13-04-10

Heden en verleden - Vijf huizen & ander fraais op de boerenbuiten

    

Heel af en toe rij ik eens naar mijn ouders. Mijn ma en pa zijn nog steeds woonachtig op de plek en in de gemeente, waar ik mijn jeugd doorbracht. Hun huis staat meer bepaald in een gehucht van een deelgemeente van de stad waar ik op heden woon, en op ongeveer 6 kilometer afstand van het huis dat ik samen met mijn gezinsleden bewoon.

Mijn ouderlijk huis is gelegen op, zoals men placht te zeggen, de boerenbuiten. Alhoewel er daar heden ten dage niet veel boerderijen meer te vinden zijn. Veel boeren kozen eieren voor hun geld en incasseerden flink wat duiten toen grote delen van wat voorheen landbouwgebied was, een herbestemming kreeg als woonzone. Goedkope landbouwgronden, die tot dan toe dienst deden als wei- of akkerland, werden ineens waardevolle percelen bouwgrond.

Massaal werden er verkavelingvergunningen aangevraagd en werden grote stukken grond verdeeld in meerdere delen of kavels en te koop aangeboden als grond voor woningbouw. Inmiddels was in onze buurt, als ik het mij goed herinner, wat chronologie betreft, ook de ruilverkaveling in volle gang. Waarbij de plaatselijke boeren, op vrijwillige basis, hun her en der gelegen kleine blokjes landbouwgrond onderling ruilden voor stukken land welke dichter bij hun erf waren gelegen. Vaak ontstonden hierdoor grotere percelen agrarische grond, waardoor het landschap in sterke mate veranderde.

Zo herinner ik mij het bestaan van enkele kleine percelen dicht bij ons huis, die bij elkaar werden gevoegd tot één grote akker. De redelijk jonge eigenaar dempte daarvoor zelfs de tussenliggende grachten. Zodat hij het ganse terrein ineens kon ploegen, bezaaien, sproeien, oogsten... Maar vaak reed hij zich met zijn tractor bijna of werkelijk vast in de drassige stroken land waar voorheen een sloot was. Dat die greppel er daarvoor was ontstaan, of aangelegd, met een reden, dat die met name zorgde voor de afwatering, dat had die kerel blijkbaar over het hoofd gezien. Met als gevolg dat hij af en toe naar zijn boerenerf mocht lopen om vrouw of knecht op te trommelen om met hun tweede tractor, of deze van een bereidwillige collega, zijn zware tractor los te trekken uit de modder.

Later werd de verkaveling professioneler aangepakt. En werd er wel rekening gehouden met de natuurelementen, werden er verkavelingwegen aangelegd ten bate van de bereikbaarheid van de kavels voor de boeren, maar ook paden voor recreatief fietsverkeer in landbouwgebied. En hier en daar werden er nieuwe bosjes aangelegd en andere stukjes natuurgebied.

Naast het telen van gewassen voor eigen gebruik, grotendeels voedsel voor de beesten, werden er op de akkers voornamelijk suikerbieten verbouwd. Maar sinds de suikerfabriek in een naburige gemeente, zowat anderhalf jaar geleden haar activiteiten stopzette, is daar een einde aan gekomen. Vandaag de dag worden de meeste akkers door de overgebleven boeren verpacht aan industriële landbouwbedrijven. Elders verbouwen die soms maïs, maar op de landbouwgronden in de buurt van mijn ouderlijke woonst worden hoofdzakelijk aardappelen geteeld.

Niet alleen het landschappelijk uiterlijk van de buurt waar ik opgroeide is grondig gewijzigd. Daar waar er vroeger aan de straatkant veel akkers en weilanden grensden, zijn die gronden nu op veel plaatsen bebouwd met woningen, omgeven door een tuintje. En veel oude hoeves werden hetzij gerenoveerd, hetzij afgebroken en vervangen door een nieuwbouwwoning. Bovendien is de straat waar mijn ouders wonen sinds een tweetal decennia voorzien van een van de rijbaan afgescheiden tweerichtingsfietspad.

Een opmerkelijke plek in deze straat, waar de bebouwing, zoals weleer nog steeds voornamelijk bestaat uit vrijstaande woningen en hier en daar twee huizen in een halfopen bebouwing, is één rijtje aaneen gebouwde huizen. Een locatie die in onze buurt als 'de vijfhuizen' werd aangeduid. Nochtans waren het er slecht vier. Maar niemand leek zich aan dit detail te storen. Behalve ik dan, die als klein, ook toen reeds punctueel, ventje deze foute benaming belachelijk vond. Maar geen enkele persoon leek gehoor te geven aan mijn gedacht hieromtrent. Mogelijks te wijten aan het feit dat ik te 'beschaamd' was om er openlijk voor uit te komen?

Later kwamen twee van de vier huisjes in handen van één persoon, die ze samenvoegde tot één, wat ruimer huis. Dus sindsdien bestaat het huizenrijtje slechts uit drie woningen. Maar tot op de dag van vandaag worden deze aaneen gebouwde woningen, in de buurt, zowel door de mensen die er al jaren wonen, als door de nieuwkomers, nog steeds 'de vijfhuizen' genoemd!

Rudi, 20 december 2009 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

07-04-10

De avonturen van Rudi & Co - Opschudding in de zaal

  

Naar buiten en onder het volk komen is voor elke mens zo belangrijk. En je komt al eens 'iets' of 'iemand' tegen als je je als persoon in kwestie buitenshuis verplaatst. Dat kan eenieder getuigen, en ook ik ben daar geen uitzondering op.

Zaterdag jongstleden ben ik naar de plaatselijke Kerstmarkt geweest. Het zag er allemaal best gezellig uit. Maar voor mij is zulk een evenement iets dat je best en liefst in gezinsverband aandoet. Zelf had ik in mijn uppie ook jammer genoeg niet de kans om een warme chocomelk te drinken of van één van die aanlokkelijke warme snacks te smullen. Mijn enige, beperkt functionele hand, de linker, was immers volledig verstijfd van de kou.

Toch vond ik dit uitje de moeite waard. Al was het maar omwille van de vriendelijke begroetingen door bekenden, de burgemeester incluis, de vele vrolijke mensen, al dan niet in die toestand als gevolg van het drinken van alcoholische dranken, de sfeervolle Kerstmuziek... en vooral de artiest die op een podium ijssculpturen vervaardigde. Uit blokken ijs heb ik die man, met kettingzaagjes en beitels als gereedschap, een Kerstster (met staart) en een engeltje zien tevoorschijn toveren. Prachtig vond ik dat!

Een drietal weken eerder bezocht ik de zondagse rommelmarkt op het stationsplein van mijn woonplaats. In gezelschap die keer. Maar er waren jammer genoeg vele gelegenheidshandelaars niet komen opdagen. Allicht omwille van het toenmalig wisselvallige weer.

Toen ik op het punt stond om naar huis te rijden, maar nog even genoot van het zicht op de activiteiten op het plein, kwam een vrouw op ons af die de mij vergezellende jongedame aansprak. Ik zei de vrouw, luid en duidelijk dat, als ze iets te zeggen had, ze mij moest aanspreken. Ze bekeek me eens raar en begon toen weer te babbelen tegen het meisje naast me. Ik herhaalde wat ik ook daarvoor reeds had gezegd, maar mijn woorden mochten niet baten.

Na nog eens hetzelfde scenario kwam ik dan toch te weten dat die vrouw me weg wou van de plaats waar ik stond. Omdat haar man zo meteen ging komen met de auto, om hun spullen in te laden.

Als er nu iets is waar ik een hekel aan heb, dan is het om te worden aanzien, beschouwd en behandeld als zijnde een breinloos, onmondig, in de weg staand 'object'. Dus zei ik die vrouw dat ik mij wel zou verplaatsen op het moment dat de omstandigheden dat zouden vereisen, in casu als haar man met hun vierwieler ten tonele zou verschijnen.

De vrouw keek me dom aan. Ik keerde haar de rug toe, maar draaide me onmiddellijk terug om en zei dat ik het niet prettig vond om als een 'obstakel' te worden behandeld en dat ze het in de toekomst best zou laten om mij en anderen zo te behandelen. Als antwoord kreeg ik te horen 'een zaag' te zijn, waarna de vrouw wegliep. Ik draaide me geheel rond. Tijdens het keren was ze teruggekeerd. Toen ik haar zei dat van me weglopen wel erg laf was, stak het vrouwmens haar armen in de lucht en riep ze uit: "Ik heb het hem beleefd gevraagd, maar 'die' wil hier maar niet weggaan!" "Dat is omdat dit plein van iedereen is en niet van jou alleen" liet ik haar nog weten, waarna ik doorreed. Net op het moment dat die partner met zijn auto verscheen. Verbaast kijkend naar zijn met haar armen hemelwaarts gerichte partner.

Het vrouwmens is waarschijnlijk zwak begaafd, maar dat is naar mijn mening geen excuus. Al te vaak kom ik in contact met personen die het huis niet meer uitkomen omdat ze buitenshuis vaak 'onmenselijk' worden behandeld, of voortdurend het slachtoffer zijn van ontoegankelijkheid. Dus blijf ik tot in den treure tegen al dit onrecht ageren. In het belang van de 'mensheid' en de 'menselijkheid'! Ze hadden potverdikke die Nobelprijs voor de Vrede net zo goed aan mij kunnen geven, in plaats van aan Obama! Deze laatste, vaak verkeerdelijk als 'zwarte' aangeduid, zit er blijkbaar ook mee verveeld deze eerbetuiging (nu al) te krijgen. Dat zou ondermeer kunnen af te leiden zijn uit wat hij over zijn eigen dankrede zegde. Namelijk dat hij ze best goed vond opgemaakt, en zelfs in die mate dat hij aan het eind ervan, er bijna zichzelf mee had overtuigd dat bij die prijs wel echt heeft verdiend.

Dit najaar ben ik reeds een aantal keer op donderdagavond naar de film geweest in het Cultureel Centrum van mijn woonplaats. Hun filmplanning past goed in mijn leefschema: aanvang om kwart na acht, dus doorgaans afgelopen omstreeks tien uur. Zodat ik zonder me te hoeven haasten, terug thuis ben tegen half elf, het tijdstip waarop mijn thuisverpleegkundige me normaliter komt verzorgen en in bed helpen.

De laatste keer dat ik ging kijken, draaide men er de Franse film 'Un prophète'. Een boeiend, interessant, maar 'ruig' gevangenisdrama. Veel volk was er niet. Ik denk een honderdvijftigtal personen. En allen zaten ze op de tribune. Terwijl ik op de begane grond, in het gangpad stond, tussen de onbezette stoelen.

Toen de film, naar ik vermoed, een drietal kwartier bezig was, werd er een huiveringwekkende scène getoond. In zijn eigen cel werd een kerel, door het hoofdpersonage, met een scheermesje de keel overgesneden. Waarna je het slachtoffer op de vloer zag liggen doodbloeden, terwijl er nog een aantal keer een sluiptrekking door diens lichaam ging. Net echt!

Kort daarna hoorde ik stemmen in de zaal. En toen ik rechts van me keek, zag ik mensen de trappen afgaan en via het gangpad aan de andere kant van de zaal, zich begeven naar de uitgang aldaar. Waren die zo geschokt door dat bloedige fragment dat ze verkozen er vandoor te gaan? Maar kon dat dan niet zonder de andere bioscoopbezoekers te storen?

Terwijl ik deze overdenking maakte, en middelerwijl ook trachtte het verhaal verder te volgen, stopte men de filmspoel. Hier moest dus meer aan de hand zijn. Een dame haastte zich tot vooraan in de zaal. Om ons toe te spreken en de reden voor de onderbreking mede te delen, zo verwachtte ik. Maar het was om de lichten aan te steken. Het bleef dus gissen naar de reden van de interruptie. Misschien was men, zoals ik al een keer eerder meemaakte, de verkeerde film aan het afdraaien? Of was er ergens in de zaal brand uitgebroken? Of in de ontvangstzaal ernaast, want sommige mensen liepen de zaal waarin ik me bevond, eerst uit, en vervolgens weer in.

Gedurende het omdraaien van mijn rolstoel, teneinde de filmliefhebbers op de tribune te zien, bedacht ik ook de mogelijkheid dat er iemand onwel was geworden bij het zien van die even daarvoor vertoonde gruwelijke beelden. En, afgaande op wat mijn ogen even later te zien kregen, was dit inderdaad de oorzaak van de ongeplande en ongewenste pauze.

Een groepje mensen zat en stond omheen een ietwat corpulente heer die op een zitje zat op één van de bovenste tribunerijen en die er, gezien vanaf mijn positie, niet erg fris uitzag. Nu was het klimaat er wel naar geschapen om onpasselijk te worden: een warme zaal en op het scherm een bloederig tafereel. De nooddeuren in de zijwand werden open gezet om wat koelte en zuurstof in de zaal te brengen. Tenminste ik vermoed dat dit de intentie was, want nog steeds had niemand het initiatief genomen om alle aanwezigen in de zaal op de hoogte te stellen van wat er aan de hand was.

Verschillende mensen verlieten de zaal. Die hielden het blijkbaar voor bekeken. Omdat de inhoud van wat ze tot dan toe van de film zagen, hen niet aanstond? Omdat de interruptie hen al te lang duurde? Of omdat ook zij in katzwijm dreigden te vallen? Joost mag het weten. Maar hoeft het niet aan me door te zeggen omdat deze informatie totaal onbelangrijk is.

Alhoewel het er naar uitzag dat er niks meer aan de hand was dan een appelflauwte, werd naar hetgeen ik van op mijn plek kon horen, toch de 100 gebeld. In afwachting van de ziekenwagen, werd de 'zieke' , ondersteund door zijn gezellen, de trappen af en naar buiten geleid. Even later kwam de technisch verantwoordelijke van dienst dan melden dat hij de projectie zou laten verdergaan. Niemand protesteerde. Het incident had alles bij elkaar een twintigtal minuten oponthoud veroorzaakt.

Het vervolg van de film bleef hard en gewelddadig, maar de meest akelige scène hadden we klaarblijkelijk toch reeds gezien. Of het door de onverwachte onderbreking kwam of gewoon omwille van het feit dat een film naar mijn goesting niet al te lang mag duren, feit is dat ik een uur later een beetje ongeduldig op het einde van de prent zat te wachten. Die film bleef immers maar duren. En op een gegeven moment kreeg ik al een SMS'je van mijn verpleger met de vraag of ik reeds thuis was.

Liever het einde van de film missen, die me toch niet echt meer boeide, dan een nacht in mijn rolstoel te moeten doorbrengen. Het was trouwens niet enkel mijn thuisverpleegkundige die me thuis verwachtte. Ik had er ook op gerekend bijtijds thuis te zijn om het op een redelijk tijdstip naar bed gaan van mijn zoons te controleren!

Maar hoe zou ik voortijdig de zaal kunnen verlaten? Ik trachtte oogcontact te maken met de toeschouwers die het minst ver van me af zaten. Mogelijks door de duisternis bleef deze actie evenwel zonder succes. Alle ogen bleven op het witte doek gevestigd. Gebaren durfde ik niet te maken, want gezien hetgeen eerder die avond was gebeurd, dacht men dan mogelijks dat er ook met mij iets loos was. En ik wou het niet meemaken dat men ook voor mij, en onnodig, de filmprojectie zou stoppen.

Dus zette ik mijn lichten aan en reed zachtjes achterwaarts richting uitgang. Waar ik hoopte dat de deuren zouden openklappen als ik er zachtjes tegenaan reed. Dat lukte... deels. Halverwege kwam ik namelijk vast te zitten. Ik slaakte een zucht en gromde toen een vloek waarin de naam voorkomt van dat opperwezen waarin ik niet meer geloof. Dat hielp me wonderwel vooruit, want het woord was nog niet koud of daar stond reeds een werknemer van het Cultureel Centrum naast me, die me uit mijn benarde positie kon redden. Van die man vernam ik ook dat die film er één is die tweeëneenhalf uur duurt!

Diezelfde persoon ging ook met me mee om de dubbele draaideuren aan de toegang tot het gebouw open te houden. Waarna niks me nog in de weg stond om, na even snel telefonisch mijn komst aan te kondigen, in de stilte van de donkere nacht, gezwind huiswaarts te rijden.

Rudi, 15 december 2009 (publicatie op de blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 26 december 2009.

03-04-10

Rudi’s overdenkingen - Dubieuze getuigenissen

  

Vorige zaterdag was het Halloween. En mijn zoon Brian had het plan opgevat om, net zoals vorig jaar, met een maat de huizen in onze buurt af te gaan. Puur voor de lol en in iets mindere mate tevens om gratis aan wat lekkers en aan enkele Euro's te geraken! Vorig jaar had die activiteit hem immers ook een aardige buit opgeleverd.

De avond ervoor kwam er een vriend logeren, die net als hij eigenlijk reeds de vrijdagavond op pad wou. Daar hadden wij, de ouders, niks op tegen, zolang de jongens voorzichtig zouden zijn en terug thuis op het door ons vooropgestelde tijdstip.

Voor ze vertrokken lieten ze zich door ons keuren. In tegenstelling tot eerdere plannen had Brian geen masker opgezet, waardoor hij goed herkenbaar was. Dus had ik er geen bezwaar tegen dat hij een neppistool meenam. De buren die hij wou verrassen, kennen mijn zoon goed genoeg om niet te denken met echte overvallers te doen te hebben.

Nog geen half uur waren ze weg, toen er op de deur werd geklopt. Wij verwachtten geen bezoek, dus ik vermoedde dat het of onze eigen jongen en zijn maat waren die voor de deur stonden, of andere verklede individuen die ook niet tot de volgende dag hadden kunnen wachten vooraleer op Halloweentocht te gaan.

Lichte paniek bij mijn vrouw, want ze had niet onmiddellijk snoepjes bij de hand om af te staan. Dus ging ze maar eerst de voordeur openen. Ik hoorde wat over en weer gepraat, draaide me richting binnendeur en zag daar even later twee personen verschijnen. Verkleed... in een blauwe outfit. Een Politie-uniform. Het bleken trouwens echte agenten te zijn, of inspecteurs, want dat werd er niet bijgezegd.

Na hen verwachtte ik mijn zoon en diens maat te zien verschijnen, want ik vermoedde onmiddellijk dat dit politie was op patrouille die de jongens abusievelijk als schurken had aanzien en na verhoor van de jongens nu bij de ouders hun verhaal kwam checken.

Niks van dat evenwel. Hun bezoek had te maken met iets totaal anders. Op 15 augustus van dit jaar zijn wij met het gezin naar het Oogstfeest geweest van de plaatselijke Landelijke Gilde. Waar mijn zoon Brian 's avonds de playbackshow won.

Nu bleek daar, volgens de mannelijke helft van het politieduo, in de buurt van waar dat evenement was doorgegaan, een weiland te liggen, waar toen van die grote, ronde, in plastiek gewikkelde balen stro zouden  hebben gelegen. Waarvan er die dag enkele zouden zijn beschadigd. En een 'getuige' zou mijn vrouw hebben zien staan telefoneren op de verharde weg naast dat land, terwijl haar kinderen op die balen aan het spelen waren.

Een 'getuigenis' die uiterst dubieus is. Mijn kinderen hebben die dag niet met elkaar opgetrokken, dus kunnen nooit samen op zo een baal stro zijn gezien. Het enige dat klopt in het verhaal is dat mijn kinderen hun mama op een gegeven moment een wandeling is gaan maken. Ze meende zich inderdaad te herinneren en acht het heel waarschijnlijk dat ze toen aan het bellen is geweest. Maar van op balen stro spelende kinderen dacht ze niet iets te hebben opgemerkt.

Onze kinderen kunnen het in ieder geval niet zijn geweest, want die waren op dat moment elk op een andere plek aanwezig op het 'evenemententerrein'. En ik had daar goed zicht op want ik heb, omwille van de overdadige zonneschijnhitte die dag, de ganse tijd in de schaduw gezeten aan de rand van dat plein.

Los van de feiten vraag ik mij af welke schade spelende kinderen aan die balen kunnen hebben aangericht. Waarvoor de eigenaar nu van de 'daders' een schadevergoeding wil eisen. Volgens die politiebeambte was een deel van de plastiekfolie eromheen, kapot getrokken. Maar daar gaat dat stro toch niet van 'stuk'? En wat dan met de twee rollen ongecoate hooibalen die bij één van de spelletjes werden gebruikt? Niet goed genoeg meer als voer voor de beesten of desnoods als vloerbedekking in de stallen?

Wat een laffe en achterbakse 'pseudogetuige' overigens! Als die toen iets heeft gezien dat niet hoorde, waarom heeft die dan niet ogenblikkelijk gereageerd? Hadden mijn vrouw, ik of zelfs één van onze kinderen 'iemand' vandalenstreken zien uitrichten, dan hadden wij die lui onmiddellijk gesommeerd daarmee op te houden en bij vaststelling van schade de organisatoren van dat feest verwittigd. Want dat is toch de enige juiste reactie? Het zou mij niet verwonderen mochten jullie uit de aangebrachte data dezelfde conclusie trekken als ik doe.

*****

Zo een situaties heb ik eerder meegemaakt. Samen met mijn zonen Brian en Austin, een twee-eiige tweeling, bezocht ik jaren geleden het filiaal van een grote doe-het-zelf winkel in de buurt van onze woning. Op zoek naar een aantal spullen die ik nodig had om dingen te laten maken in en om ons huis.

Austin was een beetje, of eigenlijk nogal veel, tegen zijn goesting meegekomen en bleef dus dicht in mijn buurt rondhangen, terwijl zijn broer op stap ging om me te helpen de benodigde items bij elkaar te zoeken.

Op een bepaald moment kwam er een redelijk jonge vrouw me voorbij gestoven. Een personeelslid van de winkel, zo kon ik zien aan haar kledij. Voor ze de gelegenheid kreeg mijn zoon aan te spreken, vroeg ik haar beleefd me te vertellen wat er aan de hand was. Verbaast en verward keek ze me aan. Die vrouw was klaarblijkelijk zo gefocust geweest op mijn jongen dat ze mijn aanwezigheid niet eens had opgemerkt.

Ze vertelde mij dat ze er 'getuige' van was geweest dat die jongen, die daar, ook al verrast, stond te kijken, spullen uit de rekken had gehaald en er vervolgens mee aan de haal was gegaan. Ik kon niet volgen, want Austin was de ganse tijd in mijn gezichtsveld gebleven en ik had hem wel al naar de prijs van bepaalde producten laten kijken, maar hij had nog niet eens iets aangeraakt.

