29-06-12

Herinneringen uit mijn verleden - Hengelaarplezier & sportvisserijvertier

      

Reeds van op heel jonge leeftijd ging ik vissen. Mee met mijn pa, en meestal op paling. Eens ik als tiener, door mijn ouders oud genoeg werd bevonden, trok ik er alleen op uit. Meestal richting provinciaal domein. Een gigantisch terrein met een kasteel, bossen, bloementuinen, een dierenpark, speeltuin en enkele visvijvers. Gelegen op een kilometer of vijf van mijn ouderlijke woonst.

Toentertijd was fietsen binnen het domein niet toegelaten. En omdat de afstand tussen de ingang van het domein en de visputten, toch enkele kilometers bedroeg, had ik voor het transport van mijn spullen een karretje gemaakt. Van het onderstel van een oude kinderwagen, waarop ik een plank had bevestigd.

Het karretje plaatste ik op de bagagedrager achteraan mijn fiets. Mijn door mijn pa, met recuperatiemateriaal gemaakte houten vissersbak, kwam daar nog bovenop te staan. Met snelbinders bevestigde ik dit alles stevig aan mijn fiets. Mijn in een kokervormige stoffen tas gestopte werphengels en oude vissersparaplu, bevestigde ik, met oude lederen riempjes, aan de buis van mijn fiets.

Met al mijn visspullen op de fiets reed ik dan van thuis tot aan de ingang van het domein. En; van daar trok ik vervolgens het karretje met mijn visgerei, middels een stevig touw, tot aan de visvijver.

Het vissen was een vrij sociaal gebeuren. Rond de vijvers trof je vaak dezelfde mensen aan, waaronder ook heel wat jongelui. En bijna uitsluitend jongens en mannen. Eens geïnstalleerd op ons plekje aan het water, gingen we doorgaans bij de reeds eerder aanwezige hengelaars even gaan luisteren of ze al wat hadden gevangen. En zo het antwoord bevestigend was, keken we met graagte naar het door de visser even uit het water getilde leefnet. Om de zich daarin bevindende gevangen vis te aanschouwen. En de betreffende visser te feliciteren met zijn vangst.

Ook als we na een uur of zo turen naar onze dobber, of geduldig wachten op enig geluid van het aan onze werphengels bevestigde alarmbelletje, geen beweging of geluid waarnamen, gingen we elkaar opzoeken. Om onze nood te klagen. En onze benen te strekken. En als er iemand ‘beet’ had, dan kwamen de vissers uit diens buurt rond die gelukzak staan. Om hem bewonderend, en niet zelden met enige jalousie, de buit te zien binnenhalen. Vooral als het grote kanjers betrof, die meestal nogal wat weerwerk boden en moesten worden moe gemaakt, vooraleer te worden opgehaald, gaven nogal wat omstanders gretig hun ongevraagd en meestal ook onnodig en ongewenst advies. Gewoonlijk wel welkom was dan weer de hulp die collega-vissers boden door het reeds in het water houden van het schepnet met behulp waarvan de aan de haak van de vislijn hangende vis op de oever en dus het droge moest worden gebracht.

*****

Op een zekere dag in de vakantie, was ik met een vriend een namiddag gaan vissen in dat provinciaal domein. De buit was mager. Buiten de dikke aal die ik had gevangen. Nogal wat andere, rond de vijver verzamelde vissers, waren jaloers op mijn vangst.

Zo ook de corpulente zoon van de champetter uit een gehucht, grenzend aan de buurt waar ik woonde. Die kerel was een jaar of twee ouder dan mij. Daardoor en tevens door het feit dat we nooit bij elkaar op school hadden gezeten, kende ik de jongen slechts vaag.

Toen mijn maat en ik ons boeltje bij elkaar hadden gepakt en net op het punt stonden om ons via de, naast de vijver lopende, geasfalteerde laan, naar de uitgang van het domein te begeven, kwam die kerel, samen met zijn twee maten, op me af. En vroeg me of hij mijn vangst nog eens mocht zien.

Met enige tegenzin haalde ik de snelbinder van rond mijn op mijn karretje staande vissersbak, opende de klep ervan en haalde er het wit stoffen zakje uit waarin de door mij gevangen aal zat opgesloten. Ik loste de strop waarmee het zakje werd dicht gehouden en liet de inhoud zien: een vette paling van een centimeter of 40 lang, wel minstens 2 centimeter dik en vast minimaal 800 gram zwaar. Die lag te kronkelen in een door hemzelf geproduceerd half transparant wit slijm.

De ogen van de dikke tiener voor me puilden bijna uit hun kassen. Hij wou de aal van me afkopen. En bood er mij maar liefst 500 Belgische Franken voor aan, een goeie 12 Euro. In die tijd, eind de jaren zeventig, was dat, voor een jongere, een ferm bedrag.

Toch was mijn vangst verkopen geen optie. Die nam ik mee naar huis. Om aan mijn huisgenoten te tonen, te doden, te stropen, te kuisen en later zelf op te eten. En ik dacht er nog niet aan om dat ritueel te verbreken voor wat geld.

Die dikzak snapte dat evenwel niet. Hij bekende me dat hij thuis bij voorbaat had opgeschept over zijn visserstalent en de vangt die hij naar huis zou meebrengen. En nu dreigde hij gezichtsverlies te lijden door met kompleet lege handen weer te keren. Dus wou hij hoe dan ook mijn aal. En kwam dreigend en boos kijkend op me af toen ik het zakje weer dicht bond, wegstopte en mijn vissersbak weer aan mijn karretje vastmaakte.

Nu was ik in die tijd zelf geen hummel en best potig, maar toch vermeed ik liefst een fysieke confrontatie met die gast van minstens een kop groter dan mij en met een lichaamsvolume van wel drie keer het mijne. Dus wenkte ik mijn maat en zette het samen met hem op een lopen. Mijn karretje achter me aantrekkend.

De zoon van de champetter bleef eerst enkele seconden verbouwereerd ter plaatse staan, maar gaf toen met de palm van zijn dikke vette pollen zijn beide maten een flinke duw in de rug en zette zich samen met hen in beweging. Me onderwijl dingen toeroepend die ik niet kon verstaan. Want wij waren inmiddels al op geruime afstand van elkaar verwijderd. Met zijn logge lijf, nog verzwaard door de ballast van zijn visgerei, kon die gast trouwens mijn tempo absoluut niet aanhouden. Toen hij en zijn vrienden de uitgang van het domein bereikten, zaten mijn vriend en ik reeds op onze met het visgerei geladen fietsen en reden we gezwind weg van de fietsstelplaats. Die vetzak zonder visvangst het nakijken gevend.

