar nog steeds.

Een leuke vind ik zelf het verhaal van een patiënt die me zei dat hij, aan het begin van zijn adolescentie, een operatie had ondergaan - als ik mij goed herinner een liesbreuk - waarvoor een deel van zijn schaamhaar diende te worden weggeschoren. De charmante verpleegster die dat werkje zou uitvoeren had de assistentie van een knappe, jonge, uiterst lieve stagiaire.

Op aanwijzing van de verpleegkundige hield dat meisje die jongen zijn piemel in haar handpalm zodat eerstgenoemde probleemloos het haar op zijn onderbuik zou kunnen verwijderen. De warme meisjeshand veroorzaakte bij de jongeling echter een reactie die iets met hormonen heeft te maken. Enigszins verveelt om hetgeen gebeurde, maar ondanks alles toch ad rem genoeg om zich op een laconieke wijze uit deze situatie  te redden, zei die jongeman tegen de stagiaire: "Euh juffrouw, je mag je handje wel wegnemen hoor, hij kan nu niet meer vallen."

Ru(sh)di(e), 25 mei 2002  (revisie op 22 maart 2009)

16-03-09

De avonturen van Rudi & Co, een nieuwe aflevering

 

Deze ochtend was mijn verpleegster een half uur te laat. "Verslapen!" zei ze laconiek. Ja, ik weet het heus wel, het zijn ook maar mensen, maar daardoor was het wel tien uur vooraleer ik aan mijn dag kon beginnen. Wat ik rijkelijk laat vind.

Is het trouwens niet belachelijk dat een vijfendertigjarige, 'uitsluitend' omwille van zijn afhankelijkheid van derden, tien à twaalf uur per dag in bed moet doorbrengen? Om uit te rusten heb ik hoogstens acht uur nodig. Wacht tot ik al mijn verzuchtingen met betrekking tot de thuiszorg wereldkundig maak; het zijn er nogal wat! Maar daar ga ik jullie heden niet mee vervelen, dat is voor later!

Die immobiliteit van me is ook een enorm probleem. Gelukkig gebeurt ook hier in mijn omgeving meer dan in de meeste Vlaamse soaps op Tv te zien valt. Zoals dat voorval, een week of twee geleden, op een zaterdagnacht.

Eerst even een situatieschets. Wij wonen in een groot vrijstaand huis, met daarvoor een parking, met een inrit en een uitrit. Tot een malafide neurochirurg een einde maakte aan mijn actief beroepsleven, was in hetzelfde gebouw immers ook mijn handelszaak gevestigd. Nu staat de villa te koop, en dat wordt ook kenbaar gemaakt middels twee (grote) borden.

Die zaterdag was mijn echtgenote jarig. Ze had enkele vriendinnen uitgenodigd om de herinnering aan haar geboortedag samen met haar te vieren. Er werd gegeten, (frisdrank) gedronken en gedanst. Zo omstreeks middernacht besloten de dames nog een stapje in de wereld te zetten. Buiten werd nog wat gekwetterd terwijl de dames zich naar hun auto's begaven.

Ineens kwam daar - nagenoeg tezelfdertijd - zowel een auto de inrit als op de uitrit opgereden. Ze stopten bruusk en blokkeerden de toegang. Alle portieren vlogen open en uit elke wagen kwamen vier mensen gesprongen.

Het bleek politie te zijn, in burgerkledij. Ze vroegen wat er aan de hand was. Mijn echtgenote repliceerde met de wedervraag waar zij dachten het recht vandaan te halen op zo een manier haar eigendom te betreden en vragen te stellen. Ja, die eega van mij is niet op haar mondje gevallen.

Onmiddellijk inziend dat ze te vlug de verkeerde conclusies hadden getrokken begon één van die agenten een uitleg te geven. Ze waren op weg naar een megadancing iets verder in onze straat, zagen een huis 'Te Koop' staan met daarvoor een groep mensen en enkele voertuigen en dachten dat er iets aan de hand was. Er zal allicht iets van waar zijn geweest, doch zijn explicatie klonk niet echt overtuigend.

Ik vond die héle situatie nogal gênant voor hen, die agenten. En enigszins amusant voor mij., want hahaha, zij hadden wél de 'blaffers' (revolvers) bij, maar het was mijn vrouw die hen onze proprieteit 'afblafte'. Lachen Er zat trouwens een verdacht geurtje aan hun optreden. De dames op mijn parking waren immers allen van Afrikaans origine. Wenkbrouw ophalen

Ru(sh)di(e), 27 juni 2002 (revisie op 11 maart 2009)

10-03-09

Rudi's ontboezemingen - Poesje zien


Een verhaaltje uit mijn periode in het hospitaal.

Daar was een mooie, jonge, sympathieke verpleegster.

Die vroeg me op zekere dag - blozend - of ik haar poesje wou zien.

Ik - bloedrood kleurend - stamelde "Ja, eh, graag zelfs!"

Ze stapte richting gang, keek eerst links, dan rechts en deed daarna de deur van mijn kamer dicht.

Vervolgens werden ook de gordijnen aan mijn vensterraam door dat lieve wicht dichtgeschoven.

Mijn liefdespenseel kwam zowaar in beweging. "Dan toch niet impotent door die verlamming?" overdacht ik.

De verpleegster keek me zwijgend aan en begon, met de handen op haar rug, haar bloes los te knopen.

Draaide zich om.

"Om de spanning er in te houden", vermoedde ik.

Inmiddels veranderde de schikking van mijn beddenlaken zich tot tentvorm. Zomaar, automatisch, zonder dat ik mijn armen of benen gebruikte. Raar, of toch niet?

Dat verpleegstertje bracht aan één kant haar bloes naar beneden, zodat haar rechterschouder vrijkwam.

En zie: daar stond, op haar blanke huid, een afbeelding getatoeëerd van een Siberische tijger, 's werelds grootste  kat.

Het probleem met die bedschikking was onmiddellijk opgelost.

Mooie, sexy schouders overigens. In mijn fantasie welteverstaan, want deze ganse historie is voor het grootste deel verzonnen.

 

Ru(sh)di(e), 30 mei 2002 (revisie op 8 maart 2009)