Toen verscheen Brian ten tonele. In een geheel andere outfit dan zijn broer en het haar heel kort geschoren, terwijl broerlief kleine krulletjes had. In zijn handjes had het jongetje een aantal zakjes en doosjes met spullen in waarvan hij hoopte dat dit nu eindelijk was wat ik zocht. Want het ventje was al een aantal keer tevergeefs heen en weer gehold.

De winkeldame stond perplex. Keek van de ene jongen naar de andere en vervolgens terug naar zijn broer en daarna naar mij. Ze wist duidelijk niet was zeggen, dus sprak ik maar voor haar. Dat ik concludeerde dat ze in al haar vooringenomenheid een grove flater had begaan. Maar denk je dat ze, zoals je in zulk een situatie zou durven vermoeden, haar verontschuldigingen aanbood? Neen hoor. Niks daarvan! Uit haar strot kwam slechts een goedpraten van haar fout gedrag. Want ja, er werd immers zoveel uit de winkel gestolen, door jonge kinderen.

Op mijn vraag of dat dan voor haar betekende dat alle kinderen potentiële dieven waren of enkel die met een melkchocoladen huidskleurtje, kreeg ik geen antwoord. Het groengeklede spook had zich, nog vlugger dan ze op mijn zoon was afgekomen, terug van ons weggehaast!

*****

Enkele jaren eerder, in het voor mijn gezin en mij zo noodlottig en ingrijpend jaar 2000, bracht mijn echtgenote op een gegeven moment een brief mee naar het ziekenhuis, van de autoverzekeraar van mijn vennootschap. Afkomstig van het hoofdkantoor en waarin stond dat ik werd verzocht om contact op te nemen met mijn makelaar teneinde de formaliteiten af te handelen van de aanrijding, op de parking van het ziekenhuis, tussen mijn vrachtwagen en een ook bij hen verzekerde personenauto. Waarbij de bestuurder van mijn voertuig de veroorzaker van de botsing zou zijn geweest.

Niettegenstaande ik reeds drie maanden plat op mijn rug te bed lag, viel ik bij dit bericht, pardoes uit de lucht. Dit laatste, in tegenstelling tot het eerste, uiteraard slechts figuurlijk. Gelukkig maar, want ik was er al erg genoeg aan toe na die mismeesterde nekoperatie.

Mijn vrachtauto zou dus een accident hebben veroorzaakt... Maar mijn firma bezat helemaal geen camion! Zelfs geen camionette. Enkel een kleine bestelwagen. Waar aan de zijkanten in het groot het logo, met naam en andere firmagegevens was op gekleefd. Een auto die doorgaans door mijn echtgenote werd bestuurd en waar zij zich ook geregeld mee verplaatste om me te bezoeken in het ziekenhuis.

Van een aanrijding had zij evenwel geen weet. En bovendien was ze, op de dag waarop het voorval zou hebben plaatsgevonden, niet eens bij mij geweest. Meer nog, dat bestelwagentje was die dag, om redenen die ik mij niet meer herinner en die hier trouwens ook helemaal niet ter zake doen, niet eens uit de garage geweest!

Mijn makelaar onderzocht de kwestie en kwam te weten dat er tegen de auto was gebotst van een bij dezelfde verzekeringsmaatschappij als mijn firma, aangesloten persoon. Een 'getuige' van dit malheur had een vrachtauto zien wegrijden met een naam op, die ook mijn firma draagt. De verzekeringsagent van de eigenaar van het aangereden voertuig had alle data doorgegeven aan de maatschappij en, waarschijnlijk omdat die voertuigeigenaar omnium was verzekerd, was de dossierbeheerder aldaar in het klantenbestand op zoek gegaan naar de door de 'getuige' opgegeven firmanaam en was zo uitgekomen bij mijn vennootschap. Had die domkop, die allicht van zichzelf dacht dat hij een slimme detective was, een heel klein beetje nagedacht, dan had hij zelfs alleen al op basis van het vermogen van dat wagentje van mij, kunnen concluderen dat hij met zijn vondst abuis was.

*****

Een voorval dat van nog veel vroeger dateert, betreft mijn drie jaar oudere zus,  die op het moment dat het hiernavolgende zich afspeelde, een jaar of zestien was. Het meisje volgde toen les aan een middelbare school, die was gelegen in een buurgemeente van onze woonplaats. En fietste elke ochtend naar die onderwijsinstelling. Samen met haar beste vriendin. Een meisje dat met haar ouders op een boerderij woonde, gelegen in dezelfde straat, en zelfs langs dezelfde straatkant als ons ouderlijk huis. Dat kind wachtte 's ochtends bij haar thuis mijn zus op en vanaf daar reden de meisjes samen verder.

Op een zekere ochtend, waarop mijn vader, die toen in ploegen werkte, nog thuis was en ik toevallig een vrije schooldag had, kwam er op een gegeven moment een auto op onze hof gereden. Met achter het stuur een afgeborstelde kerel, zo te zien gekleed in een maatpak en met naast hem, op de passagierszetel van de auto, een jonge gast. Nieuwsgierig wachtte ik af met wat voor een reden dit duo ons op een bezoek kwam vergasten. Want ma noch pa verwachtten die ochtend visite.

Mijn moeder ging de voordeur openen terwijl ook mijn vader zijn krant aan de kant legde en opstond uit zijn zetel. We hoorden wat gebabbel, waarna even later mijn ma de deur opende tussen de inkomhal en de living, waarin mijn pa en ik ons bevonden.

Die, inderdaad in een kostuum gestoken heer, kwam binnen, met in zijn kielzog een slungelachtige pummel. Mijn moeder meldde mijn vader dat het heerschap een verzekeringsagent was, en de jongen naast hem, een cliënt. Welke  zou hebben beweerd met zijn bromfiets te zijn gevallen, door toedoen van mijn zus, waarvan hij bij een eerder passeren had opgemerkt dat ze in ons huis woonde

Mijn ouders werden bleek om de neus, want dachten onmiddellijk dat ook zij was gevallen. Maar de verzekeraar stelde hen onmiddellijk gerust. Mijn zus was niet gewond. Waarop mijn vader dacht aan haar fiets en haar kledij. Ze had net een nieuwe groene Parka gekregen, een type jas met aangehechte kap, dat in die tijd mode was. Maar ook daar was geen schade aan, zo wist de man ons te vertellen.

Die verzekeringsagent had zich inmiddels onuitgenodigd neergezet op een stoel en zijn mapje met paperassen op een hoek van onze eettafel opengelegd. Met de pen in de hand wou die kerel mijn vader er toe overhalen een document te ondertekenen, een onderling akkoord voor de forfaitaire vergoeding van de door de jonge bromfietser geleden schade.

Dat mijn vader daar niet wou op ingaan, dat begreep die arrogante vent niet. En dat, spijts zijn geveinsde charmeoffensief, ook mijn ma niet was te overtuigen, al evenmin. Nochtans had hij een 'getuige' die alles had gezien, dus hadden mijn ouders volgens hem geen enkele reden om zijn voorstel te weigeren. Wat ze evenwel toch deden. De man en de jongen werden tegen hun zin buiten gewerkt. We aten ons middagmaal, mijn vader maakte zich klaar  om te gaan werken en vertrok, toch nog enigszins bezorgd, richting autofabriek.

Toen mijn zus in de late namiddag thuis kwam van school, inspecteerde mijn ma het meisje van kop tot teen. En was super blij dat ze geen lichamelijke letsels had. Dat ook haar jas, naar schoolse uniformnormen in lichtgroene kleur, onbeschadigd was, zag ze als bijzaak, maar was toch een meevaller. Mijn zus begreep slechts deels wat er aan de hand was. Een dame die op het schoolsecretariaat werkte had ook al aan mijn zus gemeld dat er een man op school was langs geweest die haar wou spreken, maar dat zij resoluut hadden geweigerd mijn zus uit de klas te halen. Waarop de man verontwaardigd was afgedropen.

Mijn moeder bracht haar dochter volledig op de hoogte van hetgeen wij die voormiddag hadden te horen gekregen. Mijn zus en haar vriendin hadden die jongen met zijn bromfiets die ochtend inderdaad opgemerkt. Vooral omdat die sukkel, na hen te zijn voorbijgereden, een beetje verder met zijn klikken en zijn klakken tegen de vlakte was gegaan. Ze waren nog gestopt om te vragen of ze hem konden helpen, maar dat bleek niet nodig te zijn. De jongeman was niet gewond en van bromfietstechniek, -mechanica en - carrosserie hadden de meisjes geen kaas gegeten, dus was het nog niet eens bij hen opgekomen om die bromfiets aan een onderzoek te onderwerpen. Bovendien dienden zij tijdig op school te zijn. En hadden ze die verlegen jongen, die hen nagenoeg dagelijks voorbij stak, meestal schichtig en geniepig naar de schoolmeisjes loerend, achtergelaten bij de andere omstanders.

Mijn vader was woedend toen hij 's avonds na zijn avondshift thuis kwam van zijn werk en van mijn ma de ware toedracht te horen kreeg van wat er die ochtend was voorgevallen. Nog steeds heel boos is hij de volgende ochtend naar de plek van het voorval gereden om die 'getuige' te confronteren met haar valse 'getuigenis'. Haar uitleg was even zielig als het mens zelf. Ze had de vorige ochtend de daar dagelijks voorbij fietsende meisjes opgemerkt, kort daarop een klap gehoord, was naar buiten gehold, had die meisjes naast de reeds recht geklauterde jongen en zijn deels op straat en gedeeltelijk op de fietsstrook liggende bromfiets opgemerkt en daaruit verkeerdelijk geconcludeerd dat alle drie betrokkenen waren in het accident. Meer zelfs, dat de meisjes er de oorzaak van waren!

Maar, zo zei ze, had ze geweten dat één van de meisjes mijn vader zijn dochter was, dan zou ze geen verklaring hebben afgelegd ten overstaan van die verzekeringsagent. Pure nonsens! Uiteraard heeft mijn vader pertinent geweigerd in te stemmen met ook maar om het even welke overeenkomst. Naar ik meen heeft onze eigen verzekeringsagent die listige beroepscollega van hem, terecht gewezen en zonder buit wandelen gestuurd.

Rudi, 6 november 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

21-03-10

Rudi’s overdenkingen - Waar een toevallige ontmoeting mijn gedachten al niet heen kan leiden

  

Met het prachtige nazomerweer waarop we de afgelopen dagen werden getrakteerd, liet ik geen enkel vrij moment of kans onbenut om buiten te vertoeven. Toen ik dondermiddag, onder een stralende zon, onderweg was, kwam er, voor ik een straat rechts wou inslaan, vanuit de andere richting een fietser aangereden, die me vriendelijk begroette, vooraleer net voor mij dezelfde straat in te rijden. Toen pas merkte ik dat het de oud-burgemeester van mijn woonplaats betrof. De man, die vast op weg was naar huis, kreeg van mij een hartelijke groet terug. "Leuk dat hij me nog herkent", dacht ik even. Want het was, naar ik mij herinnerde, toch reeds lange tijd geleden sinds we elkaar voor het laatst hadden gezien.

Maar onmiddellijk daarop realiseerde ik me dat die herkenning uiteraard vooral te wijten was aan die vier wielen onder mijn poep en de rest van dat prachtig toestel waarmee ik mij voortbeweeg. Het klinkt allicht ongeloofwaardig, maar toch is het zo dat ik vaak vergeet dat ik in een rolstoel zit.

Anderzijds gebeurt het soms dat ik voor het eerst met iemand afspreek en die persoon naar me toekomt, zeggend dat zij of hij me meteen herkende. Waarop ik dan reageer door te zeggen dat zulks niet moeilijk is. En terwijl die ander knikt en er een verlegen glimlach op diens gezicht verschijnt, zeg ik dan: "Door mijn lange haren, hé?!" Dan zie ik de gelaatsspieren van de persoon tegenover me in beweging komen en mijn gespreksgenoot denken, terwijl die ongemakkelijk op diens benen balanceert: "Zal ik het hem zeggen of niet?" Maar lang laat ik de vrouw of man in kwestie niet twijfelen, door snel zelf te zeggen: "En mijn rolstoel droeg allicht ook bij tot de herkenning?!" Waarna we dan doorgaans beiden hartelijk lachen. En ook meteen het ijs is gebroken.

Tja, een vos verliest zijn haren, maar niet zijn streken. Gelukkig dat eerste enkel figuurlijk, want ik zou niet graag vroegtijdig mijn weelderige haardos kwijt geraken. En deze integendeel zelfs het liefst van al behouden tot wanneer ik mijn laatste levensadem uitblaas. Een punt dat ik ooit al eens heel dicht benaderde, zoals in eerdere schrijfsels staat te lezen.

Een vos ben ik overigens ook niet. Tijdens mijn jeugd was deze roofdiersoort ook niet te vinden in mijn geboortedorp. De enige vossen die daar toentertijd verbleven waren de gezinsleden van de in mijn toenmalige woonplaats residerende familie De Vos. Tegenwoordig is dat evenwel anders. In de velden en bossen achter mijn ouderlijk huis leven al sinds geruime tijd tal van vossen. En sinds enkele jaren ook herten. In hrt wild, in de vrije natuur, hé! En die dieren planten zich daar vrolijk voort

Wie weet komen er, door de opwarming van de aarde, daar, en elders, misschien ook wel opnieuw diersoorten tot leven, die reeds op aarde ronddwaalden voor de eerste ijstijd een aanvang nam. Maar die ongelukkigerwijs de laatste ijstijd niet overleefden. De mammoet bijvoorbeeld, of de sabeltandtijger.

Dat opwarmen van de aarde, daar hoef ik niet voor te vrezen. Mijn voeten verbranden aan die opwarmende aardkorst kan niet gebeuren, want mijn onwillige stappers staan op een voetplankje, op enige afstand van de grond, dus veilig. Alhoewel? Als mijn banden smelten... Maar laat me aan dat doemscenario niet denken.

Mijn geest laat me immers al vrezen voor die potentiële, door de klimaatswijziging veroorzaakte heropstanding van gevaarlijke grote beesten Die blijven best nog even weg. Want ik heb schrik dat, als ik er, om wat voor reden dan ook, tijdens een boswandeling, zo één achter me aan krijg, ik mij nooit snel genoeg uit de voeten zal kunnen maken. Derhalve ben ik dus liefst, vooraleer dat die kolossen terug ten tonele verschijnen, de pijp uit.

Rudi, 20 september 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 maart 2010.

05-03-10

De avonturen van Rudi & Co - Ontmoeting met een oud-bekende

  

Een jaar na mijn geheel ongepland en ononderbroken anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, was ik thuis eindelijk in die mate georganiseerd dat ik mijn toen zesjarige tweeling elke ochtend naar school kon brengen.

Doorgaans zat er dan één van hen op mijn schoot, terwijl de andere op mijn voeten zat, op één van mijn armsteunen of zich liet vervoeren door achteraan op het chassis van mijn zware elektrische rolstoel te gaan staan. En soms stapten mijn jongens gewoon allebei naast me mee. Met één handje de leuning van die voor mij zo onontbeerlijke machine vasthoudend. Mensen, wat genoot ik ervan deze taak te kunnen uitvoeren. Je kinderen naar school begeleiden zie ik trouwens niet zozeer als een plicht, maar eerder en vooral als een voorrecht!

De weg naar huis legde ik af tegen het verkeer in. De 3-vaks rijweg oversteken ter hoogte van onze woning was immers onverantwoord wegens levensgevaarlijk door het snelle, vaak roekeloze auto-, motor- en vrachtverkeer.

Tijdens één van die eerste terugritten botste ik bijna tegen een fietsende dame aan. Die wel in de juiste richting reed! Ze zat voorovergebogen op haar, vooraan het stuur van een mandje voorziene, conventionele damesfiets. En duwde met haar voeten naarstig op de trappers. Waarschijnlijk was die gehaast om tijdig op haar werk te verschijnen.

Was het daardoor dat ze geen teken van herkenning uitte? Volgens mij was dit immers de moeder van een schoolvriend uit mijn kinderjaren. Zelf knikte ik haar vriendelijk toe, maar van de dame haar gezicht, half verscholen achter een lange, enigszins krullende en vrij warrige haardos, was geen enkele expressie af te lezen.

Wat een verschil met vroeger! Want naar ik mij herinnerde was dat een heel praatgrage dame. Die steeds met luide stem elkeen die ze kende, van verre toeriep. En als ze, tussen haar steeds weer gehaast met de fiets van hot naar her rijden voor werk, boodschappen, familiebezoek of wat dan ook, zelfs maar even de tijd had, dan liet ze deze gelegenheid nooit onbenut om een praatje te slaan.

Maar mogelijks was er daar met het ouder worden enige verandering in gekomen. Niet erg waarschijnlijk en vanzelfsprekend, maar klaarblijkelijk toch wel het geval. Tijden veranderen en zo soms ook mensen. En aangezien mijn voorlaatste ontmoeting met mijn jeugdvriend zijn moeder reeds van misschien wel 20 jaar eerder dateerde, kon er in die tijdspanne veel zijn gebeurd, dat had geleid tot een plotse, of geleidelijke gedragswijziging. En ook lichamelijke wijziging. Want ze leek me kleiner dan in mijn herinneringen. Maar dat kon zijn omdat ik toen zelf een klein mannetje was, en dan lijkt elke volwassene een reus. Of anders kwam dat misschien omdat ze inmiddels van ouderdom was gekrompen, of allicht een combinatie van deze factoren, aangevuld met een niet geheel juiste memorie.

Vanaf die dag zag ik de vrouw vrij vaak. Meestal 's ochtends omstreeks half negen, maar soms ook op andere tijdstippen. En telkens weer zei ik haar vriendelijk gedag, of lachte haar op zijn minst beleefd toe of knikte met mijn hoofd. Altijd leek ze gehaast. En me aanspreken deed ze nimmer. Maar na enkele passages, waarbij we elkaar kruisten, vertoonde ze uiteindelijk toch tekens van herkenning en begon ze mijn begroeting te beantwoorden. Non-verbaal evenwel.

Raar is het feit dat ik deze vrouw nooit elders tegenkwam en zich nimmer anders voortbewegend zag dan op haar blijkbaar onafscheidelijke fiets. Dus wat er in al die jaren nooit gebeurde was bijvoorbeeld haar aantreffen terwijl ze te voet door de straten slenterde op de wekelijkse openbare marktdag. Of met een winkelkarretje struinend door de gangen van één van onze lokale supermarkten of een andere winkel, waar ik mezelf met mijn vehikel kon in voortbewegen.

Maar zo verwonderlijk was dat dan ook weer niet. Want de dame was steeds nogal sociaal geëngageerd geweest in het dorp waar ik mijn jeugd doorbracht. Een deelgemeente van de stad waar ik woon en leef, sinds ik 'groot' ben. Mogelijks deed zij al haar inkopen lokaal en kwam ze slechts naar 'de grote stad' om haar werk uit te oefenen. Kuisen bij particulieren of op scholen, zo meende ik mij te herinneren.

Enkele jaren na die hiervoor beschreven hernieuwde ontmoeting reed ik, op een zonnige lentedag, aan een gezapig tempo, over het marktplein van mijn woonplaats, toen ik iemand mijn voornaam hoorde roepen. Een uiterst herkenbare zware vrouwenstem. Ik draaide mij met mijn rolstoel in de richting van waar het geluid afkomstig was. En daar stond ze dan!  Mijn jeugdvriend zijn ma! Maar niet in de gedaante van de persoon van wie ik reeds sinds jaren aannam dat zij het was. Het plaatje klopte nochtans redelijk goed. Een warrige haardos en de fiets aan de hand! Maar ze was niet gekrompen. En haar fiets was weliswaar ook een oud model, maar zonder mandje aan het stuur. Het vehikel was evenwel uitgerust met twee flinke fietstassen. Eén aan elke zijde van het fietsstoeltje, zoals het hoort.

Mijn oud-maat zijn ma was nog even joviaal als in mijn verste herinneringen. Ze vroeg me hoe ik het stelde. In dat sappige, gekke dialect van haar. Niet de streektaal van de gemeente waar ze toen reeds sinds tientallen jaren woonde, maar in deze van de plaats van waar ze oorspronkelijk vandaan komt en haar jeugd doorbracht.

In antwoord op mijn vraag, bracht ze me op de hoogte van de toenmalige conditie van haar zoon en daarna wisselden we nog wat woorden uit. Maar veel tijd om te babbelen had ze niet, want ze had net gedaan met haar dagelijkse werk als kuisvrouw in een middelbare school in de buurt en moest er snel vandoor om nog vlug wat boodschappen te doen en toch tijdig thuis te zijn en klaar met het bereiden van het avondeten, tegen het moment dat haar man zou thuiskomen van zijn werk.

Bij het wat later naar huis rijden moest het toch wel lukken dat, toen ik bijna de oprit van mijn woning had bereikt, vanuit de tegenovergestelde richting die dame kwam aangespurt, waarvan ik tot dan toe abusievelijk had aangenomen dat het de mama was van mijn vroegere school- en speelkameraad.

Tegen het moment dat ik had beslist of ik die dame nu zou blijven groeten als was het een oud-bekende, wat ze, zoals een goed uur daarvoor was bewezen, duidelijk niet was, of haar vanaf nu straal zou negeren, was het vrouwmens me al lang gepasseerd. Ze had me bij het voorbijrijden slechts een zuinige glimlach toegeworpen en vroeg zich nu waarschijnlijk af waarom ik haar voor het eerst in al die jaren geen gedag zei.

Tot op de dag van vandaag rijdt de fietsende dame nog regelmatig voorbij mijn huis. Wie ze is, waar ze woont en naar welke bestemming ze zich dan telkens weer zo haastig spoedt, daar heb ik het raden naar. En het interesseert mij ook helemaal niet. Maar na die ene dag, waarop de verwarring mij even in haar greep hield, ben ik deze onbekende fietsster, op momenten dat ze mijn pad kruist, iets minder uitbundig, maar toch gewoonweg beleefd, gedag blijven knikken.

Rudi, 27 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 februari 2010.

24-02-10

Rudi’s ontboezemingen - Curieuzeneuzen in een Hollandse seksshop

  

Vele jaren geleden, toen ik nog de mening was toegedaan dat ik, OOK IN EEN ROLSTOEL gezeten, alles moest kunnen doen wat valide personen probleemloos gedaan krijgen, en dat ook telkens weer wou aantonen, ben ik tijdens een bezoekje aan vestingstad Hulst, in Zeeuws-Vlaanderen, Nederland, eens in een seksshop binnen gereden... met mijn zware elektrische buitenrolstoel. Het binnen geraken kostte mij wat manoeuvreerwerk, maar lukte wonderwel. Veel kon ik daar in dat sekswinkeltje evenwel niet uitrichten. Eigenlijk helemaal niks. Van de 'vieze' (? ;-) boekjes en films op VHS en Dvd kon ik zelfs amper met veel moeite van mijn blauwe kijkers, een glimp opvangen van de voorflappen met niets aan de verbeelding overlatende foto's en de, voor het doelpubliek wellicht aanlokkelijke titels. Je kent dat wel... of net niet.