Thuisgekomen toonde ik vol van trots mijn vangst aan mijn moeder. Die blij was met mijn succes. En verzekerde me dat ook mijn pa, bij thuiskomst van zijn werk, verheugd zou zijn over mijn vangst van zulk een ferme paling.

Over het conflict met de zoon van de champetter zweeg ik wijselijk. Het had geen zin om mijn ma nodeloos bezorgd te maken. Bovendien wou ik ten alle prijze vermijden dat ze me niet langer zou toelaten om alleen of met vrienden te gaan vissen.

Als steeds maakte ik zelf mijn vangst gereed om klaar te maken voor consumptie. Daar was ik goed in. Ook de buurjongens kwamen, als ze bij het vissen iets hadden gevangen, bij mij langs om hun vis te laten doden en kuisen. Dat deed ik buiten, of bij slecht weer, in onze garage.

Net onder de kop van mijn nog levende paling maakte ik met een scherp mes een snede. Waarna ik, terwijl ik met een vod de kop vasthield, met een oude platte bektang, de huid van de aal vastkneep en van diens lijf stroopte. Vervolgens sneed ik zijn buik open in de lengterichting. En haalde alle ingewanden uit het lijf door mijn duim van aan de kop tot aan de staart door het lijf te bewegen. Dan sneed ik de kop eraf en spoelde en wreef de overgebleven resten proper in een emmer met proper putwater. Dat ik middels onze oude waterpomp aan de oppervlakte had gebracht. Met keukenpapier depte ik daarna het vlees proper. En bracht het dan naar mijn ma. Die het in een zakje stopte en in de diepvries deponeerde. Om er later, samen met andere door mijn pa en mij gevangen palingen, een heerlijke maaltijd mee te bereiden.

*****

Door dat vaak uit vissen gaan naar dezelfde waterput, leerde ik er dus snel jongens kennen die daar dezelfde hobby uitoefenden. Het waren doorgaans kerels van ongeveer mijn leeftijd of enkele jaren ouder. Soms zat ieder gewoon op zijn eigen plekje en brachten we elkaar zo nu en dan een bezoekje. Om te zien wat de andere al had gevangen, maar vaak ook gewoon om een praatje te slaan en zo de tijd te doden.

Soms troepten we ook samen en zaten we allemaal naast elkaar met onze vislijnen. Door ons gestoei en gebabbel werden de vissen vast afgeschrikt, want veel werd er op die momenten doorgaans niet gevangen. Ook niet die keer dat ik als twaalfjarige met de enkele jaren oudere, aan de visput ontmoette Wouter en nog een tweetal andere gelegenheidsvrienden, aan het vissen was. Het was warm weer en we hadden dan wel nog niet eens beet gehad, de leute was er niet minder om.

Op een gegeven moment kwam er op het wandelpad, gelegen op een tiental meter van, en iets hoger dan, de visvijver, een knap blond grietje aangetrippeld. Uiteraard was Wouter de eerste uit ons groepje die het meisje had opgemerkt. De praatgrage kerel zat immers meer rondom zich te kijken dan naar de dobber van zijn vislijn. Hij maakte ons, de andere drie, met opgewonden stem, attent op die mooie verschijning. En het korte rokje dat ze droeg onder het al even weinig verhullende topje van het, voor haar vermoedelijk zowat vijftien jarige leeftijd, reeds fraai gevormde lichaam.

Wouter floot luid tussen zijn tanden. De frêle schoonheid stopte en keek ons glimlachend aan. Waarop Wouter haar uitdagend vroeg of dat rokje niet nog wat hoger kon. “Oh, jawel hoor!” zei het meisje lachend, “Ik draag er toch nog een broekje onder!” Waarop het lekker ding haar minirokje optilde en wij een nauw om haar lijf spannend bleekroos onderbroekje te zien kregen.

Wouter sprong van opwinding bijna uit zijn eigen broek. Zenuwachtig, met blozende kaken en trillende stem vroeg hij aan het meisje waar ze heen ging. De speeltuin, zo liet ze weten. En toen ze met haar lieflijke stem positief antwoordde op zijn vraag of hij mee mocht gaan met haar, was Wouter niet meer te houden. Verbaast keken we toe hoe de jongen vliegensvlug al zijn visgerij bij elkaar scharrelde, ons nog snel ten afscheid groette en vervolgens naar dat meisje toe holde.

Wij, achterblijvers, keken die twee nog even na. Wouter met zijn zware visbak middels een riem op de rug dragend, in één hand de lange smalle zak met zijn vislijnen en met de andere hand wild gebaren makend. Terwijl het naast hem stappende meisje hem, onder het verleidelijk bij elkaar nemen van haar lange sluike haar, glimlachend aankeek. Waarschijnlijk was onze maat die knappe deerne een verzonnen verhaal aan het vertellen over eerdere wonderbaarlijke visvangsten.

Wouter zagen we die dag niet meer terug. Maar een dag later was hij wel terug van de partij. En bracht de jonge kerel, onder het vissen, in geuren en kleuren verslag uit van de formidabele namiddag die hij had beleefd met die mooie, vrouwelijke leeftijdgenote.

Ru(sh)di(e), 23 oktober 2011 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 1 januari 2012.

16-06-12

Heden en verleden - Onwelkome ratten en andere muizenissen

       

Afgelopen zomer was ik, op een warme namiddag, gezeten in mijn elektrische rolstoel, rustig aan het plassen, op een plek voor mijn garage en rechts van mijn met klimop begroeide haag. Plots zag ik, voor de witte garagepoort, over de betontegels op de grond, iets razendsnel van rechts naar links bewegen. Nog net zag ik een grijs muisje ritselend verdwijnen door een gat in de klimophaag.

Muizen en ratten… ik hou niet van deze knaagdiertjes met hun lange staart. De reden daarvoor weet ik eigenlijk niet. Mogelijks is het omwille van hun enge voorkomen en hun kwalijke reputatie als ziekteverspreider. En vast ook omdat ze zo graag ongegeneerd en ongenood tuinhuisjes, berghokken, garages en zelfs woningen plachten binnen te dringen.

Al mijn confrontaties met die ongeliefde zoogdieren verhalen, zou meteen leiden tot een omslachtig boekwerk. Vandaar dat ik mij hier ga beperken tot enkele bijzondere ontmoetingen met deze gretig knagende plaagdieren. Die zowat overal opduiken waar eten aanwezig is.