Tussen de ruime voorraad speeltjes in een ander deel van de winkel zag ik niks dat ik niet eerder had gezien. Want zelfs zonder er ooit iets uit te bestellen, krijgen wij toch geregeld de pabo met de Post aan huis geleverd. Dus weet ik onderhand wel wat er in die branche op de markt te verkrijgen is. Dit even ter zijde. In dat enigszins gore sekswinkeltje, met nochtans ook een vrij uitgebreid assortiment aan erotische hulpmiddelen, accessoires, opblaaspoppen, lingerie, videofilms, dvd's, pretartikelen en zo meer, was evenwel niks tentoon gesteld dat me kon bekoren om over te gaan tot de aankoop ervan.

Dus keek ik maar eens even goed rond in de zaak, op zoek naar iets dat wel interessant was. Andere in de winkel rond snuisterende lui observeren was onmogelijk wegens een totale afwezigheid van potentieel cliënteel. Er was enkel de van een flinke hangbuik voorziene uitbater van de keet. Die kerel, met stoppelbaard, droeg een groezelige witte T-shirt en een versleten jeans. Zijn met veel gel ingestreken kalende haardos, was achteraan de nek in een staartje gebonden. Op zijn beide armen stonden tatoeages waarvan de kleur totaal was verdwenen. De man zat op een kruk achter zijn toonbank. En keek verveeld naar een klein tv'tje dat met een beugel aan het plafond was bevestigd. Op het kijkkastje was een zwart/witweergave te zien van een film die, naar ik kort daarna ontdekte, in een, voor de toeschouwers hopelijk kleurenversie, op groot beeld te zien was in de aan deze winkel verbonden koppelcinema. Aanlokkelijk was die pornoprent geenszins. Het verwonderde mij dan ook niet toen even later een stel zestigers de deur waarachter het bioscoopzaaltje zich bevond, openden en klaarblijkelijk onvoldaan, want met een sip gezicht, naar buiten stapten.

Misschien waren ze beter naar de, ook al in deze zaak gevestigde peepshow gaan kijken. Alhoewel, de dame die van corvee was om, middels wat uitkleden en allicht ook enige wulpse bewegingen, of althans een poging daartoe, de daarvoor betalende dames en heren op te geilen, zag er, in mijn ogen en naar mijn smaak allesbehalve aantrekkelijk uit. Vanaf mijn zitplaats op de op een prikbord bevestigde foto van de jonge vrouw te zien, althans. Zin om de deerne in het echt te aanschouwen had ik helemaal niet. En bovendien vermoed  ik dat mijn echtgenote, die bij me was, me dat ook niet had toegelaten.

Wegens het gebrek aan animo duurde het dan ook niet lang vooraleer we ons naar de uitgang van dit duistere pand begaven. Met lege handen, maar opgetogen over het feit dat ik binnen was geraakt Tevreden dat ik het toch maar weer eens had gedaan. En toen nog in de naïeve veronderstelling dat mijn bezoek aan zijn winkel, de uitbater hopelijk eens zou doen nadenken over het feit dat ook mensen in een rolstoel potentiële klanten zijn.

Probleemloos, al rollend die winkel verlaten bleek evenwel niet zo evident te zijn. Want er was, allicht als diefstalpreventie, een korte bocht, een smal sas en daarachter ook nog een soort klapdeur. Zonder hulp van derden, in dit geval mijn eega, was ik daar nooit buiten geraakt. Het viel me op dat, terwijl wij daar aan het sukkelen waren, de exploitant niet eens opkeek en alle, buiten in de winkelwandelstraat kuierende passanten, collectief de andere kant opkeken. Daarna heb ik mij dan ook nooit meer in een seksshop gewaagd. Maar gelukkig heb ik het internet en, niet te vergeten, die erotiekcatalogus van pabo, om me van het aanbod in dat marktsegment op de hoogte te houden.

Rudi, 10 juli 2009 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 24 februari 2010.

07-11-09

Rudi’s overdenkingen - Apenland

 

In België trekken sommige regels werkelijk op geen kloten! Zo betaal ik bijvoorbeeld, omdat ik daartoe ben verplicht, jaarlijks trouw mijn bijdrage voor de zorgverzekering. Weliswaar aan een gunsttarief, gezien mijn situatie. Maar hoewel ik aan alle voorwaarden om daar van te genieten, ruimschoots voldoe, wordt deze niet aan mij uitgekeerd!

Omdat ik een budget krijg uitbetaald om assistenten aan te werven en te betalen! Maar met dat geld kan ik niet hetzelfde doen als met het bedrag van de zorgpremie! Dat budget mag enkel en alleen worden aangewend om onder een arbeidscontract voor mij werkende personen te betalen, en tevens een beperkt aantal daaruit voortvloeiende kosten. En al die uitgaven moeten tot in de details met officiële documenten worden bewezen.

Gedurende het eerste jaar dat ik weer thuis woonde, na anderhalf jaar in het ziekenhuis te hebben vertoefd, maakten wij gebruik van de dienst thuiszorg, van de mutualiteit waarvan we toen lid waren. En waar we trouwens nu nog steeds zijn bij aangesloten. Die mensen kwamen ons huisgezin enkele dagen per week bijstaan voor het verrichten van allerlei huishoudelijke taken en het helpen van de verpleegkundigen bij mijn verzorging.

Op het einde van dat kalenderjaar werden we op een zekere namiddag opgebeld door de verantwoordelijke van deze dienst. Ze had me een maand daarvoor ook al eens gebeld voor een afspraak om mijn dossier te herbekijken. Toen was die ontmoeting evenwel niet doorgegaan, want ze was ziek geworden, zoals iemand van haar dienst me telefonisch had gemeld. En nu wou ze ineens dringend langskomen. Dat vrouwmens werd warempel boos toen mijn echtgenote haar kordaat meldde dat we haar de huidige week niet meer konden ontvangen! Als invalide wordt je immers verondersteld ten allen tijde, voor iedereen die dat wil, beschikbaar te zijn. Zieken en gehandicapten hebben toch geen plannen, noch bezigheden, zo veronderstelt men volkomen onterecht.

In het begin van de daarop volgende week kwam die vrouw dus op huisbezoek. Allicht van de maatschappelijk werker van de mutualiteit, behorende tot dezelfde zuil, maar dat wou ze niet bevestigen, had ze te horen gekregen dat me vanwege de overheid een integratietegemoetkoming was ten deel gevallen. Dus nu moest de ons aan te rekenen kostprijs, voor de door hen aangeboden thuishulp, worden herberekend. Als er (geld) te rapen valt, schiet men vlug in actie!

Toen ik tijdens de voorbije zomer van dat jaar die vrouw contacteerde omdat ik, in de zorgsector, een door hen gehanteerde vakantieperiode van drie (3) maand, met zeer beperkte dienstverlening, toch wat al te gortig vond, reageerde ze zo snel niet. Wat zeg ik? Ze heeft daarop helemaal niet gereageerd! Misschien wel omdat ze zelf ook zo een lange pauze nam?!

Om terug te komen op de reden van dat huisbezoek. Verrast merkte ik op dat, naar ik vernam, die integratiepremie me door de hogere overheid werd toegekend om deels de extra kosten die mijn handicap met zich meebrengt, te dekken. "En u wilt deze dus gebruiken om er uw organisatie mee te financieren?" zo stelde ik de dame beleefd de vraag. Je had die moeten zien steigeren! Ze ging me dus het bewijs opsturen dat mensen zoals zij wel degelijk recht van inzage hebben in mijn overheidsdossier en haar wijze van handelen, volkomen reglementair was!

Enkele dagen later ontving ik met de brievenpost een kopietje van één of andere wettekst, uitvoeringsbesluit of zoiets, waaruit dus moest blijken dat het mens gelijk had. En het recht had de prijs per uur op te trekken tot een astronomisch bedrag. We hebben die thuishulpdienst terstond buiten gebonjourd, want voor die prijs konden we net zo goed iemand uit de privé betalen!

Rudi, 4 april 2009 (revisie op 26 oktober 2009)

14-10-09

De avonturen van Rudi & Co - Uitschot

 

De zondag voor Kerst was ik met mijn echtgenote en kinderen op de markt die elke zondagochtend wordt ingericht op de terreinen van de oude slachthuizen in wijk Kuregem, te Anderlecht. Les abattoirs de Cureghem, zoals die plaats het best is gekend door de voornamelijk Franstalige standhouders en bezoekers.

Het was geleden van de laatste zondag van februari van dit jaar, dat we daar nog eens waren geweest. Op deze multiculturele markt, waar je zowat alles vindt wat je nodig hebt of denkt te kunnen gebruiken. Voeding en niet-voeding. In het begin van het jaar waren we er zonder de kinderen. En deed er zich een incident voor dat me toen toch wel even boos maakte.

Vooraleer, na een ochtend kuieren, het uitgestrekte terrein te verlaten, wou mijn vrouw nog op zoek gaan naar enkele producten. Aangezien ik het enigszins beu was om me, uiterst behoedzaam en traag, tussen de mensenmassa te bewegen, stelde ik voor dat ze alleen zou gaan. Ik zou blijven wachten op de plaats waar we ons op dat moment bevonden.

Zo gezegd, zo gedaan. Mijn wederhelft verdween in de mensenzee en ik keek uit naar een plekje om op haar terugkeer te wachten. Ik bevond mij aan het begin van het marktgedeelte met de groenten en fruitstandjes. Ik positioneerde mij met mijn elektrische rolstoel schuin tegenover de hoek van een kraam waar ondermeer olijven en andere (zuiderse) vruchten werden aangeboden.

Door de positie waarin ik stond, kon enerzijds iedereen aan elk product dat op die marktstand werd verkocht en anderzijds bleef er in de gangen genoeg ruimte over voor de passanten. Ik zat daar dus goed, dacht ik. En hield me ledig met het observeren van de mensen die in mijn gezichtsveld kwamen. Zelf was ik die ochtend, als steeds, alweer door honderden mensen 'aangestaard' als ben ik een buitenaards wezen, wat naar mijn weten, nochtans niet het geval is.

Ineens stond daar die standhouder voor me, met het, in het Frans uitgesproken, dwingende en dringende 'verzoek' me elders op te stellen, want ik hinderde zijn klanten. Ik weigerde resoluut! En wees die vent op de zee van ruimte om me heen. Toch wou die kerel me nog steeds weg. Ik werd boos! En zei hem mijn gedacht. In het Nederlands! Dat was voor die kerel te veel. Iemand met een handicap die mondig Is en op de koop toe in een taal sprak waarvan hijzelf nog niet eens de basis machtig is, daar had die groentenmarchand zich helemaal niet aan verwacht! En het zich rondom ons verzamelde publiek had hij vast ook liever niet voor zijn kraam. Met mij tot kalmte aanmanende handgebaren, kroop hij terug achter zijn vijgen, olijven en andere dingen die ik niet lust kraam.

Inmiddels was Caroline terug. Maar uit koppigheid bleef ik nog vijf minuten op dezelfde plaats staan. En die vent maar vies lonken. Ik sneerde hem nog toe dat, als hij, in mijn land, in mijn hoofdstad, nog iets tegen mij wou zeggen, hij er voor moest zorgen mijn taal machtig te zijn. De man keek me toen aan als een koe die moet kalveren, of net gekalverd heeft, dus in elk geval nogal dwaas, waaruit ik afleidde dat die sukkel van mijn betoog geen jota begreep!

Dat was dus begin 2008. Nu terug naar zondag jongstleden. Als steeds, was het erg druk op de markt. We slenterden met ons vieren enkele uren rond en deden wat inkopen. Vooral kledij voor Brian en Austin. Die hebben regelmatig nieuw lichaamsbedeksel nodig. Omdat ze in de groei zitten! Zogezegd! En de ouders blijven status-quo qua grootte en moeten het dus maar stellen met de kleding die reeds in hun kast hangt! Zo gaat dat nu eenmaal als je kinderen hebt. En ik heb daar helemaal geen moeite mee.

Het was kort na de middag en we waren reeds op weg naar de uitgang van het, deels overdekte, marktterrein. Ik reed voorop. Iemand moet de leiding nemen, nietwaar?! Mijn rolstoel wiebelde een beetje. Ik dacht dat mijn zoons me aan het jennen waren, dus reageerde niet. Om hun pret te bederven. Hahaha! Er is wel wat meer nodig om me uit mijn tent te lokken!

Ineens hoorde ik hun mama iets schreeuwen. Een overdreven reactie op wat de jongens met me deden? Ik zag ineens iemand van achter mij vandaan komen, en haastig wegstappen. Neen, twee personen zelfs! En niet mijn jongens, maar wel jongelui. Een grote en een kleine. Ik stopte en wachtte op mijn gezellen, om verduidelijking te krijgen over wat er aan de hand was.

De verklaring kwam er snel. Austin had iemand betrapt terwijl die trachtte de rits van mijn rugzak te openen. Austin had onmiddellijk met zijn vlakke hand op dienen gast zijn vingers getikt! De kleinste van de twee, even voordien wegsnellende jongeren. En Caroline had hen kwaad toegeschreeuwd. Had ik onmiddellijk geweten dat die twee wegvluchtende gasten me hadden trachten te beroven, ik had ze terstond aangereden, zodat ze met hun klikken en hun klakken in een groentenkraam terecht kwamen. Met wat geluk, en liefst, in dat van die onsympathieke olijvenverkoper!

Ironisch genoeg had ik, in tegenstelling tot wat ik doorgaans altijd doe, mijn gezellen bij het betreden van de markt, deze keer NIET gewaarschuwd voor zakkenrollers, tasjesrovers en andere straatbandieten. En weerklonk er, net na dit voorval, voor het eerst die dag, uit de her en der opgehangen luidsprekers, een schel klinkende mannenstem die ons waarschuwde op onze hoede te zijn voor gauwdieven!

Je mag van me denken wat je wilt, maar ik heb mijn kinderen aangeraden om, als ze nog eens iets dergelijks zien, zulke kerels dan meteen met hun voet een flinke trap op de kin te geven. Gevolgd door een fameuze schop tussen de benen. De aanval is immers de beste verdediging! En die boeven verwachten geen verweer, weten dat zij in de fout zijn, en zullen steeds trachten er zo snel mogelijk van onder te muizen! Ze zullen vechten om andermans bezit in handen te krijgen, maar niet om hun eer. Want dat hebben die gasten niet; net zo min als normbesef. Vandaar dat het goed kan zijn ze eens een fikse rammeling te geven. Dan houden ze zich vast, op zijn minst, een tijdje gedeinsd!

Met gauwdieven en ander gespuis en uitschot, heb ik totaal geen compassie. Zelfs niet in de  Kerstperiode. Maar ik heb wel expres gewacht met dit verhaal te schrijven en te publiceren tot na Kerstmis. Want ik ben de dagen voor en na Kerstdag toch ook liever bezig met leuke, vredige gebeurtenissen. En met mij het gros der mensen, veronderstel ik. Vrede op aarde aan elkeen die met haar of zijn pollen afblijft van andermans bezit!

Rudi, 27 december 2008 (revisie op 14 oktober 2009)

11-10-09

Rudi's ontboezemingen - Wit – geel – bruin - …

 

De afkeer die sommige mensen hebben ten overstaan van personen met een andere huidskleur, zal ik allicht nooit begrijpen. Dat je er als blanke zelf niet geelachtig wil uitzien zoals een Chinees of een andere Aziaat, dat is verstaanbaar. Want ofwel heb je dan een verkeerde dagcrème gebruikt, of anders is er medisch iets niet met je in orde. Doorgaans een probleem met de lever.

Twee jaar geleden ben ik zelf uit het ziekenhuis gekomen met Hepatitis, een virale leverontsteking. Totaal uitgeput was ik, en elke dag manifesteerde het uiterlijk kenmerk van de ziekte, de zogenaamde geelzucht, zich meer en meer. In de kliniek hadden ze zich daar geen vragen bij gesteld. En de donkere urine en dito ontlasting hadden, bij de verpleegkundigen, ook geen belletje doen rinkelen. Uiteindelijk is het, dankzij de nodige en juiste medicatie, terug in orde gekomen met mijn lever en kreeg ik naderhand ook mijn normale, blanke huidskleur terug.

Een bruin tintje daarentegen, is nog altijd in. Dit ondanks alle waarschuwingen in de media om blootstelling van de huid aan de zon, zo veel mogelijk te beperken. Teneinde de kans op huidkanker tot een minimum te beperken. Toch blijven wij blanken zonnekloppers. In eigen land, of als de zon het hier laat afweten, in het buitenland. En ook het gebruik van de zonnebank blijft immens populair. De mensen willen er gezond uitzien. En veelal oogt een blanke persoon met een (licht)bruin kleurtje inderdaad gezonder!

Toen ik mijn echtgenote leerde kennen was ons verschil in huidskleur totaal onbelangrijk. Zoals ik daarnet reeds meldde en elkeen op de foto in de rechterbovenhoek van deze weblog kan zien, ben ik één en al blank. Mijn vrouw daarentegen, een Afrikaanse, is behoorlijk bruin. Maar dat is nooit een issue geweest bij onze keuze voor elkaar. Alhoewel je bij verliefdheid en liefde bezwaarlijk van kiezen kan spreken. Het is veel meer iets dat je overkomt. En kleur, religie, cultuur, afkomst... zijn op dat moment helemaal niet van belang. Althans bij mij was dat zo. Vooraleer me in het grote avontuur van het huwelijk te storten heb ik evenwel, ondanks mijn verliefdheid,  het voor en tegen ernstig afgewogen, niet de discrepantie in kleur, maar wel het verschil in cultuur en afkomst daarbij ernstig in overweging nemend. De liefde overwon!

Mijn vrouw en ik waren reeds enkele jaren gehuwd, toen plotsklaps een herinnering uit een ver verleden, tot dan toe opgeslagen in een verborgen gedeelte van de dataopslagplaats onder mijn schedelpan, gewoonlijk brein of hersenmassa genoemd, terug aan de oppervlakte kwam. Zonder aanleiding, bij wijze van spreken werd vrijgegeven, door mijn, zoals bij de meeste mensen, deels autonoom opererende hersenen.

Reeds in mijn kinderjaren was bruin mijn favoriete kleur. Hoe donkerder, hoe liever. En in mijn levensjaren ergens tussen kleuter- en tienertijd, wou ik ook zo een huidskleur. Dus nam ik me voor dat, als ik groot zou zijn, ik met een bruine madam zou trouwen. Dan kreeg ik in ieder geval bruine kindjes. En werd ik door veelvuldig (lichamelijk?) contact met mijn bruine partner, mogelijks zelf ook wel mooi bruin. Voor wie er aan denkt het zelf uit te testen, heb ik bedroevend nieuws. Het is verloren moeite. Die huidskleuroverdracht of  -transformatie gebeurt dus NIET! Daarvan ben ik het levende bewijs.

Ja, als ik regelmatig in de zon vertoef, kleurt het gedeelte van mijn lichaam dat de zonnestralen ontvangt, gewild roodbruin. Maar geenszins verkrijg ik, de als kind beoogde, ebbenhouten teint. Dat gekleurde velletje verdwijnt daarenboven uiterst snel, als sneeuw voor de zon, eens de blootstelling aan de stralen van het doorgaans als geel voorgestelde hemellichaam, zon genaamd, voor langere tijd wordt stopgezet. Heden, zowat 35 jaar na die kinderdroom, maal ik daar ook helemaal niet om. Maar ik ben wel gelukkig met de mooie lichtbruine huidskleur van mijn twee zoons! Dat gedeelte van mijn droom is, naast dat trouwen met een zwarte madam, in elk geval, en ongepland, ook uitgekomen!

Rudi, 4 december 2008 (revisie op 26 juni 2009)

10-09-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 3


Het exact aantal dagen dat ik doorbracht op 'I.Z.', dat kan ik me niet herinneren. Een kleine week, vermoed ik. Maar uuiteindelijk mocht ik dan toch verhuizen naar de verzorgafdeling pneumologie. Wat was ik blij weg te zijn uit dat zottenkot! Maar op de verpleegafdeling waar ik toen terecht kwam, en waar in de decoratie en aankleding van de kamers de kleur geel gelukkig niet (meer) domineerde, ging het er eigenlijk helemaal niet beter aan toe, zo zou ik spoedig merken.

Mijn oom had mijn rolstoel reeds overgebracht. En omdat ik die perse in mijn kamer wou, had men het tweede bed er uit verwijderd, zodat er wat manoeuvreerruimte was. Want gebruik maken van de techniek van de transfer middels een draaischijf, dat zagen de verpleegkundigen op die afdeling niet zitten. Sukkels! Om mij te verplaatsen van bed naar rolstoel en omgekeerd, hadden ook zij dus een tillift nodig.

Elke dag, na gewassen te zijn, en in mijn pyjama gestopt, werd in dus verplaatst van mijn bed naar mijn rolstoel. Waarin ik dan de ganse dag bleef zitten. Luisterend naar muziek, of werkend aan mijn laptop, die ik had laten meebrengen van thuis. Een televisie had ik ook ter beschikking, maar wat daarop te zien was kon me slechts zelden boeien.

Er werkten op de afdeling een aantal heel lieve verpleegkundigen, jonge en minder jonge. Maar er was daar ook een feeks van een ancien tewerk gesteld, die de werklust van haar collega's en hun aandacht voor de patiënten, niet kon waarderen. En zij zwaaide daar blijkbaar de plak. Zelf de veel jongere hoofdverpleegster had ze blijkbaar in haar macht. Een heel rare situatie vond ik dat. Verplicht lang durende koffiepauzes en verpleegsters die me stiekem kwamen helpen buiten de vaste verzorgtoer.

Met twee schoolgaande kinderen thuis en plots alleen gevallen bij het beredderen van ons huishouden en met het bijkomend probleem van de afstand tot de kliniek, kon mijn vrouw slechts nu en dan en dan telkens maar voor korte tijd, bij mij op bezoek komen. Maar toen ze er dan wel eens was, wou ik dat we rustig konden praten en samen mijn door haar meegebrachte briefwisseling doornemen. Haar belasten met het ontlasten van het ziekenhuispersoneel, was wel het laatste dat ik wou!

Maar deze laatst genoemden dachten daar anders over. Allicht onder de negatieve invloed van die eerder vermelde helleveeg. Lafaards! Tijdens zo een bezoekje moest ik op een gegeven moment plassen. Dus drukte ik op het knopje waarmee een belletje afging in mijn kamer en in het verpleeglokaal en, in de gang, het lampje boven de deur van mijn kamer, rood kleurde. Een minuut of vijf later stak een, al wat oudere verpleegster, haar domme kop binnen en vroeg verveeld of het dringend was, want ze had niet onmiddellijk tijd. Toen ze, alweer een minuut of vijf later, mogelijks waren het er zelfs tien, terug in mijn kamer kwam, zag die trut er nog steeds ontstemd uit. Ze vond het vervelend dat ik niet wou wachten op hulp tot ze een half uur later aan haar late namiddag verzorgronde zou beginnen.

Terwijl ze mijn plasser in de urinaal stopte, en ik enkele keren zachtjes op de zijkant van mijn buik klopte om de boel in gang te zetten, vroeg ze me op gedempte toon, met haar heksenkin wijzend naar mijn, ondertussen documenten invullende eega, of dat niet mijn vrouw was. Terwijl het plassen startte, beantwoorde ik haar vraag met een ja. Waarop dat wijf verontwaardigd repliceerde dat ik mij dan toch door haar had kunnen laten helpen? Waarop ik reageerde met het antwoord dat ik er nog niet aan dacht mijn vrouw, niet tewerkgesteld in die kliniek, een job te laten doen waarvoor de vrouw, die mijn plasser vast hield, werd bezoldigd! Die uitleg viel niet in goeie aarde. Maar dat zou mij een zorg wezen. Mijn echtgenote was niet naar me toe gekomen om me te verzorgen, maar om me te  bezoeken!

Dat mens werkte dan toch de klus af. Propte mijn nog nadruppelende penis in mijn pyjamabroek, zodat die vochtig werd en ging al morrend de urinaal leeggieten in het toilet. Uitspoelen was er alweer niet bij. De, van de nog aan de rand hangende pis, stinkende plaskan, werd met een smak op mijn nachtkastje gedropt. Voor de verandering eens niet naast iets eetbaars. Het dom schepsel verliet boos de kamer. Mijn opmerking dat ze mijn broek had natgemaakt door ongeconcentreerd en onzorgvuldig te werk te gaan, daar antwoordde ze niet eens meer op.

Een poosje later kwam er een logistiek assistente de kamer binnen. Met mijn avondmaal. Die floot ik ook terug toen ze zei dat mevrouw me zeker wel zou helpen? "Neen" antwoordde ik, "mevrouw gaat mij niet helpen. Mevrouw gaat zo meteen naar huis, waar werk op haar ligt te wachten, dat ze zelfs niet eens kan trachten op een ander af te schuiven!" Het wicht keek me even verbaast aan en zei dan dat ze terug bij mij zou komen eens alle maaltijden waren bedeeld. Die vroeg zich wellicht af hoe het kwam dat ik reageerde alsof iets mij misvallen was, terwijl ik nog niet eens iets had gegeten!

Mensen toch, wat een rotte mentaliteit heerste daar op de afdeling! En, hoewel sommige jongere vrouwen ook in hetzelfde bedje ziek waren, betrof het vaak zo van die rijpere vrouwen, die nog net niet in de overgang zijn, en tijdens de periode van hun maandelijkse regels, de last die ze daarvan hebben, milderen voor zichzelf, door de personen die ze worden verondersteld te verzorgen en gerust te stellen, te kwellen met eigen, verzonnen regeltjes.

Of zijn het van die kakmadammen die hun slip of string te hoog hebben opgetrokken, in een ijdele poging daarmee hun loddergat een iets minder neerwaarts hangend en wat strakker aanzien te geven. En de frustratie van het falen van deze truc en de pijn die ze hebben van die snijdende randen van dat ondergoed in hun lies, spleet en reet, uitwerken  op hun patiënten. Ongehoord is dat!

Het kunnen er trouwens ook zijn die voortdurend ongemakkelijk lopen omdat ze heimelijk lesbienne zijn. En door de aanwezigheid van hun talloze vrouwelijke collega's, onophoudelijk opgewonden zijn. Wat zich uit in het steeds vochtig zijn van hun poes, waardoor deze haast onophoudelijk in een toestand verkeert van net niet verzuipen.

Zo, daarmee zijn die gedachten en gevoelens ook eens uit mijn brein gehaald en publiekelijk gemaakt. Voor alle duidelijkheid: in zowel deze kliniek, als die waar ik eerst verbleef heb ik ontzettend veel plichtsbewuste, slimme, inventieve, lieve mensen ontmoet, voor wie geen enkele moeite te veel is. Het heeft niks met leeftijd te maken. Sommige oudere verpleegsters zijn duidelijk uitgeblust, maar meestal zijn dat wel net diegenen die al gans hun carrière liever lui zijn dan moe en totaal geen inlevingsvermogen hebben. Onder de jongere heb je er ook die geen fluit waard zijn.

En soms was het echt wel van dom, dommer, domst. Zo was er een verpleegster aan wie ik uitlegde hoe ik het liefst werd gewassen. En dat ik tijdens de wasbeurt graag een badhanddoek over me heen had. "Geen sprake van" luidde haar repliek, "want dan kan ik niet zien wat ik aan het doen ben!" Het huilen stond me nader dan het lachen terwijl ik dat kalf dan toch maar rustig en geduldig uitlegde dat het lichaamsdeel dat ze waste uiteraard wel mocht worden ontbloot. Ze keek me nog steeds 'het niet begrijpend' aan. Gelukkig kwam er toen net een collega van haar mijn kamer binnen en deed die het haar even voor.

Een andere keer stonden ze met vier aan mijn bed om me te verzorgen. Een mannelijke en een vrouwelijke verpleegkundige en twee verpleegstertjes in opleiding. Zoals ik bij aanvang van dat toilet had kunnen voorspellen, ging het helemaal mis. Ze stonden gedurig in elkaars weg, of de ene wreef zeep op een lichaamsdeel dat de andere reeds had afgespoeld en afgedroogd, en bij het op mijn zij draaien werkten ze elkaar ook ongewild tegen.

Men was nog bezig met mijn verzorging toen er een vijfde collega verscheen. "Ha, jullie zijn bezig met vier", zei ze "Zoals bij hem thuis!" De mannelijke verpleger keek diep verbaast en ongelovig, eerst naar zijn collega en toen naar mij. En vroeg vervolgens of ze mij inderdaad met vier kwamen verzorgen. Zijn collega antwoordde in mijn plaats: "Dat heeft mijnheer mij toch gezegd!"

Ik had die dame inderdaad tijdens een eerdere verzorgingssessie gezegd dat er bij mij thuis vier verpleegkundigen over de vloer kwamen. Waarop zij blijkbaar verkeerdelijk had verondersteld dat die steeds allemaal samen mijn verzorging deden. Dus legde ik nu aan die domme geit en de vier anderen uit dat er inderdaad vier verpleegkundigen kwamen om mij tweemaal daags te verzorgen, maar dat ze werkten in een roulatiesysteem, waarbij er telkens slechts één van hen aan mijn bed stond.

Wat mijn fysische toestand betreft, was die ongewenste slijmvorming jammer genoeg niet weg gebleven bij het wisselen van afdeling. De frequentie van me in een toestand van ademnood bevinden was gelukkig wel reeds afgenomen Maar af en toe zaten mijn luchtwegen terug vol met taaie, hardnekkige slijmen.

Zo ook de tweede nacht van mijn verblijf op pneumologie. Ik verwittigde de verpleging middels mijn bedbelletje. De kinesist van wacht werd er bij gehaald. Die kwam pas een hele tijd later. Naar eigen zeggen omdat hij eerst nog op intensieve zorgen had moeten assisteren bij de reanimatie van een kindje. Een actie met een succesvol resultaat, overigens. Ook mij kon de man helpen. Middels tapoteren, gebruik van de kuchassistent en aspireren, verloste deze paramedicus me van de mij kwellende slijmen.

Toen ik de volgende nacht weer last had van slijmvorming, wou de nachtzuster evenwel de kinesist niet oproepen. Twee dagen na elkaar, voor hetzelfde probleem, dat kon volgens haar niet. Tenzij het echt dringend was en dus niet anders kon. Volgens haar was mijn bijna in het slijm stikken dus niet echt urgent?! Ze vond de nachtrust van de kinesist belangrijker dan mijn ademnood. En begon zelf op een amateuristische wijze te knoeien met de cough assistent en een aspiratietoestel.

De nachtverpleegster zei dat de mensen van de wachtdienst niet te veel mochten gestoord worden, want ze hadden niet graag dat ze telkens weer uit hun slaap werden gehaald. Worden die dan niet betaald om wakker te blijven? Ja, toch? Maar ik weet wel hoe dat in elkaar zit hoor. Zij hebben vaak ook een privépraktijk. En als ze dan 's nachts een wachtdienst 'lopen' zonder 'oproepen', dan kunnen ze de ganse nacht door slapen en uitgerust en met een frisse kop de job in hun privépraktijk aanvatten. En is het extra inkomen uiteraard gemakkelijk verdiend!

Op zich kan je het die mensen niet kwalijk nemen gebruik te maken van de hen aangereikte mogelijkheden. Maar dat men' hen ontziet ten nadele van de patiënten, dat vind ik helemaal niet logisch en normaal. Maar dat systeem is blijkbaar de ziekenhuiscultuur binnen geslopen en wordt als logisch aanvaard. Misschien zelfs vaak zonder dat zij die er profijt van hebben, er ook van op de hoogte zijn.

Enkele dagen na mijn aankomst op de verzorgafdeling, trachtte ik geleidelijk aan weer te eten. Het voedsel werd me gegeven door een verpleegster, een verzorgende, een logistiek assistente of een stagiaire in opleiding voor één van voornoemde beroepen. Doordat zij het eten in mijn mond stopten, kon ik mij zelf volledig concentreren op het kauwen en doorslikken van het voedsel.

Drinken zonder verslikken, dat lukte niet. Tot een vriendin van me, die verpleegster is, met de suggestie kwam om mijn drankjes middels een poeder te verdikken, en dus papperig te maken. Dus vroeg ik daar naar bij de verpleging, die een doosje van dat spul voor mij bestelde bij de centrale apotheek. Waardoor ik er reeds enkele uren later de beschikking over had.

Met dat poeder verdikt water drinken zonder me te verslikken, lukte. Maar dat papje was slecht van smaak! Koffie met dat poeder was verschrikkelijk! Enkel fruitsap was drinkbaar en behield ook enige smaak.

Toen mijn toestand nog wat meer was verbeterd mocht ik ook al eens mijn kamer verlaten. En aangezien het weekend was en mijn kroost bij me op bezoek was, kon ik met hen op 'stap'. Een kleine zuurstoffles werd in een daarvoor gemaakte rugzak gestopt, die één van mijn zoons op de rug nam. Zo bleef ik voorzien van wat extra luchttoevoer, middels een neusmasker, verbonden aan die fles. De zakken suikerwater en medicatie, die aan mijn infuus waren verbonden, werden op een mobiele, verrolbare houder bevestigd, die mijn ander zoontje voor zich uitduwde.

Aldus vertrokken we op wandel. Mijn zoon vond het rondstappen met die zuurstoffles in een tas op zijn rug best cool! Het zag eruit als de luchtvoorziening bij een duiker. Zelf vond ik de door de luchtslang teweeg gebrachte fysieke verbondenheid met en de afhankelijkheid van mijn zoontje, best aangenaam. Zou dat continue afhankelijk zijn van zuurstof trouwens mijn nieuwe toekomst zijn?

Wat mij helemaal ontstemde was het feit dat men luidop plannen maakte om me enige tijd te laten revalideren in het centrum waar ik, als jonge dertiger, na die desastreuze nekoperatie, in de jaren 2000/2001 anderhalf jaar van mijn leven doorbracht. De arts die verantwoordelijk was voor de verdieping waar ik nu verbleef was gelukkig een goeie man. Eén die luisterde naar wat ik te vertellen had en er ook naar handelde. En mij geenszins wou dwingen tot iets waar ik niet voor te vinden was.

Aangezien er blijkbaar geen enkele specialist in 'huis' was die ook maar enig idee had van wat de oorzaak was van mijn problematiek, had ik, na veel nadenken, wat geen probleem was aangezien ik alle tijd voor handen had, en grondig lezen in mijn medische encyclopedie, zelf een eigen diagnose gesteld. En hieromtrent vervolgens een theorie ontwikkeld, waarmee ik voor de dag kwam toen de arts met zijn gevolg op ronde was en daarbij mijn kamer aandeed.

Om zeker niks te vergeten zeggen of vragen, had ik alles wat ik in gedachten had, op enkele papiertjes laten noteren door mijn bezoekers en al eens een verpleegster, of een studente verpleegkunde. Zelf met een pen schrijven kan ik door die verlamming immers niet meer, en ik had geen printer bij de hand om mijn laptop te gebruiken en de daarop neergetypte ideeën dan uit te printen. Bovendien was het praktisch gezien niet steeds mogelijk om van mijn schootcomputer gebruik te maken.

De dokter kon zich vinden en was bereid me te volgen in mijn visie dat zelfs een niet medisch opgeleide patiënt, in casu ik, toch de beschikking heeft over de meeste kennis van diens eigen lichaam, het eigen medisch levensverloop en ziektebeeld, en mogelijks de juiste conclusies kan trekken uit wat hij voelt en weet, of althans de behandelende arts naar de juiste denkpiste kan leiden.

Zo kon ik dus mijn met redenen omklede opinie uit de doeken doen. Het had er naar mijn mening alle schijn van dat het niveau van mijn nekletsel zich steeds meer hogerop verplaatste. Wat ik afleidde uit de volgorde van de lichaamsfuncties die (deels) uitvielen. Er was de zindering in mijn linker arm, een verminderde werking van mijn slokdarm, middenriffunctie & longen die faalden... Waaruit ik concludeerde dat de oorzaak van mijn problematiek mogelijks zou kunnen te vinden zijn in een opeenhoping van spinaal vocht langsheen mijn ruggenmerg.

Om mijn theorie en vermoedens naar juistheid te toetsten, achtte ik het nuttig enkel gespecialiseerde onderzoeken te ondergaan. Een sliktest en röntgenfoto's, CT-scan & NMR-scan van mijn nek. De arts stemde er mee in en gaf orders aan zijn assistenten om de afspraken te regelen. Inmiddels was Kerst in aantocht. Wat de dokter betrof mocht ik deze dagen thuis doorbrengen, en daarna terug komen. Maar ik prefereerde te blijven tot alle bijkomende onderzoeken waren verricht. En ik het resultaat van de slikfunctietest door de neus-keel-oorarts zou gekregen hebben, en een onderhoud had met de neurochirurgen, om op basis van feiten, RX-foto's & CT-scan voorlopige conclusies te trekken. Want, gezien de lange wachtlijst voor dit onderzoek, zou het nog wel enkele weken duren vooraleer een NMR-scan zou kunnen genomen worden.

Ik verzocht de arts evenwel reeds het centraal katheder te laten verwijderen aangezien daar geen nood meer aan was, gezien het feit dat ik reeds sinds enkele dagen at en dronk en geen intraveneuze medicatie meer kreeg toegediend.

Tevens meldde ik de man nog steeds in afwachting te zijn van de beloofde ademhalingstherapie en hoestoefeningen. En het aanleren en geven van instructies aan de mensen uit mijn omgeving om mij te helpen met hoesten. Door het drukken op mijn borstkast bijvoorbeeld?

En dat ik een antwoord wou op de vraag wat ik, eens thuis, moest aanvangen indien ik me verslikte of als gevolg van een andere factor, in ademnood geraakte. In mijn eigen woning had ik immers geen kuchassistentietoestel, noch een aspirator. Uiteraard bleef de man me het antwoord op deze vraag schuldig. Er zou worden nagekeken waar in de buurt van mijn woning een therapeut was gevestigd die een kuchtoestel bezat en deze techniek toepaste. Hoe ik, niet over een eigen voertuig beschikkend, op God weet welk onmogelijk tijdstip dat ik er dringend nood aan had, dan tot aan die praktijk zou geraken, mocht Joost weten. Want de dokter wist het niet.

Op mijn vraag om zuurstof voor te schrijven voor bijbeademing 's nachts ging de arts niet in. Dat ik tijdig diende verwittigd te worden bij een nakend ontslag zodat ik bijtijds vervoer kon regelen, daar zou hij de hoofdverpleegster over laten waken.

Dat tot na de Kerstperiode in het ziekenhuis blijven was een foute beslissing, zo bleek achteraf. Want eens die hoofdarts, die blijkbaar tijdens de Kerstdagen vrijaf had, van het toneel was verdwenen, hadden die pestverpleegster en haar gevolg vrij spel. Nu waren ze nog pissiger omdat ik een dokter had die naar me luisterde. Wat zij klaarblijkelijk niet konden verdragen. Is het niet vanzelfsprekend dat patiënt en arts hun kennis bundelen en samen naar een oplossing zoeken? Voor sommige mensen, zelfs medisch geschoold, dus blijkbaar niet.

Begrijpen die ook niet welke trauma's hun pestgedrag bij de patiënten kan aanrichten? Mogelijks zijn de meeste van hen er zich niet terdege van bewust welke, vaak blijvende psychische schade ze toebrengen door hun houding en gedrag. Wat dit evenwel geenszins rechtvaardigt, Wordt daar in hun opleiding geen aandacht aan besteed? Of hebben die niet opgelet tijdens de colleges waarin het gedrag van de zorgverlener ten overstaan van de zorgvragende werd behandeld? Allicht durven veel mensen, omwille van hun afhankelijkheid, niks te zeggen over onbetamelijk gedrag vanwege het verzorgend personeel of anderen. En doen ze dat ook niet achteraf, eens ze de kliniek hebben verlaten. Net zoals ikzelf redeneren die mensen allicht dat het dan toch geen zin meer heeft en ze hun energie beter aanwenden voor hun verder genezingsproces. En dat ze beter die nare ervaringen vergeten dan er nog verder mee bezig te blijven, zonder dat het hen een meerwaarde oplevert.

Kerstavond bracht ik dus alweer door zonder mijn gezin. Op Kerstdag kwamen ze even op bezoek. Maar het vooruitzicht binnenkort meer te weten over de oorzaak van mijn problemen, en vervolgens hopelijk een doeltreffende remedie te vinden om er een einde aan te maken en een herhaling in de toekomst te voorkomen, verzachtte het leed van het niet gezellig thuis, in gezinsverband kunnen doorbrengen van deze feestdag.

Met mijn longarts had ik afgesproken te wachten met naar huis gaan tot de zaterdag voor oudejaarsavond, een dag die toen op een zondag viel. Hij zou dan op vrijdag een persoon bij me op de kamer laten komen met een nieuw soort van bijbeademingstoestel, dat ik dan thuis 's nachts zou moeten ophebben. Happig was ik niet op het gebruik van zulk een apparaat, want ik had er, op deze dokter zijn advies en voorschrift, jarenlang één ter beschikking gehad. Ter bestrijding van mijn slaapapneu. Dat is een kwaal die, bij hen die er aan lijden, waaronder ik dus, nachtelijke desaturatie veroorzaakt. Wat wil zeggen dat die mens gedurende het nachtelijk slapen verschillende keren stopt met ademen. Telkenmale gedurende tientallen seconden tot zelfs enkele minuten!

Die zogenoemde CPAP (Continuous Positive Airway Pressure - voortdurend positieve druk in de luchtwegen) was een luidruchtig ding, met een veel te krachtige, agressieve druk, die mij bij het gebruik ervan de slaap onmogelijk maakte en een veel te hevige luchtstroom door mijn neuskanaal stuwde, en daarbij ook nog eens mijn slijmvliezen uitdroogde. Waardoor ik al helemaal niet meer kon ademen. En fysiologisch water nodig had om daar iets aan te verhelpen.

Maar het nieuwe apparaat was beter, zo verzekerde de longarts me. Stiller werkend, met een regelbare luchtstroom en voorzien van een luchtbevochtiger.

De laatste twee onderzoeken vonden op dezelfde dag plaats. De woensdag na Kerstdag. Eén voor de middag, en één kort na de middag. Een verpleegster maakte mij klaar voor de verplaatsing per bed, door een deken op mijn lichaam te leggen om me warm te houden, en een kleine zuurstoffles aan het voeteinde van mijn bed te hangen, zodat mijn bijbeademing gegarandeerd bleef. Voor ik vertrok vertrouwde ze me nog toe dat ik er niet op moest rekenen om bij mijn terugkomst nog eens opgezet te zullen worden. Haar boosaardige collega, waar elkeen omwille van haar pestgedrag, schrik voor had, had al luidop en met een reeds bij voorbaat van pret doordrongen stemgeluid, verkondigd dat ze niet zou dulden dat één van hen de namiddagroutine zou verstoren door me in mijn rolstoel te plaatsen.

Zoals dikwijls gebeurt bij onderzoeken, diende ik nogal veel te wachten. En werden de afgesproken tijdstippen niet gehaald. Omdat er al eens een dokter werd weggeroepen, een onderzoek langer duurde dan gepland, er een technisch probleem optrad, er iemand voorrang kreeg omwille van hoogdringendheid...? Weet ik veel. Toen ik, na de onderzoeken, in de namiddag, met behulp van iemand van het patiëntenvervoer, gelegen in mijn bed, terug op de afdeling en in mijn kamer arriveerde, had de bezoektijd reeds een aanvang genomen. Mijn vrouw zat ook al op me te wachten.

Onmiddellijk drukte ik op mijn bedbelletje. En toen na enige tijd een verpleegkundige verscheen, vroeg ik haar vriendelijk om in mijn rolstoel te worden gezet, want daar had ik nu toch wel even nood aan. Als reactie kreeg ik te horen:  "Sorry, maar daar is het nu te laat voor!" En ze sprak die woorden uit vol leedvermaak. Mijn argumentatie dat mijn lichaam daar nood aan had als voorbereiding op mijn naar huis gaan, waar ik op zijn minst 14 uur na elkaar uit bed zou zijn, en ook op mentaal vlak naar enkele uurtjes opzitten verlangde, daar luisterde ze niet eens naar. Zij, noch haar collega's hadden tijd om mij uit bed te halen en in mijn rolstoel te zetten, en daarmee basta! Waarop ze snel verdween om haar collega's te gaan vervoegen in het verpleeglokaal dat zich schuin tegenover mijn ziekenhuiskamer bevond. En waarvan het geluid van de leute die ze blijkbaar hadden, doordrong tot in mijn kamer. Ziedend van woede was ik. Toen ik kort daarna de longspecialist door de gangen zag stappen, vroeg ik aan mijn echtgenote om hem achterra te gaan en de man te verzoeken even tot bij mij komen.