Als kind zag ik vaak huismuizen en veldmuizen in de omgeving van ons huis en stallingen. Meer dan eens zelfs onze huisgevel opklimmend. Gelukkig hielden onze katten toen de aangroei van die muizenpopulatie onder controle. Door nogal dikwijls eentje te pakken te nemen en vervolgens lustig op te vreten. Alleen, of de buit delend met de eigen kroost of andere op onze hof verblijvende soortgenoten.

Spitsmuizen of dolletjes zoals wij die noemden, werden dan weer niet verorberd door onze huiskatten. Met deze diertjes speelden of dolden ze alleen maar wat. Deze insectenetende zoogdiertjes worden overigens dan wel muizen genoemd, ze zijn het niet!

Net zo min als mijn zus haar, als (buitens)huisdier gehouden steenratjes ratten waren. Cavia’s waren het. Maar ze plantten zich wel haast net zo snel voort als de bruine rat. De laatste kooi die mijn handige pa als verblijf voor die beestjes in elkaar had geknutseld, werd vele jaren na het heengaan van de laatste cavia, gebruikt als opslagplaats voor het stro waarvan regelmatig een vers deel in de schuilplaats werd gelegd van de twee vrouwtjeseenden, die in mijn ouders hun achtertuin een stukje afgebakend terrein bewoonden.

Op een zekere dag in het oogstseizoen had de boer, die eigenaar was van de akkers die gelegen waren naast mijn ouderlijke woonst, het graan dat er op werd geteeld, door loonwerkers laten maaidorsen. Waarna de op het land achtergebleven droge plantenstengels en uitgedorste aren door een andere machine werden bijeen geschraapt  en samengeperst tot rechthoekige strobalen.

Als naar gewoonte, en met instemming van de boer, raapte ik nadien de nog op het land achtergebleven resten stro bij elkaar. Toen ik, om mijn buit op te bergen, het deksel optilde van de kooi waarin voorheen de cavia’s huisden, schrok ik mij haast een ongeluk. Omdat ik daar, bovenin het opeengestapelde stro, een nest muizen aantrof. Die, als in koor, luid piepten toen het deksel was opgelicht. Van schrik liet ik het terstond los, waardoor het met een klap terug op zijn plaats kwam te liggen. Dat verzamelde stro heb ik die dag netjes in een zak naast die kooi gezet, want ik bleef toch liever uit de buurt van die kroostrijke muizenfamilie.

Later is het ook eens voorgevallen dat ik de eenden eten ging brengen en van op een afstand zag dat er precies een ander dier stond te eten aan het, een stukje boven de grond opgestelde en overdekte, voederbakje. Toen ik tot op een meter of vijf genaderd was, zag ik wie die maïsdief was: een grote bruine rat! Ze stond met haar achterpoten op de grond en de voorpoten in het zich zowat 10 centimeter boven de grond bevindende voederschaaltje. Het beest, met een heel lange staart, bleek helemaal niet bevreesd te zijn voor mij. Die perplex het schouwspel volgde. En pas terug in beweging kwam toen dat enge beest er uiteindelijk toch vandoor ging.

*****

Als kind ging ik vaak vissen. In de stilstaande waters van beken, vaarten en vijvers uit de buurt. En tevens in het getijdenwater van de in Nederland stromende Westerschelde. Van op heel jonge leeftijd trok ik mee met mijn vader. En later ging ik ook al eens alleen, of met kameraden. Normaliter visten wij, van op de oever, met de vaste hengelroede en/of de werphengel. Maar ik ben ook enkele keren met mijn pa gaan peuren. Dat is een speciale en tevens één van de oudste manieren voor het vangen van paling.

Een drijvend gemaakte afgeschreven paraplu, of zoals wij het deden, een rechthoekige bak met drie naar binnen geplooide wanden en aan één zijde verhoogd met een in een kader gevat net, wordt hierbij te water gelaten. En middels een oude hengelstok, tot op een vijftal meter van de oever gebracht. Daarnaast wordt een hengelroe gehouden, waar aan de top ervan een draad is bevestigd met een dikke dobber en aan het uiteinde een tros aaneengeregen regenwormen hangt. Die wordt verzwaard met lood. En waarvan het de bedoeling is dat deze de bodem net niet raakt. Waarna de geur van de wormen de paling moet aantrekken.

Op het moment dat je, door de beweging van je roe, of het ondergaan van de dobber, vermoed dat er een paling aan de pieren knabbelt, dien je met een vlugge, doch rustige beweging, de top van de hengelroe op te halen en de tros regenwormen zacht tegen de binnenkant van, al naargelang, het regenscherm of de netwand van de bak te kletsen. Zodanig dat de lustig wormen etende paling deze lost en in de paraplukom of bak valt. Die je vervolgens naar je toe trekt om de buit binnen te halen.

Het beste moment om deze activiteit uit te voeren is ’s nachts. Omdat aal het grootste deel van de dag op de bodem van het water ligt ingegraven en pas in de nachtelijke uren gaat jagen. Dus zaten wij daar dus in het donker aan de waterkant. Wachtend tot die palingen zouden toehappen. En de stilte van de nacht werd enkel verstoord door onze ademhaling en door het plonzen van muskusratten, die vanaf de oever het water indoken en met hun grote lijf en lange staart vlak voor onze voeten voorbij zwommen. Griezelig!

*****

Van iets minder lang geleden dateert het volgende voorval, dat plaatsvond in Afrika. Met mijn echtgenote was ik op rondreis in haar geboorteland. We bevonden ons op een gegeven moment in een dorpje aan de rand van de woestijn. In het lemen gebouwtje dat door moest gaan als restaurant, zaten we als enige klanten in het sober ingerichte etablissement. Op houten stoelen aan een houten tafeltje aten we het enige gerecht dat daar die dag verkrijgbaar was.

We waren in alle rust en stilte gemoedelijk en smakelijk aan het eten toen ik ineens, onder één van de andere tafeltjes in het vertrek, een gigantisch groot ogende, grijskleurige woestijnrat zag verschijnen. Het diertje slalomde ongehaast tussen de verschillende stoel- en tafelpoten van het meubilair in het eethuis. Vooraleer mijn echtgenote, die de rat ook had opgemerkt, en ikzelf, verbouwereerd onze mond konden openen om er iets over op te merken, was het beestje alweer door de openstaande deur naar buiten getrippeld. Geloof me vrij dat het eten ons daarna niet meer zo erg smaakte. En we spoedig afrekenden en die plek verlieten.

Later kwam ik te weten dat er hier in Europa, en mogelijk ook elders, mensen zijn die deze beestjes houden als huisdier. Omdat ze zo vriendelijk, nieuwsgierig, rustig en gemakkelijk in de omgang zijn. Dat heb ik gemerkt, ja!

*****

Toen ik nog maar pas een jaar of twee thuis was, na anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, heb ik, op eigen initiatief, een tijdlang logopedie gevolgd. Omdat ik door een verminderde long- en middenriffunctie minder krachtig kon praten. En met professionele hulp technieken wou aanleren om, uit mijn beperkte mogelijkheden, toch de maximale spraak- en zangcapaciteit te halen.

Op een zekere voormiddag waren wij, zoals dat vaak het geval was, aan het oefenen in de zitkamer van mijn woning. Mijn logopediste, gezeten op een stoel, met haar rug naar het groot terrasvenster gericht. En ik tegenover haar, gezeten in mijn onafscheidelijke elektrische rolstoel. Terwijl ik bezig was met een door haar voorgedane oefening te herhalen, zag ik buiten een vrij grote bruine rat over ons verhard tuinpad lopen. Mijn adem stokte even en een zachte rilling ging door mijn lijf. Mijn logopediste merkte dat uiteraard. En vroeg me wat er aan de hand was. Wijselijk verzweeg ik wat ik net had gezien. Ik wou immers niet het minste risico lopen dat ze niet meer zou komen, omwille van de aanwezigheid van dat ongedierte op mijn hof.

*****

Een maand of twee later zat ik, zoals ik op zomerse dagen nogal eens placht te doen, bij valavond voor de openstaande deur in de inkomhal, een boek te lezen. Van licht voorzien door de maan, de straatlantaarns die de rijweg verlichten en de in de hal hangende gloeilamp. Plots dook er uit de duisternis een bruine rat op die zich, onder mijn, op de steunen van mijn rolstoel geplaatste voeten door, in de richting van het voor ons huis aangelegde vijvertje voortbewoog, Alwaar het beest, vanaf de rand, met een plons het water indook. En even later met de kop weer boven kwam. Om rustig, lustig en ongegeneerd te beginnen eten van het zich dobberend in een drijvende ring bevindende visvoer.

Ru(sh)di(e), 19 december 2010 (publicatie op mijn blog 'Rudi's kijk op de wereld'), revisie op 25 december 2010.

01-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - Onverwacht spectakel

 

Jaren geleden, tijdens mijn tienerjaren, was ik met onder anderen mijn ouders, aanwezig op één of ander dijkfeest in een polderdorpje aan de Schelde. Op de verharde oeverboorden stonden allerlei kraampjes opgesteld en er was een gans evenementenprogramma opgebouwd, met activiteiten op en om het water.

Zo werd er op een gegeven ogenblik ook een luchtaanval geënsceneerd. Een dubbeldek vliegtuigje scheerde rakelings over het water en over onze hoofden. Uit de luidsprekers van het omroepsysteem weerklonk mortiergeratel. De luchtafweer aan de grond reageerde terstond. Er weergalmden enkele kanonschoten doorheen het luidsprekersysteem. Raak! De motor van het vliegtuigje begon te sputteren, viel uit, en de vliegmachine dwarrelde naar beneden, een rookpluim achter zich latend. Iedereen applaudisseerde.

Maar wat gebeurde er nu? De motor werd terug gestart, de dubbeldekker won terug hoogte en kwam even later alweer hevig schietend op ons af. Het luchtafweergeschut deed echter wederom haar werk. Opnieuw raak! Alweer een rookpluim. Applaus! En deze keer kreeg de piloot zijn machine niet meer terug aan de praat en verdween ijlings, in zweefvlucht, uit ons gezichtsveld. De menigte liet een oorverdovend applaus horen. De vijandelijke aanval was afgeslagen. Tot de omroeper van dienst ons door zijn microfoon meedeelde dat het vliegtuigje even verderop - ongewild - écht was neergestort. Hij meldde ook dat de piloot gelukkig ongedeerd was en verzocht de menigte kalm en ter plaatse te blijven.

Dat zag je van hier. Vlakbij een ramp gebeurd en het klootjesvolk zou niet gaan kijken? Dus terstond repte de helft van de aanwezige mensenmassa zich in de richting van waar men dacht dat de piloot had geprobeerd met zijn vliegtuigje een noodlanding te maken. Ineens was er op de Scheldedijk plaats te over.

Toen we ons een uur of twee later in de richting van mijn vaders' auto verplaatsten om huiswaarts te rijden, passeerden we voorbij het rampgebied. Uiteindelijk viel alles nog best mee. Naar men zei was de piloot er met enkele schrammen en de schrik vanaf gekomen. Zijn vliegtuig, dat in een bietenveld was terechtgekomen, en bij die landing over kop was gegaan, had zo te zien niet echt veel schade opgelopen. De dubbeldekker die daar ondersteboven in het lover lag, was in elk geval een ongeplande extra attractie voor de bezoekers aan de feestnamiddag.

Ja, op publieksevenementen kan je al eens op een extra onverwacht en onvoorzien spektakel worden getrakteerd. Zo heb ik ook eens iets meegemaakt tijdens een waterskishow. Ik zat, tussen de andere toeschouwers, op de oever van - alweer - de Schelde en volgde de wedstrijden die daar werden gestreden. Telkens 'rondes' waarbij de boten, en de personen die er achter hingen, meermaals voorbij onze neus passeerden. In elke boot zat één piloot en één copiloot. Deze laatste zat, zoals dat steeds gebeurt, met zijn gezicht naar de skiër gericht, zodat hij deze laatste zijn instructies kon zien en doorzeggen aan de bestuurder van de boot.

In een bepaalde reeks werden twee van de skiërs getrokken door speedboten die meer weg hadden van raceboten: smalle, lange motorboten, met een scherpe voorsteven. Onmiddellijk werd duidelijk dat de concurrentie niet op kon tegen hen. Die twee namen al vlug, mét voorsprong, de leiding. Het werd een nek aan nek race, tegen hoge snelheid. De waterskiërs konden zich nauwelijks op hun skilat rechthouden. Toen ze, in de laatste ronde, in de rush naar de eindmeet, weer op volle snelheid aankwamen, gebeurde er iets.