Kort daarop was mijn vrouw terug in mijn kamer. Met de arts. Aan wie ik, nog opgewonden, het ganse verhaal deed, inclusief mijn argumentatie. De man vergoelijkte evenwel al lachend de verpleegster. Hij dacht allicht: "die patiënt is binnen twee dagen weg, maar met die verpleegster heb ik nog langer te maken." De arts wou de verpleegster niet sommeren mij toch voor enkele uurtjes in mijn rolstoel te zetten. Die reactie en houding maakten mij zo mogelijk nog bozer. En ontnamen me terstond alle vertrouwen dat ik tot dan toe in die specialist had. Dus zei ik hem dat, als het zo zat, ik niet langer in dat ziekenhuis wou blijven. En er vandoor zou gaan van zodra ik vervoer kon vinden.

De longarts zei me enkel schamper dat ik dan wel dat beademingsapparaat niet kon testen en mee naar huis nemen. Maar dat argument was niet krachtig genoeg om me op mijn besluit te doen terugkomen. De arts kon, wat mij op dat moment betrof, de pot op met dat toestel! En met die feeks van een verpleegster erbij!

Ik belde de vervoersdienst en kreeg geregeld dat ik de volgende dag kon worden opgehaald en naar huis gebracht. Mijn echtgenote verliet het hospitaal en toen 's avonds mijn ouders bij me op bezoek kwamen, gaf ik hen reeds het grootste deel van mijn spullen mee. Zodat het ziekenhuispersoneel de volgende ochtend enkel nog mijn toiletgerief en nachtkledij bij elkaar zouden moeten rapen en in een tas stoppen om met me mee te geven naar huis.

Zo verliet ik op donderdag 28 december 2006 het grote ziekenhuis, en liet me thuis brengen met het door mij bestelde, van een chauffeur voorziene rolstoelbusje.

Het door hoofdverpleegster Fatima in elkaar gestoken eindejaarsconcert, waarop ik was uitgenodigd en dat gepland was voor de volgende dag, op vrijdag, van 15u tot 16u, zou dus doorgaan zonder mijn aanwezigheid. Alsof dat ook maar iemand iets kon schelen.

Toen ik 's avonds thuis wat bekomen was, vroeg ik hulp om mijn tassen te ledigen en stelde ik vast dat men potverdorie was 'vergeten' om me mijn medicatie mee te geven! Dus diende mijn echtgenote die avond nog naar de kliniek te rijden om mijn slaappillen en andere medicatie op te halen. Bleek dat ze die gewoon bij hun voorraad hadden gevoegd! Terwijl dat medicamenten waren die ik van thuis uit naar het ziekenhuis had meegebracht!

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 8 september 2009)

31-07-09

De avonturen van Rudi & co - In ademnood, # 1


Het werd een Kerst in mineur voor schrijver dezes. Begin september 2006 raakten mijn longen geïnfecteerd door een virus. Dat zorgde voor kortademigheid. Gezien mijn longcapaciteit, als gevolg van mijn verlamming, bij een normale lichaamsconditie slechts net voldoende is om zelfstandig te kunnen ademen, had ik dus te maken met een ernstig probleem. Eén huisarts, twee specialisten, drie antibioticakuren en een griepvaccinatie verder, kwam daar nog bij dat enorme speekselfluimen in mijn luchtpijp mij bij wijlen in acute ademnood brachten. Zodat ik dreigde te stikken! Omdat ik niet de kracht had om dit slijm op te hoesten. Bovendien had ik bij het eten en drinken ook alsmaar meer moeite om het voedsel en de drank door te slikken.

En mijn lichaam reageerde uiterst heftig telkenmale deze problemen zich voordeden. Als ik door mijn verpleging of kinesist in bed werd gelegd, zette alles zich dicht,. De spieren van mijn buik en middenrif knepen als het ware mijn longen en luchtpijp samen, met als gevolg dat ik dan steeds snakte naar adem en hevig pufte van benauwdheid. Derhalve durfde ik niet meer geheel neer te liggen en trachtte ik in een half zittende positie te slapen.

Begin december ging ik op een zaterdagavond met mijn kroost naar de film. De Nederlandstalige film 'Windkracht 10' werd immers vertoond in het Cultureel Centrum van mijn woonplaats, en ik had voor kaarten gezorgd. Die dag had ik nauwelijks iets gegeten, want ik verslikte me voortdurend, wat angstaanjagend was en me dus enorm veel schrik bezorgde. Doodziek reed ik met mijn twee jongens naar die locatie. Omdat ik dacht dat de film me verstrooiing zou brengen. Tijdens de filmvoorstelling zat ik evenwel voortdurend naar adem te snakken.  En me af te vragen of ik na de voorstelling niet best meteen naar het daar dichtbijgelegen ziekenhuis zou rijden. Maar wat dan met de jongens, zo vroeg ik me af. Vandaar dat ik, na het einde van de film, samen met de fietsende zonen huiswaarts keerde.

Aangezien ik het niet aandurfde om me door mijn thuisverpleegkundige in bed te laten leggen, bracht ik de nacht door, al zittend in mijn rolstoel. Met mijn pyjamavestje aan en een deken over mijn ganse lichaam gelegd. Het was een vreselijke, slapeloze nacht, die ik al reutelend en snakkend naar adem doorspartelde. Op zondagochtend, de derde dag van de maand december 2006, liet ik me, uitgeput en ten einde raad, net voor de middag, met het busje van het rolstoelervervoer, georganiseerd door het locale O.C.M.W., naar het plaatselijke algemeen ziekenhuis brengen. Mijn éne tienjarige zoon reed mee met mij, zijn tweelingbroer en hun mama volgden met de auto. Voor mijn vertrek had ik mijn gezinsleden nog alle medicatie, toiletspullen, pyjama en zo meer in een plastic zak laten proppen.

Ik had hoge koorts en was helemaal op. Angstig, omdat nu en dan mijn luchtpijp nagenoeg volledig dichtslibde, waardoor ik geen enkele klank meer kon uitbrengen en nog nauwelijks kon ademen. Waarbij ik me bewust was van het gevaar dat er ten gevolge hiervan onvoldoende zuurstof naar mijn hersenen zou worden gestuwd, met mogelijks het afsterven van hersencellen tot gevolg. Met extra lichaamsfunctieverlies! Voorwaar geen prettige gedachte.

Daarbovenop was ik ontzettend moe door een gebrek aan slaap, het urenlang luisteren naar mijn eigen eentonige gereutel, mijn terechte vrees voor hersenbeschadiging en het onophoudelijk geconcentreerd ademen om toch nog wat hoogst noodzakelijke zuurstof in mijn corpus binnen te krijgen.

Ik ging binnen via de spoed, alwaar ik goed werd opgevangen door de verpleegkundige van dienst en het geluk had op een dokter van wacht te stoten met een grote luisterbereidheid. Geheel naar mijn wens werd ik niet op een bed gelegd en werd er, door een inderhaast opgeroepen chirurg, een centraal veneuze katheder aangebracht. Een kunststof slangetje, dat in tegenstelling tot een gewoon infuus, niet in een dunne ader in arm of been, maar in een groter bloedvat onder het sleutelbeen wordt aangebracht. Eén van de voordelen hiervan is een grotere bewegingsvrijheid.

Ik kreeg een kamer toegewezen op een verzorgafdeling. Mijn toekomstige kamergenoot keek raar op toen het naast hem staande lege bed naar buiten werd gerold en ik in mijn rolstoel in de plaats kwam.  Ik was nog maar pas geïnstalleerd of men kwam me reeds halen voor het maken van een medische beeldplaat. Er werd een Röntgenfoto genomen van mijn longen. De arts hielp zelf om dit voor elkaar te krijgen omdat deze handeling, met mij in mijn rolstoel, helemaal niet eenvoudig was.

Uiteindelijk achtte men het toch meer aangewezen om me onder te brengen in een box op de dienst intensieve zorgen. Ik kreeg een zuurstofmasker op neus en mond gedrukt, waarna ik het iets minder benauwd had en men verbond mijn lichaam aan allerlei apparaten. Zodoende kon men op allerhande schermpjes continu mijn bloeddruk, hartslag, zuurstofsaturatie en zo meer af kon lezen. Mijn antibiotica, waarvan ik, bang om er in te stikken, de laatste pillen niet meer had ingenomen, werd nu intraveneus ingebracht. Mijn gezinsleden gingen huiswaarts en ik was ervan overtuigd dat ik een dag of drie later hetzelfde zou kunnen doen.

Inmiddels was mijn toestand er uiteraard niet vanzelf op vooruit gegaan. Ik zat afwisselend te hoesten, te puffen en reutelend naar adem te snakken. Met een buisje, verbonden aan een vacuümsysteem, trachtte men via één van mijn neusgaten, of de mond en keelholte, tot bij de fluimen te komen die mijn luchtpijp afsloten, en deze zo af te zuigen. Dit, wat men in vaktermen 'aspireren' noemt, lukte evenwel niet goed. Bij de ene verpleegster ging het nog minder goed dan bij de andere. Slechts nu en dan leidde deze therapie tot enig resultaat. Meestal beschadigde men evenwel met de sonde mijn neus- en keelholte en kwam het uiteinde ervan in mijn slokdarm terecht, in plaats van in mijn luchtpijp. Of werd het pijpje binnengebracht via mijn neus en kwam het er via mijn mond opnieuw uit. Eén iemand slaagde er zelfs in om het buisje langs het éne neusgat binnen te brengen, waarna het er via het andere neusgat uitkwam en vervolgens kwam vast te zitten. 'Oesje' zei ze, 'het zit vast!' Ik talmde niet, nam het buisje uit haar hand en gaf er met alle kracht die ik nog in mijn lichaam had, een flinke ruk aan, zodat het los kwam.

De pneumoloog werd er bijgehaald. Die deed een bronchoscopie en verwijderde middelerwijl zo veel mogelijk fluimen. Meer gedetailleerd ging dit onderzoek als volgt in zijn werk. Mijn tong en keel werden verdoofd middels besproeiing met een bittere vloeistof. En ook in mijn luchtwegen werd wat verdovingsvloeistof gedruppeld. Vervolgens werd er een mondstukje tussen mijn tanden gepropt. En via het gat daarin werd een soepele buis met een diameter van zowat een halve centimeter, met daarin een videocamera en een afzuigbuisje, in mijn mond, via mijn keel, tot in mijn luchtpijp gebracht.

De arts, geassisteerd door een verpleegster, kreeg op een monitor te zien dat bijna al mijn grote luchtwegen waren dicht geslibd. En ik keek geïnteresseerd mee. En zag hoe de specialist de veroorzakers van mijn ademnood wegzoog. Een eerste deel slijmen werd opgevangen in een buisje, zodat ze aan het medisch labo konden worden overgemaakt, voor nader onderzoek. De rest werd opgevangen in een keteltje en zal allicht later bij het medisch afval zijn gedumpt.

Na deze interventie van de arts ging het ademen al beter. En durfde ik me in een bed te laten leggen. Gelukkig mocht ik kinesitherapie krijgen van de persoon die me ook thuis al sinds geruime tijd behandelde. Dat zorgde ervoor dat ik nagenoeg dagelijks toch alvast één bekende persoon aan mijn bed had. En hij deed ook mijn transfer van bed naar rolstoel. Want de nochtans eenvoudige techniek om die handeling uit te voeren middels de draaischijf, die ik van thuis had laten meebrengen, wou het verplegend personeel niet uitvoeren. Wegens 'geen ervaring', wat dan, door de wijze waarop men dit zei, eerder mocht worden geïnterpreteerd als 'geen goesting'

Dus moest ik 's avonds terug in bed met de tillift, ook wel, al dan niet smalend, de 'stalen verpleegster' genoemd. Een omslachtig systeem, waarvoor tevens nogal wat manoeuvreerruimte nodig is. En die was er in die intensieve zorgenkamer niet echt. Er wordt bij deze werkwijze een sterke doek onder je poep en rug geplaatst, de hoeken van die doek worden aan de armen van die lift bevestigd en zo wordt je lichaam dan met een pneumatisch systeem opgetild en kan je worden verplaatst, aan dat ding bengelend als een zak patatten. Een uiterst onprettig en onterend gevoel om het lijdend voorwerp te zijn bij een dergelijk manoeuvre.

En dat die procedure nogal wat tijd en ruimte in beslag nam, dat hadden mijn verzorgsters ook begrepen. Vandaar dat ze voorstelden om mij overdag een papieren luier aan te doen. In mijn eigen voordeel, zo werd me aangepraat. Dan kon ik pissen en kakken als het mij uitkwam. Zonder te moeten wachten op iemand van het verplegend personeel. Als goed verstaander begreep ik dat dit dus was om hen niet te moeten storen! Maar zij niet hoor! Ze konden mij dan wel zo ver krijgen om met een pis- & kakdoek in mijn elektrische rolstoel te zitten, maar als ik moest plassen, mochten ze opdraven met mijn plaskan! En aangezien ik geen vast voedsel at, zou het nog wel even duren vooraleer mijn lichaam ontlasting produceerde.

Waar haalt men het zich toch in het hoofd om een medemens zulk een vernederingen te laten ondergaan omwille van het eigen gemak en incompetentie?

Eten durfde ik niet en dat werd me ook door de specialist ontraden. Maar ik was kloek genoeg en via mijn infuus werden me de nodige voedingsstoffen toegediend.

Doorgaans op mijn eentje in een cel met slechts een klein buitenraampje, waardoor enkel een stukje hemel en een deel van de stam en kruin van een boom was te zien, mocht ik ervaren hoe ontzettend saai en eenzaam het is om in volle bewustzijn op zo een afdeling 'intensieve zorgen' te vertoeven. Je ligt daar in je eentje in een kooi, waarvan ze in mijn geval de glazen deur blindeerden, omdat ik anders mogelijks een glimp kon opvangen van wat zich in een andere cel of op de gang afspeelde. Aangezien ik, sinds die malafide arts mijn lichaam zo onwillig en lam maakte, aan een lichte vorm van claustrofobie lijd, was dit voorwaar niet bevorderlijk om me op mijn gemak te voelen.

Inmiddels zag het er ook niet naar uit dat ik daar spoedig weg zou zijn. En op de momenten dat ik me goed voelde verveelde ik mij enorm! Lezen lukte niet al te best. Ik kon me nogal moeilijk op de tekst concentreren. En zelfs met mijn leesbrilletje op zag ik de tekens slechts wazig. Allicht ten gevolge van de medicatie. Dus vulde ik mijn tijd vooral met het luisteren naar muziek die uit mijn MP3-speler weerklonk, het aflezen van de tijd op mijn GSM en met het wachten tot wanneer er eens iemand mijn cel betrad. Van het verplegend personeel bijvoorbeeld. Of familie, wat drie keer per dag was toegestaan. Om 11u00, om 15u00 en om 19u00. Telkens per twee, en steeds slechts voor een kwartiertje. En bezoek van kinderen onder de 12 jaar werd niet toegelaten. Dus kreeg ik mijn kroost niet te zien.

Aangezien er thuis nogal wat dringend te behandelen onafgewerkte administratie op me lag te wachten en ik ook graag instructies wou geven aan mijn huisgenoten nopens het accuraat opvolgen van mijn inkomend internetverkeer, vroeg ik aan de hoofdverpleegkundige van de afdeling toestemming om mijn vrouw eens voor een langere tijd dan dat kwartiertje te mogen ontvangen. Zodat ze alle papieren en mijn laptop mee kon brengen en ik één en ander kon afwerken en voor de rest aanwijzigen kon geven aan mijn echtgenote, zodat onbetaalde rekeningen of onbeantwoorde brieven ons geen extra problemen zouden bezorgen. Want aan die van mijn wankele gezondheid hadden we op dat moment al meer dan genoeg!

Mijn goed gefundeerde vraag werd vrijwel onmiddellijk positief beantwoord. Aangezien ik blijkbaar voorlopig over de ergste fysieke nood heen was, mocht het al onmiddellijk de volgende dag. Middels mijn mobieltje liet ik dat weten aan mijn vrouw. Dus deden we de dag erna wat gedaan moest worden. Toch alweer een zorg minder voor ons allebei!

Weer een dag later was men nogal laat gestart met me te wassen. Bovendien werkte het jonge trutje van dienst ontzettend traag. Vooral ook omdat ze mijn aanwijzingen niet wou volgen. Als je reeds 6 jaar wordt gewassen door een ander, dan weet je onderhand wel welke handelswijze de beste is. Om je tussen je lamme, spastische benen te kunnen wassen bijvoorbeeld, of om je op je zijde te draaien. Maar als ik een techniek voorstelde, dan werd die suggestie steeds weggewuifd als zijnde niet toepasbaar. Als ik hierop dan repliceerde dat mijn thuisverpleegkundigen dat systeem nochtans sinds jaren succesvol toepasten, dan werd ik de mond gesnoerd met de ridicule dooddoener: "Hier is niet thuis, dit is een hospitaal!"           In mezelf dacht ik dan, dat die locatie toch ook wel 'ziekenHUIS' werd genoemd. Maar ik zweeg stil. Wat baten immers kaars en bril als de uil niet zienen wil?

Ze was nog maar net klaar met me te helpen bij het poetsen van mijn tanden, toen mijn vrouw arriveerde voor het toegestane kwartiertje ochtendbezoek. De verpleegster liet terstond alles liggen en wou er vandoor gaan. Toen ik dat wicht zei dat ze was vergeten de spullen op te ruimen, antwoordde ze gemeen dat mijn vrouw er nu was. En die kon dat toch doen?! Verbijsterd keek ik haar aan. En zei boos en vastberaden dat zulks mijn eega haar werk niet was. Ze mocht potverdikke maar 15 minuten bij me blijven en zou dan in die belachelijke tijdspanne ook nog eens een ander haar werk moeten voltooien?! Nijdig naar ons  kijkend deed ze het dan toch maar zelf. Als ze een langere koffiepauze wou, zo dacht ik bij mezelf, dan moest ze maar leren wat sneller, efficiëntr en productiever te werken.

Vooraleer de kamer te verlaten kon die jonge verpleegkundige het niet laten me te verwijten dat ik verwaand was. Niet begrijpend wat ze bedoelde vroeg ik om uitleg. Bits zei ze daarop dat ik onterecht faciliteiten verkreeg die de andere mensen  op de afdeling niet kregen toegestaan. Zoals bijvoorbeeld het dagelijks in mijn rolstoel worden gezet en het lange bezoek door mijn vrouw, een dag eerder.

Ho maar! Die andere mensen lagen daar doorgaans wel voor slechts één à twee dagen. En meestal na geopereerd te zijn. Opzitten en werken, daar was allicht geen van hen toe in staat. Maar, in navolging van sommige van haar collega's, ontbrak haar klaarblijkelijk het beetje verstand om dat te begrijpen. Dus mijn toch nog steeds uiterst geringe adem verspillen aan dat dom wicht zou zinloos zijn geweest, dus deed ik het bijgevolg niet.

Later die dag meldde ik het voorval, bij afwezigheid van de hoofdverpleegkundige, wel aan haar secondant. Maar die vergoelijkte het gedrag van het meisje. Dat volgens hem 'slechts' te wijten was aan haar jeugdige leeftijd en onervarenheid, gekoppeld aan een te hoge werkdruk. Van dat laatste had ik in al die dagen verblijf op de afdeling nochtans niks gemerkt. Maar ik hield wijselijk mijn mond.

Net geen week na mijn opname leek het dan toch beter met me te gaan en mocht ik verhuizen naar een 'gewone' kamer. Alwaar ik een ganse namiddag bezoek mocht ontvangen. Ook van mijn jongens. En ik liet ze naar de televisie kijken, opdat ze zo lang mogelijk zouden blijven, zonder zich te vervelen. Hen in de buurt hebben deed me goed. Gelukkig was de Sint niet in de war geweest door mijn afwezigheid in huis, en had de goede man op 6 december toch hun gereedstaande schoentjes gevuld.

Méér dan één dag hield ik het niet vol op de verzorgafdeling. 's Avonds was het al weer zover. Ademnood door slijmvorming. De vrouwelijke verpleegkundige van dienst probeerde ze vruchteloos weg te zuigen middels een mobiele aspirator. Maar de taaie slijmen wilden niet lossen. Een collega werd er bij gehaald. En er kwam er nog één. Ze overlegden wat er moest gebeuren. Zouden ze de behandelende arts bellen? Ze waren het er unaniem over eens dat er geen andere optie mogelijk was. En dat er haast bij was. Zelf kon ik me niet moeien in het gesprek want mijn keel zat dicht. Angstig keek ik naar de bezorgde gezichten van de verpleegsters om me heen. Degene die er het laatst was bijgekomen hield mijn hand vast, kneep er zachtjes in en moedigde me aan om vol te houden. Naderhand vernam ik dat deze dame toen vreesde dat mijn levenseinde in zicht was omdat mijn lippen en vingers al blauw aan het verkleuren waren.

De specialist werd uit zijn bed gebeld en stond dra naast mijn, inmiddels reeds naar de behandelkamer gerolde bed. Om met dringende spoed een levensreddende bronchoscopie uit te voeren. Waarna ik terug werd overgebracht naar de divisie 'intensieve verzorging'. De eerste tijd na deze actie, voelde ik mij een stuk beter. Het ademen verliep niet meer zo moeizaam. Echter niet voor lang. Slijmvorming in mijn longen deed keer na keer mijn rechterlong compleet dichtklappen en mijn linkerlong dichtslibben. Aspireren bracht dus geen soelaas, waardoor men telkens weer de longarts diende op te trommelen om te vermijden dat mijn lichaam de geest zou geven.

Steeds weer was ik opgelucht die man te zien verschijnen. En telkenmale dankte ik hem naderhand uiterst oprecht. Maar na enkele spoedinterventies waarbij hij vrouw, kinderen en slaap moest laten om mij te komen  'redden', was deze specialist het beu en drong hij er op aan mij verder te laten behandelen in het Universitair Ziekenhuis, gelegen in onze provinciehoofdstad. Gezien het feit dat ik net in die kliniek het slachtoffer was geworden van een medische blunder die mij zwaar verlamd maakte, stond ik niet te popelen om hieraan toe te geven. Bovendien had ik mij doelbewust in de locale kliniek laten opnemen, omdat ik dan dicht bij huis was. En als ze mij wilden zien, mijn gezinsleden slechts een kleine verplaatsing dienden te maken.