De speedboot die het dichtst tegen de oever vaarde waar wij zaten, schoot plots loodrecht hemelwaarts. De voorsteven, die reeds de ganse wedstrijd stevig boven de waterspiegel uitstak, ging nu helemaal de lucht in, en de ganse romp en zelfs de achtersteven volgde. De piloten vlogen door de lucht en belanden vervolgens in het water. Dank zij hun reddingsvesten bleven zij boven drijven.

Ook de boot kwam terug in het water. En zonk. De achterkant eerst, en toen snel de rest, tot ook de spitse voorkant onder water verdween. De speedbootpiloten en de waterskiër keken de zinkende boot en elkaar verbouwereerd en hulpeloos aan. Later die dag hebben ze die boot uit het water kunnen trekken met behulp van het touw waarmee de skiër aan de boot had gehangen en dat hij ook na het incident niet had losgelaten.

Elke mens is in zijn leven wel getuige van een hele resem speciale, al dan niet spectaculaire gebeurtenissen. Spektakel voor hen die er op toezien, leed voor diegenen die het overkomt. Toen ik nog in de lagere school zat is er ooit eens een bestelwagen, volgeladen met jute, afgebrand, voor een huis, twee huizen verwijderd van het onze. Toen de chauffeur zijn truck tot stilstand had gebracht nadat één van onze buren hem daartoe had gedwongen, stond de lading reeds in lichterlaaie. Het spuiten met de brandblusser uit zijn camion kon dan ook de brand niet stoppen. De man kon gelukkig nog wel de aanhangwagen loskoppelen van zijn trekker en zodoende deze laatste vrijwaren van schade.

Jezus! Wat een massa mensen kwam er die avond naar de uitbrandende laadbak kijken. Uit nieuwsgierigheid en sensatiezucht allicht. En ik durfde het niet zeggen, maar was ontzettend bang dat die brand zou uitslaan naar de stal van onze buren, zo naar zijn woning en vandaar naar de onze, want de wind zat wel zo. Gelukkig zijn we van dergelijk onheil gespaard gebleven. De spuitgasten moesten wel nog tot een stuk in de nacht nablussen om alle vuur gedoofd te houden.

Later heb ik gehoord dat het vuur zou zijn ontstaan door een sigarettenpeuk die de truckchauffeur achteloos door het opengedraaid portiervenstertje van zijn trekker zou hebben gegooid. Die onachtzaamheid zorgde er voor dat wij, kinderen uit de buurt, vele jaren later nog steeds zongen: "'ATRAMEF' is afgebrand!" En ik me daardoor, een paar decennia later, nog steeds de naam van het gedupeerde bedrijf herinner.

Een andere keer dat ik met vuur en met de brandweer in aanraking kwam, was op een, ik meen mij te herinneren, oudejaarsavond. Mijn vader had die ochtend onze houtkachel aangestoken. Deels als bijverwarming, maar vooral voor de gezelligheid. Toen ik 's namiddags in mijn kamer zat, ontwaarde ik buiten een dichte mist. Raar. Was die nu ineens, midden in de namiddag, opgekomen? Ik opende mijn kamervenster en wist aan de geur meteen dat dit géén mist, maar rook was. Hier was ongetwijfeld iets niet pluis!

Ik snelde naar onze woonkamer. Ook die was compleet gevuld met rook. Ik opende meteen de deur naar de inkomhal en daarna ook de buitendeur. Ik holde buiten, tot op enige afstand van mijn ouderlijke woonst, zodat ik de schouw kon zien. Ook daar kwam rook uit. Dus liep ik snel terug ons huis in. Ik opende de deurtjes van het houtvuur, bekeek het hout dat er in brandde, nam een pook, duwde de houtblokken uit elkaar en doofde het vuur. Vervolgens nam ik de nog smeulende blokken hout met beide handen vast en droeg ze rennend één na één naar buiten en gooide ze daar in de rijweg. De hitte aan mijn handen was tijdens deze klus bijna ondraaglijk, maar wonderlijk genoeg raakten ze toch niet verbrand. Tegen de tijd dat mijn huisgenoten de living binnen kwamen was de meeste rook reeds opgetrokken.

Tegen 's avonds riskeerde mijn vader het toch maar weer om het vuur aan te steken. Alle gasten waren reeds gearriveerd, toen het probleem van in de namiddag zich herhaalde. Maar nu kwamen er ook vlammen uit de schouw. En het branden stopte niet toen we het houtvuur doofden. Met vochtige doeken trachtten mijn ouders de schouwpijp die door hun zolder loopt, af te koelen, maar dat lukte niet. Mijn vader betrouwde het zaakje niet en zond me naar de overburen om de brandweer te bellen, want wij hadden toen zelf nog geen telefoonaansluiting.

Van aan haar hek riep ik onze naar buiten gesnelde buurvrouw toe de pompiers te bellen. Toen ik terug de straat wou oversteken, stelde ik vast dat het autoverkeer in deze dubbele bocht, waarin mijn ouderlijke woonst is gelegen, volledig in de knoop zat. Enerzijds door automobilisten die gestopt waren om te vragen of ze hulp konden bieden en anderzijds door vele anderen, die enkel halt hielden om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Om enige orde te scheppen in deze chaos en ongevallen te vermijden, begon ik dan maar het verkeer te regelen.

Toen even later de brandweer arriveerde met twee grote bluswagens, was daar nog meer nood aan, dus ik deed maar verder. Eens ik de combi van de politie zag toekomen dacht ik dat mijn taak er op zat. Die mannen plaatsten hun camionette achter één van die brandweerwagens, stapten allebei uit en gingen ons huis binnen, terwijl ze mij hun werk lieten verder doen.

Ook ik wou echter wel eens zien wat daar binnen aan de hand was en wat die spuitgasten allemaal deden. Dus liet ik het verkeer in onze straat voor wat het was en liep naar ons huis. De brandweer had ons houtvuur losgekoppeld van de schouw en het branden van de schouw gestopt door met een natte jutezak de schouw af te dichten. De schade was beperkt en we konden, met enige vertraging, alsnog dineren en de overgang van oud naar nieuw vieren zoals gepland.

Ru(sh)di(e), 30 augustus 2004 (revisie op 28 april 2009)

19-04-09

Herinneringen uit mijn verleden - Middelbare schooltijd

 

Tijdens het turnuurtje op school moesten we op zekere dag een veldloop doen, voor punten. Hoe beter onze tijd, hoe hoger ons cijfer zou zijn. De turnleraar deelde ons op in twee groepen. Een eerste groep met de goede en middelmatige lopers, waartoe ik behoorde, en een tweede groep met de mindere atleten.

Het, reeds van eerdere lopen gekende parcours, werd nog eens uitgelegd en onze groep werd opgedragen om te vertrekken. Terwijl de leraar een stopwatch in werking stelde. We liepen een goed tempo. Eén van de jongens zei plots: "Laat ons een kortere weg nemen, dan moeten we minder lopen, zijn we sneller terug en krijgen we bovendien meer punten!" Hij versnelde zijn tempo en ging vooraan lopen. "Langs hier!" riep hij, onderwijl ook met zijn arm de te volgen richting aanwijzend. Hij sloeg een pad in, rechts van de bosweg die we eigenlijk dienden te volgen. We zagen het allemaal wel zitten om de route in te korten en dus volgden we hem.

We konden niet zo snel rennen want dat smalle wegeltje lag bezaaid met takken en andere natuurlijke obstakels. Op de koop toe kwamen we op een gegeven moment aan een beek. Er was geen brugje, maar we moesten er wel over, want aan de andere kant van deze waterweg lag het pad dat we dienden te volgen om weer bij onze turnleraar te geraken. En om terug te keren naar het oorspronkelijke parcours was er geen tijd, want dan kwamen we ongetwijfeld veel te laat aan en zouden we bijgevolg allemaal gebuisd zijn.

Eén jongen, laat ik hem Benny noemen, zei: "Allé jongens, da's toch geen probleem. We nemen een aanloop en springen daar zo over." Dus gingen we, met Benny voorop, allen enkele passen achteruit, namen een aanloop en sprongen... over de beek. Behalve Benny dan, die als eerste sprong en te vroeg afzette, zodat hij, net voor de oever aan de overzijde, met zijn voeten en onderbenen in het water belandde. Met een man of twee trokken we hem aan de kant. Zijn sportschoenen en kousen zaten onder de modder. We liepen vervolgens snel verder, in de hoop toch nog een respectabele tijd neer te kunnen zetten en bijgevolg ook een mooi cijfer te krijgen op ons rapport.

Hard lopend bereikten we het eindpunt, waar onze leraar gymnastiek ons stond op te wachten met één chronometer in de hand en een andere met een touwtje bevestigd rond zijn nek. "Niet denderend hé, jongens?!" zei hij tegen ons nadat alle tijden genoteerd waren en vooraleer te beginnen met deze van de tweede groep jongens op te schrijven, waarvan de snelste loper ook al arriveerde.

Toen iedereen was aangekomen en alle tijden stonden genoteerd, zei onze turnleerkracht het zeer eigenaardig te vinden dat zelfs de traagste loper van de tweede groep een snellere tijd had neergezet dan eenieder van ons, uit de eerste groep. Zeer raar, te meer daar hij ons niet had zien passeren op de controleplaats, ergens halverwege het parcours, waar hij met zijn auto was heengereden om tussentijden te noteren. Wat toch niks anders kon betekenen dan dat we zo hard hadden gelopen dat we die plek reeds waren gepasseerd vooraleer hij er arriveerde? Waren we dan in het tweede stuk volledig stilgevallen, vroeg hij zich luidop af, met een knipoog in onze richting? Nu konden we uiteraard niets anders meer doen dan het bekennen van onze poging tot bedrog. De met modder besmeurde Benny was degene die dat deed in ons aller naam. We waren eigenlijk allemaal een beetje bang dat we nu op ons maandrapport voor turnen een nul zouden krijgen. De leerkracht lichamelijke opvoeding vond onze mislukte oplichterij echter best grappig en liet ons een week later herkansen. 

Eigenlijk ben ik steeds een brave scholier geweest. Voor zover ik me kan herinneren heb ik niet zo dikwijls schelmenstreken uitgehaald. Eén keer was ik, en dan nog uiterst toevallig, betrokken bij iets 'stouts'. Tijdens de namiddagpauze stonden er enkele kinderen in een kring te konkelfoezen. Nieuwsgierig kwam ik nader en keek over hun schouders om te zien wat ze aan het doen waren. Eén van die jongens had iets in zijn handen dat qua vorm en grootte veel weg had van een bierworst.

De eigenaar van dat ding verduidelijkte dat het om een stinkbom ging en vroeg aan de gasten rondom hem of er iemand een doosje lucifers bij zich had om het projectiel mee aan te kunnen strijken. Er waren wel een aantal jongens die een aansteker bij zich hadden, omdat ze al eens een sigaretje rookten, maar geen van hen was in het bezit van een doosje stekskes.

Het toeval wou dat ik wel een pakje vlamhoutjes in mijn boekentas had zitten. Zo een dun pakje, met reclame op de flap, die bedrijven verspreiden als promotieartikel. Ik haalde dat kaartje er dus uit, die jongen streek zijn bom er tegen aan en gooide het ding vervolgens onder het afdak. Inmiddels had het belsignaal weerklonken. Ik stopte het luciferdoosje snel terug in mijn zwartlederen boekentas en spoedde mij net zoals alle andere leerlingen in de richting van mijn rij.

Een luide knal weerklonk. Even was het muisstil. Enkele kinderen keken mijn richting uit, maar ik had het gevoel te worden aankeken door alle 800 leerlingen van de school, alsook door hun leraren. Toen was er alweer geroezemoes en werden er heel veel neuzen dichtgeknepen, want de stank die de ontplofte bom verspreidde was enorm.

De onderdirecteur, geflankeerd door twee studiemeesters, kwam poolshoogte nemen. Een gast uit mijn klas zei: "Ja, nu hang je!" Ik dacht aan die lucifers in mijn tas, die als bewijs tegen mij konden aangewend worden. De rest van de dag heb ik niet op mijn gemak gezeten, want wat indien ze de bommengooier zouden vinden en deze mij zou aanwijzen als medeplichtige? Uiteindelijk bleek die vrees ongegrond te zijn.

Wat me ook eens bijna ernstig in de problemen heeft gebracht op school, is het klokhuis van een appel. Ik had de gewoonte dat restant van mijn dagelijks stuk fruit, tussen de struiken van het, naast de koer van onze school gelegen, stadspark te gooien. Die dag stond ik nogal ver van de omheining af toen ik het eetbare deel van mijn appel achter de kiezen had. En af wou van hetgeen overbleef. Ik verwijderde me twee stappen van het groepje kinderen waar ik bij stond en gooide met een flinke zwaai van mijn arm het klokhuis richting park.