Maar de arts vond dat ik beter af zou zijn in een grote, aan een universiteit verbonden kliniek, waar meer expertise voorhanden was, waarmee een permanente oplossing voor mijn problematiek kon worden gevonden. Zelf fantaseerde hij luidop over het uitvoeren van een tracheotomie. Dat is een operatie waarbij men via de hals een snede maakt in de luchtpijp en daar dan een plastic buisje in plaatst, canule genaamd. Na die medische ingreep zou het wegzuigen van fluimen uit mijn longen langs die opening kunnen gebeuren, dus veel eenvoudiger. En ook mijn kunstmatige beademing kon dan via die weg gebeuren. Allemaal troeven! Het gevaar op infecties en vooral het na de ingreep niet meer kunnen gebruiken van mijn stembanden achtte de arts nadelen van mindere orde. Volgens hem was er voor dat laatste probleem trouwens ook wel een oplossing te vinden. Een spraakmodule die zou toelaten een synthetisch stemgeluid te produceren dat de menselijke stem benadert.

Voor het eten had de specialist ook een oplossing bedacht. Het verslikprobleem kon voorkomen worden door 'gewoonweg' geen voedsel meer via de mond tot mij te nemen. En me in de plaats daarvan te laten voorzien van een permanente maagsonde. Een slangetje, dat operatief, onder algehele narcose, via de buikwand rechtstreeks in de maag wordt gebracht. Via die, in medische termen PEG genoemd, kon ik dan probleemloos (?) worden gevoed.

Bij de complicaties die dergelijk 'systeem' met zich mee kan brengen, gaande van infecties en ontstekingen, over vergroeiingen, tot buikloop, had de man blijkbaar nog niet stilgestaan. En dat ook het eet- en smaakgenot me door deze ingreep zou ontnomen worden, was voor de arts blijkbaar van ondergeschikte orde.

De mij behandelende dokter was daarenboven van mening dat, in afwachting van een definitieve remedie, er nood aan was dat ik verder zou worden behandeld in een kliniek waar de afdeling pneumologie door meer dan één arts werd bevolkt. Zodat er steeds iemand paraat zou staan om me tijdig uit stervensnood te helpen. In deze kliniek stond hij er alleen voor en derhalve achtte hij mijn verblijf aldaar absoluut niet langer haalbaar.

Deze argumentatie en mijn vrees dat de arts me bij een volgend acuut ademhalingsprobleem op eigen initiatief tot een half kunstmatig wezen zou omtoveren door het ten uitvoer brengen van zijn ideeën, deed me uiteindelijk zwichten. Evenwel niet nadat ik allerhande alternatieven had overwogen, zijnde andere ziekenhuizen dan het voorgestelde UZ. Dat ik toch akkoord ging met dit, in mijn herinnering 'onheilsoord', kwam te  meer door het feit dat daar een pneumoloog werkzaam is die mijn voorgeschiedenis kende en bij wie ik, op aanraden van zijn collega in de kliniek van mijn woonplaats, ook in november reeds op consultatie was geweest en op wiens dienst ik toen tevens een longfunctietest had ondergaan.

Inmiddels was het reeds 14 december. En in die 12 dagen verblijf in het ziekenhuis was er reeds heel veel gebeurd, en had ik reeds heel wat meegemaakt. Slechte ervaringen, maar ook goede. Zo was ik tijdens mijn laatste twee dagen aldaar terug wat vast voedsel beginnen eten. En een verpleegster had speciaal voor mij voor wat lekkers gezorgd. Dat deed me wel iets. Persoonlijk vind ik trouwens dat zo een kleine kliniek ook zijn voordelen heeft. Meer en nauwere onderlinge contacten tussen de verschillende afdelingen bijvoorbeeld. En zij kunnen even kwalitatief werk leveren als de grotere broers, al is hun personeel daar vaak zelf niet van overtuigd. Zij schatten mijns inziens zichzelf en hun kliniek vaak veel te laag in.

Tot daar deze randbedenking, die toen door mijn hoofd spookte. En ik vreesde dat er nog veel zulke overdenkingen zouden volgen, want het einde van mijn lijden leek bij lange na nog niet in zicht.

Wordt vervolgd.

Ru(sh)di(e), 31 december 2006 (revisie op 30 juli 2009)

19-06-09

Rudi’s overdenkingen - Hemel of hel? Maakt niet uit, als het er maar warm is!

 

Sinds ik mijn Christelijk geloof heb afgezworen, en als niet-gelovige verder door het leven rij, kan ik me wat meer vrijheid veroorloven bij het schrijven over thema's als God, het geloof en in het bijzonder de Rooms- katholieke Kerk. Een club van gelovigen, waar ik overigens nog steeds lid van ben, aangezien ik me niet uit hun doopregisters heb laten schrappen. En net dat in de ban doen of excommuniceren, is een gevaar dat je bedreigt indien je als gelovige volhardt in de zonde.

En alleen reeds het verzaken aan het eerste van de 10 geboden, namelijk: 'Boven al bemin één God', kan voor de Kerk als zonde volstaan om je in de ban te doen. Nogal wiedes eigenlijk, omdat je daarmee verzaakt aan de belangrijkste pijler waarop de ganse ideologie van hun godsdienst is gebouwd. Waarschijnlijk begeef ik mij op gevaarlijk ijs, en riskeer ik een heleboel mensen voor het hoofd te stoten, maar toch ga ik hier en nu mijn gedacht zeggen over God en religie. Alsmaar meer groeit bij mij immers het vermoeden dat het bestaan van een opperwezen en een leven na de dood, ontsproten is uit de geest van enkele van onze, in hun tijd heersende, voorvaderen. Als zingeving voor het leven van de mensen en als verklaring voor toentertijd onverklaarbare gebeurtenissen en (natuur)verschijnselen. Opdat de menigte daaronder rustig zou blijven, en bovendien gemakkelijker te manipuleren en in de hand te houden. In de veronderstelling dat deze denkpiste de juiste is, en derhalve de waarheid, dan betreft dit de grootste bedriegerij ooit!

Het is mijn rationeel denken dat me tot deze vaststelling leidt. Tegen de meeste morele wetten van de godsdienst heb ik helemaal geen bezwaar. Integendeel zelfs. Morele waarden als respect, eerbied, naastenliefde... om maar enkele te noemen, kan ik volledig onderschrijven. En ik ben de laatste om mensen die geloven in een God, zoals die doorgaans wordt voorgesteld, te trachten op andere gedachten te brengen. Als zij in dat geloof troost vinden en er levenskracht uit kunnen putten, dan respecteer ik dat. Ze kunnen er maar wel bij varen. Maar ze hebben niet het recht om hun gedacht als het enige ware aan andere personen op te dringen. Men mag gerust zijn geloof prediken, maar niet van anderen verwachten, soms neigt het zelfs naar eisen, dat die hen daarin blindelings volgen. Ieder heeft recht op een eigen mening. Respect daarvoor is klaarblijkelijk een morele deugd die dikwijls ontbreekt op het lijstje van godsdienstfanaten.

In het dagelijks leven kom ik dikwijls in aanraking met personen die hun geloof hoe dan ook willen opdringen aan anderen. En die, in plaats van bij het werken aan een betere maatschappij, te starten bij zichzelf en door arbeid het door hen beoogde betere leven (lees: meer materiële welstand) te bekomen, alle vertrouwen leggen in hun geloof. Oprechte devotie en alles wordt door de goede God voor hen geregeld, is hun devies. Daar heb ik nogal wat bedenkingen bij. In de eerste plaats zijn die gelovigen blijkbaar net zozeer als de 'Almachtige' stekeblind voor alle miserie in de wereld, ook onder zeer gelovige medemensen. Voorts lijkt dit mij nogal een gemakkelijkheidoplossing: ze bidden en laten ondertussen de anderen het werk doen. Naderhand plukt men de vruchten van deze laatste hun arbeid en claimen dat dit het resultaat is van hun bidden tot God. Nogal wat zogenaamde gelovigen zijn daarenboven afgunstig van andermans bezit, wat een overtreding is van het 10de gebod!

Er schiet mij plotsklaps een mop te binnen, die ik jullie niet wil onthouden!

Een verpleegster sterft en, als resultaat van haar vrome aardse leven, verzeilt ze in de hemel. Alwaar ze wordt verwelkomt door Sint Pieter. Die is, na zijn jobs van achtereenvolgens apostel van Jezus en (eerste) katholieke paus, uiteindelijk voor eeuwig aangesteld als hemelpoortbewaarder.

Terwijl de dame, of in ieder geval haar ziel, met Sint Pieter de toegangsformaliteiten regelt en verslag uitbrengt over haar net beëindigde leven op aarde, ziet ze over de schouder van Sint Pieter heen een man zitten met een stethoscoop om de nek. Opgewonden vraagt ze: "Die man daar achter u, is dat een dokter?" Sint Pieter kijkt even op, lacht schamper en antwoord: "Neen, mevrouw, helemaal niet. Dat is God. Die denkt alleen maar dat hij mensen kan helen!"

Wat de Heer betreft, heb ik overigens nog een paar opmerkingen. Hoogmoed is de zonde der zonden, staat ergens in de bijbel geschreven. Deze zonde zou trouwens ook aan de basis liggen van de transformatie van God zijn perfecte engel Lucifer tot Satan, voor wie de hel werd geschapen. Dit terwijl God, alsook zijn enig geboren zoon Jezus Christus, naar mijn bescheiden mening, zelf ook niet vrij waren van enige zelfverheffing!

En de organisatie van die zondvloed, daar stel ik toch ook enkele vraagtekens bij. God zag dat zijn creaties zich niet gedroegen zoals Hij had verhoopt, gaf aan Noach opdracht een ark te bouwen, van elk levend wezen een paar aan boord te nemen, en toen dat geregeld was ging de Schepper over tot executie van alle overige levende wezens. Door hen te laten verzuipen!

Van zo een daden komt ook in deze moderne tijd zo nu en dan iets in het nieuws. Gezinsdrama's waarbij een ouder zijn kind van het leven beroofd, omdat het een handicap heeft. Of een jongeman die op straat een aantal mensen neerknalt omdat ze niet de huidskleur hebben die hij prefereert of die Duitser, zijn naam ontglipt me even, die bepaalde groepen mensen van een bepaalde afkomst of geaardheid ook liefst, en bij voorkeur gruwelijk, elimineerde. Naar hun eigen normen, hebben ze allen een geldige reden voor hun daad of daden. De samenleving denkt daar evenwel anders over. In deze gevallen noemt de maatschappij de dader doorgaans (massa)moordenaar!

Na al het voorgaande geschrijf, maak ik op dit ogenblik wellicht weinig kans om na mijn overlijden, voorbij de hemelpoort te geraken. Is daar ten andere al iets gedaan aan de infrastructuur, met het oog op de toegankelijkheid voor de overleden fysiek beperkte personen? Of mag die rolstoel na zo veel jaren trouwe dienst, de ziel van de rolstoeler niet vergezellen bij het ten hemel stijgen? Hem of haar vervoeren naar diens nieuwe en tevens laatste verblijfplaats? Nu ja, het heeft geen zin me daar het hoofd over te breken. Voor een ketter als mij blijft de boel daar ongetwijfeld sowieso potdicht. Jammer? Dat weet ik niet zozeer. Alle dagen rijstepap eten spreekt mij niet direct aan. En steeds met gouden lepels eten is ook niet zonder gevaar. Want als daar door veelvuldig gebruik schilfers van loskomen, dan kan je vergiftigd raken en behoorlijk ziek worden. Dat weet ik uit ervaring. Bij de overgang naar het nieuwe millennium heb ik een ganse fles champagne met goudschilfers leeggedronken. Zat werd ik er niet van, maar wel ziek! Een ganse week zelfs. En wat die engelen betreft. Ze kunnen dan misschien wel mooi en lieftallig ogen, maar ze zijn volgens bepaalde bronnen geslachtloos, dus veel valt daar dan toch niet mee aan te vangen! ;-)

Trouwens daar hoog in de wolken is het vast bitter koud, en ik hou net van de warmte. Dus laat mij gerust terechtkomen in de hel. Daar kan ik dan ook nog wat lol beleven bij het trekken aan de duivel zijn rattenstaart. Dan heb ik toch nog een beetje plezier gehad vooraleer ik opbrand in het vagevuur. Onder het beluisteren van kermismuziek die weerklinkt uit de luidsprekers van de, naar verluidt in de onderwereld geïnstalleerde jukebox!

Als God dan evenwel toch zou bestaan, wat ik niet uitsluit, want iedereen kan zich vergissen, hoop ik wel dat Hij niet de menselijke gedaante heeft van een blanke man met lang wit haar en dito baard, maar dat Zij een volslanke sexy zwarte vrouw is met een prachtig rastakapsel!

En die verdraagzame God zal me maar al te graag mijn niet-gelovig zijn vergeven en Sint Pieter opdracht geven om me, met zin of tegenzin, te redden van de verdoemenis, zodat  God me tegen Haar boezem kan drukken. En ik op die manier ook aan de begeerde warmte geraak.

Rudi, 10 november 2008 (revisie op 19 juni 2009)

 

08-05-09

Rudi’s overdenkingen - Russische huwelijkskandidates

 

Vele jaren geleden maakte ik geregeld op een Engelstalige site een praatje met leeftijdsgenoten uit voornamelijk de Verenigde Staten van Amerika. Toentertijd vond ik dat best leuk. We wisselden ervaringen uit op zowel persoonlijk als professioneel vlak. Door allerlei factoren kwam het er niet meer van die website te bezoeken en de contacten gingen verloren.

De voorbije winter, op een sombere, donkere dag, had ik ineens heimwee naar die tijd, naar die praatjes. De site van toen vond ik niet meer terug. Uiteindelijk kwam ik na wat googelen, terecht op de chat van een datingsite. Vooraleer te kunnen chatten moest ik een persoonlijk profiel aanmaken. Ik worstelde mij er doorheen en plaatste er zelfs een foto bij. Toen ik eindelijk met chatten kon starten, bleek echter, in geen enkele discussiegroep, het voeren van een ernstig gesprek mogelijk te zijn. Dus was ik er, enigszins teleurgesteld, snel weg.

Een goeie week na die mislukte chat-sessie, kreeg ik in mijn elektronische brievenbus de melding dat er in de mailbox, verbonden aan mijn profiel op de datingsite, een bericht was toegekomen. Nieuwsgierig ging ik vlug een kijkje nemen. Toen ik het bericht opende werd in eerste instantie mijn aandacht getrokken door de foto van een knappe, langharige blondine. Uit het in slecht Engels opgesteld berichtje kon ik opmaken dat deze achtentwintigjarige Russische dame op zoek was naar een Europese huwelijkspartner. Afgaande op mijn profiel meende ze dat ik wel eens voor haar de ware zou kunnen zijn.

Alhoewel ik onmiddellijk mijn bedenkingen had, moet ik toegeven dat ik me toch enigszins gevleid voelde. Per slot van rekening had die knappe griet mij uitgekozen uit ik weet niet hoeveel kandidaten. Allicht was ik niet de enige kanshebber, maar ik lag in ieder geval in de goede schuif. Ik besloot te reageren, teneinde iets meer te weten te komen over dit meisje en haar beweegredenen.

In mijn profiel staat dat ik gehuwd ben en kinderen heb. Dat stelde ik in mijn antwoord nog eens duidelijk. En dat ik derhalve geen potentiële huwelijkspartner was. Olga liet zich hierdoor echter niet afschrikken en liet me weten dat ze ook was geïnteresseerd in een gewone vriendschap. Ik had daar zo mijn twijfels over. We stuurden nog een aantal berichten naar elkaar. Zo kwam ik te weten dat mijn correspondente alleen woonde in een kleine flat en ondanks een universitair diploma een armzalig kantoorbaantje had. Vader was als soldaat gestorven op het slagveld. En zij wou graag in staat zijn beter te zorgen voor haar moeder en haar nog thuiswonende broer. En een beter leven voor zichzelf. Niet in Rusland waar, naar ze schreef, de mannen enkel zuipen en hun vrouw slaan. Een leven in Europa was haar doel!

Toen ik Olga voorzichtig duidelijk maakte dat het leven in West-Europa ook niet steeds over een pad van rozen loopt en dat ze bij een eventuele migratie ook het taalprobleem, het verschil in cultuur en mogelijks het opduiken van heimwee, niet over het hoofd mocht zien, kreeg ik geen respons meer. En ik vond het best zo. Ik wist genoeg.

Aangezien het me toch niks kost behield ik mijn profiel op de datingsite. Sindsdien ga ik, telkens wanneer er enkele meldingen van nieuwe berichten in mijn mailbox zijn verschenen, een kijkje nemen.

Af en toe zit er een berichtje tussen van iemand die op zoek is naar een zakenpartner. Of een persoon die handelswaar heeft aan te bieden. Maar het gros der berichten betreft dames die op zoek zijn naar de ware. Voornamelijk twintigers en dertigers. Hun toekomstige mag meestal wat ouder zijn. Dat steekt niet zo nauw. Als hij er maar warmpjes bijzit. En met de vrouwtjes wil trouwen. Want ze azen uiteraard voornamelijk op een Europees paspoort. En een onbekommerd, luxueus leven. En wie kan het hen kwalijk nemen, die meiden uit vooral Rusland. Alhoewel, af en toe glipt er wel eens iemand met een andere nationaliteit tussen.

Zoals de exotische Nigeriaanse Tamy. Die wel ver gaat in haar pogingen om in Europa een echtgenoot aan de haak te slaan. De naar eigen verklaring oprechte en vredevolle dame, zond me een foto waarop ze haar in weinig verhullende kleding gestopte ebbenhoutkleurige lichaam verleidelijk etaleert. Ze schrijft verder een man te zoeken die relaties uitermate ernstig neemt en weet hoe een vrouw te behagen.

Maar de meeste mail is dus afkomstig van dames uit diverse lidstaten van de Russische federatie. Juliya, Alesya, Lena, Olga (nog één),.... Stuk voor stuk knappe grieten. En nagenoeg allemaal hebben ze een universitair diploma. Maar geen enkele van die intelligente modellen slaagt er in om zich in een deftig Engelstalig briefje voor te stellen. Vrij vertaald klinkt het steeds ongeveer als volgt:

"Dag, hoe jij?

Mijn naam is xxx. Tot mij, xx jaar, ik woon in Rusland, in de stad xxx.

Ik bestudeerde je structuur en wou zien dat jij de man bent die interessant genoeg is om te ontmoeten. Ik ben een harmonieuze jonge vrouw, sociaal en charmant. Ik zou graag meer verbonden worden met jou. En jou leren kennen is beter. Als je niet tegen mij bent om te communiceren, zal ik je brief verwachten.

Ik zal vooruit kijken!"

Deze kunstmatige zinsbouw, met veelal nogal wat onleesbare tekst en tekens ertussen, doet me vermoeden dat de dames geen gebenedijd woord Engels kennen en gebruik maken van vertaalrobots. Die vindt je tegenwoordig immers overal. Zelfs op het internet. Het zou me trouwens niet verbazen indien er een ganse organisatie zou schuilgaan achter die naar een huwelijk hunkerende vrouwen. Een bruidjesmaffia die gebruik maakt van de datingsite om Russische vrouwen legaal in Europa te krijgen! En die sturen wellicht berichtjes met afbeeldingen van mooie vrouwen naar alle West-Europese mannen die op de datingsite een persoonlijk profiel hebben aangemaakt. Er zal er af en toe wel één zijn die zich laat vangen, zeker?

Moeten er nog Russische bruidjes zijn? Ik heb de connecties!

Ru(sh)di(e), 14 april 2006 (revisie op 27 april 2009)

20-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Een blauwgekleurd weekend

 

Zaterdag jongstleden ben ik dus naar dat lentediner geweest. Georganiseerd door de politieke partij die deze stad bestuurt, maar waarop alle burgers van deze plaats waren uitgenodigd. Als ze bereidt waren de voor dit festijn gevraagde som te betalen tenminste, welteverstaan.

Ik had het busje van het OCMW besteld. Om me te brengen en naderhand ook weer  huiswaarts te voeren. De, blijkbaar immer goed gezinde chauffeur, was ruim op tijd aanwezig. Mijn echtgenote was op dat ogenblik nog volop bezig me te prepareren. Zelf zag ze er overigens beeldig uit, mijn eega. Ze was nochtans doodziek.

Tijdens het korte ritje naar de plaats van afspraak bleek dat ik de vorige keer wat al te voorbarig ben geweest in mijn bejubeling van de vering van dat voertuig. Want ik heb tijdens deze rit enorm zitten wippen en bij elke put in de weg moest ik alle moeite van de wereld doen, om met mijn bovenlichaam niet voorover te slaan. Tegen de volgende keer dat ik met dit vervoermiddel meerijd, moet ik, naast de reeds aanwezige heupgordel, zeker ook mijn schoudergordels op de momenteel gebruikte rolstoel laten monteren.

We kwamen ongeveer een kwartiertje voor het vermeldde aanvangsuur ter bestemming aan. Op enkele auto's na was de ruime parkeerplaats totaal verlaten. Daardoor vreesde ik even me van plaats of datum te hebben vergist. Dus verzocht ik mijn vrouw om binnen toch maar eens te gaan informeren. We bleken juist te zijn, zowel wat locatie, dag als uur betrof. Dus reed ik tot op het liftplatform om uit het busje en op de begane grond te geraken.

Aan de toegangsdeur tot het hotel, met restaurant en feestzaal, werd ik geconfronteerd met een, vrij hoge, drempel. Bij inschrijving had ik wel laten vermelden dat bij mijn persoon een grote, elektrische rolstoel hoort, maar ik had expres niet zelf contact opgenomen met het hotel om te informeren naar de toegankelijkheid. Ik wou achterhalen of de organisatoren uit zichzelf voor de nodige voorziening zouden zorgen. Niet dus.

Een oude man - de maître? - stond in de deuropening en stelde voor om met de bus tot net voor de deur te rijden om op die manier de drempel te overschrijden, maar dit bleek vrij snel niet zo een goed idee te zijn. Uiteindelijk ging die man, op vraag van mijn echtgenote en mezelf, een plank halen, waardoor ik even later probleemloos het prachtige gebouw kon binnen rijden.

De avond verliep overigens voortreffelijk. Door mijn slechte zithouding in dat onaangepast elektrisch aangedreven wielending, had ik wel een Dafalgan mét Codeïne nodig om in staat te zijn de achterhoofdpijn op een enigszins te verdragen niveau te houden. De inname van dat pijnstillend medicijn wordt trouwens een dagelijkse noodzaak. De farmaceutische industrie kan er maar wel bij varen! Door die medicatie kon ik spijtig genoeg slechts even nippen aan de bij het voedsel geserveerde wijnen: witte bij het voorgerecht en rode bij het hoofdgerecht.

In de prachtige gotische zaal had men voor mij een plaatsje gereserveerd aan de hoek van de laatste tafel, dichtst bij de toegangsdeur. Dit allicht met de bedoeling zo weinig mogelijk mensen te kunnen hinderen. Maar daardoor stond ik wel op een plaats waar niemand omheen kon zonder me opgemerkt te hebben. Mijn echtgenote en ik kregen aan de dis het gezelschap van vier - naar spoedig bleek - sympathieke dames. Er bevond zich maar één tafel tussen de onze en deze van de prominenten. Aan die ronde tafel zaten onder anderen de burgemeester, zijn voorganger (tevens zijn vader), de premier, de eerste burger van het land en de nationale partijvoorzitter. 

Aan het eind van zijn korte, duidelijke en krachtige toespraak, zei de eerste minister, die spreker en eregast was, iets in de trant van: "Ik weet dat ik op jullie kan rekenen, want anders zouden jullie hier niet zijn!" Tja, eigenlijk had ik op dat ogenblik mijn arm in de hoogte moeten stoppen om de premier er op te wijzen dat ik persoonlijk daar geheel vrijblijvend ter plaatse aanwezig was. Echter, los van het feit dat ik gezien mijn handicap niet echt tot zulks in staat ben, zou de premier allicht toch mijn poging tot het opheffen van mijn arm niet gemerkt hebben, want hij stond min of meer met zijn rug naar me toegekeerd. Het spreekgestoelte stond immers opgesteld aan de verbindingsdeur met een andere zaal, waar ook een deel van het gezelschap zat. Die éne zaal waar wij zaten was immers niet groot genoeg om alle deelnemers aan dit diner een plaatsje te geven.

Ik ontmoette deze avond enkele mensen die ik kende van vroeger. Wat het notabel volk betreft kan ik melden dat koele Karel niemand zag staan, dus uiteraard mij incluis, en Guy enkel tijd had voor een vluchtige groet. Herman daarentegen kwam naar me toe en ook onze burgervader kwam een praatje slaan. Plus een hele resem kandidaten die zich aan elkeen kwamen voorstellen en steun vragen met het oog op de nakende nationale verkiezingen.

Het eten was lekker. Dat mocht ook wel voor de prijs die we er voor betaalden. Er was iets met vis als voorgerecht en kalfsvlees met groentjes en kroketten als hoofdschotel. De sabayon werd nog net op tijd geserveerd om uitgelepeld (in mijn geval uitgedronken) te worden, maar voor het laatste item van het menu, koffie met versnaperingen, hebben we moeten passen, want het was toen onderhand middernacht en mijn taxi stond reeds te wachten. Zo gaat dat als je afhankelijk bent van derden. Je vrijheid wordt enorm beknot. De openingsdans door de lokale voorzitster van de partij hebben we ook gemist. Op dat moment stonden wij al aan de ingang, te wachten tot er eindelijk iemand zou verschijnen om onze jassen terug te geven. Blijkbaar waren alle hens aan dek geblazen om de koffie te serveren, want het heeft wel een tiental minuten geduurd voor we eindelijk konden vertrekken.

Zo, nu heb ik kennis gemaakt met blauw Vlaanderen. En zij ook met mij!

Ru(sh)di(e), 14 april 2003 (revisie op 15 april 2009)

18-04-09

Rudi's ontboezemingen, het deel na het vorige

 

Het was een bitter koude woensdagavond in de maand december. Ik bevond mij in de sporthal, die gesitueerd is op zowat anderhalve kilometer van onze woning. Mijn jongens waren bezig aan hun voetbaltraining. Tijdens de wintermaanden wordt er immers af en toe in de sporthal getraind. Omwille van het mogelijks slechte weer, en vooral om de oefenterreinen buiten een beetje te sparen, zo werd me medegedeeld. De training, die gewoonlijk in de namiddag plaats vindt, van drie uur tot half vijf, werd verplaatst naar de avonduren, van zes uur tot half acht. Dit terwijl de training op donderdagavond, van half zes tot zeven, gewoon buiten doorging. Begrijpe wie dit begrijpen kan. Ik niet, dus.

Gezeten in mijn gemotoriseerd invalidenwagentje, aanschouwde ik van achter de zijlijn mijn voetballende kroost. Rechts van mij bevond zich, zittend op een tafeltje, mijn assistent. Met naast hem de grootvader van een spelertje. Die man heeft blijkbaar steeds veel te vertellen. Aan mijn assistent tenminste. Want mij ziet opa nimmer staan.

Op een bepaald moment passeerde me een man, die zich vervolgens links van me positioneerde. Ik keek hem aan. En hij mij ook... dacht ik. Vervolgens maakte hij een opmerking over het weer. Ik glimlachte breed. Niet zo zeer omdat zijn, allicht grappig bedoelde uitspraak, werkelijk geslaagd was, maar veeleer omdat ik blij was bij de gedachte dat ik eindelijk eens door iemand werd aangesproken. Niet dus! Dat werd me duidelijk toen mijn assistent die man een antwoord gaf, waaruit bleek dat de opmerking van net daarvoor, tot hem was gericht geweest.

Wordt ik vergezeld door een blanke man of vrouw, dan worden steevast zij aangesproken. Dat gebeurt zelfs met mensen aan wie ik reeds meermaals heb bewezen dat een normale communicatie met mij mogelijk is. En zelfs mijn eigen familie gedraagt zich zo! Ongelooflijk irritant! Ben ik in het gezelschap van mijn echtgenote, of een andere persoon met eenzelfde bruine huidskleur, dan worden we gewoonweg beiden genegeerd.

Om even terug te komen op het voetballen van mijn nageslacht. Na een jaar zeuren, zijn ze sinds eind augustus van vorig jaar ingeschreven bij een voetbalclub, wiens eerste elftal nationaal in de eerste klasse van het betaald voetbal speelt. Zoals hierboven aangehaald trainen ze in de winter soms binnen, maar normaliter vindt de training plaats op de jeugdterreinen, gelegen achter het stadion waar de eerste ploeg haar wedstrijden speelt. Twee keer per week trekken we daarheen. Regen, wind, noch koude deren ons.

Ook daar wordt ik dus door het merendeel der trainers, ouders en grootouders straalweg genegeerd. Een nagenoeg identieke situatie als aan de schoolpoort. Onderhand ben ik dan ook maar gestopt met iedereen steeds vriendelijk gedag te knikken. Het voelt immers ontzettend stom aan als het steeds van één kant moet komen en het is ergerlijk telkenmale te merken dat je blik wordt ontweken.

In den beginne was er een moeder van één van de spelertjes uit mijn jongens hun ploeg, die me steeds gedag zei. Tot ze me, in dronken toestand, op een lokale kermis eens aansprak en aan haar praten tegen mij ineens geen einde meer kwam. Niks pikant hoor, gewoon wat feiten over haarzelf en haar gezin. Het type zaken dat ik ook in nuchtere toestand aan mensen zou vertellen. Sindsdien mijdt de dame me echter angstvallig. Uit schroom? Bang omdat ze denkt iets verkeerd gezegd te hebben, maar niet wetend wat? Geen idee, en het kan me eigenlijk ook geen zier schelen.

In de maand januari ging er een tornooi door in de sporthal, waarover ik het reeds eerder in dit stukje had. Vijf weken na elkaar werd er telkens tegen een andere regionale club gespeeld. Op één van die tornooidagen was er ook een dame, die ik elke week op de training zie, en die me normaal nooit groet. Maar die me nu aansprak. Behalve de wartaal die ze uitkraamde, kwam vooral een sterke alcoholgeur uit haar mond. Blijkbaar moeten dames eerst goed zat zijn vooraleer ze iets tegen mij durven te zeggen, dacht ik toen. Wat was ik benieuwd om te vernemen of ze me de woensdag daarna op de training ook zou komen groeten. Dat gebeurde dus uiteraard niet en... inderdaad, ik geef er niet om.

Een week later werd ik bij het binnenrijden van het sportcomplex hartelijk begroet door alweer een andere moeder van een spelertje. En toen ik even later mijn positie aan de zijkant van het speelveld had ingenomen, was er ook nog een andere dame die me een hand kwam geven en het beste wenste voor het nieuwe jaar. "Hé", dacht ik, "wat is hier aan de hand?" Wat kon er nu aan mij zijn veranderd, waardoor ik opeens door het vrouwvolk werd opgemerkt? Ha! Geloof het of niet, maar die ochtend was mijn haar door een kapster aan huis bijgeknipt. Alhoewel, zouden die dames dat hebben opgemerkt? En vooral: was ik daardoor zoveel knapper geworden? Allicht toeval dus. Dat bleek ook de daaropvolgende zaterdagen, toen ik als vanouds, wederom lucht was voor de meeste daar aanwezige mannen en vrouwen.

Toch één lichtpunt: bij afloop van het tornooi heeft men ter wille van mij de trofee-uitreiking verplaatst van de, op de eerste verdieping gelegen en enkel per trap bereikbare, cafetaria, naar de sportzaal. Zo was ik in staat mijn éne zoontje zijn trofee van beste doelman van het tornooi in ontvangst te zien nemen. Die dag zijn we trouwens onder de neerdwarrelende vlokken door een ettelijke centimeters dik sneeuwtapijt huiswaarts gekeerd.

Ru(sh)di(e), 21 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

14-04-09

De avonturen van Rudi & Co - Niet klein te krijgen!

 

De vrijdagochtend na die aanrijding op maandag, heb ik alweer de kinderen naar school gebracht. Met die krakkemikkige rolstoel, waarin ik me nu verplaats. Let op, ik ben blij dat ik iets heb om me in voort te bewegen, maar in dit ding zit ik niet gemakkelijk, ik kan mijn rugleuning, noch mijn beensteunen van positie veranderen en er zit geen kantelverstelling op dit ding. Dus zit ik steeds in dezelfde oncomfortabele positie, wat voor gevolg heeft dat ik na enkele uren mijn bed in moet om te bekomen van de hoofd- en lichaamspijn die deze zithouding me bezorgt.

Maar ik wou het eigenlijk hebben over een voorval die ochtend. Er was weer eens een ongeval gebeurd op de autosnelweg, waardoor het verkeer langs  onze straat werd omgeleid. De straat waarin we wonen maakt immers deel uit van een gewestweg die twee Vlaamse provinciehoofdsteden met elkaar verbindt. Geflankeerd door mijn kinderen reed ik op het fietspad. Een assistente stapte achter ons aan, voor het geval ik op mijn terugweg hulp mocht nodig hebben, want ik betrouwde deze rolstoel niet.

Toen we aan de eerste verkeerslichten kwamen, floepte het licht voor de voetgangers net op rood. De jonge agent die aan de zijkant van de weg stond toe te kijken op het verloop van het verkeer, had ons nog kunnen laten oversteken, zo hij dat wou, maar blijkbaar wou hij dat niet.

Toen even later het voetgangerslicht terug op groen flitste wou ik ogenblikkelijk de baan oversteken, maar mijn assistente hield me met een gil tegen. Bleek dat die agent, uit mijn gezichtsveld, de straat was opgegaan om nog enkele vrachtwagens doorheen het rode licht te loodsen. Terwijl die klojo toch wel zag dat wij daar klaarstonden om over te steken?! Enkele camions draaiden angstwekkend dichtbij onze voeten de straat in. Even later konden we dan toch oversteken, maar toen we halverwege het zebrapad waren stond het voetgangerslicht alweer op rood.

Aangezien ik ervan overtuigd was dat die jongen niet bewust ons leven in gevaar had gebracht, was ik vast van plan hem hierover op mijn terugweg aan te spreken. Toen we terugkeerden stond de jongeman echter op de baan het verkeer te regelen en ik had geen tijd om te wachten tot wanneer hij naar de kant kwam, want mijn kinesist kwam nog en ik wou niet dat die op mij zou moeten wachten. 

In de namiddag liet ik een andere assistent met me meestappen naar de Brico. Niet dat ik dringend iets uit deze winkel nodig had, maar veeleer om uit te testen of ik met deze gemotoriseerde wielstoel over de brug geraakte, die loopt over de waterweg die door deze stad kronkelt. Dat bleek dus geen probleem te zijn. We keerden terug langs dezelfde weg als we gekomen waren:  op het fietspad, dat gescheiden is van de rijbaan door een pechstrook. Maar nu reed ik tegen het verkeer in.

Toen we ter hoogte waren van een tankstation, dat gevestigd is langsheen deze baan, hield een auto halt, vlak naast ons. Aan de passagierszijde werd het venster naar beneden gerold. Een dame vroeg de weg naar het Vredegerecht, daarbij uitsluitend naar mijn helper kijkend. Deze hield, zoals ik hem in geval van dergelijke situaties had opgedragen, netjes zijn mond, zodat ik op die vrouw haar vraag kon antwoorden. Ze keek een beetje dwaas en ik zag haar denken: "Waar komt dat geluid vandaan?" blijkbaar totaal uitsluitend dat het wel eens die kerel in zijn rolstoel zou kunnen zijn die net een antwoord gaf op haar vraag. Toen ze eindelijk haar hoofd naar me toe draaide herhaalde ik nogmaals hoe ze moesten rijden. De man die achter het stuur zat begreep mijn routebeschrijving. Ze dankten me beiden en reden verder.

Deze zondagochtend zijn we naar de rommelmarkt geweest, die wekelijks doorgaat op het stationsplein van mijn woonplaats. Er was een neef van mijn vrouw bij ons, en ook een nicht van haar, met haar twee kindjes: een jongen van net geen twee jaar en een drie maand oud meisje. Mijn vrouw droeg de baby van haar nicht in een draagdoek op haar rug. Blijkbaar hadden veel mensen zoiets nog nooit gezien want mijn wederhelft had enorm veel bekijks. Ik was daar eigenlijk wel verheugd over, want meestal gaat alle aandacht naar mij. Van starende, somber kijkende mensen. Terwijl nu alle ogen gericht waren op mijn eega en vooral op het kindje aan haar achterzijde. Van vrolijk en vertederd kijkende mensen. Wat een verschil!

Toen we aan het wafelkraam stonden hoorde ik een vrouw mijn echtgenote verzoeken mij te vragen om me wat meer vooruit te verplaatsen, want er wou iemand met een kleine bestelwagen het terrein oprijden en ik stond in de weg. Ze antwoordde: "Mevrouw, ik ben hier volop bezig. Hij verstaat Nederlands, dus vraag het hem zelf!" "Goed zo, meisje!" dacht ik. "Een beetje verder." zei de dame vervolgens tot me, maar ik ging pas in op haar verzoek toen ze haar vraag herhaalde in een beleefdere formulering en met een alsjeblieft erbij. Met een brede glimlach dankte ze me uitvoerig. En even later, toen ik haar standje passeerde nog een keer. Toch weer één iemand die hopelijk heeft geleerd dat fysiek gehandicapten niet noodzakelijk ook geestelijk onbekwaam zijn.

Hoe ze het voor elkaar krijgen, ik weet het niet, maar er gaat geen bezoek aan deze vlooienmarkt voorbij of mijn kroost gaat met één of ander cadeau naar huis. Ze krijgen korting op hetgeen ze kopen zonder er zelf om te vragen, kopen één boekje en krijgen er vanwege de verkoper spontaan enkele andere zomaar gratis bij. Of mogen het speelgoedje waar ze belangstelling voor hebben meenemen zonder het te betalen. Zoals ook nu weer. Mijn éne zoon kreeg een zwembril, de andere een happend balletje. En ook voor de baby had men iets. De andere jongen greep naast de prijzen want die liep op dat ogenblik met zijn mama ergens anders op de markt.

Is het omdat ze er zo schattig en verteterend uitzien, omwille van hun beleefd en geïnteresseerd gedrag ten overstaan van de standhouders , die ze trouwens ook al eens durven helpen met inpakken en opruimen als we op het eind van de markt nog aanwezig zijn. Of dan toch omdat die handelaars medelijden met hen hebben omwille van het feit dat mijn kindjes een invalide vader hebben? Ik weet het niet. En het doet er ook niet toe welke de reden is, het zijn mijns inziens allemaal goede. Oh, ik weet het wel. Het zijn allemaal kleinigheden die men geeft, maar het is het gebaar dat telt. En dat is groot en hartverwarmend!

Op onze terugweg naar huis, via het park, kwamen we nog een vrouw tegen met twee grote honden aan de leiband. Een van mijn jongens vroeg of hij de dieren mocht strelen. Dat kon. Hij mocht er zelfs één aan de leiband tot bij mij brengen. En de dame bracht ook haar andere hond dichterbij, zodat ik ze beide kon strelen. Veel had ik daar echter niet aan, met een nagenoeg gevoelloze hand, maar het voelde wel goed aan die dieren zo dicht bij me te hebben en intussen maakte ik een praatje met hun baasje. Middelerwijl kreeg mijn zoon een koekje toegestopt om aan die ene hond te geven. Voor het andere dier kreeg hij er geen, want die was goed opgeleid en afgericht, zo meldde zijn baasje vol trots, en was aangeleerd voedsel van vreemden te weigeren.

Al bij al een geslaagde dag, afgesloten met een namiddag vertoeven in de stralende lentezon. Dat laatste net iets te lang, zo blijkt, want mijn hoofd heeft de kleur aangenomen van een rode biet.

Ru(sh)di(e), 23 maart 2003 (revisie op 6 april 2009)

13-04-09

Belevenissen in het UZ, het negende deel

 

Enkele weken geleden kreeg ik vanwege één van mijn lezers de vraag gesteld wanneer ik nu eindelijk boven water ging komen met mijn seksbelevenissen in het UZ. Hij wenste dus inzage in de weergave van mijn seksuele escapades in de schoot van die kliniek. De zogenaamde seX-files. Met ronkende titels als 'In bad met de revalidatiearts', 'Met de prof onder de lakens' of 'Patiënten doen het met... elkaar'.

Spijtig voor hem en voor elke ander persoon geïnteresseerd in onverbloemde verslagen van wilde seksuele uitspattingen, maar ik moet ze op hun honger laten zitten. Ik heb me immers gedurende die achttien maanden uiterst zedig gedragen, ben trouw gebleven aan mijn echtgenote en heb ook nooit oneerbare voorstellen gekregen.

Alhoewel! Eén keer kwam er een mooi meisje naar me toe toen ik in de sportzaal aan het oefenen was. Ik lag in een kooi, bezig mijn benen te trainen. Het meisje was een stagiaire kinesitherapie. Met een lieve snoet vroeg ze me: "Mag ik je kussen?" Enigszins beduusd door dit onverwacht verzoek, en daardoor allicht een beetje kleurend, zei ik toch glimlachend: "Ja, uiteraard!", haar middelerwijl mijn wang aanbiedend, want ik nam aan dat ze me zo publiekelijk niet een tong wou draaien. Luttele seconden later trok ze mijn kussen onder me vandaan, waardoor ik onzacht met mijn hoofd op de harde moes van de oefentafel terecht kwam. Dat had ik dus verkeerd begrepen! Ze zei nog "Dank je!" en toen "Sorry" en even later stopte ze het kussen achter de rug van een andere patiënt.

Dat vorige is trouwens niet echt gebeurd hoor, maar een uit mijn geest ontsproten verzinsel. Het dichtste dat ik ooit in de buurt kwam van seks in 't RC, verhaal ik hierna.

Het was zondagnamiddag. Mijn kamergenoot was op weekend naar huis. Ik lag in mijn bed een boekje te lezen. Plots kwamen daar twee verpleegkundigen mijn kamer binnen. Een man en een vrouw. Hij: een ietwat kalende veertiger, met een snorretje; getrouwd, maar als gezonde vent absoluut niet vies van het kijken naar ander vrouwelijk schoon. Zij: een vlot meisje van midden de twintig, die naar ik wist, ook een vaste vriend had. Ze keken me zwijgend aan en zeiden toen tegen elkaar: "We zullen deze jongeman eens op een show vergasten."

De man ging naar mijn kamerdeur, keek de gang in (allicht speurend of er nergens een rood lampje boven een deur knipperde, als teken dat hun assistentie was gewenst), knipte mijn deurlampje op wit als aanduiding dat men in deze kamer 'bezig' was en sloot de gordijnen voor het vensterraam. Onderwijl had het meisje ook het gordijn tussen de twee bedden reeds dicht geschoven, zodat onverhoedse passanten, die ondanks het brandende witte lampje boven de deur, deze toch zouden openen, niet direct zicht zouden hebben op hetgeen zich rond mijn bed afspeelde.

De twee verpleegkundigen gingen naast mijn bed tegenover elkaar staan. Hij frunnikte wat aan haar bloes. Zij opende enkele knopjes en liet me haar blote schouder zien. Alhoewel ik niet echt verwachte getuige te zullen zijn van de seksuele uitspattingen van deze twee, begon ik het toch wat warmer te krijgen. Want wat indien ze voor mijn ogen dan toch van bil zouden gaan?

Terwijl allerlei gedachten door me heen gingen, werden alle gordijnen echter alweer met één ruk geopend en even snel als ze gekomen waren, verdwenen die twee weer terug de gang op. Die hadden dus getracht me in het ootje te nemen en waren daar potverdorie ook nog gedeeltelijk in geslaagd

Dat verpleegstertje speelt trouwens ook de hoofdrol in het hiernavolgend relaas waarin nog maar eens wordt aangetoond hoe een dubbeltje rollen kan.

Op een zekere avond zaten we met een hele groep patiënten samen op het terras. Een flesje wijn krakend en voornamelijk nonsens aan elkaar vertellend. De échte levensgenieters daar bovenop lurkend aan een kankerstokje en daarmee ijverig proberend hun longen zo snel mogelijk om zeep te helpen en hun leven derhalve danig in te korten.

Op een gegeven ogenblik vroeg het meisje naast me: "Hoe is dat nu afgelopen met dat meisje dat verliefd op je was?" Bijna viel ik uit mijn van vier wielen voorziene stoel! Een meisje, verliefd op mij? En ik wist nergens van! Dus zei ik: "Wablief?" Waarop die juffrouw: "Wel ja, dat nieuwe verpleegstertje." Mijn vragende blik beantwoordend begon ze een beschrijving te geven van de persoon in kwestie. Vrij snel werd duidelijk om wie het ging. De schouders ontblotende jongedame waar ik het hiervoor over had. Zij? Verliefd op mij? Ik vroeg de deerne naast me van wie ze die informatie had gekregen. Ze gaf me de naam van een jongen, iemand van vooraan in de twintig. Tot enkele weken daarvoor was die ook nog patiënt geweest op onze afdeling.