Ai! Dat stuk fruitafval kwam pardoes terecht in de nek, net onder het oor, van een studiemeester, die daar met een collega rondstapte om toezicht te houden. De scholieren die het zagen gebeuren hadden uiteraard dolle pret. Een studiemeester, geveld door een klokhuis! De getroffene daarentegen vond het veel minder leuk. Waarschijnlijk dankzij mijn goede reputatie? of eerder bij gebrek aan een slechte? geloofde die man echter dat ik hem niet expres had bekogeld en aanvaardde hij mijn excuses.

Ru(sh)di(e) 20 maart 2003 (revisie op 18 april 2009)

26-03-09

Rudi’s ontboezemingen, een nieuw deel

 

Het was weer dik in orde vandaag. De verpleegster had twee maal moeten aanbellen heden ochtend, omdat mijn echtgenote bij hoge uitzondering nog niet klaarstond bij de deur om haar binnen te laten. Bijgevolg had hare doorluchtige hoogheid anderhalve minuut aan de voordeur moeten wachten vooraleer zij binnen kon komen. En daarom was ze boos.

"Er al eens aan gedacht dat ik ELKE dag moet wachten tot jij ergens tussen kwart na acht en negen uur opdaagt?" vroeg ik voorzichtig. Toen was het hek pas helemaal van de dam. Door vervolgens op haar dooddoener "Ik heb ook nog andere patiënten" te repliceren dat zulks haar bekommernis was en niet de mijne en ik dat argument bijgevolg dus niet accepteerde, was de ruimte helemaal te klein. Mijn slaapkamer, die tevens dienst doet als kantoor, living, eetkamer, badkamer en toilet, daverde op haar grondvesten toen mijn benen spastisch begonnen te trillen onder de giftige blik die mijn verzorgster me toewierp.

Tja, ze heeft vorige zomer al eens een tijd thuisgezeten omdat ze uitgeblust was. En nu hebben ze haar een patiënt gegeven die al eens een kritische opmerking durft te maken. En vindt dat ze de tijd die ze besteed aan zijn reclameblad te lezen, met de familiehulp te roddelen of kinderachtig te doen tegen zijn kroost, beter zou besteden aan dagelijks zijn voeten en onderbenen wassen.

Ze had reeds geruime tijd niet veel krediet meer, maar het voor mij helemaal verkorven door afgelopen week tijdens mijn wekelijkse haarwasbeurt de opmerking te maken dat ik mij gelukkig mocht prijzen zo te worden verwend. En maar niet wou inzien dat ik daar geen verwennerij in zag. In bed, met mijn nek ongemakkelijk in een kuip gelegen, handelingen te laten ondergaan die ik veel liever zelf zou doen.

Reeds tweeëneenhalf jaar moet ik het ontberen, maar toch kan ik me nog levendig herinneren hoe goed het aanvoelde mijn haar te wassen onder een keiharde, warme douchestraal. Dat was pas verwennerij! En ik had er geen verpleegster, noch familiale hulp bij nodig. En bijgevolg bleef ik toen ook gespaard van het geleuter tussen die twee. Als ik lawaai wou zette ik gewoon de radio aan!

Ook het dagelijks gewassen worden in bed, met een kommetje water, kan in mijn ogen bezwaarlijk als verwennerij worden aanzien. Maar dat dringt bij sommige uitgebluste thuisverpleegkundigen blijkbaar niet door.

Een mens zou van minder neerslachtig worden. Gelukkig zorgen onze kinderen met hun dikwijls grappige uitspraken, voor een vrolijke noot in huis. En wordt een wegzinken in mistroostigheid dientengevolge voorkomen. Om even een voorbeeld te geven. Voor hen zijn er twee soorten personen: kleine en grote 'kinderen' en 'mensen', volwassenen dus.

Vanuit deze gedachtegang concludeerden zij onlangs dat mijn kinesiste, een jong meisje, nadat ze hen had vertelt meestal bij haar vriend, maar ook nog een beetje bij haar ouders te wonen, dus eigenlijk nog geen mens was. Zij moest om die uitspraak hartelijk lachen, en ik evenzeer!

Op een zondagnamiddag, eind mei, zat ons gezin gezellig samen aan tafel in de veranda, met zicht op de tuin. We keken naar een koppeltje tortelduiven dat bovenop de schommel van de kinderen zat te flikflooien. Eén van mijn kleuters zei: "Kijk papa, die duifjes zoenen elkaar, die zijn verliefd!" Ik knikte bevestigend. Ineens sprong die ene bovenop de andere en begonnen de duifjes te paren.

Enigszins verveeld door het schouwspel, probeerde ik de aandacht van de kinderen af te leiden. Tevergeefs. Dan zei één van hen: "Hoe lief. De ene vogel krabt de andere. Die eerste heeft waarschijnlijk jeuk!" Ik glimlachte en dacht: "Ja, allicht!"

Ru(sh)di(e), 3 augustus 2002 (revisie op 23 maart 2009)

22-03-09

De avonturen van Rudi & Co, we gaan er mee door

 

Zaterdag jongstleden ging ik met mijn echtgenote en twee bengels iets drinken in een theehuisje in het centrum van de stad waar we wonen. Kwestie van eens buiten te zijn. Ikzelf was nog nooit eerder in de verbruikszaak in kwestie geweest, maar bij een toevallige passage had ik, van op een afstand, reeds gezien dat het etablissement goed toegankelijk voor me was en er bovendien een ruime speelruimte was voorzien voor kinderen, een niet te versmaden gegeven voor wie met twee overactieve jongens op stap gaat.

Als eerste drankje namen wij, 'mannen', een warme chocolademelk; de mama een Coca Cola. Na een half uurtje door de koele buitenlucht te hebben gereden, deed die warme drank me deugd. Vervolgens wou ik wel eens iets met alcohol tot me nemen, en graag hetzelfde als mijn eega. Ik prefereerde een rosé wijntje. Mijn wederhelft ging akkoord met die keuze, onder de voorwaarde dat het een tamelijk zoete wijn zou zijn. Dus riep ik de kelner en vroeg hem of hun rosé wijn zoet was. Antwoordde die jonge snaak: "Ik zou het niet weten, mijnheer, ik drink nooit wijn."