En toen begon het bij me te dagen. Eén van de laatste zaterdagen dat die jongen bij ons resideerde, kwam hij mijn kamer binnen toen dat verpleegstertje, alweer samen met diezelfde collega, bij me bezig was, maar bijna klaar met mijn avondverzorging. Hij hengelde naar een afspraakje met haar. Ze had hem al verteld een vriend te hebben en bovendien eerder op dertigers te vallen, maar die wetenschap kon er hem blijkbaar niet van weerhouden achter haar aan te blijven rollen. Dus bleef hij aandringen, waarop die verpleger tot hem zei: "Je bent te laat makker. Die kerel hier - onderwijl naar mij wijzend - is je voor. Die heeft reeds een afspraakje beet voor heden avond." De jongen keek me vragend aan en ik zei: "Inderdaad, zo is dat!" Even voordien had ik immers aangekondigd naar de Gentse Feesten te trekken, waarop die verpleegster gekscherend had voorgesteld om met me mee te gaan. Na deze tijding was die verpleegster haar amoureuze belager kwijt, terwijl deze laatste moet hebben geconcludeerd dat het meisje een oogje op me had, en hij die totaal onjuiste informatie bovendien ook nog her en der was gaan rondbazuinen. 

Ru(sh)di(e), 13 maart 2003 (revisie op 5 april 2009)

02-04-09

Rudi’s ontboezemingen - Mirakel

 

Wat zou ik graag nog steeds, of opnieuw, een gezond, normaal functionerend lichaam hebben. Gedaan met het ellendige, passieve bestaan vol kommer, kwel, pijn en verveling. In plaats daarvan een leven als actieve valide mens, met ongetwijfeld nog steeds de problemen van alledag, maar wel in de mogelijkheid daar zelf iets aan te doen. Om dat te bekomen heb ik echter op zijn minst een mirakel nodig. Of 'gewoon'weg een nieuw leven. Beide werden me trouwens reeds aangeboden.

Een familielid langs de zijde van mijn echtgenote, is pastor bij een protestantse kerk. De man is er heilig van overtuigd dat je door veel te bidden alles kan gedaan krijgen en alle problemen kan oplossen. Waarom er dan nog zoveel honger in de wereld is, vraag ik me af. Er moet toch een massa gelovigen zijn die dagelijks bidden en de Heer smeken om dat voedselprobleem te verhelpen? Maar ja, die uitgemergelde kindjes in de derdewereldlanden, met hun hongerbuikjes, zijn allicht zelf niet godsvruchtig genoeg om dat wonder te laten geschieden.

Enfin, bij afloop van zijn sporadische bezoekjes aan me, in het ziekenhuis en naderhand thuis, wou hij steeds samen met me bidden. Aan het einde van dat gebed dankte hij de Heer steevast bij voorbaat om mij voor het eind van de week weer op de been te krijgen. Toen dat, uiteraard, zo durf ik te typen, keer op keer zonder resultaat bleef, weet hij dat aan het feit dat ik zelf niet genoeg geloofde in de mogelijkheid van een wonderbaarlijke genezing. Dat ik verkoos de realiteit van mijn niet meer verbeterbare conditie onder ogen te zien in plaats van te rekenen op een mirakel en ik mezelf door die houding wou behoeden voor een wegzinken in neerslachtigheid als dat wonder zou uitblijven, dat wou blijkbaar niet echt doordringen tot in de grijze hersencellen van de, overigens goede, man.

Op een zekere winterse zaterdag stond hij, onaangekondigd, voor de deur van mijn woning. Mijn kinderen waren bij hun doopmeter en mijn vrouw was ook weg, boodschappen doen. Met veel moeite slaagde ik erin de voordeur te openen om hem binnen te laten. Hij bleek vergezeld te zijn van twee andere mannen, die, naar hij me meedeelde, ook pastors bij zijn geloofsgemeenschap bleken te zijn. Ik liet hen allen binnen. Drie imposante figuren, met scherpe gelaatstrekken, in grijze kledij en met dikke lange jassen aan.

Ik bood hen aan plaats te nemen in onze sofa, waar ze op ingingen, en we startten een nagenoeg inhoudsloze conversatie. In het Engels, want die twee onbekende gasten spraken waarschijnlijk geen Nederlands. Korte tijd na hun binnenkomst wilden ze samen met me bidden. Ik had daar geen bezwaar tegen. Ze stonden alle drie recht en kwamen voor me staan. Ze begonnen met een gezamenlijk gebed en hielden toen om beurten met erg veel overtuiging en bezieling een preek, waarbij de anderen zo nu en dan een instemmend "Halleluja!", "Praise the Lord!" of "Amen!" lieten horen.

Ineens weerklonk het geluid van de deurbel. De heren waren klaarblijkelijk zo zeer in hun predicatie opgegaan, dat ze niet reageerden. En zelfs niet eens opkeken!  Zodat ik er hen zelf maar op attendeerde en hen verzocht de deur te openen voor degene(n) die aanbelde(n). Het bleken twee buurmeisjes te zijn. Ik bood hen aan binnen  te komen, wat ze deden, en vertelde hen wat er aan de gang was en dat ze even geduld zouden moeten hebben vooraleer ik met hen kon praten. Maar dat hadden ze.

Eén van die pastors nodigde de meisjes uit om tussen hen in plaats te komen nemen en mee te bidden. De zussen bedankten echter voor de eer en keken vanuit een hoek van de woonkamer toe op het schouwspel dat toen volgde. Het trio kwam weer rond me staan en hernam het bidden. Toen kwam wat wellicht de apotheose van hun seance had moeten worden. Terwijl twee van hen één of andere psalm neurieden, kwam de derde voor me staan, nam mijn beide handen vast en - met een in volume toenemende stem smeekte hij tot God, de almachtige, me toen en daar, terstond weer te laten opstaan! Inmiddels vastberaden aan mijn armen trekkend. Maar het wonder bleef, spijtig genoeg, uit.

Ze zijn zo nog een tijdje blijven doorgegaan, tot ik er zelf een einde aan maakte, want mijn lichaam begon onderhand pijn te doen en ik was bovendien bang dat ze me, in al hun enthousiasme, uit mijn stoel zouden sleuren, met alle mogelijke kwalijke gevolgen van dien.

Sinds dat bezoek, inmiddels reeds méér dan een jaar geleden, heb ik de man niet meer gezien. Maar hij belt me nog wel geregeld! Klaarblijkelijk is hij uiteindelijk toch tot de conclusie gekomen dat ik, ook voor hem en zijn religie, een hopeloos geval ben. Waarschijnlijk heeft hij, met uitsluitend goede bedoelingen, zijn actieterrein verlegd naar iemand bij wie hij hopelijk, voor hem, maar veel meer nog voor die persoon in kwestie, meer kans heeft op slagen.

Toen ik nog maar pas thuis was, na anderhalf jaar onafgebroken afwezigheid wegens mijn noodgedwongen verblijf in het ziekenhuis, en ik één van de eerste keren mijn kinderen van school had afgehaald, stopte er, op het moment dat we bijna thuis waren, plots een auto achter ons en hoorde ik een stem mijn voornaam uitspreken. Dus hield ik halt en wachtte af, want mijn hoofd omdraaien kan ik niet. De kinderen zeiden dat er een man uit het voertuig was gestapt en dat deze persoon nu op ons kwam toe gestapt.

Het bleek een man te zijn die jarenlang een trouwe klant was geweest van mijn computerzaak. Een sympathieke kerel, met een (tegen mij toch steeds) vriendelijke vrouw en toffe kinderen, zo herinnerde ik me. Ik vroeg dus geïnteresseerd hoe zij het maakten, waarop ik te horen kreeg waar zijn gezinsleden mee bezig waren. Hij vroeg hoe het nu met me ging en ik gaf hem een eerlijk antwoord. Een droef gezicht trekkend zei hij me het erg te vinden dat ik me in een dergelijke situatie bevind. "Maar weet je wat?" zei hij vragend, en nu met een stralend gezicht, "Ik heb goed nieuws voor je. Heel spoedig komt de Heer terug op aarde en verandert het hier opnieuw in een paradijs. Een wereld waarin iedereen gelukkig is en niemand gebreken heeft en waarin ook JIJ opnieuw zal kunnen stappen, lopen en springen zoals iedereen!"

Ja, zo herinnerde ik me ook alweer, deze kerel is een Jehova's getuige. Hij sprak verder: "Echter, enkel wie Zijn komst voorbereidt, zal tot de uitverkorenen behoren die deze nieuwe wereld zullen bevolken." Ik dacht: "sorry, maar daar pas ik voor. Een God die slechts goed wil zijn en doen voor een elite, dat kan nooit de mijne zijn. Die zal nooit door mij worden aanbeden. Als mijn handicap kan worden ongedaan gemaakt, en ik zo een nieuw leven krijg, dan heeft naar mijn mening ook elke andere persoon daar recht op, of die nu al dan niet tot een bepaalde geloofsgroep behoort." Ik zei echter niks. Maar was teleurgesteld. Nu sprak er me eindelijk eens iemand aan, maar was het verdorie voornamelijk om te polsen naar mijn interesse in toetreding tot zijn geloofsclub.

Het stil blijven staan begon mijn kleuters danig te vervelen en toen ze me vroegen of ze die tien overblijvende meters naar huis mochten hollen, gaf ik hen terstond mijn toestemming. Want daar blijven staan op het fietspad, langsheen een drukke verkeersweg, was ook niet zonder gevaar. Ik zei die getuige dat ik mijn rakkers wou volgen, waarop hij me verzocht nog even te wachten, want hij wou me iets geven. Ik ging akkoord, waarna hij naar zijn auto holde. Even later werden me twee luxueuze boekjes overhandigd. Hij moedigde me aan om deze te lezen en zou me dan eerdaags contacteren. Ik heb echter naderhand niks meer van de man gehoord.

Ru(sh)di(e), 25 januari 2003 (revisie op 28 maart 2009)

25-03-09

Belevenissen in het UZ, het derde deel

 

Volgende gebeurtenissen meen ik mij te herinneren uit mijn eerste verblijfsperiode in het Gentse revalidatiecentrum. Dat was midden de jaren tachtig. Toen was ik daar terecht gekomen na een zwaar verkeersongeval en had ik ook even nood aan een (manuele) rolstoel aangezien de botten in mijn onderbenen gebroken waren.

In die tijd verbleven de personen met een verlamming, dezen met een polytrauma en mensen met een niet-aangeboren hersenletsel nog op dezelfde verdieping.

Op een zeker moment werd een psychiatrische patiënt die, om ik weet niet welke reden, nood had aan een intensieve kinesitherapie, op onze afdeling opgenomen.

Er werden meteen de wildste verhalen over die jongeman rondgestrooid. Ik veronderstelde dat het waarschijnlijk grotendeels verzinsels en leugens betrof, maar er kwam in ieder geval toch uit naar voor dat die jongeman niet ongevaarlijk was en ik nam me dan ook voor om zo ver mogelijk uit zijn buurt te blijven.

Op zekere dag, zowat een week na zijn aankomst, reed ik na het middagmaal genuttigd te hebben, de lift in, richting mijn kamer. Net voordat de schuifdeuren zich automatisch achter me zouden sluiten, sprong er nog snel iemand naast me. Ik keek op. Het was die kerel.

Mijn hart ging meteen wat sneller slaan. Niet van opwinding omdat het zulk een mooie jongen was, want ik viel ook toen al enkel voor vrouwelijke aardbewoners, maar wel van de schrik. Heel vriendelijk vroeg hij me of ik ook naar het eerste moest en, niet in staat iets te zeggen, knikte ik maar van ja.

Een dag later heeft die kerel, in zijn nakie, om God weet welke ridicule reden, een verzorger belaagd met één of ander scherp voorwerp en hebben ze de jongeman terstond teruggestuurd naar K13.

De laatste maanden van mijn verblijf bracht ik door in een rustige, enigszins afgelegen tweepersoonskamer, die ik op het moment van het hierna beschreven voorval, alleen bewoonde. Het was kort na de middag en ik lag op mijn bed te rusten. Plots hoorde ik een bonk en vervolgens vloog de deur van mijn 'residentie' open. Een patiënt kwam, gezeten in een mechanische rolstoel, met zijn benen trippelend, de ruimte in. De man zat in een dwangbuis, en was vastgebonden op zijn rolstoel, naar ik wist omdat hij reeds een aantal keer had getracht er van onder te muizen.

Hij bleef daar gewoon in de deuropening staan en begon, mij totaal negerend, wild heen en weer te bewegen in een poging om uit die dwangbuis te geraken. Op mijn vriendelijk verzoek de kamer opnieuw te verlaten reageerde de man gewoonweg niet. Ik drukte een keer op mijn belletje. En toen er na enkele minuten nog steeds niemand opdaagde, nog enkele keren kort na elkaar. Maar er verscheen niemand van het personeel. Dit was niet uitzonderlijk. Het gebeurde wel vaker dat ik vrij lang op een verzorgende moest wachten, maar nu irriteerde het me wel mateloos.

Intussen begon die man wonderwel, Houdini achterna, vorderingen te maken. Er diende dus dringend ingegrepen te worden! Want wie weet wat hij, eens bevrijdt, zinnes was?

Enfin, uiteindelijk kwamen op mijn alarmerende continue bellen, dan toch twee verpleegkundigen af! Die de, hevig tegenstribbelende man, meenamen naar, ik vermoed, zijn eigen kamer.

Na zijn ontslag uit het revalidatiecentrum, heb ik die heer, in maatpak, en vergezeld van zijn vrouw, nog eens teruggezien. Hij gedroeg zich volkomen normaal en zei vriendelijk gedag. Waarschijnlijk deed die daarvoor zo raar onder invloed van medicatie of zo.

Ru(sh)di(e), 12 juni 2002 (revisie op 23 maart 2003)

24-03-09

De avonturen van Rudi & Co, het vervolg

 

Het was weer woensdag. Dan is er in de voormiddag een openbare markt in mijn woonplaats, een middelgrote provinciestad in Vlaanderen. Nu ik de thuisverplegingsdienst van mijn ziekenbond aan de deur had gezet, nadat ik een verpleegteam had gevonden dat mij wél op een deftig uur wou komen verzorgen en uit bed halen, kon ik ook eens op een fatsoenlijk uur naar deze markt afzakken. Voornamelijk als verzet, maar toch ook om enige aankopen te doen. Ondermeer verse wortels voor het paard van de Sint. De goede man zou immers, volgens mijn kinderen althans, twee dagen later bij ons langskomen.

De markt dus. Mijn echtgenote ergerde zich alweer enorm aan het voortdurend staren van heel veel mensen. Individuen die me - veelal ongegeneerd - starogend aankeken. Niet om me te groeten, maar gewoon om te zien wie of wat er in dat rollend gevaarte zat. En, ik moet toegeven, die dag was het echt wel enorm. Ook toen ik alleen aan de ingang van het plaatselijk kantoor van een financiële instelling zat te wachten, terwijl mijn wettige wederhelft binnen in het gebouw enkele bankverrichtingen ging uitvoeren, werd ik door de éne na de andere persoon aangegaapt. Mannen, vrouwen, jong, maar vooral oud, allen passeerden de revue. Het kon me niet echt deren. Maar ik wou wel wat afleiding. Dus ik zei, tot één van die personages die maar niet ophield me te bezien, met een zo krachtig mogelijke stem: "Alles in orde, mevrouw?" De vrouwspersoon in kwestie schrok op. Die dacht waarschijnlijk: "Oei, 'het' spreekt." Ze keek me enkel verbaast aan, dus liet ik er, gebruikmakend van het uiterste van mijn beperkte longcapaciteit en stemvolume, op volgen: "Is er iets?" Terwijl ze onderwijl iets nader kwam, zei ze in haar dialect: "Neen, neen."  Waarop ik repliceerde: "Oef! Ik dacht al dat ik iets aanhad van u." Hierop droop die vrouw beschaamd af.

Een dag eerder had één van mijn zoons me ook reeds op de man af gevraagd waarom al die mensen me steeds zo aankijken. Ik antwoordde toen iets in de trant van: "Misschien omdat ze me zulk een knappe gast vinden?" Maar de andere jongen ontnuchterde mij door te zeggen: "Maar neen, papa, dat is omdat je gehandicapt bent."

Mijn vrouw en ik flaneerden die woensdag dus gemoedelijk over de markt, langsheen de diverse kramen. Aangezien we toch in de buurt waren, wenste ik van de gelegenheid gebruik te maken om naar de natuurwinkel te gaan, gelegen in een in kasseistenen aangelegd, autovrij straatje, bezijden de kerk. Zakjes Sint-Janskruidenthee had ik nodig. Ik drink daar dagelijks een tas van, met de bedoeling mijn inactieve lichaam tijdens de koude maanden van binnenuit te (trachten te) verwarmen. Naar 't schijnt heeft dat als interessante bijwerking ook een goede invloed op het humeur van degene die het tot zich neemt, maar daar heb ik tot op heden nog niks van gemerkt. Mijn goede luim dien ik elders  vandaan te halen.

Daar de twintig centimeter hoge deurdorpel niet echt uitnodigde tot een bezoek aan de winkel door rolstoelers, bleef ik noodgedwongen buiten 'staan', in de kille decemberlucht, en begon wat te mijmeren. Plotsklaps werd ik echter door elkaar geschud. En hoorde tezelfdertijd iemand gedempt vloeken. Toen ik mijn hoofd naar links draaide, voor zover ik daartoe in staat ben, zag ik een figuur met een donkere bril op, in een ijltempo zigzaggend naast mij passeren. Was ik verdorie bijna onder de voet gelopen door een blinde! Ik vond het voorval enorm grappig. Trok ik, naast miserie, nu ook al blinden aan?

Trouwens bewonderenswaardig hoe snel die man zich hernam. Hij had echter nogal wat moeite om zijn blindenstok in bedwang te houden. Hoe zeer hij ook trachtte, met beide handen het ding omklemmend, het hulpstuk onder controle te krijgen, het bleef zich wild van links naar rechts bewegen, steeds - irritant - de straatstenen aantikkend, en zelfs de muurgevel diende eraan te geloven! Zou de man niet beter overwegen zich een goed getrainde geleidehond aan te schaffen?

Oeps! Nu lach ik met een handicap en dat is, geloof ik, maatschappelijk niet erg correct. Nochtans wordt zulk een humor meestal wel gesmaakt. Ik heb immers een hele resem moppen over gehandicapten opgeslagen liggen in de duistere kamers van de grijze hersenmassa, die in mijn hoofd verscholen ligt, en op momenten dat ik ze via mijn spraakorganen ten gehore breng, oogst ik steeds veel bijval.

Op deze marktdag werd ik trouwens door een recordaantal mensen aangesproken. Drie (3) om precies te zijn. Vooreerst door mijn dooppeter, die ook al bijna tegen me aanbotste, en zich dus verplicht zag me te begroeten. Vervolgens door de vriend van een jonge vrouw, die ik in het revalidatiecentrum heb leren kennen. En daarna door een oud-werkmakker van mijn vader, die vergezeld was van zijn echtgenote. Mijn vader heeft tientallen jaren lang samen met die man de hengelsport beoefend. En ik was daar in mijn kinder- en jeugdjaren haast altijd bij.

Maar ik had die persoon sinds, ik denk minstens twintig jaar, niet meer gezien. Derhalve zou ik die man bij God niet meer hebben herkend. Maar hij mij blijkbaar wel. Na al die jaren! Ben ik in al die tijd qua uiterlijk dan zo weinig veranderd? Of zou het toch iets te maken hebben met het feit dat ik in zo een wielending zit en vergezeld was van mijn Afrikaanse echtgenote, en bijgevolg dus gemakkelijk herkenbaar?

Sympathieke mensen trouwens. De man vist naar eigen zeggen nog steeds. Ik niet. Althans niet met een hengel. En geenszins op al dan niet geschubde waterdieren.Maar jammerlijk genoeg figuurlijk wel al te vaak achter het net. Wenkbrouw ophalen

Ru(sh)di(e), 6 december 2002 (revisie op 23 maart 2009)

05-03-09

De avonturen van Rudi & Co, aflevering weetikveel

 

Onlangs overkwam mij het volgende.

Ik reed, langs elke zijde van mijn vierwieler geflankeerd door één van mijn kinderen, de (hellende) brug op, die loopt over de rivier die door mijn woonplaats stroomt.

Vanuit mijn rechter ooghoek merkte ik dat er iemand, uit een aan de overzijde van de drukke driebaansweg halt gehouden auto, onze richting kwam aangehold.

Luttele tellen laten keek ik in de ogen van een dame die me vriendelijk vroeg of ze niet moest helpen.

Het denkbeeldig vraagteken dat terstond in een even imaginair tekstballonnetje boven mijn hoofd verscheen, sprak blijkbaar boekdelen. Ze bleek te denken dat de jongens me bergop duwden en ze was bang dat aan de andere kant van de glooiing de kinderen mijn stoel niet zouden kunnen tegenhouden, wat bij haar meteen het visioen van een scène uit een komische film voor de geest had getoverd, met vrees voor ernstige gevolgen (wegens realiteit), vandaar de (poging tot) interventie.

Ik heb haar vriendelijk bedankt voor het aanbod, maar meteen ook duidelijk gemaakt dat zoiets niet nodig was en waarom dan wel. Eigenlijk zonde. 't Was immers een mooie. Die dame, bedoel ik dus. En lief. En nog vrij jong. Wel blond; alhoewel, veeleer blont. Was ik alleen geweest, ik had zeker niet aan de verleiding kunnen weerstaan mijn voertuig stiekem in manueel te schakelen om met behulp van dat schoon kind de afdaling in te zetten.

Ja, rolstoeler zijn heeft (soms) zo zijn voordelen. De vrouwen vallen soms zelfs voor je voeten: als ze door hun onoplettendheid je voertuig met inhoud niet tijdig opmerken bijvoorbeeld en er bijgevolg over struikelen. Neen ernstig nu, dergelijke zaken probeer ik te vermijden, maar soms zijn er opportuniteithen. Moesten er niet zo veel (voor de buitenwereld veelal verborgen) negatieve aspecten aan zijn verbonden, dan zou ik mensen zelfs durven aanraden het valide bestaan te ruilen voor een leven in een rolstoel.

Ru(sh)di(e), 21 mei 2002 (revisie op 29 januari 2009)