Voor de rest overigens geen slecht woord over dat koffiehuis, behalve dan misschien het feit dat ze geen servetten gaven bij de warme toastjes. Vriendelijke mensen, en heel kindvriendelijk. Lang geleden dat ik me met mijn gezin nog eens ergens zo welkom heb gevoeld. Tijdens ons verblijf in de zaak kregen alle aanwezige kinderen trouwens ook nog eens een tweetal keren een snoepje aangeboden vanwege de uitbaters.

Een week of twee geleden was ik, na schooltijd, met mijn rakkers op weg, richting centrum. Als naar gewoonte stapte er eentje links van me, en eentje rechts. Met één hand hielden ze mijn rolstoel vast. Zo hou ik hen onder controle. We verplaatsten ons over het tamelijk toegankelijk voet- en fietspad. Op een gegeven moment kwamen er enkele fietsers achter ons aan. Zoals ik hen geleerd had, ging mijn kroost spontaan achter me aan stappen, kwestie van ruimte te geven aan die andere weggebruikers. Ze bleven wel ook mijn rolstoel vasthouden.

Hoorde ik opeens achter mij: "Pas op mannekes, ik zal het wel even van jullie overnemen!", maar dan uitgesproken in het plaatselijk dialect. Het volgende moment voelde ik een warme adem in mijn nek en rook ik een alcoholgeur. En hoorde ik één van mijn zoons zeggen: "Mijnheer, dit is wel een elektrische rolstoel hoor!" Bleek dat er een oude man tegen mijn rolstoel aan het duwen was. Die dacht dat de kinderen mij vooruit duwden (dat hadden we reeds eerder meegemaakt!) en wou dat klaarblijkelijk ook wel eens doen. Met blozende kaken (die hij waarschijnlijk reeds had door een teveel aan geestrijke drank in zijn corpus) liet hij mijn voertuig terug los. Hahaha... wat hebben we gelachen!

Wat me begin september, op een warme nazomerdag, voorviel was minder lollig. Samen met een assistente ging ik enige aankopen doen in de Aldi in onze buurt. Een filiaal van die Duitse warenhuisketen, waar ik voor die desastreuze heelkundige ingreep - die mijn ganse leven veranderde - ook reeds geregeld over de vloer kwam, en mijn echtgenote nog steeds, nagenoeg wekelijks.

Terwijl mijn assistente onze aankopen in een doos deponeerde, kwam de kassierster, met de naam "Van Branden", op haar afgestapt. Ik werd straal genegeerd, hoogstwaarschijnlijk vanuit een vooringenomenheid dat mensen in een rolstoel sowieso ook mentaal gehandicapt en onmondig zijn. Aangezien mijn toenmalige assistente de Nederlandse taal niet machtig is, begreep ze niet wat het vrouwelijk personeelslid zei. Het meisje verwees haar naar mij en ik vroeg wat er aan de hand was. De kassierster, zichtbaar verbaast dat ik kon spreken, zei boosaardig dat ze een volle fles water zag liggen in de tas die aan de achterzijde van mijn rolstoel is bevestigd. Ik vertelde haar onthutst dat het uiteraard mijn eigen drank betrof, meegebracht van thuis, en steeds aanwezig in die opbergzak, voor het geval ik er nood aan had. "Ja maar, dat is van een merk dat wij hier verkopen." beet ze me hooghartig toe. "Nogal wiedes, want hier aangekocht door mijn echtgenote" repliceerde ik. Met een blik vol ongeloof zei ze dat ik dat dan bij betreding van de handelsruimte aan haar had moeten melden. Dat vond ik onredelijk. Dit kon ze toch niet menen? Bovendien wist ik trouwens - om een voor de hand liggende reden zo dacht ik toch - niet eens wat zich exact allemaal in mijn tas bevond, zo zei ik haar. Dan zou ik het telkens ik de Aldi betrad door hen moeten laten controleren, kreeg ik als antwoord. Ik was totaal verbouwereerd. Me vanuit haar ooghoeken nog steeds spiedend aankijkend, ging zij opnieuw achter haar kassa zitten. En wij verlieten de winkel.

Het voorval ergerde me enorm. Ik vermoedde immers dat de houding van die caissière ook zodanig was omwille van de bruine gelaatskleur van mijn (jonge) assistente. Dat onnozel Aldi wicht met haar bekrompen geest veronderstelde vanuit haar stupide vooringenomenheid allicht dat het Afrikaanse meisje het had aangedurfd met een gehandicapte man op dievenpad te gaan. Met zo'n klein tasje? En zonder het dicht te doen? En een fles water van nog geen 25 Eurocent? Domme mensen gaan er blijkbaar vanuit dat elk ander individu even dwaas is als zijzelf.

Net buiten, en enigszins bekomen, keerde ik me terug om en verzocht die trut, die inmiddels met een collega stond te konkelfoezen, tot bij me te komen. Dat deed ze, evenwel met tegenzin, en vergezeld van die werkgenote. Ik vertelde hen die houding van die ene niet te waarderen. Ze vond er zelf niks verkeerd aan en bleef bij haar standpunt dat ik elke keer ik hun winkel betrad, mijn tas door hen zou moeten laten controleren. Die andere trad haar daarin bij. Dat ik, wat zij van mij verlangden, als uiterst vernederend ervoer, en gezien de drukte die meestal in de winkel heerst, dit zelfs praktisch nagenoeg onmogelijk te realiseren viel, kon hen beide niet deren.

Ik zei nog te begrijpen dat er een regel was dat je in principe niet met een tas de winkel in mag, maar ze moesten toch begrijpen dat ik onmogelijk mijn rolstoel, met een niet verwijderbare tas, of enkel de tas, aan de ingang van hun winkel kon laten staan. Bovendien vond ik dat een doorzoeken van mijn tas - met als inhoud voor mij noodzakelijke dingen, waar zij mijns inziens totaal geen zaken mee hebben - een aantasting is van mijn privacy. Doch die argumenten vonden bij hen geen gehoor.

Achteraf bekeken kan je zeggen dat deze hele situatie had kunnen vermeden worden als die assistente mijn tas voor het binnenrijden van de winkel had dichtgedaan. Maar wie niks te verbergen heeft, denkt daar gewoonweg niet aan en verwacht geen perikelen als deze. Dus dat meisje treft, wat mij betreft, geen blaam. Mijn conclusie uit dit voorval is gewoonweg dat ik in die Aldi niet welkom ben. Niks aan te doen. Het is - spijtig genoeg - nu eenmaal zo dat de menselijkheid soms ver te zoeken is in onze hedendaagse maatschappij.

Ru(sh)di(e), 2 december 2002 (revisie op 22 maart 2009)